Stand van zaken moties en toezeggingen Jeugd en aanbieding van rapporten
Brontekst
Versie e772b5b266156485 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 839JeugdzorgNr. 1145 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN VOLKSGE-ZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 december 2025Met deze brief ontvangt u de stand van zaken op een aantal moties entoezeggingen op het terrein van Jeugd. Achtereenvolgens gaan wij indeze brief in op de moties die raken aan de Hervormingsagenda Jeugd(bijlage 1), overige moties (bijlage 2) en de aanbieding van enkelerapporten (eventueel inclusief beleidsreactie, bijlage 3).De Hervormingsagenda Jeugd heeft als doel om te voorkomen datjeugdzorg nodig is, het verbeteren van de (kwaliteit van) jeugdzorg en hetstelsel (financieel) houdbaar maken voor de toekomst.Daarbij gelden deze vijf hoofdelementen:1.Ouderschap versterken met behulp van een sterke sociaal pedagogi-sche basis lokaal.2.Ondersteuning en (collectieve) hulp voor lichte opvoed-/jeugdhulpvragen door stevige lokale (multidisciplinaire) teams.3.Beter toegankelijk maken van aanvullende (specialistische) jeugdhulpvoor jeugd en hun gezin in meest kwetsbare situaties door duidelijkeronderscheid licht en complex én regionale inkoop.4.Minder uithuisplaatsingen en minder gesloten jeugdhulp door o.a.synergie met Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming.5.Algemene verbetering van kwaliteit van de jeugdzorg door o.a.vergroten van kennis, kortere trajectduur en niet inzetten niet-effectieve zorg.Afgelopen maanden zijn er wederom stappen gezet in de uitvoering vande Hervormingsagenda Jeugd:–Een belangrijke mijlpaal in het kader van het creëren van stevige lokaleteams die zelf hulp bieden, zijn de afspraken die gemeenten, hetMinisterie van VWS, de Landelijke Vereniging voor Huisartsen (LHV) ende jeugdartsen hebben gemaakt om de samenwerking tussengemeenten en huisartsen rondom jeugdhulp te verbeteren. De kst-31839-1145ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11451 afspraken gaan o.a. onderdeel uitmaken van de vernieuwde leidraad«samenwerking huisartsen en gemeenten rond jeugd» en een deel vande afspraken loopt mee in het wetsvoorstel reikwijdte.–Een andere belangrijke stap is dat de Eerste Kamer heeft ingestemdmet het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, die (oponderdelen) per 1 januari 2026 in werking treedt. Deze wet heeft ondermeer als doel om het opdrachtgeverschap van gemeenten en hetopdrachtnemerschap van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerdeinstellingen (GI’s) te verstevigen en daarmee bij te dragen aan eenverbeterde beschikbaarheid van de specialistische jeugdzorg (lijn 3).De nieuwe rol voor de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) geeftbovendien meer inzicht in hoe de beschikbaarheid van jeugdzorg zichontwikkelt, en er kunnen risico’s met betrekking tot de beschikbaarheidvan specialistische jeugdzorg vroegtijdig in beeld worden gebracht.Gemeenten hebben nog tot 1 januari 2027 de tijd om zich voor tebereiden op de verplichte regionale samenwerking, en een groot deelvan hen is nu al voortvarend aan de slag. Wij roepen alle gemeentenop om – vooruitlopend op de inwerkingtreding van de verplichteregionale samenwerking – samen te werken en al zo veel als mogelijkte werken conform de geest van de wet.–In het kader van het verbeteren van de kwaliteit is het verschijnen vande Leeragenda van het Netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) op10 december jl. een belangrijke mijlpaal. Deze leeragenda geeft aanalle partners in de jeugdhulp focus en richting voor het gezamenlijkleren, verbeteren en vernieuwen.In januari ontvangt u in aanloop naar het wetgevingsoverleg (WGO)Jeugd een brief waarin wij uitgebreider zullen ingaan op lopendeonderdelen van de Hervormingsagenda Jeugd en andere actuelebeleidsontwikkelingen rondom jeugdzorg.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,Judith Zs.C.M. TielenDe Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,A.C.L. RutteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11452 – Stand van zaken moties Hervormingsagenda Jeugd enopvolging rapport deskundigencommissie Van ArkSinds 2023 wordt door partijen uitvoering gegeven aan de Hervormings-agenda Jeugd om te voorkomen dat jeugdzorg nodig is, om de (kwaliteitvan) jeugdzorg te verbeteren en om het stelsel financieel houdbaar temaken voor de toekomst. Onderstaand gaan wij in op de moties dieingaan op de Hervormingsagenda. Het betreffen de volgende moties diede Hervormingsagenda in algemene zin raken:•Motie van het lid Westerveld (GL-PvdA) over aangeven hoe deadviezen uit hoofdstuk 4 van het rapport van dedeskundigencommissie-Van Ark worden opgevolgd.•Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over prioriteit gevenaan een reactie op het rapport Groeipijn.•Motie Moonen (D66) c.s. over een concrete en langjarige financiëlestrategie voor de jeugdzorg.•Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het opzettenvan een platform waar ervaringsdeskundigen op het gebied vanjeugdbeleid kunnen bijdragen aan beleidsvorming en beleidsevaluatie.•Motie van de leden Westerveld (GL-PvdA) en Verkuijlen (VVD) over deinformatie uit de leefwereldtoets verplicht meenemen in het beleid.•Motie van het lid Bruyning (NSC) over de visie uit de programma’sHervormingsagenda Jeugd en Toekomstscenario kind- en gezinsbe-scherming laten aansluiten bij de behoeften en uitdagingen van dedoelgroep.•Motie Westerveld (GL-PvdA) over onderbouwing extra bezuinigingenop de jeugdzorg vanaf 2028 cijfermatig en naar het advies van Van Arkin kaart te brengen of deze reëel, meetbaar en haalbaar zijn voorbegrotingsbehandeling voor het jaar 2026.Daarnaast zijn er moties aangenomen en een toezegging gedaan die gaanover of raken aan de uitwerking van specifieke maatregelen onder deHervormingsagenda:•Motie Westerveld (GL-PvdA) over bij uitwerking van het wetsvoorstelover de reikwijdte van jeugdhulp de inhoud als uitgangspunt nemen inplaats van de bezuinigingsdoelstellingen.•Motie van de leden Dobbe (SP) en Synhaeve (D66) over samen metjeugdhulpmedewerkers, jeugdhulpaanbieders en gemeenten uniformetoetsingskaders voor jeugdhulpaanbieders opstellen.•De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport zegt toe eind 2025 uwKamer te informeren over de resultaten van het onderzoek bijgemeenten naar de ondersteuning voor jeugdigen met een levens-lange en levensbrede ondersteunings- en zorgvraag.Motie van het lid Westerveld (GL-PvdA) over aangeven hoe de adviezenuit hoofdstuk 4 van het rapport van de deskundigencommissie-Van Arkworden opgevolgd1enMotie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over prioriteit gevenaan een reactie op het rapport Groeipijn2Met haar motie verzoekt het lid Westerveld de regering om voor debegrotingsbehandeling voor het jaar 2026 de Kamer te informeren overhoe de adviezen uit hoofdstuk 4 van het rapport van de Deskundigencom-missie Hervormingsagenda Jeugd zullen worden opgevolgd. De motie1Kamerstukken II 2024/2025, 31 839, nr. 10812Kamerstukken II 2024/2025, 31 839, nr. 1086Bijlage 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11453 van de leden Bruyning en Ceder roept de regering op prioriteit te gevenaan de kabinetsreactie en de coördinatie tussen de ministeries teversnellen. Uw Kamer ontvangt voorafgaand aan het geplande WGO vanons een uitgebreidere voortgangsbrief met daarin de wijze waarop wijomgaan met de adviezen.Motie Moonen (D66) c.s. over een concrete en langjarige financiëlestrategie voor de jeugdzorg3Inzake de motie Moonen over een concrete en langjarige financiëlestrategie willen wij graag aangeven dat deze strategie besloten ligt in deHervormingsagenda Jeugd. In de Hervormingsagenda zijn met debetrokken partijen afspraken gemaakt over de maatregelen die wegezamenlijk gaan uitvoeren, die moeten leiden tot het voorkomen datjeugdzorg nodig is, het verbeteren van jeugdzorg en het komen tot eenfinancieel houdbaar stelsel. Aanvullend hebben Rijk en VNG specifiekefinanciële afspraken gemaakt in de Hervormingsagenda. De Hervormings-agenda bevat daarmee de langjarige financiële strategie, alsmede definanciële doelstelling.Daarbij hebben we afgesproken om gedurende dit proces van hervor-mingen de ontwikkelingen met elkaar te blijven monitoren en bij te sturenwaar nodig. De adviezen van de Deskundigencommissie, o.l.v. Tamara vanArk, ondersteunen dit proces. Op basis van dit advies zijn het afgelopenjaar aanvullende afspraken gemaakt, zowel financieel als inhoudelijk. Demiddelen die afgelopen voorjaar en afgelopen zomer aanvullendbeschikbaar zijn gesteld aan gemeenten (€ 3,7 miljard) dienen in het lichtvan deze bredere afspraken gezien te worden. Met de aanvullendemiddelen zijn de financiële reeksen geactualiseerd. Daarnaast is hetministerie in het kader van het versterken van de Hervormingsagenda ookbezig de inhoudelijke afspraken te intensiveren in een zogenaamderoutekaart.Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het opzetten vaneen platform waar ervaringsdeskundigen op het gebied van jeugdbeleidkunnen bijdragen aan beleidsvorming en beleidsevaluatie4Het kabinet onderschrijft de meerwaarde van ervaringsdeskundigheid inhet jeugdbeleid. Ervaringsdeskundigen worden structureel betrokken bijde uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd, onder meer viadeelname aan overlegstructuren en de inzet van de Leefwereldtoets,waarmee inbreng van jongeren en ouders wordt opgehaald en de effectenvan beleid op hun leefwereld worden gevolgd. Daarnaast hebbenervaringsdeskundigen een vaste plek bij de transformatie van geslotenjeugdhulp en het onderwijs. Via subsidie aan stichting ExpEx wordt hunbetrokkenheid geborgd en kunnen signalen uit de praktijk en beleidsvoor-nemens worden ingebracht en getoetst. Interdepartementaal wordt,samen met jongeren, gewerkt aan de nationale jeugdstrategie waarbij wede randvoorwaarden voor betekenisvolle jongerenparticipatie beschrijven,met aandacht voor diverse vertegenwoordiging. Voor een structureelplatform is geen financiële dekking. Met deze beantwoording wordt demotie als afgedaan beschouwd.3Kamerstukken I 2025/2026, 36 546, E4Kamerstukken II 2024/2025, 31 839, nr. 1046Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11454 Motie van de leden Westerveld (GL-PvdA) en Verkuijlen (VVD) over deinformatie uit de leefwereldtoets verplicht meenemen in het beleid5De motie van de leden Westerveld (Gl/PvdA) en Verkuijlen (VVD) verzoektde regering om de informatie uit de leefwereldtoets verplicht mee tenemen in het beleid en terug te koppelen aan de jongeren en de Kamerwat ermee is gedaan.De Leefwereldtoets is bedoeld om bij beleidsvoornemens input op tehalen van jeugdigen en opvoeders of de ingevoerde veranderingendaadwerkelijk leiden tot zichtbare verbeteringen. De afgelopen periodehebben er drie toetsen plaatsgevonden: één in het kader van reikwijdte entwee in het kader van de gesloten jeugdhulp.In het kader van het wetsvoorstel reikwijdte heeft het Ministerie van VWShet OZJ gevraagd onderzoek te doen naar wat jongeren nodig hebben omzich goed te voelen en hun dromen te bereiken. Het doel was omaanknopingspunten op te halen voor voorzieningen die (lokaal) rondomjeugdigen aanwezig moeten zijn om zonder jeugdhulp te kunnenopgroeien. De uitkomst van deze leefwereldtoets bevestigt het belang vaneen goede pedagogische basis en het werken met stevige lokale teams,onderdelen die (naar verwachting) een plek krijgen in het wetsvoorstelreikwijdte. Voor de overige suggesties geldt dat deze mooi aansluiten bijeen aantal lopende trajecten. Zo sluit JIM-pact mooi aan bij de suggestieom meer te gaan werken met informele steunfiguren, dragen hetstagepact mbo 2023–2027 van het Ministerie van OCW en mediacam-pagnes zoals Geldfit en het Jongeren perspectief Fonds eraan bij datjongeren concrete, praktische ondersteuning krijgen op het gebied vanbestaanszekerheid en stimuleert PRAATPOWER partijen om met jongerenin gesprek te gaan met jongeren over mentale gezondheid. Het vormt eenbevestiging van het reeds in gang gezette beleid. De input uit de leefwe-reldtoets wordt betrokken bij de dialoogsessies rond de internetconsul-tatie van het wetsvoorstel reikwijdte.De andere twee leefwereldtoetsen hadden betrekking op de geslotenjeugdhulp. De eerste leefwereldtoets richtte zich op de nieuwe wetverbetering rechtspositie gesloten jeugdhulp die sinds 2024 van kracht is,de tweede op het versterken van structurele inspraak in de geslotenjeugdzorg. In dit kader is zowel met jongeren als met medewerkersgesproken.Hoewel afzonderlijk onderzocht, bleken deze thema’s in de praktijk sterkmet elkaar verbonden en de uitkomsten zijn daarom in samenhang bezienen besproken in de stuurgroep Hervormingsagenda. Afgesproken is datKBL, samen met de NJR en een ervaringsdeskundige professional metdiverse jeugdhulporganisaties in gesprek gaan over vrijheidsbeperkingconform de werkwijze van de leefwereldtoets. Hierbij wordt met elkaaruitgediept hoe de betreffende organisatie hiermee omgaat en welke(verbeter)acties nodig zijn. Hiervoor wordt verbinding gezocht met hetreeds lopende Fly on the Wall project binnen het consortium Kleinscha-ligheid waarbij ervaringsdeskundigen als onderzoeker verbeteradviezenagenderen richting zorgaanbieders. Aanpassing van Rijksbeleid is n.a.v.deze leefwereldtoetsen niet nodig.Bij volgende leefwereldtoetsen zal goed worden gekeken naar waar envoor wie de toets toegevoegde waarde heeft en zullen zo concreetmogelijke vragen worden meegegeven. Hiermee kan de impact van detoetsen verder worden vergroot.5Kamerstukken II 2022/2023, 31 839, nr. 965Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11455 Motie van het lid Bruyning (NSC) over de visie uit de programma’sHervormingsagenda Jeugd en Toekomstscenario kind- en gezinsbe-scherming laten aansluiten bij de behoeften en uitdagingen van dedoelgroep6De motie van het lid Bruyning roept op om de samenwerking ensamenhang tussen het Toekomstscenario en de Hervormingsagenda teintensiveren, de activiteiten regelmatig te evalueren en de visie van dezetrajecten te laten aansluiten bij de actuele behoeften en uitdagingen vande doelgroep. De afgelopen periode hebben diverse gesprekken hieroverplaatsgevonden. Vanuit de inhoudelijke verbinding ligt prioriteit (door hetverkennen van de mogelijkheden) bij de volgende thema’s: het versterkenvan de lokale teams, het versterken van de regionale samenwerking enhet verbeteren van de kwaliteit van de hulpverlening:•Versterken lokale teams – vanuit de Hervormingsagenda is de opdrachtdat elke gemeente een stevig lokaal team heeft. Dat betekent dat eenlokaal team toegankelijk is en stevig verankerd in de leefwereld vankinderen en volwassen, zelf jeugdhulp en ondersteuning biedt, maarook andere hulp op maat erbij haalt. Vanuit het Toekomstscenariowordt ook gewerkt aan gezinsgerichte stevige lokale teams dievraagstukken op het gebied van veiligheid kunnen oppakken. Dezetwee opdrachten willen we meer met elkaar integreren, zodatgemeenten een duidelijke opdracht ontvangen waar lokale teams aanmoeten kunnen voldoen. Zo heeft de VNG (vanuit de Hervormings-agenda Jeugd) de afgelopen periode met een veelheid aan betrokkenpartijen (waaronder VWS, OCW, SZW, gemeenten, brancheorganisa-ties, beroepsverenigingen, clientorganisaties en de associatiewijkteams) gewerkt aan het convenant stevige lokale teams. Ditconvenant bevat afspraken met de belangrijkste partijen over watnodig is en wat ze van elkaar mogen verwachten om lokale teams tedoen slagen. Het convenant legt de verbinding met het Toekomstsce-nario. Dit convenant wordt naar verwachting begin 2026 ondertekenddoor alle betrokken partijen.•Versterken regionale samenwerking – vanuit de Hervormingsagendawordt uitgegaan van 41 regio’s en vanuit het Toekomstscenario 25regio’s (veiligheidsregio’s). Het is belangrijk om ervoor te zorgen datdeze regionale indelingen goed op elkaar zijn aangesloten en partijenop de verschillende niveaus goed samenwerken, zodat de gezinnen dejuiste hulp ontvangen. Onderdeel van de regionale samenwerking inhet kader van de Hervormingsagenda is dat gemeenteraden regiovi-sies moeten opstellen, met als doel te bevorderen dat er een toerei-kend aanbod is van specialistische jeugdzorg. In de regiovisie moetook aandacht zijn voor de aanpak van wachttijden, maximaal aan-vaardbare wachttijden en de inzet van schaarse jeugdhulpvormen. Datbij het opstellen van de regiovisies ook wordt gesproken met de GI’sen er specifiek aandacht is voor de groep kinderen die in het kader vaneen kinderbeschermingsmaatregel en/of onveiligheid jeugdhulp nodighebben is vanzelfsprekend.