KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

0174611f-3cc3-4b94-bdde-aaa11edd3882

16debatten
655bijdragen
0interrupties
44.981woorden in uitspraken

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
18 dec 2025 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 240Veiligheid op school31 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 179 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 18 december 2025Een veilige leer- en werkomgeving vormt de basis voor studenten enmedewerkers van universiteiten en hogescholen om te kunnen groeien,leren en excelleren. In een sociaal en fysiek veilige omgeving is er ruimtevoor open dialoog en vrij debat. Ook als het scherp of kritisch is, of als hetschuurt. Het borgen van deze veilige omgeving, waar men zich houdt aanhuisregels en gedragscodes, vraagt continue aandacht en inzet.In deze brief ga ik in op de uitvoering van diverse trajecten, moties entoezeggingen op het gebied van sociale en fysieke veiligheid op universi-teiten en hogescholen (waaronder samenwerking en uniformiteit,veiligheidsbeleid, meldingsdrempel seksueel grensoverschrijdend gedrag,verkenning naar geheimhoudingsbedingen). Ook deel ik met uw Kamermijn beleidsreactie op bijgevoegde rapporten «Onderzoek meld- enklachtvoorzieningen sociale veiligheid in het hoger onderwijs en dewetenschap (hierna: «onderzoek naar meld- en klachtvoorzieningen») en«Beknopte verkenning ervaringen van Joodse studenten en medewerkersmet meld- en klachtvoorzieningen voor sociale onveiligheid in het hogeronderwijs» (hierna: «verkenning»). Wat betreft kennisveiligheid heeft mijnambtsvoorganger gemeld uw Kamer te blijven informeren over devoortgang. Dit blijf ik ook doen. De internetconsultatie van hetwetsvoorstel screening kennisveiligheid is afgerond en er zijn diverseuitvoeringstoetsen en adviezen opgeleverd. Begin 2026 verwacht ik uwKamer te kunnen informeren over de opbrengst daarvan. Deze briefschetst dus geen volledig beeld van de voortgang van alle veiligheids-aspecten op universiteiten en hogescholen, maar gaat in op enkelemijlpalen en updates. kst-29240-179ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1791 Samenwerking en uniformiteit aanpak veiligheidIn het debat over Academische vrijheid op 10 september jl. (Kamerstuk31 288, nr. 1213) heb ik uw Kamer toegezegd een update te geven overwat de instellingen sinds de brief van mijn ambtsvoorganger overveiligheid op universiteiten en hogescholen (juli 2025) hebben gedaan omde samenwerking en uniformiteit in de aanpak van sociale en fysiekeveiligheid op instellingen te verbeteren.1Samenwerking en kennisdelingEen belangrijk element is kennisdeling tussen instellingen. De managersIntegrale Veiligheid van de universiteiten komen wekelijks bij elkaar omeen gezamenlijk dreigingsbeeld te maken door onder andere de actuelesituatie te bespreken en ervaringen, kennis en good practices uit tewisselen. Dit draagt bij aan een gedeelde kennispositie en harmoniseringvan advisering aan de besturen. De hogescholen delen kennis enervaringen met name tussen instellingen die in hetzelfde geografischegebied liggen, tussen instellingen van vergelijkbaar karakter, tussen(vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke PlatformIntegrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig enefficiënt omgegaan met de ontwikkelde kennis en ervaring.De voorbereiding van de opening van het academisch jaar is één van deonderwerpen waar de managers Integrale Veiligheid van de universiteitenmet elkaar over gesproken hebben. Dit heeft ertoe bijgedragen dat bij deopeningen, die op een aantal instellingen weliswaar zijn verstoord,escalatie is voorkomen. Op de hogescholen hebben de gezamenlijkevoorbereidingen en de extra aandacht voor sociale veiligheid en respect-volle omgang met elkaar, als onderdeel van bijvoorbeeld de introductieac-tiviteiten, ertoe bijgedragen dat nieuwe escalaties tot op heden niet zijnopgetreden.NormstellingOok doen instellingen aan gezamenlijke normstelling bij incidenten. Zohebben universiteiten zich in een gezamenlijke publieksreactie duidelijkuitgesproken tegen het geweld bij een bezetting bij de Radboud Univer-siteit.2 De instellingen blijven zich individueel en gezamenlijk uitsprekentegen grensoverschrijdende acties en vóór een veilige leer- enwerkomgeving.Identificeren daders en verhalen schadeDe instellingen doen altijd aangifte van strafbare feiten wanneer dieplaatsvinden tijdens protesten op hun terreinen, zoals bedreiging,vernieling of openlijke geweldpleging. De afgelopen periode is hetgesprek gevoerd tussen de sector, de ministeries van Justitie & Veiligheiden van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de politie en het OpenbaarMinisterie (hierna: OM) over de knelpunten die instellingen ervaren bij hetverhalen van de schade en het identificeren van daders, en de opvolgingvan aangiftes. Uit deze gesprekken en een inventarisatieronde