Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 853Initiatiefnota van de leden Dral en Koekkoekover Veilig OnlineNr. 2 INITIATIEFNOTA Inhoud1 Inleiding12 Probleemschets22.1 De controle kwijt22.2 Te veel schadelijke content online42.3 Weinig kennis53 Argumenten83.1 Weerbaarheid93.2 Preventie103.3 Schoon internet123.4 Wat nodig is: één gezamenlijk plan144 Beslispunten165 Financieel kader176 Dankwoord18 1 Inleiding De wereld wordt razendsnel digitaal. Waar jongeren vroeger naar buitengingen om elkaar te ontmoeten of te spelen, is het nu steeds vaker hetinternet waar zij zich op begeven. En laten we eerlijk zijn: het internet isook gewoon heel leuk. Je maakt er goede vrienden, je ziet wat er in dewereld gebeurt en je kan leuke spelletjes doen met elkaar. Dat geldt voorjong en oud. De indieners geloven dat iedereen het recht heeft op eenfijne ervaring op het internet. Het is een prachtig iets dat we toeganghebben tot het internet met alle kennis van de wereld. En dat iedereen dekans heeft om zichzelf te ontplooien door op het internet nieuwe dingen teontdekken.Toch kunnen we niet om de problemen heen. Jongeren verliezen de gripover hun digitale leven. Via chatgroepen en sociale media krijgen zeafschuwelijke beelden te zien. Extreme wereldbeelden worden verspreiden leiden tot vrouwen- en homohaat, online en in het echte leven.Jongeren worden slachtoffer van nieuwe vormen van pesten en treiteren. kst-36853-2ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 21 In extreme gevallen is er sprake van ronselen, afpersing en seksueelmisbruik. De schaduwkant van de online leefwereld wordt steeds erger.Opvoeders, onderwijzers en professionals hebben een steeds slechterbeeld van wat er online allemaal speelt. Dat maakt jongeren eenzaam – zemoeten zichzelf redden in een onbegrepen online wereld.De politiek is er om de samenleving te helpen. Maar de overheid kan nietprecies bepalen wat je wel en niet mag doen online. Dat is een onderdeelvan de opvoeding en iets dat jongeren en hun opvoeders samen moetenbepalen. Als we doorschieten in jongeren toegang tot het internet ensociale media ontnemen, dan worden jongeren daar slechter op in plaatsvan beter. Vrije toegang tot informatie, het recht om jezelf te ontdekken enom vriendschappen op te bouwen kan niemand je afnemen. De indienerswillen dat jongeren veilig online kunnen en weerbaar zijn. Dat betekentdat je je bewust bent van de risico’s, maatregelen kan nemen om jezelf tebeschermen en weet wie je kan helpen als er iets fout gaat. Zo combi-neren we vrijheid en veiligheid.Dat doen we niet alleen. Nederland heeft veel jongeren, opvoeders,professionals, beleidsmakers, organisaties, scholen en verenigingen diezich inzetten voor een veiligere online wereld. Die krachten moeten webundelen en veel beter benutten. Niet voor de zoveelste keer een nieuwepubliekcampagne optuigen, maar vertrouwen geven aan de mensen die algoed werk leveren. En er voor zorgen dat organisaties beter samen-werken. In de politiek moet duidelijk zijn wie er verantwoordelijk is vooreen veilige online wereld voor kinderen. De bewindspersonen die gaanover digitalisering, onderwijs, welzijn, veiligheid en preventie moeten ookgoed met elkaar samenwerken.Daarom schrijven de indieners deze nota. We doen voorstellen over hoejongeren weerbaar kunnen worden, hoe de verantwoordelijkhedenverdeeld moeten worden en om alle organisaties die werken aanpreventie zekerheid te geven. Dat doen we vanuit een gezamenlijke visie:iedereen heeft het recht om vrij en veilig het internet te gebruiken. Waarinwe duidelijke grenzen stellen, maar met respect voor het recht vanjongeren om een online leven te hebben. Als iedereen zich bewust is vande risico’s en we die als politiek en maatschappij zoveel mogelijkwegnemen, wordt de online wereld een stuk gezelliger.2 Probleemschets Er is al veel onderzoek gedaan naar de online veiligheid van jongeren. Deconclusies lopen uiteen: er is niet één duidelijke analyse die in allegevallen klopt. In dit hoofdstuk proberen de indieners alsnog deproblemen rondom de online veiligheid van jongeren samen te vatten opbasis van verschillende onderzoeken. Zo zijn we duidelijk over hoe wij deproblemen zien.2.1 De controle kwijt Te beginnen met het idee van «weerbaarheid.» Wij zien dat als het gevoeldat je zelf de baas bent over jouw online wereld. Dat je weet wat degrenzen zijn, nare dingen herkent en vermijdt en bewust bent hoe je jezelfen anderen kan helpen als er iets mis gaat. Dat is op dit moment nog teweinig het geval.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 22 De schermtijd van jongeren gaat omhoog. Kinderen tussen de 0 en de 6zitten per dag bijna 1 uur en 45 minuten voor een scherm.1 Meer dandriekwart van de kinderen tussen de 7 en de 12 heeft al een eigensmartphone, die ze gemiddeld 5 uur per dag gebruiken.2 3 De helft vankinderen tussen de 9 en de 13 vindt zichzelf telefoonverslaafd.4 Maar ookjongvolwassenen vinden van zichzelf dat ze te veel achter een schermzitten: 62% van de jongeren tussen de 18 en 24 zegt verslaafd te zijn.5Jongeren kunnen zich door hun mobieltjes en sociale media minder goedconcentreren en ze slapen slechter.6 Ook kan de mentale gezondheid eenflinke klap krijgen door te veel in de online wereld te leven.7 Problema-tisch schermgebruik is ook een sociaal probleem. Jongeren en opvoedersin een kwetsbare gezinssituatie, met veel stress of financiële problemen,zijn extra gevoelig voor de nadelige kant van het internet.8Een verslaving kunnen we het niet zomaar noemen: «telefoonverslaving»wordt niet officieel erkend of behandeld. Maar er is wel degelijk sprakevan problematisch gedrag als zo veel jonge mensen zichzelf verslaafdnoemen. Dat laat zien dat jongeren zichzelf machteloos voelen en het ideehebben altijd «aan» te (moeten) staan. Het is geen natuurverschijnsel,maar een bewuste keuze van de bedrijven die telefoons, apps en socialemedia maken. Apps als Instagram, TikTok en X worden gebouwd om zolang mogelijk de aandacht te trekken. Voorbeelden hiervan zijn heteindeloos door kunnen scrollen, pushnotificaties die alsmaar binnen-komen, en beloningen als je heel actief bent.9Een hoge schermtijd staat niet per sé gelijk aan problematisch gebruik.Waar veel schermtijd voor de ene jongere leidt tot onzekerheid enuitsluiting, is het voor een ander dé manier om in contact te blijven metvrienden die in het buitenland wonen. Of de enige mogelijkheid om alsjonge LHBTI’er in een conservatieve omgeving te leren over gender enseksualiteit. Er is niet één oplossing die voor iedereen werkt en deproblemen verschillen tussen groepen jongeren.10 De politiek moet nietdoorschieten in strenge, algemene maatregelen die onbedoeld veelschade aanrichten.11In de Europese Unie wordt gewerkt aan wetgeving om sociale media alsgeheel aan te pakken.12 De overgrote meerderheid van de Tweede Kamerwil ook dat er keihard wordt ingegrepen in deze platforms om ze minderverslavend en polariserend te maken.13 Techbedrijven hebben een groteverantwoordelijkheid om hun platforms anders te ontwerpen, de politiekmoet ze daartoe dwingen. Zodat gebruikers keuzevrijheid hebben om tebepalen wat ze te zien krijgen en welke functies ze aan of uit willen zetten.1Iene Miene Media-onderzoek (Netwerk Mediawijsheid, 2023)2Onderzoek: Monitor Mediagebruik kinderen 7 – 12 jaar (Netwerk Mediawijsheid, 2021)3Jongeren vijf uur per dag op smartphone: «Meer tijd nodig om te leren» (NOS, 2022)4Helft van de kinderen tussen 9 en 13 vindt zichzelf telefoonverslaafd (NOS, 2023)5Nederlanders worstelen met smartphoneverslaving (Motivaction, 2023)6Moe en afgeleid: onderzoek bevestigt impact social apps op jongeren (UvA, 2024)7Harmful internet use – Part I: Internet addiction and problematic use (Europese ParlementaireOnderzoeksdienst, 2019)8Wat weten we over de impact van sociale media op het welzijn van jongeren? (NetwerkMediawijsheid, 2024)9Wat maakt social media verslavend? 