KamerkringInloggen
Arend Kisteman

Officieel Kamerprofiel

Arend Kisteman

VVD →
0debatten
228bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: VVD (2023-12-06–heden) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
21 apr 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 263Tijdelijke regels inzake specifieke wettelijkevoorzieningen voor het uitvoeren vanonderzoeken door de Algemene Inlichtingen- enVeiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- enVeiligheidsdienst naar landen met een offensiefcyberprogramma tegen Nederland ofNederlandse belangen alsmede voorzieningeninzake de mogelijkheid tot vaststelling van eennieuwe eindtermijn voor gebruik door dediensten van in het kader van huntaakuitvoering met bijzondere bevoegdhedenverworven bulkdatasets en de invoering van eenbindende toets ex ante van verleendetoestemmingen voor de real time interceptie vanverkeers- en locatiegegevens (Tijdelijke wetonderzoeken AIVD en MIVD naar landen met eenoffensief cyberprogramma, bulkdatasets enoverige specifieke voorzieningen)Nr. 47 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 21 april 2026 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties over de brief van 19 december 2025 inzake deInvoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen meteen offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifiekevoorzieningen (Kamerstuk 36 263, nr. 46).De vragen en opmerkingen zijn op 16 maart 2026 aan de Minister vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van21 april zijn de vragen door de Ministers van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties en van Defensie beantwoord.De voorzitter van de commissie,KistemanAdjunct-griffier van de commissie,Van der Haas kst-36263-47ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 471 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en antwoord / reactievan de Minister InleidingMet deze brief reageren wij op de vragen en opmerkingen van de ledenvan de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, PVV, CDA en JA21 naaraanleiding van onze brief van 19 december 2025 over de invoeringstoetsTijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensiefcyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen(hierna: Tijdelijke wet).1 Aangezien de vragen en opmerkingen zowel deAIVD als de MIVD aangaan, gaan wij daar graag gezamenlijk op in. Waardat dienstig is zullen de vragen van de leden van de diverse fracties overgelijkluidende onderwerpen in samengenomen vorm wordenbeantwoord.Invoeringstoets Tijdelijke wetDe leden van de D66-fractie lezen dat gezien de beperkte mate waarin deTijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensiefcyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen(hierna: Tijdelijke wet) invulling heeft gekregen, er geen compleet beeld isvan wat de Tijdelijke wet in de praktijk betekent voor de nationaleveiligheid. Evenmin is er een compleet beeld wat de consequenties voorde uitvoering van de Tijdelijke wet in de praktijk zijn. Er kan om die redennu geen sluitend antwoord worden gegeven op de vraag of het beoogdedoel van de Tijdelijke wet in voldoende mate is behaald. Wat is er voornodig om dit antwoord wel te kunnen geven, zo vragen deze leden. Welkeaanvullend onderzoek wordt er nog gedaan?Desondanks concludeert de Minister dat er een positieve verwachting isvoor de toepassing van de Tijdelijke wet en het antwoord dat deze wetbiedt op de toenemende dreiging vanuit statelijke actoren met eenoffensief cyberprogramma tegen Nederland. Waar is deze verwachting opgebaseerd, zo vragen de leden van de D66-fractie. Deze leden vinden dezeconclusie niet terug in de bevindingen van de Toetsingscommissie InzetBevoegdheden (TIB) en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- enVeiligheidsdiensten (CTIVD). Deze geven juist aan geen volledig beeld tekunnen geven van de opbrengsten van de Tijdelijke wet. Op basis vanwelke informatie trekt de Minister de conclusie over de positieveverwachting van de potentie van de Tijdelijke wet? Is deze conclusie ookvoorgelegd aan de TIB en de CTIVD en zo ja, wat was hun reactie hierop?De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de Invoeringstoets bij de Tijdelijke wet (hierna: de invoeringstoets).Deze leden benadrukken het belang van snelle en wendbare diensten methoogtechnologische capaciteiten ter bescherming van onze nationaleveiligheid. Zij zijn verheugd om te lezen dat het kunnen bijschrijven vankenmerken in een lopende operatie zonder dat een nieuw toestemmings-verzoek moest worden ingediend heeft gezorgd voor het vergroten van deoperationele slagkracht. En dat de mogelijkheid om gebruik te kunnenmaken van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad vanState (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) heeft geleid tot eenpositief effect. Zij hebben nog enkele vragen over de invoeringstoets.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van de invoeringstoets, de brief van de Minister daarover,de bevindingen van de CTIVD en de TIB alsmede van de antwoorden van1Kamerstukken II 2025/26, 36 263, nr. 46.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 472 de Minister op schriftelijke vragen van leden van de Eerste Kamer. Dezeleden delen de mening van de Minister dat de invoeringstoets eenbelangrijk evaluatie-instrument is dat wordt ingezet om snel vast te stellenof er problemen ontstaan voor mensen en/of uitvoerende organisaties nainwerkingtreding van in dit geval de Tijdelijke wet. Helaas moeten zijconcluderen dat de nu voorliggende uitvoeringstoets geen volwaardigetoets betreft, omdat belangrijke onderdelen van de Tijdelijke wet in depraktijk niet of nauwelijks gebruikt zijn. De ervaringen met de Tijdelijkewet kunnen daarom naar de mening van deze leden niet doorslaggevendzijn als het gaat om het voorbereiden van de voorgenomen herziening vande Wiv 2017. Deelt de Minister deze mening? Zo ja, welke conclusie trektde Minister daar uit? Zo nee, waarom niet?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen, ook in antwoorden opvragen van de Eerste Kamer, dat de diensten gedurende de gehelelooptijd de Tijdelijke wet evalueren en monitoren. De Minister schrijftvervolgens dat «als de resultaten van de monitoring daar aanleiding toegeven» daar rekening mee gehouden wordt «in de verschillende stadiavan het al in gang gezette wetgevingsproces tot herziening van de Wiv2017». Tevens zegt de Minister daarbij toe «uw Kamer via dat proces [te]informeren over eventuele aanvullende geleerde lessen met de Tijdelijkewet». Deze leden zouden gezien de onvolledige invoeringstoets van deTijdelijke wet willen dat de Minister ten minste halfjaarlijks, of zoveeleerder als nodig, na overleg met de diensten en de toezichthouders, debeide Kamers schriftelijk informeert over de ervaringen met de Tijdelijkewet en in hoeverre die van invloed zijn op het wetgevingsproces metbetrekking tot de herziening van de Wiv 2017. Kan de Minister dittoezeggen? Zo nee, waarom niet?De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de invoeringstoets. Hiervoor