KamerkringInloggen
Joost Eerdmans

Officieel Kamerprofiel

Joost Eerdmans

JA21 →
0debatten
1.202bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: JA21 (2021-03-31–heden) · Groep Eerdmans-van Schijndel (2006-09-25–2006-11-29) · LPF (2002-05-23–2006-09-24) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
10 apr 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 905Regels ter uitvoering van Verordening (EU)2023/1543 van het Europees Parlement en deRaad van 12 juli 2023 betreffende het Europeesverstrekkingsbevel en het Europeesbewaringsbevel voor elektronischbewijsmateriaal in strafzaken en detenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen alsgevolg van een strafprocedure en Richtlijn (EU)2023/1544 van het Europees Parlement en deRaad van 12 juli 2023 tot vaststelling vangeharmoniseerde regels inzake de aanwijzingvan aangewezen vestigingen en de aanstellingvan wettelijke vertegenwoordigers ten behoevevan de vergaring van elektronischbewijsmateriaal in strafprocedures(Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal)Nr. 5 VERSLAGVastgesteld 10 april 2026 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbe-reidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslaguit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen engemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht decommissie de openbare behandeling van het voorstel van wetgenoegzaam voorbereid.INHOUDSOPGAVEIALGEMEEN21.Inleiding22.Hoofdlijnen van het elektronisch bewijsmateriaal33.Hoofdlijnen van het wetsvoorstel44.Uitvoering55.Toezicht en handhaving76.Financiële gevolgen87.Reacties van het OM, de Raad voor de rechtspraak, depolitie en de ACM88.Overgangsrecht en inwerkingtreding10IIARTIKELSGEWIJS11 kst-36905-5ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 51 I. ALGEMEEN 1. Inleiding De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal (hierna: hetwetsvoorstel). Het is van belang om daadkrachtig op te kunnen tredentegen de toenemende grensoverschrijdende en digitale criminaliteit inNederland en andere lidstaten van de Europese Unie (EU). Deze ledenvinden het daarom goed dat er een Europees e-Evidence pakket isgekomen om dit mogelijk te maken. Zo kunnen we samen met onzeEuropese buren en bondgenoten samenwerken om sneller, directer engrensoverschrijdend digitaal bewijsmateriaal te verkrijgen. Zeker omdaterg veel strafonderzoek tegenwoordig een digitale component kent. Tochis het hierbij van belang om in de gaten te houden dat we het kind nietmet het badwater weggooien. Meer daadkracht mag niet ten koste gaanvan grondrechten van Europese burgers en principes van proportiona-liteit, subsidiariteit en noodzakelijkheid. Ook de uitvoerbaarheid van dewet is een punt van aandacht, want pas in de toepassing vindt een wetzijn daadwerkelijke effect. In dit kader hebben deze leden nog enkelevragen.De leden van de VVD-fractie hebben met interesse en enige zorgenkennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden stellen dat elektronischbewijsmateriaal tegenwoordig in circa 85% van de strafzaken een rolspeelt. Vaak zijn gegevens echter buiten het grondgebied van Nederlandopgeslagen en de toegang tot deze gegevens blijkt in de praktijk somsweerbarstig en langdurig. Het wetgevingspakket van de EU inzakeelektronisch bewijsmateriaal is dan ook voor deze leden een waardevolleaanvulling op de bestaande EU-instrumenten voor de justitiële samen-werking in strafzaken. In die zin steunen deze leden ook de doelen van hetwetsvoorstel. Toch hebben zij een aantal vragen en opmerkingen over hetvoorliggende wetsvoorstel.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat ditwetsvoorstel voortvloeit uit bindende Europese regelgeving waardoor despeelruimte van de Nederlandse wetgever om eigen regels te stellenbeperkt is. Wel zouden de aan het woord zijnde leden er, wellicht tenovervloede, op willen wijzen dat met de invoering van het Europeesverstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel, waardoor buiten-landse opsporingsdiensten rechtstreeks bij Nederlandse dienstaanbiederselektronische gegevens kunnen opvragen of doen bewaren, tweeingrijpende instrumenten voor Europese rechtshulp worden ingevoerd.Hoewel deze leden ook begrijpen dat in deze tijden waarbij ook decriminaliteit als het ware «gedigitaliseerd» is effectievere en snellerewederzijdse rechtshulp nodig kan zijn, menen zij dat er reden tot zorg isten aanzien van onder andere de rechtsbescherming nu het gebruik vandeze instrumenten zonder tussenkomst van