9 trucs door Instagram, TikTok en andere platformen(Consumentenpsycholoog, 2024)10De impact van sociale media op het welzijn is niet voor alle jongeren hetzelfde (Trimbos, 2024)11«Verbod sociale media is niet de oplossing» (Nederlands Jeugdinstituut, 2024)12Europarlement wil wet om verslaving aan sociale media tegen te gaan (NOS, 2023)13O.a. de motie-Kathmann/Ceder [Kamerstuk 36 531, nr. 22] en motie-Kathmann c.s. [Kamerstuk26 643, nr. 1302]Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 23 2.2 Te veel schadelijke content online Een ander groot probleem: de enorme hoeveelheid schadelijke contentdie online wordt verspreid. Sociale media kent filters die de beelden erwel uit filteren, maar er glippen altijd dingen doorheen. Al helemaal nubedrijven als TikTok hun Nederlandse moderatieteams ontslaan.14Daarbuiten zijn er ook veel ongereguleerde websites. Met één klik op deknop krijg je een waslijst aan video’s van dodelijke ongelukken enonthoofdingen te zien. Wat er in chatgroepen en één-op-één gesprekkengebeurt kan niemand zien, maar ook daar wordt er onderling heftigecontent gedeeld.Het grootste probleem is pesten. 41% van de jongeren vindt dat hetgrootste probleem in Nederland.15 Voor jongeren doet het er niet meertoe of dat online of offline gebeurt, want het effect is hetzelfde: mentaleproblemen en eenzaamheid. Maar waar problemen op de schoolpleingezien worden en opgelost kunnen worden, is er nog te weinig begripvoor wat online pesten met jongeren doet. Alle volwassenen moeten zichdat aantrekken, van ouders tot docenten, maar vooral ook de politici inDen Haag.Naast pesten, krijgen we online ook steeds meer dingen te zien die wehelemaal niet willen zien. Dat versterkt het gevoel dat je niet zelf de baasbent over je digitale leven. Bijna één-vijfde van de tieners tussen de 10 en16 online heeft wel eens iets onprettigs gezien online. Dat gaat dan ombeelden van extreme ongelukken, (dieren)leed of verminking.16 Ooknepnieuws, pestgedrag en haat vinden makkelijker plaats op hetinternet.17 Zulk gedrag normaliseert en manifesteert zich steeds vaker inschoolklassen en op straat.De algoritmes op sociale media jagen deze trend aan. Heftige beeldentrekken de aandacht. En hoe langer je naar zulke berichten kijkt, hoesneller platforms als TikTok, Instagram en X hetzelfde soort berichten aanje laten zien. Die worden alsmaar heftiger om je aandacht vast te houden.Er zijn ook influencers die extreme standpunten delen, met figuren alsAndrew Tate die veel ophef veroorzaken. Juist daardoor worden hunvideo’s sneller gedeeld en dan met name bij jongeren die daar al gevoeligvoor zijn.18 Na een paar keer doorklikken op onschuldige YouTube-video’s,beland je zo in de «manosphere» – een online gemeenschap van mannendie tegen vrouwenrechten zijn.19Het gevolg van zo veel heftige schadelijke content is dat jongerenongevoelig worden. In een fase waarin ze veel bezig zijn met hetontwikkelen van hun identiteit – wie ben je, wat vind je, waar hoor je bij.In die zoektocht komen ze steeds extremere opvattingen tegen. Al snelbelanden ze in een «fuik» waar ze niet meer uitkomen. Eenmaal in contactmet mensen in zulke extreme online omgevingen, gaat de radicaliseringsnel. De AIVD constateert dat sinds 2020, de Nederlandse rechts-14Complete moderatieteam TikTok in Nederland ontslagen (NRC, 2024)15UNICEF Jongerenadvies 2025 (UNICEF, 2025)16Onderzoek toepassing Kijkwijzer voor social mediaplatforms Instagram en TikTok (NICAM,2023)17Online ontspoord: Een verkenning van schadelijk en immoreel gedrag op het internet inNederland (Rathenau, 2021)18De invloed van Manosphere, Tradwives en Andrew Tate op jongeren, vrouwen en lhbtiqa+gemeenschappen (Kennisplatform inclusief samenleven, 2024)19Safer scrolling: how algorithms popularise and gamify online hate and misogyny for youngpeople (UCL & ASCL, 2024)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 24 terroristische beweging en het jihadisme voor een groot deel uit jongerenbestaat.20Ongevoeligheid voor heftige beelden en ideeën leidt ook tot meer onlineseksueel misbruik. Ongeveer de helft van jongeren tussen de 12 en de 25jaar hebben wel eens ongewenste online seksuele intimidatie meege-maakt. Ongeveer één-derde kreeg ooit te maken met ongewenste sextingen één-vierde met online seksueel misbruik.21 Volgens Offlimits, deautoriteit op het gebied van online seksueel kindermisbruik, neemt hetaantal beelden dat wordt gemaakt en rondgedeeld toe. De slachtoffersworden steeds jonger en in toenemende mate zijn het de slachtoffers zelfdie de foto’s en video’s maken.2270% van de slachtoffers tussen de 12 en de 25 jaar krijgt direct te makenmet psychische klachten en sociale gevolgen. Toch praat slechts 37% vanhen over wat hen is overkomen.23 Jonge daders – dus de jongeren diemisbruikmateriaal van minderjarigen kijken of maken – zijn meestalverslavingsgevoelig en ongevoelig geworden voor legale pornografie.24Overigens kampt ook deze groep van (potentiële) daders met schaamte enpsychische klachten.Nederland kent ook het unieke probleem dat we bekend staan als degrootste «hoster» van kindermisbruikmateriaal. 33% van de wereldwijdgerapporteerde websites waar dit materiaal te vinden is, draaien op deserverkasten van Nederlandse bedrijven.25 De netwerken die daar achterzitten zijn internationaal, de slachtoffers ook. Nederland heeft duswereldwijd een verantwoordelijkheid om actief schadelijke content teverwijderen.2.3 Weinig kennis Dat er zo veel nare dingen te zien zijn op het internet is voor veel menseneen verrassing. Niet alle opvoeders zijn zich bewust van wat er in deonline leefwereld van jongeren gebeurt. En als dat wel het geval is, wetenopvoeders niet hoe ze jongeren het best kunnen begeleiden. Door eengebrek aan tijd of kennis is het zelfs de vraag of opvoeders daar wel aantoe komen. Bovendien zijn opvoeders zelf ook vatbaar voor de versla-vende trucjes van sociale media. Het merendeel van hen legt niet aan hunkinderen uit wat de gevaren zijn van de online leefwereld.26Het is essentieel dat opvoeders kinderen al vanaf jonge leeftijd – onderbegeleiding van ouders – leren omgaan met digitale media. Terwijlopvoeders moeite hebben om de online wereld bij te houden, speelt diewereld een steeds groter deel in het leven van jongeren. Zo volgt 78% vande jongeren het nieuws via sociale media. Instagram, TikTok en YouTubezijn de voornaamste nieuwsbronnen. Er is weliswaar geen sprake van eenvertrouwenscrisis dat jongeren hebben in nieuwsbronnen, maar dekanalen waarop ze dit binnenkrijgen zijn, aan de andere kant, wel degelijkriskant. Sociale media faciliteren nepnieuws en door de komst vanartificiële intelligentie (AI) wordt het alsmaar moeilijker om echt van nep20Een web van haat – De online grip van extremisme en terrorisme op minderjarigen (AIVD,2025)21Helft jongeren maakt online seksueel misbruik of intimidatie mee (Ipsos, 2025)22Jaarverslag Meldpunt Kinderporno 2024 (Offlimits, 2025)23Helft jongeren maakt online seksueel misbruik of intimidatie mee (Ipsos, 2025)24Maak het bespreekbaar: Onderzoek naar jonge (potentiële) daders