KamerkringInloggen
Joost Eerdmans

Officieel Kamerprofiel

Joost Eerdmans

JA21 →
0debatten
1.202bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: JA21 (2021-03-31–heden) · Groep Eerdmans-van Schijndel (2006-09-25–2006-11-29) · LPF (2002-05-23–2006-09-24) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
29 sep 2026 · Kamerstuk

32317 JBZ-Raad Verslag van een schriftelijk overleg De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd over de volgende brieven: Geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad, 1-2 oktober 2026 (2026Z19433); Antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (algemeen deel) (Kamerstuk 32317, nr. 1019) Verslag JBZ-Raad 16-17 juli 2026 en tweede kwartaaloverzicht wetgevende voorstellen (Kamerstuk 32317, nr. 1023); Fiche: Wijziging Verordening gegevensbescherming voor Europese instellingen (EUVG) (Kamerstuk 22112, nr. 4420); Fiche: Herziening van de richtlijn betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Kamerstuk 22112, nr. 4419). Bij brief van … heeft de minister van Justitie en Veiligheid de vragen en gemaakte opmerkingen beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. De voorzitter van de commissie, Eerdmans Adjunct-griffier van de commissie, Nouse Inhoudsopgave I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties blz. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 2 Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 3 II Reactie van de minister 4 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 1-2 oktober 2026 en de geagendeerde BNC-fiches. Deze leden stellen nog enkele vragen over de geannoteerde agenda en de twee BNC-fiches.  Implementatie strategisch kader van de EU inzake drugs: drugsgerelateerde intimidatie De leden van de VVD-fractie lezen dat de minister tijdens de JBZ-Raad ervaringen zal delen en zal oproepen tot voortzetting van nauwe EU-samenwerking op het gebied van drugsgerelateerde intimidatie. Kan de minister concreet aangeven welke Nederlandse ervaringen en lessen hij zal inbrengen?  Voor het kabinet blijft de aanpak van georganiseerde drugshandel topprioriteit. De gebeurtenissen in Nederland de afgelopen weken laten zien dat druggerelateerd geweld en druggerelateerde intimidatie ook hier bekend zijn. Wel is het belangrijk om te blijven benadrukken dat dit niet de enige manier is waarop drugscriminaliteit de maatschappij ernstige schade toebrengt. Er ontstaat ook veel ernstige schade die niet direct zichtbaar is, zoals het recent verschenen Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland ook heeft aangetoond. Het kabinet zal tijdens de JBZ-Raad eigen ervaringen delen, zoals de mainportsaanpak, preventie met gezag en de anti-corruptie strategie. Daarbij zal het kabinet wijzen op het belang van een maatschappijbrede benadering en oproepen tot de voortzetting van nauwe EU-samenwerking. De leden van de VVD-fractie constateren dat het uitwisselen van ervaringen met betrekking tot de aanpak van georganiseerde misdaad nuttig kan zijn. Dat neemt niet weg dat daarnaast ook concrete Europese maatregelen nodig zijn die verder gaan dan het uitwisselen van ervaringen. Is de minister bereid zich bij de JBZ-Raad in te zetten voor strengere Europese regels tegen het ronselen van minderjarigen voor criminele netwerken? Het kabinet zet zich in voor strengere Europese regels tegen het ronselen van minderjarigen voor criminele netwerken. Momenteel lopen meerdere initiatieven om te verkennen of strengere Europese regelgeving tegen het ronselen van minderjarigen door criminelen nodig is. Zo reguleert de Digital Services Act (DSA) digitale platformen en online diensten in Europa. Sinds 17 februari 2024 is de DSA volledig van kracht voor alle aanbieders van online diensten die onder deze EU-verordening vallen. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijk moment om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. Daarnaast is in het meerjarige actieplan van de coalitie tegen georganiseerde misdaad van acht landen (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Nederland, Zweden en Portugal) het tegengaan van online rekrutering opgenomen. De initiators van dit actiepunt zijn Duitsland, Nederland, Zweden en Spanje. Hierbij ligt de nadruk op het ontwerpen dan wel uitbreiden van een wettelijk raamwerk, online regulering en de toepassing van de DSA. Samen met deze landen zal een verdere samenwerking op dit thema worden opgezet en wordt bekeken welke mogelijkheden tot strengere Europese wetgeving nodig zijn. Voorts wordt in februari 2027 een voorstel voor de herziening van het Kaderbesluit tegen georganiseerde criminaliteit uit 2008 verwacht. Hierin wordt ook de strafbaarstelling en definitie van een criminele organisatie meegenomen en de verplichting dat lidstaten deze dusdanig strafbaar moeten stellen in hun strafrecht. Mogelijk wordt in het voorstel van de Commissie ook het zwaarder bestraffen van criminele organisaties wanneer zij minderjarigen ronselen meegenomen. Is de minister voorts bereid zich in te zetten voor strengere handhaving richting online platforms waar geweldsopdrachten worden uitgezet? De online wereld beperkt zich niet tot de landsgrenzen. Het kabinet zet zich daarom op Europees niveau in voor strengere handhaving richting online platforms waar geweldsopdrachten worden uitgezet. Daar waar het illegale content betreft en een online aanbieder kwalificeert als online platform onder de Digital Services Act (DSA), dient deze illegale content te verwijderen zodra hij hier kennis van krijgt. Zoals eerder beschreven, wordt op dit moment de DSA geëvalueerd. De staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen. En hoe zit het met de gezamenlijke Europese aanpak van zware explosieven en illegaal vuurwerk die veelvuldig door criminelen worden gebruikt? Kan de minister daar de laatste stand van zaken geven?  In nauwe samenwerking met Frankrijk heeft Nederland zich de afgelopen jaren actief en gericht ingezet om de aanpak van illegale handel, misbruik en non-conformiteit van vuurwerk hoger op de Europese agenda te krijgen. Nederland en Frankrijk hebben hierin nadrukkelijk een agenderende en aanjagende rol vervuld, onder andere middels een gezamenlijk non-paper voor aanscherping van de Europese Pyrotechniekrichtlijn. Deze inzet heeft inmiddels geleid tot de aankondiging door de Commissie dat de regelgeving voor pyrotechnische artikelen en civil use of explosives (CIVEX) gezamenlijk zal worden herzien. In de komende maanden wordt hiervoor een impact assessment uitgevoerd, waarna de Commissie voornemens is eind 2027 met een wetgevingsvoorstel te komen. Nederland zal dit traject actief blijven beïnvloeden, in nauwe samenwerking met nationale partners en gelijkgezinde lidstaten. Daarnaast wordt vanuit het nationale Offensief Tegen Explosies (OTE) ingezet op het verstoren van de gehele illegale keten: van productie en transport tot opslag en handel. Daarmee wordt niet alleen de aanpak van illegale explosieven versterkt, maar wordt ook de beschikbaarheid van illegaal en zwaar vuurwerk rechtstreeks teruggedrongen. De opsporing van illegale vuurwerkhandel is geïntensiveerd, onder meer door samenwerking met de post- en pakketsector. Daarnaast voert de politie extra (online) acties uit om de verkoop van zwaar vuurwerk via webshops en andere digitale kanalen aan te pakken. Een belangrijk concreet resultaat van deze intensivering is de start van een Operational Taskforce (OTF) bij Europol, waarin Duitsland, Zweden en Nederland gezamenlijk optrekken in grensoverschrijdende opsporingsonderzoeken naar illegale handel en de daaraan verbonden netwerken. Hiermee wordt de internationale