KamerkringInloggen
Stieneke van der Graaf

Officieel Kamerprofiel

Stieneke van der Graaf

ChristenUnie →
0debatten
1.017bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: ChristenUnie (2022-01-18–2023-12-05) · ChristenUnie (2019-07-16–2021-03-30) · ChristenUnie (2017-10-31–2019-03-25) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
5 dec 2023 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202435 761Voorstel van wet van de leden Van der Graaf,Jasper van Dijk, Thijssen, Van der Lee,Koekkoek en Hammelburg houdende regels voorgepaste zorgvuldigheid in waardeketens omschending van mensenrechten en het milieutegen te gaan bij het bedrijven van buitenlandsehandel (Wet verantwoord en duurzaaminternationaal ondernemen)Nr. 20 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGINGOntvangen 5 december 2023 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:AAan artikel 2.1.2, derde lid, wordt een zin toegevoegd, luidende:De toezichthouder houdt bij het uitoefenen van het toezicht rekeningmet de gezamenlijke uitvoering.BArtikel 2.1.3 wordt als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid wordt «blijkende uit een in verhouding tot de totalebevolking groot aantal afnemers of activiteiten in Nederland» vervangendoor «blijkende uit een vestiging in Nederland of de hoeveelheidafnemers of activiteiten in Nederland».2. In het vierde lid wordt «bevoegdheden en middelen» vervangen door«bevoegdheden, financiële middelen en informatie».CArtikel 3.1.1 wordt als volgt gewijzigd:1. In het tweede lid wordt «3.2.4» vervangen door «3.2.3».2. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:Wanneer bij de uitoefening van die handhavende bevoegdheden doorde toezichthouder een besluit wordt genomen, wordt dit besluit aange-merkt als een besluit dat is genomen op grond van deze wet.3. Het vierde en vijfde lid vervallen. kst-35761-20ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 761, nr. 201 DArtikel 3.1.2 wordt als volgt gewijzigd:1. Aan het eerste lid worden twee zinnen toegevoegd, luidende:Daartoe is de toezichthouder bevoegd om met de Nederlandsetoezichthouders afspraken te maken die worden vastgelegd in samenwer-kingsprotocollen en die in ieder geval betrekking hebben op effectief endoelmatig toezicht op de naleving van verplichtingen voor gepastezorgvuldigheid. Een samenwerkingsprotocol wordt gepubliceerd in deStaatscourant en op de website van de toezichthouder.2. Het tweede lid komt te luiden:2. De toezichthouder en de andere toezichthouders zijn bevoegd uiteigen beweging en desgevraagd verplicht aan elkaar relevante informatiete verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak of om tekunnen voldoen aan een op hen rustende wettelijke verplichting.3. Het derde lid vervalt.EArtikel 3.1.3 wordt als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid wordt «Een ieder» vervangen door «Een betrokkene».2. Onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid, worden inartikel 3.1.3 twee leden ingevoegd, luidende:2. Voordat een bezwaar wordt ingediend bij de toezichthouder, wordteen klacht ingediend bij de betrokken onderneming, tenzij dit redelij-kerwijs niet van de indiener kan worden gevergd.3. Het tweede lid geldt niet, als het vermoeden betrekking heeft op deniet naleving van de regels voor klachtbehandeling, bedoeld in artikel2.7.1, tweede tot en met vierde lid.FIn artikel 3.2.3, derde lid, wordt «het beroep is beslist» vervangen door«het beroep onherroepelijk is beslist».GArtikel 3.2.7 wordt als volgt gewijzigd:1.Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.2.Een lid wordt toegevoegd, luidende:2.Uitsluiting van overheidssteun vindt voor maximaal 12 maandenplaats na het onherroepelijk worden van de bestuursrechtelijke sanctie ofde strafrechtelijke veroordeling.HNa artikel 4.