KamerkringInloggen
Vicky Maeijer

Officieel Kamerprofiel

Vicky Maeijer

PVV →
0debatten
492bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: PVV (2025-11-12–heden) · PVV (2021-03-30–2024-07-01) · PVV (2017-03-23–2020-12-07) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
20 feb 2025 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 389Vergrijzing en het integrale ouderenbeleidNr. 146 BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VANVOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 februari 2025In uw brief van 29 oktober jl. vraagt u een reactie te geven op het paper«Leefvormen in een ouder wordende samenleving» van Movisie enVilans. In het bijzonder vraagt u:•Kunt u reageren op de visie, analyse en uitdagingen die in het paperworden beschreven?•Kunt u reageren op suggesties die in het paper worden gedaan voorhet arrangeren van netwerken? En op de suggesties voor het wegne-men van belemmeringen, voor zover die het beleidsdomein van VWSbetreffen?•Kunt u, in aanvulling op het paper, inzicht geven in de woonvormenvoor ouderen die bij u bekend zijn en daarbij de ontwikkeling ervan inaantallen ouderen dat er gebruik van maakt over de afgelopen tien jaarschetsen?Tevens heeft u de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening(VRO) gevraagd om een reactie m.b.t. de aspecten die worden benoemdin het paper op het beleidsterrein van de commissie VRO (de negatieveinkomenseffecten van woningdelen, private partijen die (onder)huurbelemmeren, regelgeving rond wonen en (ver)huren). Met deze briefgeven we, mede namens de Minister van VRO, gehoor aan bovenstaandverzoek. In deze brief geeft de Minister van VWS tevens gehoor aan hetverzoek van de Tweede Kamer om een brief te sturen over het proces ende aanpak van het onderzoek naar de verzorgingshuizen, omdat (ook) ditonderzoek ingaat op de zorg- en woonbehoeften van (een deel van de)ouderen.1. Kern Paper «Leefvormen in een ouder wordende samenleving» In de kern is de visie in het paper dat als meer mensen «samen wonen,samen doen en samen organiseren» er zowel minder druk is op dewoningmarkt als op de voorzieningen van welzijn en zorg. Om ervoor tezorgen dat «het samen wonen, samen doen en samen organiseren» meer kst-29389-146ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1461 wordt gestimuleerd zullen volgens de auteurs prikkels tegen samenwonenmoeten worden weggenomen en zullen arrangeurs moeten wordenaangesteld die mensen helpen met het samen doen en organiseren.Hiervoor worden verschillende aanbevelingen gedaan. Ook wordt deinrichting van de leefomgeving als mogelijkheid gezien om ontmoeting testimuleren.2. Kunt u reageren op de visie, analyse en uitdagingen die in depaper worden beschreven? A. Reactie op visie, analyse en uitdagingen We onderschrijven de visie van het samen wonen, doen en organiserenzoals in het paper beschreven.De woon- en leefomgeving beïnvloedt in hoeverre mensen naar elkaaromzien en voor elkaar zorgen. Mensen willen doorgaans best iets voorelkaar doen als ze zich verbonden voelen met de buurt waarin ze leven.Deze verbinding kan al worden gestimuleerd met een vluchtigeontmoeting tussen buren. De inrichting van een gebouw heeft bijvoor-beeld effect op het naar elkaar omzien en voor elkaar zorgen. Zo zorgt eenextra brede galerij waar mensen een bankje kunnen neerzetten voor meerontmoeting tussen buren. Ook het ontwerp van de tuin en de architectuurvan een gebouw bepalen of mensen elkaar toevallig tegen komen endaarbij een natuurlijk moment ontstaat voor een praatje.1De inrichting van de leefomgeving is primair een lokale verantwoorde-lijkheid; vanuit het Rijk stimuleren we met partners op verschillendemanieren dat hier aandacht voor is. De visie in het paper sluit aan bij hetkabinetsbeleid; onder meer in het Programma Wonen en Zorg voorOuderen komt dit in het beleid terug. Binnen dit programma is ookaandacht voor het stimuleren van sociale cohesie via ontmoetingsruimtenin (de buurt van) geclusterde woningen.Versterken