opsporingssamenwerking structureel versterkt. Ook in de grensregio’s wordt de operationele samenwerking verder opgevoerd. Zo werken Nederland, Duitsland en België binnen het Benelux-overleg samen in de werkgroep Heavy Fireworks, waarin concrete afspraken worden gemaakt over informatie-uitwisseling, gezamenlijke handhaving en het gezamenlijk aanpakken van grensoverschrijdende illegale vuurwerkstromen. Ook wordt de samenwerking met Duitsland verder uitgebouwd, zoals door het ISF-Lumen Expanded project dat zich specifiek richt op de bestrijding van illegale vuurwerkhandel in de grensregio. De leden van de VVD-fractie vragen of de minister bereid is, net als tijdens de informele JBZ-Raad in juli, te pleiten voor een Commissievoorstel om sancties op te leggen aan derde landen die niet meewerken aan de aanpak van de georganiseerde misdaad, zoals Sierra Leone. De Externe Dienst voor Extern Optreden (EDEO) en de Commissie hebben afgelopen juli een voorstel gepubliceerd voor een sanctieregime voor georganiseerde criminaliteit. Het omvat de fenomenen mensenhandel, mensensmokkel, illegale wapenhandel, drugscriminaliteit en witwassen. Het betreft een thematisch regime, niet een geografisch regime dat op een land gericht is. Onder dit regime kunnen straks personen en entiteiten op de sanctielijst geplaatst worden die verantwoordelijk zijn voor onwettige activiteiten, die activiteiten plannen, aansturen, implementeren, steunen, financieren, faciliteren of er materieel of financieel van profiteren, leidende leden zijn van de entiteiten die zijn gelist, en personen en entiteiten die met de eerder genoemde personen of entiteiten geassocieerd zijn. Sanctionering leidt tot het bevriezen van de banktegoeden in de Europese Unie van geliste personen en entiteiten, een verbod op het aan hen ter beschikking stellen van geld of economische middelen en een inreisverbod voor de natuurlijke personen. Tijdens de JBZ-Raad zal Nederland een oproep doen om snelle voortgang te maken met de onderhandelingen over dit regime. Welke drukmiddelen acht de minister het meest effectief in EU-verband en wanneer kunnen die worden ingezet?  In de conclusies van de Europese Raad van 18 en 19 juni jl. is op initiatief van Nederland opgeroepen om actie te ondernemen tegen derde landen die drugscriminelen herbergen en zich niet houden aan internationale verplichtingen.[voetnoot 1] Naast diplomatieke druk pleit Nederland voor het stopzetten van EU-ontwikkelingssamenwerking aan de overheid van Sierra Leone, als onderdeel van een breed pakket aan maatregelen. Europees Openbaar Ministerie (EOM)  De leden van de VVD-fractie lezen dat de JBZ-Raad wordt bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het EOM. In juli heeft de minister aangegeven dat de evaluatie van de EOM-verordening medio juli zou verschijnen. Is die evaluatie inmiddels verschenen? Wanneer ontvangt de Kamer de kabinetsappreciatie? De evaluatie van de EOM-verordening is uiteindelijk op 18 september jl. gepubliceerd. Het kabinet heeft inmiddels van de evaluatie kennis genomen. Zo lang er nog geen wetgevend voorstel voor aanpassing van de EOM-verordening is, noch een impact assessment dat daarvoor de basis vormt, zal er geen appreciatie van de evaluatie worden gegeven. Zodra er een dergelijk voorstel is, zal uw Kamer daarvan een appreciatie ontvangen via de gebruikelijke weg, de kabinetsappreciatie. Ten aanzien van de agendering van dit onderwerp, kan gemeld worden dat het Ierse Voorzitterschap het agendapunt ‘ontwikkelingen EOM’ van de agenda van deze JBZ-Raad heeft gehaald. Het BNC-fiche over de Wijziging Verordening gegevensbescherming voor Europese instellingen (EUVG) stelt dat het voorstel vooruitloopt op de herziening van de EOM-verordening. Kan de minister bevestigen dat daarmee geen onomkeerbare stappen worden gezet richting uitbreiding van het mandaat van het EOM zolang de Kamer daar niet vooraf over wordt geconsulteerd?  