Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 524Beroepsonderwijs en Volwassenen EducatieNr. 690 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 18 december 2025Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) vormt de ruggengraat van onzeeconomie en samenleving. In het mbo leren jongeren en volwassenen devaardigheden die Nederland draaiende houden. Tegelijkertijd verandert dearbeidsmarkt in hoog tempo: nieuwe technologieën, vergrijzing enmaatschappelijke transities (zoals de energietransitie en de woningbouw)vragen om sterke basisvaardigheden en wendbaar vakmanschap. Hetmbo staat er op veel punten goed voor, maar er is ook nog werk aan dewinkel. Om in te spelen op de uitdagingen van nu en in de toekomst,sloten verschillende partijen in 2023 daarom de Werkagenda mbo (hierna:Werkagenda) en het Stagepact mbo (hierna: Stagepact). Beide akkoordenbestaan uit doelstellingen en afspraken om het mbo een kwaliteitsimpulste geven met hulp van structurele investeringen in het mbo.Met de Werkagenda en het Stagepact wil ik samen met de partners dekwaliteit van het mbo verbeteren. Niet eerder hadden we daarbij zoveelzicht op de uitvoering van maatregelen, de middelen die daarvoor wordeningezet en of dat bijdraagt aan de gestelde doelen. Daardoor kunnen we,hoe verder we komen, steeds meer inzetten op wat werkt. We evaluerenals partners jaarlijks de landelijke voortgang en elke mbo-instellingevalueert ook haar eigen voortgang. Doordat we allemaal willen leren omte verbeteren, kunnen we de komende jaren geleerde lessen bredertoepassen en kunnen we bijsturen als dat nodig blijkt. kst-31524-690ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6901 Deze briefHieronder licht ik u beknopt toe welke ambities we in de Werkagenda enhet Stagepact hebben geformuleerd en voor welke aanpak is gekozen.1Daarna ga ik in op de voortgang die tot nu toe is geboekt. In deWerkagenda staan drie prioriteiten centraal. Voor elke prioriteit is eenvoortgangsrapport opgesteld. Ook stuur ik bij deze brief een overkoepe-lende rapportage over de voortgang van de Werkagenda en het Stagepacten een overzicht van de voortgang van de landelijk gemaakte afspraken.In de bijlage ga ik ook in op een aantal moties en een toezegging.Werkagenda mbo: Samen Werken aan TalentIn 2023 maakte het Ministerie van OCW samen metmbo-instellingen, studenten, werkgevers, gemeenten en docentenafspraken om het mbo verder te verbeteren en ontwikkelen. Dezeafspraken gaan over drie prioriteiten:•Het bevorderen van kansengelijkheid – alle studenten doenvolwaardig mee in onderwijs en maatschappij;•Het verbeteren van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt – allestudenten hebben een duurzaam arbeidsperspectief;•Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek en innovatie –elke student krijgt een stevige basis in het mbo, er zijn voldoendeen goede docenten om onze ambities waar te kunnen maken enhet mbo is toekomstbestendig en van topkwaliteit.Per prioriteit zijn doelstellingen geformuleerd en afspraken gemaaktover de inspanningen die worden verricht. We volgen deze inspan-ningen via een actie-overzicht, dat bij deze brief is gevoegd.Stagepact mboAls onderdeel van prioriteit 2, het verbeteren van de aansluiting vanhet onderwijs op de arbeidsmarkt, is het Stagepact mbo gesloten.Hierin zijn met verschillende partners2 specifieke afspraken gemaaktover het verbeteren van de stages in het mbo. De ondertekenaarsvan het Stagepact zetten zich in voor uitstekende stagebegeleiding,een passende stagevergoeding, voldoende stageplaatsen voor allembo-studenten en het uitbannen van stagediscriminatie.Uitvoering door mbo-instellingenVoor het behalen van de afgesproken doelstellingen en de uitvoeringvan de landelijke afspraken uit de Werkagenda en het Stagepact, isde inzet van de bekostigde mbo-instellingen cruciaal. Om deuitvoering mogelijk te maken, heeft elke bekostigde mbo-instellingsamen met interne- en externe partners (onder meer de studenten-raden, de ondernemingsraden, de gemeenten en het lokalebedrijfsleven) een zogeheten «kwaliteitsagenda» opgesteld eningediend bij het Ministerie van OCW. In dit plan hebben zij de eigenambities geformuleerd waarmee zij bijdragen aan de doelstellingenuit de Werkagenda en het Stagepact. De agenda’s werden in 20241Voor een uitgebreidere toelichting op de gemaakte afspraken, de werkwijze en de inhoud vande kwaliteitsagenda’s van de mbo-instellingen verwijs ik u ook naar de eerdere brieven die overde Werkagenda en het Stagepact zijn verstuurd. Het gaat om Kamerstuk 31 524, nr. 549,Kamerstuk 31 524, nr. 572, Kamerstuk 31 524, nr. 617 en Kamerstuk 31 524, nr. 624.2Naast de ondertekenaars van de Werkagenda hebben ook CNV Jongeren, CNV Onderwijs, FNV,FNV Young & United, de Algemene Onderwijsbond (AOb), Federatie van Onderwijsvakorgani-saties (FvOv) en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het Stagepactondertekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6902 goedgekeurd door het Ministerie van OCW. De mbo-instellingenontvangen van 2024 tot en met 2027 middelen voor de uitvoeringvan hun plan.Budget voor de uitvoering van de kwaliteitsagenda’s2024202520262027€ 704 mln.