Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 784Verlenging en wijziging van Titel X van hetVierde Boek van het Wetboek van Strafvordering(Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering)Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 18 december 2025 Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van het verslag van deVaste Commissie voor Justitie en Veiligheid over de VerlengingswetInnovatiewet Strafvordering (Kamerstukken II 2024/25, 36 784, nr. 5). Hetverheugt ons dat de meeste fracties steun uitspreken voor het verlengenvan de bepalingen uit de Innovatiewet. Graag gaan wij in deze nota in opde in het verslag gemaakte opmerkingen en beantwoorden wij de daaringestelde vragen. Daarbij volgen wij de opbouw van het verslag van devaste commissie. Dat verslag is hieronder integraal en cursiefopgenomen. Direct onder een cursief opgenomen vraag wordt hetantwoord op die vraag gegeven.1. Inleiding De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel Verlenging en wijzigingvan Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering(Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering) (hierna: het wetsvoorstel).Deze leden kunnen de verlenging van de vijf pilots in de InnovatiewetStrafvordering (hierna: de Innovatiewet) steunen. Zij hebben wel enkelevragen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Deze leden hebben de Innovatiewet gesteund envinden het belangrijk dat de strafrechtketen de ruimte wordt geboden omte blijven innoveren. Zij onderschrijven de noodzaak voor een wettelijkegrondslag totdat het nieuwe Wetboek van Strafvordering in werkingtreedt. Zij steunen in dat kader het wetsvoorstel en stellen nog een paarvragen.De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel en de bijbehorende stukken. Deze leden vinden hetvan belang dat de nieuwe procedures die met de Innovatiewet in hethuidige Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen, kunnen wordenvoortgezet. Met deze procedures is twee jaar geëxperimenteerd, waardoor kst-36784-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 61 een goede beoordeling kan worden gemaakt over welke proceduressuccesvol bleken en waarvoor verlenging noodzakelijk is, zodat tot deinwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering van dezeprocedures gebruik kan worden gemaakt. Deze leden hebben over hetwetsvoorstel nog een aantal vragen en opmerkingen.De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Deze leden zien op dit moment geen aanleiding tot hetstellen van vragen over het wetsvoorstel.De leden van de SP-fractie hebben het wetsvoorstel met interessegelezen. Deze leden hebben hier nog een aantal vragen over.2. Stand van zaken van het wetgevingsprogramma nieuwWetboek van Strafvordering De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering sinds maart 2024vasthoudt aan de datum van 1 april 2029 voor de inwerkingtreding vanhet nieuwe Wetboek van Strafvordering. Gelet op het omvangrijkewetgevingsprogramma en het implementatietraject dat daarop volgt,achten deze leden deze datum niet langer realistisch. Kan de regeringreflecteren op de haalbaarheid van de datum van 1 april 2029 en daarbijook ingaan op wat de gevolgen zijn van de hack van het OpenbaarMinisterie voor de noodzakelijke ICT-wijzigingen die nog moetenplaatsvinden voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuweWetboek van Strafvordering?Voor de inwerkingtredingsdatum van het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering is in goed overleg met de organisaties uit de strafrechtketengekozen voor 1 april 2029. Vrijwel alle organisaties in de strafrechtketenhebben desgevraagd aangegeven te verwachten op 1 april 2029 klaar tezijn met de werkzaamheden die nodig zijn om het nieuwe wetboek teimplementeren in hun werkprocessen en systemen voor informatievoor-ziening. Ook zijn medewerkers voordien bijgeschoold. Het openbaarministerie heeft aangegeven nog volop bezig te zijn met herstelwerkzaam-heden na de ICT-inbreuk en nog niet in de gelegenheid te zijn om deeffecten daarvan op de invoering van het nieuwe wetboek te analyseren.De eerstvolgende beoordeling van de geplande inwerkingtredingsdatumvindt plaats na het verschijnen van de