sociale basis2In (zorgzame) buurten en wijken kunnen inwoners en organisaties, vanuitde sociale basis, bijdragen aan de sociale samenhang, het welzijn en degezondheid van mensen. Het is goed te beseffen dat de sociale basis nietvan de overheid is en lokaal veel verschijningsvormen en eigenaren kent.Als overheid (landelijk en lokaal) kunnen wij wel helpen de sociale basis telaten bloeien. De sociale basis heeft een belangrijke intrinsieke waarde inzichzelf, en is van betekenis voor mensen. Mensen die zich eenzaamvoelen, mentale, fysieke, financiële of gezinsproblemen hebben, kunnen –waar mogelijk – terugvallen op steun van vrienden, familie, buren, gezin,clubgenoten, collega’s, mede buurtbewoners, vanuit bewonersinitiatievenof laagdrempelige ondersteuning in de wijk. Een sterke sociale basisdraagt eraan bij dat (hulp)vragen zoveel mogelijk in het «gewone» levenworden opgelost en werkt daarmee ook preventief.Een sterke sociale basis is een van de randvoorwaarden voor het behoudvan kwaliteit en houdbaarheid van onze zorg en ondersteuning inNederland. Het versterken van de sociale basis wordt meegenomen in degesprekken over het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. In dit kader zijnwe ook van plan om afspraken uit te werken over de benodigde basis-functies op het snijvlak van het medisch en sociaal domein, waaraangemeenten zich committeren in de uitvoering.1https://www.platform31.nl/artikelen/ontwerp-voor-ontmoeten/2Zie voor beschrijving sociale basis Kamerstuk 30 169, nr. 75.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1462 Gemeenten hebben – op grond van de Wmo 2015, de Wet PubliekeGezondheid en de Jeugdwet, een belangrijke verantwoordelijkheid in hetfaciliteren en versterken van de lokale sociale basis. Aansluitend hieropzijn wij ook met de zorgverzekeraars in gesprek over hun rol in hetversterken van de sociale basis en de daaraan gerelateerde samenwerkingtussen het medisch en sociaal domein. Vervolgens willen wij, samen metgemeenten, bevorderen dat de betrokken maatschappelijke partners, zoalshet sociaal werk, mantelzorgers en vrijwilligers en burgerinitiatieven hunbijdrage aan de sociale basis kunnen leveren. Een belangrijk uitgangspuntis dat de uitvoering zal passen bij ieders rol en verantwoordelijkheid én delokale situatie.B. Kunt u reageren op suggesties die in de paper worden gedaan voor hetarrangeren van netwerken? En op de suggesties voor het wegnemen vanbelemmeringen, voor zover die het beleidsdomein van VWS betreffen? In het paper wordt het ervoor zorgen dat verbindingen ontstaan tussenmensen (het «arrangeren van netwerken») als uitdaging gezien. Het paperbenoemt drie richtingen om deze verbindingen te stimuleren:−de inrichting van de leefomgeving;−het bevorderen van burgerinitiatief of informele netwerken;−professionals die netwerken helpen arrangeren.De inrichting van de leefomgevingIn het paper wordt aangegeven dat het erom gaat dat de fysieke contextzo is dat de kans toeneemt dat mensen met elkaar in contact komen.Dat de inrichting van de leefomgeving ervoor zorgt dat mensen meer metelkaar in contact komen sluit aan bij het Programma Wonen en Zorg voorOuderen. De derde actielijn gaat over «Een leefomgeving die uitnodigt totbewegen en ontmoeten.» Ten eerste wordt met de Wet versterking regieVolkshuisvesting geregeld dat gemeenten in de planvorming hieraandacht aan besteden en daarbij ook verbinding maken met hetWmo-plan. Ten tweede worden 10 gemeenten in het ProgrammaBuurtsaam ondersteund bij het maken van plannen door Platform31, enworden concrete schetsen voor aanpassing van de wijk aangeleverd doorde Rijksbouwmeester. De afgelopen jaren wordt ook door middel van dePlatform Zorgsaam Award aandacht gevraagd op welke wijze ontmoe-tingen kunnen worden gestimuleerd. Zo was de winnaar van hetafgelopen jaar «Michi-Noeki», een halte- en rustplek in de wijk waarmensen een kopje koffie kunnen drinken en elkaar ontmoeten.3Gemeenten worden daarnaast gestimuleerd om een wijkscan