€ 539 mln.€ 539 mln.€ 540 mln. Volgen, onderzoeken en bijsturenIn de Werkagenda is afgesproken dat we de uitvoering en het effectvan de maatregelen volgen: maken we onze doelen waar? Dezeafspraken staan in het monitoringsplan «Zicht op wat werkt».3 Elkjaar ontvangen we een landelijke voortgangsrapportage met eenoverzicht van de voortgang per doelstelling. Alle instellingen krijgendaarnaast inzicht in de eigen voortgang. Als de voortgang op dedoelen uitblijft, zoeken we naar de oorzaken. Ook willen we deaanpakken die werken, breder verspreiden. Als er bijsturing nodig is,maken we extra afspraken of passen we onze werkwijze aan. Metdeze lerende aanpak willen we samen de verbeteringen voor elkaarkrijgen die we met de Werkagenda en het Stagepact tot doel stellen.Halverwege de looptijdWat gaat goed?We zijn inmiddels halverwege de looptijd van de Werkagenda en hetStagepact en kunnen een eerste balans opmaken. Hoe staat het met devoortgang? In de onderzoeksresultaten zie ik dat de ingezette aanpak opsommige doelstellingen al leidt tot resultaat. Er zijn positieve ontwikke-lingen zichtbaar. Sinds de start in 2023 voelen meer studenten zichmentaal goed en voelen zij zich ook vaker veilig op de opleiding. En, watheel belangrijk is: studenten vallen minder vaak uit. Ook voor docenten zieik verbeteringen. Zij ervaren minder werkdruk en zien meer ontwikkelmo-gelijkheden. Dit straalt ook af op de mbo-instellingen als werkgever: ditzijn namelijk twee essentiële ingrediënten voor goed werkgeverschap. Wezien ook dat de inzet op kwaliteitsverbetering van het basisvaardigheden-onderwijs in het mbo inmiddels voorzichtig eerste vruchten afwerpt: meerstudenten zijn positief over de lessen burgerschap en rekenen. We richtenons erop dat deze verbetering zich de komende jaren uitbetaalt in meerstudenten die met voldoende basisvaardigheden het mbo verlaten.4Wat moet beter?Er zijn ook aandachtspunten te zien. Zo lukt het de sector nog onvol-doende om genoeg studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt van detoekomst. Ondanks de inzet van de werkagenda zien we dat het mbominder studenten opleidt voor de beroepen waarvoor we in Nederlandjuist méér goede vakmensen nodig hebben. Terwijl juist een opleiding totdeze beroepen studenten de kans geeft op een goede baan met veelmogelijkheden. Als we niets doen loopt Nederland vast en bieden weteveel studenten niet de kansrijke toekomst die we ze wel kunnen geven.Dat vraagt om een aanvullende aanpak met scherpe keuzes over hetopleidingsaanbod en de instroom van studenten bij opleidingen voor demaatschappelijke opgaven van Nederland (woningbouw, zorg, onderwijs,3Bijlage bij Kamerstuk 31 524, nr. 572.4De laatste examenresultaten dateren uit 2023/2024. Deze studenten hebben nog nauwelijksprofijt gehad van de inzet vanuit de Werkagenda en de kwaliteitsagenda’s op dit thema.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6903 klimaat & energie, veiligheid, kinderopvang en digitalisering).5 Zodat ereen goed bereikbaar opleidingsaanbod beschikbaar is in de regio, datmeer dan nu gericht is op de beroepen die noodzakelijk zijn om desamenleving draaiend te houden. Waar studenten weloverwogen uitkunnen kiezen. Daarbij is van belang dat ook de kwaliteit van de stagesverder omhoog gaat. We zien op teveel plekken dat de stagebegeleiding,vanuit school en leerbedrijf, beter kan en moet en dat nog lang niet allestudenten een passende stagevergoeding ontvangen.6 En hoewelinstellingen en leerbedrijven inzetten op het tegengaan van stagediscrimi-natie, zien we nog teveel studenten die hier mee te maken krijgen. Dat isniet van vandaag op morgen opgelost, maar vraagt blijvende en waarmogelijk scherpere inzet van alle partijen. Ook de MBO Raad en JOBmbovinden dat er meer actie nodig is om de ambities van het stagepact tebereiken. Het is mooi om te zien dat ik hen op dit thema aan mijn zijdetref. Gezamenlijk moeten we de stap zetten van leren, naar normeren enrenderen. Ik houd de vinger aan de pols of we de komende jaren ookdaadwerkelijk het afgesproken resultaat bereiken.Sturen op prioriteitenHet is positief dat de aanpak van de Werkagenda en het Stagepact nu aleerste resultaten laat zien. Die goede beweging moeten we vasthouden.Tegelijkertijd moet er op sommige doelstellingen nog een tandje bij.Daarom is het zaak te blijven doorpakken om de gestelde ambities waar temaken. In het vervolg van deze brief ga