Reactie op IBO doelmatig Hoger onderwijs 'Talent op de juiste plek'
Brontekst
Versie 5b07c855d9b9e228 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1155 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 oktober 2024Op 17 juli 2024 verstuurde ik het eindrapport van het InterdepartementaalBeleidsonderzoek (IBO) Doelmatig hoger onderwijs, «Talent op de juisteplek» (Kamerstuk 31 288, nr. 1149). Daarbij gaf ik aan dat de beleidsreactiein het najaar van 2024 zou volgen. Uw Kamer heeft mij inmiddels verzochtom de beleidsreactie ruim voor het commissiedebat DUO en HogerOnderwijs van 23 oktober 2024 naar de Kamer te sturen.1 Met deze briefgeef ik invulling aan dit verzoek. Ik waardeer de brede blik die dit IBOheeft opgeleverd en wil de opstellers nogmaals bedanken.Aanleiding en opdracht IBODe instroom van studenten in het hoger beroepsonderwijs (hierna: hbo)en wetenschappelijk onderwijs (hierna: wo) is de afgelopen twintig jaaraanzienlijk gegroeid, maar inmiddels is er sprake van een dalend aantalstudenten bij de hogescholen. De precieze ontwikkelingen zullenverschillen per regio. Naast krimp is sprake van langdurige arbeidsmarkt-krapte, met name in de sectoren zorg, onderwijs en techniek. Tot slot doeteen deel van de studenten in het hbo en wo relatief lang over het behalenvan het diploma.Deze bovenstaande trends stellen het hbo en wo voor verschillendevragen en uitdagingen. Ze leiden tot de vraag of de huidige beleidsinstru-menten nog voldoende zijn om de stelselverantwoordelijkheid opdoelmatigheid te borgen. Het IBO heeft daarom onderzocht op welkemanier de sturing op de doelmatigheid van het hbo en wo kan wordenverbeterd met het oog op demografische, arbeidsmarkt- en regionaleontwikkelingen.1Commissiebrief 2024D32821, d.d.12 september 2024 kst-31288-1155ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11551 Bevindingen en aanbevelingen IBOEen belangrijke conclusie uit het IBO is dat in het hbo en wo sprake is vanhoogwaardige instellingen die de volgende generaties op een goedemanier klaarstomen voor de maatschappij. Zo is het onderwijs aan hethbo en wo in Nederland in internationaal perspectief van hoge kwaliteit.Ook concludeert het IBO een stijgende lijn in de afgelopen jaren als hetgaat om de brede toegankelijkheid van het Nederlands hogeronderwijs-stelsel.2Vooruitkijkend signaleert het IBO drie kernknelpunten:1. De student zit niet altijd op de juiste plek en het studieren-dement laat te wensen over. Uitval en switch zijn een hardnekkig probleem en zijn consistent hoog,met name in het hbo. Dit duidt erop dat studenten met regelmaat niet opeen passende plek zitten. Samenhangend hiermee kent Nederland ookeen relatief hoog aantal langstudeerders. Dit leidt tot een ondoelmatigeinzet van publieke middelen en bovendien zorgt uitval voor onderbe-nutting van maatschappelijk talent. Het IBO stelt dat de huidige maniervan opleiden en begeleiden hier niet bij helpt (jongeren moeten op jongeleeftijd een pakket- en studiekeuze maken; de begeleiding in het eerstejaar is beperkt; er wordt gesteld dat er relatief weinig sprake is vanselectie3). Verder is er een maatschappelijke trend van opwaartse drukwanneer het gaat over de keuze tot een opleiding.•Het IBO adviseert om studenten te bewegen en te begeleiden naar devoor hen juiste en passende plek, waarbij wel wordt beschreven dat ditvraagstuk weerbarstig is.•Het IBO geeft aan dat dit vraagstuk een combinatie van maatregelenvergt, gezien de hoge complexiteit van dit vraagstuk en diversiteit aanuitdagingen om op te sturen. Denk aan versterking van matching enselectie, het opzetten van een gezamenlijk eerste jaar hbo/wo,concretere begeleiding, verhogen van het collegegeld voorlangstudeerders.2. Het huidige systeem leidt vanuit het oogpunt van demaatschappij niet tot de meest doelmatige oplossing voor dearbeidsmarkt en krimpregio’s. Op het niveau van de student bestaat momenteel geen probleem met dearbeidsmarktkansen. Echter leidt de aanhoudende arbeidsmarktkrapte inalle sectoren, en in het bijzonder het onderwijs, de zorg en techniek, tottoenemende maatschappelijke druk op het onderwijs om meer te sturenrichting de tekortsectoren. Ook blijven te weinig internationale studentenna hun afstuderen in Nederland werken. Verder vreest men dat doorteruglopende studentenaantallen in de regio (kleine en krimpende)opleidingen verdwijnen. Dit kan nadelig zijn voor de leefbaarheid in deregio en de regionale arbeidsmarkt.