een rechter vooraf gaatgebeuren. Deze leden hebben daarmee een aantal vragen en opmer-kingen.De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet wetsvoorstel. Deze leden hebben nog enkele vragen aan de regeringover dit wetsvoorstel.De leden van de CDA-fractie lezen dat een van de voorwaarden voor eenEuropees verstrekkingsbevel en bewaringsbevel is dat een bevel slechtskan worden uitgevaardigd indien een soortgelijk bevel zou kunnen zijnuitgevaardigd in een soortgelijk nationaal geval. De uitvaardigendeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 52 autoriteit moet dus ook voorwaarden uit het Wetboek van Strafvorderingin acht nemen. Begrijpen deze leden het goed dat dit dus niet hoeft tegelden voor de autoriteit die het bevel ontvangt?De leden van de CDA-fractie lezen dat in sommige gevallen eenverplichting bestaat tot kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteitop grond van artikel 8 van Verordening 2023/1543, bijvoorbeeld als hetgaat om verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens. Is het denkbaar dateen bewarings- of verstrekkingsbevel dat buiten die verplichting valt,soms ook ter kennisgeving wordt gegeven aan de tenuitvoerleggingsauto-riteit? En zo ja, in welke gevallen?De leden van de CDA-fractie lezen dat er sprake kan zijn van verschillendeweigeringsgronden in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure,zoals het geval waarin naleving niet mogelijk is vanwege feitelijkeomstandigheden. Kan de regering daar verder op ingaan en aangevenwelke gevallen hieronder kunnen vallen?2. Hoofdlijnen van het elektronisch bewijsmateriaalpakket De leden van de D66-fractie hebben vragen over de omschrijving van dehoofdlijnen van het elektronisch bewijsmateriaalpakket. In de memorievan toelichting is opgenomen dat elektronisch bewijsmateriaal in dezengaat over «abonneegegevens, verkeersgegevens of inhoudelijke gegevensdie door of namens een dienstaanbieder zijn opgeslagen op het tijdstipvan de ontvangst van het bevel». Toekomstige gegevens zijn uitgesloten,net als versleutelde berichten (decryptie/ontsleuteling valt buiten dereikwijdte). Nationaal kan er niet zomaar getornd worden aan het typegegevens wat onder deze wetgeving valt. Dat kan alleen via wijziging vande Europese verordening. Dat roept bij deze leden de vraag op hoegemakkelijk dit op Europees niveau gewijzigd kan worden en welkewaarborgen er op dat niveau zijn voor oprekken of wijziging van het typegegevens in de toekomst. Kan de regering daar toelichting op geven?De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe wordt gecontroleerddat gegevens niet breder gebruikt worden dan voor het doel van hetstrafrechtelijk onderzoek in kwestie, en wie daar op controleert als er nietaltijd sprake is van tussenkomst van een rechter-commissaris. En onderwelke voorwaarden kunnen deze gegevens worden ingezien op aanvraag?Hoe worden maatregelen tegen misbruik van deze gegevens genomen?De leden van de VVD-fractie constateren dat criminele netwerken zich nietlaten tegenhouden door landsgrenzen. In dat licht is het cruciaal datelektronische gegevens over criminele activiteiten die zijn opgeslagen opservers buiten Nederland en in beheer zijn van hostingdiensten snelkunnen worden opgevraagd en vervolgens snel kunnen worden betrokkenbij de opsporing, vervolging en berechting van criminelen. Kan deregering aangeven welke impact het wetsvoorstel zal hebben op dewerkdruk en de doorlooptijden bij de nationale politie, het OpenbaarMinisterie (OM) en de rechtspraak? Is het de bedoeling dat er na inwer-kingtreding van het wetsvoorstel meer capaciteit vrijkomt voor hetverwerken van rechtshulpverzoeken? Kunnen er dus ook meer rechtshulp-verzoeken worden gedaan door Nederland?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat in het kader vanonderlinge rechtshulp binnen de EU tot nu toe het uitgangspunt vandubbele strafbaarheid geldt. De aan het woord zijnde leden zouden nietgraag zien dat een justitiële autoriteit uit een land waar bijvoorbeeldeuthanasie of abortus wordt vervolgd met behulp van in Nederlandverkregen digitale gegevens iemand zou kunnen vervolgen. Of dat eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 53 officier van justitie uit een uitvaardigende lidstaat waar de rechtsstaatonder druk staat met behulp van uit Nederland verkregen gegevens eenpolitieke tegenstander kan vervolgen. Deelt de regering deze mening? Zoja, welke waarborgen gelden er om te voorkomen dat het Europeesverstrekkingsbevel/bewaringsbevel voor dergelijke doelen wordt gebruikt?Zo nee, waarom deelt de regering deze mening niet?