37 020 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2027 nr. Verslag houdende een lijst van vragen Vastgesteld (wordt door griffie ingevuld als antwoorden er zijn) De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken belast met het voorbereidend onderzoek van het wetsvoorstel inzake Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2027 heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen in de vorm van een lijst van vragen. Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vraag afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid. Voorzitter van de commissie, Kisteman Griffier van de commissie, Honsbeek Vraag 1: Vraag: Wat is de status van de verhoogde overlastvergoeding en de vergoeding bij overschrijding van beslistermijnen? Antwoord: De verhoogde overlastvergoeding bij herhaalschade en de overlastvergoeding bij overschrijding van termijnen worden door het IMG op 30 november geïmplementeerd voor maatwerkaanvragen. Naar verwachting zullen in 2027 deze vergoedingen ook bij Daadwerkelijk herstel worden geïmplementeerd. Vraag 2: Vraag: Kan worden toegelicht wat de gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe precies inhoudt? Antwoord: Op 30 juni 2026 is een openbaar lichaam, in de vorm van een Gemeenschappelijke Regeling (GR) Perspectief Groningen en Noord-Drenthe, opgericht door de 16 medeoverheden in de regio die bij Nij Begun betrokken zijn. Deze GR is erop gericht om in de regio samen te werken en gezamenlijk besluiten te nemen over de Economische Agenda (bijlage bij Kamerstukken II 2024/2025, 35561, nr. 71). De GR bestaat uit de provincie Groningen, de dertien gemeenten uit Groningen en Noord-Drenthe en de twee waterschappen die actief zijn in het gebied. Zij vormen gezamenlijk het bestuur van de GR. De provincie Drenthe en de Rijksoverheid zijn agendalid. De medeoverheden werken nog aan de oprichting van een stichting, deze bestaat uit mensen uit het onderwijs, bedrijfsleven en overheid (de triple helix). Ook worden onafhankelijke experts bij de uitvoering betrokken. De bestuurs- en uitvoeringsstructuur van de GR is getrapt. Dit borgt dat er over de besteding van de middelen publiek verantwoording afgelegd wordt, terwijl concrete maatregelen worden voorbereid door experts uit het veld. Hiermee wordt de ontwikkel- en executiekracht van de regio vergroot. Het strategische doel is dat het niveau van brede welvaart in het gebied uiterlijk in 2055 ten minste op het landelijk niveau is gebracht. De deelnemers aan de GR hebben het principebesluit genomen om ook de Sociale Agenda voor Groningen en Noord-Drenthe toe te voegen aan de GR (Kamerstukken II 2024/2025, 33529, nr. 1379). Vraag 3: Vraag: Het budget voor artikel 15 Een veilig Groningen met perspectief neemt per jaar snel af, kan worden toegelicht waarom dat budget zo snel daalt? Antwoord: Zie hiervoor het antwoord bij vraag 4. Vraag 4: Vraag: Hoe kan het dat het budget voor schadeherstel per jaar afneemt? Worden er in 2028 naar verwachting minder huizen versterkt dan in 2027? Antwoord: De totale omvang van artikel 15 neemt met name af door het voorziene verloop van de hersteloperatie. De daling geeft een licht vertekend beeld doordat er ook middelen bestemd voor de hersteloperatie in Groningen op de Aanvullende Post staan, die op een later moment aan dit begrotingsartikel worden toegevoegd (bijvoorbeeld voor duurzaam herstel en de generatielange betrokkenheid). Voor de schadeafhandeling geldt dat op basis van de seismische prognoses er steeds minder schademeldingen worden verwacht. Daarnaast zijn ook de regelingen als waardedaling woningen en de vaste eenmalige schadevergoeding door het grootste deel van de bewoners die recht hebben op deze regelingen al aangevraagd. In de diepteanalyse 2026 (Kamerstukken II 2025/2026, 33529, nr. 1381) is het aantal verwachte versterkingen per jaar gelijkmatiger verdeeld. De diepteanalyse laat verder zien dat het aantal versterkte woningen in 2028 hoger ligt dan het aantal in 2027. Tegelijkertijd zijn er andere uitdagingen die invloed zullen hebben op het verloop van de versterking, zoals de situatie rond schijnzelfstandigheid en de opvolging van het ACVG-advies «Beoordeeld, maar vertrouwen onder druk» van 24 juni jl. (Kamerstuknummer 2026D32146). De NCG maakt momenteel inzichtelijk wat de effecten hiervan zullen zijn. Vraag 5: Vraag: Hoeveel huizen moeten er nog precies versterkt worden? Antwoord: Momenteel bestaat de totale versterkingsopgave uit 27.938 adressen. Hiervan voldeden 11.744 direct aan de veiligheidsnorm, zonder versterking, en 15.413 adressen moesten worden versterkt. Hiervan hebben de bewoners van 271 adressen aangegeven dat ze voorlopig niet willen of kunnen meewerken aan de versterking. Op dit moment zijn 7.959 adressen versterkt of nieuw opgeleverd, dit is 51,6% van de adressen die versterkt moesten worden. Er moeten nog 7.454 adressen worden versterkt. NCG werkt bij 6.677 adressen aan het opstellen van het uitvoeringsplan, of is gestart met de bouwwerkzaamheden. Vraag 6: Vraag: Bij hoeveel huizen moet er nog schade afgehandeld worden? Antwoord: Het is niet precies te zeggen hoeveel huizen er zijn waar nog schades afgehandeld moeten worden. Op dit moment komen er bij het IMG wekelijks nog meer dan 1.000 schademeldingen binnen. Op grond van verwachte bodembewegingen op basis van huidige seismologische modellen, worden de komende jaren naar schatting meer dan 200.000 schademeldingen verwacht. Op basis van een afname van de seismische prognoses zullen de verwachte aantallen aanvragen gedurende de komende jaren wel steeds verder dalen. Zoals aangekondigd in de «Voortgangsbrief Herstel Groningen» van 30 september 2026 (Kamerstuknummer 2026Z20481) gaat het IMG in 2027 ook starten met het proactief benaderen van niet-aanvragers. Vraag 7: Vraag: Hoeveel huishoudens zitten vast in de hersteloperatie en wachten bijvoorbeeld al langer dan vijf jaar op herstel? Antwoord: De versterkingsoperatie is een complexe operatie die al langer loopt dan vijf jaar. Ik herken dan ook dat het voor bewoners vaak lang duurt voor ze duidelijkheid hebben over hoe bijvoorbeeld hun huis versterkt gaat worden en wanneer het opgeleverd gaat worden. Zie het antwoord bij vraag 5 voor een specificatie van de omvang van de versterkingsoperatie. Onder de 7.454 nog te versterken adressen kunnen ook langlopende of complexe situaties zitten waarin bewoners langer wachten. Bij het overgrote deel van deze adressen (6.677) wordt er op dit moment gewerkt aan het opstellen van een uitvoeringsplan of is gestart met de werkzaamheden. De overige 777 adressen hebben wel al een beoordeling ontvangen waarna er een projectopdracht voor de versterking wordt opgesteld. De planning van adressen wordt jaarlijks vastgesteld in de lokale plannen van aanpak. Vraag 8: Vraag: Waarom is er vanaf 2029 geen budget meer voor duurzaam herstel? Antwoord: Voor Duurzaam herstel is aanvankelijk € 350 mln. geraamd. Bij de Kabinetsreactie Nij Begun is dit bedrag verhoogd met € 1,1 mld. naar € 1,4 mld. Deze additionele middelen staan op de aanvullende post van de rijksbegroting. Zodra de eerste € 350 mln. is uitgeput zullen de benodigde aanvullende middelen worden toegevoegd aan de reeks voor duurzaam Herstel. Er is dus wel budget voor duurzaam herstel vanaf 2029, alleen staat dat nog niet op artikel 15 van de begroting van BZK. Vraag 9: Vraag: Waarom neemt het bedrag voor schadevergoeding de komende jaren af? Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 4. Vraag 10: Vraag: Kan er een overzicht gemaakt worden van de verwachte schadevergoedingen voor de komende jaren? Antwoord: Ja, in onderstaande tabel staat het overzicht van de verwachte schadevergoedingen voor de komende jaren. Tabel 1 Verwachte schadevergoedingen voor de komende jaren (bedragen x € 1.000) Regeling 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Vergoeding fysieke schade 515.140 595.557 469.410 338.868 131.793 123.388 Vergoeding immateriële schade 40.970 30.000 9.590 9.590 9.590 9.590 Vergoeding waardedaling (woningen en niet-woningen) 5.000 3.370 3.370 3.370 3.370 3.370 Totaal 561.110 628.927 482.370 351.828 144.753 136.348 Vraag 11: Vraag: Welk aandeel van het bedrag dat wordt besteed aan externe inhuur gaat naar consultancybureaus? Wat voor werk verrichten deze consultancybureaus? Hoe heeft dit bedrag zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld? Wat is de verklaring voor de stijging of daling van dit bedrag? Is hier een overzicht van per ministerie, gezien de coördinerende rol van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)? Antwoord: Op basis van de bij het ministerie van BZK beschikbare financiële data is het niet mogelijk een dergelijk totaaloverzicht te verstrekken. De werkzaamheden die consultancybureaus uitvoeren voor de Rijksoverheid vallen binnen ministeries onder grotere posten en worden gefinancierd uit verschillende programma’s en organisatieonderdelen. De informatie wordt per ministerie geregistreerd en wordt niet rijksbreed bijgehouden. Sinds enkele jaren worden externe onderzoeksrapporten standaard actief openbaargemaakt op www.rijksoverheid.nl. De contracten die rijksbreed worden afgesloten worden gepubliceerd op www.zakendoenmethetrijk.nl. Vraag 12: Vraag: Kunt u aangeven welk percentage van de ambtenaren binnen het ministerie van BZK die fulltime werken twee of meer dagen per week vanuit huis werken? Antwoord: Het is niet mogelijk om dit aan te geven, omdat niet wordt geregistreerd wanneer medewerkers thuiswerken. Vraag 13: Vraag: Kunt u aangeven welke stappen vanuit het ministerie van BZK ondernomen zijn om uitvoering te geven aan de motie-Olger van Dijk c.s. (Kamerstuk 36410-XII, nr. 43)? Antwoord: De motie-Olger van Dijk (NSC) c.s. vraagt om een landelijke aanpak om woon-werkverkeer beter over de dag en de week te spreiden. Ook wordt het Rijk gevraagd hierin als werkgever het goede voorbeeld te geven. