KamerkringInloggen
Joost Eerdmans

Officieel Kamerprofiel

Joost Eerdmans

JA21 →
0debatten
1.203bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: JA21 (2021-03-31–heden) · Groep Eerdmans-van Schijndel (2006-09-25–2006-11-29) · LPF (2002-05-23–2006-09-24) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
2 apr 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 381Voorstel van wet van de leden Straatman enMutluer tot wijziging van het Wetboek vanStrafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES inverband met het strafbaar stellen van hetopenbaar maken van beeldmateriaal vanslachtoffersNr. 10 NOTA NAAR AANLEIDING VAN VERSLAGVastgesteld 2 april 2026 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbe-reidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgtverslag uit te brengen van haar bevindingen.Onder het voorbehoud dat de initiatiefnemers op de gestelde vragen tijdigen genoegzaam zullen hebben geantwoord, acht de commissie deopenbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.I. ALGEMEEN De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel vanwet van de leden Boswijk en Mutluer tot wijziging van het Wetboek vanStrafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES in verband met het strafbaarstellen van het openbaar maken van beeldmateriaal van slachtoffers(hierna: het (initiatief)wetsvoorstel) en hebben nog een aantal vragen.De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het initiatief-wetsvoorstel. Zij complimenteren de initiatiefnemers met het voorbe-reiden van het wetsvoorstel. Zij zien zowel voor- als nadelen van hetstrafbaar stellen van het openbaar maken van beeldmateriaal vanslachtoffers. Zij stellen nog enkele vragen over het initiatiefwetsvoorstelen maken nog enkele opmerkingen.De leden van de NSC-fractie hebben met voorzichtige interesse kennisge-nomen van het initiatiefwetsvoorstel. Deze leden prijzen het dat deinitiatiefnemers opkomen voor deze groep die zich in een kwetsbarepositie bevindt. Zij vinden hetgeen dat met het wetsvoorstel beoogdwordt sympathiek en delen de opvatting dat het betreffende gedrag zeerongewenst is. Net als de initiatiefnemers zijn deze leden van mening dathet openbaar maken van beeldmateriaal van iemand die dringend hulpbehoeft, een daadwerkelijke inbreuk is op de menselijke waardigheid vanhet slachtoffer. Iemands recht op bescherming van privacy en persoonlijkelevenssfeer wordt op zo’n moment op grove wijze geschonden. Hetgedrag waar de strafbaarstelling op ziet, druist ook volgens deze leden in kst-36381-10ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 101 tegen de menselijke waardigheid die beschermd wordt conform artikel 1van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Wel hebbendeze leden nog de nodige vragen bij het voorstel.De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het initiatiefwetsvoorstel. De aan het woord zijnde leden onder-schrijven de boodschap van het wetsvoorstel. Het openbaar maken vanbeelden van ongevallen en incidenten kan zeer ingrijpend zijn voorslachtoffers en nabestaanden en vormt een significante inbreuk op hunprivacy. Tegelijkertijd erkennen deze leden dat het ultimum remedium-karakter van het strafrecht goed geborgd moet zijn en dat het inperkenvan het openbaar maken van beeldmateriaal op gespannen voet kan staanmet een aantal grondrechten. In het kader hiervan hebben deze leden nogeen aantal vragen.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorgesteldeinitiatiefwet. Hier zijn nog een aantal vragen over. In de wet wordtvoorgesteld om iemand een gevangenisstraf van één jaar of eengeldboete in de derde categorie op te leggen wanneer iemand opzettelijkeen afbeelding van iemand die dringend hulp behoeft, openbaar maakt ofopzettelijk een afbeelding openbaar maakt ten aanzien van iemand die isoverleden. Deze leden onderschrijven dit maatschappelijke probleem. Hetis zeer onsmakelijk dat wanneer iemand slachtoffer is geworden vanbijvoorbeeld een misdrijf, deze persoon hier online beelden over zietverschijnen. Ook kan het voor nabestaanden een zeer grote impacthebben wanneer het gaat over een overleden dierbare.De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het initiatiefwetsvoorstel. Deze leden onderschrijven volledig dat hetfilmen van slachtoffers en het verspreiden van deze beelden onfatsoenlijken verwerpelijk is, vanwege de grote impact op slachtoffers ennabestaanden. De initiatiefnemers maken met talrijke voorbeeldenduidelijk dat dit probleem breed in de samenleving speelt.Het onderwerp van dit wetsvoorstel raakt volgens de leden van deCDA-fractie aan een bredere uitdaging, namelijk het normeren van gedragin een hoog-gedigitaliseerde samenleving waarin de onlineleefwereld ende fysieke leefwereld onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Pogingenom de onlineleefwereld op dezelfde manier te normeren als de fysiekeleefwereld brengen vanzelfsprekend uitdagingen met zich, bijvoorbeeldop het gebied van de handhaving. Maar initiatieven op dit terrein moetenjuist worden toegejuicht, omdat de digitalisering alleen maar verder zaltoenemen.De leden van de SP-fractie hebben het initiatiefwetsvoorstel aandachtiggelezen. Deze leden willen allereerst de initiatiefnemers bedanken voorhet harde en zorgvuldige werk. Deze leden hebben hier nog een aantalvragen over.Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers danken de fracties van de PVV, VVD, NSC, D66, BBB, CDAen SP voor hun inbreng. Zij zijn verheugd te vernemen dat het merendeelvan de fracties het doel van het initiatiefwetsvoorstel ondersteunt.2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel De leden van de SP-fractie constateren allereerst dat de hoofdeis van ditwetsvoorstel is dat er wordt gekomen tot een strafbaarstelling van hetwillens en wetens openbaar maken van beeldmateriaal van personen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 102 dringend hulp behoeven of inmiddels zijn overleden. De initiatiefnemersgeven duidelijk aan dat het leed dat mensen kan worden aangedaandoordat beeldmateriaal van overleden wordt gedeeld, een enorme impactheeft. Bovenal op naasten die er via deze beelden moeten achter komenwat er is gebeurd. Deze leden hebben begrip voor de keuze van deinitiatiefnemers die de wet hebben verscherpt naar het enkel openbaarmaken van de beelden in plaats van het meehelpen aan het verspreidenervan.Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers zijn verheugd om te lezen dat de leden van de SP-fractiebegrip hebben voor de oorspronkelijke keuze om de strafbaarstelling tebeperken tot het enkel openbaar maken van beeldmateriaal van personendie dringend hulp behoeven of inmiddels zijn overleden. Die keuze wasdestijds ingegeven door een zorgvuldige afweging van proportionaliteiten subsidiariteit, alsmede door de effectiviteit van de opsporing enhandhaving van het voorgestelde strafbaar feit. Naar aanleiding vannadere beraadslagingen en de ontvangen adviezen hebben de initiatief-nemers evenwel besloten het wetsvoorstel aan te passen door middel vaneen nota van wijziging. Met deze nota wordt de strafbaarstelling uitge-breid tot het verder verspreiden van dergelijk beeldmateriaal.Met deze wijziging beogen initiatiefnemers te voorkomen dat groot-schalige online verspreiding van beeldmateriaal van slachtoffers nietonder de reikwijdte van de strafbepaling zou vallen, omdat geen sprake isvan een «eerste» openbaarmaking of dat niet vastgesteld kan worden wiede eerste openbaarmaker is geweest. Met de nota van wijziging wordtvolgens initiatiefnemers op deze manier beter recht gedaan aan het doelvan het wetsvoorstel, namelijk het voorkomen en beperken van heternstige leed dat kan ontstaan wanneer beelden van slachtoffers diedringend hulp behoeven tegen de wil van henzelf of hun naasten wordengedeeld.Initiatiefnemers onderkennen dat met het strafbaar stellen van hetverspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers de strafbaarstelling wordtopgerekt, met alle gevolgen van dien voor handhaving en capaciteit vanpolitie en justitie. Mede met het oog hierop hebben initiatiefnemersbesloten het voorgestelde delict aan te merken als een klachtdelict». Doorde strafbaarstelling te koppelen aan een klacht van de rechtstreeksgetroffenen, wordt handhaving en capaciteit efficiënt ingezet en wordt depersoonlijke autonomie van slachtoffers en nabestaanden versterkt.Initiatiefnemers zijn van oordeel dat deze aanpassing een evenwichtigebalans vormt tussen de bescherming van slachtoffers en nabestaandenenerzijds en de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en handhaaf-baarheid anderzijds. Tegelijkertijd wordt hiermee tegemoetgekomen aande maatschappelijke realiteit waarin beelden zich snel en breed kunnenverspreiden en waarin ook het verder delen van dergelijke beeldensubstantiële schade kan veroorzaken.2.1 Aanleiding De leden van de VVD-fractie hechten veel waarde aan de privacy vanslachtoffers. Het is al verschrikkelijk genoeg wat slachtoffers meemakenen het ongewild publiceren en delen van beelden van slachtoffers is voorhen, maar zeker ook voor hun familie en vrienden, een heftige inbreuk ophun privacy. Deze leden vinden het belangrijk dat de wetgeving aansluitop onze huidige tijd en dat privacy van slachtoffers beter wordtbeschermd. In dat kader hebben zij zich ook sterk gemaakt voor hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 103 Besluit bescherming slachtoffergegevens in processtukken, waardoorprivacy van slachtoffers beter wordt beschermd. De leden van deVVD-fractie vragen of de initiatiefnemers van mening zijn dat we meermaatregelen moeten treffen om secundaire victimisatie van slachtoffers tevoorkomen en, zo ja, welke maatregelen de initiatiefnemers belangrijkvinden naast het wetsvoorstel.Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers zijn het met de leden van de VVD-fractie eens dat er meermaatregelen genomen moeten worden om secundaire victimisatie vanslachtoffers te voorkomen en dat de wetgeving moet aansluiten op dehuidige tijd gezien de bescherming van de privacy van slachtoffers. Hettegengaan van secundaire victimisatie kan op meer manieren gebeurendan nu aan de orde is. Naast het voorgestelde wetsartikel, zoudenbijvoorbeeld ook meer publiekscampagnes kunnen helpen om debewustwording uit te breiden. Daarnaast verwijzen de initiatiefnemersnaar verschillende voorstellen die zijn gedaan om slachtoffers beter tebeschermen, zoals de aangenomen motie-Krul over het onderzoeken hoeeen verzoek tot behandeling van een strafproces achter gesloten deurenvaker gehonoreerd kan worden ten aanzien van slachtoffers van zeden-misdrijven1, de aangenomen motie Mutluer/Wijen-Nass over hetonderzoeken op welke manier slachtoffers eerder en ruimer financiëlehulp kunnen ontvangen in de vorm van een tegemoetkoming die later kanworden verhaald op de dader2 en het voorgestelde wetsvoorstel ompsychisch geweld als expliciet delict strafbaar te stellen.Voorts wijzen initiatiefnemers erop dat met de nota van wijziging bij ditwetsvoorstel een aanvullende waarborg wordt geïntroduceerd tervoorkoming van secundaire victimisatie. Door het voorgestelde delict alsklachtdelict vorm te geven, wordt de regie nadrukkelijk bij het slachtofferof diens nabestaanden gelegd. Hiermee wordt voorkomen dat strafrech-telijk optreden plaatsvindt tegen de uitdrukkelijke wens van de directgetroffenen. Daarmee bevat het wetsvoorstel waarborgen omongewenste hernieuwde confrontatie en emotionele belasting tebeperken.Daarnaast achten initiatiefnemers het van belang dat ook buiten hetstrafrecht verdere stappen worden gezet, onder meer door het versterkenvan de positie van slachtoffers in het digitale domein. Hierbij kan wordengedacht aan het verbeteren van laagdrempelige verwijderprocedures bijonline platforms, het versterken van de samenwerking tussen opsporings-instanties en platformaanbieders en het bieden van betere ondersteuningaan slachtoffers bij het doen van meldingen en aangiften. Initiatiefnemersbenadrukken dat de bescherming tegen secundaire victimisatie eensamenhangende aanpak vergt, waarin strafrechtelijke normstelling,preventie, slachtofferondersteuning en bewustwording in de samenlevingelkaar aanvullen.De leden van de VVD-fractie kunnen de stelling van de initiatiefnemersbegrijpen, dat er onaanvaardbare inbreuk op het recht op privacy vooralontstaat wanneer beelden zonder gerechtvaardigd doel worden gemaakten verspreid. Kunnen de initiatiefnemers meer voorbeelden geven vanrechtvaardige inbreuk op privacy van slachtoffers?1Kamerstuknummer II 2024/25, 33 552, nr. 125.2Kamerstuknummer II 2024/25, 33 552, nr. 132.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 104 Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers onderschrijven dat de bescherming van de persoonlijkelevenssfeer een groot goed is, maar wijzen er tegelijkertijd op dat ditrecht, net zoals veel grondrechten, niet absoluut is. Onder omstandig-heden kan een inbreuk op de privacy gerechtvaardigd zijn. Daarbij geldtals uitgangspunt dat een inbreuk moet berusten op een wettelijkegrondslag, een legitiem doel moet dienen en noodzakelijk en proporti-oneel moet zijn in een democratische samenleving, zoals onder meervolgt uit artikel 8 van het EVRM. Ook de AVG bevat vergelijkbareuitgangspunten, zoals rechtmatigheid, behoorlijkheid, doelbinding entransparantie.In de praktijk bestaan er uiteenlopende situaties waarin binnen dezekaders een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy kan plaatsvinden. Tedenken valt aan bevoegdheden van opsporings- en inlichtingendiensten,of aan cameratoezicht door ondernemingen ter bescherming vaneigendommen en door gemeenten in het belang van de openbare orde.Ook het vastleggen van beelden van een strafbaar feit met het oog op hetdoen van aangifte of het overdragen van die beelden aan de politie kaneen gerechtvaardigd doel dienen. Zie in dat verband het antwoord op devolgende vraag van de leden van de VVD-fractie.Daarnaast erkennen initiatiefnemers dat ook in het kader van journalis-tieke berichtgeving inbreuken op de privacy van slachtoffers gerecht-vaardigd kunnen zijn, mits wordt voldaan aan de eisen van legitimiteit,noodzakelijkheid, proportionaliteit en zorgvuldigheid. Het voorliggendewetsvoorstel beperkt nadrukkelijk niet de persvrijheid of de mogelijkhedenvan journalistieke verslaggeving als zodanig, maar het is gericht tegen hetzonder gerechtvaardigd doel openbaar maken en verspreiden van beeldenvan slachtoffers. Wel doen initiatiefnemers een nadrukkelijk moreel appèlop journalisten om, gezien de vaak ingrijpende impact van dergelijkebeelden, met terughoudendheid en respect voor slachtoffers en hunnabestaanden te handelen. Gezien de verschillende verschijningsvormenwaarin gerechtvaardigd een inbreuk op de privacy zou kunnen wordengemaakt, hebben initiatiefnemers ervoor gekozen de strafuitsluitings-grond van artikel 139i lid 3 open te formuleren, zodat alle hierboven(niet-limitatief) opgesomde voorbeelden van strafrechtelijke aansprake-lijkheid kunnen worden uitgezonderd. Beslissend is of degene die debeelden openbaar maakt dan wel verspreidt te goeder trouw heeft kunnenaannemen dat het algemeen belang openbaarmaking vereiste.De leden van de VVD-fractie vragen naar aanleiding van de voorbeeldenin de memorie van toelichting ook naar het volgende: als omstanders vaneen groepsmishandeling niet kunnen of durven in te grijpen, maar welerin slagen om beelden te maken en deze online te zetten en tevens metde politie te delen, is dat dan wat de initiatiefnemers betreft een recht-vaardige inbreuk op de privacy van slachtoffers?Antwoord van de initiatiefnemers:Of sprake is van strafrechtelijke aansprakelijkheid, is telkens afhankelijkvan de omstandigheden van het geval. Dat gezegd hebbende, zijninitiatiefnemers van oordeel dat het vastleggen van beelden dooromstanders en het delen daarvan – uitsluitend – met de politie, met hetoog op opsporing en vervolging van de daders, in beginsel kan wordenaangemerkt als een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy. In eendergelijke situatie kunnen de beelden bijdragen aan het vaststellen van defeiten en is in beginsel aan de strafuitsluitingsgrond van artikel 139i lid 3voldaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 105 Echter, in het geval omstanders de beelden niet alleen met de politiedelen, maar óók openbaar maken of verspreiden voor sensatiezicht, voorlikes dan wel het verwerven van online aandacht, kunnen de betreffendepersonen in beginsel geen beroep doen op de strafuitsluitingsgrond en isgeen sprake van een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy van hetslachtoffer. Het publiekelijk delen van bijvoorbeeld beelden van eengroepsmishandeling kan voor slachtoffers en hun naasten zeer ingrijpendzijn en bijdragen aan secundaire victimisatie, terwijl het opsporingsbelangook kan worden gediend zonder de beelden openbaar te maken. Het delenvan beelden met de politie kan immers plaatsvinden zonder voorafgaandeof gelijktijdige publicatie.Met de nota van wijziging is getracht deze balans beter in de strafbepalingtot uiting te laten komen. Ten eerste is er bewust voor gekozen destrafbaarstelling vorm te geven als een klachtdelict. Daarmee wordt deregie gelegd bij het slachtoffer of diens nabestaanden en wordt rechtgedaan aan de omstandigheid dat de beoordeling van het openbaarmaken of verder verspreiden van beelden mede afhankelijk is van deconcrete context en de gevolgen voor de betrokkenen. Indien hetslachtoffer of diens nabestaanden menen dat door het openbaar maken ofverder verspreiden van beelden sprake is van een onaanvaardbareinbreuk op hun privacy, kunnen zij daarvan klacht doen. Ten tweede is dekeuze gemaakt om het bestanddeel «wederrechtelijk» aan de strafbaar-stelling toe te voegen. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat openbaar-making of verspreiding van beelden mét toestemming van het slachtofferzelf, of in sommige gevallen de nabestaanden, geen sprake is vanstrafrechtelijke aansprakelijkheid.De leden van de VVD-fractie menen dat het voorstel van de initiatief-nemers – los van juridische vragen en vragen over de uitvoeringspraktijk –ook veel zal vergen aan voorlichting van het publiek. Niet iedereen zalscherp hebben na inwerkingtreding van het wetsvoorstel dat het delenvan beelden van mensen die dringend hulp behoeven, strafbaar zal zijn. Ishet voorstelbaar wat de initiatiefnemers betreft dat, wanneer de politieeen overtreding constateert, deze ook een dringend beroep kan doen opde verspreider om de beelden offline te halen? Hoe denken de initiatief-nemers over een bestuursrechtelijke route, zoals een instantie debevoegdheid te geven om een verwijderbevel uit te vaardigen? Of eensnelle notice- en takedown procedure, waardoor na een melding (zoalsdat nu ook gebeurt met kinderpornografisch materiaal) alles wordtgedaan om de beelden zo snel mogelijk offline te halen?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers onderschrijven het belang dat de leden van de VVD-fractiehechten aan goede voorlichting aan het publiek. Het voorgesteldewetsartikel introduceert een duidelijke strafrechtelijke norm, maar zal inde praktijk ook moeten worden ondersteund door heldere communicatieover wat wel en niet is toegestaan, zeker aan jongeren.Initiatiefnemers achten het voorstelbaar en wenselijk dat de politie,wanneer zij constateert dat beelden van personen die dringend hulpbehoeven of zijn overleden openbaar worden gemaakt en wordenverspreid, in eerste instantie een dringend beroep kan doen op deverspreider om deze beelden offline te halen. Juist met het oog op hetvoorkomen van verdere schade voor slachtoffers en hun naasten kan eendergelijke interventie, afhankelijk van de omstandigheden van het geval,effectiever en proportioneler zijn dan onmiddellijk strafrechtelijk optreden.Het is evenwel geen vereiste om tot strafrechtelijke vervolging over tekunnen gaan. De expliciete strafbaarstelling biedt daarbij een duidelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 106 normatieve basis voor een dergelijk verzoek. Met de nota van wijziging,waarin is gekozen voor een klachtdelict, wordt bovendien geborgd datverdere strafrechtelijke handhaving plaatsvindt op initiatief van hetslachtoffer of diens nabestaanden. Het verwijderen van beelden kandaarmee los worden gezien van de vraag of uiteindelijk tot vervolgingwordt overgegaan. Het is aan de rechter om daar een oordeel over tevellen.Wat betreft de vraag over een bestuursrechtelijke route, merken initiatief-nemers op dat het wetsvoorstel primair een strafrechtelijk kader beoogt tebieden. Tegelijkertijd zien zij de meerwaarde van snelle en effectieveinstrumenten om beelden zo spoedig mogelijk offline te krijgen. Eensnelle notice-and-takedown-procedure, al dan niet in samenwerking metonline platforms, kan daarbij een belangrijke rol spelen. Initiatiefnemersachten het wenselijk dat in de praktijk wordt bezien hoe bestaandeprocedures kunnen worden versterkt of versneld, zodat verdereverspreiding van schadelijk beeldmateriaal zoveel mogelijk wordtvoorkomen. Initiatiefnemers benadrukken dat het uiteindelijke doel vanhet wetsvoorstel niet alleen handhaving is, maar vooral het voorkomenvan secundaire victimisatie. In dat licht is het altijd te verkiezen datdergelijke beelden überhaupt niet online worden geplaatst.De leden van de VVD-fractie vragen of de initiatiefnemers de indruk zijntoegedaan dat het voor slachtoffers het allerbelangrijkste is dat debeelden van zichzelf of van hun naasten, zo snel mogelijk offline wordengehaald. Wat vinden de initiatiefnemers hiervan? Deze leden benadrukkendat elk slachtoffer anders is, maar vragen de initiatiefnemers of zij vindendat in elk geval voor een deel van de slachtoffers geldt dat zwaarderweegt dat de beelden offline worden gehaald dan dat een eersteverspreider strafrechtelijk wordt vervolgd.Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de opvatting van de leden van de VVD-fractie datelk slachtoffer anders is en dat ook de prioriteiten kunnen verschillen.Voor een deel van de slachtoffers kan het inderdaad het zwaarst wegendat beelden van henzelf of van hun naasten zo snel mogelijk offlineworden gehaald en verdere verspreiding wordt gestopt. Voor anderen kandaarnaast ook zwaar wegen dat tegen degene die de beelden openbaarheeft gemaakt en/of tegen degenen die de beelden verder hebbenverspreid strafrechtelijk wordt opgetreden.Juist om aan die verschillen recht te doen, hebben initiatiefnemers met denota van wijziging gekozen voor de vormgeving als klachtdelict. Daarmeekomt de regie nadrukkelijk bij het slachtoffer of diens nabestaanden teliggen. Zij kunnen besluiten of zij (alleen) willen inzetten op het zo snelmogelijk offline halen en stoppen van (verdere) verspreiding, en of zijdaarnaast ook wensen dat tot strafrechtelijke handhaving wordtovergegaan tegen de openbaarmaker en/of verdere verspreiders.Tegelijkertijd benadrukken initiatiefnemers dat het voorkomen van zowelhet openbaar maken als het verder verspreiden van dergelijke beelden inde eerste plaats van groot belang is, gelet op de ingrijpende gevolgenvoor slachtoffers en hun naasten. Indien beelden desondanks openbaarzijn gemaakt of worden doorgegeven, achten initiatiefnemers hetessentieel dat deze zo spoedig mogelijk offline kunnen worden gehaald enverdere verspreiding zo snel mogelijk wordt tegengegaan, om verdereschade en secundaire victimisatie te beperken. Daarnaast gaat er van destrafbaarstelling ook een signaalwerking uit dat het openbaren enverspreiden van dergelijke beelden maatschappelijk niet acceptabel is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 107 Initiatiefnemers hopen dat het omzetten van deze bestaande norm in eenstrafbaarstelling ook tot gevolg heeft dat omstanders dergelijke schade-lijke beelden minder snel zullen openbaren en/of verspreiden. Initiatief-nemers onderkennen dat handhaving van deze maatschappelijke normniet alleen via het strafrecht kan worden afgedwongen. Het vraagt ook omeen maatschappelijk debat, bijvoorbeeld aan de hand van bewustwor-dingscampagnes.De leden van de VVD-fractie vragen of de initiatiefnemers vinden dat ersprake kan zijn van een «chilling effect». Hiervan kan mogelijk sprake zijnals beelden – hoe legitiem ook – voor de zekerheid niet meer wordengedeeld, bijvoorbeeld omdat men vreest voor strafvervolging. Hoe kijkende initiatiefnemers hiernaar?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers onderkennen de zorg van de leden van de VVD-fractie datwetgeving onbedoeld een zogenoemd chilling effect kan hebben. Juist omdat te voorkomen, is het wetsvoorstel zorgvuldig afgebakend.Het filmen van een incident is op zichzelf niet strafbaar gesteld. Daarnaastis in de strafbepaling een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor situatieswaarin beelden worden gemaakt of gedeeld met een gerechtvaardigddoel, zoals het verstrekken van beeldmateriaal aan de politie ten behoevevan opsporing en vervolging. Hiermee wordt beoogd te voorkomen datomstanders uit vrees voor strafvervolging afzien van het vastleggen vanbeelden die van belang kunnen zijn voor het vaststellen van de feiten.De strafbaarstelling richt zich uitsluitend op het zonder gerechtvaardigddoel openbaar maken en verder verspreiden van beelden van personendie dringend hulp behoeven of zijn overleden. Daarmee blijft voldoenderuimte bestaan voor legitiem gebruik van beeldmateriaal, terwijl tegelij-kertijd een duidelijke norm wordt gesteld tegen schadelijke vormen vanopenbaarmaking dan wel verspreiding. De initiatiefnemers zijn dan ookvan oordeel dat met deze afbakening en waarborgen het risico op eenchilling effect zoveel mogelijk is beperkt. Zij achten het bovendien vanbelang dat dit wettelijk kader wordt ondersteund door adequatevoorlichting, zodat voor iedereen duidelijk is wat wel en niet onder destrafbaarstelling valt.De leden van de NSC-fractie lezen dat de initiatiefnemers ervoor hebbengekozen om voor te stellen alleen het openbaar maken van beeldenstrafbaar te stellen en niet het filmen. Deze leden wijzen erop dat hetmaken van de beelden uiteraard veel vaker voorkomt dan het uiteindelijkook openbaar maken daarvan. Deze leden vinden, net als de initiatief-nemers, de voorbeelden die zij noemen van het openbaren verwerpelijk,maar kunnen de initiatiefnemers de omvang van het gedeelte van hetprobleem dat ziet op daadwerkelijk openbaren, nader onderbouwen?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers erkennen, zoals de leden van de NSC-fractie terechtopmerken, dat het maken van beelden door omstanders vaker voorkomtdan het uiteindelijk openbaar maken of verder verspreiden daarvan. Datgegeven is echter juist mede reden geweest om in het wetsvoorstel eenduidelijke en zorgvuldige afbakening aan te brengen en het filmen alszodanig niet strafbaar te stellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 108 In de memorie van toelichting hebben initiatiefnemers uiteengezet dat dekern van het probleem waarvoor dit wetsvoorstel een oplossing beoogt tebieden, niet zozeer is gelegen in het enkele vastleggen van beelden, maarin de gevolgen die het openbaar maken en verder verspreiden daarvanhebben voor slachtoffers en hun naasten. De voorbeelden die in detoelichting zijn genoemd, laten zien dat juist het online circuleren vanbeelden van personen die dringend hulp behoeven of zijn overleden, kanleiden tot een ernstige en langdurige aantasting van de persoonlijkelevenssfeer. Zodra dergelijke beelden eenmaal openbaar zijn gemaakt,kunnen zij zich razendsnel verspreiden en zijn zij in de praktijk nauwelijksnog volledig te verwijderen.Initiatiefnemers wijzen erop dat deze openbaarmaking en verdereverspreiding ertoe kunnen leiden dat slachtoffers en nabestaandenherhaaldelijk en ongewild worden geconfronteerd met ingrijpendebeelden, wat kan bijdragen aan secundaire victimisatie. Dit effect doet zichniet slechts eenmalig voor, maar kan zich blijven herhalen zolang debeelden online beschikbaar zijn. In die zin is het gedeelte van hetprobleem dat ziet op het daadwerkelijk openbaar maken en verspreidenvan beelden, hoewel numeriek mogelijk kleiner dan het aantal keren datwordt gefilmd, naar zijn aard en impact buitengewoon ernstig.Daarom hebben initiatiefnemers ervoor gekozen de strafbaarstelling terichten op het zonder gerechtvaardigd doel openbaar maken en verderverspreiden van beelden, en niet op het filmen zelf. Deze keuze sluit aanbij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en voorkomt datomstanders worden ontmoedigd om beelden te maken die juist vanbelang kunnen zijn voor opsporing en bewijsvoering. Tegelijkertijd wordtmet deze gerichte strafbaarstelling een duidelijke norm gesteld tegengedrag dat aantoonbaar grote en blijvende schade kan toebrengen aanslachtoffers en hun naasten.De leden van de D66-fractie onderschrijven het doel dat indieners met hetonderhavige wetsvoorstel beogen, namelijk het beschermen van het rechtop privacy, slachtoffers en nabestaanden. De aan het woord zijnde ledenvrezen echter dat door middel van deze strafbaarstelling ook journalistenterughoudender zullen zijn met het maken en publiceren van beelden vanslachtoffers, het zogenoemde «chilling effect», zoals ook is omschrevendoor de Nederlandse Vereniging van Journalisten. Kunnen de initiatief-nemers reflecteren op het te verwachten chilling effect voor journalistenen hoe hun rol binnen het wetsvoorstel moet worden bezien?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen de leden van de D66-fractie naar het antwoordhierboven op een gelijkluidende vraag van de leden van de VVD-fractie.Kort en goed zijn initiatiefnemers overtuigd dat de strafuitsluitingsgrondin artikel 139i lid 3 Sr voldoende juridisch comfort geeft aan journalistenom het risico op chilling effect van de strafbaarstelling tot een minimumte beperken.De leden van de D66-fractie hechten grote waarde aan persvrijheid en devrijheid van nieuwsgaring. Het wetsvoorstel beoogt zich te richten op hetopenbaar maken van beelden door omstanders en ooggetuigen. Devoorgestelde strafbaarstelling raakt echter ook journalisten die in hetpublieke belang verslag doen van incidenten waarbij slachtoffersbetrokken zijn, bijvoorbeeld bij politieoptreden, ongevallen of demon-straties. In sommige omstandigheden maken journalisten ook gebruik vanbeelden die bijvoorbeeld door omstanders of ooggetuigen zijn gemaakt.Kunnen de initiatiefnemers ingaan op de Nederlandse persvrijheid en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 109 vrijheid van nieuwsgaring in het kader van dit wetsvoorstel? Hoe wordt depersvrijheid en nieuwsgaring onder het onderhavige wetsvoorstelbeschermd?