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tevens in welke mate devoorwaarde van dubbele strafbaarheid ook gaat gelden voor het Europeesverstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. Hoe moeten dezeleden in dit verband de voorwaarde dat een Europees verstrekkingsbevel/bewaringsbevel slechts kan worden uitgevaardigd indien een soortgelijkbevel zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijk nationaal geval(artikelen 5 en 6 van Verordening 2023/1543) lezen? En tevens in ditverband: deze leden lezen dat aan het opvragen van elektronischbewijsmateriaal betreffende verkeersgegevens en inhoudelijke gegevensrestricties zijn verbonden waaronder dat voor de uitvaardiging van eenEuropees verstrekkingsbevel voor dit soort gegevens de tenuitvoerleg-gingsautoriteit, in Nederland de officier van justitie, verplicht in kennismoet worden gesteld. Die officier van justitie kan vervolgens toetsen of ersprake is van een weigeringsgrond op grond waarvan de gevraagdegegevens niet hoeven te worden verstrekt. Een van die weigerings-gronden is als een feit niet strafbaar is in de tenuitvoerleggingsstaat, tenzijhet om een van de 32 ernstige misdrijven gaat zoals vermeld in bijlage IVvan Verordening 2023/1543. Betekent dat dat in het geval het niet om eenvan die 32 misdrijven gaat, de Nederlandse officier van justitie geenmogelijkheid heeft om een bevel te toetsen? En, zo vragen de aan hetwoord zijnde leden, is er als het om abonneegegevens en identificerendegegevens gaat helemaal geen mogelijkheid dat er in de uitvoerende staateen toets plaats kan vinden? Met andere woorden: als er vanuit eenlidstaat aan een Nederlandse dienstaanbieder om dergelijke informatiewordt gevraagd is die direct gehouden daaraan tegemoet te komenzonder mogelijkheid van bezwaar of beroep in eigen land? Klopt het dat inhet geval een dienstaanbieder bezwaar wil maken tegen het verstrekkenvan de gevraagde abonnee- of identificerende gegevens die aanbiederalleen bezwaar dan wel beroep kan aantekenen bij een autoriteit van hetuitvaardigende land?Hoe verhoudt de rechtsbescherming in het geval van een Europeesverstrekkingsbevel of bewaringsbevel zich tot de rechtsmiddelen die openstaan bij de uitvoering of uitvaardiging van een Europees opsporings-bevel, bijvoorbeeld als het om een toetsende rol van de rechter(-commissaris) gaat, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.En aanvullend: hoe gaat de rechtsbescherming, bijvoorbeeld ten aanzienvan proportionaliteit en de rechten van betrokkenen, in de praktijkwerken? Welke concrete mogelijkheden zijn er om op basis van dezegronden geen gegevens te verstrekken of te bewaren?3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel De leden van de D66-fractie hebben vragen over de hoofdlijnen van hetwetsvoorstel. Daarbij wordt er ook een onderscheid gemaakt tussen detypen gegevens en de waarborgen die daaraan verbonden zijn: voorabonnee- of identificerende gegevens is er geen kennisgeving oftussenkomst van een officier van justitie of rechter-commissaris verplicht.Bij verkeers- en inhoudelijke gegevens is een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Vooral de uitwerking in de praktijk van deze aspectenvan de Verordening roepen enkele vragen op bij deze leden. Hoeverhouden de vorderingen voor verstrekking of bewaring van gegevensdoor een officier van justitie zonder tussenkomst van rechters zich tot hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 54 evenredigheidsbeginsel, effectieve rechtsbescherming en het recht op eeneerlijk proces ten opzichte van partijen die enkel in Nederland gevestigdzijn? Als er geen tussenkomst is van een rechter in bepaalde gevallen, hoekan dan van de geadresseerde verwacht worden dat er een gedegencontrole komt op het «ne bis in idem»-beginsel en tegenstrijdigeverplichtingen in de betreffende lidstaat of derde landen? En gezien, degeadresseerde in sommige gevallen vorderingen ontvangt zonderrechterlijke toetsing en direct benaderd wordt door (het buitenlandseequivalent van) de officier van justitie: hoe kan de geadresseerde dan zelftoetsen of voldoen aan de vordering feitelijk onmogelijk is, of datweigering gegrond is? Hoe verhoudt zich dat tot het recht op een eerlijkproces en tot de geldboetes en andere straffen voor niet tijdig voorzien inverstrekking/bewaring?De leden van de D66-fractie lezen dat de regering aangeeft niet aan dekritiekpunten