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft hiervoor de Aanpak spitsspreiden en -mijden 2025–2027 (Kamerstukken II 2024/2025, 31305, nr. 483) ontwikkeld. De rol van het Rijk als werkgever is onderdeel van deze aanpak. Binnen dit onderdeel wordt, in samenspraak met werknemers en andere betrokken departementen, een methode ontwikkeld om in kaart te brengen hoe het reisgedrag van medewerkers kan worden aangepast, zodat reizen waar mogelijk beter over de dag en de week worden gespreid. Voor 2028 en 2029 is in de MIRT-afspraken de intentie uitgesproken om de aanpak voort te zetten (Kamerstukken II 20256/2026, 36800 A, nr. 11). Ik ben vanuit de verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaarden van rijksambtenaren betrokken bij dit onderdeel. Binnen de huidige CAO Rijk zijn al verschillende mogelijkheden om medewerkers te ondersteunen bij flexibel werken en reizen. Daarnaast stimuleer ik, als onderdeel van de pilot Duurzame CAO Rijk, dat medewerkers vaker op maandag, woensdag en vrijdag naar het werk reizen, zodat de beschikbare kantoorruimte efficiënter wordt gebruikt. Dit heeft ook als effect dat er minder op de piekmomenten in het openbaar vervoer en op de weg wordt gereisd. Op deze manier draagt het Rijk als werkgever bij aan de uitvoering van de motie en wordt in de praktijk onderzocht welke maatregelen kunnen helpen om woon-werkverkeer beter te spreiden. Vraag 14: Vraag: Wat is de beoogde precieze verdeling tussen de 5 miljoen euro die vanaf 2030 structureel beschikbaar wordt gesteld voor het lobbyregister en het institutionaliseren van burgerberaden, en welke uitgaven zijn hierin voorzien? Antwoord: € 3 mln. per jaar is bedoeld voor het verankeren van het nationaal burgerberaad en € 2 mln. is bestemd voor het opzetten, beheren, onderhouden en opvolgen van het lobbyregister. De middelen voor verankering van het nationaal burgerberaad gaan naar een aantal vaste kostenposten voor het succesvol organiseren van burgerberaden: een secretariaat dat de burgerberaden organiseert, deelnemersbegeleiding, loting, een vergoeding voor deelnemers, logistiek en locatie, en het betrekken van de samenleving (incl. kinderen). Voor het lobbyregister gaat het geld naar de organisatie en de medewerkers die verantwoordelijk worden voor het opzetten, het beheren en het toezien op de naleving van de regels van het lobbyregister. Hierbij valt te denken aan de personeelskosten, kantoorruimte en de digitale infrastructuur van het lobbyregister. De precieze invulling van het lobbyregister staat nog niet vast. Aan het einde van dit jaar informeer ik de Kamer over de plannen van het kabinet voor de verdere invulling van het lobbyregister. Vraag 15: Vraag: Hoeveel wethouders hebben momenteel een aanstelling van meer dan 0,8, maar minder dan 1,0 fte? Antwoord: Er wordt momenteel in opdracht van mijn ministerie onderzoek gedaan naar het deeltijdwethouderschap. Ik heb aan de Kamer toegezegd om het definitieve rapport aan de Kamer te sturen. Voorlopige bevindingen laten zien dat: 75,7% van de wethouders een voltijdsfunctie heeft van 1 fte; 11% een bijna-voltijdsfunctie heeft, van 0,85 tot 0,99 fte; 13,2% een deeltijdfunctie heeft van minder dan 0,85 fte. Vraag 16: Vraag: Hoeveel wethouders hebben momenteel een aanstelling van minder dan 0,8 fte? Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 15. Vraag 17: Vraag: Hoeveel wethouders hebben momenteel een aanstelling van 1,0 fte? Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 15. Vraag 18: Vraag: Is er over de afgelopen twaalf jaar sprake van een toename van het aantal aangestelde wethouders dat van buiten desbetreffende gemeente komt? Antwoord: Dit wordt door het ministerie van BZK niet bijgehouden. Vraag 19: Vraag: Hoeveel ambtenaren zijn momenteel werkzaam bij gemeenten, provincies en waterschappen en hoe heeft dit aantal zich sinds 2016 ontwikkeld? Antwoord: Over de aantallen rijksambtenaren wordt gerapporteerd in de Jaarraportage Bedrijfsvoering Rijk. De cijfers over het aantal ambtenaren bij gemeenten, provincies en waterschappen en de ontwikkeling vanaf 2015 tot en met 2025 zijn te vinden op https://www.kennisvandeoverheid.nl/cijfers-overheidspersoneel/omvang-en-samenstelling-personeelsbestand. Vraag 20: Vraag: Vindt er regulier overleg plaats tussen het ministerie en medeoverheden over intimidatie en agressie jegens politieke ambtsdragers? Antwoord: Ja, er is regulier overleg tussen mijn ministerie en de beroeps- en belangenverenigingen decentraal bestuur waarin signalen over intimidatie en agressie jegens politieke ambtsdragers worden gewisseld. Dat gebeurt ook op incidentele basis via het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur dat door het ministerie van BZK wordt gesubsidieerd. Vraag 21: Vraag: Hoeveel lokale bestuurders zijn de afgelopen vier jaar voortijdig vertrokken, en hoe verhoudt dit getal zich tot de vier jaar daarvoor? Antwoord: In de vorige zittingsperiode (2022–2026) zijn 452 wethouders tussentijds vertrokken (om zeer uiteenlopende redenen). Zie Tussentijdse uitstroom wethouders | Staat van het Bestuur. In de daaraan voorafgaande periode (2018–2022) waren het er meer, namelijk 658 wethouders. Bron: Staat van het Bestuur 2022 | Rijksoverheid.nl Vraag 22: Vraag: Hoeveel bestuurders hebben gebruik gemaakt van de Regeling Beveiligingsmaatregelen Decentrale Bestuurders om beveiligingsadvies in te winnen in de jaren 2024, 2025 en voor zover bekend 2026? Antwoord: Sinds het ingaan van de Regeling Beveiligingsmaatregelen begin 2024 hebben 700 decentrale bestuurders zich aangemeld voor een beveiligingsadvies van het CCV, waarvan 57 met een urgent verzoek. Vraag 23: Vraag: Hoe vaak heeft het beveiligingsadvies, op basis van de Regeling Beveiligingsmaatregelen Decentrale Bestuurders, geleid tot beveiligingsmaatregelen in de jaren 2024, 2025 en voor zover bekend 2026? Antwoord: De Regeling bepaalt dat gemeenten, provincies en waterschappen werkgeversverantwoordelijkheid hebben voor hun decentrale bestuurders en daarom de preventieve maatregelen die in het beveiligingsadvies van het CCV staan dienen uit te voeren en te bekostigen. Het ministerie van BZK houdt niet bij in hoeverre de maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het recente onderzoek van DSP rapporteert dat 86% van de beveiligingsadviezen volgens de bestuurders geheel of gedeeltelijk zijn uitgevoerd. Vraag 24: Vraag: Bij hoeveel bestuurders zijn preventieve woningbeveiligingsmaatregelen getroffen in de jaren 2024, 2025 en voor zover bekend 2026? Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 23. Vraag 25: Vraag: Welke wervingsmethoden hanteert de rijksoverheid voor het binnenhalen van talent en welke methode is het meest succesvol? Antwoord: Voor toekomstige instroom van talenten en schaarse functies is het belangrijk dat we extern goed zichtbaar en herkenbaar zijn, bijvoorbeeld via de werkgeversmerkcampagne ‘Ons land in jouw handen’. De campagne richt zich op het versterken van het werkgeversmerk en op hoe aantrekkelijk het is om te werken bij de Rijksoverheid. Daarnaast is er een starterspagina ingericht op de site werkenvoornederland.nl en doen we aan campusrecruitment in samenwerking met onderwijsinstellingen. Ook het Rijkstraineeprogramma (deels gericht op specifieke vak- en kennisgebieden) is een effectieve methode voor het creëren van kansen voor nieuw talent. Bij alle werving- en selectiemethoden zorgen we voor objectiviteit zodat er gelijkwaardige kansen zijn voor iedereen. Naast het aantrekken van nieuwe medewerkers richt arbeidsmarktcommunicatie zich overigens steeds meer op behoud van het huidige talent. Er is geen overall beeld van welke wervingsmethode het meest succesvol is. Wel zien we een stijging van 8% in het bereik van werkenvoornederland.nl tussen juni 2025 en juni 2026. Vraag 26: Vraag: Wat is de gemiddelde doorlooptijd voor vergunningverlening bij gemeenten en provincies en hoe heeft deze zich sinds 2016 ontwikkeld? Antwoord: Gemeenten en provincies gaan zelf over hun vergunningverlening. Over vergunningverlening bij gemeenten en provincies heeft het ministerie van BZK daarom geen cijfers beschikbaar. Overigens zijn gemeenten en provincies gebonden aan de beslistermijnen van de Algemene wet bestuursrecht. Vraag 27: Vraag: Wat is de gemiddelde doorlooptijd voor vergunningverlening door de rijksoverheid en hoe heeft deze zich sinds 2016 ontwikkeld? Antwoord: Over vergunningverlening door de Rijksoverheid heeft het ministerie van BZK geen cijfers beschikbaar. Vraag 28: Vraag: Hoe groot is het aandeel vergunningsaanvragen bij de rijksoverheid waarbij de maximale doorlooptijd wordt overschreden en hoe heeft dit aandeel zich sinds 2016 ontwikkeld? Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 27. Vraag 29: Vraag: Hoeveel verschillende beleidsdoelen en -prioriteiten stelde het ministerie van BZK zich sinds 2016? Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 32. Vraag 30: Vraag: Hoeveel van de verschillende beleidsdoelen en -prioriteiten van het ministerie van BZK sinds 2016 zijn voorzien van een meetbare resultaatsindicator? Antwoord: Zie hiervoor de antwoorden op vraag 32 en 33. Vraag 31: Vraag: Hoeveel van de verschillende beleidsdoelen en -prioriteiten van het ministerie van BZK sinds 2016 is met meetbaar succes afgerond? Antwoord: Zie hiervoor de antwoorden op vraag 32 en 34. Vraag 32: Vraag: Hoeveel verschillende beleidsdoelen en -prioriteiten stelde de rijksoverheid, in de vorm van de verschillende ministeries, zich sinds 2016? Antwoord: Ieder kabinet beschrijft aan het begin van diens regeerperiode de voorgenomen beleidsplannen in het akkoord tussen de coalitiepartijen, met daarbij behorende beleidsdoelen en -prioriteiten. Dit wordt jaarlijks nader uitgewerkt in de beleidsagenda van de departementale begrotingsstukken, waar ook eventuele wijzigingen worden toegelicht. In de ontwerpbegrotingen sinds 2016 zijn de verschillende beleidsprioriteiten terug te lezen. In navolging van de motie-Van der Lee (PRO) c.s. (Kamerstukken II 2024/2025, 36740, nr. 7) is dit verder geconcretiseerd en nemen vakministers vanaf de ontwerpbegrotingen 2027 in de beleidsagenda van hun departementale begroting een aantal hoofddoelen op voor het komende begrotingsjaar die zo concreet mogelijk worden geformuleerd. In de afzonderlijke beleidsartikelen binnen de begrotingen worden doelen op het beleidsterrein en specifieke voornemens verder uitgewerkt. Er wordt niet bijgehouden hoeveel verschillende beleidsdoelen en beleidsprioriteiten de Rijksoverheid zich stelde sinds 2016. Vraag 33: Vraag: Hoeveel van de verschillende beleidsdoelen en -prioriteiten van de rijksoverheid, in de vorm van de verschillende ministeries, sinds 2016 zijn voorzien van een meetbare resultaatsindicator, al dan niet over een onderdeel van het beleidsdoel? Antwoord: Zie het antwoord op vraag 32. De vakminister kan daar waar die het relevant acht en het toegevoegde waarde heeft indicatoren opnemen. In de ontwerpbegroting 2027 van BZK heb ik dit bijvoorbeeld gedaan bij beleidsartikel 15 ‘Een veilig Groningen met perspectief’. Er wordt niet bijgehouden hoeveel van de verschillende beleidsdoelen en beleidsprioriteiten sinds 2016 zijn voorzien van een meetbare resultaatsindicator. Vraag 34: Vraag: Hoeveel van de verschillende beleidsdoelen