KamerkringInloggen
Arend Kisteman

Officieel Kamerprofiel

Arend Kisteman

VVD →
0debatten
228bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: VVD (2023-12-06–heden) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
18 mei 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202622 112Nieuwe Commissievoorstellen en initiatievenvan de lidstaten van de Europese UnieNr. 4348 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 18 mei 2026 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties over de brief van 30 januari 2026 over het Fiche:Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties (Kamerstuk22 112, nr. 4248).De vragen en opmerkingen zijn op 6 maart 2026 aan de Minister vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van18 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,KistemanAdjunct-griffier van de commissie,Van der Haas kst-22112-4348ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43481 VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES EN REACTIEVAN DE MINISTER Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van defiche. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.Vraag 1.De leden van de D66-fractie verwelkomen de EU-strategie voor hetversterken en beschermen van het maatschappelijk middenveld. Eensterk, onafhankelijk en pluriform maatschappelijk middenveld is eendragende pijler van onze democratie. Tegen onder meer de achtergrondvan de krimpende maatschappelijke ruimte in de Europese Unie, achtendeze leden een Europese strategie gerechtvaardigd. In dat verband zijn zijbenieuwd naar best practices in lidstaten waar de krimp van demaatschappelijke ruimte al wordt tegengegaan of zich niet voordoet.Welke lessen trekt het kabinet daaruit voor de situatie in Nederland?Welke initiatieven is het kabinet bereid te nemen?Antwoord 1.Het kabinet wisselt actief kennis en ervaringen uit met andere lidstaten enEuropese partners over het versterken van het maatschappelijkmiddenveld en het tegengaan van de krimpende maatschappelijke ruimte,onder meer via Team Europe-initiatieven. Deze uitwisseling draagt bij aanhet identificeren van effectieve benaderingen ten opzichte van demaatschappelijke ruimte en het maatschappelijk middenveld en draagt bijaan het verder ontwikkelen van nationaal beleid. Het kabinet beziet danook continu welke maatregelen bijdragen aan een open, veilig enondersteunend klimaat voor maatschappelijke organisaties. Het kabinet isactief in Europese initiatieven als het Defence of Democracy Package enhet European Democracy Shield die – in samenhang met de CSO-strategy– er mede op gericht zijn het maatschappelijk middenveld te versterken enbest practices uit te wisselen. Binnen het European Centre for DemocraticResilience worden die gepresenteerd met als doel om samen maar ookeigenstandig tot een versterkte aanpak te komen.Vraag 2.Daarnaast benadrukken de leden van de D66-fractie dat de strategie nietmag leiden tot onbedoelde negatieve effecten voor maatschappelijkeorganisaties zelf. Een sterke democratie vraagt volgens deze ledenimmers om een sterke tegenmacht. Transparantieverplichtingen,registratie-eisen en financieringsvoorwaarden moeten uitvoerbaar enproportioneel zijn. Hoe wordt voorkomen dat dergelijke maatregelenleiden tot afschrikkende effecten (chilling effects), stigmatisering ofonevenredige administratieve lasten?Antwoord 2.Maatschappelijke organisaties zijn van essentieel belang voor desamenleving. Ze versterken de democratie, bevorderen de band tussenmensen en gemeenschappen en dragen bij aan de sociale cohesie.Maatschappelijke organisaties moeten voldoen aan een aantal belangrijkeeisen, zoals het beschermen van de privacy, het waarborgen van deveiligheid en het voorkomen dat rechtspersonen worden misbruikt voorcriminele doeleinden zoals witwassen en fraude.Maatschappelijke organisaties hebben te maken met een stapeling vanregelgeving waardoor zij veel regeldruk ervaren. Nieuwe maatregelendragen niet enkel bij aan de direct ervaren regeldruk maar kunnen ookleiden tot afschrikkende effecten (chilling effects). Het kabinet vindt hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43482 belangrijk dat de lasten ten gevolge van wettelijke verplichtingen van deverschillende departementen werkbaar blijven voor maatschappelijkeorganisaties. Om onevenredige administratieve lasten te voorkomenwerkt het kabinet samen met een brede vertegenwoordiging uit hetmaatschappelijk middenveld aan het verminderen en voorkomen vanregeldruk bij onder meer vrijwilligersorganisaties en filantropischeinstellingen. Onderdeel daarvan zijn de kansen die zelfregulering kanbieden in het bevorderen van transparantie en betrouwbaarheid van