ik verder in op de tussentijdseuitkomsten. Per prioriteit laat ik de belangrijkste inzet, resultaten eneventuele bijsturingen zien.Prioriteit 1: Het bevorderen van kansengelijkheidAmbitie: Alle studenten doen volwaardig mee in onderwijs enmaatschappijDoelen:•Een gelijkwaardige behandeling van alle studenten in Nederland;•Het verbeteren van het studentenwelzijn, de veiligheid en detoegankelijkheid van het mbo;•Het versterken van de begeleiding van studenten in het onderwijsen bij de stap van school naar werk. Toewerken naar maximaal18.000 nieuwe vsv’ers;•Het stimuleren van de in- en doorstroom in de beroepskolom(vo-mbo-hbo);•Het verminderen van laaggeletterdheid.Om een opleiding goed te kunnen doorlopen is het van groot belang datstudenten goed in hun vel zitten. En als het door persoonlijke omstandig-heden even tegenzit, heeft een student een instelling nodig die daar oogvoor heeft. Een instelling die zich inspant om de student te ondersteunenen te voorkomen dat hij of zij thuis komt te zitten. Daarom ben ik positiefgestemd over twee belangrijke bewegingen. Allereerst voelen steedsmeer studenten zich mentaal gezond: het aandeel studenten dat zichmentaal (zeer) slecht voelt, daalde in 2025 naar 11%, ten opzichte van 21%in 2022. Daarnaast is het aantal voortijdig schoolverlaters in het mbo metruim 3.000 gedaald.7 Ook zie ik een positieve ontwikkeling op de gelijk-waardige behandeling van mbo-studenten. Steeds meer mbo-studenten5Deze opgaven zijn in de Werkagenda mbo vastgesteld als de maatschappelijke opgaven.6Op pagina 9 is de stand van zaken op stagevergoedingen en de route richting verplichtingtoegelicht.7Van 25.544 in 2021/2022 naar 22.308 in 2023/2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6904 nemen deel aan het studentenleven en instellingen introducerencollegekaarten. Het is mooi dat instellingen en studenten dezebewegingen in gang hebben gezet. Ook als overheid kunnen we hierinnog stappen maken, bijvoorbeeld als het gaat om studiefinanciering en deschoolkosten voor mbo-studenten. Dit heeft directe impact op definanciële positie en de toegankelijkheid van het mbo. Ik heb uw Kamerrecent een overzicht gestuurd van deze verschillen.8 Deze verschillenwegnemen vraagt echter om aanvullende middelen en het is aan eenvolgend kabinet om daar een keuze in te maken.Tegelijkertijd bevestigt de voortgangsrapportage van de Werkagenda deconclusie die de Algemene Rekenkamer eerder trok.9 Niet alle (groepen)studenten profiteren van de gepleegde inzet: zowel tussen als binneninstellingen zijn grote verschillen zichtbaar. Sommige verschillen vind ikniet goed uitlegbaar, daar wil ik verandering in brengen. De volgendeverschillen licht ik graag uit:•Studenten ervaren grote verschillen in de kwaliteit van hun studie- enstagebegeleiding. Deze verschillen hebben directe invloed op de matewaarin een student de succesvol kan doorlopen.•Mbo-instellingen geven op uiteenlopende manieren uitvoering aan hetStudentenfonds10. In de praktijk leidt dat soms tot ongewensteverschillen tussen studenten.•De informatievoorziening richting studenten is veelal niet op orde. Hetis voor studenten vaak onduidelijk op welke ondersteuning ze mogenrekenen, of met welke schoolkosten ze te maken krijgen.In het eerste kwartaal van 2026 maak ik concrete afspraken met de MBORaad en JOBmbo over deze thema’s. We maken scherper wat een studentmag verwachten van de mbo-instelling. Het doel is om de verschillen inondersteuningsniveau voor studenten te verkleinen.Deze concrete afspraken zijn, op de korte termijn, een eerste stap. Devoortgang van de Werkagenda en het rapport van de Algemene Reken-kamer maken duidelijk dat een aanscherping van de inzet op gelijkekansen in het mbo nodig is. Samen met de partners werk ik hieraan. Zowil ik een duidelijkere definitie van kansengelijkheid, de doelen enresultaten. Dan is het voor instellingen helder wat er van hen wordtverwacht en kunnen we de verschillen tussen instellingen verkleinen.Hierover wordt uw Kamer voor de zomer van 2026 over geïnformeerd.Wel zal ik begin 2026 reageren op de motie van lid Haage over sectorover-stijgende kernindicatoren voor kansengelijkheid.11Prioriteit 2: Het verbeteren van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarktAmbitie: alle studenten hebben een duurzaam arbeidsperspectiefDoelen:•Meer studenten maken een weloverwogen keuze voor eenopleiding richting een kansrijk beroep, passend bij hun interes-ses, talenten en capaciteiten;8Zie hiervoor ook de brieven die ik heb gestuurd over de normbedragen studiefinanciering &restitutie les- en cursusgeld (Kamerstuk 24 724, nr. 249) en de beleidsreactie op het advies vande Onderwijsraad «Armoede en onderwijs» (Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 19).9Algemene Rekenkamer 2024: Op weg naar gelijke