en -prioriteiten van de rijksoverheid, in de vorm van de verschillende ministeries, sinds 2016 is met meetbaar succes afgerond? Antwoord: Ieder jaar wordt in de jaarverslagen verantwoording afgelegd over het gevoerde beleid en de daarbij behaalde resultaten. In navolging van de motie-Van der Lee (PRO) c.s. (Kamerstukken II 2024/2025, 36740, nr. 7) wordt dit verder geconcretiseerd. Er wordt niet bijgehouden hoeveel van de verschillende beleidsdoelen en beleidsprioriteiten sinds 2016 met meetbaar succes zijn afgerond. Vraag 35: Vraag: Kunt u uiteenzetten hoe vaak de verschillende taskforces bijeen zijn gekomen sinds het aantreden van het kabinet en hoe vaak de voltallige groep betrokken bewindspersonen aanwezig was? Antwoord: Sinds het aantreden van het kabinet zijn de taskforces op verschillende momenten samengekomen. In onderstaande tabel staat per taskforce aangegeven hoe vaak deze bij elkaar gekomen is. Tabel 2 Aantal taskforce-vergaderingen t/m medio oktober Taskforce Asiel en Migratie 5 Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof 9 Taskforce Ondermijning 7 Taskforce Slagvaardige Overheid 6 Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat 8 Taskforce Versnelling Woningbouw 6 De minister van BZK is lid van alle taskforces, behalve de taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Over de aanwezigheid bij specifieke vergaderingen van de taskforces heeft het ministerie van BZK geen gegevens beschikbaar. Vraag 36: Vraag: Bij hoeveel en welke grote maatschappelijke opgaven zijn momenteel drie of meer ministeries beleidsmatig verantwoordelijk? Antwoord: Vanuit de verschillende ministeries wordt samengewerkt aan een groot aantal maatschappelijke opgaven. Voor zes grote maatschappelijke opgaven heeft dit kabinet taskforces opgericht, slagvaardige teams die dwars door departementen heen barrières doorbreken om zichtbare versnelling aan te brengen. Dit betreft de taskforces: Landbouw, Natuur en Stikstof; Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat; Versnelling Woningbouw; Asiel en Migratie; Ondermijning en Slagvaardige Overheid. Bij deze taskforces zijn meerdere departementen betrokken. Voor meer informatie over de opgaven alsook de departementale betrokkenheid in de verschillende taskforces, zie de website van de Rijksoverheid. Vraag 37: Vraag: Klopt het dat niet te achterhalen is of een oud-bestuurder of oud-volksvertegenwoordiger die zegt geen gebruik te maken van een wachtgeldregeling dit ook daadwerkelijk niet doet? Antwoord: Voor de beantwoording van deze vraag is ervan uitgegaan dat met «wachtgeldregeling» de uitkering op grond van de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (Appa) wordt bedoeld. De term «wachtgeld» komt niet voor in de Appa en is misleidend omdat de uitkeringsgerechtigden een sollicitatieplicht kennen. Van de volksvertegenwoordigers kunnen alleen de leden van de Tweede Kamer en de voorzitter van de Eerste Kamer aanspraak maken op een Appa-uitkering. Het ministerie van BZK houdt niet bij wie van de uitkeringsgerechtigden afziet van de betaling van de Appa-uitkering. Bij de uitvoeringsorganisaties is dit op individueel niveau wel bekend, aangezien zij daartoe een verzoek ontvangen en op basis daarvan de betaling stopt. Maar om privacyredenen is dit niet openbaar bekend en zal de uitvoeringsorganisatie deze gegevens ook niet verstrekken. Vraag 38: Vraag: Is het ministerie van BZK betrokken geweest bij de besluitvorming over de extra taakstelling in de miljoenennota? Zo ja, kunnen de onderliggende adviezen en nota's hierover met de Kamer worden gedeeld? (blz. 25) Antwoord: Ja, alle onderliggende nota’s en adviezen ten behoeve van de augustusbesluitvorming zijn op Prinsjesdag door de minister van Financiën naar de Tweede Kamer verstuurd. Vraag 39: Vraag: Wat gaat het ministerie concreet minder doen nu deze taakstelling in de begroting is opgenomen? (blz. 25) Antwoord: De taakstellingen zijn meerjarig verwerkt op de begroting in lijn met de berekening en verdeling die het ministerie van Financiën heeft toegepast, vooruitlopend op de verdere uitwerking van de actieagenda Slagvaardige Overheid. De invulling van de taakstellingen wordt nog uitgewerkt. In lijn met de motie-Brekelmans (VVD) en Bontenbal (CDA) (Kamerstukken II 2026/2027, 37020, nr. 8) die is aangenomen na de Algemene Politieke Beschouwingen, zal de Kamer in het voorjaar van 2027 worden geïnformeerd over de besparingen per ministerie. Vraag 40: Vraag: Raakt deze taakstelling ook de uitvoering? Zo ja, op welke wijze? (blz. 25) De uitvoering is onderdeel van de grondslag van de apparaatstaakstellingen van het kabinet-Jetten. Zoals beschreven staat in het antwoord op vraag 39 wordt de invulling van de taakstellingen nog uitgewerkt. Vraag 41: Vraag: Welke mogelijke risico’s voor de uitvoering en dienstverlening worden voorzien als de opstapelende taakstellingen worden doorgevoerd? (blz: 25) Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 39. Vraag 42: Vraag: Hoe wordt voorkomen dat de nieuwe taakstelling onbedoeld neerslaat op posten die niet voorzien zijn, zoals eerder gebeurd is bij de Brede Doeluitkering (BDU)-middelen voor het openbaar vervoer? (blz. 25) Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 39. Specifiek voor de Brede Doeluitkering (BDU) voor het openbaar vervoer verwijs ik u door naar de bewindspersonen van Infrastructuur en Waterstaat. Vraag 43: Vraag: Kan per departement in een schema worden weergegeven hoeveel procent van de ambtelijke organisatie bestaat uit externe inhuur? En kan hierbij ook een uitsplitsing worden gemaakt naar beleid, uitvoering en ondersteunende diensten zoals ICT? (blz. 25) Antwoord: Er worden door het ministerie van BZK centraal geen gegevens verzameld m.b.t. de fte externe inhuur. Er kan derhalve niet worden weergegeven hoeveel procent fte van de ambtelijke organisatie bestaat uit externe inhuur. Ministeries rapporteren over hun uitgaven aan externe inhuur in hun jaarverslag in de bijlage externe inhuur. Daarin wordt tevens weergegeven in welke categorieën wordt ingehuurd. In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) 2025 (Kamerstuknummer 2026D23264) wordt het rijksbrede beeld weergegeven. Op het dashboard externe inhuur zijn de rijksbrede uitgaven aan externe inhuur en de uitgaven per departement te vinden. Ook is daar het inhuurpercentage ten opzichte van de totale personele uitgaven rijksbreed en per departement inzichtelijk. Tevens is ook daar terug te vinden in welke categorieën de inhuur plaatsvindt, zowel per departement als rijksbreed. Vraag 44: Vraag: Hoeveel onvervulde vacatures zijn er op dit moment bij de rijksoverheid? Hoeveel procent van deze vacatures is langdurig onvervuld? (blz. 25) Antwoord: Bij het Rijk zijn in het eerste halfjaar van 2026 in totaal 10.717 vacatures gepubliceerd (dashboard Externe inhuur). Er is rijksbreed geen data beschikbaar over of een vacature daadwerkelijk is vervuld. Vraag 45: Vraag: Wordt de ruimte voor maatschappelijke organisaties (civic space) ook meegenomen in de periodieke rapportage «Sterke en weerbare democratische rechtsstaat» die voor 2028 op de evaluatieagenda staat? (blz. 27) Antwoord: De periodieke rapportage zal betrekking hebben op het in de periode van 2022–2027 onder artikel 1.2 en 1.3 van de begroting van BZK (VII) uitgevoerde beleid. Beleidsdoelstellingen onder dat artikel, die in die periode gericht waren op de ruimte voor maatschappelijke organisaties (civic space) worden meegenomen in deze periodieke rapportage. Vraag 46: Vraag: Welke middelen op de begroting zijn beschikbaar zijn voor maatschappelijke organisaties die de staat van de democratie in kaart brengen, de democratie helpen te versterken, en opkomen voor de grondrechten van Nederlanders? Op welke wijze ontwikkelen deze budgetten zich van 2026-2031? (blz. 27) Antwoord: Er zijn geen middelen voor maatschappelijke organisaties geoormerkt voor het in kaart brengen van de democratie. Voor dit doel wordt in het algemeen gebruikgemaakt van wetenschappelijke bronnen uit binnen- en buitenland. Voor monitoring of onderzoek wordt samengewerkt met kennisinstellingen, wetenschap en eventueel commerciële onderzoekspartijen. Wel wordt soms op incidentele basis subsidie verstrekt aan partijen met een maatschappelijke doelstelling, die hun werk willen onderbouwen met een kennisbasis. Ook neemt het ministerie op voor het beleid relevante terreinen wel deel aan onderzoeksconsortia waarin naast kennisinstellingen en overheden ook maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd zijn, bijvoorbeeld in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda. Naast maatschappelijke organisaties vervullen ook kennisinstellingen en burgers een belangrijke rol bij het helpen versterken van de democratie en het opkomen voor de grondrechten in Nederland. Om die reden zijn er geen budgetten specifiek geoormerkt voor maatschappelijke organisaties. Vraag 47: Vraag: Wordt het Gemeenschapsfonds ook ingezet voor financiering van initiatieven die de inzet voor lokale cohesie en maatschappelijke weerbaarheid verbinden met nationale besluitvormingsprocessen? (blz. 27) Antwoord: Het Gemeenschapsfonds richt zich niet op specifieke maatschappelijke thema's of beleidsprocessen, maar op de financiering van ontmoetingsplekken en de ontwikkelingen en ondersteuning van maatschappelijke initiatieven in brede zin. We werken daarbij langs drie lijnen: we investeren duurzaam in gemeenschappen via één landelijke regeling en via sleutelorganisaties, versterken de samenwerking tussen samenleving, markt en overheid en maken regels eenvoudiger. Daarmee willen we meer ruimte creëren voor maatschappelijk initiatieven Kortom: we investeren in sociale cohesie, gemeenschapskracht en daarmee in maatschappelijke weerbaarheid. Zie voor een verdere uitwerking de Kamerbrief «Ontwerp en inrichting van het Gemeenschapsfonds» van 28 september 2026 (Kamerstuknummer 2026Z20274). Vraag 48: Vraag: Komen er in het wetsvoorstel voor de inrichting van een organisatie die buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging (FIMI, foreign information manipulation and interference) kan detecteren ook regels over taken en bevoegdheden? (blz. 30) Antwoord: Ja, in het wetsvoorstel zal worden vastgelegd welke taken en bevoegdheden de FIMI-detectieorganisatie krijgt. Deze taken en bevoegdheden worden momenteel nader uitgewerkt. Vraag 49: Vraag: Komt er een afzonderlijke organisatie die FIMI moet gaan detecteren of wordt het detecteren van FIMI bij een bestaande organisatie ondergebracht? In het laatste geval: welke organisatie betreft