bedanken deze leden de Minister. Zijhechten er grote waarde aan dat de inlichtingen- en veiligheidsdienstengoed geëquipeerd zijn om tegenwicht te bieden aan offensieve cyberpro-gramma’s uit derde landen. Zij hebben nog enkele vragen.De leden van de CDA-fractie lezen dat voor een aanzienlijk aantalbevoegdheden, onder andere rondom bulkinterceptie, geldt dat deze nietof in beperkte mate uitgeoefend kunnen worden. Deze leden vragen of deMinister voldoende in beeld heeft wat er nodig is om de obstakelshieromtrent weg te nemen en of de Minister bereid is dit korte termijn opte pakken.De leden van de JA21-fractie lezen dat de CTIVD concludeert dat deTijdelijke wet heeft bijgedragen aan een grotere operationele slagkrachtvan de diensten, maar dat de toepassing van de wet in de praktijk ookcomplex is en dat er interpretatie- en uitvoeringsvraagstukken bestaan.Deze leden vragen welke concrete uitvoeringsproblemen de CTIVD bij detoepassing van de Tijdelijke wet heeft geconstateerd. Kan de Ministernader toelichten welke randvoorwaarden of knelpunten door de CTIVDworden genoemd bij het gebruik van bulkdatasets en andere bevoegd-heden onder deze wet?De leden van de JA21-fractie lezen dat de invoeringstoets benadrukt datde Tijdelijke wet een balans moet vinden tussen nationale veiligheid en debescherming van fundamentele rechten. Omdat de wet extra bevoegd-heden introduceert, blijft robuust toezicht essentieel. Deze leden vragenhoe de Minister, op basis van de eerste ervaringen met de wet, deproportionaliteit van de verruimde bevoegdheden beoordeelt. In hoeverreblijkt uit de invoeringstoets dat de inzet van deze bevoegdheden daadwer-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 473 kelijk noodzakelijk en proportioneel is in het licht van de dreiging dieuitgaat van statelijke cyberactoren?Ten aanzien van de verrichte invoeringstoets van de Tijdelijke wet zijn wij,met de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) en de Commissievan Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) zoalsverwoord in hun bijdragen2, van mening dat we geen volledig beeldkunnen geven van de uitwerking van de Tijdelijke wet. Verschillendebevoegdheden konden namelijk niet of slechts in beperkte mate wordenuitgevoerd door de diensten gedurende de periode van de verrichteinvoeringstoets. Wij onderschrijven dan ook de conclusie hierover van deleden van GroenLinks-PvdA dat belangrijke onderdelen van de Tijdelijkewet in de praktijk niet of nauwelijks konden worden gebruikt. Daardoor iser nog geen compleet beeld van wat de Tijdelijke wet in de praktijkbetekent voor de nationale veiligheid en wat de consequenties voor deuitvoering van de Tijdelijke wet in de praktijk zijn. De reden hiervoor wasde huisvestingsproblematiek bij de CTIVD, waarover uw Kamer in eeneerder stadium is geïnformeerd.3De huisvestingsproblematiek van de CTIVD is, in overleg met allebetrokken partijen, inmiddels opgelost met tijdelijke voorzieningen. Zoalsook toegelicht door de CTIVD in haar bijdrage bij onze brief van19 december 20254, is zij sinds 1 oktober 2025 klaar voor een volledigetoepassing van de Tijdelijke wet, met uitzondering van het toepassen vangeautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata. Sinds die periodewordt de Tijdelijke wet gefaseerd tot volledig toegepast door de diensten.Er hoeven op dit moment ten aanzien van de volledige uitvoering van deTijdelijke wet geen obstakels meer te worden weggenomen, metuitzondering van het aandachtspunt omtrent het toepassen van geauto-matiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata. Wij gaan daar verderopin deze brief nader op in. Voor de huisvesting is verder reeds eenpermanente oplossing gevonden. De CTIVD zal definitief wordengehuisvest op de Turfmarkt te Den Haag.5 De locatie en bijbehorendefaciliteiten worden op dit moment gereed gemaakt.De positieve verwachting voor de toepassing van de Tijdelijke wet isgebaseerd op de gevallen waar de wet gedurende de periode van deinvoeringstoets wel door de diensten kon worden ingezet. Ten aanzienvan de bepalingen voor bulkinterceptie (zowel verkennen als de daadwer-kelijke interceptie) geldt dat de toepassing van deze bevoegdheid het zichtop statelijke actoren met een offensief cyberprogramma tegen Nederlandof Nederlandse belangen heeft vergroot. De Tijdelijke wet stelt dediensten in staat effectiever onderzoek uit te voeren en om de keten vanverwerving en verwerking op dat terrein verder te professionaliseren. Heteffectief kunnen uitvoeren van kabelinterceptie geeft de diensten meermogelijkheden gekende en ongekende dreigingen te signaleren, zodatverder onderzoek verricht kan worden. Ook heeft het langduriger kunnengebruiken van bulkdatasets positief bijgedragen aan de operationeleslagkracht van de diensten. Dit geldt ook voor het kunnen bijschrijven vankenmerken in een lopende operatie, zonder dat een nieuw toestemmings-verzoek door de diensten moest worden ingediend. Tot slot zijn deverkenningen voor de hackbevoegdheid ingezet, zoals door de wetgever2Kamerstukken II 2025/26, 36 263, nr. 46, bijlagen «brief TIB m.b.t. Invoeringstoets Tijdelijke wetd.d. 11 december 2025» en «brief CTIVD m.b.t. Invoeringstoets Tijdelijke wet d.d. 5 december2025» en.3Kamerstukken II 2024/25, 36 263, nr. 45, Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1115.4Kamerstukken II 2025/26, 36 263, nr. 46, bijlage «brief CTIVD m.b.t. Invoeringstoets Tijdelijkewet d.d. 5 december 2025».5Kamerstukken II 2023/24, 36 263, nr. 44.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 474 beoogd. De nieuw in de wet opgenomen mogelijkheid van beroep bij deAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heefteveneens een positief effect gehad; een geschil kan zo snel wordenvoorgelegd aan de hoogste bestuursrechter. Voorafgaand aan deverzending van onze brief zijn de hoofdlijnen van onze reactie gedeeldmet de TIB en de CTIVD, zij hebben daarvan kennisgenomen.Om een sluitend antwoord te kunnen geven op de vraag of het beoogdedoel van de Tijdelijke wet in voldoende mate is behaald, is het nodig datde diensten ruime ervaring kunnen opdoen met een volledige toepassingvan deze wet. De diensten evalueren en monitoren de Tijdelijke wetdaarom totdat deze op 1 juli 2028 van rechtswege vervalt. Als deresultaten van deze monitoring daar aanleiding toe geven, houden wijdaar in de verschillende stadia van het al in gang gezette wetgevings-proces tot herziening van de Wiv 2017 rekening mee. Wij zullen zowel uwKamer als de Eerste Kamer via dat proces informeren over eventueleaanvullende geleerde lessen met de Tijdelijke wet. Aanvullend hieropzeggen wij toe uw beide Kamers schriftelijk te informeren, indien ertussentijds belangrijke ervaringen met de Tijdelijke wet met ons wordengedeeld, die van invloed zijn op voornoemd wetgevingsproces.Geconstateerde knelpunten Tijdelijke wetDe leden van de D66-fractie lezen dat een aantal knelpunten is geïdentifi-ceerd, dat wordt betrokken bij de herziening van de wet. Welke concreteverbetervoorstellen doet de Minister voor de herziening van de wet opbasis van