Uitvoerbaarheid van beleid op het boerenerf (CD d.d. 23/01)
Bron, video en gesprek →Partijen door de tijd: BBB (2025-11-12–heden) ·
Bijdragen bij de geselecteerde bron
Open de volledige bron →Minister Wiersma: Dank, voorzitter. Wij hebben hier een mooi debat over gehad. De uitvoerbaarheid van alles wat we hier doen op het boerenerf vind ik natuurlijk ook van groot belang. Daar zitten nog wel wat aandachtspunten in. Ik begin met een aantal vragen die ik gesteld gekregen heb. Daarna ga ik naar de moties. Ik begin met een vraag van het lid Van der Plas van de BBB over de transportwaardigheid van de varkens die staartschade hebben. De situatie is inderdaad bekend. Daarvoor lopen op dit moment al gesprekken met NVWA, mijn departement, de sector, Vee&Logistiek en de COV om tot oplossingen te komen. Op dit moment wordt dit goed in kaart gebracht. Ik deel die zorgen ook. Dit voorjaar ga ik u ook over dat traject informeren. We zijn dus inmiddels volop bezig om dit aan de kaak te stellen. Het lid Grinwis had nog een vraag over de eco-regeling versus ANLb. We weten dat daar soms wat discrepantie in zit en dat de aansluiting tussen de twee regelingen verbeterd moet worden. Daar wordt ook hard aan gewerkt. Dat is natuurlijk iets wat vooropstaat, zeker ook in het kader van het agrarisch natuurbeheer. Ik wil uiteindelijk dat het echt goed landt op het moment dat het nieuwe GLB ingaat. Dat is in de periode vanaf 2028. In de tussentijd staat uiteraard buiten kijf dat de ervaringen van de collectieven, de adviseurs en alle andere betrokken partijen, daar goed in betrokken worden. Het lid van de SGP, de heer Flach, had de vraag of het Beleidskompas goed wordt toegepast bij het ontwikkelen van nieuw beleid. Het antwoord daarop is uiteraard: ja, dat is de bestaande praktijk. Ik vind dat persoonlijk natuurlijk ook van groot belang, verzeker ik de heer Flach. We moeten dat op een goede manier doen. Dat bevestig ik dus bij dezen. Ik had een vraag van het lid Podt over dierwaardige veehouderij. Ik hoop dat we de vraag goed hebben opgeschreven. Als de vraag is of ik toe kan lichten wat de juridische onderbouwing is met betrekking tot de dierwaardige veehouderij, dan is het antwoord dat in de Wet dieren een grondslag voor de AMvB over dierwaardigheid is opgenomen op initiatief van de Kamer. Dat is ook exact de grondslag en de AMvB die ik op dit moment uitvoer. Dus dat is de onderbouwing daarvan.
Bron, video en gesprek →Minister Wiersma: Dat is de basis voor de uitwerking. Ik hoop dat daarmee de vraag beantwoord is. Ik kom bij de moties. Ik begin met de motie op stuk nr. 181 van het lid Kostić van de Partij voor de Dieren. Die motie gaat over de biologische landbouw en verzoekt te verkennen hoe investeringen naar biolandbouw kunnen bijdragen aan minder complexiteit en minder afhankelijkheid. Ik moet deze motie ontraden, want ik zet in op de brede ontwikkeling van de landbouw. Het biologische spoor is absoluut een van de ontwikkelrichtingen, maar niet de enige. Extra onderzoek daarnaar is wat mij betreft overbodig, want er is al veel onderzoek. Wat betreft minder complexiteit van wet- en regelgeving is het bijvoorbeeld nu al zo dat in het GLB en de eco-regelingen bio direct het predicaat "goud" krijgt, in tegenstelling tot al die andere ontwikkelrichtingen van de landbouw. Er zit dus wel differentiatie in. Met heel veel ander beleid zetten we ook in op stimulering van de biosector. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 182. Die is van de heer Grinwis, mede ingediend door Vedder en Van Campen. Die gaat over onwenselijke knelpunten bij samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers. Ik geef deze motie oordeel Kamer. Dan de motie van de heer Grinwis, medeondertekend door Vedder, Flach en Holman, op stuk nr. 183. Die gaat over het recht op vergissen. Daar hadden we het in het debat ook uitvoerig over. Die geef ik ook oordeel Kamer. Dan de motie van de heer Holman en de heer Grinwis op stuk nr. 184. Die gaat over de doelsturing, namelijk om per 1 januari 2026 een start te maken met de KPI's ureum, stikstofbodemoverschot en nitraat. Ik denk dat deze motie exact onderschrijft waarmee we bezig zijn in de ontwikkeling van de bedrijfsspecifieke doelsturing. Op dit moment zijn we natuurlijk goed aan het kijken welke KPI's — deze, maar ook andere — daaraan bijdragen en wat ze doen voor doelbereik, uitvoerbaarheid en de consequenties van beleid op het boerenerf. Ik geef deze motie oordeel Kamer. We gaan hier de komende tijd hard mee aan de slag. De heer Flach van de SGP had een motie ingediend over bedrijfsspecifieke normen. Dat is de motie op stuk nr. 185. Die vraagt om nu al te starten met het vaststellen van de bedrijfsspecifieke ammoniakuitstoot nabij stikstofgevoelige natuur met behulp van de KringloopWijzer en aanvullende monitoring. Ik wil deze motie het oordeel "ontijdig" geven. In het kader van de ministeriële commissie gaan we op dit moment hard aan de slag met vergunningverlening en natuurherstel, zoals u weet. Wat betreft bedrijfsspecifieke emissiedoelen hebben we best nog wel wat huiswerk te verrichten, ook waar het gaat om de borging van de data. Dit is echt iets waar we op dit moment heel hard aan werken. Dit is echt ontijdig. Het is onverstandig om hier op dit moment beslissingen over te nemen. De motie krijgt dus "ontijdig" als oordeel.
