KamerkringInloggen
Tjebbe van Oostenbruggen

Officieel Kamerprofiel

Tjebbe van Oostenbruggen

74debatten
1.921bijdragen
809interrupties
207.057woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: Nieuw Sociaal Contract (2023-12-06–2024-11-14) ·

Uitspraken in het geselecteerde debat

Open het volledige debat en de tijdlijn →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Voorzitter. Dank voor het debat dat wij in drie etappes hebben gevoerd met elkaar. We hebben volgens mij goed met elkaar gesproken over alles wat te maken heeft met box 3. Er is ook flink out of the box 3 gedacht. Uiteindelijk leidt dat tot dit tweeminutendebat. Er zijn nog twee vragen, waar ik snel op antwoord. Die zijn van mevrouw Van Eijk. Mevrouw Van Eijk vraagt: wanneer komt de raming/certificering? Deze week. Ik kreeg net door dat die vanochtend in de mail zat bij ons. We gaan netjes een briefje maken naar de Kamer toe en dan krijgt u hem ook, dus deze week. Die is hard. De tweede vraag is: wanneer komt de wet naar de Kamer? Die staat nu gepland voor midden mei; ik geloof 15 mei, maar laten we het even op midden mei houden. Dan is er een tiental moties ingediend. De eerste is de motie op stuk nr. 240 van de heer De Vree, waarin de regering wordt verzocht om zich bij de Wet werkelijk rendement box 3 uitsluitend te richten op een vermogenswinstbelasting. Die optie gaat dan uit van reële winsten in plaats van fictieve rendementen en ongerealiseerde winsten. Deze motie moet ik helaas ontraden. De afgelopen jaren zijn in vele Kamerbrieven, en vele debatten, door mij en mijn voorgangers de voor- en nadelen van verschillende opties voor de vormgeving van een stelsel op basis van werkelijk rendement uiteengezet. Alle denkbare opties hebben naast voordelen ook nadelen op het vlak van juridische houdbaarheid, maatschappelijk draagvlak, budgettaire gevolgen, effecten op de economie, uitvoeringsvermogen en doenvermogen. Dit is allemaal met elkaar gewogen. Bij de keuze van het nieuwe stelsel is steeds sprake van een uitruil tussen deze verschillende invalshoeken. Alles afwegende heeft het kabinet gekozen voor een hybride vorm, waarbij het uitgangspunt een vermogensaanwasbelasting is. Samenvattend is er sprake van een forse budgettaire derving als alle vermogensbestanddelen worden belast op basis van een vermogenswinstbelasting, en kunnen bij een volledige vermogenswinstbelasting minder gegevens vooraf ingevuld worden, waardoor een groter beroep wordt gedaan op het doenvermogen van belastingplichtigen. Belastingplichtigen moeten namelijk meer gegevens invullen en bijhouden, en dat jarenlang.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Volgens mij is het een uitspraak van u dat garantie alleen op stofzuigers gegeven wordt. Daarbij kan ik zeker zeggen dat wij het risico zien, maar dat zien wij ook bij alle andere varianten. Alles afwegende moeten we uiteindelijk koers kiezen, en de koers die wij kiezen is dus een afruil tussen alle verschillende risico's. Wij denken dat dit op het vlak van juridische houdbaarheid, waar we nu op aankoersen, minder risicovol is dan een eventuele andere route.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Dat is de motie op stuk nr. 241 van mevrouw Haage en de heer Stultiens, met het verzoek om in kaart te brengen hoe een wereldwijde minimumbelasting op vermogen van 2% voor vermogens boven de 100 miljoen juridisch, budgettair en qua uitvoerbaarheid in Nederland ingevoerd zou kunnen worden. De belastingheffing van de rijksten stopt helaas niet bij de landsgrens, zeker voor de mensen met een vermogen boven de 100 miljoen, want als verschillende landen inkomen uit vermogen anders belasten of juist met fiscale voordelen deze groep proberen aan te trekken, geeft dat mogelijkheden tot belastingontwijking. Ook hebben vermogenden vaak vermogen in meerdere landen. Internationale samenwerking is nu van belang, ook door tussen de landen meer gegevens over vermogensbezit uit te wisselen en schadelijke belastingregimes te adresseren. Zo kunnen we ervoor zorgen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Hiervoor is geen nader