onder deuniversiteiten is naar voren gekomen dat de knelpunten voor het grootstedeel zijn terug te voeren op het probleem dat het niet altijd mogelijk is omde identiteit van de daders vast te stellen. Dit komt door het onoverzichte-lijke en chaotische karakter van dergelijke situaties tijdens rellen op de1Kamerstukken II 2024/25, 29 240, nr. 175.2Universiteiten: recente gebeurtenissen zijn ernstig, opnieuw een grens over | Universiteiten vanNederlandTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1792 campussen waardoor het niet altijd mogelijk is om vast te stellen wieverantwoordelijk is voor welk strafbaar feit. Hierbij wil ik opmerken dat depolitie en het OM zich ten volle inzetten om de identiteit waar mogelijk teachterhalen. Tevens hecht ik eraan te benoemen dat ik als Minister nietkan treden in opvolging door het OM noch bemoeienis kan hebben metde rechtsgang. Verder kan ik uw Kamer melden dat de universiteiten enpolitie momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samen-werking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen die instel-lingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goedebanen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen. Hiermee heb ikuitvoering gegeven aan de moties van uw Kamer over hetverhalen van schade en mijn toezegging over de opvolging vanaangiftes.3Opzet evaluatie subsidieprogramma veiligheidEen belangrijke actie in het kader van uniformering en samenwerking opveiligheid door de instellingen is de onafhankelijke evaluatie van hetsubsidieprogramma «Integrale Veiligheid» 2016–2023 zoals aangekondigdin de brief van mijn ambtsvoorganger van 3 juli (Kamerstuk 29 240, nr.166) over veiligheid op universiteiten en hogescholen.4 Het onderzoek zalinventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma inde instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen wordenvoor veiligheid en onderlinge samenwerking op dit onderwerp. Bijvoor-beeld als het gaat om de omgang met protesten en veiligheidsincidenten.Op korte termijn ga ik in gesprek met de instellingen over de opzet enaanpak van dit onderzoek. Het onderzoek start in 2026 en besteedtenerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleidhebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich nadrukkelijk op decoördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol van unifor-mering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op deinstellingen. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026informeren over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.Nauw verwant hieraan is de veiligheidsopgave waar de samenleving voorstaat om de weerbaarheid tegen hybride en militaire dreigingen teverhogen. Deze dreigingen nemen door de veranderende geopolitiekesituatie toe. Uw Kamer is hier eerder over geïnformeerd door mijnambtsgenoten van Justitie en Veiligheid, en van Defensie.5 Op dit momentwordt door de koepelorgansaties UNL, VH, MBO-raad en UMCNL enKNAW en NWO voor het vervolgonderwijs en wetenschap gewerkt aansectoragenda’s met als doel instellingen te faciliteren om weerbaarder teworden. Elk van bovenstaande organisaties maakt een eigen agenda,waarmee recht gedaan wordt aan sectorspecifieke verschillen. Tegelij-kertijd wordt een gemeenschappelijke benadering gehanteerd om vanelkaar te leren, samen te werken en om eventueel ook sectoroverstijgendeafspraken te kunnen maken met de ketenpartners zoals veiligheidsregio’sen hulpdiensten.Onderzoek naar meld- en klachtvoorzieningenEen cruciaal kenmerk van een veilige leer- en werkomgeving is een goedwerkend systeem van meld- en klachtvoorzieningen. Het is van groot3Kamerstukken II, 2024/25, 29 240 nr. 168 en Kamerstuk 29 628, nr. 1270 en een toezegging aanhet lid Heite (NSC) tijdens het debat op 10 september 2025 over academische vrijheid.4Als invulling van de motie Heite c.s. over «centrale regie op veiligheid». Kamerstukken II,2025–2026, 29 240, nr. 166.5Kamerstukken II, 2025/26, 30 821 nr. 276.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1793 belang dat studenten en medewerkers weten waar ze terecht kunnen omeen melding te maken als zij grensoverschrijdend gedrag meemaken. Inde praktijk blijkt echter dat het bieden van adequate meld- en klachtvoor-zieningen veel uitdagingen kent.6 Daarom heeft mijn ambtsvoorgangerDijkgraaf, zoals toegezegd in de integrale aanpak sociale veiligheid inhoger onderwijs en wetenschap (hierna: integrale aanpak),7, 8 eenaanvullend onderzoek laten uitvoeren naar de kwaliteit van de klachten-procedures om ze te verbeteren. Met dit onderzoek geef ik ook uitvoeringaan de motie Westerveld over het vergroten van de bekendheid vanklachtenprocedures in het hoger onderwijs.9Belangrijkste resultaten en handelingsperspectievenUit het onderzoek blijkt dat op alle hogeronderwijsinstellingen een diverspalet aan voorzieningen beschikbaar is en dat de meeste studenten enmedewerkers