te makenom te bezien in hoeverre de wijk voldoende uitnodigt tot bewegen enontmoeten. Via ZonMw komt per 2025 een voucher beschikbaar voorgemeenten om deze wijkscan samen met bewoners te maken. Daarbijkunnen gemeenten ook het gebruik van ontmoetingsruimten meenemen.Een belangrijk element in de context zijn de gebouwen waarin ontmoetingkan worden gefaciliteerd. Met woningcorporaties zijn zowel op landelijkniveau als op lokaal niveau afspraken gemaakt over de bouw vangeclusterde woningen en geclusterde zorggeschikte woningen. Degezamenlijke (ontmoetings)ruimte maakt een essentieel onderdeel uit vandeze woonvormen. Zowel met de subsidieregeling ontmoetingsruimten inouderenhuisvesting (SOO) als met de stimuleringsregeling zorggeschiktewoningen4 wordt de bouw van deze woonvormen gestimuleerd. De3https://www.zorgsaamwonen.nl/artikel/ontmoeting/michi-noeki-halteplek-en-rustpunt4https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/soo;https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/szgwTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1463 ontmoetingsruimten hebben vaak een bredere functie waarbij ookmensen uit de wijk welkom zijn. In de SOO is opgenomen dat woningcor-poraties de ontmoetingsruimte ook open moeten stellen voor bewoners inde wijk. Ten slotte laat de handleiding «Ontwerp voor Ontmoeten» vanPlatform31 zien hoe door middel van de vormgeving van het gebouw ende omgeving meer ontmoeting kan worden gefaciliteerd.5Het bevorderen van burgerinitiatieven en informele netwerkenIn het paper wordt aangegeven dat «het Rijk het voortouw kan nemen omte zoeken naar regels die ruimte maken voor samenredzaamheid of datzelfs expliciet bevorderen. Ook kan het Rijk onderzoeken hoe gemeentenruimte en stimulans kunnen krijgen om burgers te ondersteunen totgemeenschappelijke zorg- en samenlevingspraktijken te komen.»Specifiek wordt ingegaan op het instellen van een landelijke regeling voorbewonersinitiatieven. Deze aanbeveling uit het rapport nemen we nietover. Bewonersinitiatieven of zorgzame gemeenschappen hebben eenbelangrijke positie bij het versterken van de sociale basis. Gemeentenhebben de beschikking over financiële middelen, bijvoorbeeld deWmo-middelen, om dergelijke initiatieven te ondersteunen.Bij het maken van afspraken over het versterken van de sociale basishebben we ook aandacht voor de positie en rol van burgerinitiatieven.Tijdens het commissiedebat over het Integraal Zorgakkoordd.d. 4 december 2024 is aangegeven dat bijvoorbeeld Nederland ZorgtVoor Elkaar (NLZVE) meedenkt over de rol van burgerinitiatieven.Professionals die netwerken helpen arrangeren.In het paper wordt een belangrijke rol toegedacht aan de professionele«arrangeur» van sociale netwerken: een sociaal werker die bewoners zonodig kan helpen om met elkaar in contact te komen of te blijven. Weonderschrijven het belang hiervan. Het is een vak dat goed past binnenhet uitstroomprofiel Welzijn en samenleving van de Hbo-opleidingenSociaal werk. Voor de verdere professionalisering van dit type sociaalwerker kan een goede beroepsregistratie van sociaal werkers behulpzaamzijn. We verkennen de mogelijkheden hiervan. Voorts bereidt de beroeps-vereniging van sociaal werkers BPSW op verzoek van de Staatssecretarisvan Langdurige en Maatschappelijke Zorg een aanvraag voor van eensubsidie voor een stimuleringsprogramma, dat primair op richtlijnontwik-keling gericht zal zijn. Ook dit zal de professionaliteit van de «arrangeurs»kunnen versterken. In de Werkplaatsen Sociaal Domein wordt onderverschillende noemers al gewerkt aan het «arrangeren van netwerken» enwordt duidelijk wat de bijdrage van een professional daaraan kan zijn.6C. Uitdaging: belemmeringen wegnemen tegen samenwonen Negatieve inkomenseffecten van woningdelen – socialezekerheid, fiscaliteit en inkomensondersteuningIn paragraaf 4.1 wordt gesproken over negatieve inkomenseffecten vanwoningdelen en wat mogelijkheden zijn om belemmeringen weg tenemen. Het bieden van gerichte