KamerkringInloggen
← Onderzoeken

document · 29 sep 2026 · Tweede Kamer

Antwoord op vragen van de leden Lohman en Bühler over de aanpak van strategische afhankelijkheden en de verwerking van kritieke grondstoffen

Silvio Erkens Sjoerd Sjoerdsma minister van Economische Zaken en Klimaat (naam nog niet beschikbaar)

Brontekst

AH 179 2026Z17449 Antwoord van minister Sjoerdsma (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) en de minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 29 september 2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2026-2027, nr. 95 Vraag 1 Bent u bekend met het rapport "Strategisch handelen. Beleid voor een geopolitieke economie" van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) van 25 augustus 2026, en met de constatering daarin dat de vitale afhankelijkheden van Europa niet kleiner worden maar eerder groter? Antwoord Ja. Vraag 2 Kunt u, los van de nog te verschijnen kabinetsreactie op dit rapport, aangeven hoe de Nederlandse en Europese afhankelijkheid op het gebied van kritieke grondstoffen en clean tech zich feitelijk heeft ontwikkeld sinds de vaststelling van de China-strategie en de strategie voor economische veiligheid? Kunt u dat met cijfers onderbouwen, en aangeven of die afhankelijkheid in absolute zin is toegenomen of afgenomen? Antwoord Of de risicovolle strategische afhankelijkheden zijn toe- of afgenomen sinds 2019 is moeilijk te zeggen gezien de complexiteit van deze waardeketens. De (mogelijke) consequenties die dit type afhankelijkheid met zich meebrengt zijn wel steeds duidelijker. Zo is de toename van het aantal exportcontrolemaatregelen van China op kritieke grondstoffen de afgelopen jaren zorgelijk. Nederlandse bedrijven hebben te maken met onzekerheid en vertragingen bij de levering van bepaalde essentiële componenten. In andere EU-lidstaten geven bedrijven ook dergelijke signalen af. Bepaalde grondstoffen, halffabricaten of componenten uit derde landen kunnen soms niet worden geleverd. Het is mogelijk dat industriële productie die belangrijk is voor onze welvaart en veiligheid daardoor stagneert. Tegelijkertijd blijkt uit een rapport van de Europese Rekenkamer dat we sinds het vaststellen van de Critical Raw Materials Act (CRMA) in 2023 als Europa te weinig voortgang boeken, en de afhankelijkheden onverminderd hoog blijven[voetnoot 1]. Het kabinet blijft zich derhalve onverminderd inzetten deze afhankelijkheden te mitigeren. Het volledig afbouwen van afhankelijkheden is niet realistisch. Vraag 3 Gegeven dat de WRR benadrukt dat Nederland scherper moet kiezen welke economische activiteiten strategisch relevant zijn, welke chemische ketens, basischemicaliën en verwerkingsstappen beschouwt het kabinet als strategisch relevant voor Nederland en Europa, en op basis van welke criteria wordt die keuze gemaakt? Antwoord Voor wat betreft chemische ketens, basischemicaliën en verwerkingsstappen kijkt het kabinet op zowel Europees als nationaal niveau naar strategische relevantie. Op Europees niveau worden binnen de Critical Chemicals Alliance strategische chemicaliën en productiesites geïdentificeerd en gewerkt aan maatregelen om de productie hiervan in Europa te behouden. Op nationaal niveau is onderzocht of en in welke mate onderdelen van de chemische sector kwetsbaar zijn en strategisch relevant. De resultaten kunnen op verzoek van de Kamer in een vertrouwelijke technische briefing worden toegelicht. Specifiek voor defensie is een studie uitgevoerd naar de rol van de chemie- en materialensector voor Defensie, en is een actieagenda opgesteld om strategisch relevante productiecapaciteit te behouden en te versterken. Deze Kabinetsaanpak chemie en materialen voor defensie is in mei 2026 met de Kamer gedeeld (Kamerstuk 27830- 490). Vraag 4 Deelt u de opvatting dat strategische autonomie niet alleen gaat over toegang tot kritieke grondstoffen, maar ook over de capaciteit om deze grondstoffen in Europa te raffineren, chemisch te verwerken en toe te passen in halfgeleiders, batterijen, defensietechnologie, medische producten en andere vitale waardeketens? Zo ja, welke beleidsconsequenties verbindt u daaraan? Antwoord Ja, die opvatting delen wij. De beleidsconsequentie die we hieraan verbinden is dat