•Verbeteren kwaliteit hulpverlening – De Hervormingsagenda heeft«Kwaliteit en Blijvend leren». Het Toekomstscenario heeft Kennis enLeerinfrastructuur. We proberen deze beide trajecten zo goed mogelijkop elkaar te laten aansluiten en te versterken.Mogelijk komen er in de toekomst meer thema’s bij. Dit is ook afhankelijkvan het verdere verloop van het Toekomstscenario dat verder wordtontwikkeld in 10 proeftuinen (vanuit de praktijk) en de veranderstrategie.De veranderstrategie wordt met alle partners ontwikkeld en is in februariop hoofdlijnen klaar. Daarbij is het van belang om ook in het oog te6Kamerstukken II 2024/2025, 31 839, nr. 1045Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11456 houden dat het Toekomstscenario zich richt op veiligheidsproblematiekvan 0 tot 100, terwijl de Hervormingsagenda zich richt op jeugdigen. Datmaakt op onderdelen volledig opgaan of samenvoegen ingewikkeld ensoms ook niet mogelijk. Ondertussen wordt ook – waar nodig – deverbinding gelegd met andere trajecten, zoals het ActieprogrammaMentale gezondheid, het netwerk Zorg-Straf en IZA/AZWA.N.a.v. de oproep om aan te sluiten bij de behoeften van de doelgroepvinden wij het belangrijk te melden dat in het kader van de Hervormings-agenda (vertegenwoordigers van) jongeren, ervaringsdeskundigen enouders (kunnen) aansluiten bij relevante overleggen. Op deze manierkunnen zij direct hun inbreng leveren en kan zoveel mogelijk wordenaangesloten bij hun behoeften en de uitdagingen waar zij tegenaan lopen.In het kader van het Toekomstscenario zijn ervaringsdeskundigenbetrokken bij zowel het landelijk programmateam als in proeftuinen enregio’s. Ook is een meedenkgroep van professionals betrokken die inverschillende landelijke projecten het praktijkperspectief inbrengen.Motie Westerveld (GL-PvdA) over onderbouwing extra bezuinigingen opde jeugdzorg vanaf 2028 cijfermatig en naar het advies van Van Ark inkaart te brengen of deze reëel, meetbaar en haalbaar zijn voor begrotings-behandeling voor het jaar 20267In 2025 heeft het kabinet aanvullende middelen beschikbaar gesteld voorjeugdzorg en de terugval in het gemeentefonds: € 3 mld. bij deVoorjaarsnota en nog eens € 728 mln. bij de Miljoenennota. Daarnaastzijn in de Voorjaarsnota aanvullende maatregelen afgesproken die vanaf2028 zijn ingeboekt: trajectduur (€ 68 mln.), indexatie besparingsopgaveHA (€ 507 mln.) en eigen bijdrage (€ 260 mln.).TrajectduurWat betreft trajectduur is in de Voorjaarsnota 2025 afgesproken dat Rijk engemeenten met de sector afspraken gaan maken over hoe er betergestuurd kan worden op trajectduur en zorgintensiteit door o.a. temonitoren en te benchmarken, met de sector afspraken te maken overtrajectduur aan de voorkant, supervisie gericht op afronding en meer inzetinformele steunfiguren. In 2023 heeft AEF een verkenning uitgevoerd naarhet verminderen van de behandelduur in de jeugdzorg en heeft verschil-lende maatregelen gekwantificeerd. Deze maatregelen raken aan ofoverlappen met elkaar en/of de eerder gemaakte afspraken. In deVoorjaarsnota is € 68 mln. als besparingsopgave opgenomen.Indexeren besparingsopgaveDe besparingsopgave van de Hervormingsagenda is in prijs- envolumepeil 2019 ingeboekt. De uitgaven zijn sindsdien met een factor vanbijna 1,5 gestegen: van € 5,4 mld. in 2019 naar een prognose van € 8,1mld. in 2024. Deze factor is gebruikt om de besparingsopgave van deHervormingsagenda te herijken. Om te borgen dat deze besparings-opgave wordt gehaald zijn met de VNG afspraken gemaakt over hetversterken van de beheers- en inhoudelijke maatregelen uit de Hervor-mingsagenda.7Kamerstukken II 2024/2025, 31 839, nr. 1083Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11457 Eigen bijdrageHet wetsvoorstel wordt op dit moment met de grootst mogelijkezorgvuldigheid uitgewerkt, met oog voor kwetsbare gezinnen en kinderen.Naar verwachting zal het wetsvoorstel in januari 2027 bij de Kamerworden ingediend.Bij de bepaling van het besparingsbedrag is gekeken naar de eerderberekende bandbreedte in het rapport Stelsel in Groei (2020). Voor demaximale variant van een inkomensafhankelijke bijdrage werd in ditrapport een besparing van 0,8 tot 1,2 miljard euro verwacht. Op basis vande vormgeving in dit onderzoek zijn aanvullende berekeningen gemaaktvoor verschillende opties van een eigen bijdrage, die variëren in de matevan inkomensafhankelijkheid en de vormen van jeugdhulp waarvoor welen geen eigen bijdrage geldt. Daarbij is gebruik gemaakt van aanvullendecijfers van het CBS over inkomens en vermogens van gezinnen diegebruik maken van jeugdhulp, van recente onderzoeken naar de landelijkkosten van jeugdhulp en van wetenschappelijke literatuur over de effectenvan eigen bijdragen op het gebruik van (jeugd)zorg. Ook is rekeninggehouden met samenloop met de besparingsopgave van andere trajectenzoals de HA, die de potentiële opbrengst van een eigen bijdrage vermin-deren, en met uitvoeringskosten.Op dit moment wordt de vormgeving van de eigen bijdrage naderuitgewerkt ten behoeve van het in te dienen wetsvoorstel. De keuzes dieworden gemaakt ten aanzien van de reikwijdte van de eigen bijdrage envan de mate van inkomens- en vermogensafhankelijkheid zullen wordentoegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Uiteraard ishierbij oog voor kwetsbare gezinnen en kinderen.Daarnaast zijn er moties aangenomen die gaan over de uitwerking vanspecifieke maatregelen onder de Hervormingsagenda:Motie Westerveld (GL-PvdA) over bij uitwerking van het wetsvoorstel overde reikwijdte van jeugdhulp de inhoud als uitgangspunt nemen in plaatsvan de bezuinigingsdoelstellingen8De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, heeft toegezegd hetwetsvoorstel reikwijdte in 2026 aan te bieden aan uw Kamer (toezegging12202) en bij de uitwerking de inhoud als uitgangspunt te nemen in plaatsvan de bezuinigingsdoelstelling. De uitwerking van het wetsvoorstel enaanpalende onderwerpen ten aanzien van het thema reikwijdte is in vollegang. Er vinden intensieve gesprekken plaats met het veld en andereexperts om het wetsvoorstel aan te laten sluiten bij de beoogde doelen enwaar mogelijk aan te scherpen ten aanzien van de beoogde daling van hetgebruik van individuele jeugdhulp. In dit proces staan inhoud enzorgvuldigheid voorop. Het streven is om te komen tot een voorstel datinhoudelijk bijdraagt aan de beoogde doelen en voldoende draagvlakheeft in het veld om tot effectieve uitvoering te kunnen komen.Het wetsvoorstel staat niet op zichzelf maar is onderdeel van een brederepallet aan maatregelen gericht op het verminderen van de behoefte aanjeugdhulp. Het draagt bij aan een sterke pedagogische basis, stevigelokale teams en het terugdringen van aanvullende (specialistische)jeugdhulp. (Pedagogische) basisvoorzieningen, basishulp (vrij toeganke-lijke jeugdhulp) en aanvullende jeugdhulp worden in de Jeugdwetduidelijker onderscheiden. Ook wordt het uitgangspunt verankerd dataanvullende hulp alleen wordt ingezet wanneer dat nodig is en dat8Kamerstukken II 2024//2025, 31 839, nr. 1082Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11458 basishulp voorliggend is aan aanvullende jeugdhulp. Er wordt ingezet opeen sterke eerste lijn. Daarom is onderdeel van het wetsvoorstel datiedere gemeente verplicht een stevig lokaal team heeft, waar inwonerslaagdrempelig terecht kunnen met hun opgroei-, opvoedvragen en vragenover mentale gezondheid. Het lokale team dient ook zelf basishulp tebieden. We streven ernaar het wetsvoorstel inclusief aanscherpingen zospoedig mogelijk in consultatie te brengen, het streven is begin volgendjaar.De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport zegt toe eind 2025 uwKamer te informeren over de resultaten van het onderzoek bij gemeentennaar de ondersteuning voor jeugdigen met een levenslange en levens-brede ondersteunings- en zorgvraag.Het onderzoek bij gemeenten naar de ondersteuning voor jeugdigen meteen levenslange en levensbrede ondersteunings- en zorgvraag bevindtzich in de afrondende fase. Over de uitkomsten wordt u nader geïnfor-meerd.Motie van de leden Dobbe (SP) en Synhaeve (D66) over samen metjeugdhulpmedewerkers, jeugdhulpaanbieders en gemeenten uniformetoetsingskaders voor jeugdhulpaanbieders opstellen9Naar aanleiding van deze motie is recent een onderzoek uitgevoerd doorA-INSIGHTS om de data-uitvragen van gemeenten in kaart te brengen enop basis daarvan te beoordelen of standaardisatie wenselijk en haalbaar isen hoe deze kan worden vormgegeven. De aanbevelingen en bevindingenvan het onderzoek worden de komende periode nader verkend, waarbijo.a. wordt gekeken waar overlap zit of aansluiting gezocht kan worden bijlopende trajecten (zoals het ontwikkelen van een standaard kostprijsbere-kening en uniforme uitvraag van outcome-indicatoren). Dit onderzoekwordt met het onderzoek «productstructuur» in bijlage 3 verder toegelichten meegezonden als bijlage bij deze brief.9Kamerstukken II 2023/2024, 36 410 XVI, nr. 100Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11459 – Overige moties en toezeggingenOok op andere onderwerpen op het terrein Jeugd is voortgang te meldenop de uitvoering van enkele moties en toezeggingen. Onderstaand gaanwij in op:•Onafhankelijk onderzoek naar de ZIKOS-afdelingen.