kansen in het middelbare beroepsonderwijs(Kamerstuk 31 524, nr. 600).10Studenten kunnen bij de mbo-instelling een beroep doen op het MBO Studentenfonds,bijvoorbeeld als zij door bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen of zittingnemen in de Studentenraad.11Kamerstuk 36 740 VIII, nr. 11Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6905 •Studenten in het mbo krijgen een kwalitatief goede stageplek ofleerbaan die aansluit bij de opleiding en ontwikkelingsbehoeftevan de student;•De mbo-sector draagt bij aan het (op maat, modulair en via bbl)bij- en omscholen van werkenden en werkzoekenden.Het mbo is onmisbaar bij het opleiden van talent voor de arbeidsmarktvan nu en de toekomst. Dat vraagt om een studieaanbod passend bij deuitdagingen van de huidige en toekomstige maatschappij en goedestudievoorlichting. Mbo-instellingen investeren daarom flink in eenweloverwogen studiekeuze voor elke student. Dat blijkt bijvoorbeeld uiteen toename van het aantal instellingen dat een domeinoverstijgendoriëntatieprogramma aanbiedt (een groei van 16 naar 26).12 Dit oriëntatie-programma geeft jongeren de kans om zich eerst breed te oriënteren endaarna een specifieke richting te kiezen. Hiernaast verschilt het perstudent welk type opleiding of traject passend is. Zo past de combinatievan werken en leren, een bbl-opleiding, beter bij sommige studenten. Methet bbl-offensief brengen we vanuit de Werkagenda de keuze voor eenbbl-opleiding meer onder de aandacht.13 We zien dat steeds meerstudenten de weg naar de bbl inmiddels weten te vinden: het aantalbbl-studenten neemt toe. Voor werkenden en werkzoekenden kan eenpraktijkverklaring of certificaat juist de manier zijn om zich om- of bij tescholen. Bijvoorbeeld als een startkwalificatie niet haalbaar is of iemandextra vaardigheden wil ontwikkelen. We zien ook dat de deelname aan dittype trajecten groeit. Hiermee zet het mbo positieve stappen om steedsbeter aan te sluiten bij de behoeften van verschillende studenten en de(toekomstige) arbeidsmarkt.Toch blijft de aansluiting van mbo-opleidingen op de arbeidsmarkt van nuen de toekomst een punt waar ik me zorgen over maak. De krapte op dearbeidsmarkt is groot en in veel sectoren voorlopig blijvend. De grotemaatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat, zoals bijvoorbeeldin de bouw, de zorg en defensie, vragen veel extra vakmensen. Daarbijzien we dat de instroom van studenten in het mbo de komende jarendaalt. Ook kiest een deel van de studenten voor een studie waarmee zijsimpelweg minder goed toekomstperspectief hebben.14 De inzet vanuit dewerkagenda moet hier verandering in brengen, maar die verandering zienwe onvoldoende. Zo is de landelijke aanpak Kansrijk opleiden van hetonderwijs en het bedrijfsleven, een belangrijk onderdeel van deWerkagenda, eerder vastgelopen. Het is onderwijs en bedrijfslevenonderling niet gelukt om tot scherpe afspraken te komen over eentoekomstbestendig opleidingsaanbod en het opleiden van meer studentenvoor de maatschappelijke opgaven van Nederland. En ondanks deafspraken in de werkagenda zien we dat de instroom in opleidingen voorde maatschappelijke opgaven van Nederland afneemt in plaats vantoeneemt.15 We zien dat Mbo-instellingen investeren in loopbaanoriën-tatie en -begeleiding (lob), maar dit leidt nog niet tot meer tevredenheidbij studenten.12Middels een domeinoverstijgend oriëntatieprogramma kunnen studenten die nog niet goedweten wat ze willen een goed geïnformeerde keuze maken voor een opleiding die bij hen pasten hen opleidt voor een duurzame plek op de arbeidsmarkt.13Als onderdeel van het doel om studenten een passende opleiding te bieden en werkenden enwerkzoekenden om te scholen, startte via Werkagenda het bbl-offensief. Uw Kamer is eerdergeïnformeerd over de voortgang hiervan via Kamerstuk 31 524, nr. 673.14ROA (2025). De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2030.https://cris.maastrichtuniversity.nl/en/publications/de-arbeidsmarkt-naar-opleiding-en-beroep-tot-2030/15Bij de bekostigde mbo-instellingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6906 Als we dit tij niet weten te keren loopt Nederland vast. En minstens zobelangrijk: we bereiden een deel van de studenten niet voor op eenkansrijke toekomst. Daarom is het belangrijk dat er scherpe keuzesworden gemaakt.16 Keuzes over een goed en breed toegankelijk oplei-dingsaanbod in de regio, dat meer dan nu gericht is op de arbeidsmarktvan de toekomst. Een opleidingsaanbod dat tot stand komt uit samen-werking tussen mbo-instellingen in plaats van concurrentie en dat innauwe samenwerking met het bedrijfsleven wordt vormgegeven. Eenopleidingsaanbod waaruit een student zelf kiest wat hij of zij wil studeren.Het is van belang dat die keuze goed onderbouwd is, op basis vanbetrouwbare