van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna:de Afdeling) over de «fundamentele kritiekpunten over rechtsbeschermingen de systematiek van directe grensoverschrijdende bevelen» tegemoet tekunnen komen omdat deze punten voortvloeien uit bindende regelgeving.Dat klinkt deze leden wat tegenstrijdig in de oren. De punten waar meerfundamentele kritiek op is gegeven op het gebied van rechtsbeschermingen systematiek van directe grensoverschrijdende bevelen zijn de basiswaarop deze wet berust en gaan over grondrechten van betrokkenen. Hetbetreft bij de kritiekpunten over rechtsbescherming en de systematiek vangrensoverschrijdende bevelen onder anderen: de beperkte rol van zowelNederlandse als buitenlandse rechters bij binnenkomende en uitgaandebevelen, de positie van dienstaanbieders, de bescherming van degegevens die uitgewisseld worden en de uitvoerbaarheid en handhaaf-baarheid van de wet. Kan de regering meer context geven bij de(on)mogelijkheden van het tegemoetkomen aan de deze kritiek en hoe derechtsbeginselen die in het geding zijn onder de Europese verordeningworden geborgd? Gaat het hier om dwingend EU-recht, en hoe verhoudtzich dat tot de mogelijk verzwakte rechtspositie van betrokkenen? Zou deregering aan kunnen geven waar zij mogelijkheden ziet waarop de wetwél ingevoerd kan worden zonder mogelijk de rechtspositie van betrok-kenen te schaden?De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel onderandere een nieuwe titel van het vijfde boek van het Wetboek vanStrafvordering introduceert. Deze leden vragen hoe de uitvoeringswet zichverhoudt tot het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Worden debevoegdheden uit de uitvoeringswet direct en beleidsneutraal overgezetvia de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek of via de invoe-ringswet van het nieuwe Wetboek?4. Uitvoering De leden van de D66-fractie hebben de volgende vragen en opmerkingenmet betrekking tot de uitvoering. Opgemerkt wordt door NLconnect, dathet beoogde systeem voor het delen van de gegevens in kwestie hetReference Implementation Systeem betreft. Dat systeem voldoet niet aanalle Nederlandse standaarden voor systemen voor dit soort gegevens-deling. Heeft de regering alternatieven verkend of gekeken hoe devereisten om aan Nederlandse standaarden te voldoen toegepast kunnenworden op het Reference Implementation Systeem? Hoe reflecteert deregering breder op de zorgen die bij deze branche leven?De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat NLconnect aangeeftdat er grote zorgen en vragen zijn over implementatie. Hoe kan verzekerdworden dat geadresseerden voorzien worden in hun recht op een eerlijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 55 proces als randvoorwaarden voor goede uitvoer nog niet in werking zijn,maar er wel al gehandhaafd wordt?De leden van de VVD-fractie vragen naar de verdere gevolgen van dewijze waarop het wetsvoorstel wordt uitgevoerd voor de regeldruk enadministratieve lastendruk voor bedrijven. Deze leden constateren datsommige lidstaten ervoor kiezen om bedrijven eerst te waarschuwen enhulp te bieden bij het inrichten van de wettelijk vertegenwoordiger,voordat er mogelijk miljoenenboetes worden opgelegd. Hoe kijkt deregering hiernaar?De leden van de VVD-fractie lezen dat bij de uitvoering van het Europeesverstrekkingsbevel en het bewaringsbevel gebruik zal worden gemaaktvan e-Codex. Dat is een bestaande gemeenschappelijke dienst in hetjustitiedomein en de Nederlandse standaard voor digitale grensoverschrij-dende gegevensuitwisseling. Justid verzorgt de fysieke aansluiting. Geletop de problemen bij Justid die de afgelopen jaren zijn ontstaan, zoals hetmoeten uitvoeren van een correctie bij 8% van de inzageverzoeken(bijlage bij Kamerstuk 35 916, nr. 6) vragen deze leden of er een uitvoe-ringstoets bij Justid is gedaan en zo ja, of die met de Kamer kan wordengedeeld.