KamerkringInloggen
Geert Knigge

Officieel Kamerprofiel

Geert Knigge

1debatten
11bijdragen
0interrupties
3.346woorden in uitspraken

Uitspraken in het geselecteerde debat

Open het volledige debat en de tijdlijn →
10 feb 2025 · Kamerstuk

het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering), Boeken 3 en 4

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: Dank u wel. De heer Van Nispen stelde de vraag of de strafbeschikking uit nood is geboren. Is het een lelijk eendje dat we moeten accepteren omdat het niet anders kan? Dat is een hele interessante vraag. Het uitgangspunt is dat we in de rechterlijke macht altijd een beperkte capaciteit en beperkte financiële middelen hebben. In die zin zou je van nood kunnen spreken. Dat is, denk ik, een gegeven. Daar blijf je mee zitten, hoeveel geld u er ook in zou willen stoppen. Dan is vervolgens de vraag: wat is een evenwichtige en verantwoorde besteding van de beperkte capaciteit en beperkte middelen? Aan het nieuwe Wetboek van Strafvordering ligt uitdrukkelijk het uitgangspunt ten grondslag van rechtsbescherming op maat. Dat betekent dat je de capaciteit moet inzetten waar de behoefte aan rechtsbescherming het grootst is. Uit die gedachte komt dit voort. Zware zaken moeten zeer zorgvuldig behandeld moeten worden door een kamer die uit drie rechters bestaat en waar optimale rechtsbescherming wordt geboden. Je hebt een tussencategorie zaken die door een politierechter in een enkelvoudige kamer kunnen worden afgedaan. Ten slotte heb je een aantal zaken waarin het Openbaar Ministerie de straf op kan leggen. Dat komt dus voort uit het idee dat het wat rechtsbescherming betreft een onsje minder kan bij lichte zaken in tegenstelling tot heel uitdrukkelijk zware zaken. Die gedachte is ook uitdrukkelijk aanvaard door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Deze vorm van strafrechtelijke afdoening is aanvaard, mits er maar beroep op de rechter openstaat. De verdachte die het niet eens is met de strafoplegging door het Openbaar Ministerie moet zich tot de rechter kunnen wenden. Het Europees Hof heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat het legitieme doel van deze wijze van afdoening juist is om verstopping van het hele rechterlijke systeem te voorkomen en dus te voorkomen dat je juist zware zaken niet de aandacht kan geven die ze behoeven. Dus ja, in die zin zou je kunnen zeggen dat het uit nood geboren is. Het is een natuurgegeven dat de capaciteit van het rechterlijke apparaat beperkt is. In principiële zin wordt daarmee beoogd om zware zaken de aandacht te geven die ze verdienen.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: Ik ben blij dat u mij dat vraagt, want ik vergat dat element uit mijn betoog uit te spreken. De grens van zes jaar is niet nieuw. De grens van zes jaar gold ook al voor de transactie. Dus die grens voor buitengerechtelijke afdoening is niet veranderd. Ik zou juist zeggen dat de strafbeschikking meer rechtsbescherming biedt dan de transactie, want de strafbeschikking vereist dat het OM een schuldoordeel geeft. Het OM moet zelf het dossier bekijken en mag alleen een strafbeschikking uitvaardigen als naar zijn oordeel het bewijs van het strafbare feit geleverd is. Dat was bij de transactie niet zo, want dat was het afkopen van de vervolging. Niet dat het de praktijk was, maar daarover zou je makkelijker kunnen zeggen: als u betaalt, dan zijn we beiden tevreden, dus we zoeken de zaak verder niet uit. Maar ook zo'n transactie kwam wel degelijk op het strafblad terecht. Ik denk dus dat de strafbeschikking uiteindelijk de rechtsbescherming juist ten goede komt als je die vergelijkt met de transactie.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: Een verschil is wel dat bij de politierechter zaken worden behandeld waarvoor gevangenisstraffen kunnen worden opgelegd. Dat is bij de stafbeschikking uitdrukkelijk niet het geval. Vrijheidsbenemende sancties zijn niet mogelijk in het spoor van de strafbeschikking. Daarvoor moet je echt bij de rechter zijn. Dat is een belangrijk verschil. Ik kan niet beamen dat er in de loop van de tijd, dus sinds de invoering van strafbeschikking in 2007, in de praktijk zwaardere zaken zijn ondergebracht. Het zou kunnen, maar ik kan het ontkennen noch bevestigen. Over meer rechtsbescherming wil ik nog het volgende zeggen. De gang naar de rechter staat altijd open. Meer rechtsbescherming zit vooral in de voorlichting die de verdachte gegeven wordt als een strafbeschikking wordt uitgevaardigd. Er moet helder zijn dat de weg naar de rechter altijd openstaat, dat de strafbeschikking niet onmiddellijk betaald hoeft te worden en dat men zich van rechtsbijstand kan voorzien. Dat zijn belangrijke waarborgen, die aan het instrument van de strafbeschikking als zodanig niets afdoen.