desector. Bovendien worden bij nieuwe maatregelen nauwkeurig demaatschappelijk baten en kosten (in dit geval de ervaren regeldruk) tegenelkaar afgewogen. Hier wordt onder andere invulling aan gegeven doorde regeldruktoets, het Beleidskompas, internetconsultaties en hetAdviescollege Toetsing Regeldruk.Het kabinet heeft ook aandacht voor waarborgen voor maatschappelijkeorganisaties kijkend naar (nieuwe) Europese initiatieven. In de onderhan-delingen over de transparantie-richtlijn (Defence of Democracy Package)heeft het kabinet ingezet op sterke waarborgen, beperkte administratievelasten en het voorkomen van stigmatisering in het geval dat maatschap-pelijke organisaties zich dienen te registreren in het op te richtenEuropese lobbyregister.Vraag 3.De leden van de D66-fractie merken op dat een democratisch offensiefnodig is. Hoe reflecteert het kabinet op de aanbevelingen van de jaarlijkserapportage «Tegenspraak onder druk» van het College voor de Rechtenvan de Mens?1 Hoe wil het kabinet ervoor zorgen dat maatschappelijkeorganisaties in een vroeg stadium, proactief en in toegankelijke taalworden geïnformeerd over de mogelijkheden voor participatie bij hetopstellen van wetgeving en beleid?Vraag 4.Daarnaast zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar hoe de regeringreflecteert op de aanbevelingen uit het MACS-rapport.2 Welke maatre-gelen wil het kabinet nemen om in lijn met deze aanbevelingen tehandelen? Ziet het kabinet in dat een stapeling van maatregelen nodig isom te komen tot een versterking van het maatschappelijk middenveld? Ishet kabinet in het bijzonder bereid om te komen tot een nationaalactieplan ter versterking en bescherming van de ruimte voor hetmaatschappelijk middenveld?Antwoord 3 en 4Het kabinet onderschrijft de belangrijke rol van maatschappelijkeorganisaties bij het opstellen van wetgeving en beleid. In de kabinetsre-actie op de jaarlijkse rapportage van het College voor de Rechten van deMens zal hier verder op gereflecteerd worden, en zullen ook de aanbeve-lingen uit het rapport worden geapprecieerd. Het kabinet zal dezekabinetsreactie na de zomer naar de Kamer sturen.Het kabinet heeft ook met interesse kennisgenomen van hetMACS-rapport en deelt de zorgen die het rapport schetst over de ruimtevoor het maatschappelijk middenveld om veilig en vrij te kunnenfunctioneren. In de kabinetsreactie op de jaarrapportage «Tegenspraakonder druk» van het College voor de Rechten van de Mens, gaat hetkabinet in op de maatregelen die genomen worden om het werk van het1College voor de Rechten van de Mens, september 2025, «Tegenspraak onder druk»(https://publicaties.mensenrechten.nl/file/daece2b0-6ffa-590d-663f-7462bb23577b.pdf).2Nederlands Helsinki Comité, december 2025 «Monitoring Action for Civic Space Landen-rapport, 2025: Nederland» (Netherlands-MACS-Country-Report-2025-Dutch.pdf).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43483 maatschappelijk middenveld te beschermen en te waarborgen. Daarbijwordt in het bijzonder ook ingegaan op de aanbeveling rondom eennationaal actieplan.Vraag 5.Tot slot zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar de uitwerking vanhet Meerjarig Financieel Kader. Hoe wordt bij de nadere uitwerking van ditkader gewaarborgd dat EU-financiering voor maatschappelijke organi-saties daadwerkelijk toegankelijk, transparant en administratiefuitvoerbaar is? Welke kansen ziet het kabinet hierin om te komen tot eengelijker speelveld voor maatschappelijke organisaties? Welke rol wil hetkabinet daarbij spelen?Antwoord 5.Het kabinet staat positief tegenover het voorstel van de Commissie voorhet programma AgoraEU, met daarin het onderdeel CERV+ (Citizens,Equality, Rights and Values), dat het bestaande CERV-programma opvolgt.Met het voorstel onderkent de Commissie dat financiële steun opEuropees niveau benodigd is om ook op die manier bij te dragen aan hetversterken en beschermen van het maatschappelijk middenveld.Gelet op de geconstateerde druk op Europese waarden en verminderdepolitieke en financiële steun aan maatschappelijke organisaties, onder-streept het kabinet het belang van het voortzetten van directe financieringvanuit de EU. Het kabinet zet zich actief in om toegankelijkheid en gelijketoegang van het programma voor maatschappelijke organisaties, inclusiefgrassrootsorganisaties, te waarborgen en rekening te houden met decapaciteit van begunstigden. Dit houdt onder meer een mogelijkheid totkernfinanciering en operationele subsidies voor maatschappelijkeorganisaties in, evenals de financiering van strategische koepelorga-nisaties gericht op behoud van fundamentele waarden. Het kabinetbenadrukt het belang van structurele, toegankelijke subsidieregelingen,waarbij