de invoeringstoets, zo vragen deze leden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat naar de mening van deMinister in sommige gevallen de termijn die de TIB nodig heeft om toteen oordeel over de rechtmatigheid te komen onevenredig lang is.Tegelijkertijd meent de Minister ook dat de TIB «voldoende gelegenheiddient te krijgen om zich een oordeel te kunnen vormen, al dan niet methulp van deskundigen». Is de TIB zelf ook van mening dat de genoemdetermijn onevenredig lang is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Dezeleden lezen dat de Minister voornemens is om in de nieuwe wet «tot eenbalans te komen tussen vereiste snelheid en duidelijkheid voor dediensten en de benodigde oordeelsvorming door de TIB» en dat daarvooreen wettelijke beslistermijn hierbij in de rede ligt. Zij begrijpen dat deTijdelijke wet bedoeld is om sneller te kunnen reageren, maar zijn tevensvan mening dat dat geen reden mag zijn om het toezicht af te zwakken.Hoe kan worden voorkomen dat onder tijdsdruk een toezichthouder toteen onvoldoende onderbouwd oordeel moet gaan komen? Hoe ziet de TIBhet voornemen tot een wettelijke beslistermijn zelf?De leden van de CDA-fractie lezen dat er enkele knelpunten in deuitvoering geïdentificeerd zijn. Deze leden vragen of zij het goed begrijpendat deze knelpunten meegenomen zullen worden in de herziening van deWiv 2017.De leden van de JA21-fractie lezen dat de TIB erop wijst dat de Tijdelijkewet de besluitvorming over bepaalde bevoegdheden versnelt, maar datdit ook extra druk legt op het voorafgaande rechtmatigheidstoetsings-proces. Deze leden vragen in hoeverre de capaciteit van de TIB isaangepast om de snellere procedures adequaat te kunnen toetsen. Kan deMinister toelichten of de personele en organisatorische capaciteit van deTIB is uitgebreid sinds de invoering van deze Tijdelijke wet? Daarnaastlezen zij dat de TIB signaleert dat diensten soms onder aanzienlijketijdsdruk opereren bij het indienen van aanvragen. Acht de Minister hetwenselijk dat de noodzakelijke snelheid van operaties mogelijk ten kosteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 475 kan gaan van de volledigheid of kwaliteit van aanvragen voor de inzet vanbevoegdheden? Welke maatregelen worden genomen om te waarborgendat de kwaliteit van aanvragen en de rechtmatigheidstoetsing ondertijdsdruk voldoende gewaarborgd blijven? Voorts vragen deze leden hoede Minister de langere doorlooptijden beoordeelt die de TIB in sommigeoperaties signaleert. Wat betekent dit voor de balans tussen snelheid inoperaties en zorgvuldigheid in toezicht?De leden van de JA21-fractie geven aan dat de invoeringstoets moetworden gezien als een eerste evaluatiemoment dat input kan leveren voortoekomstige aanpassingen van de wetgeving. Deze leden vragen welkeconcrete lessen uit deze invoeringstoets door de Minister wordenmeegenomen bij toekomstige aanpassingen van de Wiv 2017.Op basis van de verrichte invoeringstoets zullen we voor de herzieningvan de Wiv 2017 in ieder geval concrete verbetervoorstellen doen metbetrekking tot de geconstateerde knelpunten omtrent: 1) het vragen vanschriftelijke of mondelinge inlichtingen door de ABRvS; en 2) de beslis-termijn van de TIB.Ten aanzien van het voornoemde tweede punt geldt dat er geen sprake isvan een snellere procedure onder de Tijdelijke wet ten opzichte van deWiv 2017. In beide gevallen geldt geen wettelijke beslistermijn voor de TIBop de bij haar ingediende toestemmingsverzoeken voor de inzet vanbepaalde bijzondere bevoegdheden van diensten. In de Wiv 2017 isneergelegd dat de TIB zo spoedig mogelijk een oordeel uitbrengt. Decapaciteit van de TIB is in het kader van de inwerkingtreding van deTijdelijke wet met 3 fte uitgebreid. Wij hebben geconstateerd dat in enkelegevallen de termijn die door de TIB is gehanteerd om tot een oordeel overde rechtmatigheid van toestemmingverzoeken onder de Tijdelijke wet tekomen, zeer lang was. Dit resulteerde in enkele gevallen tot een oordeelna meer dan vier weken vanaf het moment van indiening bij de TIB. DeTIB erkent dat in een beperkt aantal operaties sprake is van een langeredoorlooptijd.6 Het is evident dat de TIB voldoende gelegenheid dient tekrijgen om een oordeel te kunnen vormen. Tegelijkertijd geldt dat het nietof niet tijdig kunnen starten van een operatie nadelen heeft. Dit raakt devereiste snelheid en wendbaarheid van de diensten. Het is wenselijk op ditpunt in de nieuwe wet tot een balans te komen. Zoals aangegeven in onzebrief van 19 december 2025 ligt een wettelijke beslistermijn hierbij in derede. Momenteel wordt een wettelijke beslistermijn door de diensten opuitvoerbaarheid getoetst. Ook de TIB is in de gelegenheid gesteld deuitvoeringsconsequenties te beoordelen. De TIB ziet ook nadelen in eenbeslistermijn. Hierover zijn wij in gesprek. Wij zullen de inzichten die uitde gesprekken en met de uitvoeringstoetsen worden opgedaan tenaanzien van de beslistermijn meenemen in de verdere voorbereiding vanhet conceptwetsvoorstel voor de herziening van de Wiv 2017.Op de onderwerpen verwervingssysteem voor download- en streamings-verkeer, geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptie en gegevens-verstrekking door AIVD en MIVD aan buitenlandse diensten, die eveneensraken aan het lopende wetstraject tot herziening van de Wiv 2017, gaanwe hieronder specifieker in.6Kamerstukken II 2025/26, 36 263, nr. 46, bijlage «brief TIB m.b.t. Invoeringstoets Tijdelijke wetd.d. 11 december 2025».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 476 Voorgenomen wijziging verwervingssysteem voor download- enstreamingsverkeer Wiv 2017De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het moeten onder-houden van twee verwervingssystemen, negatief filteren onder de Wiv2017 en positief filteren onder de Tijdelijke wet, zorgt «voor een oneven-redig beroep op de technische capaciteit van de diensten». De Ministermeent dat omdat bij negatieve filtering van streaming en downloaddien-sten inlichtingen over dreigingen gemist kunnen worden dat voortaanonder zowel de Wiv 2017 als de Tijdelijke wet positieve filtering moet gaanplaatsvinden. Het is deze leden niet duidelijk wat bij dit voornemen dedoorslag heeft gegeven: gaat het om het verlichten van de werkdruk voorde diensten of om het niet willen missen van inlichtingen overdreigingen? Legt negatieve filtering een hoger beroep op de diensten opdan positieve filtering? Zo ja, waarom?