rapportage van het AdviescollegeICT-toetsing (Ac-ICT), dat door de Eerste Kamer is aangevraagd. Dezerapportage wordt voorzien in het voorjaar van 2026. Bovendien wordt eenjaar voorafgaand aan de geplande inwerkingtredingsdatum op 1 april2029 vastgesteld of de keten nog op schema is om het nieuwe wetboek inte voeren.3. De evaluatie van de vijf onderdelen uit de InnovatiewetStrafvordering 3.1 Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van deverslaglegging en als wettig bewijsmiddel De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de pilots voor audiovisueleregistratie (hierna: AVR) wisselende resultaten hebben opgeleverd. Dezeleden hebben de indruk dat een van de subpilots AVR, waarbij meerbeelden van de gebeurtenissen waarvoor de verdachte terechtstaat opzitting worden vertoond, in enige mate positief is ontvangen door deRechtspraak, maar andere onderdelen van de subpilots AVR minder. Dezeleden begrijpen dat de subpilots AVR leidden tot een hogere werklast voormet name de Rechtspraak en ook het Openbaar Ministerie. Er wordt in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 62 memorie van toelichting bij het wetsvoorstel echter weinig gesprokenover de werklastverlaging van de politie die naar verwachting zou wordenbereikt met de pilots. Kan de regering daar iets over zeggen?Met de Innovatiewet Strafvordering is het mogelijk gemaakt om alsalternatief voor een volledig proces-verbaal te volstaan met een verkortproces-verbaal in combinatie met opnamen. Voor de werklast van depolitie is vooral de subpilot met camerabeelden relevant, die is uitgevoerdbij de politie-eenheden en parketten Noord-Holland en Oost-Nederland ende rechtbanken Noord-Holland en Overijssel. Door de onderzoekers is tenaanzien van deze subpilot geconcludeerd dat er per saldo geen afname isvan werklast bij de politie. Hoewel het schrijven van een verkort proces-verbaal zorgt voor minder werklast voor de politie, levert het maken vaneen compilatie van de camerabeelden juist extra werk op (De Wilde e.a.,Evaluatie Innovatiewet Strafvordering. Pilots Gegevens na beslag,Audiovisuele registratie en Hulpofficier van Justitie, september 2024, p.137).De leden van de VVD-fractie zouden graag bevestigd zien dat er metspoed wordt gewerkt aan de inzet van nieuwe technologische en digitaletechnieken, zodat in de strafrechtketen met behulp van artificiëleintelligentie en speech-to-text-software verder kan worden geëxperimen-teerd. Welke stappen zet de regering en kan de regering een concreettijdpad aangeven en beschrijven wat nodig is om een aanvullende pilotAVR succesvol te laten verlopen?Naar aanleiding van de evaluatie van de innovatiepilots is met deketenorganisaties afgesproken dat zodra technische ontwikkelingenhiertoe aanleiding geven een (vervolg)pilot wordt gestart waarin dietechnische ontwikkelingen met betrekking tot de inzet van audiovisuelemiddelen kunnen worden beproefd op een manier die de wet mogelijkmaakt (Kamerstukken II 2024/25, 35 869, nr. 32). De politie is daartoe in dezomer van 2025 gestart met een test waarbij met behulp van speech-to-tekst en kunstmatige intelligentie (large language models) een samen-vatting wordt gemaakt van een opgenomen politieverhoor. Bij die testwordt naast de technische haalbaarheid, bruikbaarheid en kwaliteit vandeze toepassing, ook gekeken naar juridisch-ethische aspecten hiervan.Medio 2026 zullen de opbrengsten van deze test met het openbaarministerie en de Rechtspraak worden gedeeld. Na evaluatie van deervaringen wordt besloten over de start van een eventuele vervolgpilot.3.2 Mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting De leden van de SP-fractie zien dat tussen de geconsulteerde partijen demeningen uiteenlopen over het voornemen van de regering om in hetwetsvoorstel de voorwaarden betreffende de eindezaakverklaring af teschaffen. Aan de ene kant vinden onder andere het Centraal JustitieelIncassobureau en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak dit eenpositieve ontwikkeling. Aan de andere kant geeft SlachtofferhulpNederland aan dat dit mogelijk de positie van slachtoffers kan benadelen.Slachtofferhulp Nederland vraagt wat de afschaffing zegt over deafspraken die worden gemaakt