pleitbezorging en waakhondfuncties – met name ook voorgemarginaliseerde groepen – nadrukkelijk ondersteund worden op basisvan inhoudelijke kwaliteit. Op die manier zet het kabinet zich in voor eengelijker speelveld voor maatschappelijke organisaties. Ook zet Nederlandzich binnen het AgoraEU-programma in voor een passende ondersteu-ningsstructuur, zoals die bijvoorbeeld reeds zijn weerslag kent in hethuidige nationale CERV-contactpunt bij Rijksdienst voor OndernemendNederland (RVO), dat maatschappelijke organisaties onafhankelijkinformeert en ondersteunt bij het indienen van financieringsaanvragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het BNC-fiche met betrekking tot de mededeling EU-strategiemaatschappelijke organisaties. Deze strategie richt zich op het versterkenvan de betrokkenheid, bescherming, ondersteuning en financiering vanmaatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers. Deze ledenmerken op dat zij het belang van maatschappelijke organisaties in desamenleving inzien. Graag willen zij het kabinet een aantal vragen over destrategie stellen.Vraag 6.Allereerst vragen de leden van de VVD-fractie wat deze strategie betekentvoor de betrokkenheid van nationale lidstaten van de Europese Unie. Dezeleden vragen het kabinet daarop in te gaan.Antwoord 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43484 Voor het kabinet betekent de strategie mogelijkheden tot ondersteuningen internationale uitwisseling van kennis en initiatieven ter versterkingvan de ruimte voor het maatschappelijk middenveld. Dit gebeurt ondermeer in het European Centre for Democractic Resilience met als doel ombinnen dat netwerk tot meer samenhang te komen zonder competentiesof bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten te wijzigen.Vraag 7.Er wordt voorgesteld om een nieuw platform op te richten, te weten eenEU-platform ter bevordering van de dialoog tussen de EuropeseCommissie en het maatschappelijk middenveld. Wat is de toegevoegdewaarde van dit nieuwe platform ten opzichte van het bestaande Europeseraamwerk dat raakt aan de positie van maatschappelijke organisaties?Zouden de taken van dit nieuwe platform bij een bestaande organisatiekunnen worden ondergebracht? Wat is de inzet van het kabinet tenaanzien van het op te richten EU-platform voor het maatschappelijkmiddenveld? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie vanhet kabinet.Antwoord 7.In algemene zin verwelkomt het kabinet initiatieven om het maatschap-pelijk middenveld te versterken. Het kabinet vraagt bij dergelijke Europeseinitiatieven aandacht voor een gerichte en samenhangende aanpak, metheldere doelen, en voortbouwend op reeds bestaande initiatieven ennetwerken. Maatschappelijke organisaties dienen in staat te wordengesteld om hun rol in onze democratische samenleving in vrijheid tevervullen, zonder drempels en onnodige administratieve lasten.Het op te richten EU-platform beoogt een jaarlijkse top te organiseren omstrategische prioriteiten te bespreken. Daarnaast wordt een websiteingericht, waar organisaties gemakkelijk praktische informatie vinden overbijeenkomsten, voorwaarden en aanmelding. Dit maakt het eenvoudigerom mee te doen en zorgt voor meer duidelijkheid en openheid over demogelijkheden om te participeren. Het platform krijgt een flexibele opzeten bouwt voort op bestaande structuren, in het bijzonder het platformvoor grondrechten van het Bureau van de Europese Unie voor degrondrechten (FRA), met de mogelijkheid om later uit te breiden naarandere beleidsterreinen. Het platform verschilt van het reeds bestaandeFundamental Rights Platform van het FRA; waar het FRA-platform zichvooral richt op dataverzameling en analyse, ligt bij het voorgesteldeplatform de nadruk op het voeren van de dialoog met de samenleving enmaatschappelijke organisaties in beleidsprocessen. De informatie diewordt verzameld via het Fundamental Rights Platform kan wordengebruikt door het voorgestelde platform in dialoog over beleid, hetgeendus buiten het kader van het reeds bestaande Fundamental RightsPlatform valt. Gezien de eerdergenoemde verschillen is het onderbrengenvan de beoogde taken van het nieuwe platform bij het FRA-platform nietdirect vanzelfsprekend.Vraag 8.In het fiche valt te lezen, dat het kabinet in de strategie de koppeling mistmet andere strategieën op het vlak van Europese fundamentele rechtenen waarden. Ook ontbreekt er volgens het kabinet een link met relevanteEU-wetgeving. In hoeverre is het kabinet voornemens om dit in Brusselnaar voren te brengen? Kan het kabinet nader motiveren waarom degrondhouding ten aanzien van de subsidiariteit positief is? Wat wordt indezen bedoeld met de grensoverschrijdende aard