KamerkringInloggen
Arend Kisteman

Officieel Kamerprofiel

Arend Kisteman

VVD →
0debatten
228bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: VVD (2023-12-06–heden) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
7 okt 2026 · Kamerstuk

36 988 Wijziging van de Financiële-verhoudingswet, de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en enkele andere wetten in verband met de herziening van het uitkeringsstelsel (Wet herziening uitkeringsstelsel financiële verhoudingen) Nr. 5 Verslag Vastgesteld 7 oktober 2026 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid. De voorzitter van de commissie, Kisteman De griffier van de commissie, Honsbeek Inhoudsopgave ALGEMEEN DEEL p. 1 1. Inleiding p. 3 1.1 Plaats van dit wetsvoorstel in de bredere financieel-bestuurlijke verhoudingen  p. 3 2. Aanleiding voor het wetsvoorstel p. 3 2.1 Het huidige uitkeringsstelsel p. 3 2.2 Knelpunten bij het uitkeringsstelsel 2008 p. 3 3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel p. 4 3.1 De decentralisatie-uitkering wordt aangepast en wordt bijzondere fondsuitkering  p. 4 3.2 Aanpassingen met betrekking tot de specifieke uitkering  p. 8 3.3 Geregeld wordt dat specifieke uitkeringen geen subsidies zijn p. 9 3.4 De verzameluitkering en de integratie-uitkering worden afgeschaft  p. 10 3.5 Versterking coördinerende bevoegdheden de Minister van BZK  p. 10 3.6 Enkele aanpassingen verband houdend met de algemene uitkering  p. 10 4 Uitvoering p. 10 4.1 Medeoverheden p. 10 5. Evaluatie p. 11 6. Consultatie en advies p. 11 6.1 Algemeen beeld van de binnengekomen reacties p. 11 OVERIG p. 12 ALGEMEEN DEEL De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn voorstander van het vergroten van de bewegingsvrijheid van gemeenten en provincies op financieel gebied, zodat deze overheden en hun volksvertegenwoordigingen meer ruimte hebben om de keuzes te maken die hun inwoners van hen verwachten. Ook zijn zij van mening dat Specifieke Uitkeringen (SPUK’s) een onwenselijke verantwoordingslast meebrengen, die de slagvaardigheid van de overheid op zowel centraal als decentraal niveau niet ten goede komt. Zij zien dat het wetsvoorstel op deze twee punten oplossingen aandraagt en kunnen dat voornemen steunen. Zij wensen de regering enkele vragen te stellen. De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel met betrekking tot de Wet herziening uitkeringsstelsel financiële verhoudingen. Graag willen deze leden daarover een aantal vragen stellen. Allereerst merken zij op dat het huidige stelsel met betrekking tot de diverse uitkeringen aan de medeoverheden complex is en leidt tot grote verantwoordingslasten voor deze overheden. Ook is het aantal specifieke uitkeringen, de zogenaamde SPUK’s gestegen, wat deze overheden beperkt in hun beleids- en bestedingsvrijheid. Zij achten het een goede zaak dat daar nu met dit wetsvoorstel iets aan wordt gedaan. De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel om het stelsel van financiering van gemeenten, provincies en bijzondere openbare lichamen te vereenvoudigen. Voor dit moment hebben deze leden enkele vragen en opmerkingen die zij graag aan de regering voorleggen. De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wet. Deze leden hechten waarde aan rolzuiverheid tussen overheidslagen en vinden het van belang dat het uitkeringsstelsel dit weerspiegelt en bevordert. Tevens is het voor deze leden van belang dat het uitkeringsstelsel efficiënt en lastenluw wordt ingericht. Zij hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Deze leden herkennen zich in de kritiek van de Raad van State dat het wetsvoorstel een verbetering is en kan bijdragen aan betere interbestuurlijke verhoudingen, maar het ook noodzakelijk is de structurele hoogte van financiering van medeoverheden te verbeteren. Zij maken van de gelegenheid gebruik enkele vragen te stellen. De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het een verbetering dat de systematiek van de uitkeringen door het wetsvoorstel iets overzichtelijker wordt, maar zijn er niet op voorhand van overtuigd dat hierdoor in de praktijk ook de beoogde verbeteringen optreden. De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel herziening uitkeringsstelsel financiële verhoudingen. Deze leden steunen de inzet om het stelsel eenvoudiger te maken, verantwoordingslasten te verminderen en gemeenten en provincies meer ruimte te geven om zelf keuzes te maken. Die ruimte is van groot belang voor sterke gemeenten en provincies. Zij hebben hierover de volgende vragen.  