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:Artikel 4.3a Wijziging Algemene wet bestuursrechtIn artikel 7 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in dealfabetische volgorde ingevoegd:Wet verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 761, nr. 202 IArtikel 4.5 wordt als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid wordt «1 juli 2024» vervangen door «1 januari 2025».2. In het tweede lid wordt in de bestaande tekst «1 januari 2025»vervangen door «1 juli 2025» en wordt «1 juli 2025» vervangen door«1 januari 2026».ToelichtingIn oktober en november 2023 hebben de initiatiefnemers overleggevoerd met medewerkers van de beoogd toezichthouder, de AutoriteitConsument en Markt. Dit overleg bestond uit enkele gesprekken en eenzogeheten Dry Run, dat wil zeggen het beproeven van de artikelen van hetwetsvoorstel aan de hand van concrete praktijkvoorbeelden. Dit laatstevond plaats in aanwezigheid van medewerkers van andere toezicht-houders. Op basis van dit overleg hebben de initiatiefnemers besloten hetwetsvoorstel nogmaals aan te passen om enerzijds de effectiviteit van hettoezicht en de handhaving door de toezichthouder te vergroten enanderzijds de rechtszekerheid voor ondernemingen te vergroten.Onderdeel A (artikel 2.1.2)De nieuw voorgestelde zin is afkomstig uit artikel 3.1.1, vierde lid,onderdeel b. Omdat het vierde lid van artikel 3.1.1 komt te vervallen,wordt onderdeel b overgeheveld naar artikel 2.1.2, waarin de gezamenlijkeuitvoering van de verplichtingen voor gepaste zorgvuldigheid is geregeld.Onderdeel B (artikel 2.1.3)Zowel de voorgestelde wijziging van het eerste lid als de wijziging vanhet vierde lid zijn bedoeld om het toezicht op buitenlandse onderne-mingen te versterken, waardoor de handhavingsbevoegdheden van detoezichthouder effectiever kunnen zijn.De wijziging van eerste lid van artikel 2.1.3 is bedoeld om de vaststellingvan een wezenlijke band met Nederland voor de toezichthouder tevereenvoudigen. Voor de formulering is aangesloten bij het vergelijkbareartikel 31g van de «Wet Kansspelen op afstand» waarbij soortgelijkeissues speelden voor buitenlandse ondernemingen die online gokdienstenaanbieden. Vanwege de begripsbepaling van buitenlandse ondernemingin artikel 1.1, kon niet volledig worden aangesloten bij dat artikel 31g.Uit de wijziging van het vierde lid vloeit voort dat een gemachtigdvertegenwoordiger een beter aanspreekpunt wordt voor de toezicht-houder. Doordat de buitenlandse onderneming zijn gemachtigd vertegen-woordiger moet voorzien van voldoende financiële middelen en infor-matie zouden de toezichts-en handhavingsbevoegdheden van detoezichthouder beter geëffectueerd kunnen worden. De financiëlemiddelen kunnen gezien worden als een waarborgsom, die door degemachtigd vertegenwoordiger gebruikt kan worden voor de betaling vaneen opgelegde last onder dwangsom of een bestuurlijke boete.Verbetering van het toezicht op buitenlandse ondernemingen en dehandhaving van de naleving van de verplichtingen komt ook ten goedeaan de Nederlandse ondernemingen die zich aan dezelfde verplichtingenmoeten houden. Daardoor wordt het gelijke speelveld tussen Nederlandseen buitenlandse ondernemingen versterkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 761, nr. 203 Onderdeel C (artikel 3.1.1)De voorgestelde wijziging van het tweede lid van samen met het vervalvan artikel 3.2.4 in de eerste nota van wijziging (zie onderdeel Y van dienota van wijziging).De wijziging van het derde lid hangt samen met de wijziging van bijlage2 bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals voorgesteld in eennieuw artikel 4.3a, in onderdeel H van deze nota van wijziging. Met hetvoorgestelde artikel 4.3a van deze wet regelen we dat alle besluitengenomen op grond van deze wet in beroep worden behandeld door derechtbank Rotterdam. Door voor die besluiten verder niets te regelen overhoger beroep, volgt daarna hoger