van de bedreigingenvoor het maatschappelijk middenveld? Graag krijgen de leden van deVVD-fractie een reactie van het kabinet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43485 Antwoord 8.Het kabinet is gecommitteerd aan het versterken van de rol van hetmaatschappelijk middenveld in het kader van de democratischeweerbaarheid, zowel nationaal als binnen de EU. Voor maatschappelijkeorganisaties zijn heldere structuren en processen inclusief waarborgen enruimte om in vrijheid te opereren cruciaal om tot een effectieve aanpak tekomen. In de uitwerking van deze strategie zal het kabinet waar opportuunvoor een koppeling pleiten met andere initiatieven en wet- en regelgevingvan de Commissie. Proportionaliteit en subsidiariteit zal door het kabinetbij ieder nieuw voorstel beoordeeld worden.Vraag 9.Het kabinet verwelkomt het voorstel. In hoeverre speelt daarbij een rol datde onderhavige strategie geen directe gevolgen heeft voor de Rijksbe-groting? Als dat anders was geweest, zou het kabinet dan een andereafweging hebben gemaakt? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie eenreactie van het kabinet.Antwoord 9.Deze strategie heeft inderdaad geen directe gevolgen voor deRijksbegroting.Vraag 10.De Europese Commissie stelt voor om de financiële ondersteuning vanmaatschappelijke organisaties te verhogen naar negen miljard euro.Hoeveel geld wordt daar nu aan uitgegeven? Waar zal die negen miljardeuro aan worden besteed? Kan de regering daar enkele voorbeelden vangeven? Verwacht het kabinet dat andere lidstaten ook aan de slag gaanmet deze strategie? Heeft het kabinet daar inzicht in? Lidstaten zijnimmers niet verplicht de strategie over te nemen. In hoeverre moetenlidstaten verantwoording afleggen over de besteding van de middelen?Zal er een evaluatie plaatsvinden? Zo ja, wanneer? Graag krijgen de ledenvan de VVD-fractie een reactie van het kabinet op de hier gestelde vragen.Antwoord 10.De strategie verwijst naar een voorstel programma AgoraEU, dat hethuidige Creative Europe programma (gericht op cultuur en media) en hethuidige CERV-programma (gericht op fundamentele rechten enmaatschappelijk middenveld) samenvoegt. De Commissie stelt eenbudget van € 8,6 miljard voor, waar € 3,6 miljard wordt voorzien voorCERV+. Het gaat bij het programma AgoraEU om directe financieringvanuit de EU aan deze thema’s waarbij uitvoering onder meer plaatsvindtdoor een EU-agentschap European Education and Culture ExecutiveAgency (EACEA). Lidstaten maken als zodanig dus geen gebruik van definanciering of dienen daar verantwoording over af te leggen. Het zijnactoren (organisaties, sectoren en eventueel regionale en lokaleoverheden) die zich aanmelden voor subsidies binnen het programma, endaarnaast de Europese Commissie, om in lijn met bestaande regelgevingen in het voorstel aangegeven kaders, verantwoording af te leggen overde gebruikte en uitgekeerde middelen.Het kabinet zet zich in op stevige garanties op budgettaire en beleids-matige transparantie en een ongecompliceerd beheer waarbij detransparantie en een goede verantwoordingsplicht gehandhaafd blijft.Nederland zet ook in op de betrokkenheid van lidstaten bij het vaststellenen evalueren van werkprogramma’s door de Commissie middelscomitologie-procedures.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43486 Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstellingkennis van de Kamerbrief over het Fiche over de EU-strategie Maatschap-pelijke Organisaties. Deze leden hebben hierover op dit moment nogenkele vragen.Vraag 11.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben zorgen over depositie van maatschappelijke organisaties in de EU en in Nederland. Depositie zou wat deze leden moeten worden versterkt en niet wordenverzwakt. De afgelopen tijd, zo constateren deze leden, zijn er juiststappen gezet om de positie te verzwakken. Deelt het kabinet ditstandpunt? Zo nee, waarom niet?Antwoord 11.Het kabinet deelt de zorgen dat de ruimte voor het maatschappelijkmiddenveld onder druk staat, zowel in Nederland, in de Unie, alsdaarbuiten. Dat is zorgwekkend, gezien de belangrijke rol die hetmaatschappelijk middenveld speelt in de weerbaarheid van de democra-tische rechtsstaat. Zoals genoemd onder antwoord 3 en 4 zal in meerdetail worden gereflecteerd op deze ontwikkelingen in de kabinetsreactieop de jaarlijkse rapportage «Tegenspraak onder druk» van het Collegevoor de Rechten van de Mens. Het kabinet zal deze kabinetsreactie na dezomer naar de Kamer sturen.Vraag 12.In de brief wordt meermaals genoemd dat er wordt ingezet op maatschap-pelijke organisaties op Europees niveau, in EU-extern beleid als in deafzonderlijke lidstaten. De EU en de afzonderlijke lidstaten