en hoe juridisch houdbaar deze zijn. Kande regering hierop reflecteren? Wat wordt er bijvoorbeeld verstaan ondereen positieve uitkomst? Hoe worden gemaakte afspraken na dezevoorgestelde afschaffing dan wel nagekomen?Voorgesteld wordt de huidige mogelijkheid om aan de eindezaakver-klaring voorwaarden te verbinden te laten vervallen tot het moment vaninwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. De redenhiervoor is dat tijdens de evaluatie van de Innovatiewet is gebleken datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 63 het verbinden van voorwaarden aan een eindezaakverklaring totproblemen leidt in de uitvoering. Er ontbreekt op dit moment een regelingvoor het toezicht op de naleving van voorwaarden. Verder is gebleken dathet niet goed mogelijk is om de voorwaarden in de bestaande systemente registreren. Het vergt een grondige voorbereiding en investering omhet registratiesysteem aan te passen. Verder moet worden bekeken hoede eindezaakverklaring (met voorwaarden) op een goede manier in dejustitiële documentatie kan worden vastgelegd. Voor de uitwerking vandeze punten is voldoende tijd nodig. Er is onvoldoende tijd beschikbaarom de genoemde knelpunten voor de komende periode, voorafgaand aande inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, op telossen.Deze problemen kunnen wel zijn opgelost op het moment van deinwerkingtreding van het nieuwe wetboek, die is voorzien op 1 april 2029zodat vanaf die inwerkingtreding weer voorwaarden kunnen wordengesteld. Het is in het belang van het slachtoffer dat de mogelijkheid om bijeen eindezaakverklaring voorwaarden te stellen (in de toekomst) wordtvoortgezet. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een contact-verbod. Het is de bedoeling om in de tweede aanvullingswet niet alleende regeling van mediation na aanvang van de berechting een plaats tegeven in het nieuwe wetboek, maar ook om daarbij te regelen dat bij eeneindezaakverklaring voorwaarden kunnen worden gesteld. Demogelijkheid om voorwaarden te stellen komt dus slechts tijdelijk tevervallen.In de periode die voorafgaat aan de invoering van het nieuwe Wetboekvan Strafvordering blijft het mogelijk dat de rechter een eindezaakver-klaring uitspreekt. Dit doet de rechter op basis van afspraken die deverdachte en het slachtoffer in het kader van mediation hebben gemaakt.Deze afspraken zijn bindend, ook al zijn aan de eindezaakverklaring geenvoorwaarden verbonden. Onder een positieve uitkomst van mediationwordt verstaan dat er een overeenkomst is gesloten tussen het slachtofferen de verdachte. De aard van de overeenkomst brengt met zich dat beidepartijen hiermee hebben ingestemd. Als een partij zich niet aan deovereenkomst houdt dan zijn er twee wegen denkbaar om nakoming testimuleren of af te dwingen. Ten eerste kan een slachtoffer bij de officiervan justitie melden dat de overeenkomst niet wordt nagekomen. Deofficier van justitie kan dan (alsnog) tot vervolging van het door deverdachte gepleegde strafbare feit overgaan. Dit element blijft ook nainwerkingtreding van deze verlengingswet behouden in artikel 573, vierdelid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ten tweede kan eenslachtoffer via het civiele recht de verdachte in gebreke stellen en zo nodignakoming vorderen bij de burgerlijke rechter.4. Verlenging en mogelijke aanpassing van de vijf onderdelen uitde Innovatiewet 4.1 Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van deverslaglegging en als wettig bewijsmiddel De leden van de NSC-fractie hebben enkele vragen over het verlengen vande subpilots AVR camerabeelden en AVR verdachtenverhoor. De regeringbaseert deze verlenging op een speculatie; het is denkbaar dat er eennieuwe pilot wordt opgezet, maar concrete plannen zijn er (nog) niet. Dezeleden willen de regering vragen waarom de wettelijke mogelijkheid tot hetopstarten van een nieuwe pilot met dit wetsvoorstel moet wordengerealiseerd. Zij vragen de regering of het niet logischer is om dezebepaling te laten vervallen en dan in de toekomst met een nieuwewetswijziging te komen die specifiek ziet op de pilot die zal wordenuitgevoerd. Deze leden merken hierbij op dat in dat geval ook bekend isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 