Het kabinet kan bevestigen dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet richting uitbreiding van het mandaat van het EOM zolang de Kamer daar niet vooraf over wordt geconsulteerd. Het voorstel voor aanpassing van de EUVG heeft geen betrekking op het mandaat van het EOM, maar enkel op de gegevensbeschermingsbepalingen die voor het EOM van toepassing zouden worden als het voorstel wordt goedgekeurd. Het kabinet zal uw Kamer op de hoogte stellen van een eventueel voorstel tot uitbreiding van het mandaat van het EOM, zoals bij eerdere gelegenheden is aangegeven onder verwijzing naar de motie Van Dam/Van Toorenburg[voetnoot 2]. Herziening van de Eurojust-verordening De leden van de VVD-fractie constateren dat de JBZ-Raad spreekt over de herziening van de Eurojust-verordening. Welke onderdelen van het voorstel voor de herziening van de Eurojust-verordening heeft voor de minister de hoogste prioriteit in de onderhandelingen? Welke onderdelen vindt de minister onwenselijk? Deze leden vragen ook of de minister kan toelichten welke concrete problemen er worden opgelost met een management board bij Eurojust. Ook vragen zij hoe de minister voorkomt dat een eventueel management board leidt tot extra bureaucratie. En blijft Nederland hier toch voor pleiten ondanks dat een aantal lidstaten heeft uitgesproken hier geen voorstander van te zijn?  De Commissie is van mening dat de introductie van een Management Board bij Eurojust de administratieve druk op het College zal verlichten zonder dat dit leidt tot minder efficiënte besluitvorming. De meeste lidstaten zijn daarvan echter nog niet overtuigd. Nederland heeft in eerste instantie een open houding aangenomen en is bereid de voor- en nadelen van de instelling van een Management Board te bespreken. Nu er onder lidstaten vrijwel geen steun is voor een Management Board, zal Nederland zich pragmatisch opstellen, maar daarbij blijven pleiten voor versterking van de governance bij Eurojust, in die zin dat het College zich voortaan zoveel mogelijk zal richten op operationele aangelegenheden en minder tijd zal besteden aan administratieve zaken. Voor een uitgebreide appreciatie van alle onderdelen van het voorstel voor de herziening van de Eurojust-verordening verwijst het kabinet naar het BNC-fiche dat u vrijdag 25 september jl. is toegekomen.[voetnoot 3] De leden van de VVD-fractie vragen voorts of er voldoende middelen en personeel zijn als het mandaat van Eurojust wordt uitgebreid naar cybercrime.  Het voorstel voor de herziening van de Eurojust Verordening voorziet in een uitbreiding van de capaciteit bij Eurojust met 87 fte die gerelateerd is aan de uitbreiding van het mandaat. Of die uitbreiding er daadwerkelijk komt, is echter uiteindelijk afhankelijk van de uitkomst van de onderhandelingen over de herziening van de Eurojust Verordening en het nieuwe Meerjarige Financieel Kader (MFK) van de EU. Bescherming van maatschappelijk middenveld en journalisten De leden van de VVD-fractie steunen de inzet van de minister ten aanzien van de bescherming van journalisten. Persvrijheid en veiligheid van journalisten is essentieel. Nederland heeft op 1 januari 2024 doxing strafbaar gesteld. Is de minister bereid tijdens de JBZ-Raad naar voren te brengen dat een grensoverschrijdende aanpak van doxing gewenst is, nu journalisten ook vaker vanuit het buitenland worden bedreigd? Is de minister bereid om in de JBZ-Raad alle lidstaten aan te sporen doxing strafbaar te stellen?  