onderzoek nodig. Het is van belang om hier internationaal stap voor stap te werk te gaan en dat betekent nu eerst het inzetten op het vergroten van internationale transparantie over vermogensbezit, specifiek als het gaat over vastgoed en UBO's, ultimate beneficial owners. Dat is cruciaal om internationaal grip te krijgen op deze vermogens. Het nut van een nationaal onderzoek naar zo'n internationaal onderwerp zie ik niet en daarom moet ik deze motie ontraden. De volgende motie, op stuk nr. 242, is ook van mevrouw Haage en de heer Stultiens. De regering wordt verzocht vast te houden aan het voornemen om fiscale regelingen en belastingconstructies aan te pakken en de opbrengsten hiervan terug te sluizen naar lastenverlichting voor werkenden. Het gaat mevrouw Haage erom dat de stelpost fiscale regelingen en constructies niet is ingevuld. Zij wil dat in plaats daarvan de noodremafspraak uit het hoofdlijnenakkoord over de tabelcorrectiefactor uitgevoerd gaat worden. Wat mij betreft past deze motie bij het debat over de Voorjaarsnota. Ik hoop ook dat de heer Stultiens, waarschijnlijk, zijn motie daar zou willen indienen. De voorjaarsbesluitvorming is afgerond. Dit besluit is daaruit voortgekomen. Omwille van wat ik net zei, vind ik het een ontijdige motie. Bovendien heeft de motie niks met box 3 te maken.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 243 van mevrouw Van Eijk, de heer Grinwis, de heer Vijlbrief en mevrouw Van Dijk met het verzoek aan de regering om de regeling jaarlijks voor 15 februari te publiceren met definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden. De definitieve forfaits komen jaarlijks medio januari beschikbaar. Dit jaar zijn de gegevens op 22 januari aan de Belastingdienst doorgegeven. De Belastingdienst heeft die vervolgens gebruikt voor de communicatie naar belastingplichtigen bij de aangiftecampagne. Daarmee hebben de belastingplichtigen de in de motie gevraagde duidelijkheid. Als ik de motie zo mag opvatten dat de definitieve forfaits jaarlijks voor 15 februari op de website van de Belastingdienst worden gepubliceerd, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven. De functie van een ministeriële regeling is dat de percentages ook in de regelgeving worden opgenomen. De manier waarop de forfaits worden vastgesteld, is in de wet opgenomen en op basis van de wettelijke regeling is dus al duidelijk wat de forfaits gaan worden. De definitieve vaststelling gebeurt jaarlijks met terugwerkende kracht. Publicatie van een ministeriële regeling voor 15 februari heeft geen meerwaarde ten opzichte van publicatie op de website van de Belastingdienst. Het opstellen van de regeling, de uitvoeringstoets en het publiceren in de Staatscourant kost helaas enige tijd. Daarom kan ik niet garanderen dat voor de Staatscourant 15 februari jaarlijks haalbaar is. Ik heb wel toegezegd om te streven naar publicatie volgend jaar voor 1 maart. Maar nogmaals, als ik de motie zo mag opvatten dat de definitieve forfaits jaarlijks voor 15 februari op de website van de Belastingdienst worden gepubliceerd, kan ik de motie oordeel Kamer geven.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Het is complexe materie en het gebeurt in dit debat wel vaker dat er dingen herhaald worden, niet alleen van de zijde van de regering. Dan ga ik door naar de motie op stuk nr. 244, van de heer Vermeer. Hij spreekt over de heer Kavelaars, die tijdens de technische briefing heeft gezegd dat alleen 2022 een laag rendement heeft en er voor de andere jaren waarschijnlijk geen tegenbewijs is. De motie stelt dat er mogelijk minder geld nodig is voor rechtsherstel en vraagt welk bedrag uit de gereserveerde 11 miljard nodig is om het forfait op 5,88% te stellen in de jaren '26 en '27. De derving voor het verleden is al ingeboekt en gecertificeerd. De budgettaire gevolgen van de Wet tegenbewijsregeling box 3 zijn inmiddels ook gecertificeerd en komen dus deze week naar uw Kamer. Het is goed om te noemen dat alles tot 2024 per definitie in het saldo loopt en dus niet gedekt is. Wij laten het geld over het verleden dus sowieso in het saldo lopen. In