64 welke technologie voorhanden is, waardoor een betere, op de praktijktoegesneden, bepaling tot stand kan worden gebracht.Voor de duidelijkheid wordt hier expliciet onderscheid gemaakt tussenenerzijds het niet verlengen van de AVR-subpilots en anderzijds hetverlengen van een aantal wettelijke bepalingen waarop een nieuweAVR-pilot gebaseerd zou kunnen worden. De drie uitgevoerdeAVR-subpilots (die zagen op (1) de zitting, (2) camerabeelden en (3)verdachtenverhoren) zijn alle drie niet verlengd. Deze keuze is gemaakt opbasis van de conclusies en aanbevelingen van de onderzoekers die hetevaluatieonderzoek hebben uitgevoerd en de reacties daarop van debetrokken ketenorganisaties. Na overleg met de ketenpartners is beslotende bepalingen die zien op het onderdeel AVR ter zitting (de artikelen 559,562, 564, 566 en 568 Sv) met dit wetsvoorstel te schrappen.De politie en de bijzondere opsporingsdiensten hebben de zorg geuit dathet laten vervallen van de bepalingen die de basis bieden tot het doen vanpilots in het kader van camerabeelden en verdachtenverhoren wellichttoekomstige (technische) ontwikkelingen remt, omdat de wet dan nietlanger een grondslag daarvoor biedt. Het is van belang dat de desbetref-fende wettelijke mogelijkheden voor toepassing beschikbaar blijven, nudoor de politie concreet wordt gewerkt aan de inzet van nieuwe technolo-gieën. De keuze tot het behoud van deze bepalingen en het enkelschrappen van bepalingen die verband houden met de zitting, is gemaaktop basis van nauw overleg met de betrokken ketenpartners.De stelling dat met betrekking tot de regeling van AVR in de Innovatiewet«een betere, op de praktijk toegesneden bepaling» tot stand kan wordengebracht wanneer bekend is welke technologie voorhanden is, wordt nietonderschreven. De kern van de regeling van AVR in de Innovatiewet is datwanneer een opname beschikbaar is, van een volledig proces-verbaal kanworden afgezien. De wettelijke bepalingen zien op opnamen die met eenbegeleidend verkort proces-verbaal een adequaat alternatief kunnenvormen voor een volledig proces-verbaal. Die bepalingen zijn zodaniggeformuleerd, dat het niet uitmaakt welke technologie daarvoor wordtgebruikt. Bij het inzetten van nieuwe technologieën kan aldus in allegevallen van de huidige bepalingen gebruik worden gemaakt, wanneerdat een adequaat alternatief voor een volledig proces-verbaal oplevert.Daarom wordt het niet wenselijk geacht deze bepalingen bij gelegenheidvan dit wetsvoorstel te laten vervallen.4.2 Mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het voornemen is omde inzet van mediation in de fase van berechting ook op te nemen in hetnieuwe Wetboek van Strafvordering. Deze leden lezen ook dat dit gebeurtdoor middel van de tweede aanvullingswet, waarbij ook de in hetevaluatierapport gesignaleerde aandachtspunten worden betrokken. Ditkan betekenen dat de regeling over mediation in het nieuwe Wetboek zalworden aangevuld of gewijzigd. Nu is er bij de behandeling van de eerstevaststellingswet voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering al eenamendement aangenomen van de leden Mutluer en Van Nispen(Kamerstuk 36 327, nr. 51) dat ziet op de toepassing van mediation enandere herstelrechtvoorzieningen. Op welke wijze kan de door middel vanhet amendement ingebrachte toevoeging door de tweede aanvullingswetnog worden gewijzigd? Is het correct dat de aanvullingswetten bedoeldzijn voor technische wijzigingen? Deelt de regering de mening dat,aangezien een ruime meerderheid van de Kamer dat amendement heeftaangenomen, dat voorrang heeft boven andere eventuele wijzigingen viaeen aanvullingswet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 65 Het amendement van de leden Mutluer en Van Nispen over mediationbetreft de artikelen 1.11.1 en 1.11.2 van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Titel 11.1 Herstelrecht). Doordat het amendement isaangenomen maken de voorstellen van de genoemde leden inmiddelsdeel uit van de tekst van het nieuwe wetboek zoals op dit momentaanhangig bij de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2024/25, 36 327, C).De twee aanvullingswetten die zijn voorzien bij het nieuwe wetboekbevatten wijzigingen