KamerkringInloggen
Arend Kisteman

Officieel Kamerprofiel

Arend Kisteman

VVD →
0debatten
228bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: VVD (2023-12-06–heden) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
21 apr 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 BVaststelling van de begrotingsstaat van hetgemeentefonds voor het jaar 2026Nr. 21 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 21 april 2026 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragenvoorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties over de brief van 16 februari 2026 inzake de adviesaanvraag Raadvoor het Openbaar Bestuur (ROB) «Herziening verdeling gemeentefondsper 1 januari 2027» (Kamerstuk 36 800 B, nr. 18).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 21 april 2026.Vragen en antwoorden, voorzien van een inleiding, zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,KistemanDe griffier van de commissie,Honsbeek kst-36800-B-21ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 211 InleidingAlvorens op de afzonderlijke vragen in te gaan, een paar opmerkingenvooraf.•Allereerst willen we als fondsbeheerders graag benadrukken dat nognergens voor is gekozen. Op dit moment is de Raad voor het OpenbaarBestuur (ROB) om advies gevraagd. Daarnaast is ook de VNG omadvies worden gevraagd. Op basis van de adviezen van de ROB en deVNG zullen we als fondsbeheerders een besluit nemen en uw Kamerdaarover informeren.•Zoals de ROB in haar briefadvies van 20191 aangeeft, leidt herijkingvan de algemene uitkering onvermijdelijk tot herverdeeleffecten. Elkherverdeeleffect leidt tot discussie. Gemeenten die nadeel ondervin-den zullen begrijpelijkerwijs vraagtekens stellen bij de onderbouwingen de gehanteerde uitgangspunten. Draagvlak voor de verdeling achtde ROB van groot belang, maar het moet dan in de ogen van de ROBvooral gaan over draagvlak voor de uitgangspunten voor eenrechtvaardige verdeling. De uitkomsten zijn volgens het briefadviesvan de ROB idealiter een logisch gevolg van de gehanteerde uitgangs-punten.•Zoals aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag pagina 52 is dekern voor ons als fondsbeheerders de leefwereld. Het streven is dat ergeen objectieve gronden meer zijn op basis waarvan gemeentenkunnen «aankloppen» dat het model niet passend is. Oftewel, het gaaterom dat er objectieve gronden moeten zijn om een kostenverschil tehonoreren.•Een voorbeeld hiervan is de maatstaf bodemgesteldheid. Een slappe ofzachte bodemgesteldheid leidt voor gemeenten tot extra uitgaven aanbijvoorbeeld infrastructuur en riolering, omdat vaker en/of intensieveronderhoud nodig is vanwege verzakkingen. Bij de herijking van hetgemeentefonds, dat heeft geleid tot het huidige model, is destijds danook expliciet rekening gehouden met de bodemgesteldheid. Zie ookhet antwoord op vraag 13.•Door ons is ook nu een methodologische benadering gevolgd vanuitde leefwereld. Bijvoorbeeld ten aanzien van jeugdzorg is uit onderzoekbekend dat het jeugdhulpgebruik van kinderen met gescheiden ouderssignificant hoger is dan van kinderen wiens ouders nog bij elkaar zijn3.Gescheiden ouders betekent vaak dat kinderen een (deel van) hunjeugd opgroeien in een eenoudergezin. Daarom is de maatstafeenoudergezin opgenomen in het voorstel voor het cluster jeugd. Zieook het antwoord op vraag 23 en 24.•Uw vragen zijn echter veelal technisch van aard en als gevolg ook deantwoorden. Indien uw Kamer daaraan behoefte heeft, zijn wij altijdbereid om een technische briefing voor u te organiseren.•Het spreekt voor zich dat het uiteindelijke voorstel zowel methodolo-gisch als bestuurlijk uitlegbaar moet zijn. De vormgeving van hetingroeipad is daarom in deel 1 van de adviesaanvraag aan de ROBmeegenomen.Achtergrond•Op 6 april 2022 is de Kamer per brief4 door de toenmalige fondsbe-heerders geïnformeerd dat is besloten tot invoering van het nieuweverdeelmodel voor het gemeentefonds per 1 januari 2023. Zoals ook indeze brief met de Kamer gedeeld is dit model geen eindstation en zal1ROB, Briefadvies herijking gemeentefonds, 5 september 2019, kenmerk 2019-00004571752Deel 1 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 20273Kostenanalyse van complexe scheidingen4Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 35 925 B, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 212 het model continu onderhoud vragen. Met de Kamer is toen eveneensgedeeld dat de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) een onder-zoeksagenda had voorgesteld en dat deze door de fondsbeheerders isomarmd.•Op 7 februari 2025 is de Kamer5 geïnformeerd over de onderzoekendie in het kader van de hier boven genoemde onderzoeksagenda zijnuitgevoerd en hoe het vervolgtraject verder werd vorm gegeven. De infebruari toegezegde onderzoeken zijn inmiddels afgerond. De ROB isgevraagd om te reflecteren op de daaruit voortgekomen voorstellenvoor aanpassingen van het verdeelmodel, zie deel 2 van de adviesaan-vraag aan de ROB6.•Met de ROB is afgesproken de adviesaanvraag in twee delen tesplitsen. Het eerste deel gaat in op de methodologie en op de doorROB gestelde vragen in het Tussenbericht over de Verdeling algemeneuitkering vanaf 20277. Het tweede deel betreft de inhoudelijke kant vande verbetervoorstellen8.•Het advies van de ROB is op 1 april 2026 openbaar geworden en aanuw Kamer gestuurd.9Vragen en antwoorden1Hoe beoordeelt u of de voorgestelde wijzigingen daadwerkelijk leiden toteen betere aansluiting tussen objectieve kosten en de verdeling vanmiddelen uit het gemeentefonds, en hoe wordt voorkomen dat hetverdeelmodel prikkels creëert die gemeentelijk beleid of gedragonbedoeld beïnvloeden?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag pagina 510 is de kernvoor ons als fondsbeheerders de leefwereld. Het streven is dat er geenobjectieve gronden meer zijn op basis waarvan gemeenten kunnen«aankloppen» dat het model niet passend is. Oftewel, het gaat erom dat erobjectieve gronden moeten zijn om een kostenverschil te honoreren.Om te waarborgen dat het verdeelmodel recht doet aan de diverse typenvan gemeenten, is bij de analyses steeds aandacht geweest voorspecifieke groepen gemeenten (dwarsdoorsnedes) zoals, zonderuitputtend te zijn, grote en kleine gemeenten (G4, 100.000 plus, kleinegemeenten), mate van stedelijkheid/bebouwingsdichtheid, groei- enkrimpgemeenten, instellingsgemeenten, toeristengemeenten, universi-teitssteden en industriesteden, structuurkenmerken (gemeenten met veeljongeren of ouderen, gemeenten met veel lage of hoge inkomens,gemeenten met veel laag of hoog opgeleiden, gemeenten met veel ofweinig werkenden). Bij de uitwerking van de verbetervoorstellen zijn dedwarsdoorsnedes van het huidige verdeelmodel steeds afgezet tegen dedwarsdoorsnedes van de verbetervoorstellen. Op deze wijze is inzichtverkregen of het verbetervoorstel nog specifieke implicaties heeft voorbepaalde typen gemeenten.Zoals aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag op pagina 14 zijn bijde uiteindelijke afweging de volgende elementen van belang:5Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600-B, nr. 246Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 20277ROB adviesaanvraag eerste deel: Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 178ROB adviesaanvraag tweede deel: Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 189Advies ROB Herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027: Tweede Kamer, verga-derjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2010Deel 1 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 213 •Dat de maatstaf en/of de onderzoeksresultaten uitlegbaar zijn vanuit deleefwereld.