De leden van de 50PLUS-fractie danken voor de toezending van dit wetsvoorstel. Deze leden hebben hierbij nog wel enkele vragen en opmerkingen. Zij constateren dat gemeenten nog steeds met tekorten kampen en in 2028 een nieuw ravijnjaar dreigt. De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft in meerdere rapporten aangegeven dat het nodig is taken, verantwoordelijkheden en middelen met elkaar in balans te brengen. Dit wetsvoorstel gaat niet over de hoogte van de uitkeringen, maar deze leden willen graag weten hoe de regering ziet dat dit wetsvoorstel bijdraagt aan meer balans. Zij vragen voorts aan de regering op welke wijze dit wetsvoorstel nader bijdraagt aan de gelijkwaardige verhoudingen tussen Rijk en gemeenten. 1. Inleiding De leden van de PRO-fractie vragen de regering om nader toe te lichten hoe het voorliggende wetsvoorstel past in de afspraken die de regering recent met de medeoverheden hebben gemaakt en hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de nog komende voorstellen over de verdeling van de middelen in het gemeentefonds. Kan de regering aangeven welke voorstellen de Kamer de komende tijd allemaal nog kan verwachten ten aanzien van de financieel-bestuurlijke verhoudingen? Plaats van dit wetsvoorstel in de bredere financieel-bestuurlijke verhoudingen De leden van de 50PLUS-fractie vragen waarom het drempelbedrag voor een specifieke uitkering nog niet is gespecificeerd. Deze leden vragen of er een specifieke doelstelling voor de vermindering van het aantal specifieke uitkeringen en administratieve lasten is gesteld. 2. Aanleiding voor het wetsvoorstel 2.1 Het huidige uitkeringsstelsel De leden van de PRO-fractie vinden het verstandig om het stelsel van financiering van medeoverheden te vereenvoudigen. Deze leden constateren evenwel, net als de Afdeling advisering van de Raad van State, dat dit wetsvoorstel weliswaar een stap vooruit is qua administratieve lasten, maar dat de fundamentele vraag of medeoverheden voldoende middelen krijgen om hun taken naar behoren uit te kunnen voeren. Kan de regering aangeven wat de materiele verbeteringen van deze wet zullen zijn voor de middelen die gemeenten ontvangen? Zij vragen aandacht voor het verwachte ravijnjaar in 2028. Kan de regering aangeven of zij deze zorgen delen en of zij het met deze leden eens zijn dat er meer nodig is dan alleen het voorliggende wetsvoorstel? De leden van de SGP-fractie vragen de regering te reflecteren op de wijze waarop het criterium ‘bijzonder aangewezen’ ten aanzien van de specifieke uitkeringen heeft gefunctioneerd in de afgelopen twintig jaar. Het criterium is kennelijk behoorlijk rekbaar gebleken, gezien het feit dat het aantal specifieke uitkeringen fors is gestegen. Zijn er bijzondere factoren die toepassing rechtvaardigden of vindt de regering dat dit criterium te weinig nauwgezet is getoetst? Waarom heeft de regering met het oog op de toekomst niet gekozen voor een andere formulering die het stringente karakter beter tot uitdrukking brengt? 2.2 Knelpunten bij het uitkeringsstelsel 2008 De leden van de ChristenUnie-fractie herkennen de kritiek van de Raad van State dat er voortdurende spanning is tussen lokale autonomie en centrale sturing. Deze leden zien zowel de noodzaak voor lokale autonomie maar tegelijkertijd ook de wens voor centrale sturing, bijvoorbeeld om postcodeverschillen niet te groot te laten worden. In hoeverre verwacht de regering dat deze spanning tussen lokale autonomie en centrale sturing met dit wetsvoorstel toe- of afneemt? Kan de regering dit nader duiden? De leden van de SGP-fractie vragen hoe de stelling te onderbouwen is dat een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) wel een erg zware procedure is voor specifieke uitkeringen die niet langer dan vier jaar voortduren. Deze leden wijzen er allereerst op dat zeker niet voor alle specifieke uitkeringen geldt dat ze op korte termijn tot stand moeten worden gebracht. Bovendien zijn er mogelijkheden om ook een AMvB met spoed tot stand te brengen. Hoe geeft de regering rekenschap van de adviezen van de Raad van State en de Raad voor het openbaar bestuur dat deze drempel bewust is aangebracht en dat verlaging niet wenselijk is. 3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel De leden van de BBB-fractie constateren dat de regering erkent dat de taken, bevoegdheden, middelen en uitvoeringskracht van decentrale overheden niet altijd in balans zijn. Tegelijkertijd verandert dit wetsvoorstel volgens de memorie van toelichting niets aan de hoogte van de financiering en herstelt het geen bestaande tekorten. Deze leden vragen de regering wat de praktische waarde van een betere uitkeringsvorm is voor een gemeente die nog steeds onvoldoende geld krijgt om haar wettelijke taken uit te voeren. Een eerlijkere verdeling van te weinig geld blijft immers te weinig geld. Welke concrete stappen zet de regering, naast dit wetsvoorstel, om de omvang van het Gemeentefonds en het Provinciefonds te laten aansluiten op de werkelijke kosten van de taken?   