•Voortgang erkenningstraject gesloten jeugdhulp incl. ZIKOS.•Motie Perin-Gopie (Volt) c.s. over standaard toepassen van deKinderrechtentoets bij wetsvoorstellen over jeugdzorg.•Motie Westerveld (GL-PvdA) over het zorgen dat er uiterlijk over eenjaar geen tekortkomingen meer zijn waarbij kinderrechten wordengeschonden en de Kamer proactief te informeren als dit niet lukt.•Motie van de leden Stoffer (SGP) en Ceder (CU) over maatregelen omuitholling van het recht op keuzevrijheid en identiteitsgebondenjeugdzorg tegen te gaan.•Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het verbeterenvan de jeugdzorginfrastructuur op Bonaire, Saba en Sint Eustatius(hierna: BES) en het harmoniseren van de rechtspositie van jongerenbij strafzittingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden.•Toezegging om het Nederlands Jeugdinstituut (hierna: NJI) te vragenom beschikbare kennis, praktijkervaring en ervaringsdeskundigheidover toegepaste gedragsanalyse (hierna: ABA) bij elkaar te brengen ende bevindingen te delen.•Motie van den Hil (VVD) c.s. over het samen met gemeenten enValente verkennen welke knelpunten en oplossingen te formuleren zijnvoor kinderen die met hun ouder in een opvanghuis verblijven.•De motie van de leden Bruyning (NSC) en Tielen (VVD) over onderzoeknaar fraude met valse ervaringscertificaten binnen het SKJ-registerOnafhankelijk onderzoek naar de ZIKOS-afdelingenEerder is u toegezegd de aanbeveling uit het rapport «Eenzaam gesloten»van Jason Bhugwandass over te nemen om onafhankelijk onderzoek tedoen naar de ZIKOS-afdelingen.10 Vervolgens bent u geïnformeerd in devoortgangsbrief jeugd van november 2024 dat dit onderzoek vraagt omzorgvuldigheid en het omvangrijker bleek dan aanvankelijk voorzien enmoest worden aanbesteed.11Helaas moet de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport u nu meldendat het niet mogelijk blijkt om het toegezegde onderzoek naar deZIKOS-afdelingen goed uit te voeren. Na het rapport «Eenzaam gesloten»van Jason Bhugwandass en naast het onderzoek van de inspectie en hetzelfonderzoek dat de voormalig ZIKOS-instellingen hebben gedaan, washet de bedoeling met onafhankelijk onderzoek rode draden op te halenom daar beleidsmatig van te leren. Naast studie van beleidsstukken,richtlijnen en protocollen vormen de dossiers daarvoor een belangrijkebron van informatie. De onafhankelijk onderzoekers gaven aan dat hetmogelijk is dossieronderzoek te doen met privacy-waarborgen, en dat ditkan zonder expliciete toestemming van oud-cliënten. Daarmee wordtvoorkomen dat er een, wetenschappelijk gezien, onverantwoord selectie-effect optreedt en hoeven betrokkenen niet direct belast te worden metmogelijke herbeleving tot gevolg.Er zijn intensieve gesprekken gevoerd met de instellingen die voorheeneen ZIKOS-afdeling hadden, over welke privacy-waarborgen de onder-zoekers konden bieden. Zo hebben de onderzoekers vooronderzoek latendoen door een Medisch Ethische Commissie waaruit bleek dat voordergelijk dossieronderzoek geen toestemming vereist is. De dossiers10Kamerstukken II 2023/2024 31 839, nr. 102411Kamerstukken II 2024/2025 31 839, nr. 1031Bijlage 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114510 zouden voor verwerking worden gepseudonimiseerd en er wordt geenherleidbare informatie naar buiten gebracht.Dit heeft echter de instellingen niet kunnen overtuigen dat zij, gegeven dekaders van de privacy-wetgeving, samen met het beroepsgeheim, deverantwoordelijkheid kunnen dragen om de onderzoekers toegang teverlenen tot inzage in de dossiers.Aangezien een dergelijk onderzoek dan gemankeerd is geeft het onvol-doende nieuwe informatie, naast wat al is onderzocht. Onderzoek naexpliciete toestemming vormt volgens de onderzoekers een aantastingvan de integriteit en onafhankelijkheid van het onderzoek. De Staatssecre-taris Jeugd, Preventie en Sport moet helaas concluderen dat het beoogdeonafhankelijk onderzoek door het ingenomen standpunt van de instel-lingen niet uitvoerbaar is. De medewerking van de betrokken instellingenis een voorwaarde. De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport moet totgrote spijt concluderen dat zij geen mogelijkheden heeft om medewerkingaf te dwingen en kan dus niet voldoen aan de toezegging van onafhan-kelijk onderzoek.Inmiddels zijn, zoals aan uw Kamer gemeld, de ZIKOS-afdelingengesloten. Met de informatie die de afgelopen jaren wel beschikbaar isgekomen en de lessen die hieruit zijn getrokken, wordt hard gewerkt aanhet verbeteren van de omstandigheden in de jeugdzorg en de geslotenjeugdhulp in het bijzonder.Voortgang erkenningstraject gesloten jeugdhulp incl. ZIKOSVWS voert met een delegatie van aanbieders van gesloten jeugdhulp metjongeren en oud-cliënten gesprekken over erkenning van leed dat zijhebben ervaren in de gesloten jeugdhulp, zoals u in de vorige voortgangs-brief is gemeld.12Onderdeel van deze gesprekken is welke invulling excuses en erkenningkan krijgen en welke rol verschillende partijen hierbij hebben. Met dejongeren, vertegenwoordigd in ExpEx, zijn we daarnaast ook in gesprekgeweest over de invulling van het amendement Westerveld13 voor steunen hulp aan jongeren en slachtoffers. In oktober jl. zijn op advies van debetrokken jongeren een zestal pilotprojecten gestart, waarmee uitvoeringwordt gegeven aan het amendement. Bij de uitvoering van deze pilotpro-jecten zijn de jongeren nauw betrokken. Deze pilotprojecten voorzien inconcrete activiteiten waarmee steun en hulp aan jongeren wordt gebodenen geven beleidsmatige input voor het nader invullen van bredereerkenning en herstel.Motie Perin-Gopie (Volt) c.s. over standaard toepassen van de Kinderrech-tentoets bij wetsvoorstellen over jeugdzorg14enMotie Westerveld (GL-PvdA) over het zorgen dat er uiterlijk over een jaargeen tekortkomingen meer zijn waarbij kinderrechten worden geschondenen de Kamer proactief te informeren als dit niet lukt15Het lid Westerveld (GL-PvdA) heeft de regering verzocht om samen metjeugdzorgaanbieders voortvarend te werken aan oplossingen omschendingen van kinderrechten te voorkomen, waarbij voortdurende inzet12Kamerstukken II 2024/2025 31 839, nr. 108713Amendement 36 600 XVI, nr. 11314Kamerstukken I 2025/2026, 36 546, I15Kamerstukken II, 2024/2025 31 839, nr. 1034Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114511 nodig is om het Kinderrechtenverdrag na te leven. Hoewel het nog nietaltijd lukt om voor de meest kwetsbare kinderen tijdig passende hulp teorganiseren, wordt via onder andere de Hervormingsagenda Jeugd en hetToekomstscenario kind- en gezinsbescherming gewerkt aan verbeteringvan de jeugdzorg en worden tekortkomingen samen met de sectoraangepakt.Een belangrijke stap om kinderrechten te borgen is het toepassen van dekinderrechtentoets. Op 30 september 2025 heeft het lid Perin-Gopie (Volt)de regering verzocht om bij alle toekomstige wetsvoorstellen overjeugdzorg standaard de Kinderrechtentoets toe te passen, de uitkomstendaarvan op te nemen in de memorie van toelichting en de Eerste Kamervoor het kerstreces te informeren over de implementatie hiervan. Hetkabinet is positief over de ontwikkeling van de kinderrechtentoets door deKinderombudsman. Bij toekomstige wetgeving over de jeugdzorg zal inde memorie van toelichting worden opgenomen hoe kinderrechten – endaarmee het belang van het kind als eerste overweging – zijn meege-nomen.De komende periode zal moeten blijken of de kinderrechtentoets in depraktijk goed uitvoerbaar is binnen beleidsvorming en wetgevingstra-jecten. Daarom wordt de toets nu toegepast bij enkele wets- en beleidstra-jecten, waaronder het wetsvoorstel Reikwijdte en de wetswijziging om,onder strikte voorwaarden, nachtelijke insluiting binnen de geslotenjeugdhulp toe te staan. Als vast onderdeel van de kinderrechtentoets heeftonlangs een gesprek