•Dat bij een gedwongen definitiewijzing, zoals nu doordat de CBS-maatstaf Niet-westerse migranten vervalt, er zo min mogelijkherverdeeleffecten zijn.•Dat bij een verbeterslag van het model, zoals nu voor de clustersJeugd en Wmo, de nieuwe verdeling «rechtvaardig»11 is. Om dit tekunnen beoordelen zal voor de diverse type gemeenten het herzienemodel af worden gezet tegen het huidige model al dan niet voor eenspecifiek cluster. Er zal worden bekeken of de aansluitverschillen (Hetverschil tussen de daadwerkelijke kosten van een gemeente en demiddelen die een gemeente ontvangt vanuit het gemeentefonds)kleiner zijn. Dit vereist ook dat maatstaven de noodzakelijke kosten vangemeenten volgen (kostenoriëntatie).•Dat voor de eventueel voorgestelde maatstaven geldt, dat deze nietdoor overheden beïnvloedbaar zijn (objectief) en wordt vermeden datgoed of slecht gedrag wordt beloond (ongewenste prikkelwerking).•Bijvoorbeeld, een maatstaf als bodemgesteldheid is objectief geziendoor de gemeente niet direct te beïnvloeden. Evenmin zijn de kostendie de bodemgesteldheid met zich meebrengt direct te beïnvloedenbijvoorbeeld meer verzakking van wegen. Een maatstaf als aantalspeeltuinen is door een gemeente wel direct te beïnvloeden. Evenalsde middelen die een gemeente eraan besteed, bijvoorbeeld alleen eenschommel of ook een glijbaan of nog veel meer.•Dat de verdeling in de tijd voldoende stabiel is, zodat budgetten niet teveel schommelen en gemeenten in staat zijn goed meerjarig tebegroten (voorspelbaarheid), maar de verdeling tegelijkertijd welzodanig flexibel is dat zij meebeweegt met de ontwikkeling van dekosten die gemeenten maken.•Dat de maatstaf de middelen niet te gedetailleerd verdeelt om tevoorkomen dat de verdeling normerend gaat werken (globaliteit). Demaatstaf dient een verbetering te zijn voor een groep gemeenten opbasis van objectieve gronden. Overigens zal, als de maatstaf slechtsrelevant is voor een beperkt aantal gemeenten, ook worden bekeken ofaanpassing van de algemene verdeling het meest voor de hand ligt ofdat het bijvoorbeeld meer voor de hand ligt om iets via eendecentralisatie-uitkering te doen.Kortom, de centrale vraag aan het eind van alle analyses is: Is devoorgestelde oplossing voor een geconstateerd knelpunt integraal bezien,dus in het licht van bovengenoemde elementen, daadwerkelijk eenverbetering ten opzichte van de huidige modellering? Deze vraag is danook door de fondsbeheerders aan de ROB voorgelegd. Het advies van deROB is op 1 april 2026 openbaar geworden en aan uw Kamer gestuurd.122Welke gemeenten profiteren naar verwachting van de nieuwe maatstafvoor inwoners met een herkomst buiten Europa en welke gemeentenondervinden juist nadeel van deze wijziging?Antwoord:11De uitgangspunten voor een rechtvaardige verdeling zijn vastgelegd in de Fvw uit 1997: iederegemeente moet in staat zijn haar burgers bij gelijke belastingdruk een gelijkwaardig voorzie-ningenpakket aan te bieden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 775 B, nr. 18).12Advies ROB Herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027: Tweede Kamer,vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 20Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 214 Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 713 is er voor290 gemeenten een positief effect, waarvan bij 24 gemeenten van meerdan 0,5% van de algemene uitkering van die desbetreffende gemeente.Er is voor 52 gemeenten een negatief effect, waarbij voor 14 gemeentendit effect meer dan – 0,25% van de algemene uitkering van de desbetref-fende gemeente bedraagt. De 14 gemeenten met de grootste negatieveafwijking zijn voornamelijk te vinden bij de G4 en bij de randgemeentendie bij Amsterdam en Rotterdam horen.3Welke typen gemeenten ondervinden relatief voordeel of nadeel van deverschillende varianten van de nieuwe maatstaf voor huishoudens meteen laag inkomen, bijvoorbeeld studentensteden, gemeenten met veelzorginstellingen of toeristische gemeenten?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 914 is ergekeken of er bepaalde groepen van gemeenten zijn voor wie dedefinitiewijziging meer specifieke gevolgen hebben. In alle vier devarianten van de definitie van de maatstaf huishoudens met een laaginkomen met drempel gaan de studentensteden erop vooruit. In devariant HHli 2 t/m 4 met drempel (zowel 10% als 8%) gaan de toeristischegemeenten er ook op vooruit.4Hoe waarborgt u dat de maatstaf voor huishoudens met een laag inkomenvoldoende stabiel en uitlegbaar blijft, zodat gemeenten hun meerjarigebegrotingen kunnen baseren op een voorspelbare verdeling vanmiddelen?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 815, heeft hetCBS in het kader van de stabiliteit het voorstel gedaan om in plaats van uitte gaan van het driejarig gemiddelde van het aantal huishoudens met laaginkomen afgerond op honderdtallen, gebruik te maken van het driejariggemiddelde van het percentage huishoudens met laag inkomen, afgerondop één decimaal, vermenigvuldigd met het driejarig gemiddelde van hetaantal huishoudens per gemeente.5Waarom wordt ervoor gekozen een nieuwe maatstaf uit regressieanalysesvoor de clusters Jeugd en Wmo door te trekken naar andere clusters vanhet gemeentefonds zonder dat deze clusters afzonderlijk opnieuw zijndoorgerekend?Antwoord:Allereerst wil ik graag benadrukken dat nog nergens voor gekozen is. Opdit moment is de ROB om advies gevraagd. Daarnaast zal ook de VNG omadvies worden gevraagd. Op basis van de adviezen van de ROB en deVNG zullen we als fondsbeheerders een definitief besluit nemen en uwKamer daarover informeren.Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 816 geldt dat dehuidige definitie van de drempel van de maatstaf «Huishoudens laag13Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202714Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202715Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202716Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 215 inkomen met drempel» (HHli) niet goed uitlegbaar is. Dit, aangezien dedrempel uitgedrukt in aantal woonruimten groepen bevat die nietmeetellen bij het aantal huishoudens met een laag inkomen, te weten:•Studenten: In het basisgegeven huishoudens met een laag inkomen ishet eerste deciel uitgezonderd. In dit deciel bevinden zich o.a. destudentenhuishoudens, die daarmee ook uitgezonderd zijn.•Toeristen: Deze vallen per definitie niet onder de definitie vanparticulier huishouden.•Personen in zorginstellingen: zij vallen onder institutionelehuishoudens.De ROB is daarom gevraagd te reflecteren op het voorstel om de definitievoor huishouden laag inkomen te herdefiniëren voor de clusters Partici-patie, Onderwijs en Orde en veiligheid zonder dat deze clusters indivi-dueel zijn herschat. Voor de herdefiniëring zou dan worden aangeslotenbij de uitkomsten uit de regressieanalyse van de clusters Jeugd en Wmooftewel bij de maatstaf Huishoudens laag inkomen 2 tot en met 4 metdrempel.6In hoeverre is een steekproef van 71 gemeenten representatief voor alle342 gemeenten in Nederland en welke onzekerheidsmarges ziet u in deuitkomsten van deze regressieanalyse?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 1217 is ergestreefd naar een steekproef die zo representatief mogelijk is, ziebijlage 4 van het rapport van Berenschot18. Tevens is getracht door hettoevoegen van de analyse op Iv3 niveau zo goed mogelijk zicht te krijgenop de gevolgen voor andere gemeenten. De robuustheid van de analysesis gecheckt door zowel naar het jaar 2023 als naar het jaar 2024 als naarde gecombineerde resultaten voor deze jaren te kijken. Daarnaast zijn erdwarsdoorsnedes gemaakt. Verder is er bewust voor gekozen om alle71 gemeenten mee te nemen in de regressie.Andersson Elffers Felix (AEF) is gevraagd om de analyse (bewerkingen opde database en uitgevoerde regressies) te valideren. AEF merkt over dehierboven genoemde robuustheidchecks in haar Memo, zie bijlage deel 2van de adviesaanvraag19 pagina 47, op dat het goed is dat ervoor isgekozen om alle steekproefgemeenten in de regressie mee te nemen.Verder merkt AEF op dat de toepassing van het model op Iv3-data en hetmaken van doorsnedes goede checks zijn.7Op welke wijze worden deze onzekerheden meegewogen in het uiteinde-lijke verdeelmodel?Antwoord:Zoals bij vraag 6 aangegeven zijn er robuustheidchecks gedaan.8Waarom is gekozen voor een relatief complexe statistische methode zoalseen regressieanalyse en in hoeverre zijn eenvoudiger en transparanterverdeelcriteria mogelijk?Antwoord:17Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202718Actualisering kostendata Iv3 – onderzoeksverantwoording19Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 216 Zoals aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag pagina 2120 is na hetgroot onderhoud van het verdeelmodel van de algemene uitkering in 2015en 2016 vanuit de VNG en de ROB aandacht gevraagd voor dehoudbaarheid van de speciaal voor het gemeentefonds ontwikkeldemethode van verschillenanalyse.Voornaamste knelpunt was dat de methode niet voldoende transparantwerd gevonden: de gebruikte maatstaven en de mate waarin dezemeewegen in de verdeling (de gewichten van de maatstaven) waren nietnavolgbaar genoeg vanwege de subjectieve (handmatige) manier waaropdeze werden vastgesteld.In aanloop naar het herijkingsonderzoek is een inventarisatie vanmogelijke onderzoekmethoden voor het sociaal domein gemaakt. Debeoogde methode moet in staat zijn om verbanden tussen kosten enstructuurkenmerken goed te kunnen onderbouwen en bovendienbetrouwbaar en navolgbaar zijn. Meer concreet: de benodigde gegevensmoeten beschikbaar, betrouwbaar en periodiek te actualiseren zijn, zonderonoverkomelijke kosten en administratieve lasten21. Dit leidde tot dekeuze om de herijking te baseren op lineaire regressie, op basis van deuitgaven van gemeenten.Zoals ook aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag dient detoepassing van deze methode met een flinke dosis gezond verstand tegebeuren. Zoals aangegeven in de inleiding bij deze vragen en op pagina5 van deel 1 van de adviesaanvraag staat, is de kern voor ons alsfondsbeheerders de leefwereld. Het streven is dat er geen objectievegronden meer zijn op basis waarvan gemeenten kunnen «aankloppen»dat het model niet passend is. Oftewel, het gaat erom dat er objectievegronden moeten zijn om een kostenverschil te honoreren. Dit kanbijvoorbeeld via een extra maatstaf in het model. Als deze maatstafslechts voor een klein aantal gemeenten relevant is, kan dit inhouden datde maatstaf bij nadere analyses niet significant is. Dit hoeft dan geenbelemmering te zijn om de maatstaf toch op te nemen.Om te waarborgen dat het verdeelmodel recht doet aan de diverse typenvan gemeenten, is bij de analyses steeds aandacht geweest voorspecifieke groepen gemeenten (dwarsdoorsnedes) zoals, zonderuitputtend te zijn, grote en kleine gemeenten (G4, 100.000 plus, kleinegemeenten), mate van stedelijkheid/bebouwingsdichtheid, groei- enkrimpgemeenten, instellingsgemeenten, toeristengemeenten, universi-teitssteden en industriesteden, structuurkenmerken (gemeenten met veeljongeren of ouderen, gemeenten met veel lage of hoge inkomens,gemeenten met veel laag of hoog opgeleiden, gemeenten met veel ofweinig werkenden). Bij de uitwerking van de verbetervoorstellen zijn dedwarsdoorsnedes van het huidige verdeelmodel steeds afgezet tegen dedwarsdoorsnedes van de verbetervoorstellen. Op deze wijze is inzichtverkregen of het verbetervoorstel nog specifieke implicaties heeft voorbepaalde typen gemeenten.9Welke gevolgen heeft het nieuwe model naar verwachting voor verschil-lende typen gemeenten, zoals grote steden, middelgrote gemeenten enplattelandsgemeenten?Antwoord:20Deel 1 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202721(SEO, 2018): De optimale verdeelsystematiek voor het sociaal domein in het GemeentefondsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 217 Als fondsbeheerders hebben we nog geen besluit genomen over hetnieuwe model. De ROB is gevraagd te reflecteren op de diversevoorstellen. Daarnaast zal ook de VNG om advies worden gevraagd. Opbasis van de adviezen van de ROB en de VNG zullen we als fondsbe-heerders een definitief besluit nemen en uw Kamer informeren. Danzullen we u ook informeren over de herverdeeleffecten van dit besluit.De ROB