inkomensondersteuning en socialezekerheid, en het beïnvloeden van de keuze om wel of niet samen tewonen zijn twee verschillende doelstellingen die soms kunnen schuren.5https://www.platform31.nl/artikelen/ontwerp-voor-ontmoeten/6Regio Zwolle | Werkplaatsen Sociaal Domein, Werkplaats Sociaal Domein Zuid-Holland-Zuid,Gelderse Vallei | Werkplaatsen Sociaal Domein,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1464 Regelingen zoals de AOW en de bijstand kennen het principe vankostenvoordeel voor gehuwden en samenwonenden die elkaars inkomenkunnen ondersteunen. Zij hebben hierdoor minder inkomensonder-steuning nodig dan alleenstaanden. Het kabinet herkent echter dat hetverschil in inkomen de keuze om wel of niet samen te gaan wonenmogelijk kan beïnvloeden. Daar kijken we dus ook naar.In het regeerprogramma is opgenomen dat het kabinet met betrekking totde sociale zekerheidswetten met een kostendelersnorm gaat verkennenwat de consequenties zijn als de kostendelersnorm wordt aangepast ofafgeschaft en welk effect dit heeft op woningdelen. Voor de AOW wordteen vereenvoudiging van het partnerbegrip verkend waardoor samen-wonen mogelijk minder snel gevolgen heeft voor de uitkeringshoogte endat de consequenties vooraf duidelijk zijn. Daarnaast laat het kabinet eenonderzoek uitvoeren naar de relatie tussen het partnerbegrip in de AOWen de invloed daarvan op de bereidheid tot samenwonen, tijdelijk iemandin huis nemen of het verlenen van mantelzorg. Op het gebied van deinkomensondersteuning ziet het kabinet dat het stelsel te complex isgeworden en wordt gewerkt aan vereenvoudiging.Verder wordt in paragraaf 4.1 de aanbeveling gedaan om te onderzoekenhoe de huurtoeslag kan worden aangepast zodat samenwonen gestimu-leerd wordt. Het recht op en de hoogte van huurtoeslag is gebaseerd opde financiële draagkracht van alle mensen die staan ingeschreven op hettoeslagadres, ongeacht hun onderlinge relatie. Huurders die een woningdelen, kunnen namelijk ook huurlasten delen. Als alleen de draagkrachtvan de huurder zelf (en partner) zou meetellen, heeft dat grote budgettairegevolgen voor de uitgaven aan de huurtoeslag. Er zijn ook geen signalendat de huurtoeslag woningdelen in de weg zou staan. Het kabinet is omdie reden niet van plan de huurtoeslag vanuit het perspectief vanwoningdelen aan te passen.Lokale verordeningen en de WmoIn paragraaf 4.2 wordt benoemd dat gemeenten overlast en illegaleverhuur bestrijden met regelingen die kamerverhuur inperken. Nederlandkent rondom kamerverhuur een zogenaamd «Ja, tenzij»-beleid. Hiermee isdit toegestaan, tenzij gemeenten deze mogelijkheden inperken als ditnodig is vanuit het oogpunt van schaarste (aan bijvoorbeeld grotegezinswoningen) of leefbaarheid. Gemeenten hebben hierbij dus altijdmeerdere (publieke) belangen te wegen vóór zij een besluit nemen overhet al dan niet toestaan van kamerverhuur. Het vanuit het Rijk opleggenvan een verbod aan gemeenten om dergelijke beperkingen op te leggen isdan ook niet aan de orde, omdat dit gemeenten niet in staat zou stellenom te doen wat nodig is met het oog op het voorkomen van schaarste ofhet behouden van leefbaarheid. Wel kijkt de Minister van VRO in het kadervan het programma «Beter benutten» naar de mogelijkheden om, samenmet gemeenten, tot een strenger afwegingskader te komen voordergelijke beperkingen waarbij ook in meer gevallen ruimte komt voorkamerverhuur.Private partijen die (onder)huur belemmeren en regelgeving rondwonen en (ver)hurenIn zijn algemeenheid geldt dat hypotheekverstrekkers en particulieren eenprivaatrechtelijke overeenkomst afsluiten, waarbij voorwaarden kunnenworden afgesproken, bijvoorbeeld ten aanzien van verhuur. Dathypotheekverstrekkers voorwaarden stellen is begrijpelijk, omdat eenwoning in verhuurde staat over het algemeen een lagere waarde heeft.Indien de woningeigenaar de woning wil verhuren, dan kan de woningei-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1465 genaar met de hypotheekverstrekker afspraken maken onder