hebbeneconomische activiteiten en handelsrelaties over de hele wereld. Het iswat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft in het belang van deEU dat de landen waar deze activiteiten plaatsvinden een sterkedemocratie en rechtstaat hebben, en dat de handels- en economischeactiviteiten hieraan bijdragen. Deze leden zouden daarom graag tweepunten concrete punten hierover explicieter benoemd zien: 1) dat deEuropese versterking van maatschappelijke organisaties ook dient bij tedragen aan versterking van maatschappelijk middenveld in de landenwaar EU-landen economische en handels- activiteiten ontwikkelen, en2) het weerbaar maken van HRDs kan alleen als er vanuit de overheid ookgestuurd wordt op de actieve bescherming van HRDs in geval vanpublieke investeringen en handelsfacilitatie. Deze leden ontvangen graageen reactie van het kabinet hierop.Antwoord 12.Het kabinet onderschrijft dat een sterk maatschappelijk middenveld inpartnerlanden bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, rechtsstaat enstabiele handelsrelaties. Dit geldt dus ook voor landen waar handels- eneconomische activiteiten plaatsvinden. Nederland en de EU zetten hier inhet externe beleid actief op in.Hiernaast steunt het kabinet de specifieke aandacht voor bescherming vanHRD’s in de EU-strategie en het verkennen van sterkere bescherming vanmaatschappelijke organisaties en HRD’s. Het kabinet zet zich ook in voorde bescherming van mensenrechtenverdedigers, onder meer via dialoog,financiering en toepassing van de diligence bij publieke investeringen enhandelsinstrumenten. Zo is in 2025 de dialoog versterkt tussen hetNederlandse bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en lokalestakeholders, zoals ambassades en mensenrechtenverdedigers. DitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43487 gebeurde onder meer via het Breed Mensenrechtenoverleg en het bredehandelsberaad.Vraag 13.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan deAarhus conventie. Deze leden constateren dat het vorige kabinet ruimtezocht om onder de verplichtingen van het dit verdrag uit te komen. Hoestaat het nieuwe kabinet hierin, zo vragen zij. Ziet het kabinet, net als dezeleden, het grote belang van het Verdrag van Aarhus? Zo nee, waaromniet?Antwoord 13.Nederland en de EU zijn partij bij het Verdrag van Aarhus. Als construc-tieve EU-partner en verdragspartij werkt Nederland aan de robuusteimplementatie van het Verdrag van Aarhus. Uw Kamer is hierover eerdergeïnformeerd via een eerste beleidsreactie3 op het onderzoek van deUniversiteit Utrecht4; een vervolg beleidsreactie wordt spoedig aan deKamer gezonden.Vraag 14.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet het door deCommissie omschreven belang van een zorgvuldige monitoring vanrisico’s en bedreigingen voor het maatschappelijk middenveld om vrij enveilig te kunnen functioneren, zoals het versterken van early warningsystems voor het signaleren van krimpende ruimte voor het maatschap-pelijk middenveld in kandidaat-lidstaten deelt. Deze leden zien inmonitoring een eerste stap. Deelt het kabinet het standpunt dat de EU hetvoortouw zou moeten nemen in het ontwikkelen van concrete stappen dielidstaten kunnen nemen om het maatschappelijk middenveld en mensen-rechtenbeschermers te beschermen? Zo ja, is het kabinet bereid om dit bijde EU in te brengen? Zo nee, waarom niet?Antwoord 14.Het kabinet onderschrijft het belang van monitoring, maar ziet ookmeerwaarde in verdere samenwerking op EU-niveau, zoals het delen vanbest practices en het versterken van het maatschappelijk middenveld.Nederland staat open voor verdere uitwerking, mits deze aanvullend is oponze nationale inzet en de subsidiariteit respecteert. Nederland zal dezeboodschap blijven uitdragen in de verschillende EU-fora.Vraag 15.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit het recenteMACS-rapport naar voren komt dat dat de maatschappelijke ruimte inNederland onder druk staat. Maar liefst 86 procent van de bevraagdeorganisaties geeft aan dat hun werkomstandigheden in 2025 verder zijnverslechterd. Ook wordt gewaarschuwd voor toenemende stigmatiseringvan waakhondorganisaties, inperking van vrijheden en maatregelen diesteeds vaker botsen met mensenrechten en rechtsstatelijkheid. De feitenuit het MACS-rapport laten zien dat verdere inperking in Nederland nietalleen strijdig is met Europese ambities, maar ook democratische risico’svergroot op het moment dat civiele ruimte al onder druk staat. De ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het zorgelijk om dit te lezen. Graagontvangen deze leden een reactie van het kabinet hierop. Deelt het kabinetde zorgen die uit dit rapport naar voren komen? Zo nee, waarom niet?Antwoord 15.3Kamerstukken II, 2023/24, 28 663, nr. 83.4Kamerstukken II, 2023/24, 28 663, nr. 82.