en aanvullingen op de teksten van het nieuwewetboek. Naast technische wijzigingen gaat het ook om wat grotere,inhoudelijke onderdelen die worden ingevoegd met een aanvullingswet.Mediation is een van de onderwerpen uit de Innovatiewet Strafvordering.Deze wet is zoals bekend geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluatieworden verwerkt in het nieuwe wetboek door middel van de tweedeaanvullingswet. Over de teksten van de tweede aanvullingswet zijn wij opdit moment nog informeel in overleg met de betrokken ketenpartners. Bijhet onderwerp mediation zal de tekst van het aangenomen amendementvan de leden Mutluer en Van Nispen leidend zijn. Bezien wordt of deartikelen over mediation na aanvang van de berechting (met de einde-zaakverklaring), die via de tweede aanvullingswet worden overgeheveldnaar het nieuwe wetboek, en de artikelen 1.11.1 en 1.11.2 van het nieuwewetboek goed op elkaar aansluiten. Het is denkbaar dat in het kader vandeze aansluiting de bepalingen op onderdelen nog een technischeaanpassing moeten ondergaan. In de memorie van toelichting bij detweede aanvullingswet zal steeds goed worden uiteengezet waarom eenbepaalde wijzing of toevoeging wordt voorgesteld, zodat dit inzichtelijk isvoor de Kamer.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de mogelijkheid die derechter heeft om voorwaarden te verbinden aan de verklaring dat de zaakis geëindigd, in het vervolg van de pilot mediaton geschrapt gaat worden,omdat dat problemen oplevert voor de uitvoering. Wat wel blijft, is dat alsde verdachte de afspraken voor herstel die in het kader van de mediationzijn gemaakt, niet naleeft, hij opnieuw in rechte kan worden betrokken.Deze leden vragen op welke wijze deze verdachte in dat geval bij gebrekaan voorwaarden alsnog aan die afspraken gehouden kan worden. En hoeen door wie moet daar een aanzet toe worden gemaakt? Begrijpt deregering de bezwaren van Slachtofferhulp Nederland dat het slachtofferdegene zou moeten zijn om de verdachte alsnog aan de gemaakteafspraken te houden? Zo ja, waarom en hoe moet dat anders? Zo nee,waarom niet? Hoe gaat het slachtoffer dat het belastend vindt om zelf eenmelding te doen, hierbij ondersteund of ontlast worden?Voor het antwoord op deze vragen wordt verwezen naar de bovenstaandeantwoorden op vragen van de leden van de SP-fractie ten aanzien van denakoming van gemaakte afspraken. Zoals daar is opgemerkt, vormen deafspraken een overeenkomst tussen de verdachte en het slachtoffer. Hetslachtoffer kan constateren dat de verdachte zich niet aan de overeen-komst houdt. Dat betekent niet dat het slachtoffer zelf, persoonlijk,maatregelen in gang moet zetten om nakoming af te dwingen. Hetslachtoffer kan hierbij een beroep doen op ondersteuning door Slachtof-ferhulp Nederland. Slachtofferhulp Nederland of het slachtoffer kan deniet-nakoming melden bij de officier van justitie. De officier van justitiekan vervolgens besluiten om de verdachte alsnog te vervolgen. Het is ookmogelijk dat het slachtoffer een beroep doet op een andere juridischadviseur (zoals een advocaat) om de verdachte civielrechtelijk in gebrekete stellen en zo nodig nakoming te vorderen bij de civiele rechter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 66 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kunnen instemmen met eenmeer uitgebreide toepassing van de mogelijkheden van mediation doorde regeling ook in hoger beroep en in alle arrondissementen mogelijk temaken. Op welke termijn wordt de nu nog geldende regionale beperkingin het Besluit innovatie strafvordering geschrapt?Er wordt naar gestreefd de noodzakelijke wijzigingen in het Besluitinnovatie strafvordering door te voeren op hetzelfde moment als waaropdeze Verlengingswet in werking treedt. Het conceptbesluit daartoe, metdaarin onder meer opgenomen dat artikel 3 van het Besluit innovatiestrafvordering (regionale beperkingen mediation) vervalt, wordt nog in2025 in procedure gebracht.De leden van de SP-fractie constateren dat er nog een aantal zorgen isover de manier waarop mediation na aanvang van het onderzoek op deterechtzitting is meegenomen, zoals aangedragen door geconsulteerdepartijen, met name door de Raad voor de rechtspraak (hierna: de Rvdr).De Rvdr heeft sterk de indruk dat mediation nu alleen in bepaaldearrondissementen kan worden doorgezet, namelijk enkel in de arrondisse-menten waar de pilots hebben plaatsgevonden. De Rvdr heeft de indrukdat dit nu niet breder kan worden ingezet. Waarom is er niet voor gekozendeze pilots ook breder in te zetten? Klopt het dat deze pilots doorgaanseen succes waren en is dit dan ook niet een reden voor een inzet opbredere schaal? Daarnaast zien deze leden dat de Rvdr een oproep doetom ook de eindezaakverklaringen te kunnen gebruiken in het hogerberoep en dat dit ook in de schakelbepaling moet worden overgenomen.Is de regering hiertoe bereid? Zo nee, waarom niet?Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de wettelijke regeling van mediation,zoals opgenomen in de Innovatiewet, een adequate basis biedt voor deinzet van mediation in strafzaken in de fase van de berechting. Deonderzoekers concluderen dat de meningen van de betrokken organisatiesuiteenlopen over het nut en de noodzaak van deze nieuwe regeling.Binnen de Rechtspraak is men positief over de uitbreiding met demogelijkheid een eindezaakverklaring uit te spreken. Voorafgaand aan destart van de pilot mediation is in overleg met de ketenpartners gekozenvoor een regionale toepassing van de wettelijke mogelijkheden uit deInnovatiewet. In het Besluit innovatie strafvordering is dit in artikel 3verwerkt door de arrondissementen Gelderland, Overijssel en Zeeland-West-Brabant aan te wijzen voor de toepassing van de mediation-artikelenuit de Innovatiewet. In de pilot werd de mogelijkheid van mediationbeproefd voor een beperkt aantal delicten. De Raad voor de Rechtspraakheeft aangegeven voorstander te zijn van een meer uitgebreidetoepassing van de mogelijkheden van mediation en van de eindezaakver-klaring. In lijn met deze wens van de Raad voor de rechtspraak zal deregionale beperking in het Besluit innovatie strafvordering wordengeschrapt. De andere ketenpartners hebben hiermee ingestemd. Naoverleg met de ketenpartners over de uitkomsten van de evaluatie istevens besloten dat de bepalingen inzake mediation zullen gelden vooralle delicten.De Raad voor de rechtspraak heeft eveneens de wens uitgesproken om deeindezaakverklaring te kunnen uitspreken in het hoger beroep. Dit voorstelis besproken met de andere ketenpartners. Zij hebben hiermee ingestemden de benodigde ICT-voorzieningen worden voorbereid om de eindezaak-verklaring in hoger beroep te kunnen registreren. Naar aanleiding hiervanis in het voorstel een nieuw artikel 574a Sv opgenomen. De bepalingenover mediation uit de Innovatiewet Strafvordering, en dus ook deeindezaakverklaring, kunnen zo ook worden toegepast in hoger beroep(zie ook paragraaf 6.3 van de memorie van toelichting).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 67 5. Ontvangen adviezen 5.1 Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van deverslaglegging en als wettig bewijsmiddel De leden van de SP-fractie zien dat meerdere partijen kritiek hebben ophet gebruik van AVR als zelfstandig bewijsmiddel. Ook zien deze leden dater wetenschappelijk bewijs voor wordt aangehaald dat het niet goedfunctioneert als zelfstandig bewijsmiddel en dat ook de waarneming vande rechter nodig is voor in de basis een goede afweging. Waarom wordtervoor gekozen om artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering tehandhaven met deze kennis? Heeft de regering ook overwogen dit artikelaf te schaffen? Zo nee, waarom niet?In dit wetsvoorstel is er bewust voor gekozen artikel 567 Sv te handhaven.De reden daarvoor is dat in het evaluatierapport wordt geconcludeerd dathet wenselijk is om een opname van beeld, geluid, of beeld en geluid alswettig bewijsmiddel te behouden (zie De Wilde e.a., Evaluatie Innova-tiewet Strafvordering. Pilots Gegevens na beslag, Audiovisuele registratieen Hulpofficier van Justitie, september 2024, p. 180 e.v.). De onderzoekersnoemen als doorslaggevend argument daarvoor dat het bewijsmiddel«eigen waarneming van de rechter» (zie artikel 339, eerste lid, onderdeel1, Sv) betrekking heeft op waarnemingen van de rechter die tijdens dezitting worden gedaan. Daarbuiten kan de eigen waarneming van derechter van een opname van