bekend zijn met de aanwezigheid van deze voorzieningen.10Het eerste contact van melders wordt in veel gevallen als laagdrempeligen ondersteunend ervaren. Echter, 34% van de ondervraagde studentenen 22% van de ondervraagde medewerkers geeft aan dat meldingen nietworden opgevolgd of afgerond.11 Dit wordt volgens de onderzoekersdeels veroorzaakt doordat studenten en medewerkers andere verwach-tingen en behoeften hebben dan de voorziening biedt of kan bieden. Uithet onderzoek blijkt verder dat de meldingsbereidheid van studenten enmedewerkers negatief wordt beïnvloed door onduidelijkheid die bestaatrond het meldproces en de opvolging van meldingen. Zo’n 70% van destudenten en 63% van de medewerkers geven in de enquête aan dat zeniet goed weten wat er gebeurt wanneer ze een melding of klachtindienen over ongewenst gedrag. Ook een hiërarchische structuur binnende organisatie12, zorgen over negatieve gevolgen van het doen van eenklacht of melding en zorgen over de onafhankelijkheid van de voorzie-ningen, verminderen volgens het onderzoek de meldingsbereidheid enhet vertrouwen in de voorzieningen.Ik ben tevreden dat uit het onderzoek naar voren komt dat op alleonderwijsinstellingen een divers palet aan voorzieningen beschikbaar isen studenten en medewerkers meestal hun weg hiernaartoe weten tevinden. Uit het onderzoek blijkt echter ook dat er verschillende factorenzijn die studenten en medewerkers kunnen belemmeren om zich temelden als er iets speelt, en dat die de werking van de voorzieningenbeïnvloeden. Deze signalen baren mij zorgen.6Inspectie van het Onderwijs (2022). Studenten over de klachtenprocedure in het hogeronderwijs; KNAW (2022). Sociale veiligheid in de Nederlandse wetenschap: van papier naarpraktijk; Zestor (2022). Werkbeleving in hogescholen: Benchmark 2020–2021; Zakia Essanhaji(2023). De (on)mogelijkheid van klachten. Sofokles. Arbeidsinspectie (2024) Arbo in bedrijfspecial: Onderzoeksrapport Psychosociale arbeidsbelasting universiteiten, Onderzoek naar destand van zaken rond werkdruk en ongewenst gedrag en de aanpak hiervan op 14 Nederlandsepublieke universiteiten.7Kamerstukken II, 2023/24, 29 240, nr. 131.8Zoals toegezegd in de integrale aanpak zijn ook de aanbevelingen van regeringscommissarisseksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld meegenomen in dit onderzoek,Kamerstuk II, 29 240, nr. 140.9Kamerstukken II 2021/22, 35 925 VIII, nr. 23.10Het onderzoek bevat een verkennend (kwantitatief) deel bestaande uit een online enquêteingevuld door 2.388 studenten, medewerkers, professionals en beleidsvertegenwoordigersvan universiteiten en hogescholen en een verdiepend (kwalitatief) deel bestaande uit 40verdiepende interviews met medewerkers en studenten en zes focusgroepen gericht oppraktijkwerking en handelingsperspectieven.11Hierbij is er een aanzienlijk verschil tussen studenten op hogescholen en universiteiten; 42%van de studenten op universiteiten had dit gevoel, tegenover 30% op hogescholen.12Afhankelijkheidsrelaties tussen student en medewerker of medewerker en leidinggevendenzorgen voor een verminderd vertrouwen en een afname in de meldingsbereidheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1794 Om de geschetste problematiek tegen te gaan, worden in het onderzoekzeven handelingsperspectieven gegeven met daaraan gekoppeldverschillende concrete acties (hieronder komen alle handelingsperspec-tieven aan bod).13 Zo raden de onderzoekers aan om het vertrouwen in devoorzieningen en de meldingsbereidheid te verbeteren (handelingsper-spectief 1), onder andere door vanuit het bestuur een open en veiligecultuur uit te dragen en normerend op te treden. Dit kunnen zij bijvoor-beeld doen door te communiceren over de gedragscodes en welkegevolgen het niet naleven daarvan kan hebben. Ook het verbeteren van deinformatievoorziening vanuit de instellingen over de verschillendefuncties en werkwijze van beschikbare meld- of klachtvoorzieningen kanhieraan bijdragen (handelingsperspectief 4). Verder wordt geadviseerd omte investeren in begeleiding en nazorg voor alle partijen in een procedure(handelingsperspectief 5). Deze ondersteuning kan bijdragen aan eengevoel van rechtvaardigheid en kan voorkomen dat mensen zich alleengelaten voelen.Uit het onderzoek komt daarnaast naar voren dat functionarissen uit demeld- en klachtvoorzieningen belemmerd worden in het uitvoeren vanhun taken door beperkte beschikbare tijd, rolonduidelijkheid of gebrek aaninhoudelijke ondersteuning. De onderzoekers raden aan om te werken aande professionalisering van de voorzieningen, onder andere door te zorgendat functionarissen de uren en ontwikkelmogelijkheden krijgen die zijnodig hebben om hun functie optimaal uit te voeren (handelingsper-spectief 2).Het onderzoek laat verder zien dat meldingen en conflicten vaak wordenafgehandeld buiten de formele voorzieningen om. Zo blijkt uit deenquêteresultaten dat studenten vaak een