strategische projecten die de leveringszekerheid ten goede komen sneller uit de ontwikkelfase moeten komen. Het kabinet zet daarom in op het stimuleren en faciliteren van initiatieven in Nederland, complementair aan Europese strategische projecten. Voor verschillende kansrijke Nederlandse initiatieven wordt momenteel in kaart gebracht in hoeverre de business case sluitend is of kan worden gemaakt, welke bijdrage deze kunnen leveren aan de Europese en Nederlandse leveringszekerheid en welke rol daarbij mogelijk is voor de nationale overheid en publieke financiers, zoals Invest-NL en Invest International. Daarbij geldt dat we niet alles in Nederland en Europa kunnen en willen doen. Daarom ziet het kabinet ook diversificatie wereldwijd als belangrijke manier om minder strategisch afhankelijk te worden, terwijl we zo goed mogelijk gebruik blijven maken van comparatieve voordelen. Vraag 5 Wordt bij afbouw of verduurzaming van bestaande chemische productie expliciet getoetst of daarmee strategische afhankelijkheden ontstaan of toenemen? Zo ja, hoe gebeurt dat; zo nee, is het kabinet bereid zo’n strategische toets in te voeren? Antwoord Het kabinet stuurt niet op afbouw van productie, wel op ombouw (en opbouw) van de productie van fossiele naar duurzame brand- en grondstoffen. Analyses van risicovolle strategische afhankelijkheden is een onderdeel van het staande beleid van dit kabinet. In algemene zin leidt verduurzaming door diversificatie van grondstoffen en productieroutes tot minder risicovolle strategische afhankelijkheden. Daarom ziet het kabinet geen aanleiding om deze monitoring specifiek voor de verduurzaming van de chemische productie uit te breiden. De Europese inzet via de Critical Chemicals Alliance en het onderzoek naar strategische afhankelijkheden in de chemische sector wordt nader toegelicht in het antwoord op vraag 3. Vraag 6 Kunt u aangeven welk deel van het in Chili en Argentinië gewonnen lithium en koper in China wordt geraffineerd en verwerkt, en welk deel in de Europese Unie? Deelt u de constatering dat verwerking zich concentreert in China omdat de kosten daar kunstmatig laag worden gehouden, en niet omdat daar sprake is van een natuurlijk kostenvoordeel? Antwoord Cijfers van het Chileense overheidsagentschap CoChilco (Chilean Copper Commission) laten zien dat in 2025 3,8 miljoen ton koperconcentraat (ongesmolten en on-geraffineerd: 20-40% zuiverheidsgraad) werd geëxporteerd. Hiervan ging 67% richting China en 15% richting Japan. Slechts 6% van het koperconcentraat vindt zijn weg naar Europa.[voetnoot 2] Volgens een recent rapport van het Chileense Sub-Secretariaat Internationale Handel van het ministerie van Buitenlandse Zaken, ging van het gewonnen lithium in 2025 67% naar China, 22% naar Zuid-Korea en 5,6% naar Japan. Slechts 2,1% van het gewonnen lithium vond zijn weg naar Europa. Chili exporteert zijn lithium als lithiumcarbonaat en lithiumhydroxide. Bijna 100% wordt in Chili zelf geraffineerd tot deze chemische basisproducten.[voetnoot 3] Volgens het Argentijnse Secretariaat voor Mijnbouw was China in 2024 de belangrijkste afnemer van lithium (68%), gevolgd door de Verenigde Staten (14%), Zuid-Korea (10%), Japan (4%) en Duitsland (4%).[voetnoot 4] Hierbij gaat het om de export van lithiumcarbonaat en lithiumchloride. Koper vormt vooral een kans voor de toekomst: grote Argentijnse koperprojecten zijn nog in ontwikkeling en de autoriteiten verwachten dat de export vanaf 2029 aanzienlijk zal toenemen. Dat verwerking zich in een beperkt aantal landen concentreert komt deels door schaalvoordelen en deels door overheidssubsidies. Dit bemoeilijkt het opbouwen van alternatieve toeleveringsketens. Vraag 7 Kunt u aangeven wat de huidige status is van het EU-Mercosur-akkoord en het interimhandelsakkoord tussen de Europese Unie en Chili, en welke onderdelen daarvan op dit moment daadwerkelijk worden toegepast? Kunt u daarnaast per grondstoffenpartnerschap of memorandum dat de Europese Unie met Chili en Argentinië heeft gesloten aangeven welke concrete resultaten sinds inwerkingtreding zijn geboekt, uitgedrukt in investeringsbesluiten, gezamenlijke projecten of verwerkingscapaciteit die daadwerkelijk in aanbouw of in bedrijf is, en welke resultaten zijn uitgebleven? Antwoord Zoals aangegeven in de reguliere voortgangsrapportage handelsakkoorden,[voetnoot 5] heeft de Raad op 9 januari 2026 met gekwalificeerde meerderheid ingestemd met de ondertekening en voorlopige toepassing van het EU-Mercosur akkoord. Vervolgens is het akkoord op 17 januari 2026 ondertekend. Het Europees Parlement heeft het EU-Mercosur akkoord nog niet goedgekeurd, in afwachting van de adviesprocedure bij het Hof van Justitie van de EU. In lijn met motie Van der Burg c.s. en motie Erkens c.s. worden de handelsafspraken in de tussentijd sinds 1 mei 2026 voorlopig toegepast.