Deze leden zien dat het wetsvoorstel meer ruimte biedt om de maatstaven voor de algemene uitkering aan te passen. Zij begrijpen de behoefte aan een verdeelmodel dat kan meegroeien met veranderende opgaven. Zij delen echter de zorg dat een andere verdeelmaatstaf grote gevolgen kan hebben voor individuele gemeenten en provincies. Waarom is de voorgestelde verruiming noodzakelijk? Welke concrete wijziging kan onder de huidige wet niet worden doorgevoerd?  Deze leden vragen de regering toe te zeggen dat bij iedere wezenlijke wijziging van een verdeelmodel vooraf openbaar wordt gemaakt wat de gevolgen zijn per gemeente of provincie, zowel in euro’s als relatief, en wat die gevolgen meerjarig betekenen. Hoe worden de kosten van landelijke gebieden in zo’n voorstel getoetst? Hoe worden de Kamer, gemeenteraden en Provinciale Staten tijdig betrokken, voordat de nieuwe verdeling feitelijk vastligt? Deelt de regering de opvatting dat een ingroeipad een groot verlies kan verzachten, maar een oneerlijke verdeling niet alsnog eerlijk maakt?  Specifiek voor het Provinciefonds vragen deze leden hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot een nieuw verdeelmodel vanaf 2027. Kan de regering uiteenzetten welke gevolgen de voorgestelde wettelijke verruiming daarvoor kan hebben en wanneer de Kamer de uitkomsten per provincie ontvangt? Hoe wordt daarbij gewaarborgd dat ook provincies met een andere bevolkingsomvang, gebiedskenmerken of financiële uitgangspositie hun taken kunnen blijven uitvoeren?  3.1. De decentralisatie-uitkering wordt aangepast en wordt bijzondere fondsuitkering De leden van de D66-fractie steunen de introductie van de bijzondere fondsuitkering (BFU), voor zover deze uitkeringsvorm ertoe leidt dat middelen vrij besteedbaar blijven en decentrale overheden minder verantwoordingslasten ervaren. Deze leden lezen dat de regering stelt dat zeer terughoudend dient te worden omgegaan met de mogelijkheid die de BFU biedt om informatie op te vragen. Zij onderschrijven die stelling. Zij vragen op welke wijze de Kamer inzicht kan krijgen in de mate waarin desalniettemin informatie wordt opgevraagd. Is dit onderdeel van de integrale informatievoorziening aan de Staten-Generaal zoals genoemd onder paragraaf 3.5, zo vragen zij. Ook vragen zij of en hoe de regering voornemens is de mate waarin informatie wordt opgevraagd naar aanleiding van BFU’s onderdeel te laten zijn van het reguliere overleg met decentrale overheden. Deze leden lezen dat de regering situaties noemt waarin kwantitatieve informatie mag worden opgevraagd. Zo is dit van toepassing wanneer de informatie ‘noodzakelijk is voor monitoring en/of evaluatie van het beleid dat aan de verstrekking ten grondslag ligt’. Zij onderschrijven dat er noodzaak tot evaluatie kan zijn omwille van het streven naar effectief beleid, maar zij achten de gehanteerde formulering zodanig open dat er weinig situaties denkbaar zijn waarin zij niet als reden opgevoerd kan worden. Ook de tweede reden, noodzakelijkheid omwille van de bepaling van de hoogte dan wel de verdeling van de BFU, lijkt breed van toepassing te kunnen zijn. Welke duidelijkheid kan de regering decentrale overheden bieden over de verwachting of een informatieaanvraag noodzakelijk zal zijn in de toekomst, zo vragen deze leden. Kan de regering bij het verstrekken van een BFU deze verwachting uitspreken, zo vragen zij. Zo nee, in hoeverre waarborgt het limitatief formuleren van gevallen waarin informatie mag worden opgevraagd dan daadwerkelijk terughoudendheid? De leden van de JA21-fractie constateren dat bij een BFU eenmaal per jaar kwantitatieve informatie mag worden opgevraagd, waaronder financiële gegevens en ja-neevragen over beleidsdoelen. Hoe wordt voorkomen dat deze uitvraag feitelijk het karakter krijgt van een gedetailleerde bestedingsverantwoording? Geldt de beperking tot eenmaal per jaar per BFU of voor het totaal van de door een gemeente of provincie ontvangen BFU’s? Hoe worden de gezamenlijke lasten van alle uitvragen begrensd en bestaande gegevensbronnen eerst benut? Deze leden onderschrijven dat de BFU ten goede komt aan de algemene middelen. Zij constateren dat de verdeling ook mag worden gebaseerd op beïnvloedbare prognoses van gemeenten en provincies. De memorie van toelichting noemt het verwachte aantal woningen dat van het gas wordt gehaald als voorbeeld. Hoe voorkomt de regering dat optimistische prognoses worden beloond en dat gemeenten met vergelijkbare objectieve kosten, maar andere beleidsvoorkeuren, minder ontvangen? Kan de regering toelichten hoe transparantie, gelijke behandeling en controle op de betrouwbaarheid van aangeleverde gegevens worden