van seksueel kindermis-bruik (Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen & Stop ItNow, 2023)25Jaarverslag Internet Watch Foundation (IWF, 2023)26Iene Miene Media Onderzoek (Netwerk Mediawijsheid, 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 25 te onderscheiden.27 Kritisch nadenken over wat je online ziet en nieuws-gierig zijn of informatie wel klopt zijn essentiële vaardigheden.Jongeren zijn zich onvoldoende bewust van deze risico’s en gevaren vande online wereld. Bijna de helft van ouders en hun kinderen weet niet ofze online misdaad zouden herkennen en weten niet wat ze daar tegenkunnen doen.28 Nederlandse leerlingen zijn gemiddeld minder digitaalgeletterd dan leerlingen uit andere landen.29 Dat maakt ze vatbaar voorbeïnvloeding en minder bewust van de risico’s van (hun) online gedrag.Scholen met veel achterstandsleerlingen scoren nog lager op digitalegeletterdheid. Zo versterkt digitalisering kansenongelijkheid.Scholen moeten een belangrijke rol spelen om vaardigheden aan te leren.Dat erkennen de PO-raad, VO-raad en Kennisnet.30 iTeachers, eenorganisatie die ICT-les geeft op achterstandsscholen, ziet dat leraren hunleerlingen soms overschatten. Jongeren die «handig» met een tablet omkunnen gaan, worden al snel gezien als digitaal vaardig. Maar dat zegtweinig over hun diepere kennis.31 Nu digitale geletterdheid vanaf1 augustus 2027 een vast deel wordt van het curriculum op school, moeter meer worden gedaan om leerlingen voor te lichten.32 Dat is niet van deene op de andere dag gedaan. Het vergt ook lef van leraren en aandachtop de PABO, waar leraren worden opgeleid.33Tegelijkertijd zijn we ons bewust dat scholen al veel op hun bord hebben.Er is een lerarentekort en scholen hebben niet altijd genoeg kennis in huisover ICT en de online wereld. Ze zijn afhankelijk van eigen personeel datzich hier voor inzet, of externe programma’s of partijen die lessenaanbieden. Online trends komen en gaan echter snel. Als er iets in eenklaslokaal speelt rondom een nieuwe challenge, kan een school hier nietsnel genoeg op reageren. Dan zijn het de leerlingen die hun leraar moetenleren wat er aan de hand is. Leerzaam, maar geen oplossing voor hetmediawijs maken van de leerlingen.2.4 Geen gezamenlijk plan Iedereen voelt dat er wat moet gebeuren. Maar wie precies aan zet is, blijftde grote vraag. Scholen kijken naar opvoeders om hun kinderen wegwijste maken online. Opvoeders kijken naar de politiek om streng tenormeren. De politiek kijkt naar de wetenschap om houvast te geven overwat voor normen er nodig zijn. En wetenschappers zitten met de handenin het haar: de nuance waarmee zij naar de problemen kijken, wint in DenHaag regelmatig niet.In Den Haag is niemand écht de baas over dit onderwerp. Er zijn vijfverschillende ministeries verantwoordelijk:•Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatiesmoet ervoor zorgen dat Nederland op een verantwoorde manierdigitaliseert en rechten respecteert.27Jongeren, nieuws en sociale media: Een blik op de toekomst van het nieuws (Commissariaatvoor de Media, 2024)28Onderzoeksrapportage HackShield: Kinderen en cybersecurity (Motivaction, 2023)29ICILS 2023: De digitale geletterdheid van Nederlandse leerlingen in het voortgezet onderwijs(NRO & Ministerie van VWS, 2024)30Position paper VO-raad, PO-Raad en Kennisnet voor het rondetafelgesprek Jongeren ensociale media d.d. 28 mei 2025 (PO-raad, VO-raad & Kennisnet, 2025)31Position paper voor het rondetafelgesprek Online kinderrechten d.d. 2 oktober 2024 (iTeachers,2024)32Kamerstuk 31 203-83333Position paper voor het rondetafelgesprek Online kinderrechten d.d. 2 oktober 2024(HackShield, 2024)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 26 •Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport moetervoor zorgen dat jongeren gezond zijn door vroeg te interveniëren omproblemen te voorkomen.•Het Ministerie van Justitie en Veiligheid moet ervoor zorgen datonline misbruik wordt voorkomen, slachtoffers worden geholpen encybermisdaad wordt bestreden.•Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moetervoor zorgen dat jongeren digitaal geletterd worden en toeganghebben tot betrouwbare informatie.•Het Ministerie van Economische Zaken moet zich inzetten vooreffectieve maatregelen tegen onveilige online platforms en keuzevrij-heid voor gebruikers.De ministeries werken niet genoeg samen. Als er al iets wordt gedaan,dan is dat zonder andere ministeries of organisaties te betrekken. Dat isschieten met hagel zonder een duidelijk doel. Duidelijke resultaten blijvenuit, ondanks de goede bedoelingen.Tegelijkertijd staat het hele veld van preventie-organisaties klaar metbewezen effectieve oplossingen. Van speelse lespakketten die aansluitenop de leefwereld van jongeren tot betrouwbare methodes om onlinecontent te classificeren en adviezen voor een gezonder telefoongebruik.Helaas wordt er te weinig gebruik gemaakt van de kennis die er al is. Dezeorganisaties werken wel met elkaar samen, zoals de 1.000+ organisatiesbinnen het Netwerk Mediawijsheid.34 Of UNICEF, die samen met LeidenUniversiteit en Kennisnet een reeks essays publiceerde over onlinekinderrechten.35 In het verleden hebben constructies zoals het PlatformInternet Veiligheid (PIV), het Safer Internet Center NL en Better InternetFor Kids al hun meerwaarde getoond als manier voor organisaties omsamen op te trekken.Uiteindelijk moeten deze ambities op lokaal niveau worden gerealiseerd.Gelukkig zetten steeds meer gemeenten zetten zich hiervoor in. Zij voelenzich verantwoordelijk voor het welzijn van kinderen in hun dorpen ensteden. Gemeente Amsterdam heeft samen met lokale partners een plangemaakt, met financiering, voor een veilige online leefomgeving.36 215gemeenten maken inmiddels gebruik van de lessen van HackShield omkinderen spelenderwijs digitaal weerbaar te maken.37 Gemeenten enzorgorganisaties hebben ook meegewerkt aan de richtlijnen voor socialemedia, getrokken door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn enSport.38 Bij de Risk Factory, een initiatief in drie verschillende veiligheids-regio’s, leren jongeren integraal over de echte en de online wereld.Er bestaat in Nederland dus één groot preventienetwerk, bestaande uitduizenden maatschappelijke, publieke en commerciële organisaties. Zijkrijgen te maken met versnippering in de financiering, wat samenwerkingin de weg staat. Zo ontstaan er telkens losse projecten, waar niet allerelevante maar slechts één of enkele organisaties bij betrokken worden.Een gezamenlijk plan van bovenaf waar alle projecten aan zouden kunnenbijdragen ontbreekt. In plaats van elkaar versterken, is er sprake vandubbel werk en tegenstrijdige projecten. Door het ontbreken van inzicht inen overzicht van waar alle betrokkenen mee bezig zijn, verliezen we te34Over Netwerk Mediawijsheid (Netwerk Mediawijsheid)35Essaybundel Kinderrechten in de digitale wereld (UNICEF, 2023)36Programma Online Leefwereld Jongeren (gemeente Amsterdam, 2025)37215 gemeenten gebruiken de lessen van HackShield om kinderen spelenderwijs digitaalweerbaar te maken: https://nl.joinhackshield.com/nl/kaart38Richtlijn Gezond Schermgebruik (Ministerie van VWS, Universiteit Utrecht & Vrije UniversiteitAmsterdam, 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 27 veel tijd aan opnieuw dezelfde dingen uitvinden. Het lerend vermogen vanalle betrokkenen neemt daardoor ook af, terwijl de urgentie om samenaan de slag te gaan groot is.De financiering van al het bestaande netwerk en losse