•Het IBO adviseert dat op korte termijn keuzes gemaakt worden diebijdragen aan een regionaal en nationaal doelmatig opleidingsaanbod2Daarbij zet het IBO de kanttekening dat onderzoeken uitwijzen dat bepaalde groepen studentenmeer drempels ervaren in de aanloop naar én tijdens hun studie en dat aandacht voorkwetsbare groepen noodzakelijk blijft.3Aanvullende informatie selectie: in het vo (vmbo/havo/vwo, na 2e of 3e jaar profielkeuze), 14%vd hbo-opleidingen kent aanvullende eisen en 18% van alle bacheloropleidingen kent eencapaciteitsbeperking. Bijna elke opleiding in het WO kent een bsa in het eerste jaar, bijhogescholen zijn er doorstroomeisen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11552 en adviseert dat instellingen plannen maken over welk aanbod inwelke regio wordt aangeboden.•Mogelijke beleidsopties die het IBO schetst zijn het opstellen vanregioplannen in samenwerking met medeoverheden en lokaalbedrijfsleven, het vergroten van de blijfkans van internationaleafgestudeerden, het starten van pilots met gebruik van fixi en regulieredoorlichting van de macrodoelmatigheid van opleidingen.3. Er is aanleiding om de relatie tussen overheid en onderwijs-instellingen opnieuw te doordenken. Het IBO stelt dat er aanleiding is om de relatie tussen de overheid enonderwijsinstellingen opnieuw te doordenken. Centraal daarbij staat devraag hoe de overheid voldoende effectief kan sturen, met waarderingvoor de beleidsruimte van het onderwijsveld. In het hogeronderwijsstelselis sprake van autonome instellingen. Soms is echter de optelsom van allebeslissingen van individuele onderwijsinstellingen niet per definitie debeste optelsom op stelselniveau. Bepaalde vraagstukken vragen om eenstelselbrede aanpak waarin instellingen onderling afstemmen of samen-werken, bijvoorbeeld over het opleidingsaanbod Ook heeft de overheid,volgens het IBO, onvoldoende informatie over de kosten van opleidingen.Meer inzicht hierin kan volgens het IBO helpen bij het maken van keuzes.•Het IBO concludeert dat er verbeteringen mogelijk zijn in het huidigebekostigingsmodel, maar dat overstappen naar een nieuwe systema-tiek niet nodig is. Elke bekostigingsvariant kent immers voor- ennadelen ten opzichte van de huidige systematiek, waarbij het IBOverwijst naar de eerdere Kamerbrief over dit thema (2023c).4•Mogelijke beleidsopties uit het IBO zijn het formuleren en realiserenvan stelseldoelen (bijvoorbeeld door ministeriële regelingen), meerinzicht verwerven in de kosten van opleidingen, aanpassing van hetmacrokader en herijking van de vaste voet.5Kabinetsreactie op het IBODe problematiek die het IBO schetst op de drie kernknelpunten is voor mijherkenbaar. Ik deel met het IBO dat deze knelpunten belangrijke uitda-gingen zijn waar het hbo en wo voor staan. Met deze uitdagingen moetenwe (extra) aan de slag, als we willen dat het hoogwaardige niveau van hethbo en wo, waar we oprecht trots op mogen zijn, in stand blijft. Ikwaardeer het dat het IBO deze problematiek zoveel mogelijk integraalbenadert en een reeks variërende beleidsopties geeft die een mogelijkebijdrage kunnen leveren aan het oplossen van deze problematiek. Met hetverschijnen van het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma heefthet IBO deels direct al opvolging gekregen, met name bij het eerste entweede knelpunt. Op basis van het hoofdlijnenakkoord, het regeerpro-gramma en het IBO zal ik de komende tijd de focus leggen op de volgendedrie opgaven:1)het uitwerken van de langstudeermaatregel;2)het bezien van de bekostiging in het kader van een stabiele langetermijn financiering;3)het stimuleren van samenwerking tussen en profilering doorinstellingen.4Zie bijlage 3 van de verdiepende analyse over de bekostigingsvarianten: Verdiepende analysebij Kamerbrief bekostiging en bekostigingsvarianten hoger onderwijs | Rapport | rijksover-heid.nl5Dit is historisch gegroeid en kent een inhoudelijke rationale die verouderd is. Bij de herijkingdient ook het belang van de regio te worden meegewogenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11553 In deze beleidsreactie ga ik hier kort op in. In mijn beleidsbrief die u begin2025 kan verwachten, werk ik deze drie opgaven verder uit. Deze focus isnoodzakelijk gezien de grote opgaven die de bezuinigingen mee zichmeebrengen voor de instellingen en de personele taakstelling bij deoverheid. Bovenstaande opgaven moeten we oppakken in financieelkrappere tijden, dit vraagt veel van onze instellingen. Ik kan en wil daaromniet alles tegelijkertijd doen. Door het aanpakken van deze drie groteopgaven (die ook benoemd worden in dit IBO), zet ik mij in voor denoodzakelijke transitie naar