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van eenbrief van NLconnect, de branchevereniging van de telecomindustrie,waarin deze sector grote zorgen uit over de implementatie van hetEuropees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. Die zorgenrichten zich met name op het ontbreken van belangrijke technischeafspraken, duidelijke procesbeschrijvingen en goede beveiligingsaf-spraken. NLconnect meent dat daardoor een zorgvuldige invoering binnende gestelde implementatietermijn onhaalbaar is en men voorziet spanningmet bestaande cybersecurityregels. Zo stelt NLconnect dat de benodigdeinformatie over de werking van e-Evidence te laat is verstrekt, waardoorde sector nu te weinig tijd heeft om systemen te ontwerpen, bouwen entesten, medewerkers op te leiden en processen goed in te richten. Zijmenen daarom dat zij niet aan de nieuwe regels die 18 augustus 2026 inwerking treden kunnen voldoen. Om die reden zou toezicht enhandhaving pas moeten beginnen als aanbieders een redelijke termijnhebben gehad om hun systemen op orde te brengen en op een veiligemanier de juiste informatie kunnen delen. Kan de regering hierop in gaan?Voorts wijst NLconnect erop dat de regels van de Nederlandse Cyberbe-veiligingswet aanbieders verplicht om hun netwerken en systemen zogoed mogelijk te beschermen tegen cyberaanvallen. Dat strookt naar demening van NLconnect niet met het wisselen van informatie ten behoevevan e-Evidence via het openbare internet. Om hackers of inbraak doorbuitenlandse staten te voorkomen vragen de aanbieders een fysiekgesloten en zwaarbeveiligd systeem. Deelt de regering deze mening vande sector? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de invoeringstermijn of hethandhaven van de wettelijke regels? Kan met het opleggen van sanctiesworden gewacht tot dat de sector wel in staat is gebleken om de wetveilig uit te voeren?De leden van de CDA-fractie lezen dat onderhavig wetsvoorstel uitvoe-ringsgevolgen heeft voor het Openbaar Ministerie (OM), de rechtspraaken de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Kan de regering naderingaan op de omvang van deze gevolgen en op de vraag of de uitvoe-ringsorganisaties voldoende capaciteit beschikbaar hebben om hetwetsvoorstel uit te voeren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 56 5. Toezicht en handhaving De leden van de D66-fractie hebben de volgende vraag over toezicht enhandhaving. De ACM geeft aan dat zij vier randvoorwaarden schetst voorde uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het wetsvoorstel. Kan deregering inmiddels meer informatie verschaffen over de stand van zakenop deze vier benodigde randvoorwaarden (te weten: rekening houden metonvoorspelbaarheid en omvang en beweeglijkheid van het aantalmarktspelers dat onder het toezicht valt; een operationeel registratie-platform; een aanpassing met duidelijke scheiding tussen bestuursrechten strafrecht; en de opname van een rechtsgrondslag voor de samen-werking en gegevensuitwisseling tussen het OM en de ACM)?De leden van de VVD-fractie lezen in de reactie op het verzoek voor eenuitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets van de ACM dat doorABDTOPConsult een verkenning is gedaan om te verkennen welkeorganisatie een geschikte toezichthouder als bedoeld in de richtlijn zouzijn. Kan worden toegelicht waarom deze verkenning niet bij verzendingvan het wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd?De leden van de VVD-fractie lezen in de verkenning dat ABDTOPConsultconcludeerde dat er geen ideale partij is om de taken van de centraleautoriteit op zich te nemen, maar dat de ACM wel kan worden aangemerktals de plek die zoveel mogelijk recht doet aan de opgave en aan deHaagse werkelijkheid. Deze leden vinden het vooral belangrijk dat erwordt gekeken hoe een autoriteit effectief kan bijdragen aan het oplossenvan problemen van mensen en hoe in dit geval de belangen van deNederlandse burgers, van de strafrechtketen en in het bijzonder deopsporing het beste worden gediend. Deze leden constateren dat de taakdie het wetsvoorstel toebedeelt aan de ACM in beginsel niet goed past bijde ACM, omdat het geen markttoezicht betreft. Ook de kennis en expertisevan de strafrechtketen is bij de ACM niet direct aanwezig. Kan de regeringtoelichten hoe de ACM wordt ondersteund om de nieuwe taak uit tevoeren zonder dat uitvoering van de bestaande wettelijke taken van deACM onder druk komen te staan? Hoe is de ministeriële verantwoorde-lijkheid straks geborgd als er fouten worden gemaakt bij het uitvoeren vanhet toezicht op de naleving van de richtlijn? Is dat de Minister vanEconomische Zaken die verantwoordelijk is voor de ACM of is dat deMinister van Justitie en Veiligheid als opdrachtgever?De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de ACM straks toeziet op deaanwezigheid van de wettelijke vertegenwoordiger en dus niet op deinhoud van de gegevensverstrekking. Wat gebeurt er straks in de praktijkals een bedrijf wel een wettelijk vertegenwoordiger heeft aangesteld,maar de wettelijk vertegenwoordiger structureel niet thuis geeft wanneerhet OM Europese verstrekkingsbevelen en