projecten isversnipperd over verschillende ministeries. De enige structurele finan-ciering volgt uit de Mediawet, die wordt betaald door het Ministerie vanOCW. Alle andere projecten moeten het doen met financiering opjaarbasis vanuit verschillende ministeries. Structurele financiering voorhet hele preventienetwerk, zowel de bestaande samenwerkingen als losseprojecten, ontbreekt. Dat beperkt de vrijheid van de experts om sameninitiatieven te ontwikkelen en maakt het voortbestaan van waardevolleprojecten onzeker. Ze kunnen de groeiende urgentie voor weerbaarheidniet bijbenen, omdat de financiering over meerdere jaren onzeker is. Hetleidt ertoe dat experts meer bezig zijn met fondsenwerving, dan met hetwerken aan goede plannen voor een veiligere online omgeving.Tot slot ontbreekt er structureel één stem aan tafel: die van de jongerenzelf. In het debat over hún rechten gaat het steeds over de gevaren en hetnemen van harde maatregelen om toegang tot applicaties die mogelijkschadelijk zijn te ontnemen. Dat doet totaal geen recht aan de belevingvan jongeren. Ze zijn zich bewust dat er regelmatig dingen fout gaan.Maar ook geven jongeren aan dat er echte voordelen zitten aan de onlinewereld.39 Doordat jongeren buiten de discussie worden gehouden, is ergeen oog meer voor de kansen die er zijn op het internet. In meerderheidgeven zij aan dat ze gelukkiger worden van sociale media en dat het goedis voor hun vriendschappen.403 Argumenten Met alle problemen op een rij is het wel duidelijk dat er werk aan dewinkel is. De indieners willen daar oplossingen voor bieden, maar we zijnons volledig bewust dat het niet zo zwart-wit is. Het internet is niet ééngrote schroothoop. Het is ook een plek die heel veel te bieden heeft. In hetbijzonder voor nieuwsgierige jongeren die zich ontwikkelen. Alle jongerenzijn anders en hebben andere behoeften. Er is dan ook niet één plan tebedenken dat voor iedereen werkt.Ellende voorkomen is uiteindelijk het allerbeste middel. Vanuit diegedachte willen wij jongeren weerbaar maken, inzetten op preventie en deschadelijke content van het internet opruimen. We moeten de basis oporde brengen, zodat iedereen zich bewust is van zowel de voor- als denadelen van de online wereld. Zodat jongeren en opvoeders samenkunnen bepalen wat voor hun de beste oplossingen zijn. Ondersteunddoor één Nederlands preventienetwerk dat hen hier zo goed mogelijk bijhelpt en aansluit op de verschillende behoeften van jong en oud.Voor ons zijn de rechten van kinderen leidend. Natuurlijk komen wetegemoet aan de behoefte van opvoeders, die zich ook machteloos voelenen vragen om duidelijkheid. Wij menen dat we die duidelijkheid kunnengeven door een innige samenwerking aan te gaan tussen de overheid, hetpreventienetwerk en de maatschappij. Met één gezamenlijk plan dat dooriedereen wordt gedragen, voorzien van een zekere financiering zodat hetjarenlang mee kan gaan.39Mediagebruik 13-16 jarigen (Nederlands Jeugdinstituut)40De plussen en minnen van social media: Jongeren aan het woord (UvA, 2023)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 28 In dit hoofdstuk staat wat de visie is van de indieners op weerbaarheid,preventie en een schoon internet. We beschrijven wat volgens ons degrote opgave is en stellen een doel. Vervolgens beschrijven wij hoe wehoe we komen tot één gezamenlijk plan om deze doelen te halen.3.1 Weerbaarheid Jongeren en opvoeders leren om te gaan met gevaren op het internet,zodat de voordelen van het internet kunnen worden benut zonder dat hetrecht op informatie wordt beperkt.Het uitgangspunt van de indieners is dat jongeren moeten leren hoe zegoed met technologie en de digitale wereld om kunnen gaan. Het onlineleven van jongeren is voor het grootste deel van henzelf. Opvoederszullen nooit volledig weten wat daar allemaal gebeurt, dat is ook nietwenselijk. Jongeren hebben de behoefte en het recht om zichzelf teontwikkelen. Ga daarom uit van hun nieuwsgierigheid en zelfstandigheid,zonder hun vrijheid in te perken. Pas dan worden jongeren weerbaar: alszij zelf een onderdeel van de oplossing zijn en niet worden weggezet alshet probleem.Jongeren zijn weerbaar als ze het volgende zelf kunnen doen: risico’sherkennen, problemen signaleren en daar vervolgens op handelen. Zemoeten omringd zijn door een vangnet dat hen kan helpen, maar moetenook zelfstandig in actie (kunnen) komen. Het is niet precies te metenwanneer daar sprake van is, dat is voor iedereen anders. Een belangrijkeindicator is of jongeren zelf aangeven dat ze in zichzelf vertrouwen ombewust online te zijn. Daarbij moet gezegd worden dat kennis nog nietgelijk staat aan gedrag. Pas als er echte gedragsverandering is, weet jezeker dat jongeren zelfredzaam zijn en elkaar kunnen ondersteunen.Aansluiting op de leefwereld van jongerenHet weerbaarheidsaanbod – de lessen en initiatieven gericht op jongeren– moet daarom aansluiten op hun leefwereld. Zo biedt het echt hande-lingsperspectief voor de situaties waar jongeren in terecht komen. Omdatdie trends heel snel ontwikkelen, zijn lespakketten binnen de kortste kerenverouderd. Organisaties die lespakketten maken zullen flexibel moetenwerken, net als HackShield die binnen enkele weken actueel materiaal kanafleveren. Door intensief samen te werken met de overheid, gemeenten,scholen, kennisorganisaties, bibliotheken, kinderopvang, zorg- enwelzijnsorganisaties, maar vooral ook met jongeren en opvoeders,kunnen zij hun aanbod afstemmen op de vraag.Die vraag verschilt enorm per groep. Er zijn grote verschillen tussengroepen jongeren op basis van gender, seksualiteit, geloof en afkomst.Het gedrag van jongeren online loopt evenveel uiteen als binnengemeenschappen in wijken, dorpen en steden. De betrokkenheid vanlokale vertrouwelingen is daarom essentieel. Scholen spelen daarin eenrol, maar ook (sport)verenigingen, jongerenwerkers, wijkagenten enandere sleutelfiguren in de wijk horen bij de totaalaanpak voor onlineweerbaarheid. Samen met de jongeren weten zij wat er nodig is.Gezamenlijke verantwoordelijkheidWeerbaarheid komt vanuit jongeren zelf. Maar de weg daar naartoe moetvan alle kanten worden ondersteund. De overheid moet ervoor zorgen datiedereen toegang heeft tot hulpmiddelen en voorlichting. Organisatiesontwikkelen die voorzieningen vanuit hun eigen expertise en betrekkenalle belanghebbenden. Scholen moeten dit aanbod vervolgensTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 29 beschikbaar stellen voor leerlingen. Opvoeders – ouders, maar ookjongerenwerkers en wijkagenten – moeten zich inleven in de leefwereldvan jongeren, zodat zij goede afspraken kunnen maken over internetge-bruik en een veilige plek zijn waar jongeren bij terecht kunnen.Samen vormen al deze belanghebbenden één ecosysteem. Een effectieveaanpak voor online weerbaarheid maakt gebruik van het hele netwerk.Elke schakel in die keten heeft daarom hulpmiddelen en voorlichtingnodig. Beperk deze voorzieningen niet alleen tot de jongeren, maar stel zebeschikbaar voor iedereen en op hun kennisniveau, van opvoeder totleraar. Iedereen moet digitaal vaardiger worden zodat het vangnet omjongeren heen verstevigt.Shit happensEén ding zullen we moeten onderkennen: er gaat heus wel eens iets mis.Net als in de fysieke wereld, kom je online dingen tegen die je liever niethad willen zien. Dat kan je nooit volledig voorkomen. Een eventueelverbod kan averechts werken door rechten en vrijheden inperken, zoalshet recht op toegang tot informatie en de vrijheid van meningsuiting. Enhet is nog maar de vraag of het effectief zou zijn. Als toegang tot bepaaldecontent wordt beperkt, zijn jongeren slim genoeg om alsnog toegang tekrijgen. Dan verplaatsen zij zich naar plekken die nog verder uit het zichtzijn van autoriteiten, het zogenaamde «waterbedeffect.»De eerste stap is dus om te accepteren dat er soms iets fout zal gaan.Jongeren moeten weten dat dat oké is en dat het niet per sé hun schuld isals hen iets overkomt. Als er een taboe heerst, dan wordt het probleemnooit bespreekbaar. Zelfs dan zullen er jongeren zijn die hun problemenniet met hun opvoeders willen of kunnen bespreken. Er moet dus altijdlaagdrempelige hulp zijn, waar jongeren onafhankelijk van wie dan ook bijterecht kunnen. Dat voorkomt dat problemen zich opstapelen en ergerworden. Vooral als het gaat om illegaliteit of misdaad.Dit willen wij bereiken:•Jongeren geven aan dat zij weerbaar zijn online. Ze hebbenconcreet handelingsperspectief voor situaties waar zij online in terechtkomen.