KamerkringInloggen
Thom van Campen

Officieel Kamerprofiel

Thom van Campen

VVD →
0debatten
569bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: VVD (2021-03-31–heden) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
20 mei 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 893Voorstel van het Presidium tot wijziging van hetReglement van Orde om vast te leggen dat determijn voor de toekenning van een debateenmaal kan worden verlengdNr. 4 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 20 mei 2026 Het Presidium dankt de leden van de fracties van D66, VDD,GroenLinks-PvdA en PvdD voor hun schriftelijke inbreng. Het Presidiumheeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen engaat hier in deze nota verder op in. Hierbij is de volgorde van het verslagaangehouden.Alvorens op de vragen en opmerkingen in te gaan, wordt opgemerkt dathet Presidium met de indiening van dit voorstel tot wijziging van hetReglement van Orde op verzoek van de Kamer1 primair uitvoering geeftaan een aanbeveling van de werkgroep «Voor een Kamer die Werkt». HetPresidium wijst er volledigheidshalve op dat onderstaande beant-woording niet de mening van het Presidium weergeeft, maar een richtingaangeeft die behulpzaam kan zijn voor de Kamer bij het te voeren debaten de besluitvorming over de wijziging van het Reglement van Orde. Hetis uiteindelijk aan elk lid van de Kamer zelf om een inhoudelijk oordeel tevormen over voorliggend voorstel.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie onderschrijven het voorstel tot wijziging vanhet Reglement van Orde om vast te leggen dat de termijn voor detoekenning van een debat eenmaal kan worden verlengd. Zij hopen dathiermee de agenda van de Kamer beter beheersbaar zal blijken. Er bestaateen risico dat debatten over bepaalde, niet acute onderwerpen, nu eerdervan de agenda afvallen omdat zij slechts éénmaal verlengd kunnenworden. Deze leden vragen daarom of het mogelijk is om voor het eerstejaar te monitoren welke onderwerpen nu van de lijst verdwijnen, voordatzij ingepland worden. Zo kan voorkomen worden dat bepaalde onder-werpen stelselmatig onderbelicht worden.Het Presidium snapt deze wens te kunnen monitoren welke debatten zijnvervallen. Daartoe heeft zij verzocht de het parlementaire informatie-1Kamerstuk 36 673, nr. 6. kst-36893-4ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 893, nr. 41 systeem zodanig aan te passen waardoor het voor Kamerleden en hunondersteuning eenvoudig is op te zoeken welke debatten in welke periodezijn komen te vervallen. Naar verwachting is deze mogelijkheid gereali-seerd in Q2 2026.Genoemde leden merken op dat veel debatten of dertigledendebatten diebij een Regeling van werkzaamheden worden toegevoegd aan de agenda,uiteindelijk niet of pas na (zeer) lange tijd worden ingepland. Zij vragen ofhet Presidium nog andere mogelijkheden ziet om de plenaire agendabeter beheersbaar te maken. Deze leden hebben hiervoor een aantalsuggesties. Zij verzoeken het Presidium om de voor- en nadelen van dezesuggesties te schetsen.1.Het stellen van een maximum aan het aantal in te plannen debatten,zodat een debat alleen aan de agenda kan worden toegevoegd als ditmaximum nog niet is bereikt, of er tegelijkertijd een debat wordtgeschrapt.2.Het vaker gebruikmaken van notaoverleggen, bijvoorbeeld tervoorbereiding op Europese raden van ministers, zoals de JBZ-raad enEcofin, zodat minder tweeminutendebatten ingepland hoeven teworden.3.Het stellen van een maximumaantal debatten dat per fractie op de lijstin te plannen debatten kan staan. Als een fractie een nieuw debat wilaanvragen terwijl het maximum bereikt is, zal het een eerder aange-vraagd debat van de lijst