beroep doen op een docent(45%) of mentor (34%) en medewerkers op een leidinggevende (68%).Hoewel deze informele routes de toegankelijkheid vergroten, blijken debetrokkenen niet altijd toegerust om meldingen te begeleiden of op tevolgen. De onderzoekers raden dan ook aan om te investeren in dezeinformele voorzieningen, bijvoorbeeld door leidinggevenden enmedewerkers te trainen in de vaardigheden die zij nodig hebben als eersteaanspreekpunt en in hun signaalfunctie (handelingsperspectief 3).Extern meldpunt en anoniem meldenIn het onderzoek is conform een toezegging aan uw Kamer14 ook gekekennaar de potentie van een extern meldpunt en de mogelijkheid omanoniem te melden, met als doel de meldingsbereidheid te vergroten.Beide oplossingsrichtingen kennen zowel voor- als nadelen, zo blijkt uit ditonderzoek. Een extern meldpunt kan de drempel verlagen voor studentenen medewerkers die het gevoel hebben dat zij binnen hun eigen instellingniet terecht kunnen.15, 16 Nadeel is dat een extern meldpunt vaakonbekend is met de cultuur en context van de instelling. Anoniem meldenkan een uitkomst bieden voor studenten en medewerkers die hun ervaring13Handelingsperspectief 1 tot en met 6 betreft de bevoegdheid van de instellingen, aanbeveling7 de Vertrouwensinspectie.14Hiermee geef ik invulling aan toezegging Westerveld (VSO factsheet sociale veiligheid,onderzoek doen naar anoniem melden, Kamerstukken II 2022/23, 31 288, nr. 944) en detoezegging die hierover is gedaan in het debat over de veiligheid op Nederlandse universi-teiten op 23 januari 2025.1536% van de medewerkers en 24% van de studenten geven in het onderzoek aan de voorkeur tehebben voor een extern meldpunt.16Een ander door regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueelgeweld (RCSGOG), Mariëtte Hamer, genoemd voordeel van een extern meldpunt is datslachtoffers op die manier bijgestaan en ondersteund kunnen worden bij het doen van eenmelding. Zie ook de brief «Advies aan de demissionair minister van OCW over de aanpak vanseksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld in het hoger onderwijs en dewetenschap» van de RCSGOG van 24 januari 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1795 willen delen maar niet betrokken willen zijn bij de opvolging ervan.17Daartegenover staat dat anonieme meldingen in de praktijk zelden totsanctionering kunnen leiden aangezien een gesprek, hoor en wederhooren nazorg niet mogelijk zijn. Met het ontbreken hiervan kan mogelijk geencompleet beeld van de situatie ontstaan en is het lastiger voor debeklaagde om zich voldoende te verweren.Zoals toegezegd in de integrale aanpak, is in het onderzoek naar meld- enklachtprocedures ook gekeken naar de rol van de Vertrouwensinspectie.De onderzoekers concluderen dat de Vertrouwensinspectie binnen hethuidige stelsel een rol kan spelen bij de meld- en klachtvoorzieningen vanhet hoger onderwijs. Om te zorgen dat instellingen optimaal gebruikmaken van deze expertise raden de onderzoekers aan om de bekendheiden het bereik van de instantie te vergroten (handelingsperspectief 7).In het onderzoek wordt tenslotte aanbevolen om meer duidelijkheid tecreëren over de reikwijdte van klacht- en meldvoorzieningen voorstudenten (handelingsperspectief 6), specifiek als het gaat om situaties diezich voordoen op het snijvlak van verenigings- en instellingscontext. Bijde uitwerking van mijn wetsvoorstel rond de zorgplicht veiligheid in hetvervolgonderwijs neem ik dit mee. Van belang is om hierbij te melden datstudie- en studentenverenigingen zelfstandige organisaties zijn enjuridisch gezien niet onder de reikwijdte van de instelling vallen. Onder-wijsinstellingen kunnen een eventuele subsidierelatie tijdelijk stopzettenof beëindigen, maar de studie- of studentenvereniging is en blijft zelfverantwoordelijk voor sociale veiligheid en eventuele sanctionering enincidentenafhandeling daaromtrent.Opvolging van het onderzoekDe handelingsperspectieven bieden de instellingen, in aanvulling op delopende acties18, goede handvatten om de sociale veiligheid onder hunstudenten en medewerkers te verbeteren. De handelingsperspectievenzijn volgens het onderzoek relevant voor alle hogeronderwijsinstellingen.Tegelijkertijd constateren de onderzoekers duidelijke verschillen in hoeinstellingen hun meld- en klachtvoorzieningen hebben ingericht.Sommige instellingen hebben bepaalde onderdelen adequaat ingericht enandere zijn nog volop in ontwikkeling. Er is volgens de onderzoekers danook niet één uniforme aanpak die voor iedere instelling werkt. Het isdaarom aan de instellingen, meld- en klachtfunctionarissen en beleidsme-dewerkers sociale veiligheid om te bepalen welke acties relevant enpassend zijn voor de desbetreffende instelling. Deze afweging geldt ookvoor het instellen van een extern meldpunt en het mogelijk maken vananoniem melden.De koepels hebben toegezegd de rapportages en handelingsperspectievente zullen