plaatsgevonden met jongeren over het wetsvoorstel.Ook bij het traject om te verkennen wat de mogelijkheden zijn om hetklachtrecht te versterken in het jeugdzorgdomein zijn de eerste stappenvan de kinderrechtentoets doorlopen. Een belangrijk onderdeel, het ingesprek gaan met kinderen zelf, staat gepland voor Q1 2026.Daarnaast wordt op dit moment samen met andere departementen bezienof in het Beleidskompas aandacht voor belangen van groepen mensen diein besluitvormingsprocessen vaak minder goed vertegenwoordigd zijn,zoals kinderen, versterkt kan worden. Hierbij wordt ook de kinderrechten-toets betrokken. Na het afronden van bovenstaande trajecten zullen deKamers een update ontvangen over de implementatie van de kinderrech-tentoets.Motie van de leden Stoffer (SGP) en Ceder (CU) over maatregelen omuitholling van het recht op keuzevrijheid en identiteitsgebonden jeugdzorgtegen te gaan16In de Jeugdwet, artikel 2.3, vierde lid, staat dat gemeenten verplicht zijnom bij de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening tehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en deculturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. Deze bepalingvestigt overigens geen recht op keuzevrijheid voor individuele jeugdigenen/of hun gezinnen, maar ziet op een verplichting voor gemeenten bij deuitvoering van de jeugdwet.De wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg die per 1 januari 2026 inwerking treedt brengt geen wijzigingen met zich mee in deze verplichtingvoor gemeenten.Gemeenten worden daarnaast onder andere verplicht om een regiovisieop te stellen. Deze regiovisie dient zodanig concreet te zijn, dat dievertaald kan worden naar de (regionale) organisatie en inkoop van despecialistische jeugdzorg en zo bij te dragen aan een dekkend zorgland-schap. Het ligt voor de hand dat gemeenten daarbij ook een relatie leggen16Kamerstukken 2024/2025, 31 839, nr. 1041Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114512 met de (verwachte) vraag naar jeugdzorg en de behoefte van jeugdigenen gezinnen in hun verzorgingsgebied.Naar aanleiding van de motie van de leden Stoffer en Ceder overmaatregelen om uitholling van het recht op keuzevrijheid en identiteitsge-bonden jeugdzorg tegen te gaan is met vertegenwoordigers vangemeenten en jeugdzorgaanbieders besproken hoe gemeenten in depraktijk omgaan met de inkoop van identiteitsgebonden zorg. Daarbijwerd door zowel gemeenten als aanbieders aangegeven dat in hunervaring gemeenten zich bewust zijn van de wettelijke verplichting omwaar mogelijk rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, delevensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige enzijn ouders. In de praktijk zien zij dan ook dat gemeenten jeugdhulpinkopen bij aanbieders met een diversiteit aan culturele en levensbe-schouwelijke achtergronden.In het kader van de ondersteuning van gemeenten bij de wet verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan deregiovisie en de wijze waarop gemeenten de behoefte van jeugdigen engezinnen in de regio kunnen voorvertalen naar de daaruit voortvloeiendeinkoop.Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het verbeteren vande jeugdzorginfrastructuur op Bonaire, Saba en Sint Eustatius (hierna:BES) en het harmoniseren van de rechtspositie van jongeren bij strafzit-tingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden17Naar aanleiding van het tweeminutendebat justitiële jeugd op4 september 2025 is een motie aangenomen van de leden Bruyning (NSC)en Ceder (CU) over het verbeteren van de jeugdzorginfrastructuur opBonaire, Saba en Sint Eustatius (hierna: BES) en het harmoniseren van derechtspositie van jongeren bij strafzittingen binnen het Koninkrijk derNederlanden, met het verzoek de Kamer hierover voor het einde van hetjaar te informeren (TK, 2024–2025, 24 587, nr. 1066). Hierbij voldoet deStaatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport aan dit verzoek, mede namensde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van het Ministerie vanJustitie en Veiligheid (JenV) omdat de rechtspositie jongeren onder zijnverantwoordelijkheid valt.Jeugdzorg Caribisch NederlandDe beschreven tekortkomingen in de motie over de jeugdzorg in CaribischNederland (CN) zijn grotendeels herkenbaar, waarvan een aantal ookbleken uit het onderzoek «Tussen Werelden» van de Rijksuniversiteit vanGroningen in 2022. Dit rapport is in de Kamerbrief van 13 mei 2022 aan deTweede Kamer aangeboden18.Naar aanleiding van dit rapport zijn er de afgelopen jaren stappen gezet inuitbreiding en verbetering van het jeugdzorgaanbod zodat er enkel voorzeer specialistische jeugdzorg naar Europees Nederland hoeft te wordenuitgeweken:•Elk Openbaar Lichaam heeft een jeugdbeleid ontwikkeld en er zijnlokale teams ingericht waar onder andere opvoedondersteuning isbelegd.•Vanaf 2022 is er een intensieve systemische aanpak ontwikkeld omgezinnen met meervoudige problematiek langer en beter te ondersteu-nen. De 2 jarige pilot «Famia Fuerte» is eind 2024 gestart en biedt17Kamerstukken II 2025/2026, 24 587, nr. 106618Kamerstukken II 2021/2022, 31 839, nr. 853Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114513 intensieve ambulante hulp vanuit een integraal team van professionalsvan verschillende organisaties. Het aanbod heeft als doel dat allegezinsleden veilig thuis kunnen (blijven) wonen. De voorlopigeresultaten zijn positief.•Sinds 2023 wordt Stichting Project ondersteund door het VerweijJonker Instituut bij de doorontwikkeling naar een residentielebehandelsetting waarbij specifiek aandacht is voor deskundigheidsbe-vordering en personeel, een aanpak die aansluit bij de diversedoelgroep en samenwerking in de keten. De kwaliteit van zorg binnenStichting Project is sindsdien aanzienlijk verbeterd, zo ziet ook deInspectie Gezondheidszorg Jeugd (IGJ).Hoe nu verder?De verwachting is dat Famia Fuerte een toevoeging kan zijn in hetstructurele aanbod op de BES, wat uit onderzoek in 2026 zal moetenblijken. Ook zal Stichting Project de lijn van verbetering door moetenzetten om toe te werken naar een met EUNL gelijkwaardig niveau vanresidentiële zorg. Hiervoor zijn vanaf 2025 extra structurele middelenbeschikbaar gesteld en zowel Zorg Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) ende IGJ monitoren de verbeteringen nauw. En er wordt ingezet op deverdere versteviging van de lokale teams; bijvoorbeeld op Bonaire op eenlaagdrempelig aanbod van activiteiten voor jongeren in de wijken.Daarmee zijn we er echter nog niet.Om de kansen voor jeugdigen op de BES- eilanden verder te verbeterenzet de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport ook in op:1. Jeugdzorg met verblijfIn 2025 is er door Rosa di Sharon, de instelling die al ruim 15 jaarkwalitatieve opvang en begeleiding biedt op de BES een plan ingediendvoor gezinshuis «Ka’i Famia». Het plan voorziet in opvang van kinderenvanaf 6 jaar in een zo thuis mogelijke situatie, die niet meer thuis kunnenwonen en met te complexe problematiek voor pleegzorg. Hier kunnen zijveilig opgroeien en met behulp van specialistische begeleiding verderontwikkelen. Er wordt nu gewerkt aan de invulling van de (financiële)randvoorwaarden van het plan zodat gestart kan worden met realisatievan dit aanbod wat nu nog ontbreekt in Caribisch Nederland en waar welgrote behoefte aan is.Op Saba en St. Eustatius zijn lokale (eerstelijns) teams, tweedelijnsjeugdzorg en is pleegzorg beschikbaar. Er zal in 2026 verder wordenverkend welke doelgroep, behoefte en mogelijkheden er zijn als het gaatom jeugdzorg met verblijf specifiek voor Saba en St. Eustatius. Dezeverkenning is nodig om besluiten te nemen en/of samenwerkingen in deregio beter te kunnen onderzoeken.2. Deskundig personeelHet is op de eilanden een uitdaging om gekwalificeerd personeel tevinden en langdurig te binden aan (jeugdhulp)organisaties. Hoe specialis-tischer de benodigde kennis en vaardigheden, zoals nodig is voor debegeleiding en behandeling van jeugdigen met complexe problematiek,hoe moeilijker dit is.Jeugdzorg CN werkt doorlopend aan scholing en deskundigheidsbevor-dering van jeugdprofessionals vanuit de eigen Jeugdzorgacademie, metlokale jeugdketenpartners maar ook met bijvoorbeeld JeugdbeschermingRegio Amsterdam, waar sinds 2019 een samenwerking mee is. Ook hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114514 Verweij Jonker Instituut zet met het actie onderzoek bij Stichting Project inop coaching on