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43488 Zoals genoemd onder antwoord 3 en 4 deelt het kabinet de zorgen die hetrapport schetst over de ruimte voor het maatschappelijk middenveld omveilig en vrij te kunnen functioneren, en gaat het kabinet in de kabinetsre-actie op de jaarrapportage «Tegenspraak onder druk» van het Collegevoor de Rechten van de Mens in op de maatregelen die genomen wordenom het werk van het maatschappelijk middenveld te beschermen en tewaarborgen. De kabinetsreactie op deze jaarrapportage wordt naarverwachting na de zomer aan uw Kamer gestuurd.Vraag 16.In verlengde van voorgaande vragen hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele specifieke vragen. Hoe verhoudt de ruimte voorhet maatschappelijk middenveld zich tot de recente bezuinigingen voorhet maatschappelijk middenveld onder dat buitenlandbeleid? Hoeverhoudt dit zich tot de kabinetsreactie op motie-Kröger5 naar aanleidingvan het voortdurend uitsluiten van dialoog en informatiedeling inNederland?Antwoord 16.Het kabinet blijft het belang van een sterk maatschappelijk middenveldonderschrijven. Echter erkent het kabinet ook dat, mede door interna-tionale realiteit, de middelen schaars zijn. Dit vraagt om prioritering metals doel een zo effectief en doelgericht mogelijke inzet van middelen. Hetkabinet is zich ervan bewust dat de bezuinigingen van het vorige kabinetfors zijn en grote effecten hebben op organisaties. Maatschappelijkeorganisaties blijven gezien worden als belangrijke samenwerkings-partners die een essentiële rol vervullen in het goed functioneren van dedemocratische rechtsstaat.In navolging van de Kamerbrief waarnaar u verwijst, heeft de Minister vanBuitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 23 maart jl. eenKamerbrief6 aan de Tweede Kamer gestuurd met daarin zijn appreciatieop onder andere amendement Kröger c.s. (61), die was ingediend alsreactie op de Kamerbrief over motie-Kröger.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Fiche endanken het kabinet hiervoor. Deze leden maken graag van de gelegenheidgebruik om enkele vragen te stellen aan het kabinet hierover.Vraag 17.De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de EU-strategie voor het maatschappelijk middenveld. Deze ledenonderschrijven het belang van een sterk maatschappelijk middenveld alspijler van de democratische rechtsstaat. Tegelijkertijd vragen zij hetkabinet concreet uiteen te zetten wat de toegevoegde waarde van dezestrategie is ten opzichte van reeds bestaande Europese instrumenten,zoals de rechtsstaatrapportage en de rapportages van het EU-Grond-rechtenagentschap. Waar ziet het kabinet overlap en hoe wordtvoorkomen dat maatschappelijke organisaties in de praktijk wordengeconfronteerd met dubbele monitoring of aanvullende verantwoordings-verplichtingen?Antwoord 17De EU-strategie voor het maatschappelijk middenveld biedt eenaanvullend beleidskader gericht op ondersteuning, participatie en5Kamerstukken II, 2025/26, 36 180, nr. 183.6Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XVII, nr. 67.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 43489 erkenning van de rol van maatschappelijke organisaties binnen de Unie.Dit verschilt van bestaande instrumenten, zoals de rechtsstaatrapportageen de rapportages van het EU-Grondrechtenagentschap (FRA), die primairgericht zijn op monitoring en analyse. De strategie bouwt hierop voort enintroduceert geen nieuwe monitorings- of verantwoordingsverplichtingenvoor maatschappelijke organisaties. Het kabinet acht het van belang datoverlap wordt voorkomen en zal hier in de verdere uitwerking aandachtvoor blijven vragen.Vraag 18.De leden van de CDA-fractie lezen dat een EU-platform voor structureledialoog zal worden opgericht. Deze leden hechten eraan dat maatschap-pelijke betrokkenheid primair nationaal en lokaal verankerd blijft. Kan hetkabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd dat dit platform daadwerkelijkaanvullend is op bestaande nationale overlegstructuren en niet leidt totcentralisering van participatie op EU-niveau? Welke inzet kiest het kabinetin de Raad om deze nationale verankering expliciet te borgen?Antwoord 18.De Europese initiatieven om de positie van het maatschappelijkmiddenveld te versterken hebben geen wetgevend en dwingend karakteren leiden niet tot een bevoegdheidsverdeling tussen de EU en delidstaten. Het kabinet zal dit uitgangspunt blijven onderschrijven bij denadere uitwerking en onderhandelingen.Daarbij is het evident – zowel voor het kabinet als voor de EuropeseCommissie – dat de kracht