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers onderschrijven, met de leden van de D66-fractie, het grotebelang van persvrijheid en de vrijheid van nieuwsgaring in een democra-tische rechtsstaat. Journalisten moeten vrij zijn om verslag te doen vangebeurtenissen van maatschappelijk belang, waaronder incidentenwaarbij slachtoffers betrokken zijn. Die vrijheid is echter niet absoluut enkan onder omstandigheden worden begrensd ter bescherming van anderefundamentele rechten, zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijkelevenssfeer.Het voorliggende wetsvoorstel is nadrukkelijk niet gericht tegen journalis-tieke verslaggeving als zodanig, noch tegen het verrichten van journalis-tieke werkzaamheden in het publieke belang. De strafbaarstelling zietuitsluitend op het zonder gerechtvaardigd doel openbaar maken en verderverspreiden van beelden van personen die dringend hulp behoeven of zijnoverleden. Daarbij blijft ruimte bestaan voor openbaarmaking in hetalgemeen belang, waaronder journalistieke berichtgeving, mits wordtvoldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en zorgvul-digheid.Ook in situaties waarin journalisten gebruikmaken van door omstandersof ooggetuigen gemaakte beelden, geldt dat de beoordeling steedscontextafhankelijk is. Van belang is of het openbaar maken van diebeelden een gerechtvaardigd doel dient en of daarbij zorgvuldig wordtomgegaan met de privacy en waardigheid van slachtoffers. De uiteinde-lijke afweging en toetsing daarvan is, zoals bij andere beperkingen van depersvrijheid, aan de rechter. Daarbij ligt het wel voor de hand dat bij dedoor journalisten zelf vervaardigde en openbaar gemaakte beelden inbeginsel sneller zal worden aangenomen dat openbaarmaking hetalgemeen belang dient dan bij beelden die door omstanders of oogge-tuigen zijn vervaardigd en openbaar gemaakt en vervolgens doorjournalisten worden gebruikt. De bedoeling van onderhavig wetsvoorstelis immers om beelden die door omstanders of ooggetuigen zijnvervaardigd en ten koste van het slachtoffer en/of nabestaanden wordengeopenbaard en/of verspreid, juist moeten worden teruggedrongenvanwege de ernstige inbreuk op privacy en de schadelijke effecten die hetvoor het slachtoffer en/of de nabestaanden heeft als deze beelden op hetinternet blijven circuleren.De regels ten aanzien van het respect voor het privéleven en de mense-lijke waardigheid in de Code van de Raad voor de Journalistiek kunnendaarbij voor journalisten als leidraad dienen. Initiatiefnemers doen in datverband een moreel beroep op journalisten om, mede gelet op de groteimpact van dergelijke beelden, met terughoudendheid en respect voorslachtoffers en nabestaanden te handelen.2.2 De noodzaak van strafbaarstelling De leden van de NSC-fractie willen erop wijzen dat het strafrecht eenultimum remedium-karakter heeft en dat bijvoorbeeld ook het OpenbaarMinisterie (OM) zich afvraagt of dit soort ongewenste maatschappelijkeontwikkelingen om een strafrechtelijke reactie vragen. Kunnen deinitiatiefnemers, vanuit deze gedachte, aangeven of het civiele recht enhet bestuursrecht mogelijkheden bieden om het betreffende gedrag teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1010 voorkomen en aan te pakken? Zo ja, welke mogelijkheden zijn dat enwaarom volstaan deze volgens de initiatiefnemers niet?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers onderschrijven het uitgangspunt van de leden van deNSC-fractie dat het strafrecht het karakter heeft van een ultimumremedium en dat terughoudendheid geboden is bij het inzetten vanstrafrechtelijke instrumenten. Juist daarom is in de memorie vantoelichting uitvoerig stilgestaan bij de vraag of andere rechtsgebiedenvoldoende mogelijkheden bieden om het onderhavige gedrag tevoorkomen en aan te pakken. Civielrechtelijk kunnen slachtoffers ondermeer een beroep doen op het leerstuk van de onrechtmatige daad, hetportretrecht of een kort geding tot verwijdering van beelden en schadever-goeding. Bestuursrechtelijk bestaan mogelijkheden via handhaving van deAVG, bijvoorbeeld door de Autoriteit Persoonsgegevens, alsmede vianotice-and-takedown-procedures bij online platforms. Naar de meningvan initiatiefnemers schieten deze instrumenten echter tekort. Deze wegenbieden in de regel slechts reactieve bescherming, nu zij pas kunnenworden ingezet nadat beelden reeds openbaar zijn gemaakt en de inbreukop de persoonlijke levenssfeer heeft plaatsgevonden. Juist bij de snelle engrootschalige verspreiding van beelden via sociale media is de schadevaak onomkeerbaar, terwijl civiele en bestuursrechtelijke procedurestijdrovend, complex en belastend zijn voor slachtoffers. Bovendien rusthet initiatief en de bewijslast veelal bij het slachtoffer zelf.De voorgestelde strafbaarstelling beoogt daarom een duidelijke enpreventieve normstelling vooraf, gericht op het ontmoedigen van hetzonder gerechtvaardigd doel delen en verspreiden van beelden vanslachtoffers. Daarmee wordt niet alleen beoogd op te treden tegenexcessen achteraf, maar juist ook te voorkomen dat slachtoffers opnieuwworden geconfronteerd met ernstige aantasting van hun privacy enmenselijke waardigheid. In dat licht achten initiatiefnemers een strafrech-telijke norm, als aanvulling op bestaande civiele en bestuursrechtelijkeinstrumenten, gerechtvaardigd en noodzakelijk.Daarnaast zijn de leden van de NSC-fractie van mening dat ook socialeme-diaplatforms een verantwoordelijkheid hebben als de openbaarmakingvan de betreffende beelden via hun platform gebeurt. De Digital ServicesAct (DSA) zou ook een rol kunnen spelen bij een effectievere aanpak vanhet probleem, omdat deze een grotere taak neerlegt bij de platforms waarhet gaat om illegale en schadelijke content. Moet dit soort beelden in deogen van de initiatiefnemers expliciet als illegale content onder denationale implementatie van de DSA worden meegenomen en, zo ja,moeten er dan ook trusted flaggers worden aangesteld op dit soortbeelden of zijn de huidige wettelijke kaders in hun optiek al voldoende? Inwelke mate zal er sprake zijn van overlap tussen de bestaande verant-woordelijkheden voor platforms onder de DSA en de verantwoordelijk-heden die hieruit ontstaan?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de opvatting van de leden van de NSC-fractie datook online platforms een verantwoordelijkheid dragen bij de verspreidingvan illegale en schadelijke content. De Digital Services Act (DSA) kandaarbij een belangrijke rol spelen, met name waar het gaat om het sneloffline halen van content die onder nationaal recht als illegaal is aange-merkt. Initiatiefnemers benadrukken echter dat de DSA zelf geen materiëlenormen stelt over welke content als illegaal moet worden aangemerkt. Diekwalificatie vloeit voort uit het nationale recht. Met het voorliggendeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1011 wetsvoorstel wordt het zonder gerechtvaardigd doel openbaar maken enverder verspreiden van beelden van personen die dringend hulpbehoeven of zijn overleden strafbaar gesteld. Daarmee wordt ook duidelijkdat dergelijke beelden, indien zij onder deze strafbaarstelling vallen, alsillegale content in de zin van de DSA kunnen worden aangemerkt.Initiatiefnemers achten het op dit moment niet noodzakelijk om dezecategorie beelden afzonderlijk en expliciet te benoemen binnen denationale implementatie van de DSA. De bestaande DSA-kaders biedenreeds mogelijkheden om, zodra content op grond van nationaal rechtillegaal is, via meldingen en verwijderverplichtingen effectief op te treden.Ook de aanstelling van trusted flaggers is binnen het DSA-stelsel generiekvormgegeven en niet beperkt tot specifieke categorieën content.Wat betreft de verhouding tussen de DSA en het voorliggendewetsvoorstel, merken de initiatiefnemers op dat deze elkaar aanvullen. Hetstrafrecht richt zich primair op normstelling en individuele aansprake-lijkheid van degene die de beelden openbaar maakt of verder verspreidt,terwijl de DSA ziet op de verantwoordelijkheden van platforms bij hetomgaan met illegale content. Van overlap in verantwoordelijkheden isdaarmee slechts in beperkte mate sprake; beide instrumenten vullenelkaar aan vanuit een eigen invalshoek.Volgens de leden van de D66-fractie moet de inzet van het strafrecht alsde laatst mogelijke maatregel worden gezien, het ultimum remedium. Deinzet van het strafrecht moet enkel worden overwogen als anderemiddelen klaarblijkelijk tekortschieten. Welke minder ingrijpendemiddelen hebben de initiatiefnemers thans overwogen en kunnen zijaangeven hoe deze middelen tekortschieten en de inzet van het strafrechtnoodzakelijk wordt?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers onderschrijven het uitgangspunt van de leden van deD66-fractie dat het strafrecht het karakter heeft van een ultimumremedium en dat de inzet daarvan slechts aan de orde is indien minderingrijpende middelen onvoldoende effectief blijken. Vanuit die gedachtezijn verschillende alternatieve maatregelen overwogen en in de praktijkook toegepast.Zo is in de afgelopen jaren ingezet op voorlichting en bewustwording,onder meer via publiekscampagnes en herhaalde oproepen vanuit depolitie om het filmen en delen van beelden van slachtoffers te stoppen. Inde memorie van toelichting hebben initiatiefnemers diverse voorbeeldengenoemd van situaties waarin de politie, zowel via sociale media als viainterviews en publieke verklaringen, expliciet heeft gewezen op deonwenselijkheid en schadelijkheid van dit gedrag.Voorbeelden hiervan zijn:Omstanders filmen reanimatie, politie woest: «Wat als dit jouw vader,moeder of kind was?». «Politieagent hekelt gedrag omstanders die filmenhoe slachtoffer ongeluk A28 voor zijn leven vecht: «Ga gewoon weg!»».«Politie: STOP met verspreiden van foto’s dodelijk slachtoffer Tilburg».«Ernstig ongeluk tot woede van politievakbond gefilmd: «Grofschandaal»». Woede om filmende omstanders bij dodelijk ongeval inNijmegen: «Het is pervers».Initiatiefnemers constateren echter dat deze maatregelen, ondanks hunherhaalde inzet en brede maatschappelijke steun, onvoldoende effecthebben gesorteerd. Het filmen, openbaar maken en verspreiden vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1012 beelden van personen die dringend hulp behoeven of zijn overleden blijftzich met regelmaat voordoen, mede door sociale media. Daarmee blijktdat morele oproepen, maatschappelijke afkeuring en vrijwillige nalevingonvoldoende zijn om het gedrag structureel te veranderen.Juist vanwege de ernstige en vaak blijvende inbreuk op de privacy enmenselijke waardigheid van slachtoffers en hun nabestaanden achteninitiatiefnemers het noodzakelijk om de bestaande, vooraf kenbare normeffectief te kunnen handhaven. De voorgestelde strafbaarstelling richt zichuitsluitend op het zonder gerechtvaardigd doel openbaar maken en verderverspreiden van beelden, met waarborgen zoals de keuze voor eenklachtdelict.Initiatiefnemers zijn daarom van oordeel dat, gelet op het falen vanminder ingrijpende middelen en de ernst van de gevolgen voor betrok-kenen, de inzet van het strafrecht in dit specifieke geval gerechtvaardigden noodzakelijk is.De leden van de D66-fractie zien ook een belangrijke rol weggelegd voorbedrijven en socialemediaplatforms om ervoor te zorgen dat schadelijkeen/of strafbare content niet breed wordt verspreid. Het wetsvoorstel richtzich uitsluitend op de strafbaarstelling van het gedrag van personen engaat niet in op de (civiele) mogelijkheden om techbedrijven en socialeme-diaplatforms meer mogelijkheden te bieden om in te grijpen of hunverantwoordelijkheid bij te dragen rondom het verwijderen van ditbeeldmateriaal. Kunnen de initiatiefnemers nader ingaan op de verant-woordelijkheid van deze bedrijven en waarom een strafbaarstelling,boven het uitbreiden van verantwoordelijkheid van socialemediabe-drijven, in dit kader noodzakelijk is?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers zouden kortheidshalve willen wijzen op de bovenstaandeantwoorden op vragen van de leden van de NSC-fractie over de DSA. Metde DSA nemen de mogelijkheden om bij techbedrijven en socialemedia-platforms in te grijpen in het geval van illegale content waaronderbeelden waar dit wetsvoorstel zich op richt, toe. Daartegenover staat datde DSA een ander doel dient dan de strafbaarstelling, waarbij depreventieve, normstellende werking voorop staat. De DSA en onderhavigestrafbaarstelling vullen elkaar daarom aan, en kunnen elkaar nietvervangen.De leden van de BBB-fractie stellen dat in bepaalde gevallen het beeldma-teriaal wel nuttig kan blijken. Bijvoorbeeld wanneer iemand slachtoffer isgeworden van een gewelddadige overval of slachtoffer is geworden ineen vechtpartij tijdens een evenement. Hier kunnen omstanders beeldenhebben gemaakt die kunnen leiden naar de dader en/of die de politieverder kunnen helpen in het opsporingsonderzoek. Bovendien is het ookdenkbaar dat omstanders niet kunnen of durven in te grijpen, maar er welin slagen door middel van het maken van foto’s of video’s, bewijs tevergaren. Het filmen en het openbaar maken van de beelden kan dusonder bijzondere omstandigheden een legitiem doel dienen. De initiatief-nemers hebben voor bovengenoemde gevallen een uitzondering gemaaktin de wet. De leden van de BBB-fractie erkennen dat in bovenstaandegevallen het schadelijk/vernederend kan zijn voor het slachtoffer wanneerdeze beelden online komen, maar door de beelden wordt het opsporings-onderzoek voor de politie aanzienlijk makkelijker en in sommige gevallenook mogelijk gemaakt. Deze leden vrezen ervoor dat deze beelden (ook alzijn ze met een legitiem doel gemaakt) niet meer bij de politie terecht-komen. Het slachtoffer kan onbekend zijn, het kan een drempel zijn omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1013 naar de politie te gaan, men vindt het simpelweg niet belangrijk, of hetwordt vergeten. Hoe kijken de initiatiefnemers hiernaar?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen de leden van de BBB-fractie naar deantwoorden over de vragen van de leden van de VVD-fractie over het«chilling effect».Wanneer beelden ook niet meer openbaar te zien zijn voor de politie, dienter bij de politie een aangifte of melding te liggen alvorens zij op de hoogteis, zo stellen de leden van de BBB-fractie. Wanneer onlinebeeldmateriaaldus volledig wegvalt, vervalt voor een groot deel de signaleringsfunctiebij de politie. Hoe kijken de initiatiefnemers hiernaar?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers herkennen de zorg van de leden van de BBB-fractie overde signaleringsfunctie van de politie, maar delen de veronderstelling nietdat deze functie in belangrijke mate afhankelijk is van het openbaar onlinestaan van beeldmateriaal. De strafbaarstelling ziet uitsluitend op hetongerechtvaardigd openbaar maken en verder verspreiden van beeldenvan slachtoffers. Wanneer beelden niet openbaar worden gemaakt ofworden verspreid, is van strafbaarheid geen sprake. Omstanders ofbetrokkenen kunnen en zouden ook rechtstreeks contact met de politiemoeten opnemen en eventueel beeldmateriaal rechtstreeks met de politiedelen, zonder dit eerst openbaar te maken. Dit draagt bij aan deopsporing, zonder dat daarbij de privacy en persoonlijke levenssfeer vanslachtoffers wordt geschonden.De signaleringsfunctie van de politie blijft daarmee onverkort bestaan enis primair gebaseerd op meldingen, aangiften en eigen waarneming, enniet op het toevallig aantreffen van beeldmateriaal op sociale media. Hetvoorliggende wetsvoorstel beoogt juist te bevorderen dat relevanteinformatie rechtstreeks bij de politie terechtkomt, in plaats van viapublieke onlinekanalen. Zelfs als de strafbaarstelling zou raken aan designaleringsfunctie van de politie is het effect op de opsporing geringdoordat initiatiefnemers met de nota van wijziging de strafbaarstellingaanmerken als klachtdelict. Daarmee is vervolging van een strafbaar feitalleen mogelijk nadat het slachtoffer of diens nabestaanden een klachthebben ingediend om tot vervolging over te gaan.De leden van de SP-fractie zien net als de initiatiefnemers dat veranderdeomstandigheden, namelijk bijna iedereen die tegenwoordig een smart-phone bezit, ook vragen om veranderde maatregelen. Deze ledenconstateren dat de initiatiefnemers stellen dat de eerste persoon die dezebeelden openbaar online zet, ook degene is die dit beeldmateriaal heeftgemaakt. Deze leden snappen deze redenering, maar met hoeveelzekerheid is dit te zeggen? Het is denkbaar dat het beeldmateriaal wordtrondgestuurd in een groepsapp en iemand anders ervoor kiest de beeldenonline te zetten: zijn de initiatiefnemers het hiermee eens? Of valt hetdelen in een groepsapp nog wel onder de «scope» van het online zettenvan de beelden? Hebben de initiatiefnemers, los van de inbreng van depolitie bij de consultatie, ook een gesprek met de politie gevoerd over deeffectiviteit van de opsporing hierin?