bespreken met de instellingen, en hiermee aan de slag te gaan. Ikheb er vertrouwen in en reken erop dat de instellingen met de gebodenhandelingsperspectieven aan de slag gaan, passend bij de instelling.Omde handelingsperspectieven verder te brengen kunnen de instellingendesgewenst een aanvraag indienen bij het landelijke subsidieprogrammasociale veiligheid in het hoger onderwijs en de wetenschap, dat wordt17Het onderzoek laat zien dat 41% van de studenten en 24% van de medewerkers die eenmelding heeft gemaakt, dat liever anoniem gedaan had.18Zo hebben alle instellingen beleid ten aanzien van sociale veiligheid. Ook is er veel aandachtvoor sociale veiligheid in de cao’s: in de recente cao hogescholen is de verplichtingopgenomen voor het aanstellen van een onafhanjelijke ombudsfunctionaris per uiterlijk1 januari 2027. In de cao universiteiten is afgesproken dat alle universiteiten een centraalmeldpunt sociale veiligheid instellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1796 uitgevoerd door de regiegroep Sociale Veiligheid, bijvoorbeeld voorinitiatieven voor de ontwikkeling van trainingen en handreikingen.19 Ookde middelen voor uitvoering van de afspraken ten aanzien van socialeveiligheid in het Bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap kunnendoor onderwijsinstellingen hieraan worden besteed.20VertrouwensinspectieNaar aanleiding van het onderzoek ga ik in gesprek met de Vertrouwensin-spectie om samen te bekijken hoe de bekendheid van de Vertrouwensin-spectie kan worden vergroot. Daarbij is het goed te benoemen dat deVertrouwensinspectie een grotere rol zal spelen en daarmee meerbekendheid zal generen op de instellingen als het wetsvoorstel Vrij enVeilig Onderwijs in werking treedt. Hierin wordt onder andere de meld- enoverlegplicht, die nu geldt voor signalen van seksueel misbruik bijminderjarigen, uitgebreid naar seksuele intimidatie en naar meerderja-rigen.Meldingsdrempel seksueel grensoverschrijdend gedragIn het kader van de opvolging van dit onderzoek ga ik ook graag nader inop de wijze waarop ik invulling geef aan de motie van het lid Beckerman(SP), die de regering verzoekt om «samen met de hogeronderwijsinstel-lingen een plan te maken om de meldingsdrempel bij seksueel grensover-schrijdend gedrag te verlagen, daarbij studentes actief te betrekken en ditjaarlijks te evalueren».21 Hierbij heb ik aangegeven dat ik deze motiebeschouw als onderdeel van het onderzoek naar meld- en klachtvoorzie-ningen dat ik met betrokkenheid van de sector heb uitgevoerd, en deopvolging daarvan. In het onderzoek worden mogelijkheden geschetst omde lage meldingsbereidheid aan te pakken, bijvoorbeeld door helder tecommuniceren waarvoor en wanneer studenten en medewerkers kunnenaankloppen bij meld- en klachtvoorzieningen en hoe het proces eruitziet.Daarnaast wijs ik uw Kamer op het voorgenomen wetsvoorstel rond dezorgplicht veiligheid voor het gehele vervolgonderwijs (mbo, hbo en wo)waar ik momenteel aan werk. Dit wetsvoorstel draagt bij aan wat het lidBeckerman vraagt, aangezien het wetsvoorstel voor instellingen deverplichting tot veiligheidsbeleid expliciteert, daarbij de betrokkenheidvan de medezeggenschap (waaronder studenten) regelt en evaluatie vanhet beleid verplicht.22Wettelijke zorgplicht veiligheidInstellingen hebben de plicht te zorgen voor een veilige omgeving vooriedereen die studeert, onderzoekt of werkt op een Nederlandse onderwijs-instelling in het vervolgonderwijs. Op dit moment werk ik aan eenwetsvoorstel dat deze zorgplicht wettelijk verankert en expliciteert. Ditbeoog ik te bewerkstelligen door de rollen en verantwoordelijkheden van19De regiegroep stimuleert, verzamelt, ontwikkelt, financiert en monitort initiatieven om socialeveiligheid in het hoger onderwijs en de wetenschap te bevorderen. Vanuit de regiegroepworden belangrijke lessen en inzichten met de Minister en de sector, zodat het landelijkebeleid op sociale veiligheid verder versterkt kan worden. Ook draagt deze kennis bij aan hetstructureel borgen van sociale veiligheid in het hoger onderwijs en de wetenschap.https://programasocialeveiligheid.nl20Kamerstukken II 2021/22, 35 925 VIII, nr. 23.21Kamerstukken II 2025/26, 31 288, nr. 1218. Uw Kamer heeft deze motie aangenomen metdaarbij mijn appreciatie dat de motie geïnterpreteerd mag worden als steuntje in de rug vanhet beleid dat we reeds inzetten, aangezien we hier al mee aan de slag zijn.22Doordat de handelingsperspectieven uit het onderzoek worden opgepakt en de andereaspecten uit de motie zullen worden meegenomen in het Wetsvoorstel zorgplicht veiligheid,beschouw ik hiermee de genoemde motie Beckerman (SP) als afgedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1797 verschillende actoren, zoals het instellingsbestuur, de raad van toezicht ende medezeggenschap, te verduidelijken, kaders te stellen voor adequaatveiligheidsbeleid en door het voorschrijven van een lerende cyclus