moeten halen als de aanvraag een meerder-heid haalt. Het maximumaantal debatten kan worden afgestemd op defractiegrootte.4.Het opnieuw in gang zetten van wetgeving-woensdag. Dit gebruik iseen aantal jaar geleden ingezet, maar enigszins in verval geraakt.5.Het vaker gebruikmaken van commissies voor dertigleden- enspoeddebatten. Hiermee komt plenair meer ruimte vrij voorwetgeving.6.Het brengen van meer voorspelbaarheid in de plenaire agenda doorvaker «Staat van de ...» debatten te organiseren. Of door periodiekvoortgangsdebatten te organiseren op een aantal van de centraleopgaven die de Kamer heeft geïdentificeerd en in het verslag vanverkenner Koolmees zijn opgenomen. Dit vermindert de noodzaak vanincident gedreven agendabepaling.7.Het vaker gebruikmaken van voorbereiding van wetgeving in commis-sies, waarbij afronding plenair plaatsvindt.8.Het terugbrengen van een vereiste gewone meerderheid voorinterpellatiedebatten.De leden van de D66-fractie kijken uit naar de reactie van het Presidium opdeze suggesties.Het Presidium dankt de leden van de D66-fractie voor de gestelde vragen.Met interesse hebben de leden van het Presidium kennisgenomen van deacht suggesties die die leden doen ter verbetering van de beheersing vande plenaire agenda.Allereerst wordt nogmaals opgemerkt dat het Presidium met de indieningvan dit voorstel tot wijziging van het Reglement van Orde op verzoek vande Kamer2 primair uitvoering geeft aan een aanbeveling van dewerkgroep «Voor een Kamer die Werkt». Het Presidium wijst er volledig-heidshalve op dat het uiteindelijk aan elk lid van de Kamer zelf isdergelijke aanvullende voorstellen ter hand te nemen en te verdedigen,maar geeft desgevraagd graag enige gedachten mee bij de gedanesuggesties.2Kamerstuk 36 673, nr. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 893, nr. 42 1. Het stellen van een maximum aan het aantal in te plannen debatten,zodat een debat alleen aan de agenda kan worden toegevoegd als ditmaximum nog niet is bereikt, of er tegelijkertijd een debat wordtgeschrapt.Het Presidium wijst erop dat op het moment van beantwoording van dezevragen 105 plenaire meerderheids- en dertigledendebatten op de rolstaan. Enkele voordelen van deze suggesties zouden kunnen zijn dat hetvoor de Kamerleden, medewerkers en belangstellenden van buitenaf veelbeter in te schatten wordt wanneer welke onderwerpen op korte termijnplenair aan de orde zullen komen. Ook zullen er vooraf scherpe keuzesgemaakt moeten worden over welke debataanvragen steun krijgen omdater een maximum geldt. Daarnaast ligt het in de rede dat er minder overlapontstaat met het werk in de Kamercommissies. Nadelig zou kunnen zijndat dit als een technische exercitie wordt gezien. Als het maximumaantalonderwerpen is bereikt en zich een nieuw onderwerp aandient, dat zekerde steun van een meerderheid voor een plenair debat verdient, kan hetlastig zijn om een onderwerp uit te kiezen dat dan zal moeten wijken.Bovendien kan het zo zijn dat aan deze overwegingen mogelijk ook(kostbare) vergadertijd zal moeten worden gespendeerd, indien deaanvrager van dat betreffende debat niet zelf vooraf dat debat van de lijstwenst af te voeren.2. Het vaker gebruikmaken van notaoverleggen, bijvoorbeeld ter voorbe-reiding op Europese raden van ministers, zoals de JBZ-raad en Ecofin,zodat minder tweeminutendebatten ingepland hoeven te worden.Het Presidium merkt op dat het inplannen van tweeminutendebatten tervoorbereiding van Europese raden niet altijd gemakkelijk is, ook met hetoog op een tijdige stemming, bij voorkeur aan het begin van de middag.Bovendien moeten er regelmatig lopende onderwerpen worden onder-broken in de plenaire zaal, hetgeen verstorend