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1014 Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de constatering van de leden van de SP-fractie datniet met zekerheid kan worden gesteld dat degene die beelden als eersteopenbaar maakt, deze ook zelf heeft gemaakt. In de praktijk zal ditregelmatig samenvallen, maar dat is niet altijd het geval. Het is inderdaadvoorstelbaar dat beeldmateriaal eerst wordt doorgestuurd binnen eenbesloten kring, bijvoorbeeld via een groepsapp, waarna een ander ervoorkiest de beelden openbaar te maken.Met de nota van wijziging is de strafbaarstelling verruimd tot zowel hetzonder gerechtvaardigd doel openbaar maken als het verder verspreidenvan dergelijke beelden. Of het delen van beeldmateriaal binnen eenbesloten kring gekwalificeerd kan worden als «openbaar maken», iscontextafhankelijk. Initiatiefnemers hebben in eerdere toelichtingbenadrukt dat het delen van beeldmateriaal in een beperkte kringgekwalificeerd kan worden als het openbaar maken in de zin vanartikel 139i lid 1 Sr. Daarbij speelt mee de omvang van de groepsapp ende bekendheid van degene die de beelden in de app deelt met dedeelnemers in de app.Initiatiefnemers benadrukken dat met de keuze voor een klachtdelict deregie bij het slachtoffer of diens nabestaanden is gelegd. Strafrechtelijkehandhaving, ook ten aanzien van verdere verspreiders, vindt slechtsplaats indien de rechtstreeks getroffenen daartoe een klacht indienen.Daarmee wordt voorkomen dat ieder doorsturen van beeldmateriaalzonder meer tot strafvervolging leidt, terwijl tegelijkertijd wordtopgetreden tegen gedragingen die voor slachtoffers en hun naasteningrijpende gevolgen hebben.Wat betreft de opsporing merken initiatiefnemers op dat zij, naast deconsultatie, ook in gesprek zijn geweest met de politie over de uitvoer-baarheid en effectiviteit. De politie heeft daarbij aangegeven datopsporing in dit type zaken uitdagend kan zijn, mede gezien de beperktestrafmaat en de daaraan gekoppelde opsporingsbevoegdheden. Initiatief-nemers hebben deze signalen betrokken bij hun afweging, maar achtenhet niet proportioneel om de strafmaat zodanig te verhogen dat deze nietlanger in verhouding staat tot de aard en ernst van het delict en tot anderestrafbare feiten in het Wetboek van Strafrecht.2.3 Overwogen alternatieven De leden van de PVV-fractie stellen dat de kern van het probleemnatuurlijk het zelf vastleggen van de beelden is; het actief filmen offotograferen. Dat is de bron. Waarom is dit niet strafbaar gesteld? Tenaanzien van het verder verspreiden vragen deze leden waarom alleen hetopenbaar maken van beeldmateriaal strafbaar is gesteld en niet ook hetverder verspreiden.Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen met de leden van de PVV-fractie de opvatting dathet problematisch is dat omstanders in sommige situaties besluiten eenslachtoffer te filmen in plaats van hulp te verlenen. Het vastleggen vanbeelden vormt in die zin vaak het begin van de latere openbaarmaking enverspreiding. Initiatiefnemers hebben daarom nadrukkelijk overwogen ofook het filmen zelf strafbaar zou moeten worden gesteld, maar hebbenhiervan afgezien gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidia-riteit, alsmede vanwege het risico op een chilling effect voor deopsporing. Het filmen als zodanig kan in bepaalde omstandigheden juistTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1015 van belang zijn voor bewijsvoering, het vaststellen van de feiten en deopsporing en vervolging. Door het filmen niet strafbaar te stellen, wordtvoorkomen dat omstanders uit vrees voor strafvervolging afzien van hetvastleggen van beelden die later rechtmatig met de politie kunnen wordengedeeld.Ten aanzien van het verder verspreiden merken initiatiefnemers op datmet de nota van wijziging is gekozen voor een uitbreiding van destrafbaarstelling. Niet alleen het zonder gerechtvaardigd doel openbaarmaken van beelden, maar ook het verder verspreiden daarvan kan onderde strafbepaling vallen. Daarmee wordt erkend dat ook het doorgeven vanbeelden kan bijdragen aan de ernstige en vaak onherstelbare inbreuk opde privacy van slachtoffers en hun nabestaanden. Tegelijkertijd is ervoorgekozen deze strafbaarstelling vorm te geven als een klachtdelict.Daarmee wordt voorkomen dat iedere vorm van doorzenden automatischtot strafvervolging leidt en wordt de regie gelegd bij het slachtoffer ofdiens nabestaanden. Deze systematiek maakt het mogelijk om gericht opte treden tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de openbaar-making en verdere verspreiding, zonder dat de opsporing onevenredigwordt belast.Initiatiefnemers achten deze afbakening passend bij de aard van hetprobleem en in overeenstemming met de vereisten van proportionaliteiten effectiviteit. Het functioneren van deze regeling zal worden betrokkenbij de evaluatie van de wet die na 5 jaar na inwerkingtreding zal plaats-vinden.De leden van de VVD-fractie lezen dat de initiatiefnemers zich hebbenlaten inspireren door het Duitse Wetboek van Strafrecht. Kunnen deinitiatiefnemers nagaan hoeveel vervolgingen en veroordelingen jaarlijksplaatsvinden op grond van artikel 201a van het Duitse Wetboek vanStrafrecht? Sinds wanneer staat dat artikel in het Duitse Wetboek en hoegaat Duitsland om in de uitvoering met het feit dat zowel het maken vande beelden als het verspreiden ervan strafbaar is? Is het in de uitvoeringingewikkeld dat het enkel maken van de beelden al strafbaar is? Hoe vaakis op grond van artikel 201a van het Duitse Wetboek van Strafrecht eenwaarschuwing gegeven in plaats van strafvervolging? Is het zo dat deDuitse situatie vereist dat de slachtoffers in het beeldmateriaal Duits zijnof dat de beelden in Duitsland zijn gemaakt? Handelt de politie ook opeigen initiatief of is het een klachtdelict in Duitsland?Antwoord van de initiatiefnemers:Het genoemde artikel 201a staat sinds 2004 in het Duitse Wetboek vanStrafrecht en richtte zich in eerste instantie vooral op het maken vanbeelden in woningen of in tegen inkijk beschermde ruimtes (zoals toilettenen kleedkamers). De bepaling die het – kortweg – strafbaar maakte omopnames van hulpeloze personen openbaar te maken werd in 2015 aanhet artikel toegevoegd. Het betreft geen klachtdelict. In 2024 werden er9765 gevallen van overtreding van dit artikel geregistreerd3 In 2021werden op grond van artikel 201 à 452 personen veroordeeld, in overwe-gende mate tot een geldstraf.4 De statistieken maken geen onderscheidwelke specifieke strafbaarstelling het binnen het artikel betreft. De overigedoor de leden van de VVD-fractie gevraagde informatie is nietvoorhanden.3Polizeiliche Kriminalstatistik BKA – Polizeiliche Kriminalstatistik4Strafverfolgung – Fachserie 10 Reihe 3 – 2021Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1016 De leden van de NSC-fractie lezen in de memorie van toelichting datDuitsland een strafbepaling kent die lijkt op de voorgestelde strafbepaling.Kunnen de initiatiefnemers toelichten hoe de praktijk omtrent deze Duitsestrafbepaling eruitziet, bijvoorbeeld op het gebied van handhaafbaarheid,bewijsbaarheid en de mate waarin van de strafbepaling gebruik wordtgemaakt?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen de leden van de NSC-fractie naar het antwoordop bovenstaande vraag van de leden van de VVD-fractie.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de initiatiefnemers met deze wetervoor zorgen dat ook anonieme personen op het internet aangepaktworden. De politie kan namelijk pas bij feiten waarvoor voorlopigehechtenis mogelijk is (strafbedreiging van vier jaar en hoger) uitleveringvan adresgegevens vragen. Hebben de initiatiefnemers hier rekening meegehouden en hoe kijken zij hiernaar?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat de voorgestelde strafbe-dreiging met zich brengt dat niet alle opsporingsbevoegdheden terbeschikking staan, waaronder bevoegdheden die samenhangen met feitenwaarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Deze beperking is doorinitiatiefnemers meegewogen bij het vormgeven van het wetsvoorstel.Initiatiefnemers achten het echter niet proportioneel om de strafmaat teverhogen naar vier jaar of hoger uitsluitend met het oog op het verruimenvan opsporingsbevoegdheden. De ernst en aard van het delict rechtvaar-digen naar hun oordeel een dergelijke strafverzwaring niet, mede in hetlicht van de strafmaat die geldt voor andere strafbare feiten in hetWetboek van Strafrecht.Daarbij merken initiatiefnemers op dat de strafbaarstelling met de notavan wijziging is vormgegeven als klachtdelict. Strafrechtelijke opsporingen vervolging vinden daarmee plaats op initiatief van het slachtoffer ofdiens nabestaanden. Dit maakt een gerichte inzet van beschikbareopsporingsmiddelen mogelijk, ook in gevallen waarin sprake is van onlineanonimiteit. Daarnaast wijzen initiatiefnemers erop dat het wetsvoorstelniet op zichzelf staat. Waar identificatie van anonieme verspreiders viastrafrechtelijke weg niet mogelijk of wenselijk is, kunnen andere instru-menten, zoals het offline laten halen van content via bestaande proce-dures, een rol spelen bij het beperken van verdere schade voor slacht-offers.Initiatiefnemers zijn van oordeel dat deze benadering, waarin proportiona-liteit, uitvoerbaarheid en bescherming van slachtoffers in samenhangworden bezien, passend is bij het ultimum remedium-karakter van hetstrafrecht.De leden van de CDA-fractie hebben enkele vragen over de handhaaf-baarheid van het voorstel. Deze leden vragen of het klopt dat met ditvoorstel de politie op zoek moet naar de eerste verspreider van debeelden. Zij vragen in hoeverre de opsporing hier goed voor is toegerusten wat hierin kansen en uitdagingen in de opsporing zijn. Deze ledenvragen ook aan de initiatiefnemers wat de mogelijkheden zijn als bij deverspreiding van beelden gebruik wordt gemaakt van anonieme accounts.Zij vragen of er volgens de initiatiefnemers ook een verantwoordelijkheidbij de wetgever ligt om het gebruik van anonieme accounts bij deverspreiding van illegale content zoveel mogelijk tegen te gaan. DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1017 leden wijzen in dit licht ook op besloten groepen op Telegram, waar totwel 200.000 mensen lid van kunnen zijn. In de praktijk blijkt de politietegen grote belemmeringen aan te lopen om illegale activiteiten via dezebesloten groepen te stoppen. Deze leden vragen of de initiatiefnemersdelen dat aanpassing van Europese regels nodig is om zulke groepen nietmeer als «besloten» aan te merken en Telegram te dwingen mee tewerken aan verzoeken van de politie, zodat de opsporingsdiensten beterin staat zijn illegale activiteiten te stoppen.Antwoord van de initiatiefnemers:Onder verwijzing naar het antwoord op de voorgaande vraag van deleden van de BBB-fractie zouden initiatiefnemers daar het volgende aanwillen toevoegen. Initiatiefnemers herkennen de vragen van de leden vande CDA-fractie over de handhaafbaarheid van het voorstel en de uitda-gingen die daarbij spelen. Met de nota van wijziging is de strafbaarstellingniet langer uitsluitend gericht op de eerste openbaarmaker van beelden,maar ook op het verder verspreiden daarvan. Daarmee is de opsporingniet beperkt tot het achterhalen van de openbaarmaker, maar kan zij zichrichten op personen die een wezenlijke rol hebben gespeeld bij deopenbaarmaking of verdere verspreiding van de beelden, afhankelijk vande omstandigheden van het geval en steeds op basis van een klacht vanhet slachtoffer of diens nabestaanden.Initiatiefnemers erkennen dat opsporing in een online omgeving, zeker bijgebruik van anonieme accounts of besloten groepen, uitdagingen metzich brengt. Dit geldt niet alleen voor dit wetsvoorstel, maar voor eenbreed scala aan strafbare feiten die zich in het digitale domein voordoen.Tegelijkertijd wijzen initiatiefnemers erop dat de politie reeds beschiktover verschillende bevoegdheden en instrumenten om ook in onlineomgevingen strafbare feiten te onderzoeken, waaronder de inzet vangespecialiseerde teams en online agenten die actief zijn op digitaleplatforms en in (semi-)besloten netwerken.Wat betreft anonieme accounts en besloten groepen staat voorop dat hetdelen van beeldmateriaal binnen besloten communicatiegroepen, zoals inhet voorbeeld van de Telegram-groep met enorme omvang, sprake kanzijn van strafbare openbaarmaking dan wel verspreiding in de zin vanartikel 139i Sr. Het besloten karakter van de communicatiegroep staat aande strafbaarstelling niet in de weg. Dat gezegd hebbende, delen initiatief-nemers de zorg van de leden van de CDA-fractie dat dergelijke structurenhet optreden tegen illegale activiteiten kunnen bemoeilijken. Tegelijkertijddient naar het oordeel van initiatiefnemers steeds een zorgvuldige balanste worden gevonden tussen het tegengaan van illegale content enerzijdsen de bescherming van fundamentele rechten, zoals privacy en vrijheidvan communicatie, anderzijds. Initiatiefnemers volgen in dat kader metgrote interesse de Europese regelgeving.Wel merken zij op dat de Minister van Justitie en Veiligheid werkt aanvoorstellen om de bevoegdheden van de politie, onder meer in het kadervan de handhaving van de openbare orde en digitale opsporing, verder teverduidelijken en waar nodig te verruimen. Initiatiefnemers volgen dezeontwikkelingen met belangstelling en achten het van belang dat dergelijkevraagstukken in Europees verband worden bezien, gelet op het grensover-schrijdende karakter van veel online platforms.Initiatiefnemers zijn van oordeel dat met dit wetsvoorstel, in samenhangmet bestaande en voorgenomen inzet op digitale opsporing, eenwerkbare en proportionele bijdrage wordt geleverd aan het tegengaanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1018 van het onrechtmatig openbaar maken en verspreiden van beelden vanslachtoffers.De leden van de SP-fractie zien de nuance in het feit dat sommige vormenvan beeldmateriaal die online gedeeld worden, nuttig zouden kunnen zijnvoor de opsporing van de daders en dat het wellicht ook de bedoeling isvan de persoon die dit gefilmd heeft. In plaats van online zetten moet ditdan natuurlijk op de juiste plek, zoals bij de politie, terechtkomen. Hoedenken de initiatiefnemers dat dit gestimuleerd kan worden en is dit vooriedereen duidelijk? Deze leden hebben net als de Nederlandse Verenigingvoor Rechtspraak (NVvR) de vraag of dit wetsvoorstel in de praktijk zalbijdragen aan het oplossen van het volgens initiatiefnemers terechtgesignaleerde probleem. Kunnen de initiatiefnemers hier nog opreflecteren? Is er ten aanzien hiervan ook gedacht aan een bewustma-kingscampagne, zodat mensen weten dat het openbaar delen van dezebeelden niet meer getolereerd wordt en strafbaar is? Delen de initiatief-nemers de mening dat het in algemene zin niet alleen moet gaan om eenstrafrechtelijke norm, maar ook een duidelijke sociale en maatschappelijkenorm?