dat? (blz. 30) Antwoord: Ja, voor het kunnen detecteren, analyseren en duiden van FIMI-campagnes ben ik voornemens een nieuwe detectieorganisatie op te richten. Er wordt gewerkt aan de uitwerking hiervan. De Kamer wordt hier eind 2026 nader over geïnformeerd. Vraag 50: Vraag: Hoe verhouden de op te richten FIMI-detectieorganisatie en het maatschappelijke Hybrid Election Integrity Observatory (HEIO) consortium zich tot elkaar? (blz. 30) Antwoord: Het maatschappelijk middenveld levert een betekenisvolle bijdrage aan kennis en kunde over FIMI-detectie. Tegelijk constateert het kabinet dat maatschappelijke partijen FIMI-detectie niet meer alleen kunnen oppakken. Een veranderende geopolitieke situatie en de snelle ontwikkelingen op het terrein van AI, maken dat de opgave van FIMI-detectie steeds urgenter, groter en technisch complexer wordt. De AIVD en MIVD constateren daarnaast in hun rapport Tussen vrede en oorlog. De oorlog in Oekraïne en de Russische dreiging in Europa dat het aannemelijk is dat er ook in Nederland grote heimelijke beïnvloedingscampagnes actief kunnen gaan worden. Het kabinet werkt aan een proactieve aanpak waarbij de overheid nadrukkelijker zelf een rol pakt, naast het bestaande werk van wetenschappelijke partijen en organisaties in het maatschappelijk middenveld. Een nieuw op te richten FIMI-detectieorganisatie zou daarmee aanvullend zijn op het werk dat nu op FIMI-detectie wordt gedaan en in de toekomst zal worden voortgezet. Vraag 51: Vraag: Hoe verhoudt een nieuwe FIMI-detectieorganisatie zich tot overheidsdiensten die zich hier al mee bezig houden, zoals de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)? (blz. 30) Antwoord: De voorgenomen FIMI-detectieorganisatie zal aan de hand van online publiek toegankelijke bronnen FIMI detecteren, analyseren en duiden, om zo het vrije en open publieke debat en de democratische rechtsstaat te beschermen. De detectieorganisatie zal ook transparant moeten zijn over de evidence-based benadering die leidend is bij de werkzaamheden en bij moeten dragen aan de bescherming van de democratische rechtsstaat door relevante samenwerkingen aan te gaan met wetenschap, journalistiek en maatschappelijk middenveld op het terrein van FIMI-detectie en het ontwikkelen en verspreiden van kennis hierover. Het voornemen is om de op te richten FIMI-detectieorganisatie niet in te bedden bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die over een breed scala aan (bijzondere) bevoegdheden beschikken, omdat de detectieorganisatie zich uitsluitend zal moeten gaan richten op online publiek toegankelijke bronnen. Wanneer de uitwerking van het wetsvoorstel verder is gevorderd, zal ik uiteraard dieper ingaan op de keuzes omtrent een nieuw op te richten detectieorganisatie. Vraag 52: Vraag: Kan in detail precies worden aangegeven waarvoor de drie procent beleidsmatig gereserveerde middelen op artikel 1 van de begroting op dit moment bestemd zijn? (blz. 31) Antwoord: De drie procent beleidsmatige gereserveerde middelen bestaan onder andere uit de budgetten voor bijdragen aan zbo's en agentschappen ten behoeve van diverse bijdragen (begroot onder artikel 1.2). Ook is een gedeelte van het beleidsmatig gereserveerde budget voor subsidies ten behoeve van antidiscriminatie, versterken rechtsstaat en diverse subsidies (begroot onder artikel 1.3). De middelen van het Gemeenschapsfonds zijn ook beleidsmatig gereserveerd (artikel 1.4). Vraag 53: Vraag: Kunt u aangeven hoeveel middelen beschikbaar zijn voor het Nationale Programma Vitale Regio's (NPVR) en daarbij ingaan of dit voldoende is om tot uitvoering van het programma te komen? (blz. 32) Antwoord: Komend jaar maken we met de elf NPVR-regio’s werk van uitvoeringsagenda’s, mede gebaseerd op de plannen voor de regio’s die op een enkele na eind dit jaar gereed zijn. De manier waarop we uitwerking geven aan die uitvoeringsagenda’s als Rijk en regio samen is onderwerp van de brief die begin volgend jaar met uw Kamer zal worden gedeeld. In die brief wordt verder ingegaan op hoe invulling wordt gegeven aan de min of meer gelijkluidende moties van de leden Vermeer (BBB) (Kamerstukken II 2025/2026, 36800 VII, nr. 39) en Bikker (CU) (Kamerstukken II 2025/2026, 29697, nr. 180). Het kabinet heeft besloten geen aanvullende middelen beschikbaar te stellen specifiek voor het Nationaal Programma Vitale Regio's (NPVR). De uitvoering zal daarom plaats moeten vinden door herprioritering binnen bestaande middelen. Vraag 54: Vraag: Wat is de stand van zaken ten aanzien van de FIMI-detectiepilot? (blz. 34) Antwoord: Met de pilot FIMI-detectie verkennen we hoe (structurele) FIMI-detectie het best kan worden ingericht en welke methoden daarvoor effectief en geschikt zijn. Zes wetenschappelijke partijen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld hebben de opdracht gekregen om onderzoek te doen naar verschillende aspecten van FIMI bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2026. De pilot heeft drie doelen. Ten eerste moeten de onderzoeken leiden tot kennis en ervaring om in het kader van verkiezingen tijdig en effectief te kunnen handelen wanneer een FIMI-incident zich voordoet. Ten tweede is het doel om de bij FIMI-detectie betrokken wetenschappers en het maatschappelijk middenveld te stimuleren in de doorontwikkeling van hun methoden. Het derde doel is het met elkaar kunnen vergelijken van verschillende aanpakken, benaderingen en methoden voor FIMI-detectie. De onderzoeksrapporten van de pilot bij de gemeenteraadsverkiezingen worden begin oktober 2026 verwacht. Een onafhankelijke klankbordgroep, met onder meer een juridisch specialist en een data-ethicus, brengt de bevindingen in de verschillende rapporten vervolgens samen en analyseert deze overkoepelend. Hieruit trekken we lessen voor de toekomstige inrichting van FIMI-detectie. Eind 2026 worden de onderzoeksrapporten, de rapportage van de klankbordgroep en de reactie van het ministerie van BZK hierop gedeeld met uw Kamer. Totdat de wetgeving en FIMI-detectieorganisatie gereed zijn, gaat mijn ministerie door met pilots rond FIMI-detectie. De eerstvolgende pilot richt zich op de verkiezingen voor de Provinciale Staten, de waterschappen en de eilandsraden van 17 maart 2027 en het Nederlandse voorzitterschap van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Zo krijgen we nog beter zicht op FIMI en hoe de toekomstige detectieorganisatie het beste ingericht kan worden. Vraag 55: Vraag: Wie voeren de FIMI-detectiepilot uit? (blz. 34) Antwoord: De pilot FIMI-detectie bij de gemeenteraadsverkiezingen wordt uitgevoerd door zes wetenschappelijke partijen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Bij de onafhankelijke klankbordgroep, die speciaal is opgericht voor de pilot, zijn drie organisaties betrokken. De onderzoeksrapportages van de zes organisaties en de rapportage van de onafhankelijke klankbordgroep worden eind 2026 met uw Kamer gedeeld. De namen van de organisaties staan in de afzonderlijke rapportages vermeld. Vraag 56: Vraag: Welke methoden worden gebruikt voor de uitvoering van de FIMI-detectiepilot? (blz. 34) Antwoord: De organisaties die deelnemen aan de FIMI-detectiepilot bij de gemeenteraadsverkiezingen hebben allen een separate onderzoeksvraag geformuleerd en hierbij passende onderzoeksmethoden voor het verzamelen, verwerken en analyseren van data geselecteerd. Het gaat om een breed scala aan gebruikte methoden. Zo zijn er onderzoekspartijen die zich richten op gedragswetenschappen en de perceptie van inwoners bij FIMI, maar ook onderzoekspartijen die zich richten op het detecteren van FIMI-campagnes op onlineplatformen als X en Telegram. Daarnaast is aan een onderzoeksorganisatie verzocht om naast een landelijke blik ook specifiek mogelijke campagnes in een regio te onderzoeken. De aan de pilot deelnemende partijen geven in hun afzonderlijke onderzoeksrapporten, die eind 2026 met uw Kamer worden gedeeld, inzicht in de door hen gebruikte methoden. De partijen en de onafhankelijke klankbordgroep reflecteren in de rapporten ook op de gehanteerde methoden. Vraag 57: Vraag: Hoe wordt FIMI gedetecteerd? (blz. 34) Antwoord: De ad-hocdetectie van FIMI-campagnes in Nederland vindt op dit moment primair plaats door wetenschappelijke partijen en organisaties in het maatschappelijk middenveld. Deze partijen en organisaties hanteren daarvoor verschillende methoden, die zij ook toelichten in eigen openbare publicaties. Om online FIMI-campagnes structureel te kunnen detecteren, maakt het ministerie van BZK wetgeving en is voornemens een FIMI-detectieorganisatie op te richten. Er wordt gewerkt aan de uitwerking hiervan. Totdat er een FIMI-detectieorganisatie is voeren we in 2027 wederom een pilot uit, omdat we willen verkennen hoe (structurele) FIMI-detectie het best ingericht kan worden en welke methoden hiervoor effectief en geschikt zijn. De organisaties die deelnemen aan deze pilot detecteren daarom FIMI door een breed scala aan verschillende methoden in te zetten. De gebruikte methoden worden uitgebreid toegelicht in de rapportages die eind 2026 met uw Kamer worden gedeeld. Ook zal de onafhankelijke klankbordgroep reflecteren op de gebruikte methoden voor FIMI-detectie. Vraag 58: Vraag: Hoe kan de FIMI-detectiepilot plaatsvinden terwijl er nog een wettelijke regeling voor FIMI moet gaan komen? (blz. 34) Antwoord: De pilot FIMI-detectie richt zich op evidence-based onderzoek naar FIMI, waarbij binnen de bestaande wettelijke kaders verkend wordt hoe FIMI-detectie het best kan worden ingericht en welke methoden daarvoor effectief en geschikt zijn. Op deze onderzoeken wordt toegezien door een onafhankelijke klankbordgroep die op afstand staat van het ministerie van BZK. De klankbordgroep bevat onder meer een juridisch specialist en een data-ethicus, en zal de bevindingen van de verschillende onderzoeken samenbrengen en analyseren. Deze analyse wordt betrokken bij het vervolg van de pilot, de inrichting van de detectieorganisatie en de uitwerking van het wetsvoorstel dat FIMI-detectie door een overheidsorganisatie mogelijk gaat maken. Er wordt binnen de pilot dus niet door mijn ministerie zelf FIMI-gedetecteerd of vooruitgelopen op een wettelijke grondslag. Vraag 59: Vraag: Wanneer is de FIMI-detectiepilot begonnen en wanneer wordt die beëindigd? (blz. 34) Antwoord: De FIMI-detectiepilot bij de gemeenteraadsverkiezingen is gestart in februari 2026. De rapportages worden naar verwachting begin oktober 2026 opgeleverd. In oktober wordt vervolgens de rapportage van de onafhankelijke klankbordgroep verwacht. Momenteel werk ik aan de opzet van