the job, intervisie en scholing.Tevens zullen (jeugd)zorg en welzijnsorganisaties de krachten bundelenom gezamenlijk de uitdagingen rondom de arbeidsmarkt het hoofd tebieden met een arbeidsmarktplatform vanaf 1 januari 2026. Het doel ispersoneel gezamenlijk op te leiden en bij te scholen. Daarnaast zijn ervoor beide residentiele instellingen voornemens om aan te sluiten bij deCAO ZORG BES om zo de concurrentie op de arbeidsmarkt te minimali-seren.3. JeugdzorgstructuurJeugdzorg in Caribisch Nederland verschilt van jeugdzorg in EuropeesNederland. Zo is er sprake van een verantwoordelijkheidsverdeling,waarbij de Openbare Lichamen verantwoordelijk zijn voor preventie eneerstelijns ondersteuning en VWS (ZJCN) voor tweedelijns ondersteuning,de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en pleegzorg(2e lijn) en de residentiele instellingen (3e lijn). De manier waarop dit isgeorganiseerd maakt het mogelijk om maatwerk te leveren wat vaaknodig is in de kleinschalige context van de eilanden.De verantwoordelijkheidsverdeling en de uitgangspunten voor de inzetvan jeugdzorg in CN zijn uitgewerkt in Bestuurlijke Afspraken Jeugdzorgdie gelden vanaf juni 2023. Er loopt op dit moment een evaluatie naardeze afspraken waarmee een volgende stap kan worden gezet in de(verbetering van de) organisatie en het aanbod van jeugdzorg in CN. Zowil de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport de uitkomsten van deevaluatie inzetten om het aanbod van de lokale teams en Jeugdzorg CNinzichtelijk te maken, beter op elkaar aan te laten sluiten en duidelijkeonderlinge samenwerkingsafspraken maken welke in 2026 wordenvastgelegd en tevens worden gemonitord door de IGJ.Het inzetten van (jeugd)hulp in de thuissituatie werkt het beste als dit insamenwerking en afstemming is met de verschillende leefwerelden vankinderen zoals de kinderopvang, het onderwijs en naschoolse voorzie-ningen. Een doorlopende lijn in de ontwikkeling van de jeugdige is hetuitgangspunt en vanuit dat oogpunt wordt er dan ook continu enstructureel ingezet op nauwe samenwerking met SZW en OCW bijvoor-beeld voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte in de kinderopvang(in het kader van het Bes(t)4Kids programma) en bij zorg in onderwijstijd.Rechtspositie van jongeren bij strafzittingen binnen het Koninkrijk (JenV)In het tweede deel van de motie wordt verzocht te onderzoeken hoe derechtspositie van jongeren bij strafzittingen binnen het Koninkrijk kanworden geharmoniseerd met de Europees Nederlandse standaard. InCaribisch Nederland en de andere landen binnen het Koninkrijk zijnjeugdstrafzittingen vanaf 16 jaar in beginsel openbaar, terwijl deze inEuropees Nederland standaard besloten zijn.Waar het gaat om de BES-eilanden wijst de Staatssecretaris Jeugd,Preventie en Sport op het onderzoek dat het WetenschappelijkOnderzoeks- en Datacentrum (WODC) in 2025 op verzoek van hetMinisterie van Justitie en Veiligheid (JenV) is gestart naar de werking vanhet jeugdstrafrecht op de BES-eilanden. Dit onderzoek richt zich op het inkaart brengen van juridische en organisatorische knelpunten van hetjeugdstrafrecht BES en beoordeelt in hoeverre het huidige wettelijke kaderaansluit bij de pedagogische en resocialiserende doelstellingen van eenuitvoerbare strafrechtspleging voor jeugdigen. Daarnaast beoogt hetonderzoek aanbevelingen te formuleren voor mogelijke aanpassingen inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114515 wetgeving en uitvoering, met als doel de effectiviteit en uitvoerbaarheidvan het jeugdstrafrecht BES te versterken. Of de wetgeving metbetrekking tot de BES-eilanden op het punt waar de motie op doeltaanpassing behoeft wil het Ministerie van JenV beoordelen in het lichtvan de uitkomsten van dit onderzoek De resultaten zijn naar verwachtingmedio 2026 beschikbaar.Voor Curaçao, Aruba en Sint-Maarten (hierna: CAS-landen) geldt dezelfdeleeftijdsgrens als op de BES-eilanden als het gaat om de openbaarheidvan zittingen. De CAS-landen zijn autonome landen binnen het Koninkrijkder Nederlanden en zelf verantwoordelijk voor de regelgeving op ditterrein en kunnen dus zelf de leeftijdsgrens bepalen. Uiteraard kunnen zegebruik maken van de uitkomsten van het WODC-onderzoek zodra dezebeschikbaar zijn. Afhankelijk van de resultaten van het WODC-onderzoekvoor de BES-eilanden en de reactie van JenV daarop, is de Staatssecre-taris van JenV, indien gewenst en gevraagd door de autonome landen,bereid het gesprek te voeren over een uniforme norm op het gebied vande beslotenheid van jeugdstrafzittingen binnen het Koninkrijk derNederlanden.Beleidsreactie op het rapport van NJi over ABAIn de Kamerbrief van 26 november 202419 is uw Kamer geïnformeerd overstand van zaken ABA (Applied Behavior Analysis) en is daarin aangegevendat het NJi is gevraagd om beschikbare kennis, praktijkervaring enervaringsdeskundigheid over ABA bij elkaar te brengen en de bevindingente delen. Het NJi heeft haar rapport hiertoe op 26 november jongst ledengepresenteerd. In dit rapport brengt het NJi de verschillende perspec-tieven en nuances rondom de ABA-behandelingen in beeld.20Het NJi concludeert dat het begrip ABA diffuus is. Er kan niet gesprokenworden over een aparte behandeling; de onderliggende principes wordengebruikt in een groot scala aan behandelingen en kunnen een deel zijnvan elke opvoeding. Het wordt bij verschillende doelgroepen, voorverschillende doelen en op verschillende manieren ingezet. Het ishierdoor niet mogelijk uitspraken te doen over een verbod of regulering.Het vraagstuk, zo concludeert NJi ligt niet zo zeer bij de gebruiktetechniek, maar bij hoe deze wordt toegepast en het doel waarvoor detechniek wordt gebruikt.In het rapport concludeert NJi daarnaast dat behandelaren en ervarings-deskundigen het eens zijn over dat:•Straffen nooit een onderdeel zou mogen zijn van een behandeling•De behandeling het welzijn moet vergroten•De behandeling niet gericht moet zijn op het maskeren van kenmerkendie bij autisme horen.NJi geeft aan dat deze principes vragen om concrete vertaling. Vooral bijhet laatste punt is namelijk niet altijd evident wat het welbevindenvergroot en of een behandelaar dat goed in kan schatten. Op basisdaarvan doet het NJi in het rapport een aantal aanbevelingen. Dezerichten zich op de ontwikkeling van een ethisch kader dat voor profes-sionals die met kinderen met autisme werken en ontwikkeling vankwaliteitskaders en handreikingen voor een passende uitvoeringspraktijk.19Kamerstukken II 2024/2025, 25 424, nr. 71520Goede zorg voor kinderen met autisme; kan ABA daar een rol in spelen? | NederlandsJeugdinstituut.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114516 Hoe nu verder?Wij zien deze aanbevelingen als een duidelijke oproep tot verdereprofessionalisering van de behandeling van kwetsbare kinderen, en in hetspeciaal kinderen met autisme. Er is behoefte aan meer ondersteuningvoor de professionals die met deze kinderen werken. Uitwerking hiervanvraagt een langere adem en legt een opgave neer bij de samenwerkendepartijen in de jeugdhulp. Deze zijn verenigd in de vijfhoek van deHervormingsagenda en, als onderdeel daarvan, Kwaliteit en BlijvendLeren (KBL). KBL heeft als opdracht om met vijfhoekpartners/veldpartijende kwaliteit van jeugdhulp te verbeteren en het leren te versterken.Partners in KBL werken aan een gedragen fundament van kwaliteit voorde jeugdhulp en aan vereenvoudiging en harmonisatie van bestaanderichtlijnen en kwaliteitskaders. Daarnaast hebben zij een Leeragendaopgesteld waarin zij een achttal leerlijnen hebben geprioriteerd voor hetkomende jaar waaronder het verbeteren van de kwaliteit van ambulantejeugdhulp.We hebben KBL gesproken over de conclusies van het NJi. KBL wil eenstimulerende en faciliterende rol vervullen in een traject met veldpartijengericht op normering en kwaliteitsverbetering van ABA gerelateerdetechnieken en werkwijzen. Op basis van bereidheid van betrokken partijenwil KBL werken aan een basisnorm ten aanzien van tot ABA gerelateerdetechnieken en werkwijzen. Dit met voortdurend goede betrokkenheid vancliënten- en ervaringsperspectief en van professionals. In dit traject wordtde uitwerking van een ethisch kader betrokken en is er aandacht voorwelke criteria gemeenten kunnen hanteren voor inkoop. Dit kan uitein-delijk leiden tot een nieuwe veldnorm voor ABA. Daarna kan met behulpvan zorgevaluaties duidelijk worden onder welke omstandigheden dezezorg