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen de leden van de SP-fractie naar voorgaandeantwoorden op vragen van leden van diverse andere fracties. Kortheids-halve zouden zij hier willen antwoorden dat de strafrechtelijke norm hetsluitstuk moet vormen van andere reeds bestaande wettelijke mogelijk-heden om illegale content tegen te gaan. Initiatiefnemers zijn het met deleden van de SP-fractie eens dat handhaving van de bestaande norm,naast strafrechtelijk ingrijpen, ook vraagt om een maatschappelijkediscussie hoe met elkaar om te gaan en een appèl op ieders verantwoor-delijkheid voor elkaar. Publiekscampagnes die duidelijk maken dat hetdelen van beelden van slachtoffers niet alleen maatschappelijk onaan-vaardbaar is, maar met inwerkingtreding van onderhavig voorstel óókstrafbaar, kunnen dat maatschappelijk debat aanzwengelen en zeker vantoegevoegde waarde zijn.2.4 Inhoud wetsvoorstel De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de initiatiefnemers destijdsschreven dat de systematiek van de wet zich leent voor om een artikel139i van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te kiezen. Deze leden zien datdeze keuze mede is ingegeven door de plek en totstandkoming vanartikel 139h Sr (wraakporno). Inmiddels is artikel 139h Sr vervallen met deinwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven per 1 juli 2024. Is deinwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven nog een reden om dekeuze voor artikel 139i Sr te heroverwegen? Ligt het wetstechnisch meervoor de hand om een artikel in te voegen na artikel 254ba Sr? Of kiezen deinitiatiefnemers ervoor een nieuw artikel 139h Sr in te voegen nu hetbestaande artikel 139h Sr is vervallen?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers zijn zich bewust van de inwerkingtreding van de Wetseksuele misdrijven per 1 juli 2024 en de daarmee samenhangendevervallenverklaring van artikel 139h Sr. Zij hebben zich de vraag gesteld ofdeze ontwikkeling aanleiding geeft om de gekozen systematiek enplaatsing van de voorgestelde strafbepaling te heroverwegen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1019 De initiatiefnemers zijn van oordeel dat dit niet het geval is. De keuze omaansluiting te zoeken bij artikel 139i Sr is niet uitsluitend ingegeven doorde destijds bestaande samenhang met artikel 139h Sr, maar vooral doorde aard en strekking van de strafbaarstelling. Het voorgestelde delict ziet,net als artikel 139i Sr, op de bescherming van de persoonlijke levenssfeertegen onrechtmatige vastlegging en openbaarmaking van beeldmateriaal.Daarmee past de strafbaarstelling systematisch binnen Titel V van hetTweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, waarin misdrijven tegen depersoonlijke vrijheid en levenssfeer zijn opgenomen.Initiatiefnemers hebben daarbij ook bezien of plaatsing elders in hetWetboek van Strafrecht, bijvoorbeeld in de nabijheid van artikel 254ba Sr,wetstechnisch meer voor de hand zou liggen. Zij achten dat niet het geval,nu die bepalingen primair zijn gericht op andere rechtsgoederen en eenandere delictssystematiek kennen. Ook het opnieuw invoegen van eenartikel 139h Sr achten de initiatiefnemers minder aangewezen, gelet op derecente herstructurering van dat artikel in het kader van de Wet seksuelemisdrijven en het risico op verwarring in de wetssystematiek.Initiatiefnemers zijn derhalve van oordeel dat de voorgestelde plaatsingbij artikel 139i Sr ook na de inwerkingtreding van de Wet seksuelemisdrijven wetstechnisch verdedigbaar en systematisch juist is. Daarbijmerken zij op dat de uiteindelijke nummering en positionering van debepaling, conform vaste wetgevingspraktijk, zo nodig bij de verderebehandeling kan worden aangepast zonder dat dit afbreuk doet aan deinhoudelijke strekking van het wetsvoorstel.De leden van de NSC-fractie merken op dat de initiatiefnemers ervoorhebben gekozen om dit aan te merken als een misdrijf en niet alsovertreding. Die keuze heeft juridisch gezien de nodige gevolgen. Kunnende initiatiefnemers deze keuze nader onderbouwen en bijvoorbeelduitleggen hoe deze keuze past in het stelsel van andere strafbare feiten enwaarom het volgens hen noodzakelijk is om dit aan te merken als misdrijfen daarbij de verschillen tussen misdrijven en overtredingen meenemen?Antwoord van de initiatiefnemers:Door de keuze om de strafbaarstelling als een misdrijf in plaats van eenovertreding aan te merken, willen initiatiefnemers de ernst van hetvoorgestelde delict benadrukken. Daarbij zijn de volgende argumentenredengevend geweest om het delict als misdrijf aan te merken. Ten eersteachten initiatiefnemers de strafrechtelijke consequenties bij aanmerkingvan een strafbaarstelling als «overtreding» (onder meer de verkorteverjaringstermijn, de onmogelijkheid om een gevangenisstraf op teleggen en straffeloosheid bij deelnemingsvormen) gezien de ernst van hetdelict niet passend. Ten tweede past kwalificatie als misdrijf ook beterbinnen de juridische doctrine, aangezien bij openbaarmaking enverspreiding van beelden van hulpbehoevenden sprake is van eenbestaande maatschappelijke norm die wordt omgezet in een strafbaar-stelling. Alleen al de terugkerende grote maatschappelijke verontwaar-diging bij incidenten waarbij beelden van slachtoffers online circulerenlaten zien dat er maatschappelijke consensus is over de onaanvaard-baarheid van het voorgestelde strafbare gedrag. Daarmee is dus voldaanaan de klassieke definitie van een «rechtsdelict». Tot slot hebbeninitiatiefnemers wetssystematisch aansluiting gezocht bij anderestrafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht die kwalificeren alsmisdrijf en waarbij strafbaarstelling een vergelijkbaar belang dient,namelijk de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de lichame-lijke integriteit. Met name is aansluiting gezocht bij artikel 139h (oud) vanhet Wetboek van Strafrecht (huidig artikel 254ba).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1020 De leden van de SP-fractie zien dat de initiatiefnemers het voorbeeldnoemen van Duitsland. Op grond van artikel 201a van het Duitse Wetboekvan Strafrecht is een persoon strafbaar als diegene een beeldopnamemaakt waaruit de hulpeloosheid van een andere persoon blijkt, dezepersoon de beeldopname vervolgens verspreidt en daardoor de persoon-lijke levenssfeer van die persoon schaadt. Kunnen de initiatiefnemersaangeven hoe lang deze strafbaarstelling al in gebruik is? Zijn hier ook alresultaten van beschikbaar of dit ook heeft geleid tot veranderd gedrag inDuitsland? Hoe vaak is in Duitsland de maximale straf geëist? Deze vragenvinden deze leden van belang gezien het feit dat de initiatiefnemers ookqua strafeisen aansluiten bij het Duitse voorbeeld.Antwoord van de initiatiefnemers:Onder verwijzing naar het antwoord op een vergelijkbare vraag van deleden van de VVD-fractie hierboven zouden de initiatiefnemers daaraanhet volgende willen toevoegen. De strafbaarstelling in artikel 201a van hetDuitse Wetboek van Strafrecht is sinds 2015 in gebruik. Er zijn geenspecifieke statistieken bekend hoe vaak vervolgd is op grond van dezespecifieke strafbaarstelling, omdat het verbod op het maken van beeldma-teriaal van slachtoffers, wat ondergebracht is in lid 1 sub 2 van het artikel,onderdeel is van de bredere Duitse strafbepaling van het schenden van depersoonlijke levenssfeer door beeldopnames zoals genoemd inartikel 201a.2.5 Toelichting bestanddelen artikel 139i, eerste lid, Wetboek vanStrafrecht 2.5.1 Een afbeelding De leden van de VVD-fractie vragen of met artificiële intelligentie (AI)vervaardigde afbeeldingen of beeldmateriaal ook onder de definitie vaneen «afbeelding» valt die de initiatiefnemers hanteren en is dat onderdeelvan wat de initiatiefnemers beogen strafbaar te stellen? Moet het gaan omeen afbeelding van een daadwerkelijk persoon of kan het ook gaan om deopenbaarmaking van door AI-gegenereerd materiaal? Hoe kijken deinitiatiefnemers hiernaar?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers zijn van mening dat het voorliggende wetsvoorstel ziet ophet openbaar maken en verspreiden van beelden van een bestaande,identificeerbare persoon die daadwerkelijk dringend hulp behoeft of isoverleden. Het beschermde rechtsgoed is daarbij de persoonlijkelevenssfeer en waardigheid van daadwerkelijke slachtoffers en hunnabestaanden.De wijze waarop het beeldmateriaal tot stand is gekomen, is daarbij nietdoorslaggevend. Indien met behulp van artificiële intelligentie eenafbeelding of video wordt gegenereerd die een bestaande persoon in eenreële situatie van dringende hulpbehoevendheid afbeeldt, kan ook hetopenbaar maken van dergelijk beeldmateriaal onder de reikwijdte van destrafbaarstelling vallen. Beslissend is of aan de hand van persoons- en/ofomgevingskenmerken een bestaand persoon in een reële situatie vandringende hulpbehoevendheid kan worden geïdentificeerd. Het openbaarmaken van volledig door AI-gegenereerde afbeeldingen of beeldmateriaalvan een niet-bestaande persoon, of van een fictieve situatie waarin geendaadwerkelijk slachtoffer betrokken is, valt niet onder de strafbaarstellingvan het voorliggende wetsvoorstel omdat in een dergelijk geval geensprake is van een slachtoffer die een klacht kan indienen om totTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1021 vervolging over te gaan. Met de nota van wijziging is de voorgesteldestrafbaarstelling namelijk gekwalificeerd als klachtdelict.De leden van de VVD-fractie begrijpen het wetsvoorstel zo dat, wanneeriemand een afbeelding plaatst op X van iemand die dringend hulpbehoeft, het plaatsen op X op zichzelf strafbaar moet worden geacht,tenzij diegene te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeenbelang vereiste dat openbaar maken gerechtvaardigd was. Klopt dezeaanname?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers kunnen zich in de kern vinden in de door de leden van deVVD-fractie geschetste lezing, met dien verstande dat de beoordelingsteeds afhangt van de situatie. Het zonder gerechtvaardigd doel openbaarmaken of verder verspreiden van een afbeelding van een persoon diedringend hulp behoeft, bijvoorbeeld door plaatsing op een openbaartoegankelijk platform als X, kan in beginsel onder de strafbaarstellingvallen.Van strafbaarheid is echter geen sprake indien degene die het beeldmate-riaal openbaar maakt of verder verspreidt te goeder trouw heeft kunnenaannemen dat het algemeen belang het handelen rechtvaardigde. Daarbijgaat het om een zorgvuldige afweging, waarbij onder meer van belang isof het handelen noodzakelijk en proportioneel is, en of het beoogde doelniet op een minder ingrijpende wijze had kunnen worden bereikt.Initiatiefnemers benadrukken dat het wetsvoorstel zich richt tegen hetzonder gerechtvaardigd doel openbaar maken en verder verspreiden vandergelijke beelden. Of in een concreet geval aan de eisen van hetalgemeen belang is voldaan, zal afhangen van de omstandigheden vanhet geval en uiteindelijk aan de rechter zijn. In de door de leden van deVVD-fractie geschetste casus zal degene die de afbeelding op X plaatstdus moeten kunnen aantonen dat hij te goeder trouw mocht aannemendat het algemeen belang openbaarmaking vereiste. Als uit de context naarvoren komt dat openbaarmaking voornamelijk ten doel had om likes teverkrijgen of sensatie te veroorzaken zal in beginsel niet aan de uitzonde-ringsgrond onder artikel 139i lid 3 worden voldaan en valt de openbaar-making onder de strafbaarstelling.De leden van de NSC-fractie zien dat de initiatiefnemers hebben gekozenvoor het woord «afbeelding» in de voorgestelde strafbepaling. Deze ledenvragen de initiatiefnemers of deze term nog volstaat. Waarom hebben zijbijvoorbeeld niet gekozen voor «visuele weergave», zoals dat ook inandere strafbepalingen terugkomt?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers hebben bij het opstellen van de voorgestelde strafbe-paling aansluiting gezocht bij de terminologie zoals die ten tijde van hetindienen van het wetsvoorstel werd gehanteerd in het Wetboek vanStrafrecht, waaronder het destijds geldende artikel 139h Sr, waarin werdgesproken van een «afbeelding». Met deze term werd beoogd onderandere foto’s, videobeelden en livestreams te omvatten. Initiatiefnemersonderkennen dat in recente wetgeving, waaronder de Wet seksuelemisdrijven, is gekozen voor de term «visuele weergave». Deze term isbreder en explicieter technologieneutraal van aard en omvat zowel fysiekeals digitale beelden, ongeacht de drager of opslagvorm. Met de onder-bouwde betekenis van «afbeelding» in de memorie van toelichting en hetaansluiten bij andere artikelen waarin deze term wordt gebruikt, wordtvolgens initiatiefnemers in de gevallen die betrekking hebben op deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1022 voorgestelde strafbaarstelling voldoende duidelijk wat wel en niet onderdeze term valt.De leden van de CDA-fractie constateren dat onder het begrip«afbeelding» ook wordt verstaan «livestreams». Deze leden delen hetbelang dat openbare livestreams ook onder de reikwijdte vallen, gezien detoenemende populariteit hiervan. Deze leden constateren echter dat erook openbare livestreams zijn, bijvoorbeeld van publieke organisatieszoals gemeenten of Rijkswaterstaat, die openbare plaatsen zoalssnelwegen filmen. Deze leden vragen in hoeverre zulke livestreams ookonder de reikwijdte zouden moeten vallen en of hier nog onderscheid in temaken valt.Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers begrijpen de vraag van de leden van de CDA-fractie zo datde livestreams waar op wordt gedoeld de beelden betreffen van camera’sdie door Rijkswaterstaat boven of langs snelwegen zijn opgesteld dan welbeelden van camera’s die door gemeenten in de openbare ruimte zijnaangebracht. Het delen van beelden waaronder livestreams zonder datdaar een verwerkingsgrondslag voor is, is niet toegestaan. Indien welsprake is van een verwerkingsgrondslag (limitatief opgesomd in artikel 6lid 1 AVG) kan het verwerken van persoonsgegevens wel rechtmatig zijn.Bij een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens op grond van deAVG zal in beginsel ook voldaan zijn aan de strafuitsluitingsgrond vanartikel 139i lid 3 Sr.Voor zover het initiatiefnemers bekend is, mogen gemeenten alleen ondervoorwaarden camera’s in de openbare ruimte gebruiken. Zo mogen debeelden alleen gebruikt worden in het geval de handhaving van deopenbare orde daartoe aanleiding geeft. Tevens moeten mensengeïnformeerd worden over het cameratoezicht. Zolang gemeenten aan destrenge voorwaarden voldoen die horen bij cameragebruik, geldt dat hetdelen van die beelden, voor zover noodzakelijk voor het uitvoeren van diewettelijke plicht, van strafbaarheid onder dit wetsvoorstel is uitgezonderd.Datzelfde geldt indien andere publieke organisaties of Rijkswaterstaatvoor de wettelijke uitoefening van taken livestreams maken en beeldendelen. Initiatiefnemers zijn echter niet bekend met beelden vanlivestreams die openbaar worden gedeeld, ook niet van gemeenten,Rijkswaterstaat of andere publieke organisaties.2.5.2 Openbaar maken De leden van de VVD-fractie vragen of het delen van beelden in eenbesloten Telegram-groep van iemand die dringend hulp behoeft, ook valtonder het bestanddeel «openbaar maken» en onder welke omstandig-heden dat het geval is. De leden van de VVD-fractie vragen ook of hetdelen van beelden van de oorlog in bijvoorbeeld Oekraïne in beslotenTelegram-groepen van mensen die dringend hulp behoeven, ook onder dereikwijdte van het wetsvoorstel valt. Is het dan wat de initiatiefnemersbetreft de bedoeling dat het OM overgaat tot vervolging van personen diedeze beelden delen? Deze leden vragen de initiatiefnemers in dit kader inte gaan op de rechtsmacht die het OM kan uitoefenen in deze envergelijkbare zaken, waarin vaststaat dat het gaat om mensen diedringend hulp behoeven, maar ook dat deze beelden niet in Nederlandzijn gemaakt en bijvoorbeeld in een oorlogssituatie zijn gemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1023 Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers benadrukken dat de vraag of het delen of verderverspreiden van beeldmateriaal kan worden aangemerkt als «openbaarmaken», moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstan-digheden van het geval. Het delen van beelden binnen een beslotenTelegram-groep valt niet zonder meer onder het bestanddeel «openbaarmaken», maar het kan wel. Beslissend daarbij zijn onder meer de omvangvan de groep, de mate waarin deze voor derden toegankelijk is en devraag of sprake is van een afgebakende kring dan wel feitelijk van eenpubliek toegankelijke omgeving. Bij zeer grote of vrij toegankelijkegroepen kan het delen of verder verspreiden van beelden onder omstan-digheden als openbaarmaking worden aangemerkt.Ten aanzien van het delen van beelden uit oorlogssituaties, zoals deoorlog in Oekraïne, merken initiatiefnemers op dat het wetsvoorstelnadrukkelijk niet is bedoeld om algemene nieuwsvoorziening, journalis-tieke verslaggeving of het documenteren van humanitaire crises tecriminaliseren. Het delen van beelden uit oorlogssituaties om journalis-tieke redenen, zoals de oorlog in Oekraïne, valt in beginsel onder destrafuitsluitingsgrond van artikel 139i lid 3 Sr. Het wetsvoorstel richt zichop het zonder gerechtvaardigd doel openbaar maken of verderverspreiden van beelden van concrete, identificeerbare personen diedringend hulp behoeven of zijn overleden, waarbij sprake is van eenernstige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer.Wat betreft de rechtsmacht geldt dat het Nederlandse strafrecht vantoepassing is indien het strafbare feit in Nederland is gepleegd. Bij onlinegedragingen vergt dit een beoordeling aan de hand van verschillendefactoren, waaronder de plaats van handelen, de gerichtheid van dehandeling en de mate waarin sprake is van een voldoende aankno-pingspunt met Nederland. Het enkele feit dat beelden vanuit Nederlandworden gedeeld of verspreid, betekent niet automatisch dat in allegevallen sprake is van een in Nederland gepleegd strafbaar feit.Initiatiefnemers achten het niet beoogd en ook niet wenselijk dat hetvoorliggende wetsvoorstel leidt tot een vorm van algemene of universelerechtsmacht ten aanzien van het delen of verspreiden van beelden uitbuitenlandse conflictsituaties. Het Openbaar Ministerie behoudt daarbijzijn gebruikelijke beoordelingsruimte om, mede gelet op het algemeenbelang en de internationale dimensie van dergelijke zaken, te beslissenover vervolging.De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemers naar een naderetoelichting op het volgende. Sexting en wraakporno gaan over beeldendie – over het algemeen – niet op een openbaar toegankelijke plek wordengemaakt. Slachtoffers van auto-ongelukken, branden, openbare geweld-plegingen vinden veelal plaats in de openbare ruimte. Wat is de reactievan de initiatiefnemers als in de praktijk altijd het verweer zal wordengevoerd dat er sprake is van een algemeen belang? Als iemand blijftzeggen louter de gevolgen van onvoorzichtig rijgedrag in beeld te willenbrengen – wat op zichzelf een algemeen belang kan zijn – welke omstan-digheden moet de rechter dan betrekken bij een beoordeling of er sprakeis van een algemeen belang? En welke omstandigheden moet het OMbetrekken bij de vraag of strafvervolging moet plaatsvinden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1024 Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers erkennen dat in de praktijk de situaties zich kunnenvoordoen waarin een beroep wordt gedaan op het algemeen belang bijhet openbaar maken of verder verspreiden van beelden die zijn gemaaktin de openbare ruimte, zoals bij verkeersongevallen, branden ofgeweldsincidenten. Dat een incident zich in de openbare ruimte afspeelt,betekent echter niet zonder meer dat het openbaar maken of verderverspreiden van beelden van betrokken slachtoffers gerechtvaardigd is.Bij de beoordeling of sprake is van een gerechtvaardigd algemeen belang,zullen rechter en Openbaar Ministerie acht slaan op alle relevante feitenen omstandigheden. Daarbij is onder meer van belang welk doel met hetopenbaar maken of verder verspreiden van de beelden wordt nagestreefd,of dat doel daadwerkelijk het algemeen belang dient, en of het tonen vanherkenbare beelden van het slachtoffer daarvoor noodzakelijk is. Depersoon van de openbaarmaker of verspreider en zijn bereik zal hierbijook meewegen. Ook zal worden meegewogen of het beoogde doel op eenminder ingrijpende wijze had kunnen worden bereikt, bijvoorbeeld doorhet slachtoffer onherkenbaar in beeld te brengen of door te volstaan metalgemene beelden van de situatie. Initiatiefnemers achten hetvoorstelbaar dat het tonen van de gevolgen van onvoorzichtig rijgedrag inabstracte zin een maatschappelijk belang kan dienen, bijvoorbeeld in hetkader van voorlichting of preventie. Dat rechtvaardigt echter niet zondermeer het openbaar maken of verder verspreiden van beelden waarop eenslachtoffer herkenbaar of tot een persoon herleidbaar in beeld wordtgebracht. In veel gevallen kan het beoogde doel immers ook wordenbereikt zonder de identiteit of de kwetsbare toestand van het slachtofferprijs te geven.Het openbaar maken of verder verspreiden van beelden van een verkeers-ongeval waarbij het slachtoffer niet herkenbaar of herleidbaar in beeldwordt gebracht, valt daarmee in beginsel buiten de reikwijdte van hetvoorliggende wetsvoorstel. Of in een concreet geval sprake is van eengerechtvaardigd algemeen belang, zal steeds afhangen van eenzorgvuldige afweging van noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit, enis uiteindelijk ter beoordeling aan het Openbaar Ministerie en de rechter.De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd of de initiatiefnemers het ookbelangrijk vinden dat de politie veel tijd en aandacht besteedt aan deslachtoffers bij een plaats delict en, zo ja, of onder welke omstandighedenhet dan behulpzaam kan zijn voor de slachtoffers als politieagenten tevensbezig zijn met het in de gaten houden van de omstanders, omdat hetwetsvoorstel vereist dat degenen die beelden publiceren, strafbaar zijn.Gaat het voorstel niet te veel ten koste van de politie-inzet die op datmoment noodzakelijk is?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de opvatting van de leden van de VVD-fractie dat deaandacht van de politie op een plaats delict in de eerste plaats en metvoorrang moet uitgaan naar het verlenen van hulp aan slachtoffers en hetveiligstellen van de situatie. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt dezeprioritering op geen enkele wijze te doorkruisen. Het wetsvoorstelverplicht de politie niet om ter plaatse actief toezicht te houden opomstanders die filmen of om direct handhavend op te treden tegenpersonen die mogelijk beelden openbaar maken of verder verspreiden.Het filmen als zodanig is niet strafbaar gesteld. Met de nota van wijzigingis bovendien gekozen voor de vormgeving van het delict als klachtdelict.Dit betekent dat strafrechtelijk optreden pas aan de orde is indien hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1025 slachtoffer of diens nabestaanden daar aanleiding toe zien en daarvanmelding of aangifte doen.Daarmee is het wetsvoorstel nadrukkelijk niet ingericht op onmiddellijkehandhaving op de plaats van het incident, maar op een zorgvuldigeafhandeling achteraf, wanneer beelden daadwerkelijk openbaar zijngemaakt of verder verspreid. Dit voorkomt dat politieagenten ter plaatsehun aandacht zouden moeten verleggen van slachtofferzorg naar hetmonitoren van omstanders.Initiatiefnemers zijn van oordeel dat deze systematiek juist bijdraagt aande bescherming van slachtoffers, doordat zij niet alleen centraal wordengesteld in de prioritering van politie-inzet op de plaats delict, maar ookregie behouden over de vraag of en tegen wie strafrechtelijk wordtopgetreden. Het wetsvoorstel vergt daarmee geen extra inzet vanpolitiecapaciteit op momenten waarop die capaciteit het hardst nodig is.De leden van de NSC-fractie merken op dat uit de memorie van toelichtingblijkt dat onder omstandigheden ook het fysiek tonen van de beelden aananderen onder de strafbaarstelling kan vallen. De memorie van toelichtinggaat verder echter met name over het openbaar maken via het internet endeze leden hebben de indruk dat ook met name dát als problematischwordt gezien door de initiatiefnemers. Kunnen de initiatiefnemersonderbouwen waarom zij van oordeel zijn dat ook het fysiek tonen vanbeelden onder omstandigheden strafbaar zou moeten worden en waaromzij niet opteren voor een beperktere definitie van «openbaar maken»?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de observatie van de leden van de NSC-fractie datin de praktijk vooral het openbaar maken en verder verspreiden vanbeelden via internet of andere elektronische middelen de kern van hetprobleem vormt. Juist door deze wijze van openbaarmaking is de kans opsnelle, grootschalige en blijvende verspreiding groot, met ernstigegevolgen voor de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en hunnabestaanden.Dat neemt echter niet weg dat ook het fysiek tonen van beelden onderomstandigheden een vergelijkbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeerkan opleveren. Daarbij denken initiatiefnemers niet aan het incidenteeltonen van een beeld in een één-op-éénsituatie, maar aan situaties waarinbeelden aan meerdere personen worden getoond, bijvoorbeeld binneneen groep, waardoor feitelijk sprake is van een vorm van openbaar-making. In dergelijke gevallen kan de impact voor het slachtoffervergelijkbaar zijn met die van digitale verspreiding. Daarnaast willeninitiatiefnemers benadrukken dat de voorgestelde strafbaarstelling isvormgegeven als klachtdelict.Initiatiefnemers achten het daarom niet wenselijk om het bestanddeel«openbaar maken» uitsluitend te beperken tot digitale of onlineverspreiding. Een dergelijke beperking zou ertoe kunnen leiden datgedragingen die materieel dezelfde schade veroorzaken aan slachtoffers,buiten de reikwijdte van de strafbaarstelling zouden vallen, enkel vanwegede gekozen vorm.Tegelijkertijd benadrukken initiatiefnemers dat de strafbaarstelling steedseen zorgvuldige beoordeling vergt van de feiten en omstandigheden vanhet geval. Niet iedere vorm van fysiek tonen zal onder de strafbaarstellingvallen. Van belang is onder meer de aard en omvang van de kringwaaraan de beelden worden getoond en de mate waarin daardoor eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1026 ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtofferontstaat. Deze beoordeling is uiteindelijk aan het Openbaar Ministerie ende rechter.De leden van de D66-fractie stellen dat «het tonen aan een groep» vanbeeldmateriaal al voldoende is om onder de strafbaarstelling te vallen. Deaanleiding van het wetsvoorstel en de voorbeelden die daarbij wordengenoemd, zien echter voornamelijk op situaties waarin op sociale mediabeelden in grote mate werden verspreid. Kunnen de initiatiefnemerstoelichten waarom desondanks is gekozen voor een bredere strafbaar-stelling dan in deze voorbeelden het geval was?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen de leden van de D66-fractie naar het antwoordop voorgaande vragen van de leden van de VVD-fractie.De huidige strafbaarstelling treft alleen de «eerste verspreider» van debeelden, gezien deze persoon de beelden openbaar heeft gemaakt, zolezen de leden van de D66-fractie. Personen die de beelden vervolgensverder verspreiden, zijn niet strafbaar onder het wetsvoorstel. Kunnen deindieners aangeven welke afweging zij hebben gemaakt in hun keuze voorenkel een strafbaarstelling van «het openbaar maken» van beeldmateriaalen niet «het verspreiden» van beeldmateriaal?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen hiervoor naar de antwoorden op de vragen vande PVV-fractie onder paragraaf 2.3 en de nota van wijziging.De leden van de BBB-fractie lezen dat in het wetsvoorstel enkel eenstrafbaarstelling opgenomen is van de openbaarmaking van beeldmate-riaal. Kunnen de initiatiefnemers uitleggen waarom er gekozen is om de«verspreiding» ervan niet strafbaar te stellen?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen hiervoor naar de antwoorden op de vragen vande PVV-fractie onder paragraaf 2.3 en de nota van wijziging.Daarnaast vragen de leden van de BBB-fractie hoe de initiatiefnemerskijken naar het begrip «openbaar maken». Wanneer zien zij iets alsopenbaarmaking? Is het criterium voor openbaarmaking dat het opsociale media komt? Of zien de initiatiefnemers een foto/filmpje delen ininterne kringen, zoals het doorsturen naar een familielid, ook als eenopenbaarmaking?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers benadrukken dat met het bestanddeel «openbaar maken»wordt gedoeld op het ter kennis brengen van beelden aan een kring vanpersonen op een wijze die kan worden aangemerkt als openbaarmaking.Daarbij is niet doorslaggevend of degene die de beelden deelt de eerste isdie dit doet, maar of de wijze van delen ertoe leidt dat de beelden feitelijkvoor een bredere kring toegankelijk worden. Deze uitleg sluit aan bij dejurisprudentie van de Hoge Raad over het begrip «openbaar», waarin isbepaald dat beslissend is of sprake is van het ter kennis brengen van hetpubliek, beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden vanhet geval.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1027 Of het delen van beelden binnen een beperkte of besloten kring kanworden aangemerkt als «openbaar maken» of als «verder verspreiden» inde zin van het wetsvoorstel, hangt af van verschillende factoren. Daarbijzijn onder meer van belang de omvang en samenstelling van de kringwaaraan de beelden worden getoond, de mate waarin het delen isgeëigend om verdere bekendheid te geven aan de beelden buiten diekring, de wijze waarop de beelden worden gedeeld en de kans dat zijterechtkomen bij anderen dan de rechtstreeks geadresseerden.Uit het voorgaande volgt dat niet iedere vorm van delen binnen eenbeperkte kring zonder meer tot strafbaarheid leidt. De uitleg van«openbaar maken» is afhankelijk van de concrete omstandigheden.Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het dus goedmogelijk dat het delen van beelden binnen een zeer beperkte, persoonlijkekring, zoals familieleden of naasten, niet onder de strafbaarstelling vallen.De initiatiefnemers benadrukken dat deze systematiek ruimte laat vooreen zorgvuldige en proportionele beoordeling door het OpenbaarMinisterie en de rechter, waarbij zowel de aard van het delen ofverspreiden als de impact op het slachtoffer centraal staat. Daarnaasthebben initiatiefnemers ervoor gekozen met de nota van wijziging hetdelict vorm te geven als klachtdelict. Gevolg is dat strafrechtelijkehandhaving óók afhankelijk is van een klacht van het slachtoffer en/ofdiens nabestaanden. Deze benadering doet volgens initiatiefnemers rechtaan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers,zonder te leiden tot een te ruime of ongerichte strafbaarstelling.2.5.4 Iemand die dringend hulp behoeft De leden van de NSC-fractie lezen dat volgens de initiatiefnemers hetbetreffende slachtoffer niet per se herkenbaar in beeld hoeft te zijn, wilsprake zijn van strafbaar handelen. Het kan ook strafbaar zijn als alleen uitde context of de omgeving kan worden afgeleid wie is afgebeeld. Kunnende initiatiefnemers nader onderbouwen waarom het in zo’n specifiekgeval, waarin het slachtoffer in principe niet herkenbaar in beeld is,proportioneel is om het openbaar maken van beelden als misdrijf aan temerken?