De persvrijheid en veiligheid van journalisten zijn essentiële onderdelen van onze democratische rechtsstaat. Daarom is het belangrijk dat journalisten hun werk vrij en veilig kunnen blijven uitvoeren. Er zou daarom geen ruimte moeten zijn voor doxing van journalisten, of van wie dan ook. Strafbare doxing is geen typisch Nederlands fenomeen en krijgt in meerdere landen, zowel binnen als buiten de EU, de nodige aandacht. In verschillende landen zijn reeds initiatieven genomen om dergelijke gedragingen strafbaar te stellen, waarbij de strekking en reikwijdte van de strafbepalingen per land verschillen. Daarnaast betekent doxing een inbreuk op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die in alle EU lidstaten geldt. Voor zover de verspreiding van de persoonsgegevens via platforms gebeurt, is ook de Digital Services Act (DSA) van toepassing. De DSA legt verplichtingen op aan platforms om maatregelen te nemen tegen illegale content. Bij grensoverschrijdende gevallen van doxing, zijn er bovendien reeds bestaande samenwerkingsverbanden waarin de opsporing op Europees niveau kan samenwerken. Gezien deze initiatieven is er op dit moment geen noodzaak voor een additionele aanpak op Europees niveau. Het kabinet blijft de ontwikkelingen echter nauwgezet volgen. BNC-fiche EUVG  De leden van de VVD-fractie lezen dat het toezicht van de European Data Protection Supervisor (EDPS) wordt uitgebreid naar alle operationele gegevens van Europol, Eurojust, Frontex en het EOM. Hoe voorkomt de minister dat het toezicht de operaties van deze organisaties gaat belemmeren? Artikel 95 van de bestaande Verordening blijft ook na de wijzigingsvoorstellen van kracht. Dit waarborgt dat bij het uitoefenen van de toezichthoudende taken rekening moet worden gehouden met de strikte vertrouwelijkheid die vereist is bij het opsporen en vervolgen van strafbare feiten, zodat lopende strafrechtelijke onderzoeken of politiële operaties niet worden verstoord of in gevaar gebracht. Deze leden vragen voorts of het na de voorziene wijziging makkelijker of juist moeilijker wordt voor Europol, Eurojust, Frontex en het EOM om gegevens uit te wisselen met relevante landen zoals in Latijns-Amerika. Het voorstel harmoniseert de regels voor internationale doorgiften van operationele persoonsgegevens voor alle betrokken EU organen, door deze zoveel mogelijk gelijk te trekken met die uit Richtlijn (EU) 2016/680 (de Richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving). Het kader wordt daarmee vooral eenduidiger en voorspelbaarder, maar een versoepeling van de toetsingscriteria voor doorgifte aan derde landen is er niet mee beoogd. De enige verandering ten opzichte van Richtlijn 2016/680 betreft de doorgifte aan een bevoegde autoriteit van een land dat is betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en dat de bepalingen van Richtlijn 2016/680 en de bepalingen betreffende de uitwisseling van informatie van Richtlijn (EU) 2023/977 ten uitvoer heeft gelegd en daadwerkelijk toepast. Klopt het dat alleen met toestemming van Nederland straks gegevens uit Nederland worden doorgegeven? Als de te delen operationele persoonsgegevens afkomstig zijn van een lidstaat, is voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van die lidstaat vereist, tenzij die lidstaat al algemene of specifieke toestemming voor die doorgifte heeft gegeven. In spoedeisende gevallen mag zonder voorafgaande toestemming worden doorgegeven, als dit strikt noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid van een lidstaat of derde land te voorkomen, of voor de wezenlijke belangen van een lidstaat, en de toestemming niet tijdig kan worden verkregen; de bevoegde autoriteit moet dan onverwijld worden geïnformeerd. BNC-fiche Europees Onderzoeksbevel (EOB)  De leden van de VVD-fractie hebben met instemming gelezen dat het voorstel grotendeels aansluit bij het eerder ingediende non-paper van Nederland, Duitsland en Frankrijk. Kan de minister aangeven hoeveel tijd een genotificeerde lidstaat krijgt om bezwaar te maken? En wat gebeurt er met gegevens die al zijn verkregen