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister nader kantoelichten wat de aard van de informatie is die gemist zou worden indienbij streaming en downloaddiensten wel sprake zou blijven van negatievefiltering? Wat is er sinds de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet voorervaring opgedaan met negatieve filtering en waaruit blijkt dat daardoorinformatie werd gemist? Waaruit blijkt dat de eerdere veronderstelling datsoort informatie van streaming en downloaddiensten geen waarde zouhebben voor de onderzoeken van de diensten, niet meer zou kloppen?Hoe kon dat worden opgemerkt? Hoe vaak wordt er, bijvoorbeelduitgedrukt in een percentage van de keren dat er gefilterd is, welwaardevolle informatie gevonden bij positieve filtering dan wel waarde-volle informatie bij negatieve filtering gemist? Deelt de Minister demening dat er in het geval van negatieve filtering (vooraf) meer sprake isvan de wettelijk vereiste gerichtheid van gegevensvergaring dan in hetgeval van positieve filtering (achteraf)? Zo nee, waarom niet?De Minister stelt dat omdat de eerdere toezegging om niet meer negatiefstreaming- en downloaddiensten te filteren niet in de wet is vastgelegdmaar slechts uitvoeringspraktijk is, dat de nu voorgenomen afwijking vandie toezegging ook niet wettelijk verankerd hoeft te worden. Dat magformeel zo zijn, maar, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie,zou het niet toch wenselijk zijn met het oog op de verdere verwerking vande gegevens die door middel van positieve filtering worden verkregen,het gerichtheidsvereiste en het toezicht daarop dit wel wettelijk verankerdgaat worden? Gesteld wordt dat niet op de nieuwe Wiv 2017 kan wordengewacht alvorens de praktijk van filtering aan te passen. Wordt dit dantenminste wel in de nieuwe Wiv 2017 wettelijk vastgelegd? Zo nee,waarom niet? Wat is de mening van beide toezichthouders om voortaangeen negatieve filtering meer te doen? Waar kunnen de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie die meningen lezen?De leden van de D66-fractie lezen dat het vernietigen van niet relevantegegevens zal gaan gebeuren tijdens de verdere verwerking van deopbrengst van bulkinterceptie. Deze leden wijzen hier op de op aanbe-veling van de CTIVD om in de herziening van de Wet op de inlichtingen-en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) op dit punt meer duidelijkheid tecreëren. Wat betekent «de verdere verwerking», zo vragen deze leden.Welke eindtermijnen worden hier aan gekoppeld en op welke wijze wordthet toezicht hierop ingeregeld?De leden van de VVD-fractie vragen verder aan de Minister in hoeverre hetinplannen van het eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenhedenvolgens de Minister spoed heeft nu de Minister schrijft dat de maatregeldie hij wil nemen ten aanzien van het werken met twee aparte verwer-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 477 vingssystemenregimes voor de toepassing van bulkinterceptie niet eerderzal worden uitvoeren dan het eerstvolgende commissiedebatIVD-aangelegenheden?De leden van de CDA-fractie lezen dat het onderhouden van tweeverwervingssystemen heeft gezorgd voor een onevenredig beroep op detechnische capaciteit van de diensten en dat dit er mede toe leidt datinlichtingen worden weggefilterd over dreigingen die niet onder deTijdelijke wet vallen, zoals jihadistisch terrorisme. Dit baart deze ledenzorgen en zij kunnen zich daarom goed vinden in de voorgesteldemaatregel.De leden van de JA21-fractie lezen dat de Tijdelijke wet volgens deMinister heeft geleid tot een efficiëntere verwerking van grote datasets eneen betere mogelijkheid om cyberdreigingen tijdig te identificeren.Tegelijkertijd wordt in de invoeringstoets aangegeven dat de uitvoeringaanzienlijke technische capaciteit en specialistische expertise vereist. Dezeleden vragen in hoeverre de AIVD en de MIVD momenteel organisatorischen technisch in staat zijn om de bevoegdheden uit de Tijdelijke wetoptimaal te benutten. Kan de Minister toelichten of er op dit momentcapaciteitsbeperkingen bestaan bij de diensten die de effectiviteit van dewet kunnen beperken? Daarnaast vragen zij welke investeringen inpersoneel, technologische infrastructuur en analytische capaciteitnoodzakelijk zijn om de wet effectief te laten functioneren. Kan de Ministeraangeven welke investeringen reeds zijn gedaan en welke aanvullendeinvesteringen eventueel nog nodig zijn? Voorts vragen zij of er knelpuntenbestaan in de samenwerking tussen de AIVD en de MIVD bij de uitvoeringvan de Tijdelijke wet. Indien dat het geval is, kan de Minister toelichtenwelke maatregelen worden genomen om deze samenwerking verder teversterken?De leden van de JA21-fractie vragen zij hoe wordt gewaarborgd dat deverwerking van bulkdatasets niet leidt tot een onevenredige verwerkingvan gegevens van personen die niet relevant zijn voor het onderzoek.De leden van de JA21-fractie lezen verder dat de Minister stelt dat hetwerken met twee afzonderlijke verwervingssystemenregimes voorbulkinterceptie in de praktijk niet uitvoerbaar is gebleken en dat daaromniet kan worden gewacht op een wetswijziging om de werkwijze aan tepassen. Tegelijkertijd geeft de Minister aan dat de beoogde maatregel –waarbij het negatieve filteren van streaming- en downloadverkeer nietlanger in alle gevallen bij de eerste verwerving plaatsvindt maar pas ineen latere fase van de gegevensverwerking – niet zal worden ingevoerdvóór het eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenheden. Dezeleden vragen hoe deze twee uitgangspunten zich tot elkaar verhouden.Indien de huidige situatie volgens de Minister operationele knelpuntenveroorzaakt die niet kunnen wachten op een wetswijziging, waarom is hetdan wel mogelijk om de invoering van deze maatregel uit te stellen tot nahet eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenheden, dat naarverwachting pas na het zomerreces zal plaatsvinden? Kan de Ministernader toelichten hoe urgent de geschetste operationele problematiekdaadwerkelijk is?Daarnaast vragen de leden van de JA21-fractie op welke juridischegrondslag de Minister vooruitlopend op een wetswijziging deze werkwijzewil toepassen op onderzoeken die niet onder de Tijdelijke wet vallen. Hoeverhoudt deze voorgenomen aanpassing van de uitvoeringspraktijk zichtot de huidige bepalingen van de Wiv 2017 en de daarin vastgelegdewaarborgen met betrekking tot proportionaliteit en gegevensminimali-satie? Voorts vragen deze leden of de Minister kan bevestigen dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 478 Kamer voorafgaand aan de invoering van deze werkwijze daadwerkelijkde gelegenheid krijgt om hierover een inhoudelijk oordeel te vormen.Betreft het uitstellen van de invoering tot na het commissiedebatIVD-aangelegenheden een politieke toezegging van de Minister of is ereen formele procedure waarbij de Kamer instemming kan onthouden?Graag beantwoorden wij de vragen die zijn gesteld over het geconsta-teerde knelpunt ten aanzien van bulkinterceptie. Het gaat hierbij in hetbijzonder om het onderhouden van twee verwervingssystemen metbetrekking tot download- en streamingsverkeer, te weten het negatieffilteren onder de Wiv 2017 en het positief filteren onder de Tijdelijke wet.Met de door ons voorgenomen wijziging wordt dezelfde uitvoerings-praktijk als onder de Tijdelijke wet toegepast voor onderzoeken die vallenonder de Wiv 2017.Juist door de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet kunnen de dienstende bevoegdheid tot bulkinterceptie onder dat wettelijke kader effectieveruitvoeren. Hierdoor is het knelpunt van negatieve filtering ten opzichtevan de Wiv 2017 sterker naar voren gekomen dan was voorzien. Immers,de diensten wisten op basis van de eigen