beroep bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State (ABRS).Dezelfde rechtsgang is wenselijk voor besluiten die de ACM neemt opgrond van de Instellingswet ACM in het kader van de handhaving van deWvedio, zoals de openbaarmakingsbesluiten. Die besluiten neemt de ACMvia artikel 3.1.1, derde lid, van de Wvedio. Zonder iets te regelen geldtvoor die besluiten de rechtsgang op grond van de Instellingswet ACM,met het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) als hogerberoepsrechter en niet de ABRS. Dat is niet wenselijk, omdat de ABRS ookvoor andere gepaste zorgvuldigheidswetgeving de hoger beroepsrechteris1. Voor deze besluiten moest dus een oplossing worden bedacht. De nuvoorgestelde zin is die oplossing.Dit soort bepalingen voor de bevoegdheidsregeling in de bestuursrecht-spraak komen vaker voor, omdat er niet één hoogste beroepsrechter is inNederland; zie de voorbeelden in de artikelen 5:20, vierde lid, en 5:32,derde lid, van de Awb.Het vierde en vijfde lid komen te vervallen, omdat de toezichthouder opgrond van artikel 4:81 van de Awb in combinatie met de artikelen inhoofdstuk 3 van deze wet al beschikt over de bevoegdheid om beleids-regels vast te stellen voor het uitoefenen van het toezicht en dehandhaving op deze wet. In die beleidsregels zal de toezichthouder deprioriteiten aangegeven. Onderdeel b van het vierde lid, waarin metvoorgeschreven dat de toezichthouder rekening houdt met de gezamen-lijke uitvoering van een verplichting tot gepaste zorgvuldigheid, isovergeheveld naar artikel 2.1.2, derde lid (zie onderdeel A van deze notavan wijziging).Onderdeel D (artikel 3.1.2)De voorgestelde wijzigingen van artikel 3.1.2 zijn bedoeld om desamenwerking tussen Nederlandse toezichthouders en de beoogdtoezichthouder op deze wet te versterken. Beoogd is hiermee het toezichten de handhaving effectiever en efficiënter te maken.Het opstellen van een samenwerkingsprotocol, dat toegevoegd wordtaan het eerste lid, komt de coördinatie van de toezichttaken en deeenduidige interpretatie van de diverse verplichtingen ten goede.Daardoor wordt de rechtszekerheid over de toepassing van de verplich-tingen vergroot. In een samenwerkingsprotocol kunnen bijvoorbeeldafspraken worden vastgelegd die zien op de het verlenen van bijstand bijde uitvoering van taken, waaronder het verrichten van inspecties en hetgeven van informatie. Voor de precieze formulering is aangesloten bij het1Voor het gepaste zorgvuldigheidssysteem in de Houtverordening en de Conflictmineralenveror-dening. Zie ook onderdeel H.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 761, nr. 204 soortgelijke artikel 19 van de Uitvoeringswet Algemene verordeninggegevensbescherming.Het nieuw voorgestelde tweede lid bevat de verplichting voor detoezichthouders om relevante informatie over en weer aan elkaar teverstrekken. Met deze wijziging is het verstrekken van relevante informatieeen wederzijdse aangelegenheid en desgevraagd een verplichtinggeworden. Het derde lid kan vervallen, omdat de abstracte formuleringvan het verlenen van bijstand in de nieuw voorgestelde leden specifiekwordt omschreven.Onderdeel E (artikel 3.1.3)Artikel 3.1.3 wordt aangevuld met twee leden. Deze leden beogenenerzijds het aantal bezwaren dat wordt ingediend bij de toezichthouderte beperken. Door een bezwaar eerst te moeten indienen bij een onder-neming, krijgt die onderneming de kans iets met het bezwaar te kunnendoen, voordat het naar de toezichthouder gaat. Bij een goed functio-nerend herstelmechanisme zijn immers zowel de betrokkene gebaat als(het lerend vermogen van) de onderneming. Anderzijds zorgt vooraf-gaande klachtbehandeling door de onderneming ervoor dat er aandossiervorming wordt gedaan, dat weer ten goede komt aan de behan-deling van het gemotiveerde bezwaar door de toezichthouder.Voor de precieze formulering is aangesloten bij de