•Alle jongeren zijn in aanraking gekomen met het weerbaar-heidsaanbod. Elke school heeft tijd besteed aan de online weerbaar-heid van jongeren.•De meldingsbereidheid onder jongeren neemt toe. Problemendie zich online afspelen, worden bespreekbaar. Het lukt jongeren omde weg te vinden naar de juiste ondersteuning.•Jongeren helpen elkaar. De beste steun komt van leeftijdsgenotendie elkaar opzoeken. Jongeren moeten elkaar onderling kunnenondersteunen als er iets mis gaat.•Het beschikbare weerbaarheidsaanbod is actueel en sluit aanop de leefwereld van jongeren. Kennis en ervaring wordt vrijuitgedeeld tussen de relevante kennisorganisaties.•Alle belanghebbenden hebben toegang tot een weerbaarheids-voorziening. Er is een actueel aanbod voor opvoeders, leraren enandere relevante figuren.3.2 Preventie Opvoeders zijn in staat om jongeren te begeleiden tot verantwoordgebruik van de online wereld. Online pesten en ander online misbruikwordt effectief voorkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 210 Nog beter dan goed met problemen omgaan, is problemen voorkomendoor vroeg te interveniëren. De indieners geloven dat alle jongeren eensterk vangnet om zich heen nodig hebben dat op tijd in kan grijpen en hengoed kan begeleiden. Problematisch gedrag kan dan sneller wordengesignaleerd en voorkomen. Er kunnen betere afspraken worden gemaaktover online gedrag tussen opvoeders en jongeren zodra de kloof in kennisafneemt. We kunnen alleen niet van opvoeders, docenten en anderesleutelfiguren verwachten dat zij hier zomaar toe in staat zijn. Terechtkijken zij naar de politiek voor handelingsperspectief.De komst van richtlijnen voor schermtijd en sociale media voor verschil-lende leeftijden is een begin. Het is nodig om alle expertise in Nederlandsamen te brengen zodat elke opvoeder, jeugdzorgprofessional, jongeren-werker en docent toegang heeft tot dezelfde betrouwbare informatie. Alleorganisaties die hier aan werken, moeten er samen voor zorgen dat zij alledoelgroepen bereiken en naar elkaar verwijzen. Ze verkondigen dezelfdeboodschap, maar gebracht op een manier die aansluit op verschillendedoelgroepen. Zo krijgt ieder sociaal vangnet de voorlichting die zij nodigheeft om goed te functioneren.Toegankelijk voor iedereen en gebruik wat er al isHoe het vangnet van jongeren eruit ziet, verschilt per persoon. Webereiken alle doelgroepen door volop gebruik te maken van het bestaandenetwerk. Nieuwe campagnes optuigen zorgt alleen maar voor versnip-pering. Een investering in bestaande organisaties, landelijk en lokaal, kanhetzelfde of zelfs meer opleveren. Kijk bij elke nieuwe actie rondom onlineveiligheid voor jongeren altijd naar het bestaande netwerk. Verken welkeorganisaties samen in staat zijn om het doel te bereiken. Als er eennieuwe voorziening moet worden getroffen, doe dat dan gezamenlijk.Zodat alle kennis wordt benut om mensen zo goed mogelijk te bereiken.Bijzondere aandacht gaat uit naar lokale initiatieven. Doorgaans wordt deeigen school, vereniging of kinderarts het meest vertrouwd. Zij bereikenopvoeders en jongeren die worden vergeten door landelijke campagnesmet een sterk netwerk dat al stevig staat. Het is een kans dat preventievoor een groot deel bij gemeenten ligt. Trek samen met lokale overhedenop en help hen om lokale sleutelfiguren in kaart te brengen en te voorzienvan toegankelijke hulpmiddelen en voldoende geld. Betrouwbareinformatie van organisaties zal op alle plekken met veel opvoeders enjongeren te vinden moeten zijn, van de supermarkt tot de huisartsen-praktijk.Risico’s vermijden per mediaAlle apps, websites en games werken anders. Aan Snapchat kleven heleandere risico’s dan aan Roblox, omdat ze een ander ontwerp en doelhebben. Besef in het preventieve werk dat de online leefwereld vanjongeren bestaat uit verschillende omgevingen met andere spelregels,met andere «communities.» Een algemeen verbod op TikTok werkt nietvoor de tiener die de app op een verantwoorde manier gebruikt om haarfavoriete boekentrends te volgen, bijvoorbeeld. Het is dus nodig om deonline omgevingen waar jongeren zich het meest op begeven, goed tebegrijpen.Systeemrisico’s van verschillende online omgevingen moetenbetrouwbaar worden vastgesteld. Nederland heeft daar de juiste expertisevoor in huis, denk aan het NICAM, ook bekend van de Kijkwijzer,Gamewijzer en het betrokken zijn bij de leeftijdsadviezen van PEGI.Iedereen moet worden geïnformeerd over de wetenschappelijk bewezenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 211 risico’s. Dat kan met een bijsluiter bij nieuwe telefoons, waarin deadviezen voor schermtijd beschreven staan. Samen met de telefoonpro-ducenten en mobiele providers kan dit worden afgesproken. Maar eenDigitale Kijkwijzer in appstores, waarin per app te belangrijkste risico’sworden beschreven, kan ook bijdragen aan meer begrip voor hoe deplatforms werken. Het is aan de Tweede Kamer en het EuropeesParlement om strenge regels te maken, zodat de platforms gezonderworden.Aandacht voor slachtoffers én dadersOnline problematiek is geen natuurverschijnsel. Vaak zijn het jongeren zelfdie zich schuldig maken aan pestgedrag, afpersing of seksueel misbruik.Natuurlijk zijn er consequenties voor de daders. Maar een effectieveaanpak moet ook begrip hebben voor daders. Als we begrijpen waaromjongeren zich misdragen, kunnen ze beter begeleid worden om zulkgedrag te bestrijden. Meeste daders hebben zelf te maken met problemen,vaak gelaagd en complex. Of beleven grote sociale druk van hunomgeving en hebben te maken met radicalisering.Jongeren die dader zijn of potentieel dader kunnen worden, moetenvroegtijdig begeleiding krijgen. Ze horen niet thuis in het verdomhoekje,maar op een plek waar ze kunnen leren en zichzelf beteren. Wie weetkomen ze daar veel beter tot hun recht. Denk aan jongeren die hun schoolhacken en een fantastische ethische hacker kunnen worden. Of aanjongeren die zijn geronseld, die de politie kunnen helpen om ronselaarsvan de straat te halen. Effectieve vroege interventies die zich op de dadersen kijkers richten, en uit gaan van compassie in plaats van afschuw,kunnen heel effectief zijn.Dit willen wij bereiken:•Opvoeders en leraren weten wat er speelt in de online leefwe-reld van jongeren. Zij nemen hun verantwoordelijkheid in hetbegeleiden van jongeren.•Voorlichting op alle vertrouwde plekken. Landelijke voorzienin-gen bereiken alle doelgroepen door aan te sluiten op de lokalepreventie-aanpak van gemeenten.•Kennis over de specifieke risico’s van apps. Organisaties enwetenschappers werken samen om per online omgeving de gevaren inkaart te brengen.