werkt. Voor Kamerleden enbewindspersonen kan dit ook als belastend worden gezien, zeker als hettweeminutendebat niet direct aansluitend gepland kan worden.Opgemerkt zij dat bij schriftelijke voorbereiding van een Europese raad(een zogenaamd schriftelijk overleg) dan ook een nieuwe werkwijzeontstaat met een kort ingelast notaoverleg. Daar moet wel tevorenzaalcapaciteit voor gereserveerd worden die niet voor andere commissiesbenut kan worden. Het reflectiemoment tussen een commissiedebat (incasu notaoverleg) en plenair tweeminutendebat verdwijnt met dezesuggestie, waardoor mogelijk onnodig moties worden voorbereid eningediend. Tot slot merkt het Presidium op dat de (extra) stemmingenweliswaar makkelijker planbaar worden, maar niet zullen verdwijnenindien er moties worden ingediend.Ook onder het huidige Reglement van Orde is het mogelijk deze suggestieter hand te nemen. Het Presidium kan zich voorstellen dat als hier binnende Kamer bredere steun voor leeft, een aantal commissies wellicht bereidgevonden kunnen worden hier een periode mee te experimenteren, zodatin de praktijk kan worden getoetst of deze manier van werken te prefe-reren valt boven de huidige werkwijze.3. Het stellen van een maximumaantal debatten dat per fractie op de lijstin te plannen debatten kan staan. Als een fractie een nieuw debat wilaanvragen terwijl het maximum bereikt is, zal het een eerder aangevraagddebat van de lijst moeten halen als de aanvraag een meerderheid haalt.Het maximumaantal debatten kan worden afgestemd op de fractiegrootte.Het Presidium kan zich voorstellen dat, indien een quotum voor een aantalaan te melden debatten per fractie wordt ingediend, en wanneer het totaalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 893, nr. 43 aantal debatten gemaximeerd is, gelijk aan de eerste suggestie, ledenscherpe keuzes zullen moeten maken ten aanzien van de aan te vragen ente ondersteunen debatten. Het voordeel ook hier kan zijn dat dit devoorspelbaarheid van de agenda vergroot en dat fracties juist ook demogelijkheid krijgen scherp over het voetlicht te brengen waar zij hunpolitieke prioriteiten leggen. Het kan daarnaast zo zijn dat ook deverdeling van debataanvragen over fracties op deze manier gelijkmatigerzal worden. Als nadelig zou kunnen worden genoemd dat het afvoerenvan eerder aangevraagde debatten politiek gezien lastig zou kunnen zijnvoor fracties, alsof dat eerdere onderwerp nu niet belangrijk genoeg meerzou zijn en dat deze procedure best wat haken en ogen zou kunnenhebben. Te denken valt bijvoorbeeld aan de vraag wie bepaalt welkbestaand debat wordt teruggetrokken, en of dat vooraf gedaan moetworden, terwijl nog niet duidelijk is of de nieuwe debataanvraag gesteundwordt.4. Het opnieuw in gang zetten van wetgeving-woensdag. Dit gebruik iseen aantal jaar geleden ingezet, maar enigszins in verval geraakt.Het Presidium merkt op dat de Kamervoorzitter in de voorstellen voor deKameragenda nog steeds recht probeert te doen aan «wetten-woensdag».In de parlementaire praktijk van alledag is het echter praktisch niet goedmogelijk wetgeving altijd op de woensdag in te plannen. Redenen omdaarvan af te moeten wijken zijn vooral gelegen in het feit dat bewinds-personen niet altijd op de woensdag beschikbaar zijn, dat er onredelijkgrote overlap is met commissieactiviteiten die dan verplaatst moetenworden en dat de Kamer regelmatig bepaalde onderwerpen met bepaaldeprioriteit toevoegt tijdens de Regeling van werkzaamheden die alleengepland kunnen worden op een woensdag. Het Presidium hecht eraan indit verband ook op te merken dat er ook op dinsdag en donderdagwetgeving wordt geagendeerd, zeker als het onverhoopt niet lukt dewoensdag daarmee