adviesaanvraag bevat twee type wijzigingen, ten eerste definitie-wijzigingen en ten tweede voorstellen voor aanpassing van de verdelingbinnen een cluster.Bij deze definitiewijzigingen is voor ons van belang dat er zo min mogelijkherverdeeleffecten zijn.Daarnaast bevat deel twee van de adviesaanvraag een voorstel voor denieuwe verdeling van de clusters Wet maatschappelijke Ondersteuning(Wmo) en Jeugd van het gemeentefonds per 1 januari 2027 en de omvangvan het bedrag van de verevening van de Overige eigen middelen en deOnroerendezaakbelasting (OZB). Alleen voor het cluster Jeugd isgekomen tot een alternatief verdeelvoorstel. Voor de clusters Wmo en deOverige Eigen Middelen is niet tot een herzien verdeelvoorstel gekomen.Wat betreft de Overige eigen middelen ligt nog wel de vraag voor of hetbedrag dat moet worden verevend, moet worden verlaagd dan welafgeschaft.Tot slot bevat deel 2 van de adviesaanvraag op pagina 37 het voorstel omhet rekentarief OZB jaarlijks aan te passen naar het werkelijk gemiddeldetarief. Dit levert circa € 138 miljoen aan extra verevening op.10Hoe wordt voorkomen dat de verevening van overige eigen middelen ende onroerendezaakbelasting (OZB) ongewenste prikkels creëert, bijvoor-beeld doordat gemeenten die hun OZB verhogen indirect worden beloondvia een hogere uitkering uit het gemeentefonds?Antwoord:Zoals bij vraag 9 aangegeven is voor wat betreft de Overige EigenMiddelen niet tot een herzien verdeelvoorstel gekomen, zie ook deel 2 vande adviesaanvraag22 pagina 37. De begeleidingscommissie en expert-groep erkennen beide dat een rechtvaardige verdeling van de Overigeeigen middelen lastig is vorm te geven. Er is op dit moment geen betereoptie voorhanden voor de verevening van de Overige eigen middelen,dan de wijze waarop het nu gebeurt namelijk een bedrag per inwoner.Wat de verevening van de OZB betreft, deze wordt verevend op grond vande belastingcapaciteit, waarbij wordt uitgegaan van een rekentarief OZB.Dit rekentarief OZB is een landelijk gewogen gemiddeld OZB-tarief. Doordit rekentarief te vermenigvuldigen met de waarde van de onroerendezaken in een gemeente, wordt de belastingcapaciteit van een gemeentebepaald. Het verhogen van het OZB-tarief in een individuele gemeenteheeft dan ook slechts een marginaal effect op de verevening van de OZB.11Hoe werken de voorgestelde aanpassingen in de verevening van eigenmiddelen uit voor gemeenten met verschillende belastingcapaciteit,bijvoorbeeld gemeenten met relatief lage of juist hoge WOZ-waarden?Antwoord:22Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 218 Zoals bij vraag 9 aangegeven is voor wat betreft de Overige EigenMiddelen niet tot een herzien verdeelvoorstel gekomen.Wat de verevening van de OZB betreft, deze wordt verevend op grond vande belastingcapaciteit, waarbij wordt uitgegaan van een rekentarief OZB.Dit rekentarief OZB is een landelijk gewogen gemiddeld OZB-tarief. Doordit rekentarief te vermenigvuldigen met de waarde van de onroerendezaken in een gemeente, wordt de belastingcapaciteit van een gemeentebepaald.Het voorstel dat in de adviesaanvraag wordt gedaan is de vraag of hetrekentarief OZB moet worden aangepast naar het werkelijk gemiddeldetarief: Dit levert circa € 138 miljoen aan extra verevening op grond van dedata 2025.Hoe dit per gemeente uitpakt is afhankelijk van het OZB-tarief in dedesbetreffende gemeente. Het effect per gemeente ligt tussen de – 0,26%en de 0,29% als de aanpassing van het OZB tarief vergezeld gaat met eenaanpassing van een verlaging van de verevening van de Overige eigenmiddelen.12Wordt bij de verdeling van middelen via het gemeentefonds rekeninggehouden met het fenomeen van zogenoemde New Towns, steden diegrotendeels in dezelfde periode zijn gebouwd en daardoor tegelijkertijd temaken krijgen met grootschalige vervanging en afschrijving van infra-structuur, riolering en openbare ruimte, en zo ja op welke wijze wordt ditin de verdeelsystematiek meegenomen?Antwoord:Het verdeelmodel van het gemeentefonds heeft als doel om iederegemeente een gelijkwaardige financiële uitgangspositie te geven, zodatgemeenten een gelijkwaardig voorzieningenniveau kunnen realiserentegen gelijke belastingdruk. Aan de uitgavenkant bij de verdeling van demiddelen van het gemeentefonds wordt rekening gehouden met dekosten die gemeenten moeten maken, gegeven de objectieve kostenbepa-lende kenmerken van elke gemeente (kostenoriëntatie). Daarnaast wordtaan de inkomstenkant rekening gehouden met verschillen in de mogelijk-heden die gemeenten hebben om een deel van hun uitgaven uit eigenmiddelen te bekostigen (inkomstenverevening).Bij reguliere investeringen hebben alle gemeenten dezelfde wettelijk taaken worden de netto lasten vaak via toevoegingen en onttrekkingen aanbestemmingsreserves in de tijd geëgaliseerd. In het begin van hunbestaan hadden de New Towns relatief lage onderhoudskosten, want alleswas nieuw, en konden dus reserves opbouwen.13In hoeverre sluit de opslag die gemeenten met een slappe of zachtebodem ontvangen binnen het gemeentefonds aan bij de werkelijke kostendie gemeenten maken door bodemdaling en funderingsproblematiek?Antwoord:Uitgangspunten van het verdeelstelsel van het gemeentefonds zijnglobaliteit en kostenoriëntatie. Globaliteit omdat het gemeentefonds geengeoormerkte budgetten bevat, maar een algemene geldstroom vormt,waaraan geen bestedingsvoorwaarden zijn gesteld. Kostenoriëntatie, inde zin dat in de ontwikkeling van het verdeelmodel aansluiting is gezochtbij de uitgavenpatronen van gemeenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 219 Het verdeelmodel van het gemeentefonds heeft als doel om iederegemeente een gelijkwaardige financiële uitgangspositie te geven, zodatgemeenten een gelijkwaardig voorzieningenniveau kunnen realiserentegen gelijke belastingdruk.Bij de verdeling van de middelen van het gemeentefonds wordt rekeninggehouden met de kosten die gemeenten moeten maken, gegeven deobjectieve kostenbepalende kenmerken van elke gemeente (kostenoriën-tatie), zoals een slappe of zachte bodem.De effecten voor gemeenten met een slappe of zachte bodemgesteldheidzijn met name zichtbaar bij het cluster Infrastructuur, ruimte en milieu(onderdelen Infrastructuur en Riolering). De slechte bodemgesteldheidkan voor deze taken duidelijk kostenverhogend werken, omdat publiekeinfrastructuur vaker en/of intensiever onderhoud nodig heeft vanwegeverzakkingen.Bij de herijking van het gemeentefonds, dat heeft geleid tot het huidigemodel, is expliciet rekening gehouden met de bodemgesteldheid, zie hethoofdstuk 8.4 in het rapport van Cebeon uit 202023. Destijds is naast debeoordeling van de statistische kwaliteit (R2) steeds