•Scholen, verenigingen en jongerenorganisaties hebbeneenduidige informatie. Ze zijn op de hoogte van het beschikbareaanbod van begeleiding en ondersteuning in het geval van onlinepestgedrag en seksueel misbruik.•Compassievolle begeleiding van (potentiële) daders. Er isbegeleiding voor (potentiële) daders naar plekken waar ze leren omhun talenten te gebruiken.3.3 Schoon internet Nederland speelt een actieve rol in het opsporen en verwijderen vanillegale content online. De experts die hier voor zorgen hebben effectievetechnische middelen om dit te doen.Nederland moet een bijzondere verantwoordelijkheid voelen om hetinternet op te schonen. Ons land staat bekend als «bad hoster» van dewereld, met grote hoeveelheden illegale content die op Nederlandseservers worden bewaard. We moeten meer doen om proactief illegale enschadelijke beelden op te sporen en te verwijderen. De indieners gelovenin de nationale aanpak van de zedenpolitie, Offlimits en de ATKM, die nuTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 212 al intensief samenwerken om online seksueel kindermisbruik te bestrijdenen voorkomen. We stellen voor om dat uit te breiden, op een manier dieproportioneel is en bijdraagt aan de veiligheid van jongeren.In Brussel staat Nederland ook bekend als zeer kritisch richting grotetechbedrijven. De Kamer en het kabinet zijn voorstander van een hardehandhaving van Europese wet- en regelgeving die techbedrijvenverantwoordelijk stellen voor wat er op hun online platforms gebeurt. Ditmoet onverminderd worden doorgezet om de online leefwereld struc-tureel veiliger te maken voor iedereen. Alle experts en organisaties die werijk zijn, kunnen hierbij helpen. Ze moeten altijd worden geraadpleegdover relevante de Europese wet- en regelgeving.Offline halen van illegaliteitIllegale content hoort niet op online platforms. We rusten de nationaleautoriteiten goed uit om snel op meldingen te reageren en verwijderver-zoeken te doen. 24/7 dienstverlening moet gegarandeerd zijn, zodat ernooit kostbare tijd verloren gaat als er illegale content wordt verspreidonline. Pak ook de «bad hosters» aan – de bedrijven waar die contentwordt opgeslagen – met «know-your-customer»-beleid of door autori-teiten zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en de ATKM in staat te stellenbestuurders sancties op te leggen. De TU Delft heeft een methodeontwikkeld om te monitoren hoe bekende misbruikbeelden verspreidworden tussen hostingbedrijven.41 Ook is er de Hash Check Service,waarmee bekende illegale beelden opgespoord kunnen worden.42 Doorzulk onderzoek structureel uit te voeren, halen we kostbare informatie opwaar autoriteiten hun acties op kunnen baseren.Het moet voor alle jongeren en opvoeders duidelijk zijn dat zij meldingkunnen doen van illegale content. Het doel is dat de meldingsbereidheidvan jongeren groeit door één duidelijke landingspagina voor meldingen inte richten. Vervolgens kan deze pagina onder de aandacht wordengebracht in communicatie, voorlichting en via vertrouwde informatie-bronnen. De technische mogelijkheden om sneller te kunnen melden,zoals een ingebouwde meldfunctie of een makkelijke landingspagina meteen verwijzing naar alle meldpunten, moeten ook worden onderzocht.Schadelijke content classificerenEr is ook schadelijke content die grote gevolgen kan hebben voorjongeren, maar niet illegaal is. Denk aan bikinifoto’s van tienermeiden ofvideo’s van dronken pubers die domme dingen doen. Zulke beeldenkunnen je achtervolgen en leiden tot uitsluiting en psychische klachten.Jongeren die te maken hebben met schadelijke maar legale contentmoeten ook aanspraak kunnen maken op laagdrempelige hulpvoorzie-ningen. Hierin kunnen bestaande autoriteiten en meldpunten een rolspelen. Tegelijkertijd moet de overheid geen censuur toepassen, want devrijheid van meningsuiting is een groot goed.Contentclassificatie zou helpen om bepaalde soorten content beter af teschermen online. Denk aan het toevoegen van kenmerken als «geweld-dadig» of «dierenleed» aan online berichten. Het NICAM heeft hier eensysteem voor ontwikkeld, «Kijkwijzer Online,» wat hiervoor ingezet kanworden. Jongeren kunnen dit soort content beter vermijden doordat vantevoren duidelijk is dat hier sprake van is. Jongeren geven aan dat dezeinformatie voor hen nuttig is. Het helpt ook de autoriteiten om gerichter te41CSAM Hosting Monitor: rapport september 2020 (TU Delft, 2020)42hashcheckservice.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 213 kunnen kijken naar geclassificeerde content, waar sneller sprake zal zijnvan kwalijke randgevallen.Reguleren van online platformsSociale media, in hun huidige vorm, zorgen voor te veel problemen. Deeigenaars van TikTok, Instagram en X worden in Europa verplicht om hunplatforms veiliger te maken. Verslavende en polariserende ontwerpkeuzeszijn echter nog altijd een onderdeel van hun verdienmodel. Nederlandmoet het voortouw nemen in het beter aanpakken van deze structureleproblemen. Die inzet kan worden ondersteund met de kennis vanwetenschappers en organisaties, die kunnen onderbouwen welkeontwerpkeuzes tot de grootste risico’s leiden.Een veiliger internet vraagt om meer keuzevrijheid voor iedereen. Alsgebruikers zelf kunnen kiezen welke content ze willen zien, hoe hun tijdlijnis ingericht en in welke algoritmes ze belanden, hebben zij meer zeggen-schap. Dat maakt hen – en met name jongeren – beter bewust van huneigen online ervaring. Het voorkomt dat ze geconfronteerd worden metongewenste beelden. De platforms zijn hiervoor verantwoordelijk.Dit willen wij bereiken:•Er wordt proactief gezocht naar «bad hosters.» Autoriteitenkrijgen de opdracht om bekend materiaal op te sporen, zodat we wetenwáár illegale beelden opgeslagen worden. Meer organisaties wordenverplicht gebruik te maken van de Hash Check Service.•Laagdrempelige meldmogelijkheid. Jongeren kunnen met één klikop de knop rechtstreeks melding doen van illegale en ongewenstebeelden.•Hulp tegen schadelijke content. Autoriteiten en meldpunten zijn instaat om slachtoffers van «awful but lawful» content snel te helpen.•Classificeer content. Berichten, foto’s en video’s zijn voorzien vankenmerken over hun inhoud. Zo kan je ongewenste inhoud vermijden.•De structurele problemen van sociale media worden aange-pakt. Nederland zet zich in Europa in voor strenge regels over hetverslavende en polariserende ontwerp van sociale media. Er komenwettelijke kaders voor aanbevelingsalgoritmen.3.4 Wat nodig is: één gezamenlijk plan Van het keukentafelgesprek tussen opvoeder en jongere, tot de kaders diede landelijke overheid stelt: het dient één doel, het zorgen voor een veiligeonline wereld voor jongeren. De indieners willen dat iedereen zijnverantwoordelijkheid neemt in deze brede aanpak. De opgave voorweerbaarheid, preventie en een schoon internet is helder. Om dat om tezetten in actie, moet er een motorblok komen van publieke en privateorganisaties die komen tot een gezamenlijk plan. Geen nieuwe initia-tieven, maar het versterken van wat er al is. Met zekerheid dat het eenduurzame samenwerking is met lange termijn perspectief.De breed aangenomen motie-Dral c.s.43 is de inspiratie geweest voor dezenota. Hierop volgde intensief contact tussen de initiatiefnemers en eenbrede vertegenwoordiging van organisaties die actief zijn in hetecosysteem rondom online kinderrechten. Wij geloven in de kracht vanhet maatschappelijk middenveld dat al jarenlang bezig is