van maatschappelijke organisaties juist schuiltin het feit dat dat zij midden in samenleving opereren. Centralisering vanparticipatie op EU-niveau is derhalve niet aan de orde.Vraag 19.De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet positief oordeelt oversubsidiariteit en proportionaliteit. Deze leden vragen hoe het kabinetconcreet zal bewaken dat dit niet-wetgevende initiatief niet alsnog leidt totextra administratieve lasten of sluipende normering op een terrein dat inbelangrijke mate nationaal is verankerd. Op welke wijze zullen subsidia-riteit en proportionaliteit bij de verdere uitwerking actief worden getoetst?Zij vragen daarnaast hoe wordt gewaarborgd dat eventuele Europesefinanciering niet leidt tot inhoudelijke sturing of indirecte normering vanmaatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld via selectiecriteria ofvoorwaarden die de onafhankelijkheid van het maatschappelijkmiddenveld kunnen beïnvloeden.Antwoord 19.De inzet van het kabinet op het maatschappelijk middenveld is eennationale competentie en de voorstellen die de Commissie doet stellendie competentie niet ter discussie. Het kabinet zal hier oog voor blijvenhouden bij de nadere uitwerking. Zo zal het kabinet nieuwe voorstellennauwlettend in de gaten houden en bestuderen. De kabinetslijn is dat eensubsidiariteitstoets bij elk voorstel apart gedaan zal worden en deze apartgewogen zal worden. Uw vragen zien ook op mogelijke drempels,administratieve lasten en mogelijke negatieve impact voor de onafhanke-lijkheid van het maatschappelijk middenveld. Dat is voor het kabinet eengroot goed en prioriteit. Dit initiatief dient om het maatschappelijkmiddenveld in staat te stellen om hun rol in het democratisch enmaatschappelijk bestel goed en veilig te vervullen. Het kabinet zal actiefbij de Commissie bepleiten – onder meer in het ECDR en in voorkomendegevallen in de raadswerkgroepen (FREMP) – dat onafhankelijkheid,waarborgen en beperkte administratieve lasten essentieel zijn voor bredemaatschappelijke participatie. Ook in de onderhandelingen over deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 434810 transparantie-richtlijn (Defence of Democracy Package) heeft het kabinetdeze positie genomen.De strategie verwijst naar het huidig CERV-programma en het toekomstigCERV+-programma (zie ook vraag 5 en 23). Het CERV+-programma heefttot doel maatschappelijke organisaties en projecten in brede zin teondersteunen die, vanuit uiteenlopende doelstellingen en benaderingen,bijdragen aan de bescherming en bevordering van fundamentele rechten,gelijkheid, ondersteuning van slachtsoffers van geweld, democratischeparticipatie en de rechtsstaat. Daartoe worden aan de hand van uiteenlo-pende thema’s financieringsaanvragen mogelijk gemaakt. Het kabinet zetzich daarbij in voor toegankelijkheid en gelijke toegang voor maatschap-pelijke organisaties binnen het kader van Europese waarden. Nederlandzet zich binnen het desbetreffende AgoraEU-programma ook in voor eenpassende ondersteuningsstructuur, zoals die bijvoorbeeld reeds zijnweerslag kent in het huidige nationale CERV-contactpunt bij RVO, datmaatschappelijke organisaties onafhankelijk informeert en ondersteunt bijhet indienen van financieringsaanvragen. Middels de comitologiepro-cedure kan het kabinet ook toezien op de jaarlijkse werkprogramma’s diedoor de Commissie worden voorgesteld. Deze jaarlijkse werkprogramma’spresenteren de thematische kaders waarbinnen projectaanvragen kunnenworden ingediend en reflecteren de algemene doelstellingen van CERV+.Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van hetfiche over de EU-strategie voor maatschappelijke organisaties en zijn daarzeer kritisch over.Vraag 20.Deze leden merken op dat de Europese Commissie maatschappelijkeorganisaties in deze strategie neerzet als «partner in bestuur». Zij vragende Minister waarom niet-gekozen organisaties een structurele rol zoudenmoeten krijgen in beleidsvorming. Vindt de Minister het wenselijk datinvloed verschuift van gekozen volksvertegenwoordigers naar organi-saties die geen democratisch mandaat hebben en vaak afhankelijk zijn vanEU-subsidies?Antwoord 20.Het staat voor het kabinet buiten kijf dat de rol en invloed van gekozenvolksvertegenwoordigers onveranderd blijft onder deze strategie, gezienhun democratisch mandaat. Daarnaast is het belangrijk om belangheb-benden, zoals burgers en maatschappelijke organisaties te betrekken bijde besluiten die hen raken (consultatie). Immers hebben zij ervaringen endeskundigheid die de ontwikkeling van EU-wetgeving en -beleid kunnenvoeden en daarmee verbeteren. Het kabinet ziet meerwaarde in een rolvoor het maatschappelijk middenveld bij de totstandkoming