gewaarborgd zonder alsnog bestedingsvoorwaarden op te leggen? Deze leden lezen in paragraaf 3.1.2 dat het niet nakomen van afspraken geen negatieve gevolgen mag hebben voor een individuele gemeente of provincie, maar wel aanleiding kan zijn om de landelijke omvang of verdeling van een BFU te wijzigen. Waar ligt de juridisch toetsbare grens tussen een algemene beleidswijziging en het langs die weg alsnog financieel benadelen van medeoverheden die andere beleidskeuzes maken? Kan de regering dit verduidelijken voor het geval dat enkele gemeenten een in een convenant genoemd beleidsdoel niet nastreven? De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen uit de memorie van toelichting dat de BFU alleen een geschikt instrument is wanneer de Rijksoverheid geen sturing nastreeft over de besteding van de middelen. Kan de regering dit allereerst inkleuren met enkele voorbeelden? Deze leden constateren dat de regering tegelijkertijd stelt dat in het kader van interbestuurlijke samenwerking wel afspraken gemaakt kunnen worden in relatie tot de BFU. De afspraken mogen geen beperking inhouden van de beleids- en bestedingsvrijheid. Zij bespeuren hier een tegenstrijdigheid. Herkent de regering dit? Op welke wijze kunnen in de ogen van de regering interbestuurlijke afspraken gemaakt worden over de BFU zonder afspraken te maken die invloed hebben op de beleids- en bestedingsvrijheid van medeoverheden? Kan de regering hier een voorbeeld voor uitwerken? De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op het verschil tussen de bijzondere fondsuitkering en de algemene uitkering voor wat betreft het inhoudelijke bereik. Het wetsvoorstel benadrukt dat de wijze van verdeling van de middelen het onderscheidende kenmerk is, maar geldt hierbij ook een inhoudelijk criterium voor wat betreft de mogelijke doelen van de bijzondere fondsuitkering? In hoeverre is het toelaatbaar dat een bijzondere fondsuitkering een beleidsdoel betreft dat grotendeels bestreken wordt door de onderwerpen waarvoor de algemene uitkering wordt verstrekt? Deze leden menen dat voorkomen dient te worden dat extra verantwoordingslasten ontstaat op gebieden die volgens de algemene uitkering zonder extra verantwoording volledig onder de vrijheid van gemeenten vallen. Zij vragen waarom de regering niet heeft besloten om de verantwoording over de besteding van de bijzondere fondsuitkeringen primair te beleggen bij de decentrale overheden en bijvoorbeeld een regeling te treffen die erin voorziet dat het vertegenwoordigend orgaan ten minste informatie ontvangt over de besteding van de bijzondere fondsuitkering. Met minimale indicatoren kan daarbij ook gewaarborgd worden dat het Rijk via deze weg toereinde informatie ontvangt. Zij veronderstellen dat een verschuiving in het zwaartepunt van de verantwoording naar het decentrale niveau daadwerkelijk een verbetering in de systematiek van de uitkeringen en de daaruit voortvloeiende lasten. 3.1.1. Definitie en verdeling De leden van de VVD-fractie lezen dat er wordt voorgesteld om de volgende definitie voor de bijzondere fondsuitkering (BFU) te hanteren: “een uitkering uit het provincie- of gemeentefonds die op een andere wijze kan worden verdeeld dan de algemene uitkering”. Deze leden vragen de regering om een nadere duiding van het karakter van de bijzondere fondsuitkering. Wat is het karakter van deze uitkering? In hoeverre is deze uitkering net zo vrij als de algemene uitkering? Wanneer is een algemene uitkering in beeld en wanneer een BFU? De leden van de CDA-fractie lezen dat om de uitvoeringslasten voor fondsbeheerders te beperken gedacht wordt aan een verzamelbeschikking waarin voor iedere provincie en gemeente is opgenomen wat de hoogte van de afzonderlijke bijzondere fondsuitkeringen zijn die zij ontvangen. Deze leden vragen hoe het met de voortgang van deze verzamelbeschikking staat. 3.1.2. Voorwaarden versus afspraken De leden van de VVD-fractie lezen dat bij de BFU bestedingsvoorwaarden of andere voorwaarden uitgesloten zijn. Afspraken tussen het Rijk en medeoverheden daarentegen zijn tweezijdig en dus wel mogelijk. Van wie gaat het maken van afspraken uit, van de medeoverheden of van het Rijk? Wat gebeurt er als het Rijk en de medeoverheden er bij het maken van afspraken niet uitkomen? In hoeverre kunnen die afspraken ook betrekking hebben op het opvragen van informatie door de departementen? Voorkomen moet worden dat de afspraken ertoe leiden dat er vanuit het Rijk wordt gestuurd. Graag krijgen zij een reactie van de regering op de hier gestelde vragen. Deze leden lezen dat het niet nakomen van de afspraken kan leiden tot aanpassing van het landelijk beleid dat aan de BFU ten grondslag ligt, de (totale) financiële omvang van de BFU en/of de verdeling