een nieuwe pilot rond twee thema’s. Het eerste thema betreft de verkiezingen voor de Provinciale Staten, de waterschappen en de eilandsraden van 17 maart 2027. Het tweede thema gaat over evenementen rond het voorzitterschap van Nederland van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van mei tot november 2027. Deze tweede pilot moet nog van start gaan, daar worden de noodzakelijke voorbereidingen voor getroffen. Vraag 60: Vraag: Op welke wijze en wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van de FIMI-detectiepilot? (blz. 34) Antwoord: Eind 2026 worden de onderzoeksrapporten van de zes bij de FIMI-pilot betrokken organisaties, de rapportage van de onafhankelijke klankbordgroep en de reactie van BZK hierop met uw Kamer gedeeld. Ik zal dan ook ingaan op de voorgenomen opzet van de nieuwe pilot rond de verkiezingen voor de Provinciale Staten, de waterschappen en de eilandsraden en het voorzitterschap van Nederland van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Vraag 61: Vraag: Kan in detail precies worden aangegeven waarvoor de twee procent beleidsmatig gereserveerde middelen op artikel 6 van de begroting op dit moment bestemd zijn? (blz. 43) Antwoord: Het overgrote deel van de twee procent beleidsmatige gereserveerde middelen is begroot onder Opdrachten Overheidsdienstverlening (artikel 6.2) en onder Opdrachten Hoogwaardige dienstverlening één overheid (artikel 6.7). De middelen die begroot worden onder artikel 6.2 betreffen middelen die via WaU-financiering gebruikt worden voor de ontwikkeling van het traject overheidsbrede dienstverlening/loketten. De middelen die begroot worden onder artikel 6.7 betreffen middelen die naar aanleiding van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) beschikbaar zijn gesteld en zijn bedoeld voor het verbeteren van de overheidsdienstverlening. Vraag 62: Vraag: Is er met de vertegenwoordigers van de werknemers (vakbonden en ondernemingsraden) gesproken over de extra ingeboekte taakstelling op de ambtelijke organisatie over wat dit betekent voor de werknemers bij de rijksoverheid? Zo nee, waarom niet? (blz. 47) Antwoord: Werkgever Rijk heeft in het Sector Overleg Rijk met de vakbonden in algemene bewoordingen over de taakstelling gesproken. Bonden hebben aangegeven dat de taakstelling elders zal worden aangekaart. In de CAO Rijk is het 'Van Werk Naar Werk'-beleid opgenomen, dat in het geval van reorganisaties moet worden toegepast. Daadwerkelijke reorganisatie plannen worden door de departementen in het DGO met de bonden en in de DOR met de medezeggenschap besproken. Vraag 63: Vraag: Kan in detail precies worden aangegeven waarvoor de 32 procent beleidsmatig gereserveerde middelen op artikel 7 van de begroting op dit moment bestemd zijn? (blz. 52) Antwoord: Het percentage beleidsmatige gereserveerde middelen is gebaseerd op onder andere uitgaven voor opdrachten voor bedrijfsvoeringsbeleid, kwaliteit management rijksdienst, werkgeversbeleid, POK-informatiehuishouding en ambtelijk vakmanschap en bijdragen voor de Staat van de uitvoering, de ondersteuning van melders van misstanden en voor arbeidsmarktcommunicatie. Vraag 64: Vraag: Waarom loopt de nieuwbouwregeling in 2028 af? (blz. 62) Antwoord: De Nieuwbouwregeling voor het verstrekken van een vergoeding voor meerkosten van aardbevingsbestendig bouwen in Groningen kent geen einddatum en loopt ook na 2028 door. De verwachte kosten voor uitvoering van de regeling vanaf 2028 worden bij de Voorjaarsnota geactualiseerd. Vraag 65: Vraag: Waarom loopt het erfgoedprogramma in 2028 af? (blz. 62) Antwoord: Het Erfgoedprogramma is gestart in 2017 en is in 2023 met Nij Begun (maatregel 26) voortgezet tot en met 2028, met een bijdrage van € 73 mln. Bij de publicatie van Nij Begun werd verwacht dat de versterkingsopgave in die periode zou worden afgerond. Inmiddels is duidelijk dat de uitvoering van de versterking langer duurt dan tot 2028. We onderzoeken met de betrokken partijen op welke manier het Erfgoedprogramma beschikbaar kan blijven zodat dezelfde ondersteuning beschikbaar blijft voor bewoners wiens huis nog versterkt moet worden. Vraag 66: Vraag: Waarom loopt het midden- en kleinbedrijf (mkb)-programma in 2029 af? (blz. 63) Antwoord: De Provincie Groningen heeft het mkb-programma vastgesteld tot en met eind 2028 omdat toen verwacht werd dat de versterkingsoperatie in die periode zou worden afgerond. Inmiddels is duidelijk dat de uitvoering van de versterking langer duurt dan tot 2028. We onderzoeken met de betrokken partijen op welke manier het mkb-programma beschikbaar kan blijven zodat dezelfde ondersteuning beschikbaar blijft voor mkb'ers wier pand in de periode na 2028 wordt versterkt. Vraag 67: Vraag: Kunt u aangeven of het mogelijk is om een deel van de ingeboekte taakstelling op het kerndepartement te beleggen bij de apparaatskosten van de Agentschappen? (blz. 76) Antwoord: Conform de Regeling agentschappen kan het kerndepartement niet direct de taakstelling doorverdelen naar de apparaatskosten van de agentschappen. Indirect kan de taakstelling van invloed zijn op de begroting van de agentschappen indien er gekort wordt op de departementale bijdragen aan de agentschappen. Zoals beschreven staat in het antwoord op vraag 40, is de uitvoering meegenomen in de grondslag van de taakstelling. De invulling van de taakstelling moet nog worden uitgewerkt. Vraag 68: Vraag: Waarom staat de post personele kosten binnen tabel 38 vanaf 2028 doorlopend op 151.869? Hoe verhoudt dit zich tot de verschillende taakstellingen? (blz. 90) Antwoord: De meerjarenbegroting van Logius is gebaseerd op 2027. Zowel de baten als de lasten in de periode 2027 tot en met 2031 worden daarom doorgetrokken ten opzichte van het basisjaar 2027. Dat betekent dat ook de personele kosten in die periode gelijk zijn. De taakstellingen voor Logius worden jaarlijks verwerkt in de nieuwe begroting. De taakstellingen zijn daarom meerjarig nog niet zichtbaar in de reeks. Zoals in het antwoord op vraag 39 is opgenomen, zal de Kamer in het voorjaar van 2027 worden geïnformeerd over de besparingen per ministerie, in lijn met de motie-Brekelmans (VVD) en Bontenbal (CDA) (Kamerstukken II 2026/2027, 37020, nr. 8) die is aangenomen na de Algemene Politieke Beschouwingen. Vraag 69: Vraag: Kan aangegeven worden welke besparingen vanaf het aantreden van het vorige kabinet tot nu toe gerealiseerd zijn binnen de taakstelling? (blz. 96) Antwoord: De vraagsteller verwijst met blz. 96 naar de begroting van het agentschap Organisatie en Personeel Rijk (O&P Rijk). Vanaf het aantreden van het vorige kabinet is voor het tarief van P-Direkt – een type dienstverlening van O&P Rijk - een extra efficiencykorting van 2,5% ingesteld. Hiermee is tot nu toe een structurele bezuiniging gerealiseerd van €11,5 mln. Vraag 70: Vraag: Kunt u voor de jaren 2023, 2024 en 2025 aangeven welk percentage van de beleidsambtenaren binnen het ministerie van BZK een periodiek heeft gekregen? Indien nee, welke informatie kunt u hierover wel delen? (blz. 100) Antwoord: Onder beleidsambtenaren worden alle medewerkers verstaan die werkzaam zijn bij een beleidsdirectie binnen het kerndepartement van BZK. Een medewerker die nog niet het maximum van de salarisschaal heeft bereikt, heeft recht op verhoging van het salaris naar het volgende salarisnummer tot het maximum van de salarisschaal is bereikt op voorwaarde dat de leidinggevende van mening is dat sprake is van voldoende functioneren. In 2025 ontving 55% van de beleidsambtenaren binnen het ministerie van BZK de jaarlijkse periodiek. In 2024 ging het om 54% en in 2023 ging het om 51%. Vraag 71: Vraag: Kunt u een uitgebreidere toelichting geven bij het onderdeel «omschrijving specifiek deel expertisediensten» van tabel 45? (blz. 103) Antwoord: De uitvoering van de dienstverlening van onze expertisediensten wordt op uur-basis doorbelast aan de diverse Rijksonderdelen. Om de doelmatigheid van deze diensten te monitoren gebruikt O&P Rijk de indicatoren «gegenereerde omzet per fte» en «de declarabiliteit». Voor de inzet van ambtelijk personeel wordt ingezet op een declarabiliteit van minimaal 70%. Dit houdt in dat de medewerker voor minimaal 70% van de totale beschikbare arbeidsuren besteedt aan de dienstverlening voor onze afnemers (directe uren). De overige arbeidsuren (indirecte uren) betreffen verlofuren, afwezigheid bij ziekte en andere niet-declarabele uren zoals teamoverleg. Voor de inzet van extern personeel is de vereiste declarabiliteit hoger, omdat verlof en ziekte aan een externe niet worden doorbetaald. Vraag 72: Vraag: Waarom staat de post personele kosten binnen tabel 46 vanaf 2028 doorlopend op 90.801? Hoe verhoudt dit zich tot de verschillende taakstellingen? (blz. 106) Antwoord: De post personele kosten staat vanaf 2028 structureel op € 90.801, omdat de ontvangsten van Rijksorganisatie Ontwikkeling, Digitalisering en Innovatie (ODI) – die direct afhankelijk zijn van de inzet van personele expertise – eveneens constant zijn geprognosticeerd conform de meerjarenbegroting van ODI uit 2027. Zowel de baten als de lasten in de periode 2027 tot en met 2031 worden daarom doorgetrokken ten opzichte van het basisjaar 2027. Dat betekent dat ook de personele kosten in die periode gelijk zijn. Vraag 73: Vraag: Kan in een schematisch overzicht de ontwikkeling van de externe inhuur bij de rijksoverheid over de afgelopen tien jaar worden weergegeven? (blz. 107) Antwoord: Tabel 3 Uitgaven externe inhuur van het Rijk periode 2010 t/m 2025 (bedragen x € 1.000) (bron: Jaarrapportages bedrijfsvoering Rijk 2010 t/m 2025) Jaar Uitgaven 2010 € 1.027.205 2011 € 875.754 2012 € 913.283 2013 € 1.015.478 2014 € 1.106.043 2015 € 1.108.726 2016 € 1.286.687 2017 € 1.287.520 2018 € 1.404.392 2019 € 1.664.492 2020 € 1.944.359 2021 € 2.286.462 2022 € 2.678.352 2023 € 3.259.711 2024 € 3.667.996 2025 € 3.270.245 Vraag 74: Vraag: Wat zijn de onderliggende oorzaken van de kasschuif duurzaam herstel? (blz. 18) Antwoord: Duurzaam herstel is het afgelopen jaar minder vaak nodig geweest om nieuwe mijnbouwschade te voorkomen dan vooraf verwacht. Daarom is besloten om de middelen door te schuiven naar latere jaren. Vraag 75: Vraag: Wat zijn de onderliggende oorzaken van de kasschuif duurzaam herstel Nationaal Coördinator Groningen (NCG)? (blz. 18) Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 74. Vraag 76: Vraag: Wat zijn de onderliggende oorzaken van de kasschuif NCG? (blz. 18) Antwoord: In juni heeft NCG een nieuwe diepteanalyse gepubliceerd waaruit blijkt dat de productie van de NCG meer over de komende jaren wordt gespreid. Dit