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: Ik zou zeggen dat dat een majeure wijziging is. De regeling staat nu in zijn geheel in artikel 36e, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Daar gaat het om het ontnemen van voordeel dat door andere feiten is verkregen dan waarvoor de verdachte is veroordeeld. Het is een hele stap dat je voordeel gaat ontnemen voor andere feiten. Omdat het zo'n hele stap is, is het destijds uitdrukkelijke door de wetgever gekoppeld aan een boetecategorie van de vijfde categorie. Het moet dus om ernstige zaken gaan. Het bewijsvermoeden is helemaal gericht op de vraag of er door andere strafbare feiten voordeel is verkregen. Dat is dus een bewijsvermoeden dat niet los verkrijgbaar is, dat je niet kunt toepassen als het gaat om voordeel dat verkregen is uit het feit dat de verdachte heeft begaan of uit soortgelijke misdrijven; het is specifiek gericht op voordeel verkregen uit andere strafbare feiten. Als je die sanctie wil verruimen, is dat niet zomaar een technische wijziging, maar een stap met grote politieke consequenties. Die wijziging is dus niet technisch, maar een afwijking van een standpunt dat de wetgever destijds uitdrukkelijk heeft ingenomen.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: De hoofdregel is dat een verdachte, vanaf het moment waarop hij is verhoord, recht heeft op kennisneming van de processtukken. De officier van justitie kan, in het belang van het onderzoek, weigeren om inzage te geven in bepaalde stukken. Daarvoor bevat het wetboek vervolgens ook een beklagmogelijkheid. Als ik het even uit mijn hoofd zeg, gaat het om een bezwaarschrift bij de rechter-commissaris. Je kunt in de wet op dat punt niet zo heel veel meer regelen dan dat. Daar komt nog bij dat als we straks een digitaal procesdossier hebben — daar is deze regeling ook een beetje voor geschreven — het ook veel makkelijker wordt om de stukken ter beschikking te stellen die de verdachte mag inzien. Je kunt die dan eenvoudigweg plaatsen in de elektronische voorziening. Als een getuige al bij de rechter-commissaris wordt gehoord, zoals u noemde, zal de verdachte zeker eerst zijn verhoord en zal hij beschikking kunnen hebben over alle stukken die hij mag inzien. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat men in de regel voorzichtig zal moeten zijn met het horen van getuigen in de prilste fase van het onderzoek, waarin er voor de verdachte nog allerlei dingen geheim moeten worden gehouden.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: De vraag was: verandert dit de praktijk? Ik denk het niet, want binnen de Nederlandse rechtspraktijk is eigenlijk wel algemeen aanvaard dat je pas mag veroordelen als in redelijkheid niet aan de schuld van de verdachte getwijfeld kan worden. In die zin is het nu al een belangrijk richtsnoer bij het handelen van de rechter. In theorie is het wel een belangrijke verandering — ik zou zelfs zeggen: een verbetering — dat dit ook in de wet wordt vastgesteld. Want de gedachte die zeker in het verleden nog wel heerste, is dat de overtuiging van de rechter een puur subjectief gegeven was waar nu eenmaal niet over getwist kon worden. Dat dateert denk ik nog van de juryrechtspraak, die we eens hebben gekend: de jury vormt zich in "conviction in team", puur gebaseerd op de indrukken die zij op de terechtzitting afdoet. Dat is dan het oordeel van schuld en onschuld. De gedachte dat het een puur subjectief en niet te bediscussiëren oordeel is, is in de loop van de tijd veranderd. Daar denken we inmiddels anders over, mede door wat de rechtspsychologie ons allemaal heeft geleerd. Je kunt wel degelijk criteria stellen aan de betrouwbaarheid van verklaringen en je kan daar argumenten voor aanleveren. Het schuldoordeel is in die zin geobjectiveerd en is daardoor ook meer in beeld gekomen in de jurisprudentie van de Hoge Raad, via de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, waar de heer Koops al even aan refereerde. In het verleden keek de Hoge Raad eigenlijk alleen maar of het wettig bewijs geleverd was en zei: ik kan niet toetsen of de rechter overtuigd is; het is nou eenmaal ja of nee. Tegenwoordig kun je wel degelijk beargumenteren of die overtuiging ergens op is gebaseerd of niet. In die zin zou het zelfs ook een verschuiving kunnen betekenen voor de cassatiepraktijk — dit is wel een beetje speculeren — omdat je straks misschien ook met klachten kunt komen en kunt zeggen: objectief gezien kan je hier in redelijkheid twijfelen aan het gegeven schuldoordeel; het wettig bewijs er wel, maar gelet op alle vraagtekens die je er misschien bij kunt zetten, bijvoorbeeld bij de betrouwbaarheid van afgelegde getuigenverklaringen, levert dat ook een handvat op, in ieder geval in theorie, voor een scherpere toetsing in cassatie. Ik denk dat het in die zin ook een belangrijke verbetering in de procedure is.