gekeken naar deaansluitverschillen24 voor groepen steekproefgemeenten met bepaaldestructuurkenmerken, zoals bodemgesteldheid. Voor gemeenten met eenslechte bodemgesteldheid lieten de verklaringsmodellen geen afwijkendeaansluitverschillen zien, zie ook paragraaf 9.1 van het rapport pagina 95.14Bent u bereid te onderzoeken of deze vergoeding toereikend is?Antwoord:Zoals bij vraag 13 aangegeven is bij de ontwikkeling van het huidigeverdeelmodel expliciet rekening gehouden met de bodemgesteldheid.Jaarlijks wordt het Periodiek Onderhoudsrapport (POR) uitgevoerd om tebezien of er nog afwijkende aansluitverschillen zijn voor bepaalde typengemeenten, bijvoorbeeld groot versus klein. Dit rapport is een bijlage bijde ontwerpbegroting van het gemeentefonds. We zijn bereid om in detoekomst daarbij ook expliciet te bezien of gemeenten met een slechtebodemgesteldheid afwijkende aansluitverschillen laten zien.15Op welke manier is het gemeentefonds toegesneden op de uitdagingenvan kleine en plattelandsgemeenten?Antwoord:Zoals bij vraag 13 aangegeven, het verdeelmodel van het gemeentefondsheeft als doel om iedere gemeente een gelijkwaardige financiëleuitgangspositie te geven, zodat gemeenten een gelijkwaardig voorzienin-genniveau kunnen realiseren tegen gelijke belastingdruk. Het gemeente-fonds is nadrukkelijk geen financieringssystematiek.Bij de verdeling van de middelen van het gemeentefonds is bewustrekening gehouden met kleine gemeenten door het vaste bedrag pergemeente te verhogen. In het POR wordt jaarlijks expliciet bekeken of erverschil is tussen aansluitverschillen van kleine gemeenten en/ofplattelandsgemeenten en andere gemeenten.23Cebeon, 2020, Herijking verdeling klassiek domein gemeentefonds24Aansluitverschil: Het verschil tussen de daadwerkelijke kosten van een gemeente en demiddelen die een gemeente ontvangt vanuit het gemeentefonds.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2110 Op basis van de jaarrekeningen van gemeenten is bekend dat kleinegemeenten en plattelandsgemeenten lagere uitgaven per inwoner kennennamelijk € 1.876 per inwoner (zeer kleine gemeente, minder dan20.000 inwoners) versus € 2.256 per inwoner (groot, meer dan100.000 inwoners). Het landelijk gemiddelde is € 1.961 per inwoner. Zekennen dan ook een navenant lagere uitkering uit het gemeentefondsnamelijk € 1.822 per inwoner versus € 2.195 per inwoner. Het landelijkgemiddelde is € 1.905 per inwoner.NB: gemeenten hebben naast het gemeentefonds (53% van huninkomsten) nog andere inkomstenbronnen hebben (47%)25. Zo hebbenAmsterdam en de Waddengemeenten bijvoorbeeld nog relatief veelinkomsten uit toeristenbelasting.16Vindt u alle voorgestelde wijzigingen in het verdeelmodel een verbeteringten opzichte van het huidige model, en kunt u dit per voorstel toelichten?Antwoord:In de adviesaanvraag zijn voorstellen opgenomen. De ROB is gevraagd tereflecteren op de voorstellen. Daarnaast zal ook de VNG om adviesworden gevraagd. Op basis van de adviezen van de ROB en de VNG zullenwe als fondsbeheerders een definitief besluit nemen en uw Kamerdaarover informeren.17Kunt u toelichten welke inhoudelijke keuzes zijn gemaakt om tot devoorstellen te komen?Antwoord:In deel 2 van de adviesaanvraag is per voorstel aangegeven hoe tot hetvoorstel is gekomen. Naar aanleiding van uw vraag hebben we dezeinformatie voor u samengebracht in een overzicht dat is opgenomen inbijlage 1.18Wat zal de financiële impact zijn per gemeente, met andere woorden watzijn de herverdelingseffecten van de voorstellen?Antwoord:Dit valt nu nog niet te zeggen. De ROB is gevraagd te reflecteren op dediverse voorstellen. Daarnaast zal ook de VNG om advies wordengevraagd. Op basis van de adviezen van de ROB en de VNG zullen we alsfondsbeheerders een definitief besluit nemen en uw Kamer daaroverinformeren.19Hoe zijn de gemeenten tot nu toe meegenomen in het proces?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag pagina 1326 is hetonderzoek begeleid door een begeleidingscommissie. Om recht te doenaan de diversiteit van gemeenten, geldt dat elke groep gemeenten diegemeenschappelijke kenmerken hebben, kunnen participeren in debegeleidingscommissie om vanuit hun expertise een inhoudelijke bijdragete leveren. In de begeleidingscommissie zitten momenteel de VNG, de G4,25Begroting gemeentefonds 2026 pagina 16 Tabel 4 Inkomsten gemeenten, kolom Begroting2025.26Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2111 honderdduizendplus gemeenten, kleine gemeenten, instellingsge-meenten, randgemeenten, toeristische gemeenten, Friese en Groningergemeenten, New Towns en op persoonlijke titel een afvaardiging van deRaad voor het Openbaar Bestuur (ROB).Daarnaast is er 17 maart jl. een webinar voor gemeenten geweest enwordt de VNG om advies gevraagd.20Hoe verhoudt het voornemen om een nieuwe onderzoeksagenda testarten zich tot de behoefte aan stabiliteit en voorspelbaarheid bijgemeenten?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag pagina 1427 is, zoalsreeds in de brief van 7 februari 2025 vermeld, het van belang dat bijaanpassingen van het model de uitlegbaarheid en stabiliteit vanmaatstaven steeds wordt afgewogen tegen in hoeverre het doorvoerenvan veranderingen in het verdeelmodel ook echt tot een verbetering vanhet verdeelmodel leidt.21Waarom is het niet gelukt om de onderzoeken die voor de komende jarenworden voorgesteld al eerder uit te voeren?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag pagina 2328 geldt voorhet onderzoek naar de Overhead dat de hoop was dat de notitie Overhead2023 van de commissie BBV29, welke van toepassing is met ingang vanbegrotingsjaar 2025 en mag worden toegepast voor begrotingsjaar 2024,tot meer inzicht zou leiden. Er is door Berenschot geprobeerd taakgerichteoverhead per gemeente te bepalen op basis van de aangeleverdegegevens in de uitvraag. Dit bleek niet eenduidig mogelijk. Berenschotachtte de uitkomsten gezien de grote spreiding in de uitkomsten van deonderzochte gemeenten, en de onzekerheid over een aantal belangrijkekosten elementen (met name taakgerelateerde ICT-kosten) niet voldoenderobuust om te gebruiken voor de aanpassing van taakgerelateerdeoverhead op taakveld 0.4 voor alle gemeenten in de steekproef. Deconclusie van Berenschot was dat de invalshoek waardevolle indicatiesbiedt, maar dat deze niet betrouwbaar genoeg is om als uniforme basisvoor aanpassing voor alle gemeenten in de steekproef te dienen, zie ookbijlage 2 van de Verantwoording van Berenschot. De Verantwoording vanBerenschot is bijgevoegd als bijlage bij deel 1 van de adviesaanvraag. Ditonderwerp blijft dan ook op de onderzoeksagenda staan.Zoals aangegeven in deel 1 van de adviesaanvraag