informatiepositie onder de Wiv2017 dat er potentieel relevante gegevens worden weggefilterd door desystematiek van de negatieve filtering. In de nota naar aanleiding van hetverslag van de Eerste Kamer bij de Tijdelijke wet is als voorbeeldgenoemd dat de Russische militaire inlichtingendienst op online media-platforms desinformatie heeft verspreid over het neerhalen van vluchtMH17 en hiermee het beeld hebben proberen te kleuren dat mensenhebben van het neerhalen van vlucht MH17 boven Oekraïne in 2014.7 Uitde opgedane ervaring met de Tijdelijke wet is gebleken dat informatie uitdownload- en streamingsverkeer wel waarde kan hebben, bijvoorbeeldindien een buitenlandse actor een hackpoging verhult via download- enstreamingsverkeer. Wij kunnen, gezien het staatsgeheime karakter ervan,geen verdere openbare uitspraken doen over de specifieke aard van dezeinformatie.De reden voor de voorgestelde wijziging is dat we relevante inlichtingenover alle dreigingen tegen de nationale veiligheid niet willen missen, dusook voor onderzoeken van de diensten die niet vallen onder de Tijdelijkewet. Om vooraf te zien of een gegevensstroom niet-relevante gegevensbevat, vergt daarnaast veel extra technische en personele capaciteiten.Die zijn vanwege de specialistische kennis niet eenvoudig te verkrijgen.Gebleken is dat het werken met twee verwerkingssystemen niet binnenrealistische operationele kaders kan worden verwezenlijkt. De dienstenzijn organisatorisch en technisch in staat de bevoegdheden uit deTijdelijke wet optimaal te benutten, het knelpunt ziet op de operationeleinzet voor dezelfde bevoegdheid onder de Wiv 2017. Er bestaan op ditmoment geen andere capaciteitsbeperkingen bij de diensten die deeffectiviteit van de Tijdelijke wet beperken. Ook zijn er geen knelpunten inde samenwerking tussen de AIVD en de MIVD bij de uitvoering van deTijdelijke wet.De uitvoeringspraktijk heeft uitgewezen dat negatieve filtering niet demeest effectieve manier is om download- en streamingsverkeer tereduceren. Dit kan beter plaatsvinden door middel van positieve filtering.Dat wil zeggen dat de gegevens niet van tevoren al worden weggefilterd,maar dat de filtering later in het proces plaatsvindt. Uitsluitend degegevens die naar verwachting van waarde kunnen zijn voor de onder-zoeken van de diensten worden opgeslagen en beschikbaar gesteld voorhet inlichtingenproces voor verdere analyse en verwerking. Verdere7Kamerstukken I 2023/24, 36 263, E.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 479 verwerking betekent gegevensverwerking anders dan verzameling ofverwerving van gegevens, een proces dat aan de verdere verwerkingvoorafgaat. De gegevens die daarbij evident en daarmee nadrukkelijkgeen waarde hebben voor onderzoeken van de diensten, worden nietopgeslagen maar vernietigd. Bij deze methode wordt echter wel hetverkeer dat in eerste instantie eruitziet als download- en streamings-verkeer onderkend. In het geval van negatieve filtering gebeurt dat niet engaan gegevens met potentiële inlichtingenwaarde gelijk verloren voor hetinlichtingenproces. Dat zorgt voor verminderd zicht op dreigingen voor denationale veiligheid die niet vallen onder de Tijdelijke wet, zoals jihadis-tisch terrorisme, hetgeen onwenselijk is en niet strookt met het belangvan effectieve operationele uitvoering door de diensten.De CTIVD en TIB concluderen desgevraagd in hun bijdrage gericht aan deEerste Kamer geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen wijziging.8Ook onderschrijft de CTIVD dat download- en streamingsverkeer weldegelijk relevante inlichtingen kan bevatten.Wat betreft de vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie over het vereistegerichtheidscriterium onder de Wiv 2017 onderstrepen wij dat voor deinvulling ervan bij bulkinterceptie sprake is van een ketenbevoegdheid. Indie keten worden meerdere stappen doorlopen, voordat deze gegevensbeschikbaar worden gesteld aan het inlichtingenproces. Het gaat dan omde stappen verkennen, verwerven, verrichten van identificatieonderzoeken vervolgens selectie. De diensten maken aan de voorkant al keuzes enprioriteren dusdanig om zoveel mogelijk bij internationaal, en derhalveniet nationaal, gegevensverkeer te komen. Verworven gegevens, waarvangeen indicatie bestaat dat zij van waarde kunnen zijn voor onderzoekenvan de diensten, worden niet verder verwerkt. Immers, deze gegevensworden door de positieve filtering niet opgeslagen en daardoorvernietigd. Dit soort gegevens komt dus niet terecht in het inlichtingen-proces. Gegevens worden alleen tijdens de positieve filtering opgeslagen,indien de diensten een indicatie hebben dat er relevante gegevens inkunnen zitten. Vervolgens worden deze gegevens enkel betrokken in hetinlichtingenproces, als zij toe te schrijven zijn aan kenmerken vanorganisaties en personen waar de diensten onderzoek naar verrichten inhet belang van de bescherming tegen gekende en ongekende dreigingenvoor de nationale veiligheid. Door voorgaande werkwijze wordt voor detoepassing van positieve filtering concrete invulling gegeven aan hetvereiste gerichtheidscriterium. Toepassing van negatieve filtering leidt erniet toe dat er meer sprake is van het voldoen aan het gerichtheidsver-eiste dan toepassing van positieve filtering.De toetsing en het toezicht op inzet van bulkinterceptie is als volgtingericht. De TIB toetst voorafgaand aan het mogen inzetten vanbulkinterceptie door de diensten de rechtmatigheid van de door onsdaartoe verleende toestemming. Indien de TIB van oordeel is dat detoestemming niet rechtmatig is verleend, vervalt onze toestemming vanrechtswege en mag de bevoegdheid niet worden ingezet. Daarnaast houdtde CTIVD toezicht op de rechtmatigheid van al het handelen van dediensten, en daarmee ook de verwerving en verdere verwerking vangegevens verkregen onder meer door middel van de inzet van bulkinter-ceptie. De voorgenomen wijziging van de uitvoeringspraktijk ten aanzienvan de filtering van download- en streamingsverkeer verkregen door deinzet van bulkinterceptie onder de Wiv 2017 brengt hierin geen veran-dering. Voor onderzoeken die vallen onder de Wiv 2017 geldt op grondvan die wet een bewaartermijn van één jaar voor gegevens die verworven8Kamerstuk I 2025/26, 36 263, Q, bijlage «brief van 25 februari 2026 van de TIB en CTIVD overvragen van de Eerste Kamer».