welkevoorwaarden dit (wel) zou kunnen. Daarbij kan bijvoorbeeld ook gedachtworden aan het afsluiten van een ander product (bijvoorbeeld eenverhuurhypotheek).Om hospitaverhuur zo veel mogelijk te stimuleren, werkt de Minister vanVRO momenteel aan een wetswijziging om belangrijke belemmeringenweg te nemen zoals het vergemakkelijken van het beëindigen van hethuurcontract met de hospitahuurder bij verkoop van de woning en eenuitzondering op de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging voorhuurders die een ruimte in een eigen woning willen verhuren. Ook wil deMinister van VRO een tijdelijk huurcontract voor hospitaverhuur vanmaximaal vijf jaar met gunstige voorwaarden voor de verhuurderintroduceren en een kortere opzegtermijn aan het begin van de huurpe-riode. Het streven is dat het wetsvoorstel begin 2025 in consultatie gaat.7Ook gaat het Ministerie van VRO gemeenten en woningcorporatiesinformeren over hoe zij woningdelen en splitsen kunnen faciliteren enuitvoeren binnen de huidige wet- en regelgeving, zoals de Huisves-tingswet 2014 en de Omgevingswet. Het doel hiervan is dat gemeentenzoveel mogelijk obstakels wegnemen in lokale wet- en regelgeving. Ookwordt samen met medeoverheden verkend of het van meerwaarde is omlandelijke regelgeving hiertoe aan te passen.In paragraaf 4.4 wordt de suggestie gedaan om huurbescherming af tezwakken bij kamerverhuur, om zo (onder)verhuur te vergemakkelijken.Deze notie en argumentatie onderschrijft het kabinet niet. Het is belangrijkdat iedere huurder huurbescherming heeft om misstanden te voorkomen.Dit geldt voor zowel zelfstandige als onzelfstandige woonruimtes(kamerverhuur). Sinds de ingang van de Initiatiefwet vaste huurcontractenzijn vaste huurcontracten weer de norm geworden.8 Bepaalde groepenzijn hiervan uitgezonderd, en ook tijdelijke doelgroepcontracten blijvenmogelijk. Doelgroepcontracten zijn zowel toepasbaar bij verhuur vanzelfstandige als onzelfstandige woningen.Verder wordt in paragraaf 4.4 gesteld dat het onduidelijk is welke regelsverhinderen dat woningcorporaties mensen laten doorstromen naar eenkleinere woning voor een gelijke huur. Wet- en regelgeving staat vaak nietin de weg om huurders door te laten stromen naar een andere woning,voor dezelfde huurprijs. In de praktijk blijkt dat meestal het huurbeleid vaneen corporatie een belemmerende factor kan zijn bij doorstroming voordezelfde huurprijs, omdat er dan moet worden ingeleverd op huurop-brengsten van de vrijkomende woning (vaak is de huurprijs van devrijkomende woning hoger dan de actuele huurprijs van de zittendehuurder).7Kamerbrief sneller bouwen, bestaande gebouwen beter benutten en voortgang bestuurlijkeoverleggen Woondeals Kamerstuk 32 847, nr. 12098Vast huurcontract weer de norm | Huurbescherming en huurcontracten | Home | Volkshuis-vesting NederlandTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1466 D. Kunt u, in aanvulling op de paper, inzicht geven in de woonvormenvoor ouderen die bij u bekend zijn en daarbij de ontwikkeling ervan inaantallen ouderen dat er gebruik van maakt over de afgelopen tien jaarschetsen? Woon- en leefvormen gericht op «samen»In paragraaf 3.3 worden zes verschillende woonvormen uit de cataloguswoonvormen van ZorgSaamWonen benoemd. Namelijk de mantelzorg-woning, groepswoning/kleinschalig wonen, woongroep, woongemeen-schap en wooncoöperatie, modern hofje en het wooncomplex. Er wordt inhet paper verwezen naar een onderzoek naar leefwensen van KBO-PCOBdat «veel mensen» geïnteresseerd zijn in gezamenlijke woonvormen. Aande bovenstaande zes woonvormen zijn geen concrete aantallen teverbinden. Zo is er geen zicht op het aantal mantelzorgwoningen. Deoverige vijf vormen lijken op de geclusterde woonvormen zoalsomschreven in het programma Wonen en zorg voor ouderen. De MonitorGeclusterde Woonvormen geeft aan dat er in 2021 meer dan143.000 woningen in Nederland zijn die tot deze categorie behoren.Momenteel zetten de Ministeries van VRO en VWS een monitor op dieverder