goeddeels te vullen.5. Het vaker gebruikmaken van commissies voor dertigleden- en spoedde-batten. Hiermee komt plenair meer ruimte vrij voor wetgeving.Het Presidium begrijpt deze suggestie, maar merkt desalniettemin op datinplanning van commissiedebatten over het algemeen niet leidt totminder (gehonoreerde) plenaire debataanvragen, ondanks dat er tijdensde Regeling van werkzaamheden zeer regelmatig wordt verwezen naarhet bestaan van bepaalde commissiedebatten. Bovendien wijst hetPresidium erop dat de Kamercommissies ook te maken hebben met zeervolle agenda’s waarbij het aantal gevoerde commissiedebatten deafgelopen jaren onverminderd hoog is.6. Het brengen van meer voorspelbaarheid in de plenaire agenda doorvaker «Staat van de ...» debatten te organiseren. Of door periodiekvoortgangsdebatten te organiseren op een aantal van de centraleopgaven die de Kamer heeft geïdentificeerd en in het verslag vanverkenner Koolmees zijn opgenomen. Dit vermindert de noodzaak vanincident gedreven agendabepaling.Het Presidium merkt op dat een aantal van dergelijke debatten reedsparlementaire praktijk zijn, zowel op commissieniveau als op plenairniveau. Het Presidium deelt de opvatting dat dergelijke debatten eenbijdrage kúnnen leveren aan het verhogen van voorspelbaarheid of hetverminderen van incident gedreven agendabepaling, maar dat hetuiteindelijk aan leden zelf is om daar rekening mee te houden bij hetaanvragen of ondersteunen van plenaire debatten. Een nadeel datgenoemd zou kunnen worden is dat deze debatten zeer omvangrijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 893, nr. 44 agenda’s krijgen waardoor bepaalde deelonderwerpen ondergesneeuwdraken en mogelijk niet aan bod kunnen komen. Bovendien zijn incidentenniet steeds aan de orde in aanloop naar een dergelijk debat en vraagt deactualiteit om een debat op kortere termijn, waardoor incident gedrevenagendabepaling alsnog op de loer ligt.7. Het vaker gebruikmaken van voorbereiding van wetgeving incommissies, waarbij afronding plenair plaatsvindt.Het Presidium brengt in herinnering dat de commissies sinds de invoeringvan het vernieuwde Reglement van Orde in 2021 bepalen of wetgevinggeheel op commissieniveau wordt afgehandeld, maar dat de mogelijkheidook nog steeds bestaat dat wetgeving plenair wordt afgerond. HetPresidium acht het verstandig dat commissies deze afweging telkensbewust blijven maken in de procedurevergaderingen. Ook de werkgroep«Voor een Kamer die Werkt» doet in haar eindverslag een oproep ombewust te prioriteren bij de behandeling van wetgeving.3 Een overvolleplenaire agenda kán daarbij een reden zijn om wetgeving vaker (deels) incommissieverband te behandelen. Een voordeel van behandeling in eenwetgevingsoverleg is dat deze overleggen langer van tevoren geplandkunnen worden en vrijwel gegarandeerd doorgang vinden. Als nadeligzou genoemd kunnen worden dat commissiebehandeling en plenairebehandeling soms overlappend zijn en al te grote overheveling van(politiek gevoelige) wetgeving naar het commissieniveau ervoor zoukunnen zorgen dat de plenaire vergadering zich te veel richt op devolksvertegenwoordigende rol van de Tweede Kamer en te weinig op derol van medewetgever.8. Het terugbrengen van een vereiste gewone meerderheid voorinterpellatiedebatten.Naar zijn aard hoort bij het interpellatiedebat een zekere mate vanurgentie, maar door de ondersteuningsvereiste voor interpellatiedebattenterug te brengen tot dertig leden is deze drempel lager geworden danvoorheen, waardoor de Voorzitter het moment van planning bepaalt, netzoals in het geval van dertigledendebatten. Dit laatste is slechts andersindien de Kamer bij meerderheid besluit tot agendering met