meerwaarde heeft.Voor de korte termijn adviseert NJI zorgaanbieders zeer kritisch te kijkennaar het aanbod dat zij bieden en daar ervaringsdeskundige professionalsop te laten adviseren. Daarnaast adviseert NJi gemeenten om met deaanbieders die zorg leveren aan kinderen met autisme in overleg te tredenover of ze ABA-interventies gebruiken en hoe ze invulling geven aan dedrie eerdergenoemde principes. Tevens adviseert NJI de gemeenten tezorgen voor voldoende verscheidenheid aan aanbod, zodat ouders enkinderen zelf beter kunnen bepalen welke zorg het beste past bij hunvraag. VWS is met de VNG, BGZJ en SBJ in gesprek over deze aanbeve-lingen.Motie van den Hil (VVD) c.s. over het samen met gemeenten en Valenteverkennen welke knelpunten en oplossingen te formuleren zijn voorkinderen die met hun ouder in een opvanghuis verblijven21Deze motie verzoekt de regering verzoekt om samen met de gemeentenen Valente te verkennen welke knelpunten en oplossingen te formulerenzijn voor kinderen die met hun ouder in een opvanghuis verblijven. Op ditmoment is VWS met de betrokken partijen, waaronder Valente, bezig meteen verkenning. De verkenning focust op dit moment op een nadereanalyse van casuïstiek om eenscherper beeld te krijgen van de knelpunten en de oorzaken en daarop-volgend oplossingsrichtingen. De Staatssecretaris Jeugd, Preventie enSport verwacht in het voorjaar 2026 hier meer zicht op te hebben.21Kamerstukken II 2024/2025 29 325, nr. 185Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114517 De motie van de leden Bruyning (NSC) en Tielen (VVD) over onderzoeknaar fraude met valse ervaringscertificaten binnen het SKJ-register22De motie verzoekt de regering om grondig onderzoek te (laten) doen naarde oorzaken, aard en omvang van de fraude met valse ervaringscertifi-caten binnen het SKJ-register, om in samenwerking met relevanteinstanties maatregelen te treffen die de integriteit van het SKJ-registerversterken en de Kamer nog dit kalenderjaar te informeren over debevindingen van het onderzoek en de getroffen maatregelen.De SKJ onderzoekt de groep die op basis van een EVC-bewijs geregis-treerd staat. SKJ zet tijdelijk extra medewerkers in om het onderzoekvoortvarend en zorgvuldig uit te voeren. Omdat de uitvoering van hetonderzoek te bespoedigen, hebben de Staatssecretaris Jeugd, Preventieen Sport en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hiervoorfinanciële middelen aan SKJ verstrekt. Daarnaast heeft SKJ vorig jaar deprocedure voor registratieaanvragen op basis van EVC verscherpt. Dezemaatregel houdt in dat professionals met een registratie-aanvraag opbasis van een EVC-bewijs alleen nog tot het register worden toegelatenwanneer zij voorafgaand aan het EVC-traject bij SKJ een scholingsadvieshebben aangevraagd.SKJ bevindt zich als actor buiten het EVC-stelsel. Gezien de fraude in deEVC-keten, is er ook actie ingezet gericht op het verbeteren van hetEVC-stelsel. Zo heeft Jeugdzorg Nederland(JZ NL) een taskforce EVCopgericht. Hierin nemen naast JZNL en SKJ, o.a. het arbeidsmarktfondsFCB, VGN, Actiz, NLGGz, VNG, Sociaal Werk Nederland, de IGJ en VWSaan deel. Partijen werken aan acties om bij te dragen aan een toekomstbe-stendig EVC-stelsel. De verwachting is dat hier meer over bekend wordt inhet eerste kwartaal van 2026.Deze acties zullen gezamenlijk bijdragen aan een Kwaliteitsregister Jeugdmet daarin professionals die voldoen aan de hoge kwaliteitseisen die hetvak van jeugdprofessional vereist.22Kamerstukken II 2024/2025, 28 828, nr. 151Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114518 – Aanbieding rapportenAfgelopen periode zijn diverse rapporten verschenen. Deze rapportenworden met deze brief meegestuurd. Onderstaand vindt u een kortesamenvatting (inclusief een eventuele beleidsreactie).•Eindrapportage Aanpak Wachttijden.•CBS Rapportage Jeugdbescherming en jeugdreclassering 1e halfjaar2025 & Jeugdhulp 1e halfjaar 2025.•Rapporten Databehoeften in kaart & De productstructuur als stevigfundament.•Rapport onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in het jeugd-zorgdomein.Eindrapportage Aanpak WachttijdenIn opdracht van VWS en VNG, startte in het voorjaar van 2021 de AanpakWachttijden. Tot en met eind 2025 werden en worden regio’s ondersteundbij het aanpakken van oorzaken van wachttijden in de in-, door- enuitstroom van jeugdzorg. Datagedreven werken op het gebied vanwachttijden was ook onderdeel van de ondersteuning. In de eindrap-portage die bij deze brief wordt meegestuurd, wordt de overkoepelendeopbrengst van de Aanpak Wachttijden beschreven. De belangrijksteresultaten zijn als volgt:– Groot bereikIn totaal zijn 37 van de 42 jeugdzorgregio’s bereikt. 14 regio’s hebben hetprogramma van de Aanpak Wachttijden doorlopen. Vele andere regio’shebben delen van het programma doorlopen of hulp gehad van TeamAanpak Wachttijden om zelfstandig aan de slag te kunnen met hetaanpakken van wachttijden. Daarnaast zijn diverse regio’s actief gewordenin het onderling uitwisselen van kennis en ervaringen, hetzij via hetleernetwerk, hetzij via de leercirkel data.– Beweging naar meer en beter samenwerkenIn de ondersteunde regio’s is een beweging op gang gekomen om meeren beter met elkaar samen te werken om de oorzaken van wachttijden aante pakken. Gemeenten, jeugdhulpaanbieders en andere relevante partijenwerken gezamenlijk aan vraagstukken die in die regio spelen. Hierdoorworden kinderen, jongeren en gezinnen beter en sneller geholpen, al isdat (nog) niet cijfermatig te onderbouwen. Enkele voorbeelden zijn:aanpak van complexe scheidingen (Twente), datakwaliteit (Zuid-Kennemerland/IJmond), collectiveren (Holland-Rijnland), en regionaalafwegingskader en monitor wachttijden (Haaglanden).– Ontwikkelingen op gebied van dataNaast inzicht in oorzaken van wachttijden, is inzicht in en overzicht vandata over wachttijden noodzakelijk om tot een effectieve aanpak vanwachttijden te komen. Aanpak Wachttijden heeft gewerkt aan eendatastrategie met als doel de informatiepositie van regio’s te versterkenen de uniformiteit van data te vergroten. Ook datakwaliteit is daarbij eenaandachtspunt. In regio’s is hierdoor het gesprek gevoerd over het belangvan data en bekijken regio’s hoe ze de sturing op wachttijden met behulpvan data kunnen verbeteren. De ene regio isdaar verder in dan de andere. Echter, voor het onderling kunnen verge-lijken van wachttijddata zijn landelijke standaarden nodig. Daaraan wordtgewerkt in het kader van de Hervormingsagenda.Bijlage 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114519 CBS Rapportage Jeugdbescherming en jeugdreclassering 1e halfjaar 2025& Jeugdhulp 1e halfjaar 2025Bijgevoegd bij deze brief ontvangt u de voorlopige CBS-cijfers jeugdzorg-gebruik over het eerste halfjaar van 2025.–Volgens de voorlopige cijfers van het CBS ontvingen minder jongerenjeugdhulp in natura23 in het eerste halfjaar van 2025 dan in het eerstehalfjaar van 2024 (390.100 t.o.v. 407.985). Echter, voor de definitievecijfers wordt verwacht dat het aantal jongeren met jeugdhulp in naturatot 23 jaar uitkomt op bijna 409.000 jongeren, oftewel een stijging van0,2% ten opzicht van het eerste halfjaar van 2024.–Net als in voorgaande jaren was jeugdhulp zonder verblijf de meestgebruikte vorm van jeugdzorg; hier maakte 95,6% van de jongeren metjeugdhulp gebruik van. Verder maakte 4,4% van de jongeren metjeugdhulp alléén gebruik van jeugdhulp met verblijf (t.o.v. 4,7% in heteerste halfjaar van 2024), 4.3% van beide vormen (jeugdhulp met énzonder verblijf) t.o.v. 4,4% in het eerste halfjaar van 2024, en 91,3% vanalléén jeugdhulp zonder verblijf (t.o.v. 90,9% in het eerste halfjaar van2024).–De daling van het aantal jongeren in de jeugdbescherming (OTS envoogdij) zet door, van 26.71524 op peildatum 30 juni 2024 (definitievecijfers) naar 25.6702 jongeren op peildatum 30 juni 2025 (voorlopigecijfers); een daling van 3,9%. Het aantal afgegeven machtigingenuithuisplaatsing is met bijna 2% gedaald naar 7.340 jeugdigen.–Na de daling van het aantal jongeren met een jeugdreclasseringsmaat-regel in de periode 2011 tot 2024, neemt het aantal jongeren sinds2024 weer toe. Op de peildatum 30 juni 2025 hadden 5.780 jongeren(voorlopige cijfers) een jeugdreclasseringsmaatregel. Op 30 juni 2024waren dit er 5.455 jongeren (definitieve cijfers)2.