informatie en goede begeleiding. Het mbo kan de genoemdeuitdagingen niet als sector alleen het hoofd bieden. Wel kan zij eenbelangrijke bijdrage leveren aan de oplossing.Uitvoering van het StagepactDe voortgang op de uitvoering van het Stagepact baart mij, maar ook deandere partners, zorgen. Het lukt nog onvoldoende om op de geformu-leerde doelstellingen vooruitgang te boeken. Daarom moeten we dekomende periode (extra) stappen gaan maken. Het moet snel duidelijkworden hoe scholen en leerbedrijven deze negatieve trend doorbreken ende situatie voor studenten verbeteren. Om deze reden heb ik met departners van het Stagepact een aantal aanvullende acties opgesteld, dieop korte termijn tot de eerste resultaten moeten leiden. Hieronder ga ikkort in op de vier doelstellingen van het Stagepact en de bijbehorendeacties.Voldoende stageplekkenOm voldoende studenten op te kunnen leiden, is het ook belangrijk dat ervoldoende stageplekken beschikbaar zijn. Het stagetekort blijft laag, maaronze inspanningen blijven nodig om dat zo te houden. Voor entree-studenten nemen de tekorten toe. Dat is zorgelijk, omdat het juist voorhen belangrijk is dat ze zonder grote hobbels hun opleiding kunnendoorlopen. SBB bekijkt samen met de Stagepactpartners hoe we destagetekorten laag kunnen houden.Betere begeleidingDe kwaliteit van de stagebegeleiding is nog onvoldoende op orde. Detevredenheid van studenten over de begeleiding is nog steeds laag enneemt nauwelijks toe. Veel instellingen passen de afgesproken driecontactmomenten per stage nog niet (volledig) toe. Dat roept vragen opover de kwaliteit van de begeleiding. Ik verwacht dan ook dat alleinstellingen op alle opleidingen de afgesproken drie contactmomentenimplementeren tijdens de stage. Daarnaast brengen de MBO Raad enJOBmbo in beeld wat studenten belangrijk vinden bij stagebegeleiding enwat de werkende principes zijn om de begeleiding te verbeteren. In heteerste kwartaal van 2026 maak ik met de partners van het Stagepactafspraken over de brede implementatie van deze principes. HetKennispunt Beroepspraktijkvorming (bpv) speelt een belangrijke rol bijdeze implementatie.16Hiervoor is in het Regeerprogramma een pact met studenten, werknemers, werkgevers enonderwijsinstellingen in het mbo aangekondigd om studenten gericht op te leiden voorstrategische tekortsectoren en voor de verwachte maatschappelijke opgaven waar Nederlandvoor staatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6907 StagediscriminatieGeen enkele student mag te maken krijgen met discriminatie, zeker niet bijzijn of haar eerste kennismaking met de arbeidsmarkt. Ondanks goedeeerste stappen, komt stagediscriminatie nog steeds te vaak voor. Omdathet uitbannen van stagediscriminatie ook een cultuuromslag vraagt, hebik twee verdiepende onderzoeken laten uitvoeren, die ik meestuur metdeze brief.Bijna elke instelling is gestart met de pilot stagematching.17 Bij die aanpakis nog ruimte voor verbetering: de pilot kost volgens de instellingen veeltijd en leerwerkbedrijven zetten vaak alsnog in op een klikgesprek. Het iswel positief om te zien dat stagebegeleiders in het mbo steeds meerbewust worden van stagediscriminatie en dat zij ook worden getraind inhet herkennen ervan. Begeleiders weten ook steeds beter welke stappenze moeten nemen bij vermoedens van discriminatie of als een studentzich meldt. Inmiddels hebben bijna alle mbo-instellingen een meldpuntvoor stagediscriminatie en worden deze meldingen ook doorgegeven aanSBB. Dat is mooi, maar de procedures bij instellingen moeten nog welduidelijker. Docenten en begeleiders weten niet altijd waar ze terecht-kunnen en studenten kunnen de weg naar de meldpunten (mededaardoor) nog niet altijd vinden. Daarom is een routekaart ontwikkeld omstudenten hierbij te helpen. Daarnaast maken de MBO Raad en JOBmboafspraken om de meldpunten voor stagediscriminatie bij studenten onderde aandacht te brengen. Ik verwacht dat de uitvoering van deze afsprakenin het eerste kwartaal van 2026 in gang wordt gezet.De komende jaren blijft het belangrijk om nog meer in te zetten op hetvoorkomen van discriminatie. Instellingen gaan ook verder met deuitvoering van de pilot stagematching. Betrokken partijen denken meeover de praktische uitvoerbaarheid van het instrument. Ook voor deleerbedrijven is er de komende periode nog werk aan de winkel. Het luktbegeleiders bij de leerbedrijven nog maar beperkt om discriminatie teherkennen, met name door een gebrek aan kennis. Hier moet hetbedrijfsleven de komende periode mee aan de slag. Daarom startVNO-NCW onder meer een campagne over stagediscriminatie, ombewustwording en kennis te vergroten.StagevergoedingenTot slot ontvangen teveel studenten nog geen stagevergoeding. Er is eenlichte stijging te zien in het aantal afspraken dat hierover wordt gemaaktin