voorrang. Erkan voor worden gekozen weer een gewone meerderheid als vereistevoor interpellatiedebatten te hanteren, waarmee een meerderheid van deKamer direct ook aangeeft of die urgentie er is. Met een ondersteu-ningseis van dertig leden is het niet mogelijk om interpellatiedebatten opzeer korte termijn te agenderen, omdat de plenaire agenda anders weldravol zou staan met interpellatiedebatten en er voor andere typen debatten,waaronder wetgeving, veel minder tijd over zou blijven. Het uitgangspuntdat een meerderheid van de Kamer de baas is over de agenda, zoudaarmee ook mogelijk onder druk komen te staan.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement vanOrde om vast te leggen dat de termijn voor de toekenning van een debateenmaal kan worden verlengd. Dit voorstel geeft de leden van deVVD-fractie geen aanleiding tot het stellen van vragen dan wel het makenvan opmerkingen.3Eindverslag van de werkgroep «Voor een Kamer die Werkt», bijlage bij Kamerstuk 36 673, nr. 4,p. 17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 893, nr. 45 Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetvoorstel van het Presidium om de verlenging van een toegekend debat inde toekomst nog slechts een keer mogelijk te maken. Deze leden hebbenhierover één specifieke vraag: kan inzichtelijk gemaakt worden hoeveeldebatten in de afgelopen zittingsperiode zouden zijn vervallen als devoorgestelde regeling destijds al van kracht was geweest?Het Presidium dankt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voor degestelde vraag. Het antwoord is opgenomen in onderstaande reactie opvragen van de leden van de PvdD-fractie.Inbreng van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorstel van het Presidium om artikel 12.8, tweede lid, van hetReglement van Orde te wijzigen, zodat de termijn voor de toekenning vaneen debat nog slechts eenmaal kan worden verlengd. Deze ledenonderschrijven het belang van een efficiënte planning van debatten, maarplaatsen enkele kanttekeningen bij de voorgestelde beperking.Genoemde leden verzoeken het Presidium om inzicht te geven in defeitelijke onderbouwing van deze aanpassing. Hoe vaak wordt in dehuidige praktijk de toekenningstermijn van een debat verlengd, en inhoeveel gevallen gebeurt dat meer dan eenmaal? Hoeveel procent van deaangevraagde debatten wordt binnen de eerste termijn daadwerkelijkingepland? In welke mate draagt een tweede verlenging nu bij aan hetalsnog kunnen voeren van een debat dat anders zou vervallen?Deze leden vragen of het Presidium kan toelichten wat het praktischeprobleem precies is dat met deze wijziging wordt opgelost, en hoe grootdit probleem is.De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt geborgd dat de voorge-stelde beperking van de verlengingsmogelijkheid niet leidt tot eenversmalling van de diversiteit van initiatiefnemers van plenaire debatten.Kan het Presidium aangeven op welke wijze wordt gewaarborgd dat ookkleinere fracties, nieuwkomers en Kamerleden uit oppositiepartijen hunonderwerpen nog daadwerkelijk plenair geagendeerd krijgen?Deze leden vragen het Presidium om te reflecteren op mogelijke alterna-tieve oplossingen om de werkdruk op de plenaire agenda te verlichtenzonder de rechten van Kamerleden te beperken. Hierbij kan bijvoorbeeldworden gedacht aan een periodieke evaluatie van oude debatverzoeken,waarbij fracties actief kunnen aangeven welke verzoeken zij nog actueelachten.Tot slot vragen de leden van de PvdD-fractie hoe de wijziging in de praktijkzal worden geëvalueerd.Het Presidium dankt de leden van de PvdD-fractie voor de gesteldevragen.Het Reglement van Orde in zijn huidige vorm, waarin de huidige bepalingover het verlengen van de