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: Het is misschien toch wel goed om dat motiveringsvoorschrift, waar alle aandacht zich op richt, dus artikel 4.3.22, lid 1, een beetje in het perspectief te plaatsen van alle motiveringsvoorschriften die in deze titel zijn opgenomen. Wat hier geformuleerd wordt, is het uitgangspunt, zou je kunnen zeggen, maar dat is niet het enige motiveringsvoorschrift. Het gaat om de bewijsbeslissing. De twee belangrijkste beslissingen zijn de vraag of het feit bewezen kan worden en de vraag welke sanctie er moet worden opgelegd. Die zijn allebei voorzien van uitvoerige motiveringsvoorschriften. De motivering voor de beslissing over de op te leggen straf, is dus uitvoerig beregeld in artikel 4.3.25. Dat geldt ook voor de beslissing over de vraag of het feit bewezen kan worden. Ook die is uitvoerig beregeld in zowel artikel 4.3.23 als artikel 4.3.24. Het geldt dus zeker niet dat die beslissingen niet gemotiveerd hoeven te worden, als sowieso wel begrijpelijk is waarom een verdachte veroordeeld zou moeten worden en welke straf moet worden opgelegd. Die beslissingen moet altijd van een stevige motivering zijn voorzien. Bij alle motiveringseisen is richtinggevend dat ze een begrijpelijke beslissing moeten opleveren. De specifieke functie van 4.3.22, lid 1, heeft nou juist te maken met de beslissingen op de formele vragen, dus de vraag of de tenlastelegging geldig is, of de rechter bevoegd is en of de officier van justitie ontvankelijk is. Naar geldend recht hoeven daarover in het vonnis geen beslissingen te worden opgenomen, als daar verder niks over te doen is geweest, dus als er geen verweer is gevoerd en er niks op wijst dat de feitomschrijving in de tenlastelegging niet deugt. Als er niks op wijst dat de rechter niet bevoegd zou zijn om over het feit te oordelen, mag de rechter daar in het vonnis gewoon over zwijgen. Die beslissing hoeft daardoor dus ook niet gemotiveerd te worden, want beslissingen die niet in het vonnis staan, kun je niet motiveren. Dat is in dit wetboek veranderd. Daar staat dus dat ook de beslissingen op de formele vragen steeds in het vonnis moeten worden opgenomen. Moet je dit dan in gevallen die vanzelfsprekend zijn, bijvoorbeeld als de rechter vanzelfsprekend bevoegd is om over het feit te oordelen, omdat het in de zittingsplaats is begaan, nog gaan zeggen? Nee, zegt artikel 4.3.22, lid 1: voor de begrijpelijkheid van de beslissing is de motivering hier niet nodig. Dat is de specifieke functie van dit motiveringsvoorschrift. Daarnaast heb je dus nog twee andere vragen. De tweede materiële vraag is de vraag of het bewezen verklaarde feit een strafbaar feit oplevert. In de meeste gevallen is dat volkomen vanzelfsprekend. Als je diefstal ten laste hebt gelegd en bewezen hebt verklaard, dan behoeft de beslissing van de rechter dat dit diefstal oplevert, geen motivering zolang daarover geen verweer is gevoerd of wat dan ook. Nu schrijft de wet wel voor dat je dat met redenen moet omkleden, maar in de praktijk leidt dat altijd tot non-motiveringen. Het is diefstal omdat het diefstal oplevert. Daarover zegt artikel 4.3.22 dat zo'n non-motivering achterwege kan blijven als de beslissing dat het diefstal is, zonder meer begrijpelijk is. Hetzelfde geldt voor de beslissing dat de verdachte strafbaar is. Als geen beroep is gedaan op een strafuitsluitingsgrond en niets in het dossier op de aanwezigheid van strafuitsluitingsgronden wijst, dan is de beslissing dat de verdachte strafbaar is zó begrijpelijk dat je die niet hoeft te motiveren. Dat is specifiek de functie: je hoeft niet te motiveren als dat voor de begrijpelijkheid van de beslissing niet noodzakelijk is. Dat raakt dus niet aan de motiveringsplicht die geldt voor de eerste en vierde materiële vraag, de vraag of het feit bewezen is dan wel de vraag welke sanctie moet worden opgelegd. Die moeten altijd stevig worden gemotiveerd. Daar is niks in veranderd. Ook is niet veranderd dat je op verweren en op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten moet reageren. Dat staat allemaal in 4.3.22, tweede en derde lid. U moet zich dus niet blindstaren, zou ik zeggen, op dat eerste lid. De motiveringsplicht is veel breder dan die aangezet in het Wetboek van Strafvordering. Dan nog even een kleine opmerking over de functies van de motivering. Die staan ook nu niet in de wet. Er staat dat je het met redenen moet omkleden, en waarom dat zou moeten. Dat is een theorie die wijselijk niet in het wetboek is neergelegd. Ik moet zeggen dat de zorg van de heer Sneller in het verleden — ik praat dan over 30 jaar geleden of zoiets — begrijpelijker zou zijn dan nu het geval is. Ik zei al even dat de Hoge Raad dacht alleen maar te hoeven controleren of het wettig bewijs geleverd was, maar niet of het bewijs ook betrouwbaar was en of de rechter op grond daarvan een overtuiging had kunnen