soortgelijkeartikelleden in artikel 9:20 van de Algemene wet bestuursrecht is. Deuitzondering in het voorgestelde tweede lid op de voorafgaande klachtin-diening bij een onderneming, «tenzij dit redelijkerwijs niet van de indienerkan worden gevergd», is toegevoegd, omdat er redenen kunnen zijnwaarom het indienen van een klacht bij een onderneming niet opportuunis. Gedacht kan hierbij worden aan de situatie waarin sprake is van eenernstig verstoorde houding tussen de klachtindiener en de ondernemingof dat spoedeisendheid is gemoeid met de behandeling van de klacht.De uitzondering in het voorgestelde derde lid op de voorafgaandeklachtindiening is bedoeld voor de situatie dat de klacht betrekking heeftop de niet-naleving van de verplichtingen omtrent de klachtenproceduredoor een onderneming. Interne klachtbehandeling ligt dan niet voor dehand, omdat de klacht dan niet behandeld zou worden op een wijze die isvoorgeschreven in artikel 2.7.1, tweede tot en met vierde lid.Omdat alleen een betrokkene een klacht kan indienen bij een onder-neming (zie artikel 2.7.1, tweede lid) wordt in het eerste lid «een ieder»vervangen door «een betrokkene». Hierdoor zijn artikel 2.7.1 en 3.1.3 beterin overeenstemming met elkaar.Onderdeel F (artikel 3.2.3)De uitgestelde of schorsende werking van het derde lid van artikel 3.2.3was bedoeld tot en met onherroepelijke beslissing door de rechter op het(eventuele) beroep. Dit laatste is voor alle duidelijkheid toegevoegd.Onderdeel G (artikel 3.2.7)Om te voorkomen dat ondernemingen permanent zouden kunnenworden uitgesloten van overheidssteun, is aan artikel 3.2.7 toegevoegddat dit alleen voor een maximale termijn kan. Permanente uitsluitingwordt niet proportioneel geacht. Voor de precieze duur van die termijn isaangesloten bij de duur in het soortgelijke uitsluitingsartikel 25 in de in2023 vastgestelde Ontbossingsverordening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 761, nr. 205 Onderdeel H (artikel 4.3a)Met deze bepaling wordt geregeld dat tegen besluiten van de toezicht-houder op grond van deze wet beroep kan worden ingesteld bij derechtbank Rotterdam. De Raad voor de rechtspraak heeft aangegeven tevoorzien dat beroepszaken op grond van deze wet inhoudelijk complexerzullen zijn dan een gemiddelde zaak, maar in aantal beperkt zullen zijn. Ditlaatste bemoeilijkt de kennisopbouw als elke rechtbank bevoegd is. Hetoordelen over complexe geschillen bij een beperkt aantal zaken wordtvergemakkelijkt wanneer er één rechtbank is die in eerste aanleg oordeelt.De rechtbank Rotterdam is de aangewezen rechtbank daartoe, omdat dierechtbank al is gespecialiseerd in het oordelen in geschillen over besluitenvan de beoogd toezichthouder, de Autoriteit Consument en Markt.Het hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS oordeelt immers al overde gepaste zorgvuldigheidsnormen in de Houtverordening en deConflictmineralenverordening. Toekenning aan een ander beroepscollege,zou kunnen leiden tot uiteenlopende jurisprudentie over dezelfdebegrippen. Voor de rechtszekerheid van ondernemingen en de toezicht-houder wordt dit laatste onwenselijk gevonden. Ook zou dat beroeps-college aan kennisopbouw moeten doen, terwijl die kennis inmiddels welaanwezig is bij de ABRS. Ook de Raad voor de rechtspraak had in zijnadvies van 8 maart 2023 geen opmerkingen bij toekenning van het hogerberoep aan de ABRS.2Onderdeel I (artikel 4.5)Doordat de behandeling van het wetsvoorstel in Tweede Kamer derStaten-Generaal langer duurt dan gehoopt, worden de inwerkingtre-dingsdata in artikel 4.5 vervangen. De nieuw voorgestelde data beogen deinwerkingtreding met een half jaar op te schuiven.Van der GraafJasper van DijkThijssenVan der LeeKoekkoekHammelburg2Raad voor de rechtspraak, nr. UIT 2023/13514, p. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 761, nr. 206

Bron, video en gesprek →