toegesneden is op het programma Wonen en zorg voor ouderen.Het doel hiervan is beter te kunnen volgen in hoeverre de doelstellingenop landelijk niveau en regionaal worden gehaald. Zo werkt het CBSmomenteel aan een haalbaarheidsonderzoek om middels het koppelenvan verschillende databestanden de woningen geschikt voor ouderen teherleiden. Zoals vermeld in de Kamerbrief voortgang programma Wonenen zorg voor ouderen9 blijkt dat er op basis van de gegevens vancorporaties (dPi 2024) tot en met 2028 in totaal plannen zijn voor ongeveer22.000 geclusterde en zorggeschikte woningen voor ouderen, waarvan19.500 in de sociale huursector. Inzichten in de plancapaciteit zijn eind2024 aangevuld met resultaten van de Landelijke monitor voortgangwoningbouw. Daarnaast verschijnt begin 2025 een onderzoek uitgevoerddoor ABF over de verhuisbewegingen, verhuisgeneigdheid en verhuiske-tenanalyse van ouderenhuishoudens. Naast dit onderzoek zal begin 2025het WoON24 beschikbaar komen wat inzicht geeft in verhuiswensen enverhuisgedrag van onder andere ouderen.Onderzoek verzorgingshuizenTijdens de behandeling van de begroting van VWS heeft de Minister vanVWS toegezegd om u een brief te sturen over het proces en de aanpakvan het onderzoek naar de verzorgingshuizen. Dit onderzoek naar deterugkeer van de verzorgingstehuizen wordt uitgevoerd vanuit deoverweging dat de huidige stap tussen thuis en het verpleeghuis als tegroot wordt ervaren. Mensen in een verzorgingshuis hebben doorgaansveel gelegenheid om elkaar te ontmoeten.In de tweede helft van 2024 is met verschillende mensen gesproken tenbehoeve van het formuleren van de vragen voor het onderzoek. Hetonderzoek wordt extern uitgevoerd. Het doorlopen van de aanbestedings-procedure vergt 6–8 weken. De afgelopen weken zijn offertes bij enkeleexterne bureaus opgevraagd. Naar verwachting zal het onderzoek per1 maart starten en rond de zomer worden afgerond. Zie de bijlage voor deonderzoeksvragen en de beschrijving van de context van de onderzoeks-vragen.9Kamerstuk 29 389, nr. 127Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1467 Daarnaast is de Raad van Ouderen gevraagd om te adviseren over debehoefte naar het verzorgingshuis. Ook zij zullen rond de zomer met hunadvies komen.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,M-F. AgemaDe Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V. MaeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1468 ONDERZOEK NAAR DE MOGELIJKHEID VAN HERINTRODUCTIEVAN HET VERZORGINGSHUISAanleidingEr zit een gat tussen het zelfstandig wonen in de wijk en het verpleeghuismet de huidige invulling van de bouwopgave voor ouderenhuisvesting: eris een groep ouderen voor wie een plek in het verpleeghuis nog niet aande orde is, maar de zorgafhankelijkheid wel al gevorderd is. Ze hebbennog geen toegang tot de Wlz en daarmee ook geen mogelijkheid om naareen verpleeghuis te gaan. De zorgafhankelijkheid van deze groep is vooralhet gevolg van een verlies aan regie. Bijvoorbeeld als gevolg vandementie. Het gaat daarbij vooral om alleenstaande ouderen zondersociaal netwerk en met een aanwezige zorgvraag. Naar verwachting zullenouderen uit deze doelgroep die nog een partner hebben of een sterksociaal netwerk niet snel een beroep doen op deze nieuwe woonvorm.Vanwege het verlies aan regie en het ontbreken van een sociaal netwerkkan er behoefte zijn aan een beschutte omgeving voor deze groep. Daarbijwordt gedacht aan woningen in een complex, waarbij een groep menseneen gezamenlijke ruimte deelt. Er is altijd iemand aanwezig en ook ’snachts is er toezicht. Daarbij is er in beginsel per groep woningen ook eenruimte voor tijdelijk verblijf. Bij de opzet van de woonomgeving wordtuitgegaan van het scheiden van wonen en zorg; de betreffende ouderenbetalen dus zelf de huur. Omdat er in principe geen sprake is vanzelfstandige wooneenheden, is geen huurtoeslag mogelijk.Onderzoek verzorgingshuizen onderdeel kostenEen belangrijk doel van het onderzoek is de kosten van de herintroductievan