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers zijn van mening dat het openbaar maken van beelden vanhet slachtoffer ook strafbaar kan zijn als enkel uit de context of omgevingkan worden afgeleid wie is afgebeeld. Ook hierbij kan sprake zijn van eengrove privacyschending. Het kan immers zo zijn dat beelden van eenernstig auto-ongeluk op het internet worden gezet. Naasten ofnabestaanden kunnen de auto herkennen en weten dat het om hungeliefde gaat, zonder dat het slachtoffer expliciet in beeld wordt gebracht.Hierbij gaat het dus om de omgevings- en persoonskenmerken. Dit beeldkan naasten zelfs bereiken voordat zij zijn ingelicht door de politie.Daarom achten initiatiefnemers het van belang dat ook de omgevings- enpersoonskenmerken onderdeel kunnen zijn van de strafbaarstelling geziende ernst van de situatie. Of dat in een specifiek geval ook proportioneel is,hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij speelt uiteraardook mee wat de intentie is waarmee beelden online zijn geplaatst. Alsbeelden om journalistieke redenen of andere redenen van algemeenbelang worden geopenbaard, waarbij alleen omgevingskenmerkenworden getoond zal juist minder snel sprake zijn van strafrechtelijkeaansprakelijkheid. Dat is anders als beelden louter ter sensatiezuchtworden geopenbaard of verspreid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1028 2.6 Strafmaat De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat een gevangenisstraf vanmaximaal één jaar buitenproportioneel is voor het openbaar maken vanbeelden van slachtoffers. Deze leden vinden een forse geldboete of eentaakstraf beter volstaan. Hoe zien de initiatiefnemers dit? En kunnen deinitiatiefnemers ook uitleggen waarom het strafbare feit is vormgegevenals misdrijf en niet als overtreding?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers hebben ervoor gekozen het strafbare feit vorm te gevenals misdrijf, omdat zij het van belang achten dat bij strafrechtelijkeaansprakelijkheid niet alleen de gedraging, maar ook de mate vanverwijtbaarheid wordt meegewogen. Bij een misdrijf moet wordenvastgesteld dat sprake is van opzet of schuld, terwijl bij een overtredinghet enkele verrichten van de verboden handeling reeds tot strafbaarheidkan leiden. Initiatiefnemers achten het, gelet op de aard van het gedrag ende gevolgen voor slachtoffers en hun nabestaanden, wenselijk dat dezebeoordeling van intentie en verwijtbaarheid onderdeel uitmaakt van destrafrechtelijke afweging. Daarnaast achten initiatiefnemers strafrechte-lijke gevolgen bij kwalificatie van een overtreding (kortere verjarings-termijn, uitsluiten van de gevangenisstraf en uitsluiten van strafbaarheidvan deelnemingsvormen) gezien de ernst en verwijtbaarheid van degedraging niet passend. Kwalificatie van de strafbare gedraging alsmisdrijf past bovendien beter binnen de wetssystematiek en sluit ook aanbij de maatschappelijke normen die bestaan over de onaanvaardbaarheidvan het strafbaar te stellen gedrag.Het vormgeven van het delict als misdrijf betekent echter niet dat in depraktijk steeds een gevangenisstraf zal worden opgelegd. Integendeel: ookbij misdrijven beschikt de rechter over een breed palet aan strafmodali-teiten, waaronder een geldboete of een taakstraf. De maximale gevange-nisstraf van één jaar fungeert als wettelijk maximum en biedt de rechterde ruimte om in ernstige gevallen een passende straf op te leggen, terwijlin minder ernstige gevallen kan worden volstaan met een lichtere sanctie.Initiatiefnemers achten deze strafbedreiging proportioneel gelet op deernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de menselijkewaardigheid van slachtoffers en hun naasten, en passend binnen hetsysteem van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee wordt enerzijds eenduidelijke norm gesteld, terwijl anderzijds voldoende ruimte blijft voormaatwerk in de straftoemeting.In tegenstelling tot bovenstaande vinden de leden van de BBB-fractie demaximale gevangenisstraf van één jaar wel volstaan wanneer de beeldenin seksuele context gezien worden. Zijn de initiatiefnemers bereid hier eendifferentiatie in aan te brengen?Antwoord van initiatiefnemers:Initiatiefnemers begrijpen de overweging van de leden van de BBB-fractie,maar zien geen aanleiding om binnen het voorliggende wetsvoorstel eenafzonderlijke differentiatie in strafmaat aan te brengen naar gelang decontext waarin de beelden zijn gemaakt of gedeeld.Het wetsvoorstel ziet op het zonder gerechtvaardigd doel openbaar makenen verder verspreiden van beelden van personen die dringend hulpbehoeven of zijn overleden. De strafwaardigheid van dit gedrag is volgensinitiatiefnemers gelegen in de ernstige inbreuk op de persoonlijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1029 levenssfeer en menselijke waardigheid van slachtoffers en hunnabestaanden, ongeacht de specifieke context waarin de beelden zijngemaakt.Voor het openbaar maken of verspreiden van beelden in een seksuelecontext kent het Wetboek van Strafrecht reeds specifieke strafbaarstel-lingen met een eigen delictsomschrijving en strafmaat. Initiatiefnemersachten het niet wenselijk om deze regimes binnen één strafbepaling tevermengen of door middel van een aparte differentiatie binnen ditwetsvoorstel te dupliceren. Differentiatie naar ernst en omstandighedenvan het geval kan bovendien plaatsvinden binnen de bestaande strafmaatdoor de rechter bij de straftoemeting. Daarbij kan onder meer rekeningworden gehouden met de aard van de beelden, de context van openbaar-making of verspreiding en de gevolgen voor het slachtoffer. Initiatief-nemers achten deze systematiek voldoende om recht te doen aanverschillen tussen zaken, zonder de strafbepaling zelf verder te compli-ceren.Afsluitend zien de leden van de BBB-fractie ook problemen in dehandhaving. Kunnen de initiatiefnemers aangeven hoe zij hiernaar kijken?En kunnen de initiatiefnemers ook aangeven in hoeverre dit wetsvoorsteleen beslag legt op de capaciteit?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers hebben de uitvoeringsconsequenties van dit wetsvoorstelin beeld gebracht door middel van een uitvoeringanalyse van degeconsulteerde instanties. Daaruit volgt dat initiatiefnemers nietverwachten dat dit wetsvoorstel grote gevolgen voor de werkprocessenvan de politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak zal hebben.Weliswaar zal net zoals alle nieuwe strafbaarstellingen ook de hiervoorgestelde strafbaarstelling meer capaciteit vergen. Echter verwachteninitiatiefnemers dat door de duidelijk normstelling het eenieder duidelijkzal worden dat het openbaar maken en/of verspreiden van de gewraaktebeelden niet toegestaan is. Daar gaat ook een signaalfunctie vanuit, die debenodigde capaciteit mede zal beperken. Met het oog op efficiënte inzetvan capaciteit is het daarom ook wenselijk dat bij inwerkingtreding vanhet wetsvoorstel gelijktijdig een bewustwordingscampagne wordtgehouden. Ook de keuze van initiatiefnemers om met de nota vanwijziging het delict aan te merken als klachtdelict draagt bij aan efficiënteinzet van politiecapaciteit.Ten overvloede wijzen initiatiefnemers erop dat ook bij andere (nieuwe)strafbare feiten die plaatsvinden in het digitale domein, dezelfde uitda-gingen spelen ten aanzien van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid,maar dat ook in die gevallen die uitdagingen geen reden zijn geweest omniet tot strafbaarstelling over te gaan. Voorbeelden daarvan zijn onlineoplichting, bedreiging of (online) zedendelicten.Gezien het doel van onderhavige wet en de daarvoor naar verwachtingrelatief geringe benodigde capaciteit voor handhaving, achten initiatief-nemers het strafbaar stellen van het openbaar maken van de gewraaktebeelden wenselijk en proportioneel.2.7 Artikel 139i, derde lid, Wetboek van Strafrecht De leden van de PVV-fractie vragen waarom de uitzonderingen op destrafbaarheid niet uitgebreider zijn omschreven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1030 Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers hebben als strafuitsluitingsgrond opgenomen dat degenedie te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang hetopenbaar maken of verder verspreiden van de beelden vereiste, nietstrafbaar is. Met deze strafuitsluitingsgrond wordt beoogd ruimte te latenvoor uitzonderlijke situaties waarin het handelen, gelet op de concreteomstandigheden, gerechtvaardigd kan zijn.Het is op voorhand niet mogelijk en ook niet wenselijk om in de wet zelfuitputtend vast te leggen wat exact onder het algemeen belang in hetkader van dit wetsvoorstel moet worden verstaan. Het opnemen van eenlimitatieve opsomming zou het risico met zich brengen dat gerechtvaar-digde gevallen buiten de reikwijdte van de uitzondering vallen, terwijltegelijkertijd ongewenste ontwijkconstructies kunnen ontstaan.De beoordeling of in een concreet geval sprake is van een gerecht-vaardigd beroep op het algemeen belang, vergt een zorgvuldige wegingvan de feiten en omstandigheden en is uiteindelijk aan het OpenbaarMinisterie en de rechter. Daarbij geldt dat de strafuitsluitingsgrondterughoudend moet worden toegepast. Niet iedere subjectieve inschattingvolstaat; vereist is dat degene die de beelden openbaar maakt ofverspreidt te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het handelennoodzakelijk en proportioneel was ter behartiging van een daadwerkelijkalgemeen belang.Initiatiefnemers denken in dit verband met name aan situaties waarinbeelden openbaar worden gemaakt met het oog op het bijdragen aan deopsporing van een dader of het (journalistiek) aan de orde stellen van eenernstige misstand.De leden van de NSC-fractie merken op dat, waar het gaat om de frase«dat wanneer iemand te goeder trouw aanneemt dat het algemeen belanghet openbaar maken vereiste», wordt verwezen naar andere strafbepa-lingen waar deze frase aan is ontleend. Kunnen de initiatiefnemersaangeven hoe de praktijk er omtrent die bepalingen uitziet en daarbijspecifiek ingaan op de bewijsbaarheid hiervan?Antwoord van de initiatiefnemers:Met de bepaling dat er geen sprake is van strafbaarheid in het geval datiemand te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belanggediend was met het openbaar maken en delen van beelden, wordtaangesloten bij soortgelijke bepalingen in het Wetboek van Strafrecht(artikelen 139g, tweede lid, artikel 261, derde lid en 273, tweede lid). In dejurisprudentie is de uitleg van «goede trouw» en «algemeen belang» metname in de context van artikel 261 (smaad) Sr aan de orde geweest.Zonder daar een uitputtend overzicht te kunnen geven, verwijzeninitiatiefnemers hieronder naar een aantal uitspraken waarbij het al danniet kunnen aannemen van de goeder trouw en het dienen van hetalgemeen belang een rol speelden.In een recente uitspraak uit 20255 , in het kader van een beoordeling vansmaad ex artikel 261, derde lid, Sr, heeft een verdachte talloze schadelijkeberichten op sociale media geplaatst. De rechter oordeelt in die zaak datgeen sprake is van goeder trouw en dat de plaatsing van die schadelijkeberichten het algemeen belang niet dient, omdat met de plaatsing van debetreffende berichten de integriteit van anderen dermate werd5ECLI:NL:GHARL:2025:2401Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1031 geschonden dat daarmee geen redelijk (maatschappelijk) doel werdgediend. In de conclusie geeft de advocaat-generaal6 aan de hand van deparlementaire geschiedenis en literatuur een nadere invulling aan debegrippen «goeder trouw» en «algemeen belang». Zo stelt hij dat met hetdienen van het algemeen belang wordt uitgedrukt dat de verdachte tegoeder trouw heeft mogen aannemen dat hiermee een hoger belang wasgediend dan zijn eigen belang. Bij de beoordeling of het algemeen belangde uitingen eiste, spelen de vereisten van proportionaliteit en subsidia-riteit een rol, aldus de Advocaat-Generaal.Dat proportionaliteit en subsidiariteit belangrijke gezichtspunten zijn bij deinvulling van het begrip «algemeen belang», volgt ook uit een eerderesmaadzaak. Daarin deed de situatie zich voor dat een verdachte een grootaantal mensen op hoogte meende te moeten stellen van het feit dat eenpersoon hem meer dan tien jaar geleden mishandeld had. In die zaakwerd door de rechter geoordeeld dat deze mededeling niet in hetalgemeen belang was, omwille van redenen van proportionaliteit ensubsidiariteit.Uit een andere smaad-zaak7 uit 2015 volgt dat bij de invulling van «goedertrouw» ook de vergelijking wordt gemaakt met de «normaal en redelijkdenkende mens». In die zaak werd namelijk gesteld dat een pleger vansmaad zich alleen dan met succes op goed trouw kan beroepen, «indienen voor zover hij zich gedraagt zoals een normaal mens die in de positievan de pleger verkeert». En: Van handelen in het algemeen belang is naargeldende rechtspraak slechts sprake, wanneer de inhoud en de aard vande beschuldiging proportioneel is». In deze zaak oordeelde de rechter datde beklaagde met zijn uitingen te goeder trouw op grond van de vrijheidvan meningsuiting, in het algemeen belang, een bijdrage geleverd heeftaan het publieke debat. In dit geval was er daarom geen sprake vanstrafbaarheid.Voor zover er enige conclusies kunnen worden verbonden aan deniet-limitatieve opsomming van bovengenoemde jurisprudentie en zo eral een parallel met het voorliggend wetsvoorstel kan worden getrokken,mag ervan uit gegaan worden dat ook bij de strafuitsluitingsgrond in ditwetsvoorstel voor de uitleg van het begrip «goeder trouw» en «algemeenbelang» aangesloten zal moeten worden bij de omstandigheden van hetgeval. Daarbij gelden dat de eisen van proportionaliteit en subsidiariteitbelangrijke gezichtspunten zijn: «Voor het aannemen van het algemeenbelang dient te worden voldaan aan het vereiste dat degene die hetbepaalde feit ten laste legt een doel- en middelenafweging maakt: met debeschuldiging moet een redelijk doel zijn gediend en daarnaast moet zijnnagegaan of minder vergaande middelen dat doel kunnen bewerkstel-ligen»8.De leden van de D66-fractie zijn verheugd met de strafuitsluitingsgrondvoor beelden die zijn gemaakt voor het algemeen belang. Het filmen enopenbaar maken van beelden kan immers onder bijzondere omstandig-heden ook een legitiem doel dienen. Zo kan het maken van foto’s enfilmpjes de opsporing in sommige gevallen juist bevorderen, bijvoorbeeldomdat de dader in beeld is gebracht. De leden vrezen echter dat zelfs metde strafuitsluitingsgrond omstanders in de toekomst terughoudender zijnmet het maken van filmpjes en foto’s van een dader uit angst om vervolgdte worden. Bijvoorbeeld omdat zij niet op de hoogte zijn dat filmen in dátgeval wel legaal is. Hebben de initiatiefnemers nagedacht over het effect6ECLI:NL:PHR:2017:1587 – Parket bij de Hoge Raad, 28-11-2017/16/035117ECLI:NL:GHAMS:2015:32978ECLI:NL:GHAMS:2024:991Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1032 op de opsporing als omstanders het gevoel hebben niet langer te mogenfilmen? Hoe denken de initiatiefnemers dit negatieve effect het beste tekunnen voorkomen?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen de leden van de D66-fractie naar het antwoordop vragen van de leden van de VVD-fractie over een mogelijk «chillingeffect»4. Uitvoerings- en financiële consequenties De leden van de PVV-fractie vragen of het voorgestelde verbod welafdoende is te handhaven. De leden van de VVD-fractie zien in dememorie van toelichting dat de initiatiefnemers stellen dat de nieuwestrafbaarstelling de politie helpt om in sommige gevallen efficiënter tekunnen handhaven. Kunnen de initiatiefnemers deze stelling nadertoelichten en uitleggen waar deze stelling op is gebaseerd?