voordat een bezwaar binnenkomt? In het voorstel voor de herziening van de richtlijn betreffende het Europees onderzoeksbevel (EOB) is een nieuwe kennisgevingsprocedure opgenomen in artikel 34. Dit is in lijn met het ingediende non-paper van Nederland, Duitsland en Frankrijk om te voorzien in een kennisgevingsprocedure bij de inzet van onder andere peilbakens op voertuigen die zich naar andere lidstaten begeven. Deze procedure houdt in dat als technische apparaten waarmee locatie-, audio- of visuele gegevens kunnen worden verzameld (“technische registratieapparaten”) worden ingezet op het grondgebied van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat, en de toepassing daarvan vervolgens wordt voortgezet op het grondgebied van een andere lidstaat (zonder dat technische bijstand is vereist door de lidstaat op wiens grondgebied dat apparaat wordt gebruikt), die laatste lidstaat in kennis moet worden gesteld van het gebruik van zo’n apparaat. Een voorbeeld is een peilbaken dat wordt aangebracht op een auto in lidstaat A, die zich vervolgens verplaatst naar lidstaat B. De bevoegde autoriteit van de genotificeerde lidstaat (in het voorbeeld lidstaat B) kan gedurende 96 uur na ontvangst van die kennisgeving de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat ervan in kennis stellen dat het gebruik van het technisch registratieapparaat op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat moet worden beëindigd. Dat kan worden gedaan als het gebruik van dat apparaat in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan. In dat geval kan worden bepaald dat, waar nodig, gegevens die zijn verkregen op het moment dat de persoon op wie het technisch registratieapparaat betrekking heeft zich bevond op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat, niet mogen worden gebruikt en moeten worden gewist. Het kan ook zijn dat deze gegevens alleen mogen worden gebruikt onder de voorwaarden die de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat heeft bepaald. Wanneer er geen bezwaren zijn, kunnen de gegevens worden gebruikt. Is de minister bereid zich ervoor in te zetten dat die gegevens bruikbaar blijven als bewijs? De gegevens kunnen worden gebruikt als er geen bezwaar wordt gemaakt door de in kennis gestelde lidstaat. Wanneer er wel bezwaar wordt gemaakt door de in kennis gestelde lidstaat, kan de in kennis gestelde lidstaat de voorwaarden bepalen waaronder de reeds verkregen gegevens mogen worden gebruikt in de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat. De bevoegdheid is immers op zijn grondgebied uitgeoefend. Deze bepaling biedt de betrokken lidstaten ruimte om met elkaar in overleg te treden over het gebruik van de al verzamelde gegevens. De ervaringen van de werking van de Richtlijn EOB zijn in de praktijk positief en de justitiële autoriteiten weten elkaar goed te vinden. Dat blijkt ook uit de tiende ronde van de wederzijdse evaluatie. Dat geeft vertrouwen dat van deze mogelijkheden tot overleg goed gebruik kan worden gemaakt en voor de opsporing van belang zijnde gegevens niet onnodig moeten worden vernietigd. De regel dat de in kennis gestelde lidstaat – op wiens grondgebied de gegevens zijn verzameld – het laatste woord heeft over het gebruik van de gegevens, is wel van groot belang. Daarmee kan immers worden voorkomen dat bevoegdheden op het grondgebied van een lidstaat worden uitgeoefend, die die lidstaat zelf niet zou kunnen uitoefenen in een vergelijkbare binnenlandse zaak. Dat is logisch en wenselijk: als een andere lidstaat op Nederlands grondgebied bevoegdheden uitoefent in strijd met ons nationale recht, moet de opdracht kunnen worden gegeven de aldus verkregen gegevens te vernietigen. De leden van de VVD-fractie vragen of de minister kan toelichten hoe de nieuwe regeling van artikel 21 zich verhoudt tot