die zin is dat dus ook geen dekkingsbron voor latere jaren. Een tweede punt dat ik daarbij nog graag even wil benoemen, is dat '22 weliswaar een lager rendement heeft, maar voor zowel positieve als negatieve jaren geldt dat in het verleden behaalde winsten of verliezen geen garantie bieden voor de toekomst. Op basis daarvan kan ik niet anders dan mij houden aan de ramingen. Om die reden moet ik de motie ontraden. Ik vervolg met de motie op stuk nr. 245, ook van de heer Vermeer. Het kabinet wordt verzocht om te onderzoeken wat de budgettaire aspecten en de uitvoeringsaspecten zijn van een eenmalige overgangsfaciliteit voor vastgoedbeleggers, waarmee hun bezit van box 3 naar box 2 kan worden overdragen tegen een overdrachtsbelasting van 2%. En de motie verzoekt de Kamer hierover voor het zomerreces te informeren. Deze motie moet ik helaas ontraden. De faciliteit waar de BBB om vraagt, zet aan tot boxhoppen, waarmee belastingontwijking zou worden gefaciliteerd. Dit is in mijn ogen ongewenst fiscaal beleid. De introductie van deze faciliteit binnen de overdrachtsbelasting vergt bovendien een structuurwijziging, waardoor de maatregel pas effect heeft in 2027, terwijl in 2028 het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement ingaat. Tot slot is een eerste inschatting dat hier sprake kan zijn van staatssteun. Dat komt doordat er aan een specifieke groep bedrijven of beleggers een voordeel wordt gegeven. Dat is dus iets wat wij moeten ontraden. Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 246. Dat is de motie van mevrouw Van Dijk. Ik geef een korte omschrijving van de motie. Er zijn veel argumenten tegen de vermogenswinstbelasting, maar ook de mogelijkheden en voordelen moeten worden afgewogen voordat we een keuze maken. De motie roept om te leren van het buitenland, omdat vermogenswinstbelasting daar de standaard is en vraagt hoeveel sneller de vermogenswinstbelasting kan worden ingevoerd bij het loslaten van de voorlopig ingevulde aangifte. Hoe zit het met budgettaire werving en relevante onderzoeken, en kan dit meegestuurd worden bij het indienen van de wet, vraagt deze motie verder nog. Deze motie ontraad ik. De afgelopen jaren zijn in vele Kamerbrieven en debatten de voor- en nadelen van verschillende opties voor de vormgeving van een stelsel op basis van werkelijk rendement uiteengezet, door mij en door mijn voorganger, Marnix van Rij. Alle denkbare opties hebben naast voordelen ook nadelen. Dit is ook wat ik bij de motie op stuk nr. 240, van de PVV, zei. Ik denk dat we de afweging gemaakt hebben. We moeten uiteindelijk het gesprek met elkaar aan over de Wet werkelijk rendement box 3 bij de indiening daarvan. De motie op stuk nr. 247 is van de heren Grinwis en Stoffer en van mevrouw Van Dijk. De motie verzoekt de regering onafhankelijk te onderzoeken op welke wijze de leegwaarderatio tijdelijk geactualiseerd kan worden en de resultaten hiervan met de Kamer te delen. De leegwaarderatio betreft een objectieve waardebepaling en is geen beleidsmatige knop waaraan kan worden gedraaid. Onderzoek is niet vrijblijvend. Bij een nieuw onderzoek zullen we de uitkomsten moeten volgen. Dit kan twee kanten op gaan. Optie één is dat de leegwaarderatio daalt. Dit zou een groot risico opleveren voor de korting op het Herstel- en Veerkrachtplan vanwege het feit dat dit een reeds afgerond mijlpaal is. Tussentijdse aanpassing van de afspraken die in het HVP zijn gemaakt over de leegwaarderatio, leiden naar grote waarschijnlijkheid tot een korting van maximaal 600 miljoen euro. Optie twee is dat de leegwaarderatio toeneemt. Dan nemen de lasten voor verhuurders ook toe. Op mijn verzoek heeft de Belastingdienst recentelijk verkend of het actualiseren van de tabel met leegwaarderatiopercentages zinvol is. Deze verkenning is gebaseerd op iets meer dan 12.000 transacties in het jaar 2024. Uit deze verkenning volgt dat optie twee, de verhoging van de leegwaarderatio, meer waarschijnlijk is dan een verlaging. Het waardedrukkend effect van de verhuurde staat lijkt namelijk licht te zijn afgenomen, wat zou leiden tot een hogere leegwaarderatio.