beeld en/of geluid volgens jurisprudentieuitsluitend worden meegenomen in de beraadslaging en voor het bewijsworden gebruikt onder de voorwaarden dat de opname tijdens de zittingaan bod is gekomen, zowel de verdediging als het openbaar ministerietoegang hebben gehad tot deze opname en tijdens de zitting geenbezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen of laten horen van dezeopname. Met het zelfstandig erkennen van audiovisuele en auditieveregistraties als bewijsmiddel – zonder dat deze per se door de rechter opde zitting behoeven te worden bekeken – wordt rechtgedaan aan hetbelang dat deze bronnen van informatie bij de bewijslevering vanstrafzaken inmiddels hebben gekregen. Vanwege dit belang wordt het nietlanger passend geacht om het zelfstandig voor het bewijs gebruiken vandeze bronnen van informatie via de restcategorie van de eigenwaarneming van de rechter te laten verlopen. Overigens doet deerkenning van AVR als bewijsmiddel niet af aan de waarborgen zoals diegelden voor het ter sprake brengen van processtukken op de zitting.De leden van de SP-fractie willen ten slotte nog aandacht vragen voor dezorgen van Slachtofferhulp Nederland over AVR. SlachtofferhulpNederland geeft aan dat in de artikelen 560 en 562 van het Wetboek vanStrafvordering is opgenomen dat opnames gemaakt kunnen wordentijdens het opsporingsonderzoek en tijdens het onderzoek ter terecht-zitting. Slachtofferhulp Nederland maakt zich zorgen over de privacy vanslachtoffers, mede omdat de opname aan de processtukken wordttoegevoegd. Kan de regering uitleggen hoe het zit met de opnames en devraag of deze mogelijk in de openbaarheid kunnen verschijnen?Ten aanzien van de geuite zorgen met betrekking tot artikel 560 Sv (opbasis waarin opsporingsambtenaren het opmaken van proces-verbaalonder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie kunnen uitstellenindien op een opname van beeld, geluid, of beeld en geluid is vastgelegdwat door hen tot opsporing is verricht of bevonden) wordt opgemerkt datindien die opname als processtuk is gevoegd, het huidige artikel 32 Sv (zieook artikel 1.8.8, tweede lid, van het nieuwe Wetboek van Strafvordering)voorziet in de mogelijkheid dat in het belang van (onder meer) debescherming van de persoonlijke levenssfeer kan worden bepaald dat aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 68 de verdachte van bepaalde (gedeelten van) processtukken alleen inzagewordt verleend en geen kopie wordt verstrekt. Het is dan ook nietwaarschijnlijk dat een dergelijke opname in de openbaarheid zalverschijnen.Artikel 562 Sv regelt dat de rechtbank kan bepalen dat van het onderzoekop de terechtzitting een opname van geluid of beeld en geluid wordtgemaakt. In het onderhavige wetsvoorstel wordt echter voorgesteld, in lijnmet het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, ditartikel te schrappen. De reden voor de door Slachtofferhulp Nederlandgeuite zorgen over opnames tijdens de zitting – waarbij erop werdgewezen dat de aanwezigheid van een camera kan leiden tot meerspanning, bijvoorbeeld bij de uitoefening van het spreekrecht – isdaarmee weggenomen.Slachtofferhulp Nederland acht het van groot belang dat slachtoffersworden geïnformeerd over het feit dat er opnames worden gemaakt enover hun privacygerelateerde rechten. Is dit wat de regering betreftvoldoende geborgd in deze wetgeving?De door Slachtofferhulp Nederland gemaakte opmerking over hetinformeren van slachtoffers in het kader van opnames en de privacy vanslachtoffers lijkt te zien op opnames die worden gemaakt tijdens dezitting. Zoals hiervoor is opgemerkt, wordt met dit wetsvoorstel voorge-steld artikel 562 Sv te laten vervallen, waardoor geen audiovisueleopnames meer van de zitting worden gemaakt en slachtoffers dus ookniet meer over dergelijke opnames hoeven te worden geïnformeerd.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,A.C.L. RutteDe Minister van Justitie en Veiligheid,F. van OostenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 784, nr. 69
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Arno Rutte
13debatten
746bijdragen
10interrupties
70.855woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: VVD (2012-09-20–2019-10-12) ·