verzorgingshuizen scherper te krijgen. De groep, die het betreft, is eendeel van de groep die vroeger een VV2 of VV3 kreeg. In 2012 is bij hetLente-akkoord besloten om de functie verblijf te schrappen voor alle lichteintramurale zorgzwaartepakketten (ZZP’s 1, 2 en 3). Bij de berekendebedragen werd ervan uitgegaan dat cliënten extramuraal even veel zorgontvangen als intramuraal tegen de tarieven die extramuraal gelden. Denetto besparing zou oplopen tot afgerond 0,3 mld euro structureel.10 Bijde doorrekening in Zorgkeuzes in Kaart werd berekend dat de herintro-ductie van VV2 en VV3 600 mln zou kosten.11 Dit was het saldo van extrakosten in de Wlz, de besparingen in de Wmo en Zvw en het verschil ineigen bijdragen. In bijlage B zijn beide ramingen nader toegelicht,inclusief een beoordeling van de verschillen/overeenkomsten.De vraag hierbij is of alle kosten worden meegenomen. In hoeverre leidteen toename van het aantal kwetsbare mensen in verzorgingshuizen toteen afname van kosten elders in de zorg. Zo duidt onderzoek erop datvoor sommige mensen een latere toegang tot een beschutte woonvormleidt tot extra kosten in het ziekenhuis. Het verlaagt de kans op eenziekenhuisopname binnen één jaar met negen procentpunt.12 Als alle56.000 mensen (nieuwe instroom) een maand later zouden instromen,zouden deze mensen in totaal 27.000 dagen langer in een ziekenhuisverblijven.13 Eerder gaf ActiZ aan dat 1,4 mld van de ziekenhuiskosten vanthuiswonende ouderen vermijdbaar zijn door ouderen in de thuissituatie10Kamerstuk 33 891, nr. 1211https://www.cpb.nl/zorgkeuzes-in-kaart-202012Wong et al., Economische Statistische Berichten, 2018. Thuiszorg is niet altijd goedkoper danverpleeghuiszorg – ESB13https://www.eur.nl/en/media/2024-07-escherworking-paper2024004BIJLAGE A:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 1469 tijdig en voldoende te ondersteunen.14 En mogelijk leidt een toename vande mensen in het verzorgingshuis ook tot verminderde kosten bijkortdurend verblijf / Eerstelijnsverblijf (ELV) / Geriatrische Revalidatiezorg(GRZ) en zijn politiemensen minder bezig met meldingen van mensen metverward gedrag. De kosten voor ELV zijn inmiddels opgelopen tot 1,1 mld.En zoals hierboven aangegeven is de verwachting dat de doelgroepkleiner is dan waar het CPB mee heeft gerekend: het gaat om een deel vande eerdere VV2 en VV3 met regieverlies en zonder partner.Onderzoeksvraag−Op welke wijze kan de doelgroep worden afgebakend van anderegroepen ouderen?−Wat is de woon- en zorgbehoefte van deze afgebakende doelgroep?−Wat zijn de kosten van het organiseren van een beschutte woonomge-ving voor mensen met beginnend regieverlies?a.Bepaal hoe groot de groep is die, meestal door vorderendedementie, een regieverlies heeft en die behoefte heeft aan eenbeschutte woonomgeving zoals hierboven beschreven;b.Bepaal de kosten die verbonden zijn aan deze woonomgeving.Neem hierbij in ieder geval mee:1.De kosten voor de zorg in de beschutte woonvorm, uitgaandevan onzelfstandige woningen2.De extra bouwkosten ten opzichte van reguliere woningen(o.a. kosten voor bouweisen/toegankelijkheidseisen, kosten voorbrandveiligheid);3.De kosten voor de zorg in de situatie dat deze mensen zelfstan-dig thuis wonen, zowel de kosten voor wijkverpleging enondersteuning als voor ziekenhuiskosten en het eerstelijnsver-blijf;4.De gevolgen voor crisiszorg kosten in verband met meldingenvan mensen met verward gedrag.5.Mogelijk andere kosten.c.Bepaal het effect op de betaalbaarheid van deze woonvorm voor debewoner (netto effect van lagere eigen bijdrage, betalen huur,ontbreken huurtoeslag);d.Bepaal de gevolgen voor de arbeidsmarkt die hiermee gepaard zijn;maak hierbij een onderverdeling in de verschillende typenzorgverleners. Neem daarbij ook de kosten mee van overhead,zoals kosten verbonden met de reisbeweging/reistijd;e.Bepaal welk deel van de opgave van 290.000 woningen voorouderen tot en met 2030 voor de verzorgingshuizen gereserveerdmoet worden.Het vaststellen van