[voetnoot 6] Voor wat betreft Chili, is de interim-handelsovereenkomst (iTA) sinds 1 februari 2025 in werking, en wordt de geavanceerde kaderovereenkomst (AFA) sinds 1 juni 2025 voorlopig toegepast voor wat betreft de onderdelen die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen en die niet via de iTA worden toegepast. Bepalingen over investeringsbescherming, consulaire bescherming en fiscale aangelegenheden zijn uitgesloten van voorlopige toepassing omdat deze onderdelen buiten de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen. Ratificatie door de EU-lidstaten is vereist alvorens deze bepalingen in werking kunnen treden. De vijftien grondstoffenpartnerschappen van de EU, waaronder die met Chili en Argentinië, zijn gericht op brede samenwerking op het gebied van kritieke grondstoffen. Daarbij gaat het onder meer om het identificeren van projecten in de waardeketen, samenwerking op het gebied van kennis en innovatie en verduurzaming van de sector. Voor het EU-Chili partnerschap geeft Nederland hier invulling aan via verschillende activiteiten. Zo werken het Nederlands Materialen Observatorium en Nederlandse universiteiten samen met Chileense universiteiten op biologisch afbreekbare oplosmiddelen in het hydrometallurgisch proces voor de extractie van kobalt en Rare Earth Elements (REE’s). Daarnaast steunt Nederland een Europa-brede studie, gebaseerd op aanbevelingen van CEPAL (VN-Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied), naar de duurzame ontwikkeling van lithium- en koperwaardeketens in de regio. Ook werkt TNO samen met het Nationaal Lithiuminstituut (INLiSa). Vraag 8 Hoeveel tijd verstrijkt gemiddeld tussen het sluiten van een dergelijke afspraak en het moment waarop daadwerkelijk in verwerkingscapaciteit wordt geïnvesteerd? Hoe verhoudt dat tempo zich tot de snelheid waarmee Chinese partijen in dezelfde landen tot investeringsbesluiten komen? Antwoord Er zijn geen gegevens beschikbaar over de gemiddelde doorlooptijd tussen het sluiten van een partnerschap en daadwerkelijke investeringsbesluiten in verwerkingscapaciteit. Een besluit om te investeren ligt uiteindelijk bij bedrijven. Daarnaast kost het diversifiëren van waardeketens naast investeringen ook tijd. Via de partnerschappen draagt de EU bij aan de randvoorwaarden voor het realiseren van diversificatie, zoals capaciteitsopbouw, verduurzaming en kennissamenwerking. De focus en het tempo van de samenwerking verschillen per land, afhankelijk van de aanwezige kritieke grondstoffen en lokale omstandigheden. De afgelopen jaren zijn er wel concrete stappen gezet in de samenwerking met bijvoorbeeld Chili. Zo is onder meer het Europese aardobservatieprogramma Copernicus beschikbaar gesteld aan Chili ter ondersteuning van efficiëntere en duurzamere lithiumwinning en is sprake van gezamenlijke EU-deelname aan grote mijnbouwbeurzen. Vraag 9 Herkent u het beeld, dat naar voren kwam tijdens het recente werkbezoek van de Kamerdelegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan Chili en Argentinië, dat deze landen de Europese Unie graag als derde partner naast de Verenigde Staten en China zouden zien, maar in de praktijk aanlopen tegen trage procedures, langdurige besluitvorming en een omvangrijk pakket aan voorwaarden? Zo nee, waarop baseert u dat? Antwoord Ik herken dit beeld. Ook uit het eerder genoemde rapport van de Europese Rekenkamer blijkt dat we sinds het vaststellen van de CRMA in 2023 als EU te weinig voortgang boeken.