voordit beleid inclusief regelmatige evaluatie. Daarbij wordt, net als in hetfunderend onderwijs, een registratieplicht voor incidenten geïntroduceerdevenals een meldplicht voor ernstige veiligheidsincidenten. Ook wordteen eventuele wettelijke plicht voor het aanstellen van vertrouwensper-sonen of een vergelijkbare functie verkend.Ik vind het belangrijk te benadrukken dat de implementatie van dezorgplicht bij zal dragen aan de uniformiteit van het veiligheidsbeleid vaninstellingen. Immers, met de wet schets ik heldere kaders die voor elkeinstelling zullen gelden. Ook ontstaat hierdoor meer uniformiteit in deaanpak met betrekking tot sociale veiligheid in de hele keten van primaironderwijs tot en met universitair onderwijs.Dit wetsvoorstel bevindt zich in een voorbereidende fase. Mede door deuitbreiding van de reikwijdte van dit wetsvoorstel naar het gehelevervolgonderwijs, en met het oog op de ontwikkelingen rond hetwetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs in het funderend onderwijs en dedemissionaire status van het kabinet, is meer tijd nodig voor de voorbe-reiding van dit wetsvoorstel en de afstemming met het veld en met deinspectie. Het wetsvoorstel is dan ook niet, zoals door mijn ambtsvoor-ganger toegezegd, al dit najaar in internetconsultatie gegaan. Afhankelijkvan de verdere ontwikkelingen, en de formatie van een nieuw kabinet, zaleen conceptversie van dit wetsvoorstel in de eerste helft van 2026 ininternetconsultatie gaan.Wet bescherming klokkenluidersMijn ambtsvoorganger heeft aan uw Kamer toegezegd om in het kadervan het onderzoek naar meld- en klachtvoorzieningen te kijken of deprotocollen sociale veiligheid in lijn zijn met de Wet beschermingklokkenluiders.23, 24, 25 Hierover kan ik u melden dat universiteiten de Wetbescherming klokkenluiders hebben vertaald naar een eigen sectoraleregeling die afgelopen januari is ingegaan. Daarnaast is in de cao vanhogescholen opgenomen dat de instellingen verplicht zijn om eenklokkenluidersregeling te hebben. Deze regelingen op universiteiten enhogescholen zijn in lijn met de Wet bescherming klokkenluiders.Veiligheid Joodse studenten en medewerkersHet is verschrikkelijk en onacceptabel dat Joodse studenten enmedewerkers op hogescholen en universiteiten onveiligheid en antisemi-tisme ervaren. Hiervoor is geen plek in het onderwijs en ik zet mij dan ook,samen met instellingen, (Joodse) studenten en medewerkers, in om deveiligheid te verbeteren en antisemitisme aan te pakken. Joodsestudenten en medewerkers moeten zich – net als alle studenten enmedewerkers op onderwijsinstellingen – veilig en welkom voelen. UwKamer heeft mij ook via verschillende moties gevraagd om hier actie op teondernemen.23Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal24Toezegging uit het debat DUO en hoger onderwijs van 23 oktober 2024 (Kamerstuk 31 288, nr.1162).25De verplichtingen in de wet en deze regeling zijn van kracht geworden terwijl het onderzoek alhalverwege in uitvoering was. Hierdoor is het niet mogelijk geweest om dit mee te nemen indit onderzoek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1798 VerkenningZoals toegezegd aan uw Kamer en als onderdeel van de kabinetsbredeStrategie Bestrijding Antisemitisme26, 27 heb ik een verkenning latenuitvoeren naar de ervaringen van Joodse studenten en medewerkers metde meld- en klachtvoorzieningen.28 29 Een aantal knelpunten uit deverkenning sluit aan bij bevindingen uit het onderzoek naar meld- enklachtvoorzieningen. Zo ervaren (Joodse) studenten en medewerkers eengebrek aan opvolging van klachten en meldingen, zorgt een ongelijkemachtsverhouding ervoor dat ze afhoudend zijn bij het doen van eenmelding over een docent of collega en kiezen ze vaak voor informeleroutes. Het opvolgen van de handelingsperspectieven uit het hiervoorgepresenteerde onderzoek draagt daardoor ook bij aan verbetering van demeldingsbereidheid en opvolging van meldingen en klachten van Joodsestudenten en medewerkers. Daarnaast bevat de verkenning enkeleconclusies, die specifiek gelden voor Joodse studenten en medewerkers.De onderzoekers concluderen dat er soms beperkte kennis lijkt te zijn bijfunctionarissen van meld- en klachtvoorzieningen en andere medewerkersdie met Joodse studenten werken over welke uitingen, specifiek voorJoden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden ervaren.30 Joodsestudenten en medewerkers uit de verkenning ervaren dat ze bij het doenvan een melding regelmatig moeten uitleggen wat antisemitisme inhoudten waarom bepaalde uitingen als kwetsend worden ervaren. Hierdoorvoelen zij zich minder gehoord of niet goed begrepen en wordt de stapom het gesprek voort te zetten of in de toekomst weer een melding tedoen groter. In de verkenning wordt dan ook het handelingsperspectiefgeboden om de kennis en sensitiviteit rondom antisemitisme te verbe-teren. In dit kader werk ik momenteel, samen met de Nationaal