het juridisch kader waaronder deze extra woon-zorgaanspraak voor ouderen zou moeten worden vastgelegd is geenonderdeel van het onderzoek. Dit zal na het vaststellen van de uitkomstenvan dit onderzoek nader moeten worden bepaald.OnderzoeksresultaatRapport waarin zowel kosten zichtbaar worden van een basismodel, alswaarin zichtbaar wordt wat kosten zijn met beperkte aanpassingen; inzichtin af te bakenen doelgroep en arbeidsmarkteffecten.14ActiZ, 2018, Onderzoek naar duurzame inrichting spoedzorgketen voor ouderen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 14610 HISTORISCHE BEREKENINGEN KOSTEN VERZORGINGSHUIZEN1. Berekeningen VWS, verzorgingshuizen 2013 Tabel 1 laat de opbouw zien van de netto besparing die VWS in debegroting heeft verwerkt voor extramuralisering van de lage zzp’s.•Hierbij is verondersteld dat de kosten van zorg, ondersteuning enbegeleiding 1-op-1 zouden overgaan van de Wlz naar de Wmo en Zvw.•De netto besparing die resulteerde was aldus het saldo van:a)het wegvallen van de verblijfscomponent in de Wlz (met namehuisvestingskosten);b)per saldo lagere opbrengsten eigen bijdragen Wlz/Wmo;c)extra kosten via de huurtoeslag.•Er is geen rekening gehouden met meerkosten voor politie/verwardgedrag, acute zorg/eerstelijnsverblijf ten opzichte van zorg met verblijf.•Regel 6 laat zien dat de oorspronkelijk ingeboekte besparing, zoals ookdoor MVWS benoemd, ruim € 300 miljoen bedroeg (namelijk € 330miljoen in prijspeil 2013).•Regel 7 laat zien dat dit in prijspeil 2024 zou overeenkomen met circa€ 450 miljoen.2. Berekeningen CPB, verzorgingshuizen 2020 Tabel 2 laat zien dat het CPB bij Zorgkeuzes in Kaart (ZIK) bij haar analysevan de «herintroductie VV2 en VV3 als toegang tot intramuraleouderenzorg» een vergelijkbare systematiek hanteerde.•Ook CPB gaat ervan uit een neutraal effect voor de kosten zorg,ondersteuning en begeleiding.•De meerkosten bij CPB zijn het saldo van:a)extra kosten voor Wlz-verblijf (met name huisvestingscomponent);b)per saldo hogere opbrengsten eigen bijdragen Wlz/Wmo;c)gedragseffect dat door openstellen VV3 er minder VV4 wordtgeïndiceerd.•Er is geen rekening gehouden met lagere kosten voor politie/verwardgedrag, acute zorg/eerstelijnsverblijf ten opzichte van zorg thuis.•CPB heeft in ZIK geen rekening gehouden met een lager beroep ophuurtoeslag.•Regel 6 laat zien dat CPB de structurele meerkosten raamt op€ 600 miljoen (prijspeil 2019).•Regel 7 laat zien dat dit in prijspeil 2024 zou overeenkomen metcirca € 735 miljoen.BIJLAGE B:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 14611 BeoordelingDe ramingsveronderstellingen van VWS en CPB op het terrein van VV2 enVV3 liggen per saldo niet heel ver uit elkaar. Beide ramingen gaan ervandat de zorgkosten 1-op-1 overgaan tussen de domeinen en dat dehoofdmoot van de besparing cq meerkosten samenhangt met het saldovan verblijfskosten (met name huisvestingscomponent) en deopbrengsten van de eigen bijdragen. CPB houdt in haar raming geenrekening met een vermindering van het beroep op huurtoeslag, maar daarstaat tegenover dat CPB wel rekening houdt met een gedragseffectwaardoor er besparingen optreden bij VV4. Deze effecten heffen elkaarper saldo op.•De raming van CPB is gebaseerd op 99.000 cliënten.•Daarmee bedragen de meerkosten per cliënt in prijspeil 2024 afgerond7,5 duizend euro (€ 735 miljoen gedeeld door 99.000 cliënten).•De meerkosten bij CPB hangen sterk samen met (A) het aantal cliëntenen (B) het feit dat cliënten recht krijgen op verblijf. Door aan dezeknoppen te draaien zullen de meerkosten wijzigen.•Het aantal van 99.000 achten wij een veel te hoge inschatting. In 2013bedroeg het aantal verblijfscliënten met VV2 en VV3 in totaal 39.00015.Gezien de trend van langer thuis wonen verwachten wij dat het aantalcliënten dat een beroep zal doen op een beschutte woonvorm lager zalzijn dan deze 39.000.15Bijlage bij Kamerstuk 30 597, nr. 296.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 389, nr. 14612

Bron, video en gesprek →