bewaringsbevelen uitvaardigten bijvoorbeeld niet voldoende responsief handelt of adequaat meewerktaan het bevel? Deze leden constateren dat de scheidslijn in de praktijk dunkan zijn. Kan de regering nader toelichten hoe de coördinatie tussen deACM en het OM is vormgegeven? Wordt er een samenwerkingsprotocolof convenant opgesteld om afspraken te maken voor gevallen waarin een«papieren» wettelijk vertegenwoordiger de effectieve opsporingbelemmert? En welke grondslag biedt het wetsvoorstel om de kwaliteit enslagkracht van de wettelijk vertegenwoordiger te toetsen, naast de enkeleformele aanwezigheid?In de bijlage bij de reactie van de ACM op de artikelsgewijze toelichtinglezen de leden van de VVD-fractie dat de ACM heeft voorgesteld om eengrondslag op te nemen in het wetsvoorstel voor samenwerking engegevensuitwisseling met het OM. Kan de regering toelichten waaromTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 57 deze opmerking van de ACM niet heeft geleid tot het opnemen van eendergelijke wettelijke grondslag?6. Financiële gevolgen De leden van de VVD-fractie lezen dat de gereserveerde bedragen voor deimplementatie oplopen van 4.8 miljoen euro in 2024 tot 10.7 miljoen euroin 2029. Naarmate die datum dichterbij komt en de binnen het programmain te voeren werkprocessen concreter worden, zal het inzicht in de kostenscherper worden. Deze leden vragen welke aannames er worden gedaanbij het ramen van deze kosten en welke mogelijkheden er zijn om bij testuren als de aantallen van het aantal inkomende en uitgaande Europeseverstrekkingsbevelen en bewaringsbevelen veel hoger zijn dan geraamd7. Reacties van het OM, de Raad voor de rechtspraak, de politie en deACM De leden van de D66-fractie hebben op basis van de reacties van het OM,de Raad voor de rechtspraak, de politie en de ACM de volgende vragen. Inreactie op de kritiek van de Raad voor de rechtspraak en privacy-organisaties wordt gewezen op de wijze waarop rechtsbescherming vanburgers geborgd wordt, in het bijzonder over het op de hoogte stellen vanhet opvragen van hun gegevens zodat zij gebruik kunnen maken vanrechtsmiddelen. In de memorie van toelichting staat voorts dat betrok-kenen in beginsel moeten worden geïnformeerd, maar dat uitstel vankennisgeving ook mogelijk is «indien het belang van het onderzoek ditdringend vereist». In de memorie van toelichting worden geen vastetermijnen genoemd waarbinnen de kennisgeving alsnog moet plaats-vinden, en dat betrokkenen achteraf beklag kunnen doen via bestaanderechtsmiddelen (en lijkt dus vooral ex post te zijn). Daar zit voor betrok-kenen een afhankelijkheid in van actieve kennisgeving door de betref-fende (lid)staat/het OM en een risico voor misbruik van de mogelijkheidtot uitstel van kennisgeving. Kan de regering toelichten hoe dezeafhankelijkheid verholpen wordt en welke maatregelen er zijn ommisbruik van de uitstelregeling te voorkomen?In reactie op de opmerkingen van het OM stelt de regering in dat artikel 2,tweede lid, van Verordening 2023/1543 de reikwijdte van de Verordening isbeperkt tot strafzaken. In geval van een urgente persoonsvermissing –zonder dat tevens sprake is van een verdenking van een strafbaar feit –kan daarom geen Europees verstrekkingsbevel of Europees bewarings-bevel worden uitgevaardigd. De leden van de VVD-fractie vragen naaraanleiding van deze passage of bij de totstandkoming van artikel 2,tweede lid van de Verordening expliciet is besproken dat urgentepersoonsvermissingen buiten het toepassingsbereik vallen en zo ja, of deregering bereid is bij de evaluatie van het e-Evidencepakket dit punt in tebrengen, zodat ook in deze gevallen een Europees verstrekkingsbevel ofEuropees bewaringsbevel kan worden uitgevaardigd.De leden van de VVD-fractie betreuren daarnaast dat vooralsnog niet isgekozen om het onderscheppen van real-time dataverkeer of teverwachten dataverkeer onder het bereik van de richtlijn en de Veror-dening te brengen. Datzelfde geldt voor het ontsleutelingsbevel. Klopt hetdat de politie en het OM in de praktijk hier wel om hebben gevraagd of ditbehulpzaam vinden? Kan de regering bevestigen dat Europol hier ookheel erg mee geholpen zou zijn?Deze leden merken op dat het onderscheid tussen «opgeslagengegevens» en «real-time gegevens» technisch gezien anno 2026 kunst-matig is geworden en dat onder de Amerikaanse CLOUD-act het bijvoor-beeld wel mogelijk is om vergelijkbare bevelen uit te breiden met onderTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 58 andere ontsleutelingsbevelen