komt met name vanwege een realistischer beeld van de verwachte risico’s en onzekerheden binnen de versterkingsoperatie. Dit heeft gevolgen voor de versterkingsbudgetten en budgetten die hiermee samenhangen waaronder de budgetten voor verduurzaming bij lichte en (middel)zware versterkingen (resp. maatregel 29 en maatregel 28 uit Nij Begun). De versterking wordt volgens de laatste diepteanalyse, zoals eerder in het antwoord op vraag 4 naar verwezen, in 2032 afgerond. Vraag 77: Vraag: Hoeveel mensen wachten nog op de compensatie uit maatregel 16 van Nij Begun? (blz. 69 t/m 73) Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 78. Vraag 78: Vraag: Hoeveel mensen hebben de compensatie uit maatregel 16 van Nij Begun al ontvangen? (blz. 69 t/m 73) Antwoord: De totale scope van maatregel 16 uit Nij Begun, betreffende de vergoeding voor bewoners voor eigen tijd en het lange wachten, betreft ca. 17.000 adressen. De uitvoering van maatregel 16 wordt gedaan door meerdere organisaties: de NCG, de gemeenten en de woningbouwcorporaties. NCG heeft de vergoeding van maatregel 16 op 5.755 adressen uitgekeerd. Aanvullend keert NCG op korte termijn de vergoeding uit aan circa 2.500 huurders en circa 200 particuliere eigenaren. De bewoners waarvan alle contactgegevens en bankrekeningnummer bekend zijn krijgen de vergoeding voor het eind van dit jaar. Voor de adressen waar nog informatie ontbreekt zal NCG in het eerste kwartaal van 2027 een meldpunt openen waar bewoners zich kunnen melden. Deze bewoners ontvangen de vergoeding daarom in 2027. De gemeenten hebben aan 1.900 adressen in de batch 1588 en Zandplatenbuurt Zuid de vergoeding verstrekt, of zullen dit op korte termijn verstrekken. Voor het uitkeren van de vergoeding door de woningcorporaties geldt dat mensen een vergoeding ontvangen nadat een versterkingsbesluit is genomen. Ik heb op dit moment geen zicht hoeveel huurders de vergoeding van hun woningcorporatie hebben ontvangen. Bij NCG zijn er nog ca 6.500 adressen waarvoor nu wordt bepaald of deze ook daadwerkelijk in aanmerking komen voor de vergoeding. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van leegstand komt dat adres niet in aanmerking voor de vergoeding van maatregel 16. Deze afweging wordt gemaakt bij het versterkingsbesluit. Er is gekozen om de uitkering van maatregel 16 voor particuliere eigenaren via het versterkingsbesluit te laten verlopen. Hiervoor is gekozen zodat bewoners minder belast worden met verschillende besluiten. Dat betekent wel de uitvoering van deze regeling de komende jaren nog loopt. Vraag 79: Vraag: Hoeveel mensen wachten nog op de afhandeling van B- en C-schade? (blz. 69 t/m 73) Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 80. Vraag 80: Vraag: Hoeveel mensen zijn al geholpen bij de afhandeling van B- en C-schade? (blz. 69 t/m 73) Antwoord vraag 79 en 80: Vergelijkbare vragen zijn eerder door uw Kamer gesteld over het bericht dat er honderden miljoenen bestemd voor gedupeerde Groningers op de plank blijven liggen terwijl zwaar gedupeerden niet geholpen worden (ingezonden 27 mei 2026). De beantwoording op deze vragen is met uw Kamer gedeeld op 23 juni 2026 ("Antwoord op vragen van de leden Beckerman en Bushoff over het bericht dat er honderden miljoenen bestemd voor gedupeerde Groningers op de plank blijven liggen terwijl zwaar gedupeerden niet geholpen worden", Kamerstuknummer 2026Z11044, vragen 37 en 38). Voor een uitgebreid antwoord op deze vraag verwijs ik u naar deze eerdere beantwoording. Vraag 81: Vraag: Hoeveel mensen wachten nog op ondersteuning vanuit maatregel 26 van Nij Begun? (blz. 69 t/m 73) Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 82. Vraag 82: Vraag: Hoeveel mensen zijn al geholpen vanuit maatregel 26 van Nij Begun? (blz. 69 t/m 73) Antwoord op vragen 81 en 82: Met maatregel 26 is het Erfgoedprogramma voortgezet. Met het Erfgoedprogramma worden eigenaren van Gronings erfgoed in het aardbevingsgebied ondersteund (onder meer via subsidies en het Erfgoedloket) bij behoud en herstel. Op dit moment zijn er circa 1.000 aanvragen in behandeling voor de verschillende subsidieregelingen - SOK (Subsidieregeling Onderhoud Karakteristieke panden en gemeentelijke monumenten), RORG (Regulier Onderhoud Rijksmonumenten Groningen) en GRRG (Groot Onderhoud en Restauratie Rijksmonumenten Groningen) - die samenhangen met het Erfgoedprogramma. Daarnaast zitten er nog ongeveer 1000 niet-afgeronde erfgoedadressen in de versterkingsopgave bij NCG. In het geval er geen sprake is van versterking, kunnen erfgoedeigenaren worden ondersteund op het moment dat zij zelf wensen. Hoeveel aanvragen er in de toekomst nog zullen komen, is op dit moment daarom niet te zeggen. In de periode tot en met 2025 zijn circa 5.200 adviesaanvragen bij het Erfgoedloket behandeld. Daarnaast zijn er circa 3.370 SOK-subsidies verleend, 979 RORG-subsidies en 307-GRRG subsidies. Daarnaast heeft de NCG in de periode t/m januari 2026 993 erfgoedpanden versterkt dan wel direct op norm verklaard, dit is ongeveer de helft van de totale erfgoedopgave van NCG. Deze cijfers geven inzicht in het gebruik van de belangrijkste ondersteuningsinstrumenten van het Erfgoedprogramma. Daarbij moet worden opgemerkt dat erfgoedeigenaren vaak gebruik maken van meerdere instrumenten tegelijk. Vraag 83: Vraag: Kunt u voor wat betreft de bestrijding van discriminatie en racisme een zo concreet mogelijke uitsplitsing maken naar gestelde doelen en beschikbare budgetten per afzonderlijke discriminatiegrond? Antwoord: De minister van BZK is verantwoordelijk voor de coördinatie van de aanpak van discriminatie en voor enkele specifieke onderwerpen die binnen de portefeuille van het ministerie van BZK vallen, zoals het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod in de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling, het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen, de aanpak van institutionele discriminatie, het voorkomen van discriminatie door algoritmische besluitvorming en de coördinatie van het Rijksbrede personeelsbeleid. Dit zijn allemaal brede onderwerpen, die niet voor één specifieke doelgroep zijn bedoeld. Het ministerie van BZK voert geen specifiek beleid op één bepaalde discriminatiegrond. Wel is het beleid ter opvolging van de excuses voor het slavernijverleden, naast algemene kennisdeling en erkenning, in het bijzonder ook gericht op nazaten van tot slaaf gemaakten. Mijn ministerie heeft € 200 mln. incidenteel uitgetrokken in een fonds, voor maatregelen voor meer kennis en bewustwording, het erkennen en herdenken, en de doorwerking van het slavernijverleden. Vraag 84: Vraag: Wat is de stand van zaken bij de uitvoering van de motie-Tseggai c.s. (Kamerstuk 30950, nr. 447) inzake erkenning van Roma, Sinti en reizigers als nationale minderheid? Antwoord: Het is van belang dat hier duidelijkheid over komt. Bij de beoordeling van deze motie is ook de wijze waarop Nederland het begrip nationale minderheid heeft ingevuld van belang. Bij de behandeling van de goedkeuringswet van het Kaderverdrag in 1999 heeft de Tweede Kamer vijf criteria besproken die hierbij een rol spelen. Een van deze criteria is dat een groep van oudsher binnen een specifieke regio in Nederland woont. De Roma en Sinti wonen verspreid over Nederland en daarmee is dit criterium niet zonder meer op hen van toepassing. Dit maakt de vraag naar hun positie binnen het Kaderverdrag juridisch en beleidsmatig niet eenvoudig. Tegelijkertijd is het van belang dat hierover duidelijkheid komt. Ik wil daarom op korte termijn tot een zorgvuldige beoordeling van deze vraag komen. Dit najaar zal ik uw Kamer hierover informeren. Vraag 85: Vraag: Kunt u een precies overzicht geven van de concrete maatregelen waarmee in de dagelijkse praktijk invulling wordt gegeven aan uw voornemen om 'daadkrachtig op te treden tegen degenen die zich schuldig maken aan discriminatie en racisme'? (blz. 10) Antwoord: Tabel 4 Traject Toelichting Tegengaan discriminatie door de overheid Uitbreiging Awgb met overheidshandelen Met deze wetswijziging kunnen burgers straks met meldingen over vermeend discriminatoir handelen door de overheid ook terecht bij het College voor de Rechten van de Mens en de antidisciriminatievoorzieningen. Discriminatietoets publieke dienstverlening en beleidsprocessen Met deze toets kunnen overheidsorganisaties risico’s op discriminatie identificeren in hun organisatie. Er zijn nog tm 2030 middelen gereserveerd om organisaties te ondersteunen bij het toepassen van de Discriminatietoets. Interdepartementale beleids- en effectrapportage discriminatie op werkvloer Ontwikkelen van het model van de interdepartementale beleids- en effectrapportage ten aanzien van de aanpak van racisme op de werkvloer. Tweejaarlijkse rapportage op basis van het model. De-escalatieladder leidinggevende Rijksoverheid Ontwikkeling en implementatie van een handreiking met (de-)escalatieladder voor leidinggevenden om op een goede manier om te gaan met grensoverschrijdend gedrag en de sociale veiligheid op de werkvloer te verhogen. Verplichting bespreking racisme bij p-gesprekken Rijksbrede verplichting dat bij p-gesprekken op departementen wordt gesproken over discriminatie en racisme. E-learning sociale veiligheid en discriminatie Ontwikkeling en implementatie rijksbrede e-learning over discriminatie en sociale veiligheid op de werkvloer. Aanpassing functieprofielen Leidinggevenden De verantwoordelijkheid om actief zorg te dragen voor een sociaal veilige werkomgeving zonder discriminatie en racisme expliciet opnemen in de functieprofielen van leidinggevenden. Wettelijke grondslag voor geautomatiseerde risicoselectie Verkenning noodzaak en/of wenselijkheid (sectorale) wettelijke grondslag voor geautomatiseerde risicoselectie. Mensenrechtenimpact assessment voor risicoselectiealgoritmen Verkenning bindend mensenrechtenimpactassessment voor risicoselectiealgoritmen. Adviestraject IBDS-Adviesfunctie Verantwoord Datagebruik Oplossingsrichtingen voor overheidsbrede knelpunten bij gebruik van data voor biastoetsing van algoritmen, m.n. risicoselectie-instrumenten. Kennisopbouw- en deling risicoprofilering Waaronder kennissessies toetsingskader risicoprofilering met het College voor de Rechten van de Mens. Instrumenten voor bias- en discriminatietoetsing 1) ontwikkeling van een overheidsbrede faciliteit voor biastoetsing van risicoselectie-instrumenten (opschalen CPB-Selectiviteitsscan) en (2) pilots met de Nederlandse Technische Afspraak (NTA) over toetsingsmethoden voor profileringsalgoritmen ter naleving van het discriminatieverbod en een