cao’s, maar dit vertaalt zich nog maar beperkt naar meer stagevergoe-dingen voor studenten. Ik ben daarom gestart met een verkenning naar demogelijkheid om een stagevergoeding wettelijk te verplichten. Zoalstoegezegd, ontvangt u rond de jaarwisseling de verkenning van dewettelijke mogelijkheden en voor de zomer van 2026 de contouren vaneen wetsvoorstel. Ondertussen roep ik alle partijen op om niet achteroverte leunen, maar het voor alle sectoren gewoon te regelen. Het is voorstudenten en stagebedrijven belangrijk dat duidelijk is in welke cao destagevergoeding is geregeld. Daarom gaan de MBO Raad, JOBmbo enVNO-NCW zowel studenten, stagebedrijven als stagebegeleiders actiefinformeren over de cao’s waarin stagevergoedingen zijn vastgelegd.17Met stagematching worden studenten door de school gekoppeld aan een stageplek, zonderdat hier een gesprek tussen student en leerbedrijf aan te pas komt. Op elke instelling voert éénonderwijsteam de pilot stagematching uit voor eerstejaarsstudenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6908 Prioriteit 3: Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek eninnovatieAmbitie: Elke student krijgt een stevige basis in het mbo, er zijnvoldoende en goede docenten om onze ambities waar te kunnenmaken en het mbo is toekomstbestendig en van topkwaliteit.Doelen:•De beheersing van Nederlands en rekenen onder mbo-studentenverbeteren;•De kwaliteit van het burgerschapsonderwijs verbeteren;•Werken in het mbo is en blijft aantrekkelijk;•Het mbo wordt op het gebied van onderzoek en innovatie eenvolwaardige en gelijkwaardige partner in onderzoeks- enkennisnetwerken.Stevige inzet op basisvaardighedenGoede beheersing van de Nederlandse taal en goed kunnen rekenen zijnbelangrijke voorwaarden om succesvol te kunnen deelnemen aan demaatschappij. Om studenten deze goede basis te geven, is de afgelopenperiode flink geïnvesteerd in de basisvaardigheden van studenten.Studenten krijgen vaker gerichte ondersteuning bij taal en rekenen enbasisvaardigheden worden steeds vaker binnen de context van het beroepaangeboden. Dat resulteert in een voorzichtig positieve ontwikkeling vande tevredenheid van studenten over de lessen basisvaardigheden. In hetbijzonder de tevredenheid over de burgerschapslessen is toegenomen: deaandacht en inzet op dit onderwerp lijken studenten dus te merken. Dekomende periode zet ik de ontwikkeling van het burgerschapsonderwijsverder door. Onder meer met het wetsvoorstel Uitwerking burgerschaps-opdracht WEB.18 Dit wetsvoorstel zal, naar verwachting, per 1 augustus2027 in werking treden.De ontwikkelingen stemmen hoopvol, maar we zijn er nog niet. Er blijvenuitdagingen. Nog steeds stromen leerlingen met achterstanden inbasisvaardigheden van het voortgezet onderwijs naar het mbo. Om deuitdagingen het hoofd te bieden, heeft dit kabinet voor de studiejaren2025–2026 en 2026–2027 financiële ruimte aan instellingen gegeven. Ditdoen we door € 47,2 miljoen te investeren om studenten beter teondersteunen en achterstanden in te lopen. Met de aanpak basisvaardig-heden mbo werk ik aan het krijgen van meer zicht en grip op de kwaliteitvan de lessen basisvaardigheden en het niveau van mbo-studenten.19 Dekomende jaren hopen we deze investeringen en inspanningen terug tegaan zien in de examenresultaten.Carrièreperspectief mbo-docenten: nog veel stappen te zettenDe goede basis voor studenten kan alleen geboden worden als het mbovoldoende kwalitatief onderwijspersoneel heeft: goede docenten zijncruciaal voor de kwaliteit van het mbo. Het mbo zal daarom een aantrek-kelijke werkgever moeten zijn en blijven. Met de vermindering van dewerkdruk en een betere inschaling van docenten, zetten mbo-instellingeneerste belangrijke stappen.20 Maar de ambities zijn groot. De komende18Met dit wetsvoorstel wordt geregeld wat mbo- en vavo-instellingen moeten doen om deburgerschapsopdracht voor het mbo en het vavo uit te voeren.19Uw Kamer is in mei 2025 geïnformeerd over de voortgang van deze aanpak (Kamerstuk31 524, nr. 657).20In 2022 zat 47% van de docenten in loonschaal LC of LD. In 2024 was dit 49%. In 2022 vond50% van de docenten de werkdruk (te) hoog. In 2024 was dit 44%.