daarvan? Wat wordt hier bedoeld? Waar moet aan worden gedacht bij een eventuele aanpassing van het landelijk beleid? Graag krijgen zij een reactie van de regering. Deze leden lezen dat een bijzondere fondsuitkering ter bekostiging van medebewindstaken mogelijk is. Zij krijgen hier graag een nadere uitleg van. In hoeverre doet dit al of niet afbreuk aan het principe dat de BFU vrij besteedbaar is? De leden van de CDA-fractie lezen dat middelen die beschikbaar gesteld worden via een bijzondere fondsuitkering (BFU) toekomen aan de algemene middelen, waarmee geen sprake kan zijn van bestedingsvoorwaarden. Allereerst merken deze leden op dat zij zich goed kunnen vinden in de passage waarin gesteld wordt dat “het aan de gemeenteraad en de provinciale staten [is] om als gekozen volksvertegenwoordiging te beslissen over de meest doelmatige en doeltreffende wijze van besteding van de middelen en hierover vervolgens verantwoording te verlangen. Deze vrijheid mag niet door voorwaarden of afspraken worden beperkt”. Deze leden hebben hierover een aantal vragen, omdat zij lezen dat afspraken tussen het Rijk en ontvangers wel toelaatbaar zijn, aangezien deze niet eenzijdig opgelegd kunnen worden. Hoe verhoudt dit zich tot het voorafgaande citaat? Zij vragen of zij het goed begrepen hebben dat als naar oordeel van het Rijk de gemaakte afspraken niet worden nagekomen de BFU niet anders ingedeeld kan worden, maar wel gekort of afgeschaft kan worden. Zij lezen ook dat “het eenzijdig verbinden door het Rijk van (negatieve financiële, juridische of beleidsmatige) gevolgen aan het niet vervullen van de in de afspraken opgenomen voorwaarden of resultaatverplichtingen” als voorwaarde ontoelaatbaar zijn. Zij vragen hoe dit in de praktijk voorkomen zal worden. 3.1.3. Informatie-arrangement bij de BFU De leden van de CDA-fractie vragen om een verduidelijking wat bedoeld wordt met de passage die stelt dat “in dit wetsvoorstel wordt dan ook geregeld dat informatie bij een BFU enkel als verplichting kan worden opgelegd in de beschikking van fondsbeheerders op basis waarvan de BFU’s worden verstrekt (verzamelbeschikking). Door die verplichting op te nemen in het wetsvoorstel is de plicht tot informatieaanlevering geen voorwaarde meer die onverenigbaar is met een BFU.”. Voorts vragen deze leden hoe dit zich verhoudt tot het eerder in de memorie van toelichting benoemde uitgangspunt dat het aan de decentraal gekozen volksvertegenwoordiging om toe te zien op de besteding van de BFU’s. Deze leden vragen ook om een nadere toelichting wat verstaan wordt onder kwalitatieve beleidsinformatie die in het kader van een BFU opgevraagd mag worden. Deze leden lezen dat in het wetsvoorstel geregeld wordt dat de kwantitatieve informatie over de BFU één keer per jaar opgevraagd kan worden, dat ontvangers niet verplicht kan worden om hier een toelichting bij te geven en dat er geen sprake kan zijn van bijzondere controlewerkzaamheden. Zij vragen om nadere toelichting hoe dit in de wet vastgelegd wordt. Hiernaast vragen deze leden bij welke (financiële) omvang het naar oordeel van de regering niet passend is om informatie op te vragen. 3.1.5. Verhouding BFU tot de algemene uitkering De leden van de CDA-fractie lezen dat de mogelijkheid tot monitoring als voordeel van een BFU ten opzichte van de algemene uitkering genoemd wordt. Tegelijkertijd staat er ook dat, in verband met de beleids- en bestedingsvrijheid van de middelen, de informatie niet gebruikt mag worden om de BFU achteraf aan te passen. Kan de regering reflecteren op de meerwaarde van de monitoring als daar geen gevolg aan gegeven kan worden? Hoe wordt voorkomen dat de inhoud van de evaluatie en monitoring gebruikt wordt om alsnog financiële consequenties te verbinden aan de BFU? Deze leden vragen of de regering verwacht dat de BFU ook als vervanging van bestaande bedragen die op dit moment via de algemene uitkering verdeeld worden ingezet zal worden. Deze leden merken op dat dit in theorie kan leiden tot een afwijking in de verdeelsystematiek met positieve en negatieve gevolgen voor verschillende ontvangers. 3.2 Aanpassingen met betrekking tot de specifieke uitkering De leden van de PRO-fractie constateren dat de regering naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State geen wijzigingen heeft aangebracht in het voorliggende wetsvoorstel ten aanzien van het niveau van regelgeving met betrekking tot de specifieke uitkeringen. Deze leden zijn van mening dat het instellen van een specifieke uitkering meer passend is op het niveau van een AMvB in plaats van bij ministeriële regeling. Zij achten het in belang van de parlementaire betrokkenheid logischer dat het instellen van specifieke uitkeringen die meerdere jaren kunnen doorlopen bij AMvB worden ingesteld. Ook hechten zij belang aan advies van de Afdeling advisering van de Raad van State bij het instellen van specifieke uitkeringen. Graag ontvangen zij een nadere reactie op deze overwegingen van de regering. De leden van de JA21-fractie constateren dat de drempel voor het vaststellen van tijdelijke specifieke uitkeringen wordt verlaagd: een ministeriële regeling kan voortaan een looptijd van maximaal vijf jaar hebben. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geadviseerd hiervoor een AMvB te blijven vereisen (Kamerstuk 36988, nr. 4). Waarom acht de regering instemming van de ministerraad een voldoende vervanging voor de waarborgen die bij een AMvB gelden? Kan de regering met gegevens over doorlooptijden onderbouwen waarom ook buiten spoedgevallen deze verlaging van het regelgevingsniveau nodig is? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoeveel specifieke uitkeringen de regering verwacht te kunnen vervangen door een BFU binnen vijf jaar na inwerkingtreding? Welke meetbare doelstellingen hanteert de regering om te bepalen of deze herziening wel de beoogde doelen haalt? Deze leden vragen wat het drempelbedrag voor de specifieke uitkering wordt en hoe dit drempelbedrag wordt vastgesteld en geëvalueerd. Hoeveel specifieke uitkeringen zijn er nu die onder het beoogde drempelbedrag vallen? Deze leden vragen waarom de regering ervoor kiest om tijdelijke specifieke uitkeringen via een ministeriële regeling mogelijk te maken. De Raad van State acht dit onwenselijk. Kan de regering haar keuze nader toelichten en onderbouwen? Bestaat niet het risico dat deze keuze juist leidt tot meer specifieke uitkeringen? De leden van de BBB-fractie steunen het terugdringen van onnodige specifieke uitkeringen. Deze leden constateren echter dat het wetsvoorstel het ook mogelijk maakt tijdelijke specifieke uitkeringen voor maximaal vijf jaar bij ministeriële regeling in te stellen. Waarom verwacht de regering dat het aantal specifieke uitkeringen hierdoor zal dalen? Welke controle oefent de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit wanneer een vakminister toch voor deze uitkeringsvorm kiest?  De leden van de SGP-fractie vragen of de verplichting om instemming te ontvangen van de ministerraad ook geldt voor specifieke uitkeringen die op basis van departementale kaderwetten worden verstrekt dan wel dat het alleen van toepassing is op de uitkeringen krachtens de Financiële verhoudingswet. 3.2.2 Drempelbedrag specifieke uitkering De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen over het voorgestelde drempelbedrag voor de SPUK’s. Als eerste vragen deze leden om een nadere toelichting rondom de keuze om onder een nader te bepalen drempelbedrag geen SPUK’s meer te verstrekken. Wat is de achtergrond achter deze keuze? Ten tweede vragen zij welk drempelbedrag de regering in gedachten heeft en of de regering kan aangeven hoeveel SPUK’s dit betreft. Ten derde vragen zij of de regering kan bevestigen dat dit niet ziet op bedragen onder het drempeldrag als ze onderdeel uitmaken van een bredere SPUK met een hoger bedrag. Tot slot op dit onderwerp vragen zij ook of de regering kan schetsen wat naar haar beeld de gevolgen hiervan voor kleine gemeenten zullen zijn. 3.2.3 Aanpassing grondslag specifieke uitkering De leden van de VVD-fractie constateren dat er een veelheid aan grondslagen is voor specifieke uitkeringen. In de memorie van toelichting is daarvoor een schema opgenomen om dat nader aan te geven. Deze leden kunnen zich voorstellen dat die veelheid aan grondslagen tot verwarring kan leiden. In hoeverre zou het mogelijk zijn om daar wat meer eenheid in aan te brengen? Deze leden lezen dat wordt voorgesteld om tijdelijke specifieke uitkeringen, met een looptijd tot vijf jaar, bij ministeriële regeling te regelen en niet meer via een AMvB. Zij beseffen dat een ministeriële regeling sneller gereed is dan een AMvB. Zou in het kader van het beperken van specifieke uitkeringen niet eerder gekozen moeten worden voor een AMvB, omdat een AMvB via de ministerraad loopt, daar besproken moet worden en wellicht minder lichtvaardig wordt ingezet? Graag krijgen zij een reactie van de regering. 3.2.4 Uniformering specifieke uitkering De leden van de CDA-fractie vragen hoe in het wetsvoorstel opvolging is gegeven aan de aanbeveling van de interdepartementale ‘Taskforce uitkeringsstelsel’ om bij SPUK’s onder een drempelbedrag van 125.000 euro per jaar per ontvanger geen verantwoording te verlangen. Begrijpen deze leden het goed dat de regering in dit wetsvoorstel slechts ten dele gehoor geeft aan deze aanbeveling door bij SPUK’s onder 125.000 miljoen te adviseren alleen af te zien van een accountantscontrole? Klopt de inschatting van deze leden dat ook daar nog van afgeweken kan worden? Zij vragen om een toelichting waarom voor deze wijze van opvolging is gekozen. Deze leden vragen om een nadere toelichting van de status van de in een handreiking uit te werken genoemde uitvoeringsvarianten van SPUK’s. Specifiek zijn zij benieuwd naar de te verwachten verantwoordingslastvermindering en de toegevoegde waarde van deze uitvoeringsvarianten als er nog steeds ruimte bestaat voor bewindspersonen om af te wijken. 