toekenning van debatten is opgenomen, is vankracht sinds 31 maart 2021. Het Centraal Informatiepunt (CIP) van deTweede Kamer heeft een analyse uitgevoerd op plenaire debatten dietussen 1 april 2021 en 17 maart 2026 zijn aangevraagd. Ongeveer 40% vande meerderheids- en dertigledendebatten die sindsdien op de lijst hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 893, nr. 46 gestaan wordt één of twee keer verlengd. Voor meerderheidsdebattengeldt dat iets minder dan de helft vóór de eerste vervaltermijn wordtingepland; ruim 30% van het totaal valt dus vóór of bij de eerste verval-termijn van de lijst – actief (door annulering), dan wel passief (door niet teverlengen).Meerderheids-debattenDertigleden-debattenInterpellatie-debattenAan de lijst toegevoegd45247114Toekenningstermijn verlengd1811994Toekenningstermijn nogmaals verlengd911262 Een totaal van 452 meerderheidsdebatten heeft op enig moment op delijst gestaan. Daarvan hebben 183 debatten (ruim 40%) daadwerkelijkplaatsgevonden. Slechts 22 meerderheidsdebatten zijn pas na een tweedeverlenging ingepland.Meerderheids-debattenDertigleden-debattenInterpellatie-debattenAan de lijst toegevoegd45247114Vervallen200 (44,2%)333 (70,7%)9Geannuleerd28 (6,2%)65 (13,8%)0Ingepland183 (40,5%)26 (5,5%)5– Vóór eerste verlenging– 127 (69,4%)– 4 (15,4%)– 4 (80%)– Na eerste verlenging– 34 (18,6%)– 7 (26,9%)– 0– Na tweede verlenging– 22 (12,0%)– 15 (57,7%)– 1 (20%) Zoals eerder opgemerkt geeft het Presidium met de indiening van ditvoorstel op verzoek van de Kamer4 uitvoering aan een aanbeveling van dewerkgroep «Voor een Kamer die Werkt». Deze werkgroep beoogdehiermee de ruimte voor plenaire behandeling van wetgeving te vergrotenen tevens plaats te bieden voor meer actuele meerderheids- én dertigle-dendebatten. Voor het bieden van ruimte aan wetgeving is, naast hetaantal aangevraagde debatten, ook de termijn die de Kamer verbindt aanhet inplannen van debatten van belang. Bovenstaande cijfers onder-schrijven evenwel het tweede argument: 12% van de meerderheidsde-batten en meer dan de helft van de dertigledendebatten die hebbenplaatsgevonden, werd meer dan 24 weken na de aanvraag pas ingepland.Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat enkele meerderheidsdebattendie wel hebben plaatsgevonden, eerder vervallen waren en (met succes)opnieuw zijn aangevraagd. Indien de Kamer dus ook na de vervaldatumwaarde blijft hechten aan het voeren van een specifiek plenair debat,bestaat daarvoor een route. Het overgrote deel van de vervallen meerder-heidsdebatten wordt niet opnieuw aangevraagd.Het beperken van de verlengingsmogelijkheid leidt naar verwachting niettot een versmalling van de diversiteit van initiatiefnemers van debatten. Ertreedt bij aanvaarding van dit voorstel immers slechts een verschuivingop van debatten die langer geleden zijn aangevraagd naar debatten dierecenter zijn aangevraagd. Het staat Kamerleden voorts vrij om tussen-tijds zelf aangevraagde debatten van de lijst te verwijderen, bijvoorbeeldwanneer een onderwerp inmiddels in een commissie is behandeld. Ookkunnen leden zelf voorstellen indienen met het oog op de beheers-baarheid van de plenaire agenda. Het Presidium acht een evaluatie vandeze beperkte aanpassing van het Reglement van Orde in het licht van4Kamerstuk 36 673, nr. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 893, nr. 47 bovenstaande niet noodzakelijk. Wel zal, naar aanleiding van eerderge-noemd verzoek van de leden van de D66-fractie, inzichtelijk wordengemaakt welke debatten zijn vervallen.De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,Van CampenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 893, nr. 48

Bron, video en gesprek →