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 6909 jaren moet het tempo waarmee deze ambities worden waargemaakt,omhoog. De MBO Raad, als werkgeversorganisatie, neemt hiervoor hetinitiatief door met de HR-directeuren van alle instellingen samen tewerken aan de koers. Het docentperspectief nemen zij komend jaar nognadrukkelijker mee bij deze samenwerking. Dit gebeurt bijvoorbeeld doorde Beroepsvereniging opleiders MBO (BVMBO) uit te nodigen bijbijeenkomsten over dit thema.21Praktijkgericht onderzoek en de kennisbasis van het mboHet mbo ontwikkelt zich steeds verder in het zelf ontwikkelen enaanbieden van kennis. Vrijwel iedere mbo-instelling beschikt inmiddelsover ten minste één practoraat. Dit is een belangrijke stap in de richtingvan het versterken van praktijkgericht onderzoek en innovatie. DeAdviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie zal adviseren overde toekomst van praktijkgericht onderzoek in het mbo en de rol vanpractoraten daarin. Dat advies verwacht ik in de tweede helft van 2026 enwordt richtinggevend bij de verdere ontwikkeling van de kennisfunctievan het mbo.Blik op de komende jarenDe voortgang van de Werkagenda en het Stagepact tot nu toe, biedtperspectief voor de komende periode. Ik zie positieve bewegingenplaatsvinden en veel inspanning op alle doelstellingen. Waar deinspanning of voortgang onvoldoende zijn, zetten we een stap extra ofwijzigen we de aanpak. Dit moeten we de komende jaren vasthouden.Tegelijkertijd is het belangrijk om voorbereid te zijn op de periode na deWerkagenda. We willen natuurlijk dat de inspanningen niet alleen tottijdelijk resultaat leiden, maar tot blijvende verandering. Op onderdelenvan de Werkagenda, bijvoorbeeld de aansluiting van het onderwijs op dearbeidsmarkt, is ook na 2027 nog extra inspanning nodig. We moetenkritisch blijven kijken naar de juiste manieren om resultaat te boeken. Opbasis van de voortgang van de Werkagenda en het Stagepact, zijn ertwee punten waar ik in een vervolgaanpak rekening mee wil houden.Ten eerste valt op dat op de thema’s waarin landelijk focus is aangebracht,mbo-instellingen meer ambitie tonen en er meer voortgang wordtgeboekt. Ik zie dit in de eerste plaats bij doelstellingen met een landelijkekwantitatieve doelstelling.Voorbeelden hiervan zijn het streefdoel vanmaximaal 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters en het doel dat iedereinstelling minimaal één practoraat heeft. In de tweede plaats zie ik dit bijdoelstellingen waar instellingen verplicht een vastgesteld deel van hetbudget moesten inzetten. Dit geldt bijvoorbeeld voor het verbeteren vanhet carrièreperspectief van docenten en voor het oprichten van practo-raten.22 Gericht sturen met geld of een landelijk streefcijfer, lijkt dus zijnvruchten af te werpen. Dit komt omdat mbo-instellingen een referen-tiepunt hebben waar zij zich aan kunnen optrekken; men weet wat hen tedoen staat. Uiteraard moeten we blijven volgen of dit, gedurende delooptijd van de Werkagenda, zo blijft.Daarnaast stel ik vast dat het budget voor de kwaliteitsafspraken op ditmoment 10% van de bekostiging in het mbo is. Dit budget is cruciaal voorde financiële continuïteit van mbo-instellingen. Dat maakt het haast21De Beroepsvereniging opleiders MBO (BVMBO) is een organisatie voor en door docenten, dieonderwijsgevenden in het mbo vertegenwoordigt.22Voor carrièreperspectief is dat € 142 miljoen per jaar en voor practoraten € 25 miljoen perjaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 69010 onmogelijk om de middelen niet uit te keren wanneer een kwaliteitsa-genda onverhoopt niet aan de eisen voldoet. Met de herkansingsmoge-lijkheid voor kwaliteitsagenda’s is een oplossing voor dit probleemgevonden in de kwaliteitsafspraken voor 2024–2027. Tegelijkertijd is degerichte geldstroom (nu: de kwaliteitsafspraken) een belangrijk instrumentom als Minister te kunnen sturen op de kwaliteit van het mbo. De omvangen inrichting van de gerichte geldstroom (nu de kwaliteitsafspraken) zijndaarom nadrukkelijk onderdeel van het traject van de herziening van debekostiging van het mbo.23Tot slotIk zie dat de Werkagenda en het Stagepact de mbo-sector in beweginghebben gebracht. Veel instellingen zetten belangrijke eerste stappen en ikzie ook dat de ondertekenaars allen op hun eigen manier bijdragen aanverdere ontwikkeling. Dat blijkt ook uit de gesprekken die mijn ministeriemet de bestuurders van alle mbo-instellingen voert. De investeringen dienu al gedaan zijn, moeten zich de komende jaren uitbetalen. Alleondertekenaars zijn zich ervan bewust dat er ook de komende jaren nogflinke stappen nodig zijn. Een lerende houding, waar nodig blijvenbijsturen op de plannen en de beschikbare kennis toepassen zijn hiervoorcruciaal. De komende periode blijf ik mij volop inzetten om dit testimuleren en voor een goede uitvoering van de huidige afspraken.Daarnaast wil ik stappen blijven zetten op de uitdagingen van het mbovoor de toekomst: een toegankelijk en hoogwaardig beroepsonderwijs inheel Nederland door toekomstbestendige bekostiging van mbo-scholenen het zorgdragen voor een mbo-opleidingsaanbod dat goed aansluit bijde huidige en toekomstige arbeidsmarkt.