beleidslijn over mogelijke vervolgstappen rondom de NTA. Algoritmekader Doorontwikkeling van het Algoritmekader naar een auditeerbaar kader dat door interne auditors kan worden gebruikt Rijksinkoopstrategie Diversiteit en inclusie wordt opgenomen in de rijksinkoopstrategie. Diversiteit en inclusie is een van de prioritaire thema’s in de overheidsbrede Agenda Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen 2026-2030 (kamerbrief). In de nieuwe Rijksinkoopvisie van BZK die momenteel ter besluitvorming voorligt, is opgenomen dat de Rijksoverheid diversiteit en inclusie wil versterken om zo bij te dragen aan de maatschappelijke opgaves. In de doorvertaling naar het beleid van de Rijksinkoop wordt dit nader vormgegeven. Handreiking D&I in inkoop Handreiking van PIANOo over het belang en de mogelijkheden om anti-discriminatie, diversiteit en inclusie op te nemen in aanbestedingen. Stelsel en melden van discriminatie Publicatie discriminatiecijfers Jaarlijks worden de discriminatiecijfers van alle officiële meldinstanties voor discriminatie verzameld en van een analyse voorzien. Vanaf 2027 komt er naast een reeds ontwikkeld online dashboard ook een publieke website met meldcijfers. Wet bijstand bij discriminatie De versterking van het ADV stelsel houdt in dat wordt toegewerkt naar één landelijke organisatie van ADV’s, met regionale samenwerking en lokale loketten (naar voorbeeld van het Juridisch Loket). Hiervoor zal een overheidsstichting worden opgericht. Het takenpakket wordt aangevuld met preventie van discriminatie. De financiering zal rechtstreeks vanuit het Rijk gaan plaatsvinden. Publiekscampagne meldingstoegankelijkheid De publiekscommunicatie zal gericht zijn op het vergroten van kennis van burgers over discriminatie en Discriminatie.nl/de ADV’s, het vergroten van het vertrouwen in het nut van melden, en het inspelen op persoonlijke behoeften bij ervaren discriminatie. Wijziging discriminatiegronden Awgb Wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling (samen met JenV) in verband met de vervanging van de term «hetero- of homoseksuele gerichtheid» door «seksuele gerichtheid.» Richtlijn 2024/1499 Implementatie van richtlijn 2024/1499 over verplichte gelijkebehandelingsorganen door middel van de uitbreiding van de bevoegdheden van het College voor de rechten van de mens en de gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen naar het terrein van wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid voor mannen en vrouwen. Coördinatie rijksbreed antidiscirminatiebeleid Opvolging eindrapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme De staatscommissie had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan. In de kabinetsreactie wordt er ingegaan op de aanbevelingen uit het rapport. Wettelijke verankering van de NCDR De rol van de Nationaal Coördinator Discriminatie en Racisme wordt versterkt door zijn werk wettelijk te verankeren. Opstellen Rijksbrede aanpak van discriminatie Naar aanleiding van de motie-Van Baarle (DENK) (Kamerstukken II 2025/2026, 36848, nr. 76) wordt er een overkoepelende Rijksbrede aanpak tegen discriminatie en racisme opgesteld onder coördinatie van BZK, met inbreng van de verschillende betrokken ministeries. Bestuurlijke overleggen met moslimgemeenschappen Tijdens de Catshuissessie in 2025 is toegezegd om interdepartementaal in overleg te gaan met bewindspersonen (en topambtenaren) en de moslimgemeenschappen over de aanpak van moslimdiscriminatie. Het overleg met bewindspersonen en de voorbereiding daarvan staat onder coördinatie van BZK. Slavernijverleden Er wordt momenteel onderzocht en bekeken hoe er verder opvolging gegeven kan worden aan het herstel slavernijverleden. Subsidieregelingen ten behoeve van maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden Stichtingen kunnen subsidie aanvragen voor projecten die bijdragen aan erkenning, herstel en bewustwording. Er zijn regelingen voor Europees Nederland als het Caribisch deel van het Koninkrijk Onderzoek vlaggenprotocol BZK werkt aan het opvolgen van de motie-Bamenga (D66) c.s. (Kamerstukken II 2025/2026, 30950, nr. 549) over Ketikoti opnemen in de vlaginstructie voor rijksgebouwen Koninkrijksrelaties Comply or explain BZK is verantwoordelijk voor de inrichting van het principe comply or explain en coördineert de toepassing ervan. Het principe wordt geëvalueerd en doorontwikkeld om te waarborgen dat inwoners van Caribisch Nederland kunnen rekenen op een gelijk of gelijkwaardig niveau van wetgeving, rechten en voorzieningen als inwoners van Europees Nederland. Wet bescherming tegen discriminatie BES Deze wet geeft inwoners van Caribisch Nederland toegang tot bescherming tegen discriminatie op hetzelfde niveau als in Europees Nederland, onder meer via een verzoek bij het College voor de Rechten van de Mens en toegang tot een antidiscriminatievoorziening. De biedt de inwoners van de eilanden onder meer toegang tot rechtshulp via de Legal Desk en het Lokèt Hurídiko. Vraag 86: Vraag: Waarom vinden verschuivingen plaats tussen de posten «Subsidies anti-discriminatie» en 'Opdrachten anti-discriminatie'? (blz. 31) Antwoord: Bij de oorspronkelijke toedeling van de middelen was de verwachting dat er zowel subsidies als opdrachten verstrekt zouden worden. In de loop der tijd is gebleken dat er meer gebruik wordt gemaakt van het instrument subsidies, omdat dit beter aansluit bij de te bereiken beleidsdoelen: samenwerking met het veld waarbij voor die partijen voldoende vrijheid is om ook het eigen beleid door te ontwikkelen. Vraag 87: Vraag: Wie zijn concreet de beneficianten uit de post Subsidies anti-discriminatie? (blz. 31) Antwoord: De beneficianten uit de post Subsidies anti-discriminatie zijn Discriminatie.nl, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, Movisie en de Universiteit van Amsterdam. Vraag 88: Vraag: Wie / welke organisaties krijgen opdrachten verstrekt conform de post Opdrachten anti-discriminatie? (blz. 31) Antwoord: Er worden opdrachten verstrekt aan het ministerie van Algemene Zaken voor een landelijke campagne. Ook wordt een opdracht verstrekt aan de Rijksorganisatie ODI voor de inzet van rijksconsultants en een opdracht aan ICTU voor de begeleiding van organisaties bij de discriminatietoets publieke dienstverlening. Ten slotte worden vanuit deze post middelen toegekend aan de NCDR. Vraag 89: Vraag: Welk budget is gemoeid met de herziening van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen? (blz. 35) Antwoord: Het uitgangspunt van de herziening van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen is dat dit budgetneutraal plaatsvindt voor wat betreft de reeds bestaande taken op grond van de Wet gemeentelijke ADV’s (de Wga). Omdat de ‘Wga-taken’ van gemeenten overgaan naar een landelijke organisatie, zal een structurele uitname uit het gemeentefonds plaatsvinden. De uitname was om die reden ook onderdeel van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) die heeft plaatsgevonden. De uitkomsten van deze UDO zijn opgenomen in het conceptwetsvoorstel dat open heeft gestaan voor internetconsultatie en waarover uw Kamer in maart van dit jaar is geïnformeerd (Kamerstukken II 2025/2026, 30950, nr. 513). Met het bedrag van de uitname zal de nieuwe organisatie worden gefinancierd. Voor de nieuwe taak preventie van discriminatie, die bij de landelijke organisatie komt te liggen, is een budget van € 5 mln. beschikbaar. Tot slot is er een budget van € 2,5 mln. beschikbaar voor incidentele realisatie- en transitiekosten kosten in 2027. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan het oprichten van een stichting, het werven van bestuurders en de realisatie van een landelijk hoofdkantoor. Vraag 90: Vraag: Waarom wordt het budget voor slavernijverleden vanaf 2029 met 10 miljoen euro gekort? (blz. 58) Antwoord: Dit betreft middelen uit het fonds van incidenteel € 200 mln. en het gaat dus om een incidentele regeling. De looptijd van de subsidieregeling ‘maatschappelijke initiatieven’ eindigt in 2028. De laatste betalingen vinden plaats in 2029, waarna de middelen aflopen. De daling van het op de begroting opgenomen bedrag vanaf 2029 moet daarom worden gezien in het licht van het aflopen van deze tijdelijke regeling. Vraag 91: Vraag: Welke beleidsvoornemens zijn op het sub-thema «Rechtsstaat, grondrechten en discriminatie» in ontwikkeling? (blz. 143) Antwoord: Naast de beleidsvoornemens in het kader van de aanpak van discriminatie, zoals vermeld in de antwoorden op de hierboven gestelde vragen, wordt gewerkt aan een grondwetsvoorstel dat constitutionele toetsing door de rechter mogelijk maakt en wordt bezien of en op welke manier de Grondwet aangepast zou moeten worden met het oog op nieuwe digitale technologieën. Daartoe lopen verschillende onderzoeken. Ook wordt gewerkt aan het wetsvoorstel Wet waarborgfunctie Awb. Vraag 92: Vraag: Welke eenmalige en structurele kosten verwacht u voor de beoogde onafhankelijke toezichthouder uit de Wet op de politieke partijen? Hoeveel fte zijn daarvoor voorzien? (blz. 8 t/m 31) Antwoord: De projectorganisatie voor de oprichting van de Nederlandse autoriteit politieke partijen (Napp) is inmiddels gestart en heeft een eerste raming gemaakt van de structurele kosten. Volgens deze raming is er € 4 mln. per jaar benodigd om de Napp de aan hem opgedragen taken te kunnen laten uitvoeren. Met de Voorjaarsnota van 2026 is het budget voor de Napp op de begroting van het ministerie van BZK bijgesteld naar € 4 mln. De Napp zal bestaan uit ten hoogste zeven leden (het bestuur) die ondersteund worden door een ambtelijk bureau. De omvang van dat bureau is momenteel geraamd op 15 tot 20 fte. Dit is gebaseerd op de taken voor de Napp zoals deze nu zijn omschreven in het Wetsvoorstel Wpp. Vraag 93: Vraag: Kunt u het voor 2027 begrote bedrag voor de aanpak van desinformatie uitsplitsen naar personeelskosten, externe opdrachten, subsidies, communicatie en ICT? (blz. 19 t/m 34) Antwoord: In 2027 is in totaal € 4,8 mln. begroot voor FIMI-detectie. Iets minder dan de helft van deze € 4,8 mln. is gereserveerd voor de pilot FIMI-detectie rond de verkiezingen van 17 maart 2027 en het voorzitterschap van en het Nederlandse voorzitterschap van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Het overige deel is gereserveerd voor de kwartiermakersfase die de oprichting van de organisatie onderzoekt en enkele analisten. Vraag 94: Vraag: Welke extra uitvoeringskosten verwacht u in 2027 per gemeente voor de voorgestelde herziening van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen, en welke compensatie staat