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 4710 zijn door de inzet van bulkinterceptie. Ook dat wijzigt niet met devoorgenomen wijziging in de uitvoeringspraktijk.In onze brief aan uw Kamer over de invoeringstoets van de Tijdelijke wethebben we kenbaar gemaakt dat de beoogde voorgenomen wijziging inde uitvoeringspraktijk ten aanzien van het verwervingssystemenregimevoor download- en streamingsdiensten onder de Wiv 2017 niet zal wordendoorgevoerd, alvorens uw Kamer de mogelijkheid heeft gehad hierover ineen debat over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te spreken. Wijmerken op dat de voorgenomen wijziging van de uitvoeringspraktijk pastbinnen de huidige wet- en regelgeving. Wat betreft de door de fracties vande leden van VVD en JA21 gevraagde urgentie, is het zo spoedig alsmogelijk kunnen doorvoeren van de voorgenomen wijziging onswelgelegen. Het knelpunt is dan direct weggenomen en de dienstenkunnen dan effectiever inlichtingen uit download- en streamingsverkeerbenutten voor hun taakoefening, die ook ziet op onderzoeken anders dannaar statelijke actoren die een offensief cyberprogramma hebben gerichttegen Nederland of Nederlandse belangen. Wij waarderen het dat deCDA-fractie in haar inbreng al heeft aangegeven zich daarom goed tekunnen vinden in de voorgestelde maatregel. Zoals hiervoor aangegevenzijn de TIB en CTIVD dezelfde mening toegedaan.Het is aan uw Kamer om te bepalen op welke wijze, mondeling al dan nietschriftelijk, hieraan gevolg kan worden gegeven.Met de beoogde wijziging wordt vooruitgelopen op de herziening van deWiv 2017, waarbij op dit onderdeel niet kan worden gewacht. Voor delange termijn zijn we van mening dat ook onder de herziene Wiv 2017 hetnoodzakelijk zal blijven om uit te gaan van positieve filtering vanpotentieel relevant download- en streamingsverkeer. Dit zal dan ookonderdeel zijn van het wetsvoorstel voor de herziening van de Wiv 2017.Bevoegdheid tot geautomatiseerde data-analyse op bulkinter-ceptieDe leden van de VVD-fractie achten het, gezien de toenemende onrust inde wereld, van belang dat de diensten zo snel mogelijk in staat zijn om testarten met het uitvoeren van de bevoegdheid van het doen van geauto-matiseerde data-analyse op metadata uit onderzoeksopdrachtgerichteinterceptie. Deze leden vinden het zorgelijk dat dit nog niet geregeld is envragen voorts of de Minister inzicht kan geven op welke manier hij zichinzet om het inzetten van deze bevoegdheid snel mogelijk te maken.Voorts vragen de leden van de JA21-fractie in hoeverre artikel 50 van deWiv 2017 in de praktijk vragen heeft opgeroepen bij het toezicht door deCTIVD. In het bijzonder vragen zij of er situaties zijn geweest waarin hetgebruik van bepaalde bevoegdheden mogelijk veiligheidsrisico’sopleverde of waarbij de toepassing van de wet niet volledig operationeelbleek. Kan de Minister tevens toelichten of er discussie is geweest over detoepassing van artikel 8 van de wet en op welke termijn deze eventueleinterpretatievraagstukken zijn opgelost?Evenals de leden van de VVD-fractie vinden wij het zorgelijk dat dediensten de bevoegdheid van het doen van geautomatiseerdedata-analyse op metadata uit onderzoeksopdrachtgerichte interceptie, ookwel bulkinterceptie genoemd, niet kunnen inzetten. Immers, de dienstenkunnen hierdoor minder effectief gekende en ongekende dreigingen voorde bescherming van de nationale veiligheid onderkennen. Dit heeft temaken met het verschil van inzicht tussen de TIB en CTIVD enerzijds en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 4711 beide diensten anderzijds over de grondslag van de toepassingen vandeze bevoegdheid.Wij hechten eraan dat op korte termijn duidelijkheid komt over dit verschilvan inzicht. Daarom vinden hierover op dit moment gesprekken plaatstussen deze partijen. Indien dit niet leidt tot een overeenkomst van inzicht,dan is uiteindelijk de geëigende weg om op grond van de Tijdelijke wetberoep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak tegen eeneventueel bindend onrechtmatigheidsoordeel van de TIB of CTIVD op ditpunt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan dan duide-lijkheid geven over de wetsinterpretatie. Voor de lange termijn achten wijhet aangewezen dat de wetgever bij de herziening van de Wiv 2017 denodige duidelijkheid geeft in de wettekst, toelichting en verdere parlemen-taire behandeling van het wetsvoorstel.Gegevensverstrekking door AIVD en MIVD aan buitenlandsedienstenDe leden van de D66-fractie vragen om daarbij expliciet in te gaan op detwee bevindingen van de CTIVD ten aanzien van de gegevensverstrekkingaan buitenlandse diensten. Die schrijft onder andere «Nationale toezicht-houders kunnen vanwege hun nationale toezichtmandaat niet onder-zoeken wat er in andere landen met verstrekte gegevens gebeurt of hoedoor buitenlandse diensten bevoegdheden worden ingezet en gegevensworden verzameld. Toezichthouders mogen hierover niet met elkaarcommuniceren. Hierdoor bestaat een (internationaal) toezichtgat dat bij deformulering van de nieuwe wet aandacht behoeft.» Deze leden vragen ofde Minister de conclusie dat hiermee een gat in het toezicht bestaaterkent. Zij ondersteunen de wens om vaker met onze internationalepartners samen te werken op het gebied van inlichtingen en veiligheid. Inhet coalitieakkoord zijn hier ook goede afspraken over gemaakt. Dit kanechter niet betekenen dat gegevens van Nederlandse burgers, verzamelddoor Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, door anderelanden gemonitord kunnen worden, zonder dat daar enige vorm vantoezicht op plaatsvindt. Op welke manier gaat de Minister dit puntadresseren bij het verder verstevigen van de Europese inlichtingensamen-werking zoals voorgenomen in het coalitieakkoord? Welke mogelijkhedenziet de Minister om dit vorm te geven?De leden van de VVD-fractie lezen in de brief van de CTIVD met betrekkingtot de invoeringstoets van 5 december 2025 dat de CTIVD van mening isdat bij de mogelijkheid om gegevens die zijn verkregen in de verkennendefase van onderzoeksopdrachtgerichte interceptie te delen met buiten-landse inlichtingen- en veiligheidsdiensten een bindend oordeel van deCTIVD gekoppeld zou moeten zijn, omdat dit volgens de CTIVD andersniet in lijn zou zijn met andere bevoegdheden in de Tijdelijke wet. Welkerisico’s voorziet de Minister bij zo’n bindend oordeel? Ook deze lezen indezelfde brief dat de CTIVD mogelijkheden ter verbreding van informatie-uitwisseling en toezichtsamenwerking tussen toezichthouders uit anderelanden en de CTIVD aanbeveelt. Kan de Minister ook op deze aanbevelingvan de CTIVD in gaan?Met de fractie van D66 zijn we van mening dat Europese samenwerkingtussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten van cruciaal belang is en, zoalsook is opgenomen in het coalitieakkoord, verder dient te worden versterkt.Immers, in het huidige tijdsgewricht neemt de noodzaak tot samen-werking verder toe. Dat is gelegen in de exponentiële groei van informatiedoor verdergaande digitalisering en het in toenemende mate grensover-schrijdende karakter van eveneens toenemende, diverse dreigingen tegenonze nationale veiligheid en die van onze bondgenoten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 4712 Hierbij onderstrepen wij, net als de fractie van D66, dat het samenwerkenmet buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten verstrekkend vanaard kan zijn en daarom vraagt om zorgvuldigheid en daarbij passendewaarborgen. In de Wiv 2017 is hierin reeds voorzien in de vorm van degeïntroduceerde wegingssystematiek, die voorschrijft dat de AIVD en deMIVD voorafgaand aan het aangaan van een samenwerkingsrelatie meteen buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdienst wegen wat de aard enintensiteit van de beoogde samenwerkingsrelatie kan zijn. Deze weginggeschiedt op basis