pagina 2330 geldt voorhet onderzoek naar bebouwingsdichtheid dat het huidige model alrekening houdt met de bebouwingsdichtheid. Helaas waren er, nochvanuit CEBEON noch vanuit de expertgroep noch vanuit de begeleidings-commissie noch vanuit de VNG en/of de gemeenten noch vanuit defondsbeheerders, concrete gedachten bij hoe de reeds in het modelopgenomen maatstaf aangaande de bebouwingsdichtheid verder teverfijnen. We zullen daarom in de tweede helft van 2026 hier externonderzoek naar laten doen en dit onderzoek opnemen op de onderzoek-agenda.27Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202728Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202729Notitie Overhead 2023 van de commissie BBV30Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2112 Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 3731 geldt voorhet percentage verevening OZB dat zowel begeleidingscommissie alsexpertgroep het erover eens zijn dat niet vooruit moet worden gelopen ophet feit dat de OZB in de toekomst, mits de Financiële-verhoudingswet(Fvw) wordt aangenomen, ook voor meer dan 70/80% kan wordenverevend.22Waarom wordt juist het laagste inkomensdeciel niet meegenomen in demaatstaf huishoudens laag inkomen?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 932 worden totop heden het eerste deciel van de huishoudens met een laag inkomen nietmeegenomen, omdat daarin ook «zeer vermogende huishoudens»konden zitten zonder inkomen. Doordat nu inzicht is in de betaalreserve(vermogen) kan het 1ste deciel van de maatstaf Huishoudens laaginkomen nu gecorrigeerd worden voor «zeer vermogende huishoudens».Er is dan ook onderzocht wat de gevolgen zijn van het eventueel welmeenemen van het eerste deciel.De ROB is gevraagd te reflecteren op de diverse varianten inclusief enexclusief het eerste deciel. Daarnaast zal ook de VNG om advies wordengevraagd. Op basis van de adviezen van de ROB en de VNG zullen we alsfondsbeheerders een definitief besluit nemen en uw Kamer daaroverinformeren.23Kunt u bij het model jeugd toelichten hoe de voorstellen aansluiten bij degemeentelijke praktijk en wat de effecten voor gemeenten zijn?Antwoord:In het voorstel voor het cluster Jeugd is een belangrijke maatstafeenoudergezinnen. Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraagpagina 1433 heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(VWS) er in een Kamerbrief34 op gewezen dat uit onderzoek blijkt dat hetjeugdhulpgebruik van kinderen met gescheiden ouders significant hogeris dan van kinderen wiens ouders nog bij elkaar zijn35.Gescheiden ouders betekent vaak dat kinderen een (deel van) hun jeugdopgroeien in een eenoudergezin. Volgens het Nederlands Jeugdinstituutgroeit momenteel circa 23% van de kinderen op in een eenoudergezin36.Het Nederlands Jeugdinstituut wijst er daarbij op dat het Centraal Bureauvoor de Statistiek (CBS) gezinnen omschrijft als huishoudens waarvolwassenen met kinderen samenwonen, waarmee ze een ouder-kindrelatie hebben. Adoptie- en stiefkinderen worden daarbij wel meegeteld,pleegkinderen niet.24Hoe wordt stapeling van problematiek dan meegenomen in het modeljeugd in het licht van het feit dat gesteld wordt dat de stapelingsmaatstafin het model jeugd een te lage verklaringskracht heeft?31Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202732Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202733Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202734Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 33 836, nr. 6635Kostenanalyse van complexe scheidingen36Gegevens eenoudergezinnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2113 Antwoord:In het voorliggende voorstel wordt de stapelingsproblematiek nietexpliciet meegenomen.25In welke mate maken kinderen van gescheiden ouders vaker gebruik vanjeugdzorg?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 1437 heeft hetMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) er in eenKamerbrief38 op gewezen dat uit onderzoek blijkt dat het jeugdhulpge-bruik van kinderen met gescheiden ouders significant hoger is dan vankinderen wiens ouders nog bij elkaar zijn39.Onderzoeksbureau Significant heeft onderzoek gedaan naar de relatietussen scheidingen, GGZ-gebruik en Jeugdzorggebruik40. Uit ditonderzoek blijkt dat kinderen van gescheiden ouders relatief vaak eenberoep doen op de jeugdhulp zonder verblijf, zie onderstaande grafiek.Ook voor jeugdhulp met verblijf blijkt dat kinderen van gescheiden oudershier relatief vaak een beroep op doen, zie onderstaande grafiek.37Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202738Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 33 836, nr. 6639Kostenanalyse van complexe scheidingen40Significant Public – Relatie tussen scheidingen, GGZ-gebruik en JeugdzorggebruikTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2114 Zoals uit de figuren hier boven van Significant blijkt zijn kinderen vanouders die nooit hebben samengewoond of van gescheiden ouders, en inhet verlengde daarvan eenoudergezinnen een relatief groot deel van depopulatie die een beroep doet op jeugdhulp zonder verblijf. Bij jeugdhulpmet verblijf (relatief dure zorgvormen) is de oververtegenwoordiging vandeze groep kinderen het grootst.26Kan worden toegelicht hoe het feit dat de maatstaf eenoudergezinnen inhet voorstel bijna de helft van het model jeugd vormt, aansluit bij depraktijk?Antwoord:Zoals bij vraag 25 aangegeven blijkt uit onderzoek van Significant datkinderen van ouders die nooit hebben samengewoond of van gescheidenouders, en in het verlengde daarvan eenoudergezinnen een relatief grootdeel zijn van de populatie die een beroep doet op jeugdhulp zonderverblijf. Bij jeugdhulp met verblijf (relatief dure zorgvormen) is deoververtegenwoordiging van deze groep kinderen het grootst.27Kunt u bij het Wmo-model toelichten hoe de voorstellen aansluiten bij degemeentelijke praktijk en wat de effecten voor gemeenten zijn?