daartegenover? (blz. 29 t/m 36) Antwoord: De beoogde datum van inwerkingtreding van de voorgestelde herziening van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen is 1 januari 2028. In 2027 zijn derhalve geen extra uitvoeringskosten voor gemeenten voorzien. Het ministerie van BZK en de VNG zullen gemeenten (eenmalig) ondersteunen bij de voorbereidingen voor het nieuwe stelsel. Daarvoor is in 2027 een bedrag van € 2 mln. beschikbaar op de begroting van het ministerie van BZK. Vraag 95: Vraag: Welk bedrag is in 2027 begroot voor de voorbereiding en opbouw van het beoogde FIMI-detectieorgaan, inclusief de kwartiermaker, analisten en de pilot rond de verkiezingen van 17 maart 2027? (blz. 30 t/m 34) Antwoord: In 2027 is in totaal € 4,8 mln. begroot voor FIMI-detectie. Iets minder dan de helft van deze € 4,8 mln. is gereserveerd voor de pilot FIMI-detectie rond de verkiezingen van 17 maart 2027 en het voorzitterschap van en het Nederlandse voorzitterschap van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Het overige deel is gereserveerd voor de kwartiermakersfase die de oprichting van de organisatie onderzoekt en enkele analisten. Vraag 96: Vraag: Welk bedrag is in 2027 specifiek gereserveerd voor het voorkomen, signaleren en onderzoeken van misbruik van volmachten bij verkiezingen? Uit welke begrotingspost wordt dit betaald? (blz. 31 t/m 34) Antwoord: Het aangekondigde onderzoek naar het volmachtstelsel wordt bekostigd uit de al gereserveerde middelen voor opdrachten bij verkiezingen. De opdrachten in dit kader worden bekostigd uit de post Verbinding inwoner en overheid onder artikel 1.2 Democratie. Voor het onderzoekstraject naar volmachten wordt in 2027 ongeveer € 70.000 gereserveerd. Ook is er een vast budget van € 400.000 voor maatwerkcommunicatie bij verkiezingen waaruit ook de communicatie over volmachten wordt bekostigd. Deze middelen worden ingezet voor maatwerkcommunicatie bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten, algemene besturen van de waterschappen, eilandsraden en kiescolleges in 2027. Vraag 97: Vraag: Welk deel van de middelen voor overheidsdienstverlening in 2027 wordt besteed aan hulp voor burgers die hun zaken niet zelfstandig digitaal kunnen regelen? Welke voorzieningen worden daarvan betaald? (blz. 39 t/m 46) Antwoord: Het gaat om een bedrag van circa € 23 mln. Dit betreft Informatiepunten Digitale Overheid (die voor het grootste deel in de middelen van het gemeentefonds zitten), overheidsbrede dienstverlening in gemeenten, lokale plekken waar mensen terecht kunnen en initiatieven met publieke dienstverleners voor het vergroten van bereik van dienstverlening. Vraag 98: Vraag: Wat zijn de geraamde kosten in 2027 van het rijksbrede beleid voor diversiteit en inclusie, uitgesplitst naar eigen personeel, externe inhuur, opleidingen, onderzoek en communicatie? (blz. 47 t/m 50) Antwoord: Er is geen uitsplitsing van de kosten van rijksbreed beleid voor diversiteit en inclusie. Vraag 99: Vraag: Welke besparing op de rijksbrede bedrijfsvoering verwacht u in 2027 per maatregel, en hoeveel eenmalige kosten zijn nodig om die besparingen te realiseren? (blz. 47 t/m 56) Antwoord: Dit wordt momenteel in kaart gebracht. In het voorjaar wordt uw Kamer hierover geïnformeerd en zal ook worden aangegeven of er eenmalige kosten zijn om dit te realiseren. In dit plan zullen ook de voor de rijksbrede bedrijfsvoering relevante aanbevelingen van de commissie Toekomst Rijksdienst worden opgenomen. Vraag 100: Vraag: Bij welke voorgenomen rijksaanbestedingen in 2027 worden aanvullende duurzaamheids- of sociale voorwaarden gehanteerd, en welke geraamde meerkosten zijn daarmee gemoeid? (blz. 48 t/m 56) Antwoord: Er is geen doorrekening mogelijk van de eventuele stijging of besparing van de kosten op basis van aanvullende duurzaamheids- en sociale voorwaarden voor rijksbrede aanbestedingen voor 2027. In begrotingen worden deze meerkosten niet uitgesplitst. Sinds enkele jaren houdt de Rijksoverheid rekening met duurzaamheidscriteria bij rijksinkoopbeleid. Daarbij vragen wij de meerkosten voor (sociale) duurzaamheid niet apart uit. Ook vragen we geen alternatieve raming uit bij marktpartijen zonder beoogde duurzaamheids- en sociale doelstellingen. Veel marktpartijen waarmee wij contracten afsluiten hebben daarnaast hun aanbod in de loop van de tijd, in reactie op onze uitvraag, die van andere klanten of vanwege landelijk en Europees beleid, zelf duurzamer en socialer gemaakt. Werkelijke meerkosten voor de rijksoverheidsinkoop, vergeleken met een situatie waarbij duurzaamheid of sociale voorwaarden geen rol speelden, zijn ook om die reden niet zuiver te kwantificeren. Bij de generieke (gezamenlijke) inkoop via inkoopcategorieën zijn duurzaamheidsaspecten de afgelopen jaren veelal meegenomen bij raamovereenkomsten. Het kan daarnaast opportuun zijn investeringen te doen om groene of sociale duurzaamheidsdoelstellingen te behalen. Daarnaast wordt er in het kader van duurzaamheid ook zwaarder ingezet op het verlengen van de levenscycli van apparatuur en wordt vaker hergebruikt waar mogelijk is, om nieuwe inkoop uit te stellen en kosten te besparen. Vraag 101: Vraag: Kunt u de voor 2027 begrote 21,7 miljoen euro uitsplitsen naar subsidies voor maatschappelijke initiatieven, onderzoek, herdenkingen, uitvoering en overige uitgaven? (blz. 58 t/m 59) Antwoord: De begrote € 21,7 mln. wordt uitgesplitst in de middelen voor de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven (€ 11,4 mln.), het Herdenkingscomité (€ 8,2 mln.), het Praktijkgericht Onderzoeksprogramma doorwerking Slavernijverleden (€ 0,2 mln.) en interdepartementale initiatieven voor Europees Nederland (€ 1,9 mln.). De verdeling voor de interdepartementale initiatieven vindt plaats in het eerste kwartaal van 2027. Vraag 102: Vraag: Hoeveel van de voor 2027 geraamde uitgaven aan schadeafhandeling en versterking verwacht de regering daadwerkelijk op de exploitant te verhalen, mede gegeven het recente arbitrale vonnis van 10 juli 2026? Welk bedrag loopt volgens de huidige raming het risico niet te worden verhaald? (blz. 60 t/m 74) Antwoord: Tabel 20 van de ontwerpbegroting laat zien dat de geraamde ontvangsten van NAM in 2028 in verband met de doorbelasting van de kosten voor de schadeafhandeling en versterkingsoperatie van 2027 € 982,6 mln. bedragen. De heffing is afhankelijk van de uitgaven van de schadeafhandeling in 2027. Momenteel kan ik daarom nog geen inzicht geven in het bedrag dat volgens de huidige raming het risico loopt niet verhaald te worden. Dat zal moeten blijken wanneer de heffingen over 2027 worden opgesteld, wat in 2028 gebeurt. Ik zal conform de motie van Kamerlid Clemminck (JA21) (Kamerstukken II 2026/2027, 36836, nr. 46), na het opleggen van het heffingsbesluit in december 2028 de Kamer informeren over de niet op de NAM verhaalde kosten. Het arbitrale vonnis van 10 juli 2026 ging over het stellen van passende zekerheden door Shell en ExxonMobil en heeft als zodanig geen invloed op het verhalen van kosten op de NAM (Kamerstukken II 2026/2017, 33529, nr. 1386). Vraag 103: Vraag: Welke financiële reserve of andere ruimte is in de raming opgenomen voor hogere kosten of vertraging bij de versterkingsoperatie? Op welke aannames over aantallen adressen en kosten per adres is die gebaseerd? (blz. 60 t/m 74) Antwoord: De kosten voor de versterkingsoperatie kunnen hoger uitvallen of in een later jaar vallen dan aanvankelijk geraamd. Als dit het geval is zal de bijbehorende ontvangstenreeks op de begroting op dezelfde manier worden aangepast. Daarom is een financiële reserve voor dit soort situaties niet nodig. Vraag 104: Vraag: Kunt u de daling van de apparaatsuitgaven van 1.072,9 miljoen euro in 2026 naar 877,4 miljoen euro in 2027 per oorzaak uitsplitsen, met een afzonderlijk bedrag voor overhevelingen en voor feitelijke besparingen? (blz. 75 t/m 76) Antwoord: De vergelijking tussen beide jaren is complex. De ramingen van de diensten en producten van de tariefgefinancierde uitvoeringsorganisaties Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding (RvIHH), Rijksinkoopsamenwerking (RIS) en Organisatie voor Bedrijfsvoering en Financiën (OBF) worden jaarlijks gedurende het jaar op het centraal apparaatsartikel van BZK verwerkt. Voor 2026 en eerder zijn deze uitgaven al verwerkt en hier staan voor eenzelfde bedrag ontvangsten tegenover. De uitgaven hebben betrekking op de te leveren dienstverlening in 2026 die door de afnemers aan de uitvoeringsorganisaties zullen worden vergoed. Per saldo levert dit geen verschil op gedurende het jaar, maar dus wel hogere uitgaven en hogere ontvangsten op de BZK-begroting. Tevens wordt een deel van de verandering in de apparaatsuitgaven verklaard door het overboeken van de apparaatsbudgetten vanuit de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) naar de begroting van BZK (VII). Daarnaast worden er apparaatsmiddelen overgeheveld naar de begroting van Economische Zaken en Klimaat (XIII) in verband met de digitaliseringsportefeuille. Ook zal een deel van de budgetten op het centraal apparaatsartikel gedurende het jaar worden bijgesteld. Vraag 105: Vraag: Welke concrete werkzaamheden of externe contracten vervallen, eindigen of worden intern uitgevoerd om de geraamde daling van de externe inhuur met € 27,7 mln. in 2027 te realiseren? (blz. 75 t/m 76) Antwoord: Het ministerie van BZK zet binnen het departement in op het terugdringen externe inhuur. Dat doen we via de aanpak Grip op Inhuur met interne inhuurplafonds. Van organisatieonderdelen wordt verwacht dat zij kritisch kijken naar de mogelijkheden voor reductie van de kosten aan externe inhuur. Er zijn organisatieonderdelen met een specifieke en tijdelijke behoefte waarbij externe inhuur beter passend is. De daling die te zien is in de begroting is de raming voor 2027. Doordat er ruimte is voor differentiatie per organisatieonderdeel, is het niet eenduidig aan te geven of en welke werkzaamheden vervallen, eindigen of intern worden uitgevoerd. Gedurende het jaar kunnen hier echter nog wijzigingen op plaatsvinden bijvoorbeeld vanwege veranderende behoeften, ontwikkelingen en of voortschrijdend inzicht. Het ministerie verantwoordt naar buiten over haar externe inhuur via het jaarverslag en het Dashboard externe inhuur Rijksoverheid. 45
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Pieter Heerma
0debatten
784bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: CDA (2023-09-05–2023-12-05) · CDA (2022-01-11–2023-09-04) · CDA (2021-03-31–2022-01-10) · CDA (2019-05-21–2021-03-30) · CDA (2012-09-20–2019-05-20) ·