het gebruik van grote gedeelde datasets, zoals EncroChat en Sky ECC, in andere onderzoeken. Maakt de regeling dat gebruik makkelijker, of komen er juist extra toestemmingsprocedures bij? Er verandert niets aan de bestaande mogelijkheden om een EOB uit te vaardigen om met het oog op de bewijsgaring de beschikking te krijgen over (reeds beschikbare) datasets die in een andere lidstaat zijn verkregen met de uitoefening van bevoegdheden aldaar. Artikel 21 van het voorstel voor de herziene richtlijn is nieuw en geeft een procedure voor informatie en bewijs die op basis van een EOB is verkregen, en die een lidstaat vervolgens wil gebruiken voor andere doeleinden dan die waarvoor de informatie of het bewijsmateriaal is verzameld of aan een andere lidstaat of derde staat wil doorgeven. Het voorstel beoogt deze mogelijkheid nu te vereenvoudigen, door te voorzien in één procedure. Lidstaten gaan hier nu verschillend mee om, zo blijkt ook uit de genoemde tiende ronde van de wederzijdse evaluatie. Het kabinet zal er aandacht voor vragen dat het beoogde doel van vereenvoudiging ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het kabinet zal dit doen door te wijzen op het belang van een praktisch werkbare en uniforme regeling. Welke gevolgen heeft het EncroChat-arrest van het Hof van Justitie voor de uitleg van de nieuwe regels over telecommunicatie en notificatie? In het zogenoemde EncroChat-arrest heeft het Hof van Justitie uitleg gegeven aan het begrip (interceptie van) telecommunicatie in de context van de Richtlijn EOB (C-670/22, punten 111-114). Daarin heeft het Hof van Justitie uiteengezet dat de term telecommunicatie verwijst naar het geheel van procedés voor de overdracht van informatie op afstand. Het begrip dient volgens het Hof van Justitie, gelet op de inhoud van de Richtlijn, ruim te worden uitgelegd: onder de interceptie van telecommunicatie valt niet alleen het onderscheppen van de inhoud van de telecommunicatie, maar ook het verzamelen van verkeers‑ en locatiegegevens in verband met deze telecommunicatie. In het voorstel voor de herziene richtlijn wordt in artikel 2 een definitie opgenomen van het begrip telecommunicatie, die aansluit bij voornoemde uitleg. Het gaat namelijk om “alle communicatie, met inbegrip van zowel de inhoud van de communicatie als de bijbehorende gegevens, die wordt verzonden via elektronische communicatienetwerken”. Dat betekent dat voor het verkrijgen van deze gegevens op grond van artikel 31 van het voorstel van de herziene richtlijn een EOB kan worden uitgevaardigd. En als geen technische bijstand van de uitvoerende lidstaat is vereist, geldt voor het uitoefenen van deze bevoegdheid op het grondgebied van een andere lidstaat, de notificatieverplichting van artikel 33 van het voorstel. Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de bijeenkomst van de Raad van Justitie en Binnenlandse zaken op 1 en 2 oktober 2026 en stellen hierover enkele vragen aan de minister. De leden van de CDA-fractie vragen of de minister kan ingaan op recente ontwikkelingen rondom het dossier inzake de verordening Child Sexual Abuse Material (CSAM). Onder het Cypriotische Voorzitterschap in het eerste semester van 2026 is verdere voortgang geboekt in de triloogonderhandelingen over de CSAM-Verordening. Daarbij is met name gesproken over de onderdelen inzake verwijder- en blokkeringsbevelen, alsmede over de bepalingen inzake risicobeoordeling, risicobeperkende maatregelen en rapportageverplichtingen. Het huidige Ierse Voorzitterschap zet de onderhandelingen voort, waarbij de focus ligt op de artikelen inzake detectiebevelen en het EU-centrum. Deze week vindt een nieuwe triloogbespreking plaats. Naar verwachting worden de lidstaten na afloop van de triloog schriftelijk geïnformeerd over de resultaten. Verwacht de minister dat hierover ook