en het onderscheppen van real-timedataverkeer. Wil de regering zich hier in EU-verband voor inzetten dat eruiterlijk bij de eerste evaluatie van de Verordening een voorstel wordtingediend om de Verordening uit te breiden naar real-time interceptie enontsleuteling, om te voorkomen dat de handhavingskloof tussen deopsporingsdiensten in de Verenigde Staten en de EU te groot wordt? Dezeleden vragen of de regering in dit verband het belang erkent van deaanpak van de georganiseerde grensoverschrijdende misdaad en of deregering uitgebreid wil motiveren waarom het toch onwenselijk zou zijnom voor deze uitbreidingen te pleiten.De leden van de VVD-fractie constateren dat diverse organisaties vragenhebben gesteld over de problemen die in de praktijk mogelijk ontstaan tenaanzien van de eerbiediging van het verschoningsrecht. Deze ledenmerken op dat de kring van verschoningsgerechtigden groter is dan insommige andere lidstaten en dat het verschoningsrecht in Nederlandanders wordt toegepast dan in andere lidstaten. Gegeven de toename vancomplexiteit van de beoordeling van de mate waarin gegevens vallenonder het Nederlandse verschoningsrecht, stellen deze leden hier nog eenaantal vragen over. In Nederland krijgt de rechter-commissaris straks eenrol bij de vraag of er bepaalde gegevens bij Europese verstrekkingsbe-velen en bewaarbevelen onder het verschoningsrecht vallen. In veelandere lidstaten zal deze beoordeling niet plaatsvinden door eenrechter-commissaris. Kan de regering een inschatting geven van hetaantal extra beslissingen die straks na inwerkingtreding van de uitvoe-ringswet moeten worden genomen door een rechter-commissaris? Zijnhun kabinetten hierop ingericht? Wordt hier voldoende extra capaciteitvoor vrijgemaakt?De leden van de VVD-fractie vragen ook hoe bij de kennisgeving binnentien dagen, of bij spoed binnen 96 uur, de rechter-commissaris deze toetsop verschoningsgerechtigde gegevens kan uitvoeren? Hoe beoordeelt deregering het risico dat bedrijven naar aanleiding van het wetsvoorstelbeslissen om hun servers of clouddiensten in Nederland te plaatsen,omdat hier veel meer gegevens onder het verschoningsrecht vallen dan inde meeste andere EU-lidstaten? Onderkent de regering dat hetwetsvoorstel in die zin rechtsongelijkheid met zich meebrengt omdat erverschillen ontstaan tussen Nederlandse verschoningsgerechtigden opbasis van waar zij fysiek of juridisch hun servers of clouds hebben staan?De leden van de VVD-fractie constateren dat de effectiviteit van deVerordening voor de Nederlandse opsporing valt of staat met de snelheiden kwaliteit van de kennisgevingsprocedures in andere lidstaten. Kan deregering toelichten hoe zij omgaat met lidstaten die de kennisgevings-plicht uit artikel 8 van de Verordening op een wijze hebben ingericht dieminder waarborgen biedt dan de Nederlandse toets door de rechter-commissaris? Wordt er op EU-niveau gewerkt aan een geharmoniseerdekwaliteitsstandaard voor de autoriteiten die deze kennisgevingenbeoordelen, om te voorkomen dat Nederlandse opsporingsonderzoekenvertraging oplopen door willekeur in andere lidstaten?De leden van de VVD-fractie vragen of zowel de overheid als de telecom-aanbieders in Nederland voldoende in staat zijn en worden gesteld omtijdig systemen te bouwen of aan te passen om het wetsvoorstel uit tevoeren. Voor zover deze leden kunnen overzien, zijn er tot nu toe te weinigtechnische specificaties verstrekt om alle dienstaanbieders in staat testellen dit te doen. Graag ontvangen deze leden een reactie hierop van deregering en ook een overzicht van de overleggen en inbreng die er zijngeweest vanuit de dienstaanbieders. In het verlengde hiervan vragen zij ofer is voorzien in een adequaat implementatieprogramma en op welkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 59 wijze aanbieders worden geïnformeerd over de uitvoering van hetwetsvoorstel. Welke rol ziet de regering om aanbieders voor te lichtenover niet alleen de uitvoeringswet maar ook de adequate toepassingervan? Is de regering bijvoorbeeld voornemens een handreiking op testellen voor de aanbieders?