Bron, video en gesprek →Minister Wiersma: Nou, nee. Het gaat ook echt al om normeringen en het meerekenen daarvan in emissie en depositie. Dat is juist een proces dat nog echt onderbouwing en aandacht vraagt. Ik wil dat zorgvuldig aflopen. Ik blijf dus wel bij het oordeel ontijdig. Dan kom ik op de motie op stuk nr. 186 van de heer Van Campen met betrekking tot de zorglandbouw. De heer Van Campen is er heel goed van op de hoogte dat dit eigenlijk thuishoort bij VWS. Ik ben het er uiteraard mee eens dat deze verbreding van landbouw echt al onze steun verdient. Volgens mij hebben we het daar in het debat ook uitvoerig over gehad. Ik ben groot voorstander van dergelijke verbreding en ik snap de complexiteit. Het is alleen wel zo dat ik hier niet op vooruit kan lopen. Ik wil hierover in overleg gaan met mijn collega van VWS. Ik wil dan ook voorstellen om hierop terug te komen met een schriftelijke appreciatie na overleg met mijn collega van VWS. De stemming is, als het goed is, over twee weken. Voor die tijd komen we met een schriftelijke reactie op deze motie.
Bron, video en gesprek →Minister Wiersma: Oké, dan wil ik die toezegging doen. Ik ben van harte bereid om daarover het gesprek aan te gaan, maar nogmaals, de eindverantwoordelijkheid in dezen ligt echt bij VWS. Ik kan niet vooruitlopen op hoe mijn collega naar dit vraagstuk kijkt, maar we zullen daar op korte termijn over in gesprek gaan. Dan krijgt u daar een afschrift van.
Bron, video en gesprek →Minister Wiersma: Met de interpretatie die de heer Van Campen er zelf aan geeft: oordeel Kamer. Het lid Vedder van het CDA vroeg in haar motie op stuk nr. 187 om de agrarische praktijktoets te evalueren. Het klopt inderdaad dat er negen toetsen gedaan zijn. Ik geef deze motie oordeel Kamer, maar wel met een interpretatie. Als mevrouw Vedder het ermee eens is dat we niet een hele evaluatie bij bijvoorbeeld WUR uitzetten, maar dat we de evaluatie zo vormgeven dat we die echt inhouse doen op basis van gesprekken met de deelnemers om te kijken wat voor verbeterpunten er zijn en wat we kunnen meenemen, dan geef ik de motie oordeel Kamer. Dan gaan we dit doen.
Bron, video en gesprek →Minister Wiersma: Fijn. Voorzitter. Dan kom ik bij de laatste motie. Dat is de motie op stuk nr. 188 van mevrouw Podt van D66. Die motie gaat over de compensatie voor bedrijven. Hier staat dat ze 60% van de opkoopsom pas krijgen na het aanpassen of intrekken van de natuurvergunning. Ik wil deze motie eigenlijk ontraden of zeggen dat die overbodig is, omdat dit al gecorrigeerd is voor de huidige uitkoopregelingen, de Lbv en de Lbv-plus. De deelnemers krijgen hun voorschot uitbetaald in drie tranches: de eerste 20% bij intekenen, dan is er een blokje van 60% van het totaal op het moment van het intrekken van die natuurvergunning — die zat daaraan vast — en daarna volgt aan het einde nog 20%. Juist in het kader van de signalen die wij ook gekregen hebben, is die van die 60% naar de laatste 20% gegaan. Dit is in principe dus al de huidige praktijk, in de lijn van de motie.
Bron, video en gesprek →Minister Wiersma: Dat is exact de reden waarom we de systematiek die erin zat, hebben aangepast, want ik vind dat van het allergrootste belang, zeker bij dit soort enorm grote beslissingen.
Bron, video en gesprek →Minister Wiersma: Ik zou 'm ontraden, want wat we nu al doen, is in principe in lijn met de motie.
Bron, video en gesprek →