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 3341 is voor deWmo niet tot een alternatief verdeelvoorstel gekomen.28Op welke wijze wordt stapeling van problematiek meegenomen in hetWmo-model?Antwoord:Zie ook vraag 27, zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraagpagina 3342 is voor de Wmo niet tot een alternatief verdeelvoorstelgekomen.De stapelingsproblematiek zit niet expliciet in het huidige verdeelmodel.41Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 202742Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2115 29Kunt u het volledige tijdspad schetsen van nu tot aan de meicirculaire?Antwoord:Het advies van de ROB is op 1 april jl. ontvangen en hebben we reeds metuw Kamer gedeeld. Het advies van de VNG verwachten we tweede helftapril. Ook het advies van de VNG zal dan met uw Kamer worden gedeeld.Uw Kamer hopen we dan zo snel mogelijk te informeren over ons besluitals fondsbeheerders.30Hoe wordt de instemming van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB)en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor het vervolg-proces beoordeeld en gewogen?Antwoord:Op basis van de adviezen van de ROB en de VNG zullen we als fondsbe-heerders een definitief besluit nemen en uw Kamer daarover informeren.In deze brief zal te zijner tijd ook worden ingegaan op hoe de adviezen vande ROB en de VNG door ons als fondsbeheerders zijn gewogen.31Wat gebeurt er indien de ROB en/of de VNG de voorgestelde wijzigingenniet ondersteunen?Antwoord:Zoals aangegeven bij vraag 5 is op dit moment nog nergens voorgekozen. Zoals bij vraag 30 aangegeven, zullen we als fondsbeheerderseen definitief besluit nemen na ontvangst van de adviezen van de ROB ende VNG. Uw Kamer wordt dan over dit besluit geïnformeerd. In deze briefzal te zijner tijd ook worden ingegaan op hoe de adviezen van de ROB ende VNG door ons als fondsbeheerders zijn gewogen.32Wordt de data die ten grondslag ligt aan de voorstellen uit de adviesaan-vraag openbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?Antwoord:De relevante data zullen openbaar worden gemaakt op het moment datuw kamer wordt geïnformeerd over het definitieve besluit van ons alsfondsbeheerders. Ten aanzien van de data van de 71 steekproefge-meenten geldt het voorbehoud dat hiervoor toestemming van dezegemeenten nodig is.33Wat wordt bedoeld met «het creëren van een uitzonderingsclausule naastde algemene uitkering voor specifieke gemeenten»?Antwoord:Het kan zijn dat de Raad aanleiding ziet dat naast de algemene uitkeringiets aanvullends nodig is voor specifieke gemeenten. Zo kennen bijvoor-beeld de gemeenten Amsterdam en Rotterdam op dit moment een extravast bedrag en wordt de gemeente Den Haag nog via de algemeneuitkering bekostigd voor taken die zij uitvoert op grond van de Kieswet(bijvoorbeeld registratie kiezers in het buitenland).34Wat zijn de gevolgen van de afname van de totale inkomsten uit deOverige eigen middelen voor de verevening van de Overige eigenmiddelen en voor de voorstellen die gedaan kunnen worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2116 Antwoord:Zoals bij vraag 9 aangegeven is voor wat betreft de Overige EigenMiddelen niet tot een herzien verdeelvoorstel gekomen.Wat de verevening van de OZB betreft, zoals bij vraag 11 aangegeven,deze wordt reeds verevend op grond van de belastingcapaciteit, waarbijwordt uitgegaan van een rekentarief OZB. Dit rekentarief OZB is eenlandelijk gewogen gemiddeld OZB-tarief. Door dit rekentarief te vermenig-vuldigen met de waarde van de onroerende zaken in een gemeente, wordtde belastingcapaciteit van een gemeente bepaald.35Waarom wordt in het verdeelmodel niet uitgegaan van de werkelijkeOZB-opbrengsten van gemeenten, maar van de belastingcapaciteit vangemeenten? Wat zijn de voor- en nadelen van beide systemen?Antwoord:Het blijkt dat gemeenten niet in dezelfde mate in staat zijn om belastingin-komsten te verwerven (in hoofdzaak de OZB). De omvang van debelastingcapaciteit van gemeenten wordt in hoge mate bepaald door dewaarde van de onroerende zaken in de gemeenten; de waarde hangt weersamen met andere factoren, waaronder de sociale structuur. Dit kan erbijvoorbeeld toe bijdragen dat een randgemeente met relatief durebebouwing kan volstaan met lage tarieven terwijl de centrumgemeentemet relatief veel goedkope huizen hoge tarieven moet hanteren om degewenste belastinginkomsten te kunnen genereren.In het rapport van de Raad voor de gemeentefinanciën (Rgf)43 «Naarcapaciteit belast», bij brief van 8 oktober 1993 aangeboden aan de TweedeKamer44, kenmerk VFO93/4/U4, is op deze problematiek ingegaan enwordt verslag gedaan van een onderzoek naar de ijking van deOZB-inkomsten van gemeenten. De Rgf vindt het gewenst om bij deverdeling van het gemeentefonds rekening te houden met de belastingca-paciteit van de gemeenten. De Rgf adviseert om de verdeling van hetgemeentefonds te corrigeren voor de belastingcapaciteit, waarbij wordtuitgegaan van een rekentarief OZB. Dit rekentarief OZB is een landelijkgewogen gemiddeld OZB-tarief. Door dit rekentarief te vermenigvuldigenmet de waarde van de onroerende zaken in een gemeente, wordt debelastingcapaciteit van een gemeente bepaald.36Waarom wordt in het verdeelmodel niet uitgegaan van de werkelijkeOZB-opbrengsten van gemeenten, maar van de belastingcapaciteit vangemeenten? Wat zijn de voor- en nadelen van beide systemen?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 3537Welk percentage geldt thans voor de verevening van de OZB?Antwoord:Zoals aangegeven in deel 2 van de adviesaanvraag pagina 3645 hierondereen overzicht van de huidige tarieven:OZB niet-woning eigenaren: 0,3079%43Raad voor de gemeentefinanciën is de voorloper van de huidige Raad voor het OpenbaarBestuur44Tweede Kamer, vergaderjaar 1995–1996, 24 552, nr. 345Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2117 OZB niet-woning gebruikers: 0,2342%OZB woning eigenaren: 0,0914%De geactualiseerde tarieven zijn:OZB niet-woning eigenaren: 0,3365%OZB niet-woning gebruikers: 0,2388%OZB woning eigenaren: 0,0924%Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2118 BIJLAGE 1 OnderwerpVoorstel aangezien vervanging definitie noodzakelijk isMaatstaf Niet-westerse migrantenVoorstel:Vervangen door maatstafBuiten-EuropaToelichting, zie pagina 6 van de adviesaanvraag deel 21:«Op basis van de meest recente bevindingen van het CBS in haar rapport Integratie en samenleven ishet nog steeds aannemelijk dat er een correlatie is tussen het aandeel migranten in een gemeente ende uitgaven van deze gemeenten in deze drie clusters. De fondsbeheerders vinden het net als het CBSvan belang dat de maatstaf een meer feitelijke weergave is van de statistische informatie over migratieen integratie. Daarom is het voorstel van de fondsbeheerders aan te sluiten bij de definitie van het CBS«Buiten-Europa».»Maatstaf Huishoudens laag inkomen 2det/m 4de deciel met drempel uitgedrukt inwoonruimten:Vergroting stabiliteitVoorstel:Vervangen door gebruik te maken vanhet driejarig gemiddelde van hetpercentage huishoudens met laaginkomen, afgerond op één decimaal,vermenigvuldigd met het driejariggemiddelde van het aantal huishoudensper gemeente in plaats van het driejariggemiddelde van het absolute aantalhuishoudens.Toelichting, zie pagina 8 van de adviesaanvraag deel 2:«In het kader van de stabiliteit van deze maatstaf over de tijd heeft het CBS het voorstel gedaan om inplaats