met dezeproblemen. Het is tijd om de versnippering te doorbreken en te komen toteen gezamenlijke nationale agenda met alle organisaties die zich willen en43Kamerstuk 26 643-1296Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 214 kunnen aansluiten. De opgave voor zo’n samenwerking staat hierbeschreven.Maak een gezamenlijk planOndanks de onderlinge verschillen tussen organisaties, zijn ze allemaalverbonden in hun missie om jongeren online weerbaar te maken en tewerken aan een veilig internet. Door de huidige structuur, waarinorganisaties individueel opdrachten en financiering moeten bedingen,wordt de samenwerking onvoldoende opgezocht. Na breed overleg meteen vertegenwoordiging van deze organisaties, stellen wij voor om totéén gezamenlijk plan te komen voor de online weerbaarheid vanjongeren. Dit plan brengt de organisaties, wetenschap en de landelijke enlokale overheid samen met een gemeenschappelijk doel. Iedereen draagtbij vanuit de eigen expertise.Zo’n publiek-private samenwerking moet worden voorzien van eentoereikende, structurele financiering. De betrokken organisaties bepalen,op basis van informatie die zij zelf ophalen en met elkaar delen, welkeacties genomen moeten worden. In plaats van concurreren met elkaar,wordt op basis van capaciteit en relevante kennis gekeken wie welkproject het best kan dragen. Zo kan veel sneller worden gereageerd op derazendsnelle werkelijkheid van de online wereld.Eén aanspreekpunt binnen de overheidZoals eerder beschreven, zijn er (te) veel ministeries een beetje verant-woordelijk voor online kinderrechten. Uiteindelijk is daardoor niemandécht verantwoordelijk. Zo ontstaan er veel initiatieven vanuit de deelbe-langen van ministeries zonder samenhang. Tegelijkertijd raakt hetonderwerp ook echt aan alle terreinen. Een brede samenwerking vanoverheid, bedrijfsleven en maatschappij kan dit voorkomen. Plannen dieministeries willen uitvoeren, worden dan voorgelegd aan alle partnersbinnen de samenwerking en worden de meest geschikte organisatiesaangewezen om het uit te voeren. Het budget wordt verdeeld onder departijen.Om daarover politieke verantwoording over af te leggen, is het goed éénaanspreekpunt te hebben in het kabinet. Dan worden we niet meer vanhet ene ministerie naar het andere ministerie verwezen. Volgens ons is hetverstandig om dit neer te leggen bij één ministerie. Dit kan bijvoorbeeldspecifiek bij de coördinerende bewindspersoon voor digitalisering. Het isal zijn taak om digitaal beleid te coördineren en expertise van collega-bewindspersonen in te schakelen waar het nodig is. Dit heeft de Kamergevraagd met de eerdergenoemde motie-Dral c.s.Handelingsperspectief voor jong en oudEen gezamenlijk plan is effectief en maakt duidelijk wat de landelijkeconsensus is over een veiliger internet. Iedereen die een verantwoorde-lijkheid heeft, kan een onderdeel zijn van het plan. Er moet vanuit desamenwerking een concreet handelingsperspectief komen vooropvoeders en jongeren. Uiteindelijk zijn zij hoofdverantwoordelijk voorweerbaarheid en preventie. Dat moet je ze niet landelijk opleggen, maarzo goed mogelijk in steunen.In de nieuwe samenwerking, moet ruimte komen voor iets essentieels: destem van jongeren. We voorkomen dat zij worden vergeten door eenrepresentatieve groep jongeren onderdeel te maken van het plan. Omdathet over hen gaat, schrijven we dat samen. Jongeren hebben veel zinnigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 215 dingen te zeggen over hun online wereld, dat verwerken we in de plannenen dragen we uit met ambassadeurs richting jongeren.Dit willen we bereiken:•Er is één landelijk plan om jongeren weerbaar te maken online.Er is een structurele en duurzame samenwerking die dit draagt,bestaande uit private en publieke organisaties met bewezen bestaans-recht.•Het landelijke plan is onafhankelijk. Er is een structurele financie-ring door de overheid, zodat organisaties niet individueel afhankelijkzijn van subsidies.•Politieke verantwoordelijkheid ligt bij één bewindspersoon.Diegene kan namens het hele kabinet spreken over online kinderrech-ten.•Eén centraal punt met betrouwbare informatie. Het landelijkeplan is gezaghebbend en kan met gezag richtlijnen en advies uitbren-gen aan alle opvoeders en jongeren.•Jongeren krijgen een stem in het beleid. Hun rechten envrijheden worden gerespecteerd in de hele aanpak.4 Beslispunten De analyse en de doelstellingen geven aanleiding tot politieke actie. Deindieners vragen het kabinet om in te gaan op de punten die zij hebbenbeschreven tot nu toe in de nota. Concreet vragen wij de Kamer ermee inte stemmen de regering te verzoeken zich in te spannen voor hetvolgende:1.Schrijf één landelijk plan. Met alle bestaande partners komen wetot één breed gedragen plan voor de online weerbaarheid vanjongeren, dat aansluit op de plannen die al lopen, deze versterkt, enruimte laat voor nieuwe ontwikkelingen. In het plan komen doelenvoor het weerbaar maken van jongeren online en het voorkomen vangevaren. In onze visie gaat het plan uit van de rechten van jongeren,die vrij en veilig zich moeten kunnen begeven op het internet. Door tewerken aan de veerkracht van jongeren, kunnen ze volop genieten vande mooie kant van hun online leven en stevig in hun schoenen staan.Er is maatwerk en een sterke lokale component, omdat organisaties inde buurt er het best in slagen om doelgroepen te bereiken. Er komthandelingsperspectief voor iedereen die te maken krijgt met vraagstuk-ken rondom jongeren en de digitale wereld. Betrouwbare informatienamens alle betrokkenen wordt beschikbaar gesteld op de plekkenwaar jongeren en opvoeders het meeste komen.2.Richt een publiek-private samenwerking op. Het gezamenlijkeplan wordt gedragen door een overkoepelende samenwerking. Dezebestaat uit overheden en zowel publieke als private organisaties diezich al inzetten voor weerbaarheid en preventie. Dit zijn de partijen dienu al bewezen effectief werk verrichten gericht op de online leefwereldvan jongeren en een groot bereik hebben of kunnen hebben. Ga ingesprek met deze organisaties en werk een constructie uit waar alleorganisaties onder kunnen vallen, met behoud van hun onafhankelijk-heid en karakter. Het doel is om meer samenhang aan te brengen inbestaande projecten en te bezien of, en zo ja welke, nieuwe initiatievener nog nodig zijn. Natuurlijk is er ook ruimte voor nieuwe experimen-ten als bestaand aanbod niet voldoende aansluit op wat nodig is. Er iskennisdeling en -opbouw omdat organisaties samenwerken, in plaatsvan concurreren. We maken afspraken over het standaardiseren vanwerk- en onderzoeksmethoden. Zo kunnen wetenschappelijke inzichtengecombineerd en vergeleken worden. Dit alles wordt duurzaam engezamenlijk gefinancierd, zodat het toereikend is voor de groeiendevraag en niet afhankelijk is van individueel toegekende subsidies.