wordt gesproken tijdens de aankomende JBZ-Raad? Dat wordt niet verwacht. Het voorstel staat niet geagendeerd en doorgaans spreekt de Raad niet over lopende triloogonderhandelingen. Daarnaast vragen deze leden of de minister kan reageren op het principeakkoord dat kort voor de zomer is bereikt. De CDA-fractie lijkt met deze vraag te doelen op de tijdelijke afwijking (derogatie) van de ePrivacy-richtlijn ten behoeve van de bestrijding van de verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik en grooming (de zogenoemde interim derogatie). Deze regeling maakt het voor bepaalde aanbieders van interpersoonlijke communicatiediensten mogelijk om op vrijwillige basis en onder voorwaarden technologieën in te zetten voor de detectie van online seksueel kindermisbruik. In juli jl. is opnieuw een akkoord bereikt over de verlenging van deze tijdelijke uitzondering. De inwerkingtreding van de nieuwe interim derogatie voorziet in de eerste plaats in een nieuwe, tijdelijke juridische grondslag voor vrijwillige detectie. Bij de tweede lezing heeft het Europees Parlement amendementen aangenomen die de reikwijdte van de vrijwillige detectie via de interim derogatie beperken. Zo bepaalt de nieuwe verordening dat deze ‘niet van toepassing is op interpersoonlijke communicatie waarop eind-tot-eindversleuteling wordt, was of zal worden toegepast’. Daarmee wordt de bescherming van met eind-tot-eindversleuteling beveiligde communicatie ten opzichte van de eerdere regeling explicieter verankerd. De nieuwe interim derogatie is op vrijdag 31 juli jl. in werking getreden, na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie. De leden van de CDA-fractie lezen dat de minister voorstander is van versterking van de governancestructuur bij Eurojust en zich bereid heeft verklaard een discussie over de voor- en nadelen van de mogelijke introductie van een management board te voeren. Bij een eerste bespreking is echter gebleken dat alle lidstaten die zich uit hebben gesproken geen voorstander zijn van de oprichting van een management board. Kan de minister nader toelichten waarom veel lidstaten niet enthousiast zijn en aangeven wat het standpunt van het kabinet gaat zijn in een mogelijke discussie hierover? Heeft het College van Eurojust zich hier ook over uitgesproken? De Commissie is van mening dat de introductie van een Management Board bij Eurojust de administratieve druk op het College zal verlichten zonder dat dit leidt tot minder efficiënte besluitvorming. De meeste lidstaten zijn echter nog niet overtuigd van de invoering van een additionele bestuurslaag en hebben zorgen over een eventuele impact op de operationele werkzaamheden van Eurojust. Het College van Eurojust is geen voorstander van een Management Board. Nederland heeft in eerste instantie een open houding aangenomen en is bereid de voor- en nadelen van de instelling van een Management Board te bespreken. Nu er vrijwel geen steun is voor een Management Board, zal Nederland zich pragmatisch opstellen, maar daarbij blijven pleiten voor versterking van de governance bij Eurojust, in die zin dat het College zich voortaan zoveel mogelijk zal richten op operationele aangelegenheden en minder tijd zal besteden aan administratieve zaken. De leden van de CDA-fractie vragen of de minister al een kabinetspositie heeft ingenomen wat betreft het herzieningsvoorstel voor de Eurojust-verordening. Voor een uitgebreide appreciatie van alle onderdelen van het voorstel voor de herziening van de Eurojust-verordening verwijst het kabinet naar het BNC-fiche dat u vrijdag 25 september jl. is toegekomen[voetnoot 4]. II Reactie van de minister 2 Kamerstukken II 2025/2026, 21501-04, 29911, nr. 305. Kamerstukken II 2020/2021, 35429, nr. 8 Kamerstukken II 2026/2027, 2026Z20125. Kamerstukken II 2026/2027, 2026Z20125.

Bron, video en gesprek →