–Gebruik van jeugdzorg (zowel jeugdhulp als jeugdbescherming enjeugdreclassering) hangt samen met kenmerken van ouders enhuishouden. In vergelijking met alle kinderen in Nederland woontonder jongeren met jeugdhulp een lager percentage van de ouders ophetzelfde adres, is het aandeel WMO en/of van GGZ huishoudenshoger en is het aandeel huishoudens met iemand die als verdachtevan een misdrijf is aangemerkt hoger. Onder alle jongeren in de leeftijdvan 0 t/m 22 jaar zijn de hoogste percentages jongeren met jeugdhulpgemeten binnen de 20% laagste huishoudinkomens.Meer cijfers over andere ontwikkelingen binnen de jeugdzorg vindt u in debijgevoegde rapporten.Rapporten De productstructuur als stevig fundament & Databehoeften inkaartIn de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat de inkoop vanjeugdzorg vereenvoudigd wordt door middel van standaardisatie vanproducten en registratieregels. De prioriteit ligt bij de inkoop vanspecialistische jeugdhulp die op regionaal niveau moet worden ingekochtconform de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. Het vertrekpuntvoor het ontwikkelen van standaarden is een limitatieve en verplichte setvan producten. Hiertoe heeft bureau &Van de Laar begin oktober eenadvies opgeleverd waarin staat dat het mogelijk is om te komen tot een23Jeugdhulp in natura. Bij 97% van de jongeren die jeugdhulp hebben ontvangen ging het omjeugdhulp in natura. Bijna 2 procent had zowel een PGB als zorg in natura. En 1 procent alleeneen PGB. Het aantal jongeren dat gebruik maakt van een PGB neemt al jaren af. De gegevensdie de SVB levert aan CBS over jeugdhulpontvangers met een PGB bevat alleen informatieover aantal jongeren met jeugdzorg en niet welke vorm van jeugdzorg het betreft (bijvoor-beeld met of zonder verblijf). Gegevens over jeugdzorg gaan dus over jeugdzorg in natura,tenzij anders vermeld.24Cijfers komen van CBS StatlineTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114520 beperkte set van basisproducten voor verblijf, dagbehandeling, ambulantezorg en crisiszorg. Het rapport geeft een bouwtekening die als basis dientvoor verdere standaardisatie. Het belang van standaardisatie wordtbevestigd in het rapport «Databehoeften gemeenten» van A-INSIGHTS,dat is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Dobbe/Synhaeve. Dezemotie ziet toe op het ontwikkelen van uniforme toetsingskaders voor allejeugdhulpaanbieders om de administratieve lasten voor jeugdhulpaan-bieders te verlichten. In dit kader hebben wij het onderzoeksbureaugevraagd in kaart te brengen welke extra informatie (aanvullend opstandaardinformatiebronnen) gemeenten opvragen, waarom dezeinformatie nodig wordt geacht en in hoeverre deze uitvragen pergemeente verschillen. Op basis van deze inzichten is beoordeeld ofstandaardisatie wenselijk en haalbaar is en hoe deze kan wordenvormgegeven.In het rapport wordt bevestigd dat gemeenten geregeld extra gegevensuitvragen bij aanbieders, met name gericht op wachttijden, kwaliteit enkostenonderzoeken. Deze uitvragen leiden volgens aanbieders tot hogeadministratieve lasten en onvoorspelbaarheid. Standaardisatie vandefinities, registratiestandaarden en kostprijsberekeningen zorgt ervolgens het onderzoek voor dat gemeenten meer zicht op de jeugdzorgkunnen krijgen via de bestaande databronnen, waardoor er minder redenvoor gemeenten is om deze informatie individueel uit te vragen bijaanbieders. Tegelijkertijd vormt het realiseren van dergelijke standaardi-satie een uitdaging. Meer op de korte termijn wordt aanbevolen in tezetten op systematische monitoring, handhaving en waarborging vandatakwaliteit waarmee de bruikbaarheid van bestaande informatie voorsturing en verantwoording wordt vergroot. Daarnaast wordt aanbevolenhet bewustzijn en gebruik van bestaande databronnen te vergroten. Deaanbevelingen en bevindingen van het onderzoek worden de komendeperiode nader verkend, waarbij o.a. wordt gekeken waar overlap zit ofaansluiting gezocht kan worden bij lopende trajecten (zoals het ontwik-kelen van een standaard kostprijsberekening en uniforme uitvraag vanoutcome-indicatoren).Rapport Onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorg-domeinIn de Kamerbrief van 24 april 202425 hebben we uw Kamer geïnformeerdover het voornemen om te verkennen wat de mogelijkheden zijn om hetklachtrecht in de Jeugdwet te verbeteren. Het hierbij aan uw Kameraangeboden rapport «Onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in hetjeugdzorgdomein 26» geeft een overkoepelend en actueel overzicht van deuitvoeringspraktijken van interne klachtprocedures bij organisaties in hetjeugdzorgdomein27, 28Het rapport brengt in beeld hoe de klachtbehandeling binnen het bredejeugdzorgdomein functioneert, welke knelpunten en goede praktijken erzijn en welke verbeteringen mogelijk zijn om de positie van jeugdigen,ouders en professionals te versterken. De aanbevelingen in het rapportrichten zich op de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport enJustitie en Veiligheid, de brancheorganisaties29, de gemeenten en de25Kamerstukken II 2023/24, 31 839, nr. 101826In het kader van dit traject wordt daarmee bedoeld: jeugdhulpaanbieders, gecertificeerdeinstellingen, Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis organisaties en gemeenten.27Kamerstukken II 2024/2025, 31 839, nr. 108728Kamerstukken II 2024/2025, 31 839, nr. 103129Denk hierbij aan Jeugdzorg Nederland, de Vereniging Gehandicaptenzorg, AssociatieWijkteams, Landelijk Netwerk Veilig Thuis etc.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114521 VNG, Raden van toezicht en cliëntenraden van organisaties in hetjeugdzorgdomein, alsmede op de opleiders en organisaties in hetjeugdzorgdomein.De aanbevelingen hebben onder meer betrekking op:•Het laten aansluiten van de Jeugdwet en de regelgeving voor VeiligThuis in de Wmo 2015 (hierna Wmo) bij het klachtrecht in de Wetkwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De aanbeveling ziet opeen onafhankelijke en deskundige geschillencommissie/onafhankelijkeen deskundige klachtencommissie, vaste termijnen voor klachtbehan-deling en een klachtenfunctionaris die de ondersteuning van jeugdigenen ouders bij het indienen van een klacht borgt;•Het uitbreiden van de kring van klagers die een klacht in kunnendienen.•Het ontwikkelen van een sectorbreed actiepakket voor het jeugdzorg-domein met voorbeelden en tips voor goede klachtafhandeling;•Het verbeteren van klachtafhandeling in het contractmanagement entoezicht van de gemeenten;•Het versterken van het bijscholings- en ontwikkelingsaanbod rondomklachtvaardigheid voor professionals.Het klachtrecht in het jeugdzorgdomein is een belangrijke vorm vanrechtsbescherming voor jeugdigen en/of ouders. Daarnaast is essentieeldat organisaties in het jeugdzorgdomein leren van klachten ter verbe-tering van de kwaliteit van jeugdhulp en ondersteuning aan jeugdigenen/of ouders.Het rapport biedt aanknopingspunten om het klachtrecht te verbeteren.Tegelijkertijd is het een omvangrijk rapport dat aanbevelingen doet opzowel juridisch gebied als op de uitvoering. De komende periode gaan wede aanbevelingen nader bestuderen en in gesprek de betrokken organi-saties, zoals met de VNG en de brancheorganisaties. Wij vinden hetdaarnaast belangrijk dat de belangen van kinderen goed in beeld zijn bijhet verbeteren van het klachtrecht. Daarom hebben wij zoals aangegevenin de Kamerbrief van 13 juni 2024 de eerste stappen van de kinderrechten-toets toegepast op dit onderwerp, namelijk de (mogelijke) belangen vankinderen bij klachtrecht in beeld brengen. Wij zijn voornemens om hetvolgende onderdeel van de kinderrechtentoets, kinderparticipatie, op ditonderwerp te laten plaatsvinden in Q1 2026.In het voorjaar van 2026 informeren we uw Kamer via de regulierejeugdzorgbrieven over de voortgang van de te zetten stappen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114522
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris zegt het lid Dobbe toe dat zij voor kerst een brief over de planning met betrekking tot pleegzorg stuurt.
De staatssecretaris zegt het lid Dobbe toe dat zij voor kerst een brief over de planning met betrekking tot pleegzorg stuurt.
- De staatssecretaris komt vóór de begrotingsbehandelingen terug op de motie-Westerveld over het opvolgen van adviezen uit hoofdstuk 4 van het rapport van de desk
De staatssecretaris komt vóór de begrotingsbehandelingen terug op de motie-Westerveld over het opvolgen van adviezen uit hoofdstuk 4 van het rapport van de deskundigencommissie.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.