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers verwijzen de leden van de PVV-fractie en VVD-fractie naarbovenstaand antwoord op vergelijkbare vragen van de leden van deBBB-fractie. Daarbij wijzen initiatiefnemers deze leden erop dat met denota van wijziging de strafbare gedraging is aangemerkt als klachtdelict,hetgeen de effectieve inzet van politiecapaciteit ten goede komt.De leden van de D66-fractie stellen vast dat de handhavingscapaciteit ophet internet en sociale media op dit moment veelal tekortschiet. De grotehoeveelheid aan illegale content is oneindig en er zijn maar weinigmensen om deze content daadwerkelijk op te sporen en te verwijderen.Daar komt bij dat dergelijke werkzaamheden soms veel van werknemersvragen. Hoeveel (extra) capaciteit verwachten de initiatiefnemers nodig tehebben om de onlineopsporing en vervolging onder het wetsvoorsteleffectief te laten zijn? Is dit haalbaar?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de constatering van de leden van de D66-fractie datde handhavingscapaciteit op het internet en sociale media onder drukstaat en dat het niet realistisch is om alle online misdrijven actief op tesporen en te vervolgen. Ook bij de handhaving van dit wetsvoorstel zalprioritering noodzakelijk blijven.Het is op voorhand niet mogelijk om een concrete inschatting te makenvan de (extra) capaciteit die nodig is voor de opsporing en vervolging vanstrafbare feiten onder dit wetsvoorstel. Initiatiefnemers achten dat ookniet wenselijk, omdat de inzet van capaciteit in belangrijke mate afhan-kelijk zal zijn van de aard en ernst van individuele zaken en van de keuzesdie het Openbaar Ministerie en de politie maken binnen de beschikbaremiddelen.Met de nota van wijziging is er bewust voor gekozen het delict vorm tegeven als klachtdelict. Dit betekent dat opsporing en vervolging alleen aande orde zijn wanneer het slachtoffer of diens nabestaanden daartoeaanleiding zien. Deze keuze draagt ertoe bij dat de handhaving zich kanrichten op zaken waarin daadwerkelijk behoefte bestaat aan strafrechtelijkoptreden en voorkomt dat schaarse opsporingscapaciteit wordt ingezet opzaken waarin dat door de betrokkenen niet wenselijk wordt geacht.Daarnaast wijzen initiatiefnemers erop dat de regering onderkent datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1033 criminaliteit zich in toenemende mate in het digitale domein afspeelt endat versterking van de digitale opsporing noodzakelijk is. In dat kaderwordt geïnvesteerd in het uitbreiden van digitale expertise en de wervingen opleiding van gespecialiseerde rechercheurs. Het voorliggendewetsvoorstel sluit aan bij deze bredere inzet door een duidelijke norm testellen die gericht en proportioneel kan worden gehandhaafd.Initiatiefnemers achten het wetsvoorstel daarmee uitvoerbaar en haalbaarbinnen de bestaande en voorgenomen inzet op digitale opsporing,waarbij het strafrecht selectief en met oog voor capaciteit wordt ingezet.De leden van de D66-fractie erkennen net als de indieners dat het delen enverspreiden van beeldmateriaal makkelijker is gemaakt door het interneten sociale media. Zo speelden sociale media ook een grote rol in devoorbeelden genoemd door de initiatiefnemers als aanleiding van hetwetsvoorstel. Deze leden stellen echter dat veel personen gebruikmakenvan anonieme onlineaccounts en dat schadelijke en strafbare contentgemakkelijk onder anonimiteit kan worden geüpload. Hoe denken deinitiatiefnemers over de effectiviteit van de strafbaarstelling in het kadervan onlineaccounts? Is de strafbaarstelling niet gemakkelijk te omzeilendoor een anoniem account aan te maken? Wat vraagt dit van deopsporing?Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de constatering van de leden van de D66-fractie dathet gebruik van anonieme onlineaccounts de opsporing van strafbarefeiten op internet kan bemoeilijken. Dat geldt niet alleen voor hetonderhavige wetsvoorstel, maar voor een breed scala aan online strafbaregedragingen. Anonimiteit kan de drempel tot ongewenst gedrag verlagen,maar vormt geen vrijbrief voor straffeloosheid. Initiatiefnemers wijzenerop dat de strafbaarstelling niet uitsluitend is gericht op het vollediguitbannen van het gedrag, maar ook een duidelijke norm stelt over watmaatschappelijk onaanvaardbaar is. Ook indien opsporing in individuelegevallen complex is, heeft de strafbaarstelling een normerende enpreventieve werking.Met de nota van wijziging is het delict vormgegeven als klachtdelict. Ditbetekent dat opsporing en vervolging plaatsvinden op initiatief van hetslachtoffer of diens nabestaanden. Daarmee wordt de inzet van opspo-ringscapaciteit gericht op zaken waarin daadwerkelijk behoefte bestaataan strafrechtelijk optreden, wat de effectiviteit van handhaving vergroot,ook in een online context waarin anonimiteit een rol speelt.Voor de opsporing kunnen de politie en het Openbaar Ministeriegebruikmaken van bestaande digitale opsporingsbevoegdheden op grondvan het Wetboek van Strafvordering. Daarbij kan, afhankelijk van deomstandigheden van het geval, worden onderzocht wie achter eenanoniem account schuilgaat. Initiatiefnemers erkennen dat dit niet in allegevallen mogelijk zal zijn, maar achten dit geen reden om af te zien vanstrafbaarstelling. Daarnaast benadrukken initiatiefnemers dat de strafrech-telijke aanpak niet op zichzelf staat. Waar identificatie van anoniemeverspreiders niet mogelijk of niet proportioneel is, kunnen andereinstrumenten, zoals het offline laten halen van content en het tegengaanvan verdere verspreiding, bijdragen aan het beperken van schade voorslachtoffers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1034 Initiatiefnemers zijn van oordeel dat het wetsvoorstel, ook in een onlineomgeving waarin anonimiteit voorkomt, een betekenisvolle enuitvoerbare bijdrage levert aan de bescherming van slachtoffers, waarbijvan de opsporing een gerichte en proportionele inzet wordt gevraagd.De leden van de CDA-fractie gaan graag wat dieper in op de verantwoor-delijkheid van socialmediaplatforms. In de visie van deze leden hebbendeze platforms een grote verantwoordelijkheid om de verspreiding vanillegale en onwenselijke content tegen te gaan. Deze leden vragen of ermet dit voorstel iets wijzigt aan de verantwoordelijkheid van socialmedia-platforms. Met andere woorden, als dit voorstel wordt aangenomen, ligter dan ook een verplichting bij deze platforms om de (verdere)verspreiding van deze beelden tegen te gaan? Deze leden vragen welkemogelijkheden de initiatiefnemers zien om deze platforms meer verant-woordelijkheid te laten dragen op dit punt.Antwoorden van initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de opvatting van de leden van de CDA-fractie datonline platforms een belangrijke verantwoordelijkheid hebben bij hettegengaan van de verspreiding van illegale en schadelijke content. Hetvoorliggende wetsvoorstel brengt echter op zichzelf geen wijziging aan inde verantwoordelijkheden die voor sociale-mediaplatforms gelden.De verplichtingen van platforms om illegale content tegen te gaan vloeienprimair voort uit bestaande Europese regelgeving, in het bijzonder deDigital Services Act (DSA). Deze verordening verplicht platforms ondermeer om te beschikken over toegankelijke meldingsmechanismen voorillegale content en om, zodra zij kennis hebben van dergelijke content,passend op te treden. De DSA bepaalt daarbij niet zelf welke contentillegaal is; die kwalificatie volgt uit het nationale recht.Met het voorliggende wetsvoorstel, zoals gewijzigd bij nota van wijziging,wordt het zonder gerechtvaardigd doel openbaar maken en verderverspreiden van beelden van personen die dringend hulp behoeven of zijnoverleden strafbaar gesteld. Voor zover dergelijke beelden onder dezestrafbaarstelling vallen, kunnen zij daarmee ook als illegale content in dezin van de DSA worden aangemerkt. Dit betekent dat bestaandeDSA-verplichtingen voor platforms ook op deze categorie content vantoepassing kunnen zijn, zonder dat daarvoor aanvullende verplichtingenin dit wetsvoorstel worden geïntroduceerd.Initiatiefnemers benadrukken dat de strafbaarstelling is vormgegeven alsklachtdelict. Strafrechtelijk optreden tegen openbaarmakers en verdereverspreiders vindt daarmee plaats op initiatief van het slachtoffer of diensnabestaanden. De rol van platforms blijft beperkt tot hun bestaandeverantwoordelijkheid om, na kennisneming, illegale content te verwij-deren of verdere verspreiding tegen te gaan.Initiatiefnemers zien het als een taak van de wetgever op Europees niveauom, waar nodig, het platformregime verder te ontwikkelen. Het onder-havige wetsvoorstel richt zich primair op normstelling en individueleaansprakelijkheid en beoogt niet vooruit te lopen op mogelijke aanpas-singen van het Europese kader. In die zin vullen het nationale strafrecht ende platformverplichtingen onder de DSA elkaar aan, ieder vanuit eeneigen verantwoordelijkheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1035 5. Consultatie De leden van de VVD-fractie hebben enkel het advies van het OM geziendat was toegevoegd bij de memorie van toelichting. Kunnen de overigeuitgebrachte adviezen, zoals het advies van de politie, ook wordentoegevoegd bij het verschijnen van de nota naar aanleiding van hetverslag? En, zo ja, kunnen de initiatiefnemers aangeven of de politie hetwetsvoorstel zoals dat nu voorligt, steunt?Antwoord van de initiatiefnemers:De overige adviezen zijn inmiddels openbaar gemaakt. De politie vindt heteen sympathiek voorstel, maar heeft enkele zorgen over de handhaaf-baarheid. Initiatiefnemers hebben, onder meer naar aanleiding van zorgenvan de politie, de keuze gemaakt het delict vorm te geven als klachtdelict.Initiatiefnemers zijn ervan overtuigd dat hiermee schaarse capaciteit vande politie efficiënter kan worden ingezet. Dit komt ook de handhaaf-baarheid ten goede.De leden van de VVD-fractie vragen naar aanleiding van de opmerkingenvan de NVvR of de initiatiefnemers bereid zijn om het begrip «algemeenbelang» nader toe te lichten in de context van het wetsvoorstel. Dezeleden vragen ook of de initiatiefnemers bekend zijn met jurisprudentieover wat het algemeen belang vergt en hoe de definitie van het algemeenbelang wordt ingekleurd in de jurisprudentie in het strafrecht, bijvoor-beeld naar aanleiding van uitspraken over de toepassing van deartikelen 139g, 261 en 273 Sr.Antwoord van de initiatiefnemers:De initiatiefnemers verwijzen de leden van de VVD-fractie naar boven-staande antwoorden op een vergelijkbare vraag van de leden van deBBB-fractie.De leden van de NSC-fractie hebben vragen omtrent de handhaafbaarheidvan de voorgestelde strafbepaling. De politie geeft bijvoorbeeld aanproblemen te voorzien als het gaat om handhaafbaarheid. Een van dieproblemen is volgens de politie dat de opsporingsmogelijkheden beperktzullen zijn, omdat niet alle bevoegdheden zullen mogen worden ingezet.Kunnen de initiatiefnemers – onder andere naar aanleiding van deinzichten van de politie, maar ook breder – nader reflecteren op dehandhaafbaarheid van het verbod?Antwoord van de initiatiefnemers:De initiatiefnemers verwijzen de leden van de NSC-fractie naar hetbovenstaande antwoord op vragen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie lezen in de consultatie van de Nederlandseorde van advocaten (NOvA) het advies om het bestanddeel «wederrech-telijk» toe te voegen aan de strafbaarstelling, omdat anders in een gevalwaarin het slachtoffer zelf van mening is dat hij een ander belang groteracht dan de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, hijzelf eenstrafbaar feit begaat door goedkeuring te geven aan publicatie van debeelden. De initiatiefnemers geven aan dat zij deze aanbeveling niethebben opgevolgd om een extra drempel om tot strafbaarheid te komente voorkomen. Hiermee is de situatie zoals geschetst door de NOvA echterniet weggenomen. Kunnen de initiatiefnemers aangeven hoe een persoondie een ander belang groter acht dan zijn eigen privacy, en dusgoedkeuring geeft, onder de huidige strafbaarstelling valt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1036 Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers hebben kennisgenomen van het advies van de Neder-landse orde van advocaten om het bestanddeel «wederrechtelijk» op tenemen in de strafbaarstelling. Naar aanleiding van dit advies en de vragenvan de leden van de D66-fractie hebben initiatiefnemers in de nota vanwijziging ervoor gekozen dit bestanddeel alsnog toe te voegen.Met het opnemen van het bestanddeel «wederrechtelijk» wordt verduide-lijkt dat geen sprake is van strafbaarheid indien het slachtoffer zelf instemtmet het openbaar maken of verder verspreiden van de beelden, omdat indat geval het handelen niet wederrechtelijk is. Daarmee wordt voorkomendat een slachtoffer dat bewust een ander belang zwaarder laat wegen dande bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, zichzelf of anderenstrafbaar zou maken door toestemming te verlenen voor publicatie.Initiatiefnemers achten deze oplossing passend, omdat hiermee rechtwordt gedaan aan de autonomie van het slachtoffer, terwijl tegelijkertijdde strafbaarstelling haar normerende werking behoudt voor situatieswaarin zonder toestemming en zonder gerechtvaardigd doel beeldenworden openbaar gemaakt of verspreid. Het toevoegen van hetbestanddeel «wederrechtelijk» maakt bovendien expliciet dat alleenonrechtmatige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer onder destrafbaarstelling vallen. Initiatiefnemers zijn van oordeel dat met dezeaanpassing de door de NOvA gesignaleerde problematiek en de zorgenvan de leden van de D66-fractie op zorgvuldige wijze zijn weggenomen.De leden van de CDA-fractie achten het van belang dat zowel voorhulpverleners als voor (112-)journalisten, die elkaar vaak tegenkomen bijincidenten, helder is wat de regels zijn en wat wel en niet is toegestaan.Deze leden vragen de initiatiefnemers of zij dit delen en welke mogelijk-heden zij zien om hier aandacht aan te besteden.Antwoord van de initiatiefnemers:Initiatiefnemers delen de opvatting van de leden van de CDA-fractie dathet van groot belang is dat voor hulpverleners, (112-)journalisten enandere professionals die bij incidenten aanwezig zijn, helder is wat wel enniet is toegestaan onder het voorliggende wetsvoorstel. Juist omdat dezegroepen elkaar in de praktijk vaak tegenkomen op plaatsen waarslachtoffers zich in een kwetsbare situatie bevinden, is duidelijkenormstelling en communicatie essentieel.Initiatiefnemers benadrukken dat het wetsvoorstel zich niet richt tegen hetverrichten van hulpverlening of het verrichten van journalistiek werk alszodanig. Integendeel: het bieden van hulp aan slachtoffers en hetzorgvuldig informeren van het publiek zijn van groot maatschappelijkbelang. Het wetsvoorstel is gericht op het zonder gerechtvaardigd doelopenbaar maken of verder verspreiden van beelden van slachtoffers enbeoogt geen belemmering te vormen voor professionele, zorgvuldigeverslaggeving of hulpverlening.Om ervoor te zorgen dat de regels in de praktijk goed worden begrepen,zien de initiatiefnemers een belangrijke rol weggelegd voor publieks- envoorlichtingscampagnes. Daarbij kan expliciet aandacht worden besteedaan de reikwijdte van het wetsvoorstel, aan het onderscheid tussengerechtvaardigd en ongerechtvaardigd gebruik van beeldmateriaal en aande bijzondere positie van hulpverleners en journalisten. Ook kan wordenaangesloten bij bestaande beroepscodes, richtlijnen en opleidingen, zoalsdie gelden voor hulpdiensten en journalistieke beroepsgroepen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1037 Initiatiefnemers achten het wenselijk dat deze voorlichting niet alleengericht is op het brede publiek, maar ook specifiek op professionals dieregelmatig met dit soort situaties te maken hebben. Daarmee kan wordenbijgedragen aan rechtszekerheid, zorgvuldige beroepsuitoefening en hetvoorkomen van onbedoelde overtredingen, terwijl tegelijkertijd debescherming van slachtoffers centraal blijft staan.De voorzitter van de commissie,EerdmansAdjunct-griffier van de commissie,MeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 381, nr. 1038

Bron, video en gesprek →