bekomen. De motiveringen richtten zich dus geheel op de controle door de Hoge Raad. Uitleggen waarom de rechter overtuigd is, hoefde niet, want de Hoge Raad controleerde dat toch niet. Dat leidde juist tot heel magere motiveringen die uitsluitend waren gericht op controle, op de controleerbaarheid van de beslissing door de Hoge Raad. Sinds het begin van deze eeuw is door de rechtspraak zelf, dus van onderop — dus niet omdat de Hoge Raad dat verordonneerde, maar van onderop — het zogenaamde PROMIS-traject gestart. Daarbij zei de rechtspraak zelf: deze magere vorm van motiveren is niet meer van deze tijd; wij moeten juist ook tegenover de verdachte, het slachtoffer en de samenleving uitleggen waarom de beslissing luidt zoals die luidt. Op basis daarvan is een motiveringspraktijk ontwikkeld die juist veel meer dan vroeger recht doet aan de drie functies van de motivering.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: Ik heb niet gezegd dat de manier waarop strafvomnissen nu worden gemotiveerd volmaakt of ideaal is. Ik heb alleen maar gezegd dat die veel beter is dan 30 of 40 jaar geleden. Toen werd er bijvoorbeeld niet meer gezegd dan dat de op te leggen straf in overeenstemming was met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, of zoiets. Dat was een soort riedel die bij alle strafvonnissen werd gebezigd, ongeacht het strafbare feit. Dat kennen we in ieder geval niet meer. In die zin is de motiveringspraktijk juist verbeterd door het verantwoordelijkheidsbesef van de rechterlijke macht zelf. Dat laatste blijf ik benadrukken. Het komt niet doordat het is afgedwongen door extra motiveringsvoorschriften of door uitspraken van de Hoge Raad. Ik denk dus zeker dat we op die weg verder zouden kunnen gaan. Aan andere kant denk ik ook dat we natuurlijk wel de grenzen van de doenbaarheid in acht moeten nemen. De rechterlijke macht is overbelast, dus je moet daar ook zoeken naar een evenwicht: hoever kun je gaan met het verschaffen van uitleg? Je moet dat, denk ik, voor een deel ook gewoon aan de rechters overlaten, zodat zij daar een evenwichtige praktijk in ontwikkelen.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: Dit is een heel invoelbare vraag van de heer Koops, maar ook hier speelt wel de vraag van de belasting die dat oplevert voor de rechterlijke macht. Dat is gewoon het punt. Het zou natuurlijk ideaal zijn als alle vonnissen bij het uitspreken ervan gemotiveerd en schriftelijk in z'n geheel beschikbaar waren, maar dat ideaal stuit gewoon af op capaciteitstekort. Daar komt het eigenlijk wel op neer. Naar geldend recht geldt voor alle vonnissen dat de rechter kan volstaan met een verkort vonnis totdat er hoger beroep is ingesteld. Dit wetsvoorstel komt in die zin toch een heel eind tegemoet aan de heer Koops door te zeggen: die praktijk willen we in ieder geval niet meer als er meer dan een jaar gevangenisstraf is opgelegd. Dan brengt de rechtsbescherming mee — daar is weer die gedachte van rechtsbescherming op maat — dat er onmiddellijk een volledig gemotiveerd vonnis op tafel moet liggen. Bij minder zware sancties valt die afweging anders uit. Daar kun je natuurlijk verschillend over oordelen, maar vanuit de rechterlijke macht is het grote bezwaar: dan werken we voor het archief. Zo wordt het altijd gezegd. U moet bedenken dat het percentage waarin hoger beroep wordt ingesteld, bij meervoudige-kamervonnissen volgens mij iets boven de 20 ligt en bij politierechterzaken rond de 16. In al die andere gevallen zou er in uw voorstel een volledig uitgewerkt vonnis moeten komen. Voor de verdachte is het misschien heel plezierig als hij kan nalezen wat de rechter precies heeft bewogen, maar het heeft in ieder geval geen functie in hoger beroep, want dat wordt niet ingesteld. Het is inderdaad gewoon een afweging die voortkomt uit enerzijds een begrijpelijk verlangen, want eigenlijk hoort er natuurlijk altijd een gemotiveerd vonnis beschikbaar te zijn, en anderzijds de enorme werklastverzwaring die dat voor de rechterlijke macht met zich brengt.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: U snijdt een terecht punt aan, maar het probleem is dat de reactie op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet los verkrijgbaar is. Uw voorbeeld gaf het al aan: waarom vindt de rechter dat het niet zijn broer was, maar de verdachte zelf? Dat kun je alleen beoordelen als je de hele bewijsmotivering geeft. De meest uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zijn zo nauw verweven met de gehele bewijsconstructie dat je in feite gewoon toch in alle gevallen waarin de verdachte het feit ontkent het vonnis moet motiveren. Daar is om de reden die ik heb genoemd niet voor gekozen. Een tussenweg is heel moeilijk begaanbaar, te weten het onderscheiden van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de rest van de bewijsmotivering.