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,G. Moes23Middels Kamerstuk 31 524, nr. 674 is uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van deherziening van de bekostiging in het mbo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 69011 MOTIES EN TOEZEGGINGEN M.B.T. DE UITVOERING VAN DEWERKAGENDA EN HET STAGEPACTMotie Dassen over Benelux-Baltisch verdragDe motie van het lid Dassen (VOLT) c.s. verzoekt de regering om teonderzoeken hoe het Benelux-Baltische verdrag ook voormbo-opleidingen en kwalificaties kan gelden en de mogelijkheden hiervanaan de Kamer terug te koppelen.24 Zowel in de Benelux-landen als in deBaltische staten is er sprake van automatische wederzijdse erkenning vanhbo- en wo-diploma’s. Deze afspraken gelden niet voor mbo-diploma’s,waardoor het Benelux-Baltische verdrag niet geldt voor opleidingen enkwalificaties in het mbo. Het kabinet staat terughoudend tegenover deautomatische wederzijdse diploma-erkenning in het mbo, vanwege devele verschillende systemen voor beroepsonderwijs binnen Europa.Diploma’s zijn niet één op één vergelijkbaar, ook niet met onzebuurlanden. Wel wordt in de praktijk al op verschillende manierensamengewerkt tussen mbo-instellingen om mobiliteit van studenten tebevorderen. Dat gebeurt bijvoorbeeld met de pilots in de Eems Dollardgrensregio met het MOVE-certificate, dat internationale waarde aannationale diploma’s toekent door aanvullingen van vaktechnischeonderdelen die aan de andere kant van de grens nodig zijn.In Europees verband ziet het kabinet voor het mbo vooral meerwaarde inhet valideren en erkennen van specifieke vaardigheden. Om zo werker-varing inzichtelijker te maken voor werkgevers en onderwijsinstellingenover de grens. Daarom is de skillstaal «CompetentNL» ontwikkeld, die isgekoppeld aan Europese initiatieven.Hiermee beschouw ik de motie Dassen als uitgevoerd.Toezegging over een bestuursjaar voor mbo-studentenTijdens het commissiedebat mbo op 1 oktober 2025 heb ik uw Kamertoegezegd te onderzoeken op welke wijze regelgeving mbo-studentenbelemmert bij de keuze voor een bestuursjaar. Hierop zou ik terugkomenin mijn brief over de voortgang van de Werkagenda. Hierbij voldoe ik aandie toezegging.Conform de motie van het lid Westerveld (GL/PvdA)25 heeft de toenmaligeMinister van OCW uw Kamer in zijn brief van 17 juli 2024 geïnformeerdhoe het, ook voor minderjarige mbo-studenten zonder startkwalificatie,mogelijk kan worden om een vrijstelling te krijgen voor extracurriculaireactiviteiten.26 Op dit moment kunnen minderjarige mbo-studenten zonderstartkwalificatie geen vrijstelling krijgen voor een voltijds bestuursjaar.Deze studenten hebben een kwalificatieplicht en moeten daaromonderwijs volgen. Om vrijstelling van de kwalificatieplicht mogelijk temaken, is een wijziging nodig van de Leerplichtwet, de Wet educatie enberoepsonderwijs (WEB) en lagere regelgeving. Daarnaast zijn erwijzigingen in wet- en regelgeving nodig ten aanzien van studiefinan-ciering, lesgeld en financiële compensatie voor het oplopen van studiever-traging. Ik ben van plan om in 2026 te starten met de voorbereiding vandeze wijzigingen van wet- en regelgeving.24Kamerstuk 31 288, nr. 1121.25Kamerstuk 31 524, nr. 587.26Kamerstuk 31 524, nr. 617.BIJLAGE:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 69012 Intrekken erkenningen bij stagediscriminatieZoals toegezegd in het debat van 2 april jl. over stages in het mbo, hbo,wo en de aansluiting op de arbeidsmarkt informeer ik uw Kamer hierbijover de cijfers m.b.t de intrekking van erkenningen van leerbedrijven doorde SBB bij de constatering van stage-discriminatie.SBB geeft aan dat er in 2024 in totaal 369 klachten in behandeling zijngenomen. Bij 81 gevallen is de erkenning ingetrokken, in 29 gevallen is deerkenning aangepast en in 104 gevallen zijn verbeterafspraken gemaakt.Van de ingetrokken erkenningen zijn drie erkenningen ingetrokken dooreen klacht over stagediscriminatie en zijn in drie gevallen verbeteraf-spraken naar aanleiding van de stagediscriminatie gemaakt. Eenverbeterafspraak is een schriftelijk vastgelegde afspraak met het leerbe-drijf, met als doel herhaling van discriminatie te voorkomen en verbe-tering te realiseren als leerbedrijf.Het aantal ingetrokken erkenningen op basis van discriminatie publiceertSBB in de landelijke rapportage Meldingen stagediscriminatie die SBB inhet kader van het Stagepact oplevert. SBB rapporteert daarnaast in haarjaarverslag over nieuwe en ingetrokken erkenningen. Vanaf komend jaarzal SBB bij het aantal ingetrokken erkenningen vermelden hoeveel hiervanbetrekking hadden op de sociale veiligheid. Hiermee voldoet SBB aan dewens van de Tweede Kamer om deze cijfers te publiceren en wordt demotie van de leden Ergin (Denk) en Tseggai (GL/PvdA) uitgevoerd.2727Kamerstuk 31 524, nr. 651.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 524, nr. 69013
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
0174611f-3cc3-4b94-bdde-aaa11edd3882
16debatten
655bijdragen
0interrupties
44.981woorden in uitspraken