3.3 Geregeld wordt dat specifieke uitkeringen geen subsidies zijn De leden van de SGP-fractie vragen waarom diverse kaderwetten voor subsidies niet in het wetsvoorstel zijn meegenomen, bijvoorbeeld als het gaat om Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), terwijl dat wel geldt ten aanzien van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Sluiten deze wetten reeds aan bij de uniforme lijn die het wetsvoorstel wil inzetten? 3.4 De verzameluitkering en de integratie-uitkering worden afgeschaft De leden van de SGP-fractie constateren dat er volgens gemeenten nog veel onduidelijkheid bestaat of het effect van het bundelen van uitkeringen de nieuwe regels inzake de specifieke uitkeringen in de praktijk daadwerkelijk tot een verbetering gaan leiden. Deze leden vragen hoe de regering in beeld wil brengen en wil bewaken dat na invoering sprake zal zijn van een wezenlijke verbetering voor decentrale overheden. Welke indicatoren worden hiervoor gehanteerd? 3.5 Versterking coördinerende bevoegdheden de Minister van BZK De leden van de D66-fractie zijn van mening dat de scheidslijnen tussen de departementen van de rijksoverheid geen belemmering mogen zijn voor slagvaardig bestuur. Enerzijds biedt het voorleggen van de verstrekking van een SPUK aan de ministerraad een gelegenheid voor de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) om het belang van decentrale overheden naar voren te brengen, zoals hij dat als fondsbeheerder kan doen bij de verstrekking van een BFU. Maar anderzijds stelt de regering, in antwoord op de consultatiereactie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), niet voornemens te zijn alle wetgeving die decentrale overheden raakt te laten medeondertekenen door de minister van BZK. Zo blijft een kans liggen op departement overstijgende coördinatie door de minister van BZK. Deze leden vragen om een nadere toelichting op dit standpunt. Wat zijn de nadelen, zo vragen zij. Is medeondertekening niet de beste garantie op een sterkere coördinerende rol van de minister van BZK? Hoe verhoudt dit standpunt zich tot de hernieuwde samenwerking tussen het rijk en medeoverheden, zoals die de afgelopen maanden is ingezet? De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere uitleg wat in dit wetsvoorstel geregeld wordt ten aanzien van medeondertekening van de minister van BZK bij wetgeving waarbij uitvoering van medeoverheden vereist is. 3.6 Enkele aanpassingen verband houdend met de algemene uitkering De leden van de CDA-fractie lezen dat in het wetsvoorstel wordt geregeld dat de maatstaven van de algemene uitkering tenminste betrekking dienen te hebben op de kenmerken genoemd in artikel 8 in plaats van uitsluitend. Deze leden vragen welke gevolgen dit kan hebben voor gemeenten met een groot grondoppervlak. De leden van de SGP-fractie constateren dat door het wetsvoorstel minder zekerheid wordt geboden aan gemeenten ten aanzien van de kenmerken die de basis vormen voor de algemene verdeling. Immers, zonder nadere clausulering van inhoud en aantal kunnen maatstaven worden gehanteerd die niet te herleiden zijn tot kenmerken uit de wet. Het feit dat het een enkele keer is voorgekomen dat voor het wijzigen van maatstaven de wet moet worden aangepast, zou ook een onderstreping kunnen vormen van het belang van de wettelijke status van de kenmerken. Deze leden vragen de regering meer zicht te bieden op de mate waarin de kenmerken die ten grondslag liggen aan de verdeelmaatstaven in de loop der decennia zijn gewijzigd. Ook vragen zij waarom niet ook ten aanzien van de kenmerken wordt bepaald dat aanvullende kenmerken ten minste bij algemene maatregel van bestuur worden geregeld. 4. Uitvoering 4.1 Medeoverheden De leden van de BBB-fractie constateren dat de bijzondere fondsuitkering gemeenten en provincies meer vrijheid kan geven dan een specifieke uitkering. Deze leden vinden het essentieel dat de gemeenteraad en Provinciale Staten daadwerkelijk over de besteding kunnen beslissen. Hoe voorkomt de regering dat ministeries via convenanten, bestuurlijke afspraken of de inrichting van een aanvraagprocedure alsnog sturen op de besteding? Wie grijpt in als een afspraak formeel vrijwillig is, maar een gemeente in de praktijk nauwelijks kan weigeren zonder toekomstige middelen mis te lopen?  