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ja, sorry. Ik ben nog niet helemaal klaar met de toelichting.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Dat weet ik. Dat heeft u net ook gezegd. Gegeven deze uitkomst raad ik nadrukkelijk af om nader onderzoek in te stellen. Dit zou bij een verhoging van de leegwaarderatio risicovol zijn en in het geval van optie één zou het een risico voor de schatkist zijn. Om die reden moet ik de motie ontraden.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik denk dat beide opties negatief kunnen uitpakken, enerzijds voor de schatkist, anderzijds voor de verhuurders. Het staat u geheel vrij om als Kamer deze motie toch aan te nemen en ik zal die uitvoeren als dat gebeurt. Maar nogmaals, ik ontraad de motie omdat ik zie dat beide richtingen negatief kunnen uitpakken, hetzij voor de schatkist, hetzij voor de verhuurders. Dan ga ik door naar de motie op stuk nr. 248. Die is ook van de heer Grinwis. De heer Grinwis verzoekt om, eventueel in samenspraak met onafhankelijke deskundigen, te verkennen welke mogelijkheden er nog zijn na de jurisprudentie in zake box 3 voor een redelijke vermogensbelasting en te kijken of er een variant bedacht kan worden om spaarders tegemoet te komen. De afgelopen jaren zijn door mij, collega's en mijn voorgangers vele brieven en onderzoeken naar de Kamer gestuurd, is er gedebatteerd en gefilosofeerd en zijn er rondetafelgesprekken gevoerd. Ik ben van mening dat het voorstel zoals dat er nu ligt een zeer weloverwogen keuze is. Nieuw onderzoek voegt hier naar mijn mening niets aan toe, ook niet als dat met onafhankelijke deskundigen is. Overigens was er vorige week nog een rondetafelgesprek in uw Kamer, waarbij er ook experts aanwezig waren die geen voorstander zijn van een vermogensbelasting. Om die reden moet ik de motie ontraden.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik kan niets anders zeggen dan dat ik me daarbij aansluit. Het is een dossier dat qua meningen helaas veel voor- en tegenstanders kent voor alle varianten die voorliggen. Er is er niet eentje waar mensen unaniem tegen zijn, of voor.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Tot die realiteit hebben we ons te verhouden. Dan gaan we door naar de laatste motie, op stuk nr. 249. Die is van de heer Grinwis, de heer Stoffer en mevrouw Van Dijk en verzoekt de budgettaire effecten van de tegenbewijsregeling realistisch te ramen en een gevoeligheidsanalyse toe te voegen om de gevolgen van een sterk stijgende of sterk dalende aandelen- en verhuurdersmarkt in kaart te brengen. Ik acht deze motie overbodig. Budgettaire effecten worden namelijk altijd realistisch geraamd, zo ook in dit geval. De raming is ter beoordeling op redelijkheid en neutraliteit aan het CPB voorgelegd. Het CPB heeft aangegeven de raming, zoals die bij de indiening van de Wet tegenbewijsregeling gepresenteerd is, te certificeren. In het certificeringsdocument gaat het CPB ook altijd in op de mate van onzekerheid. Voor de raming van de Wet tegenbewijs geldt dat bij een goed beursjaar en een sterke waardeontwikkeling van vastgoed de derving lager kan uitvallen en bij een slecht beursjaar en dalende huizenprijzen juist hoger. Ramingen worden definitief vastgesteld bij indiening van het wetsvoorstel. Als een effect in werkelijkheid anders uitpakt, heeft dat effect op het saldo. Die afwijking is niet lastenrelevant en zal bij een derving niet gedekt hoeven te worden. Dat geldt bij alle ramingen en hoort bij ons trendmatig begrotingsbeleid. Om die reden moet ik zeggen dat deze motie overbodig is.

Bron, video en gesprek →
23 apr 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Zoals ik net aangaf, is in het certificeringsdocument van het CPB het inschatten van de mate van onzekerheid altijd een onderwerp. In die zin wordt er wel degelijk ingegaan op hoe on point de certificering is. Sowieso kijkt de certificering, zeker bij deze wetgeving, over een vrij lange periode en is het moeilijk te zeggen dat de aandelenkoersen en het vastgoed zich extreem bewegen over een relatief lange periode.

Bron, video en gesprek →