[voetnoot 7] Met het ResourceEU-pakket van december 2025, beoogt de Europese Commissie echter een versnelling aan te brengen in de CRMA. Een onderdeel van ResourceEU is het beter toegankelijk maken van financiering van strategische projecten. Ook wil de Commissie werken aan sterkere Europese coördinatie ten aanzien van investeringsstromen, data over waardeketens, gezamenlijke inkoop, en de opbouw van Europese strategische voorraden met oprichting van een Critical Raw Materials Centre. Tegelijkertijd hangt de vraag of er daadwerkelijk wordt geïnvesteerd in verwerkingscapaciteit niet alleen af van Europese procedures en besluitvorming. Het uitblijven van Europese investeringen hangt ook samen met het aantal bedrijven dat bereid is in deze landen te investeren en de technische kennis heeft, de beschikbaarheid van passende financiering en de onzekerheden in de markt. Hoewel de EU niet altijd met dezelfde snelheid kan optreden als andere spelers, is de EU toch een aantrekkelijke partner omdat er een grotere focus op wederzijdse belangen en lokale ontwikkeling is dan bij andere grote geopolitieke spelers. De mijnbouwsector is een complexe sector met veel sociale en milieurisico’s. Europese standaarden dragen bij aan duurzame grondstoffenwaardeketens. Dit is belangrijk voor het vergroten van leveringszekerheid doordat genoemde standaarden de risico’s op leveringsonderbrekingen verkleinen, investeringsbereidheid vergroten en lokaal draagvlak voor mijnbouwprojecten versterken. Vraag 10 Ligt Nederland op koers ten opzichte van de doelen uit de Critical Raw Materials Act? Welke strategische projecten op het gebied van raffinage en verwerking zijn in Nederland in voorbereiding of in uitvoering, en welke investeringsbesluiten zijn daarover het afgelopen jaar daadwerkelijk genomen? Antwoord De doelen uit de CRMA zijn ambitieuze en richtinggevende beleidsdoelen op EU-niveau. Zoals wij uw Kamer hebben geïnformeerd met de Kamerbrief Kabinetsinzet Nationale Grondstoffenstrategie van 7 juli 2026, zijn deze benchmarks niet nader uitgesplitst naar afzonderlijke grondstoffen of lidstaten. Nederland beschikt over sterke uitgangsposities, onder meer op het gebied van raffinage, recycling en logistiek. Zoals ook gesteld bij de beantwoording van vraag 4, wordt voor een aantal Nederlandse initiatieven momenteel in kaart gebracht in hoeverre de business case sluitend is of kan worden gemaakt, welke bijdrage deze kunnen leveren aan de Europese en Nederlandse leveringszekerheid en welke rol daarbij mogelijk is voor de nationale overheid en publieke financiers, zoals Invest-NL en Invest International. Vanwege commerciële vertrouwelijkheid, concurrentiegevoeligheid en het vroege stadium van verschillende trajecten, kunnen op dit moment geen bedrijfsnamen of nadere projectdetails openbaar worden gedeeld. Vraag 11 Hoeveel Europese handelsbeschermingsonderzoeken lopen er op dit moment die voor de Nederlandse industrie van belang zijn, en wat is de gemiddelde doorlooptijd tussen het indienen van een klacht en het opleggen van definitieve maatregelen? Deelt u de constatering dat maatregelen daardoor vaak te laat komen, zoals eerder gebeurde bij zonnepanelen, waar de Europese sector al was verdwenen op het moment dat de tarieven er kwamen? Antwoord De Europese Commissie heeft momenteel 22 nieuwe handelsdefensieve onderzoeken lopen. Dit betreft een combinatie van antidumping-, antisubsidie- en vrijwaringsonderzoeken. Daarnaast lopen er meerdere herzienings- en verlengingsonderzoeken van handelsdefensieve maatregelen die reeds van kracht zijn. Bij antidumpingonderzoeken besluit de Europese Commissie in beginsel binnen 45 dagen na indiening van een klacht over de opening van een onderzoek. Hierbij is ook de onderbouwing en kwaliteit van de klacht van groot belang. De Europese Commissie kan vervolgens bij antidumpingonderzoeken doorgaans na zeven tot acht maanden voorlopige maatregelen instellen, en definitieve maatregelen binnen dertien tot veertien maanden. De afgelopen jaren is er sprake van een toenemende vraag naar inzet van het handelsdefensief instrumentarium. Dat heeft geleid tot grote aantallen nieuwe onderzoeken en maatregelen, maar ook tot grotere werklast bij de Europese Commissie en daarmee vaak lange doorlooptijden. Het kabinet onderschrijft dat tijdige inzet van handelsdefensieve maatregelen van belang is voor de effectiviteit daarvan. Er