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat omdat hetwetsvoorstel over implementatie van het EU-recht gaat consultatie nietvoorgeschreven was. Wel heeft de regering over het concept van devoorliggende uitvoeringswet het OM, de Raad voor de rechtspraak, depolitie en de ACM om commentaar heeft gevraagd. De aan het woordzijnde leden zouden het op prijs stellen indien de regering ook deNederlandse Orde van Advocaten en de Autoriteit Persoonsgegevens omcommentaar zou vragen. Is de regering daartoe bereid en zouden diecommentaren uiterlijk tegelijkertijd met de nota naar aanleiding van hetverslag aan de Kamer kunnen worden gestuurd?De leden van de CDA-fractie lezen dat het OM opmerkt te veronderstellendat de bevoegdheid van de officier van justitie tot de uitvaardiging vaneen Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel ruimte laatvoor de voorbereiding door de opsporingsambtenaar. De regering geeftaan dat wordt beoogd dat de officier van justitie de beslissing neemt ende verantwoordelijkheid draagt over de uitoefening van de bevoegdheid,maar dat vereist niet dat de officier van justitie deze eigenhandig opstelt.Deze leden vragen of het feitelijk wel mogelijk is dat de officier van justitiehet bevel opstelt, of dat dit in de praktijk altijd een opsporingsambtenaarzal zijn. En zo ja, wat houdt dit in voor de toename van de werklast voorde politie?De leden van de CDA-fractie lezen dat de politie en het OM de vraagstellen of het niet wenselijk is om ook de opsporingsambtenaar alsbevoegde autoriteit aan te wijzen omdat dit behulpzaam kan zijn innoodsituaties. De regering antwoordt hierop dat dit niet voor de hand ligtomdat het Europees verstrekkingsbevel en bewaringsbevel instrumentenzijn in het kader van de justitiële samenwerking in strafzaken tussenbevoegde autoriteiten, en dat dit het domein is van de officier van justitie.Deze leden vragen of andere lidstaten de opsporingsambtenaar welhebben aangewezen als bevoegde autoriteit, nu de lidstaten de vrijheidhebben om zelf een autoriteit aan te wijzen.Daarnaast lezen de leden van de CDA-fractie dat de Verordeninguitsluitend ziet op strafzaken en daarom niet kan worden toegepast bijurgente persoonsvermissingen zonder verdenking van een strafbaar feit.Deze leden vragen de regering of zij, juist in situaties waarin bij eenvermissing wél sprake is van een verdenking van een strafbaar feit ensnelheid cruciaal is, mogelijkheden ziet om opsporingsambtenaren eenduidelijkere rol te geven in het proces rond het Europees verstrekkings- ofbewaringsbevel.De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering wat het wetstrajectrondom de modernisering van het Wetboek van Strafvordering betekentvoor onderhavige wet, nu er verschillende verwijzingen zijn opgenomennaar artikelen uit dat betreffende wetboek.8. Overgangsrecht en inwerkingtreding De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat vanuit de telecom- eninternetaanbieders in Nederland grote zorgen zijn geuit over de imple-mentatie van de wet in augustus 2026. Hoe is de regering van plan dezorgen voor de beoogde inwerkingtreding weg te nemen? En indien datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 510 niet lukt, welk tijdspad ziet de regering voor zich om openstaande vragenen zorgen over de implementatie van de wet weg te nemen?De leden van de CDA-fractie constateren dat de implementatiedeadlinevan 18 februari 2026 niet is gehaald. Wat zijn hiervan de consequenties enlopen andere lidstaten ook achter op schema? Is de regering van meningdat de deadline van 18 augustus 2026, waarop de Verordening in werkingtreedt en rechtstreeks werkt, wel wordt gehaald?II ARTIKELSGEWIJS Artikel 8 (bestuurlijke boete)De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 7 de grondslag biedtvoor de ACM een last onder dwangsom op te leggen en dat artikel 8 degrondslag biedt voor oplegging van een bestuurlijke boete. Deze ledenvragen of de opbrengst van de lasten onder dwangsom en bestuurlijkeboetes toe komt aan de ACM conform de algemene regeling in deAlgemene wet bestuursrecht in de artikelen 5:10, eerste lid jo. 1:1,vierde lid. Kan de regering bevestigen dat bedoeld is dat de opbrengstenvan de sancties integraal terugvloeien naar de algemene middelen? Ookvragen deze leden of de ACM bij het vaststellen van de hoogte van de lastonder dwangsom en bestuurlijke boetes rekening houdt met de groottevan het bedrijf. Deze leden vinden het in dat licht redelijk dat een lastonder dwangsom of een boete in verhouding staat tot de gevolgen voorhet bedrijf. Iemand uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) zal eerder faillietworden verklaard na oplegging van een boete dan een grote onder-neming met duizenden werknemers. Kan de regering hierop reageren?De voorzitter van de commissie,EerdmansAdjunct-griffier van de commissie,MeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 905, nr. 511

Bron, video en gesprek →