een kwalitatief sterk, toegankelijk entoekomstbestendig opleidingsaanbod en voor een stabiel evenwicht op delange termijn.Een van de maatregelen uit het hoofdlijnenakkoord is gerelateerd aan heteerste knelpunt uit het IBO, het studierendement. De langstudeermaat-regel, die ook als beleidsoptie in het IBO wordt gepresenteerd, werk ikverder uit. Daarbij zal ik in brede zin kijken naar de uitvoerbaarheid ennaar manieren voor instellingen en studenten om langstuderen tegen tegaan. Het is daarbij ook belangrijk om aandacht te besteden aan deoorzaken achter langstuderen. Een verkeerde studiekeuze en switch zijnvoorbeelden van factoren die een relatie hebben met langstuderen. Zoalshet IBO terecht stelt, is er sprake van een complex vraagstuk en is er geenpasklare oplossing of één beleidsinterventie die het geheel aan oorzakenaanpakt. Ook laat het IBO het belang zien om bij de vormgeving van delangstudeermaatregel goed rekening te houden met het effect op detoegankelijkheid.In relatie tot het tweede kernknelpunt (krimp, regio en arbeidsmarkt) zorgik met de inzet van krimpmiddelen (2025) ervoor dat cruciale opleidingendie relevant zijn voor de arbeidsmarkt in het hbo niet verloren gaan. Het ishierbij, zoals ook het IBO stelt, noodzakelijk om scherpe keuzes te makenomtrent het aanbod van onderwijs op hbo en wo niveau in de regio. Ookwerk ik met hogescholen en universiteiten aan een stabiele bekostiging,zodat zij bij dalende studentenaantallen een goed onderwijsaanbod oppeil kunnen houden, in het bijzonder opleidingen die voor de regio vitaalzijn. Zo werk ik onder andere toe naar stabiele bekostiging als invullingvan capaciteitsbekostiging voor hogescholen en universiteiten. Met hetoog op de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt zet dit kabinet inop een gezamenlijke beleidsagenda LLO. De Onderwijsagenda LLO maakthier een belangrijk onderdeel van uit.Tot slot vraagt het IBO terecht aandacht voor de sturingsfilosofie in hethbo en wo. Van oudsher kennen deze onderwijsinstellingen veelautonomie en zijn zij verantwoordelijk voor het vormgeven van hetonderwijs en onderzoek. Gezien het feit dat we terechtkomen in eenperiode van dalende studentenaantallen in m.n. het hbo en toenemendeschaarste van arbeidsaanbod, middelen en ruimte, zullen maatschappe-lijke vraagstukken, ook in het hbo en wo, meer en meer gepaard gaan hetmaken van scherpe keuzes en met verdelingsvraagstukken. Het belangvan meer samenwerking en profilering, naast de bestaande instellingsau-tonomie, neemt daarom toe. Dit vraagt om een passend instrumentariumom dit te stimuleren op een duurzame en toekomstvaste manier. Desectorplannen in het wo, die ik voortzet, zijn een goed voorbeeld van eeneffectief beleidsinstrument om profilering en samenwerking tusseninstellingen te bevorderen en te zorgen voor onderlinge afstemming enscherpe keuzes. De maatregelen in het wetsvoorstel internationalisering inbalans (WIB)6 zetten ook aan tot onderlinge samenwerking en regie-voering. Instellingen hebben de mogelijkheid om vanuit zelfregie eigenkritische keuzes te maken in het aanbieden van anderstalig onderwijs, als6Kamerstuk 22 452, nr.91Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11554 basis voor gezamenlijke clusteraanvragen voor de toets die laterplaatsvindt. Ik introduceer ook de plicht om daarvoor op overeen-stemming gericht overleg te voeren. Een ander goed voorbeeld is desamenwerking tussen Rijk en regio aan een omvangrijk pakket maatre-gelen voor de microchipsector (onder de noemer Project Beethoven).7Deze vraagstukken en mijn inzet daarop vragen om een verdereuitwerking, die ik zo zorgvuldig mogelijk tracht te maken. Het IBO biedthiervoor behulpzame handvatten die ik hierin meeneem.Over de verdere uitwerking informeer ik u nader in mijn beleidsbrief, die ubegin 2025 van mij zult ontvangen, waarin ik mijn agenda voor dekomende kabinetsperiode uiteen zal zetten.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins7Kamerstuk 33 009, 32 637, nr.141Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11555
Documentversies en bestanden
Officiële documentversies staan los van de versie van de brontekst die je in Kamerkring citeert.
Historische bestandscontext niet beschikbaar. De gekozen brontekst blijft ongewijzigd.
Bijlagen
Historische bijlagecontext niet beschikbaar bij deze brontekstversie.
Bij dit hoofddocument
Historische bijlagecontext niet beschikbaar bij deze brontekstversie.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Verder bij de Tweede Kamer
Externe officiële informatie