van de volgende wettelijke criteria: de democratischeinbedding van de dienst in het desbetreffende land; de eerbiediging vande mensenrechten door het desbetreffende land; de professionaliteit enbetrouwbaarheid van de desbetreffende dienst; de wettelijke bevoegd-heden en mogelijkheden van de dienst in het desbetreffende land; en hetdoor de desbetreffende dienst geboden niveau van gegevensbe-scherming. Ook wordt de wenselijkheid in het kader van internationaleverplichtingen en de mate waarin de samenwerkingsrelatie de taakuit-voering van de dienst bevordert, betrokken bij deze weging. De CTIVDhoudt hier toezicht op.9Wanneer in de wegingsnotitie risico’s zijn geconstateerd, is het de taakvan de diensten deze risico’s te bezien in het kader van de noodzaak vande beoogde samenwerking en de mogelijkheid om de geconstateerderisico’s te mitigeren. Op basis van deze weging wordt besloten of de AIVDof de MIVD een samenwerkingsrelatie kunnen aangaan en, zo ja, wat deaard en intensiteit van de beoogde samenwerking kan zijn. Een samen-werkingsrelatie met een inlichtingen- en veiligheidsdienst van een anderland mag voorts pas worden aangegaan, indien daartoe door of namensons toestemming is verleend. Het hoofd van de dienst draagt er zorg voordat de aard en intensiteit van de samenwerkingsrelatie opnieuw wordtgewogen, indien omstandigheden daartoe aanleiding geven.Daarnaast houdt de CTIVD toezicht op de rechtmatigheid van al hethandelen van de diensten, en daarmee ook op de naleving door de AIVDen de MIVD van de voorwaarden en waarborgen die de Wiv 2017voorschrijft op het gebied van internationale samenwerking. Verschillendetoezichtsrapporten op dit thema illustreren deze toezichtspraktijk.10Net als voor de AIVD en de MIVD gelden voor de CTIVD, als nationaletoezichthouder op deze diensten, de kaders van de Wiv 2017. Voorbuitenlandse diensten en hun nationale toezichthouder geldt dat ook zijbinnen hun eigen nationale wettelijke kaders moeten opereren. Wijherkennen dan ook niet het gepercipieerde toezichtgat. Zoals eerder metuw Kamer gedeeld11, kan de CTIVD reeds samenwerken met buitenlandsetoezichthouders op het terrein van inlichtingen- en veiligheidsdiensten,bijvoorbeeld op het gebied van rechtsvergelijkend onderzoek, werkme-thoden of bespreking van openbare toezichtsrapporten en jaarverslagen.De CTIVD vervult hierin een voortrekkersrol die wij van harte onder-steunen. Het uitwisselen van operationele en staatsgeheime gegevenstussen de CTIVD en buitenlandse toezichthouders is echter uitgesloten.Een buitenlandse toezichthouder is immers niet bevoegd om kennis tenemen van deze informatie. Informatie-uitwisseling tussen toezicht-houders valt bovendien buiten de reikwijdte van de ministeriële verant-woordelijkheid die wij hebben voor de samenwerking van de AIVD en deMIVD met buitenlandse diensten en de uitwisseling van staatsgeheime9Zie CTIVD, Toezichtsrapport 60 «De wegingsnotities van de AIVD en de MIVD voor de interna-tionale samenwerking met de Counter Terrorism Group- en sigint-partners», 21 december 2018.10Zie voorgaande voetnoot alsook de CTIVD-toezichtrapporten nrs. 22a (2009), 22b (2009), 65(2019) en 73 (2021).11Kamerstukken II 2023/24, 36 455 (R2188), nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 4713 gegevens in dat kader. Wij zien op dit moment geen aanleiding om ditstandpunt te herzien.Ook de Evaluatiecommissie Wiv 2017 benadrukt in haar rapport hetbelang van internationale samenwerking door de diensten.12 Zij conclu-deert dat de introductie van de wegingsnotities disciplinerend heeftgewerkt; het heeft de bewustwording bij de diensten van de eventuelerisico’s van internationale samenwerking vergroot. Nederland lijktinternationaal voorop te lopen door het gebruik van deze wegingsnotities.De Evaluatiecommissie beschouwt het als een belangrijke waarborg bijinternationale samenwerking. Zij beveelt onder meer aan om samen-werking in structurele multilaterale samenwerkingsverbanden waarbijpersoonsgegevens worden verstrekt te voorzien van een explicietewettelijke grondslag en daarover overzichtsnotities op te stellen.Verder kunnen wij ons niet vinden in de mening van de CTIVD datbindend toezicht gekoppeld zou moeten worden aan de mogelijkheid omgegevens die zijn verkregen in de verkennende fase van bulkinterceptie tedelen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het is vanbelang dat dergelijke geïntercepteerde gegevens technisch wordenonderzocht, zodat de verworven gegevens kunnen worden gestructureerd,geanalyseerd en geduid. In het kader van dit technisch onderzoek is hetsoms noodzakelijk ondersteuning te krijgen van een buitenlandse dienst.Hierbij worden de voor dat technisch onderzoek benodigde gegevens aande desbetreffende dienst verstrekt. Het risico van bindend toezicht bij dezeverstrekking is dat het de diensten onnodig zou beknotten in hunoperationele slagkracht en wendbaarheid om effectief gekende enongekende dreigingen voor de bescherming van de nationale veiligheid tekunnen onderkennen. Belangrijk hierbij is dat voor de inzet van dezespecifieke bevoegdheid in de Tijdelijke wet reeds is voorzien in voldoendepassende waarborgen. Zo kan deze bevoegdheid uitsluitend wordeningezet ter vaststelling van de gegevensstromen waarop een uiteindelijkverzoek tot bulkinterceptie betrekking dient te hebben. Verder vindt dezeverstrekking plaats met het expliciete verbod deze gegevens te gebruikenvoor inlichtingendoeleinden. De AIVD en de MIVD zijn immers ook zelfgebonden aan deze waarborg bij de uitoefening van deze bevoegdheid.Daarnaast zijn onverkort de eerdergenoemde voorwaarden enwaarborgen uit de Wiv 2017 over internationale samenwerking metbuitenlandse diensten van toepassing. Deze gegevens mogen voor geenenkel ander doel worden verstrekt aan een buitenlandse dienst. Ook toetstde TIB voorafgaand aan de beoogde inzet op de verkenning ten behoevevan alsook op het uiteindelijke verzoek tot bulkinterceptie de rechtma-tigheid ervan. Voorts is in het geval de verstrekking aan een buitenlandsedienst ongeëvalueerde gegevens betreft de volgende extra waarborg inde Tijdelijke wet ingebouwd: de verstrekking, mag, behoudens dringendeen gewichtige reden, niet eerder plaatsvinden dan vijf dagen nadat deCTIVD over de door ons verleende toestemming is geïnformeerd. Omdatde diensten deze bevoegdheid nog niet konden inzetten, heeft de CTIVDgeen gebruik gemaakt van deze additionele toezichtsmodaliteit.Bindend toezicht Tijdelijke wetHet valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de CTIVD nietovergegaan is tot het geven van een bindend onrechtmatigheidsoordeelover de toepassing van bevoegdheden op grond van de Tijdelijke wetdoor de diensten. In de brief van de CTIVD gaat deze toezichthouder daarnader op in. Deze leden menen dat het vervangen van de rechtmatig-heidstoets vooraf door de TIB met betrekking tot de inzet van bevoegd-12Kamerstukken II 2020/21, 34 588, nr. 88, p. 104. bijlage.