van uit te gaan van het driejarig gemiddelde van het aantal huishoudens met laag inkomenafgerond op honderdtallen, gebruik te maken van het driejarig gemiddelde van het percentagehuishoudens met laag inkomen, afgerond op één decimaal, vermenigvuldigd met het driejariggemiddelde van het aantal huishoudens per gemeente. Het CBS heeft naast de tabellen met afgerondeaantallen, ook tabellen met de percentages aangeleverd. Als deze percentages worden vermenigvul-digd met de afgeronde aantallen leidt dit volgens het CBS tot een preciezere puntschatting voor degemeenten en daarmee een betere benadering. De bijbehorende CBS-data zijn met de leden van debegeleidingscommissie gedeeld.»Maatstaf Huishoudens laag inkomen 2det/m 4de deciel met drempel uitgedrukt inwoonruimten: Aanpassing definitiewaaronder van de drempelVoorstel:Vervangen door gebruik te maken vanhet driejarig gemiddelde van hetpercentage huishoudens met laaginkomen, afgerond op één decimaal,vermenigvuldigd met het driejariggemiddelde van het aantal huishoudensper gemeente, waarbij is geschoond voorbetaalreserve op basis van decielen 8 t/m10 met de drempel uitgedrukt als 10%van het totaal aantal huishoudens.Voor het bepalen van de drempel iseveneens geschoond voor betaalreserveop basis van decielen 8 t/m 10.Toelichting, zie pagina 9 en 10 van de adviesaanvraag deel 2:«Na overleg met de begeleidingscommissie zijn onderstaande varianten door de fondsbeheerdersbekeken voor de clusters Jeugd en Wmo. Voor alle varianten geldt dat uit is gegaan van een driejariggemiddelde gebaseerd op percentages, waarbij is geschoond voor betaalreserve op basis van decielen8 t/m 10. Voor het bepalen van de drempel is eveneens geschoond voor betaalreserve op basis vandecielen 8 t/m 10.• Huishoudens laag inkomen deciel 1 t/m 3 zonder drempel• Huishoudens laag inkomen deciel 1 t/m 4 met drempel (gebaseerd op 10% huishoudens)• Huishoudens laag inkomen deciel 2 t/m 4 met drempel (gebaseerd op 10% huishoudens)«Er is gekeken of er bepaalde groepen van gemeenten zijn voor wie de definitiewijziging meerspecifieke gevolgen heeft. In alle vier de varianten gaan de studentensteden erop vooruit. In de variantHHli 2 t/m 4 met drempel (zowel 10% als 8%) gaan de toeristische gemeenten er ook op vooruit. Voorde instellingsgemeente laat geen van de drie varianten een verbetering zien.»«De vraag die is geopperd door de begeleidingscommissie is of de definitie huishoudens laag inkomenmet drempel in alle clusters waar deze maatstaf voorkomt moet worden vervangen of dat de desbe-treffende clusters eerst dan individueel herschat moeten worden. Voor de clusters Jeugd en Wmo dieherschat zijn, geldt dat met de stepwise regressiemethode de definitie Huishoudens laag inkomen 2 toten met 4 met drempel de voorkeur blijkt te hebben.»Cluster JeugdVoorstel: Variant 2: Toevoegen eenouder-gezinnen en laag opleidingsniveau.Zonder de maatstaf Stapeling.Toelichting, zie pagina 15 en 16 van de adviesaanvraag deel 2:«Na overleg met de begeleidingscommissie en de expertgroep zijn onderstaande varianten van hetmodel doorgerekend voor respectievelijk het cluster Jeugd en het cluster Wmo.»«Cluster Jeugd1) Bestaande maatstaven cluster Jeugd: Huishoudens laag inkomen met drempel, omgevingsadres-sendichtheid, regionale centrumfunctie, bedrag per jongere.2) Toevoegen stapelingsmaatstaf naast de centrumfunctie. Immers voor de grotere gemeenten valtvoor de centrumfunctie iets te zeggen. Echter centrumfunctie doet geen recht aan de stapelingsproble-matiek in kleine gemeenten.3) Toevoegen eenoudergezinnen gecorrigeerd voor eenoudergezinnen met alle kinderen boven de 18.4) Toevoegen laag/hoog opleidingsniveau met drempel.NB: Deze maatstaf is in het verleden eerder geprobeerd maar toen zonder resultaat.»Cluster WmoTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2119 OnderwerpVoorstel aangezien vervanging definitie noodzakelijk isVoorstel: Noch de begeleidingscommis-sie, noch de expertgroep is tot deconclusie gekomen dat één van deonderzochte opties een mogelijkeverbetering betreft. Het idee is daaromde huidige verdeling te handhaven.Toelichting, zie pagina 15 en 16 van de adviesaanvraag deel 2:«Na overleg met de begeleidingscommissie en de expertgroep zijn onderstaande varianten van hetmodel doorgerekend voor respectievelijk het cluster Jeugd en het cluster Wmo.»Cluster Wmo1) Bestaande maatstaven cluster Wmo: huishoudens laag inkomen, eenpersoonshuishoudens, aantalinwoners 75+ met drempel, regionale centrumfunctie, kernen, laag opleidingsniveau met drempel2) Toevoegen stapelingsmaatstaf naast de centrumfunctie. Immers voor de grotere gemeenten valtvoor de centrumfunctie iets te zeggen. Echter centrumfunctie doet geen recht aan de stapelingsproble-matiek in kleine gemeenten.3) Toevoegen maatstaf 80+ en 85+, de idee hierachter is dat hoe ouder een thuiswonende des te meerzorgconsumptie. NB: Deze maatstaf is in het verleden eerder geprobeerd maar toen zonder resultaat.4) De maatstaf ouderen 75+ en de potentiële maatstaf 80+/85+ corrigeren voor het aantal mensen ineen zorginstelling. Immers als mensen in een zorginstelling zitten dan vallen deze mensen deels onderde Wet langdurige zorg (Wlz).Verevening omvang OEM en aanpassingOZB percentageVoorstel: Op dit moment de vereveningniet aan te passen, gezien het relatiefgeringe bedrag dat daarmee gepaardgaat (€ 138 miljoen). In 2029 bezien of deverevening van de OZB naar 90%kan/moet en dan de verevening van deOEM evenredig verlagen.Toelichting, zie pagina 35 van de adviesaanvraag deel 2:«In de begeleidingscommissie en expertgroep zijn een aantal varianten verkend, te weten:1) De Overige eigen middelen niet verevenen.[...]2) Voorstel ROB verevening Overige eigen middelen in het provinciefonds.[...]3) Te verevenen op basis van de realisatie van de historische Overige eigen middelen.[...]4) Clustering van gemeenten op basis van dummy variabelen, waarbij te denken valt aan bijvoorbeeldeen combinatie van solvabiliteit, eigen vermogen, financiële positie.[...]5) Clustering van gemeenten op basis van dummy variabelen, waarbij te denken valt aan bijvoorbeeldde instrumenten die een gemeente heeft zoals bijvoorbeeld de ozb.»Conclusie van de begeleidingscommissie en de expertgroep: «Er is nog geen methode gevonden omde Overige eigen middelen te verevenen op een wijze die recht doet aan waarneembare verschillen inde capaciteit van de verevening van de Overige eigen middelen. Oftewel, het uitgangspunt van deFinanciële-verhoudingswet (Fvw) dat het verdeelmodel «kostengeoriënteerd» is.»1 Deel 2 Brief over adviesaanvraag over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 B, nr. 2120

Bron, video en gesprek →