vanEU-wetgeving en -beleid.Vraag 21.De leden van de Groep Markuszower lezen dat de Commissie maatschap-pelijke ruimte in lidstaten wil monitoren. Deze leden vragen wie straksbepaalt wat wel en niet acceptabel beleid is. Kan de Minister uitsluiten datlidstaten onder druk worden gezet wanneer zij democratisch besluitennemen die Brussel onwelgevallig zijn?Antwoord 21.Het kabinet onderschrijft het belang van zorgvuldige monitoring vanrisico’s en bedreigingen voor het maatschappelijk middenveld, omdaarmee bij te dragen aan vrije en veilige ruimte voor het maatschappelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 434811 middenveld om te kunnen functioneren. Deze monitoring gaat primairover risico’s en bedreigingen van de ruimte voor het maatschappelijkmiddenveld, en niet over inhoudelijke en beleidskeuzes. Dat is eennationale bevoegdheid.Vraag 22.De leden van de Groep Markuszower vinden het zorgelijk dat deCommissie hiermee een normerende rol lijkt te claimen op een terrein datthuishoort bij nationale democratieën. Op welke concrete verdragsbasismeent de Commissie zich te mogen bemoeien met de inrichting van hetmaatschappelijk middenveld binnen lidstaten?Antwoord 22.De strategie heeft geen wet- of regelgevend karakter. Er vloeien geenverplichtingen of normen uit voort vanuit de Commissie die impacthebben op de wijze waarop wij als Nederland onze democratischeprocessen en belangenbehartiging hebben ingericht.Vraag 23.De leden van de Groep Markuszower maken zich zorgen over de inhoude-lijke richting van de Europese steun aan maatschappelijke organisaties.Deze leden constateren dat EU-financiering en ondersteuning in depraktijk vaak terechtkomen bij organisaties die actief zijn op thema’s alsgender, diversiteit, migratie en identiteitspolitiek. Hoe voorkomt deMinister dat met deze strategie vooral organisaties worden versterkt dieaansluiten bij de beleidsprioriteiten van de Commissie, terwijl anderemaatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven minder toegangkrijgen tot middelen en invloed?Antwoord 23.Gezien de druk op financiële steun aan maatschappelijke organisaties achthet kabinet het juist waardevol dat de Commissie de mogelijkheden vandirecte Europese financiering voortzet, zoals toegelicht onder antwoord 5.Het CERV+-programma heeft tot doel maatschappelijke organisaties enprojecten in brede zin te ondersteunen die, vanuit uiteenlopendedoelstellingen en benaderingen, bijdragen aan de bescherming enbevordering van fundamentele rechten, democratische participatie en derechtsstaat. Het kabinet zet zich daarbij in voor algemene en gelijketoegang voor maatschappelijke organisaties binnen het kader vanEuropese waarden.Vraag 24.De leden van de Groep Markuszower merken op dat het kabinet zelfwaarschuwt voor stigmatisering en extra regeldruk, maar desondankspositief is over de strategie. Waarom neemt het kabinet deze risico’s voorlief?Antwoord 24.Deze strategie vormt een belangrijk onderdeel van de bescherming van deEuropese maatschappelijke ruimte. Dat is positief. Maatschappelijkeorganisaties zijn van essentieel belang voor de samenleving en onzedemocratische rechtsstaat. Het kabinet vindt het tevens belangrijk dat delasten ten gevolge van wet- en regelgeving werkbaar blijven voormaatschappelijke organisaties en zal bij de nadere uitwerking actiefbepleiten dat voorkomen moet worden dat er (onbedoeld) negatieveeffecten optreden voor maatschappelijke organisaties.Bij het introduceren van nieuwe wet- en regelgeving is van belang dat ereen juiste balans wordt gevonden tussen bescherming van de samen-leving en uitvoerbaarheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 434812 Vraag 25De leden van de Groep Markuszower vragen of de Minister erkent datzogenaamd niet-bindende strategieën via monitoring, richtsnoeren enfinancieringsvoorwaarden alsnog dwingend kunnen worden. In hoeverrekan de Minister garanderen dat dit geen opstap is naar verdereEU-bemoeienis of wetgeving?Vraag 26.Tot slot vragen de leden van de Groep Markuszower of de Minister bereidis zich duidelijk en actief te verzetten tegen iedere vorm van directe ofindirecte bevoegdheidsoverdracht op dit terrein van de lidstaten naar deEuropese Unie.Antwoord 25 en 26De EU kan alleen optreden op gebieden waar de EU bevoegd is (attributie-beginsel). Bovendien treedt de EU alleen op als dit meerwaarde heeftboven nationaal optreden (subsidiariteitsbeginsel). Het kabinet toetst elkvoorstel op deze uitgangspunten, zoals dat ook hier is gebeurd. In casu iser hier geen sprake van wet- of regelgeving die de bevoegdheden tussende EU en de lidstaten verandert.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 434813

Bron, video en gesprek →