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 4714 heden in de Tijdelijke wet door bindend toezicht door de CTIVD van grootbelang is bij het toezicht op de diensten en voor de balans ten opzichtevan de in de Tijdelijke wet beoogde versnelling en wendbaarheid van dediensten. Deelt de Minister deze mening? Zo ja, waarom? Zo nee, waaromniet? Hoe ziet de Minister dit in het licht van het feit dat de CTIVD noggeen gebruik heeft gemaakt van dat bindend toezicht? Deze leden lezenwel dat er in een beperkt aantal gevallen een gesprek heeft plaatsge-vonden tussen de diensten en de CTIVD over het bindend toezicht. Watwas de reden voor die gesprekken en wat was de aard daarvan? Naar zijaannemen is het niet aan de diensten zelf om invloed uit te oefenen overhet al dan niet inzetten van de bindende bevoegdheid van de CTIVD. Is deMinister het daarmee eens? Zo nee, waarom niet?De leden van de JA21-fractie vragen of er gevallen zijn geweest waarin deCTIVD heeft geoordeeld dat bevoegdheden onder deze Tijdelijke wetonrechtmatig, disproportioneel of onzorgvuldig zijn ingezet. Indien dat hetgeval is, kan de Minister toelichten om hoeveel gevallen het gaat en welkelessen daaruit zijn getrokken voor de verdere toepassing van de wet?Binnen het kader van de Tijdelijke wet is het verplaatsen van de rechtma-tigheidstoets vooraf door de TIB met betrekking tot de inzet van bevoegd-heden naar bindend toezicht tijdens en achteraf door de CTIVD van belangvoor de balans tussen toezicht op de diensten en de mogelijkheden die deTijdelijke wet biedt. De diensten hebben evenwel de verschillendebevoegdheden onder de Tijdelijke wet waarop bindend toezicht ziet niet ofslechts in beperkte mate kunnen uitvoeren gedurende de periode van deverrichte invoeringstoets. Dat dit niet volledig kon, is gelegen in dehuisvestingsproblematiek bij de CTIVD, waarover uw Kamer eerder isgeïnformeerd.13 Zoals ook toegelicht door de CTIVD in haar bijdrage bijonze brief van 19 december 202514, is zij sinds 1 oktober 2025 klaar vooreen volledige toepassing van de Tijdelijke wet, met uitzondering van hettoepassen van geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata.Daar waar de bevoegdheden onder de Tijdelijke wet waarop bindendtoezicht ziet wel door de diensten konden worden uitgevoerd, is de CTIVD,zoals zij zelf ook heeft bevestigd in eerdergenoemde bijdrage, nietovergegaan tot de inzet van een bindend onrechtmatigheidsoordeel. Wijzijn het eens met de leden van de Groen-Links-PvdA-fractie dat hetnadrukkelijk aan de CTIVD zelf is om als onafhankelijk toezichthouder eenoordeel te vormen omtrent het al dan niet rechtmatig handelen van dediensten. In het beperkt aantal gevallen waarin een gesprek over hetbindend toezicht op het handelen van de diensten onder de Tijdelijke wetheeft plaatsgevonden tussen de CTIVD en de diensten, ging het over hetbeantwoorden van verduidelijkingsvragen van de CTIVD met betrekkingtot de toepassing van bevoegdheden door de diensten.Randvoorwaarden werkzaamheden toezichthouderDe leden van de VVD-fractie lezen dat de CTIVD in haar brief van5 december 2025 wijst op het belang van het realiseren van belangrijkerandvoorwaardelijke zaken bij de toezichthouder, zoals budget,huisvesting, ICT en personele capaciteit. Deze leden vragen de Minister ofaan deze randvoorwaarden nu zijn voldaanDaarnaast vragen de leden van de JA21-fractie hoe wordt gewaarborgddat het toezicht door de CTIVD over voldoende capaciteit beschikt om de13Kamerstukken II 2024/25, 36 263, nr. 45, Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1115.14Kamerstukken II 2025/26, 36 263, nr. 46, bijlage «brief CTIVD Invoeringstoets Tijdelijke wet d.d.5 december 2025».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 4715 uitgebreidere bevoegdheden uit de Tijdelijke wet effectief te controleren.Is de capaciteit van de CTIVD aangepast sinds de invoering van deze weten acht de Minister deze capaciteit toereikend voor de komende jaren?In aanloop naar de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet is er zowel metde TIB als de CTIVD gesproken over de benodigde extra capaciteit, zoweljuridisch als ondersteunend van aard. Met de TIB en de afdeling toezichtvan de CTIVD is afgesproken de formaties uit te breiden. Zo heeft de TIB3fte en de afdeling toezicht van de CTIVD 10 fte toegevoegd. Ook na deinwerkingtreding van de Tijdelijke wet zijn de gesprekken met beideinstanties voortgezet. Op dit moment zijn randvoorwaarden, zoals budget,tijdelijke huisvesting, ICT en personele capaciteit, geregeld. Indien dewerkvoorraad bij de TIB en de afdeling toezicht van de CTIVD, ondanks decapaciteitsuitbreiding, te groot blijkt te zijn, dan zal dit aanleiding zijn vooreen gesprek om in samenspraak tot een oplossing te komen. Dit is ook hetgeval voor andere belangrijke randvoorwaarden. Mocht het functionerenvan beide instanties in het geding zijn, dan zal het kabinet uw Kamerdaarover informeren.Herziening Wiv 2017De leden van de CDA-fractie constateren dat de Tijdelijke wet vier jaar nainwerkingtreding vervalt. Deze leden vragen om een stand van zaken vande herziening van de Wiv 2017. Wanneer kan de Kamer deze wetverwachten?De leden van de JA21-fractie hebben gevraagd of de Minister kanaangeven op welke termijn een bredere evaluatie van de Wiv 2017 en deTijdelijke wet wordt verwacht? Daarnaast vragen deze leden hoe deMinister kijkt naar de door de Commissie voor de Inlichtingen- enVeiligheidsdiensten (CIVD) gevraagde verdere samenwerking en informa-tievoorziening richting de Kamer. Op welke wijze wordt gewaarborgd datde Kamer haar controlerende rol effectief kan blijven vervullen bij de inzetvan deze bevoegdheden?De beoogde inwerkingtredingsdatum van de herziening van de Wiv 2017,die tot doel heeft een nieuwe en versterkte Wet op de inlichtingen- enveiligheidsdiensten tot stand te brengen, is uiterlijk 1 juli 2028. Dit is dedatum dat de Tijdelijke wet van rechtswege vervalt. De planning is eropgericht het wetvoorstel dit jaar in openbare internetconsultatie te gevenen vervolgens aan de Afdeling advisering van de Raad van State vooradvies voor te leggen. Het streven is het wetvoorstel in de eerste helft van2027 bij uw Kamer in te dienen.Met de leden van de JA21-fractie zijn wij van mening dat uw Kamer haarbelangrijke, controlerende rol, nu en in de toekomst, effectief moetkunnen blijven vervullen. Tijdens de openbare en niet-openbare debattenmet uw Kamer wordt verantwoording afgelegd over het handelen van dediensten. Zoals aangegeven in het openbare jaarverslag over 2024 van deCommissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD)15 evalueertzij of de informatievoorziening voldoet aan haar behoefte.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben de stukken omtrent de invoerings-toets met interesse gelezen en hebben momenteel geen aanvullendevragen.15Kamerstukken II 2024/25, 36 754, nr. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 4716 Wij danken de leden van de PVV-fractie voor hun getoonde interesse opdit belangrijke onderwerp van de taakuitoefening van de diensten tenbehoeve van het beschermen van onze nationale veiligheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 263, nr. 4717

Bron, video en gesprek →