Bron, video en gesprek →
10 feb 2025 · Spreekbeurt

De heer Knigge: Zoals ik al even zei: nu staat zowel het bewijsvermoeden als de ontnemingsgrond in 36e, lid drie. Om wetssystematische redenen is dat bewijsvermoeden overgeheveld naar het Wetboek van Strafvordering, omdat het nu eenmaal een stukje procesrecht is. Maar het is wel een stukje procesrecht dat verbonden is aan de ontnemingsgrond. Die staat voorop. De vraag welke bewijsregels gelden bij het realiseren van die ontnemingsgrond is vers twee. Ik heb het gevoel dat u het omdraait. U begint bij het bewijsrecht en zegt: we gaan de ontnemingsgrond daarop aanpassen. Formeel is het zo dat je iemand op basis van de ontnemingsgrond, uit artikel 36e, een voordeel kunt ontnemen dat door andere strafbare feiten is verkregen dan het feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard. Dat staat voorop. De volgende vraag is welk procesrecht daarbij past. Dat is hoe het formeel in elkaar zit. De ontnemingsgrond staat primair in het Wetboek van Strafrecht. Een aanpassing van de sanctiemogelijkheden staat hier niet ter discussie. Daar gaat het Wetboek van Strafvordering niet over. Inhoudelijk stelt u een enorm ingrijpende verandering voor. Op diefstal staat al een geldboete van de vierde categorie. In uw voorstelling zou je bij een winkeldiefstal al een enorm vermogensonderzoek kunnen starten. De bewijslast wordt dan bij wijze van spreken voor een deel omgekeerd. Ik overdrijf nu sterk, maar de verdachte moet dan bewijzen dat al het vermogen dat hij heeft en waarvan je niet direct kunt verklaren waar dat vandaan komt, als wederrechtelijk verkregen voordeel wordt aangemerkt. Dat is een hele grote stap. Ik zou zelf zeggen: dat kun je hier niet even op een achternamiddag bij de behandeling van het Wetboek van Strafvordering meenemen.

Bron, video en gesprek →