Bij een bijzondere fondsuitkering kan het Rijk kwantitatieve informatie opvragen. Welke toets wordt toegepast om vast te stellen dat die informatie werkelijk noodzakelijk is? Hoe worden de kosten van gegevensaanlevering, in het bijzonder voor kleine gemeenten, vooraf berekend en vergoed? Kan de regering bevestigen dat gemeenten en provincies niet achteraf financieel worden afgerekend op de besteding van een vrij besteedbare uitkering?  De leden van de BBB-fractie lezen dat een uitkering volgens het voorstel ook aan één gemeente, een groep gemeenten of enkele provincies kan worden verstrekt. Dat biedt mogelijkheden voor maatwerk, maar vraagt om een uitlegbare verdeling. Hoe voorkomt de regering dat middelen voor een regionale opgave vooral bij centrumgemeenten terechtkomen, terwijl omliggende dorpen en kleinere gemeenten eveneens kosten dragen? Worden bereikbaarheid, lange afstanden, een groot buitengebied en de kosten van voorzieningen voor inwoners uit de hele regio daarbij meegewogen? Kan de regering aangeven hoe zij inzichtelijk maakt welke gemeenten feitelijk van een regionale uitkering profiteren?  Deze leden vragen tevens hoe het voorstel uitwerkt voor samenwerking tussen gemeenten en provincies. De regering wil terecht terughoudend zijn met rechtstreekse financiering van gemeenschappelijke regelingen. Hoe blijft voor gemeenteraden en Provinciale Staten zichtbaar wie over regionaal geld beslist en aan wie daarover verantwoording wordt afgelegd? Hoe voorkomt de regering dat het Rijk een regionale samenwerking als voorwaarde stelt voor financiering, terwijl afzonderlijke gemeenten daarmee invloed op de besteding verliezen? 5. Evaluatie De leden van de JA21-fractie vragen of de evaluatie binnen drie jaar een onafhankelijke beoordeling bevat van de netto lastenvermindering, het aantal afzonderlijke uitkeringen, de werkelijke beleidsvrijheid en de regionale verdeeleffecten. Worden daarbij ook de toepassing van opschorting, de afwijkingen van verantwoordingsmodellen en het gebruik van beïnvloedbare verdeelcriteria onderzocht? Kan de regering deze indicatoren vooraf vastleggen en de voortgang jaarlijks aan de Staten-Generaal melden? 6. Consultatie en advies 6.1 Reacties geclusterd per onderwerp De leden van de D66-fractie lezen dat het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft bepleit om de Decentralisatie-Uitkering (DU) te behouden, in plaats van te vervangen door de BFU. De regering stelt daarop dat een DU en BFU dezelfde mogelijkheden bieden. Toch bestaat er verschil in de informatievoorziening die van decentrale overheden gevraagd kan worden. De regering draagt de overzichtelijkheid van het uitkeringsstelsel aan als reden om de DU te willen schrappen. Kan de regering uiteenzetten hoe de belangenafweging is gemaakt tussen enerzijds het vergroten van beleidsvrijheid met het (gewaarborgd) verkleinen van verantwoordingslasten en anderzijds het vergroten van de overzichtelijkheid van het stelsel, vragen deze leden. Is behoud van de DU niet een sterkere waarborg voor het beperken van verantwoordingslasten, zo vragen zij. 6.1.1. Bijzondere fondsuitkering De leden van de CDA-fractie herkennen de zorgen van het IPO, de VNG en de provincie Utrecht over de verantwoordingslasten die gepaard kunnen gaan met de kwantitatieve informatievoorziening rondom BFU’s. Deze leden lezen dat er zal worden nagedacht of het mogelijk is het proces in de praktijk op een administratief niet belastende en uniforme wijze aan te leveren aan het Rijk. Deze leden vragen wanneer de regering verwacht dit gerealiseerd te hebben. Deze ledenconstateren dat de regering niet mee is gegaan in het voorstel van de provincie Utrecht om een grensbedrag op te nemen waaronder het niet mogelijk is om bij een BFU informatie op te vragen. De regering beargumenteert dat de flexibiliteit in de uitvoeringspraktijk niet gebaat bij een vast bedrag, waaronder geen informatie gevraagd kan worden, en dat de voorkeur uitgaat naar het per geval af te wegen of de opgevraagde informatie in verhouding staat met het verstrekte bedrag. Deze leden vragen of er ook overwogen is om een per AMvB te bepalen drempelbedrag voor BFU’s te hanteren waaronder in ieder geval geen verantwoording meer vereist is. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe de indexatiesystematiek van de BFU’s voorzien is te werken. OVERIG De leden van de BBB-fractie vragen tot slot of de evaluatie na een aantal jaar uitdrukkelijk zal onderzoeken of gemeenten en provincies in de praktijk meer bestedingsvrijheid hebben gekregen, of de administratieve lasten daadwerkelijk zijn gedaald en of kleine en landelijke gemeenten voldoende toegang hebben tot de nieuwe uitkeringsvormen.  2

Bron, video en gesprek →