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 216 Regie en coördinatie is eerlijk verdeeld over betrokken organisaties, opeen manier die wordt gedragen door partijen; de overheid is niet de«baas» van deze samenwerking en speelt een faciliterende rol.3.Zorg voor een heldere taakverdeling in het kabinet. De huidigeinrichting van het beleid rondom online kinderrechten is gefragmen-teerd. Dit zit samenwerking tussen partners in de keten in de weg.Beleg de coördinatie van dit onderwerp volledig bij het Ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder verantwoordelijkheidvan de Staatssecretaris voor Digitalisering. Alle departementen blijvenvanuit hun eigen expertise bijdragen aan initiatieven en beleid. Nieuweplannen van bewindspersonen worden voorgelegd in de publiek-private samenwerking. In goed overleg wordt eerst afgestemd of ditbinnen bestaande initiatieven al kan worden uitgevoerd. Zo niet, danwordt er gezamenlijk gewerkt aan nieuwe acties die samenhangen metlopende projecten.4.Voer een proactief beleid voor het opschonen van het internet.Nederland heeft een verantwoordelijkheid om illegale content van hetinternet te verwijderen, met respect voor netneutraliteit en de vrijheidvan meningsuiting. Dit spoor staat los van het preventieve spoor endient op een andere wijze gefinancierd te worden. Wij vragen hetkabinet om in overleg te gaan met de TU Delft, de Anti-Abuse Networken de ATKM om de onderzoeksbevoegdheid van de autoriteit uit tewerken. Er moet meer inzicht komen in wáár bekende illegale beeldenworden opgeslagen en hoe deze zich verplaatsen. De inzichten wordeningezet om bad hosters aan te pakken. Ga bovendien in overleg metOfflimits, onder de digitaldienstenverordening aangewezen als«trusted flagger» en bevoegd om verwijderverzoeken te doen vanonline berichten. Zorg in ieder geval dat deze meldingen snelbehandeld worden zodat er goed doorverwezen kan worden naar hulpvoor jonge slachtoffers van schadelijke maar legale content. Breidthiertoe de systematiek van de Kijkwijzer Online van het NICAM uit, dieschadelijke inhoud zowel classificeert als een meldmogelijkheid biedtop sociale media.Aan het demissionaire kabinet vragen wij om een reactie op de voorge-stelde beslispunten, waarin ook gereageerd wordt op de probleemschetsen de doelen zoals door ons verwoord in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3.5 Financieel kader Wij gaan uit van een totaalbedrag van 5 miljoen euro per jaar ombestaande publiek-private samenwerkingen te versterken en toe te werkennaar een duurzame, overkoepelende samenwerking gedragen doorpartijen uit het veld die zichzelf reeds hebben bewezen, onder regie vanéén gezamenlijk plan. Daarbij moeten uitdrukkelijk bestaande effectievemethoden worden benut en wordt vermeden dat er onnodig overlap-pende initiatieven worden opgestart. Dit wordt zowel door publieke alsprivate partijen bekostigd, dus komt het bedrag slechts deels op derekening van de overheid. Ervan uitgaande dat publieke en privatepartijen half-om-half bijdragen om een gezamenlijk fonds te vullen,komen we uit op 2,5 miljoen euro per jaar dat moet worden vrijgemaaktop de begroting.Een dergelijk fonds begint met een marktverkenning om te bezien welkeorganisaties kunnen en willen bijdragen. Daarom doen wij een beroep opde regering om samen met de grootste netwerken die al bestaan eenrealistisch beeld te krijgen van de hele preventieketen, zodat we wetenwelke expertise er in huis is en op welke manier organisaties een bijdragekunnen leveren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 217 Het voorstel is om de jaarlijkse uitgaven die nu vanuit verschillendedepartementen worden gedaan in het kader van online kinderrechtensamen te voegen tot één structurele financiering van de publiek-privatesamenwerking. De Kamercommissie Digitale Zaken heeft gevraagd omeen overzicht van de jaarlijkse uitgaven aan online kinderrechten.44 Desom van deze uitgaven geeft een indicatie van de subsidies die nuindividueel worden verstrekt. Deze kunnen binnen de samenwerkingstructureel ten goede komen van de hele keten.Hieronder stellen wij een verdeling voor tussen de betrokken departe-menten. Uiteraard kan er ook gekozen worden voor een andere verdeling,zolang het uitkomt tot een structureel bedrag dat uitgekeerd kan wordenaan de nieuwe samenwerking.Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordtdit gedekt uit artikel 6.2 Informatiesamenleving. Dit betreft hetbeleidsdomein online kinderrechten. Bestaande uitgaven en jaarlijksesubsidies aan organisaties worden omgezet tot een structurele bijdrageaan de publiek-private samenwerking.Vanuit het Minister van Justitie en Veiligheid wordt dit gedekt uit artikel92.1 Nog onverdeeld. Wij stellen voor dit deels te bestemmen voor hetproactieve beleid zoals beschreven in hoofdstuk 3.3 van deze nota.Vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt ditgedekt uit artikel 1.30 Gezondheidsbevordering. Dit betreft uitgavendie ten goede komen van preventie. Wij nemen aan dat een beter balansvan schermtijd onder jongeren bijdraagt aan hun gezondheid enpsychische klachten helpt te voorkomen. Het is gerechtvaardigd dat hetdepartement vanuit preventiemiddelen structureel een bijdrage levert aande publiek-private samenwerking.Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt ditgedekt uit artikel 15 Media. Dit betreft uitgaven aan, onder andere,mediawijsheid. Hier worden al ketenpartners en samenwerking uitgefinancierd. Er kan ook een beroep worden gedaan op artikel 3.2Voortgezet onderwijs, in het kader van basisvaardigheden verbeteren.Digitale geletterdheid valt daaronder. Een kleine bijdrage aan een netwerkdat jongeren wegwijs maakt in de online wereld draagt daar aan bij.Uiteraard moedigen wij aan dat het demissionaire kabinet financierings-mogelijkheden bespreekt met de beoogde samenwerkingspartners. DeKamer kan en zal niet precies voorschrijven hoe de organisaties willensamenwerken en zichzelf willen organiseren. Voorop staat dat er ééngezamenlijk plan komt. De nieuwe vorm van financiering moet daaropworden aangepast. In goed overleg zal duidelijk worden welke bijdragebetrokken departementen willen leveren. Mogelijk kunnen ook uitvoe-ringsorganisaties, agentschappen, zbo’s en medeoverheden structureelbijdragen.6 Dankwoord Zonder het harde werk van opvoeders en jongeren was de politiek er nietvan doordrongen geraakt dat we keihard aan de slag moeten om deonline leefwereld leuker en veiliger te maken. Het dankwoord van deindieners gaat dus in eerste instantie uit naar alle kinderen, tieners,ouders, verzorgers, docenten, jongerenwerkers, wijkagenten, kinder-artsen, jeugdpsychologen, wetenschappers en zo veel meer mensen diede problemen op de kaart hebben gezet.44Besluit bij agendapunt 42 in Kamerstuk 2025D31644Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 218 We kijken ook met bijzondere interesse naar de initiatiefnota’s van deleden Ceder en Six Dijkstra over online kinderrechten45 en het lid Van derWerf over een digitaal kinderwetje.46 Het is mooi dat zo veel partijen deurgentie voelen en voorstellen doen om het online leven van jongerenbeter te maken. De indieners voegen zich graag bij dat gezelschap en wekijken uit naar een goed debat hierover, waarin we ook onderling desamenhang van de voorstellen bezien.Tot slot willen wij alle organisaties die hebben meegedacht en meege-werkt aan de nota hartelijk bedanken. Het onderlinge vertrouwen tussendeze organisaties is inspirerend en voorspelt veel goeds voor eentoekomstige samenwerking zoals voorgesteld in de nota. Deze nota waser nooit gekomen zonder de samenwerking met:•Offlimits•HackShield•Bits of Freedom•Anti-Abuse Network•FastID•TU Delft•DIVD Academy•NICAM•Risk Factory•Netwerk Mediawijsheid•Videogames Federatie Nederland•Esther Roozendaal (persoonlijke titel)•ECP•UNICEF•TrimbosDralKoekkoek45Online kinderrechten [Kamerstuk 36 719]46Digitaal kinderwetje [Kamerstuk 36 768]Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 853, nr. 219
Bron, video en gesprek →0debatten
803bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: Volt (2023-07-05–2025-11-11) · Volt (2021-03-31–2023-03-14) ·