bestaat ruimte voor verbetering van dit instrumentarium, evenals de strategische inzet ervan, om adequaat en effectief op te kunnen blijven treden tegen marktverstorende praktijken. Het kabinet zet zich hier in Europees verband dan ook nadrukkelijk voor in. Vraag 12 Welke instrumenten heeft Nederland zelf, los van de exclusief Europese bevoegdheid op het gebied van tarieven, om strategische afhankelijkheden te verkleinen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op aanbestedingsvoorwaarden, investeringstoetsing en de inzet van nationale middelen, en aangeven hoe vaak deze instrumenten de afgelopen twee jaar daadwerkelijk zijn toegepast? Antwoord Nederland beschikt over een aantal beleidsinstrumenten om risicovolle strategische afhankelijkheden te helpen ondervangen en mitigeren. De Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames is het juridische vangnet om transacties die een risico vormen voor de nationale veiligheid te toetsen en zo nodig maatregelen of in een uiterste geval een verbod op te leggen. Eén van de toetsingscriteria is het tegengaan van risicovolle strategische afhankelijkheden. Daarnaast bestaat er ook sectorale wetgeving, zoals de Energiewet, die ook de mogelijkheid biedt om specifieke risicovolle strategische afhankelijkheden tegen te gaan. Ook beschikt Nederland over de Wet beschikbaarheid goederen. Verder bestaat de mogelijkheid dat de overheid in uiterste gevallen een belang neemt in een onderneming indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de nationale veiligheid, waaronder het tegengaan risicovolle strategische afhankelijkheden. Het kabinet kan geen uitspraken doen over specifieke casuïstiek van de afgelopen twee jaar vanwege het vertrouwelijke karakter daarvan. Wat betreft kritieke grondstoffen, vormt de Nationale Grondstoffenstrategie het kader, waarbinnen ook aandacht is voor het van de grond krijgen van strategische projecten om de leveringszekerheid te versterken. Vraag 13 Bij welke Europese voorstellen voor steviger optreden op handelsgebied heeft Nederland het afgelopen jaar terughoudendheid bepleit, en op welke gronden? Bent u bereid die opstelling tegen het licht te houden nu de WRR concludeert dat niets doen eveneens een hoge prijs kent? Antwoord Zoals beschreven in de Minzet het kabinet in op een actief handelsbeleid. Zo sporen we de Europese Commissie aan tot het sluiten van nieuwe handels- en investeringsverdragen met derde landen, inclusief afspraken over toegang tot grondstoffen, omdat diversificatie van handelspartners onze weerbaarheid vergroot. Daarnaast bevorderen we een internationaal gelijk speelveld, het liefst in multilateraal kader, waar handelsmaatregelen tegen concurrentievervalsing en marktverstorende praktijken onderdeel van zijn. Nederland is dus juist niet terughoudend op handelsgebied, en stemt in EU-verband regelmatig vóór bescherming van de industrie. Hierbij vindt wel per geval een afweging plaats tussen de belangen van producenten, van importeurs of de verwerkende industrie en van de eindgebruikers, waaronder de consument. Uw Kamer zal separaat een kabinetsreactie op het genoemde WRR rapport ontvangen. Vraag 14 Welke gevolgen hebben de Chinese antidumpingheffingen op Europees varkensvlees en zuivel gehad voor de Nederlandse export, en hoe weegt het kabinet dit soort tegenmaatregelen mee bij zijn positiebepaling over toekomstige Europese maatregelen? Welke opvang is er voor sectoren die als vergelding worden geraakt? Antwoord Zoals reeds aangegeven in het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19 november 2025[voetnoot 8] betreurt het kabinet de instelling van antidumping- en antisubsidieheffingen tegen de Europese en dus ook Nederlandse varkens- en zuivelsector door China. Het kabinet is zich ervan bewust dat deze heffingen zwaarwegende gevolgen hebben voor sommige bedrijven. Omdat er meerdere factoren meespelen die de omzet van bedrijven bepalen, kan het kabinet, gezien de complexiteit hiervan, geen uitspraken doen over concrete economische gevolgen. Het kabinet zet zich daarom samen met de Europese Commissie ervoor in om de situatie te verbeteren. Zo hebben zowel de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking als de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hun