Coördi-nator Antisemitismebestrijding (NCAB), aan handreikingen voor vertrou-wenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevendenover het herkennen van en omgaan met antisemitisme.31 De NCAB zalnaar aanleiding van deze verkenning bekijken of hij meer kan doen op ditvlak. Zo is hij voornemens om in opvolging van de geboden hande-lingsperspectieven trainingen op dit terrein te ontwikkelen.Verder komt uit de verkenning naar voren dat de actuele onrust opinstellingen rond de oorlog in Gaza invloed heeft op de ervaringen enverwachtingen van Joodse studenten en medewerkers bij de meld- enklachtvoorzieningen. Zowel het innemen als het uitblijven van eenpublieke positie over deze kwestie door instellingen beïnvloedt hetvertrouwen van Joodse studenten en medewerkers in de meld- en26Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024-2030 | Rapport | Rijksoverheid.nl27Toezeggingen TZ202502-100 en TZ202502-101.28Enkele maanden na de start van het onderzoek naar meld- en klachtvoorzieningen is aan uwKamer toegezegd dat hierbij «de omgang met meldingen en klachten van Joodse studentenen medewerkers» ook meegenomen zou worden. Echter, uit de eerste resultaten bleek dat hetonderzoek te weinig respondenten uit deze doelgroep bevatte. Er is daarom opdracht gegeventot aanvullend onderzoek. De doorlooptijd van het aanvullende onderzoek was hierdoor korten de omvang beperkt.29Zoals ik ook heb toegezegd tijdens het debat over antisemitisme in april 2024 en in het debatover veiligheid op Nederlandse universiteiten in januari 2025. Hiermee doe ik deze toezeggingaf.30De resultaten in de verkenning zijn gebaseerd zijn op ervaringen van een kleine groeprespondenten. Voor de verkenning zijn drie focusgroepen en vijf interviews uitgevoerd. Tweevan de focusgroepen bestonden uit acht Joodse studenten en medewerkers en één focus-groep bestond uit vijf meld- en klachtfunctionarissen. Om de validiteit te vergroten zijn deinzichten uit de focusgroepen getoetst bij diverse experts en sleutelpersonen die breder actiefzijn. Zie verder de toelichting in voetnoot 28 over de korte doorlooptijd en beperkte omvangvan deze verkenning.31Toezegging 202510-156.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 1799 klachtvoorzieningen en de ervaren sociale veiligheid. Dit sentiment strektzich in veel gevallen uit tot de functionarissen binnen de meld- enklachtvoorzieningen: zij worden soms gezien als onderdeel van hetzelfdeinstitutionele geluid. Daarbij ervaren Joodse studenten en medewerkersdat meld- en klachtvoorzieningen minder goed aansluiten op deproblemen die zij ervaren op hun instelling. Meld- en klachtvoorzieningenzijn in de kern ingericht op situaties waarin sprake is van ongewenstgedrag door een of meerdere personen. De problemen waar Joodsestudenten en medewerkers uit de verkenning tegenaan lopen zijn nietaltijd gericht op individuen, maar meer op bredere institutionele onrust eneen daaruit voortvloeiend gevoel van sociale onveiligheid. Dit zijn geenkwesties die via meldvoorzieningen kunnen worden opgelost, maar rakenaan de rol en verantwoordelijkheid van bestuur, studenten enmedewerkers in het waarborgen van een veilige leer- en werkomgeving.Gelukkig zie ik dat instellingen hiervoor verbeteringen realiseren. Zo zijninstellingen aan het verkennen hoe de infrastructuur in den brede beterkan worden ingericht op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen,waaronder Joodse studenten en medewerkers. Andere initiatieven zijn hetbenoemen van een specifiek contactpersoon voor een Joodse studenten-vereniging, het bieden van extra ondersteuning zodat activiteiten van dezeverenigingen veilig en zonder verstoringen doorgang kunnen vinden enhet faciliteren van gesprekken tussen Joodse studenten en medewerkers,vertegenwoordigers van de instellingen en een (studenten)rabbijn.Instellingen hebben mij toegezegd dat antisemitische symbolen naconstatering altijd zo spoedig mogelijk worden weggehaald. Mochten er,naar aanleiding van het advies van de Taskforce Antisemitismebestrijdingdat in februari 2026 wordt gepubliceerd, extra maatregelen nodig zijn omde veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te borgen, ben ikuiteraard bereid die te nemen. Hogescholen en universiteiten zien deuitkomsten van deze Taskforce met belangstelling tegemoet.32Naast de interne voorzieningen zijn er ook externe meldpunten waarJoodse studenten en medewerkers van hogescholen en universiteitengebruik van kunnen maken. Zo kunnen zij voor het melden van antisemi-tische incidenten, ondersteuning en advies terecht bij het meldpunt vanhet CIDI en discriminatie.nl.GeheimhoudingsbedingenIn 2022 heeft uw Kamer een wetsvoorstel aangenomen waarmeegeheimhoudingsbedingen in de (jeugd)zorg zijn verboden.33 Geheimhou-dingsbedingen zijn bepalingen in (vaststellings)overeenkomsten tussenpartijen waarin wordt overeengekomen om bepaalde informatie nietopenbaar te maken