zorgen over de heffingen uitgesproken tijdens de bezoeken aan China afgelopen juli en mei. Dit laat onverlet dat het kabinet niet overgaat tot compenserende maatregelen voor deze of andere sectoren die te maken krijgen met antidumping- of antisubsidieheffingen. Het kabinet zal, zoals gebruikelijk, voorstellen voor nieuwe Europese maatregelen op hun eigen merites beoordelen en daarbij een zorgvuldige afweging maken tussen de betrokken belangen, waaronder die van producenten, verwerkers en eindgebruikers. Vraag 15 Hoe weegt het kabinet de recente escalatie van het handelsconflict tussen de Verenigde Staten en Canada, en de oproep van premier Carney tot samenwerking tussen middenmachten? Welke concrete stappen zet Nederland richting landen als Canada, Japan, Zuid-Korea en de Zuid-Amerikaanse grondstoffenlanden? Antwoord Voor Nederland is het van belang dat internationale handelsregels gerespecteerd en nageleefd worden, aangezien dit voor stabiliteit en voorspelbaarheid in onze handelsrelaties zorgt. Om die internationale handelsregels te bestendigen versterkt Nederland, via de EU, ook de samenwerking met andere landen, waaronder nadrukkelijk ook middenmachten. Concreet werkt Nederland al op verschillende manieren samen met een aantal van de genoemde grondstoffenlanden. Zo is er met ZuidKorea sinds 2023 een jaarlijks bilaterale dialoog over ketenmonitoring van kritieke grondstoffen. Met de Canadese provincie Québec bestaat sinds 2025 een brede samenwerking op het gebied van waardeketenintegratie, onderzoek en circulariteit. Verder wordt met Chili samengewerkt onder het EU-Chili Memorandum of Understanding (MoU) op kritieke grondstoffen, zie voor meer informatie hierover het antwoord op vraag 7. Zoals toegelicht in de Kamerbrief Kabinetsinzet Nationale Grondstoffenstrategie die uw Kamer op 7 juli jl. heeft ontvangen, hebben de bilaterale partnerschappen die Nederland heeft opgezet slechts beperkt resultaat gehad. Het kabinet zal daarom de focus leggen op prioritaire ketens en samenwerking in coalitieverband om meer impact te hebben op de diversificatie van grondstoffenketens. Vraag 16 Wanneer ontvangt de Kamer de kabinetsreactie op het WRR-rapport, en kunt u toezeggen dat deze voor de begrotingsbehandeling naar de Kamer komt? Antwoord We streven ernaar om de kabinetsreactie zo vroeg mogelijk in 2027 aan uw Kamer te sturen. Dit is ook een gebruikelijke reactietermijn voor een WRR-rapport. De WRR heeft een belangrijk rapport geschreven waarbij fundamentele vragen worden gesteld over het handels- en industriebeleid. Vraag 17 Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden, en daarbij niet volstaan met een verwijzing naar de nog te verschijnen kabinetsreactie, aangezien de vragen zien op feiten en op de uitvoering van staand beleid? Antwoord Ja. Zie https://www.eca.europa.eu/en/publications?ref=SR-2026-04. Comisión Chilena del Cobre (COCHILCO). (2026). Base de Datos Anuario de Estadísticas Cochilco 2025. Subsecretaría de Relaciones Económicas Internacionales (SUBREI), 4° Informe sobre el mercado del litio: una perspectiva desde el comercio internacional, Ministerie van Buitenlandse Zaken van Chili, juni 2026. Secretaría de Minería de la República Argentina. (2025). Exportaciones mineras en Argentina. Uw Kamer ontvangt een voortgangsrapportage handelsakkoorden als bijlage bij de Geannoteerde Agenda voor een Raad Buitenlandse Zaken Handel. Het kabinet heeft conform motie Van der Burg c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3309) in de Raad ingestemd met het besluit tot ondertekening en voorlopige toepassing van het EU-Mercosur akkoord en zet zich in voor de inwerkingtreding van het akkoord. Ook heeft het kabinet conform motie Erkens c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2374) steun uitgesproken voor de voorlopige toepassing van het akkoord. Zie https://www.eca.europa.eu/en/publications?ref=SR-2026-04. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel 687

Versie 92369097f23cafdf23cc33677e36d04d6078454fb7db9b94f615264c6b4bbc44 · Officiële bron.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · cc34d72864a0db3d

13 okt 2026 · cf8865d1907b8b59

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.