of aan derden te verstrekken. Naar aanleiding van ditwetsvoorstel heeft het lid Kwint per motie gevraagd om na te gaan ofdeze geheimhoudingsbedingen ook in het onderwijs verboden moetenworden.34 Naar aanleiding van deze motie heeft mijn ministerie eenverkenning uitgevoerd naar de mogelijkheid van een verbod op geheim-houdingsbedingen in het onderwijs.35 Aangezien het wetsvoorstel32Aldus verwoord in de bij de Kamerbrief «Veiligheid op universiteiten en hogescholen»bijgevoegde brief van de koepelorganisaties UNL en VH. Kamerstukken II 2024/25, 29 240, nr.175.33Het Wetsvoorstel Wijziging van diverse wetten in verband met zwijgbedingen in jeugdzorg,zorg en ondersteuning (Kamerstuk 35 771), Stb. 2022, nr. 283. Het genoemde verbod betreftzwijgbedingen m.b.t incidenten die de kwaliteit van zorg, hulp of ondersteuning raken of totschade heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden.34Kamerstukken II, 2021/22, 35 771, nr. 12.35Waar in de motie de term «zwijgbedingen» wordt genoemd, wordt in deze passage de meergebruikelijke term «geheimhoudingsbedingen» gebruikt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 17910 betrekking had op een verbod op geheimhoudingsbedingen in de relatietussen patiënt/cliënt en zorgverlener is door mijn ministerie verkend ofeen verbod op geheimhoudingsbedingen tussen leerling/student enonderwijsinstelling (in het po, vo, mbo, hbo en wo) mogelijk en gewenstis.Laat ik vooropstellen dat ik het doel van de motie onderschrijf. Incidentenin het onderwijs moeten bespreekbaar zijn. Uit de verkenning blijkt echterdat nut en noodzaak ontbreken om een wettelijk verbod op geheimhou-dingsbedingen te regelen in het onderwijs. Hier zijn verschillende redenenvoor.Ten eerste blijkt uit een uitvraag onder de vertegenwoordigende partijen36dat geheimhoudingsbedingen tussen leerling/student en onderwijs-instelling nauwelijks voor lijken te komen. Hierbij dient te wordenopgemerkt dat het vanwege de geheimhouding niet mogelijk is om metzekerheid vast te stellen hoe vaak dergelijke geheimhoudingsbedingenworden afgesproken. Daarom is gekeken of er signalen van geheimhou-dingsbedingen bekend zijn. De uitvraag leverde weinig van dergelijkesignalen op. Ten tweede zijn er al (wettelijke) instrumenten waarmee dereikwijdte en geldigheid van geheimhoudingsbedingen in het onderwijsworden beperkt. Ze zijn bijvoorbeeld nietig wanneer ze in strijd zijn meteen wet of met de goede zeden of openbare orde.37 Ten derde dienengeheimhoudingsbedingen (ook) ter bescherming van de privacy van beidepartijen.Daarnaast kwamen er uit de verkenning signalen van mogelijke arbeids-rechtelijke geheimhoudingsafspraken tussen werkgever en werknemer inde onderwijssector naar voren. Daarbij werd aangegeven dat deze ookbetrekking konden hebben tot (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Alszodanig zijn geheimhoudingsbedingen in arbeidsrechtelijke vaststellings-overeenkomsten zeer gebruikelijk en vaak ook nuttig. Maar, zoals hiervooraangegeven, is een geheimhoudingsbeding nietig wanneer ze in strijd ismet een wet of met de goede zeden of openbare orde.Ook kunnen cao-afspraken worden gemaakt over de inzet van geheimhou-dingsbedingen. Zo is in de cao universiteiten afgesproken dat dewerkgever of werknemer bij grensoverschrijdend gedrag altijd demogelijkheid heeft om melding of aangifte te doen. Geheimhoudingsaf-spraken tussen werkgever en werknemer vallen onder de verantwoorde-lijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. DezeMinister heeft uw Kamer onlangs, in antwoord op vragen overgoedkeuring van het Verdrag over het uitbannen van geweld en intimi-datie op de werkvloer, geïnformeerd over de inzet van geheimhoudings-bedingen in het arbeidsrecht.38Tot slotDe veiligheid van studenten en medewerkers op de onderwijsinstellingenheeft blijvende aandacht van zowel mijzelf als de instellingen. Ik wil graagbenadrukken hoe waardevol ik het vind dat instellingen zich elke dagopnieuw inzetten voor deze sociale en fysieke veiligheid. Het is eenvoortdurende inspanning die het verschil maakt in het leven van36De PO-raad, VO-raad, GO-raad, MBO-raad, UNL, VH, FNV, CNV, FvOv, AVS, AOb, Ouders enOnderwijs, KAJS, LAKS, LSVb, PNN, PostdocNL, ISO, Landelijke Vereniging Vertrouwensper-sonen en IvhO zijn gevraagd naar signalen over geheimhoudingsbedingen.37Zie artikel 3:40, 3:41 en 6:248, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.38Kamerstukken II, 2024/25. 36 684, nr. 6, Nota naar aanleiding van het verslag, p.7Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 17911 studenten en medewerkers. Door deze toewijding creëren instellingen nietalleen een plek om te leren en werken, maar ook een thuisbasis waariedereen zich kan ontwikkelen tot de beste versie van zichzelf.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,G. MoesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 240, nr. 17912

Bron, video en gesprek →