Verzamelbrief ten behoeve van commissiedebat Jeugdbeleid 30 september 2026
Brontekst
Versie 76acda820df96175 · officiële bron31839 Jeugdzorg Nr. 1188 Brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 25 september 2026 In aanloop naar het commissiedebat Jeugdbeleid van 30 september 2026 zenden wij u deze verzamelbrief Jeugd. In deze verzamelbrief bieden wij u allereerst drie rapporten aan. Vervolgens informeren wij u over de voortgang van een aantal onderwerpen op het terrein van jeugdhulp en jeugdbescherming. In dat kader ontvangt u ook onze reactie op enkele onderzoeken en rapportages. Tot slot informeren wij u over de voortgang op een aantal moties en toezeggingen op het terrein van Jeugd. De volgende onderwerpen komen in deze brief aan de orde: Rapport kenniscentrum Phrenos netwerken van specialisten in regio’s; Beeldvormend rapport Regionaal Expert Teams; Zakelijke weergave calamiteitenrapport gezinshuis Noord-Nederland; Klachtrecht Jeugdwet; Reactie Kidsrights Index 2026; Buitenlandplaatsingen en de motie van het lid Moinat (Groep Markuszower) over het in beginsel plaatsen van jeugdigen in Nederland; Reactie op commissieverzoek na berichtgeving over twee meisjes die kerkasiel hebben aangevraagd; Monitorcijfers gecertificeerde instellingen; Stand van zaken verbeteracties wachtlijsten en betekenisvol contact; Beleidsreactie onderzoek verklarende factoren dalende instroom kinderbeschermingsmaatregelen; Motie van de leden Synhaeve (D66), Westerveld (PRO) en Coenradie (JA21) over het altijd vooraf screenen van jeugdhulpaanbieders en hun medewerkers; Motie van het lid Synhaeve (D66) over het inventariseren van wat nodig is om ‘handle with care’ verder uit te rollen; Motie van het lid Van den Hil (VVD) c.s. over het samen met gemeenten en Valente verkennen van knelpunten en oplossingen voor kinderen die met hun ouder in een opvanghuis verblijven en waar zich knelpunten voordoen in de financiering van jeugdzorg; Motie van de leden Synhaeve (D66) en Van der Werf (D66) over het bewerkstelligen dat kinderen in de vrouwenopvang die dat nodig hebben tijdig passende psychische zorg kunnen ontvangen; Motie van het lid Ceder (CU) over positieve mannelijke rolmodellen voor jongeren; Motie van het lid Ceder (CU) over het functioneren van de RET’s na twee jaar evalueren; Motie van het lid Dobbe (SP) over ervaringsdeskundigheid vaker inzetten bij maatregelen in de jeugdbescherming; Toezegging informeren Kamer over ontwikkelingen Jeugdbescherming Noord. Aanbieden rapporten Netwerken van specialisten in regio’s In het kader van het project volwassenenproblematiek binnen het programma Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming heeft kenniscentrum Phrenos in kaart gebracht hoe netwerken van specialisten momenteel zijn georganiseerd en hoe zij samenwerken met lokale teams en veiligheidspartners. Daarbij zijn ook werkende elementen, dilemma’s en aanbevelingen voor regio’s en landelijke partijen beschreven. Het rapport wordt hierbij aangeboden en is als bijlage bij deze brief gevoegd. Dit rapport is gedeeld met de projectleiders van de acties van de nieuwe veranderstrategie, zodat deze kennis zoveel mogelijk benut wordt in de uitwerking. Ook zal Phrenos dit onder de aandacht brengen van ggz-aanbieders en delen wij dit met de Nederlandse ggz. Beeldvormend rapport Regionaal Expert Teams Het ministerie van VWS heeft in mede opdrachtgeverschap met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gevraagd om een startfoto te maken die inzicht geeft in de mate waarop door RET’s invulling wordt gegeven aan de functies en randvoorwaarden in het borgingsdocument. Bij de voortgang op de motie-Ceder (Kamerstuk 36 546, nr. 62) zijn wij op de uitkomsten hiervan ingegaan. Het beeldvormend rapport is als bijlage aan deze brief toegevoegd. Zakelijke weergave calamiteitenrapport gezinshuis Noord-Nederland De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft op 25 september 2026 de zakelijke weergave van het calamiteitenrapport van het onderzoek naar het gezinshuis in Noord-Nederland gepubliceerd. Zoals toegezegd ontvangt uw Kamer hiervan een afschrift.[voetnoot 1] De IGJ stelt vast dat de hulpverlening aan de twee kinderen in het gezinshuis ernstig tekortschoot. Cornerstones Jeugdzorg (de hoofdaannemer), het gezinshuis en de William Schrikker Stichting (WSS) hebben onvoldoende samengewerkt. Signalen van onveiligheid in het gezinshuis en onprofessioneel handelen door de gezinshuismoeder hebben zij onvoldoende gedeeld, in samenhang gewogen en opgevolgd. Hierdoor bestond onvoldoende gezamenlijk zicht op de veiligheid van de jeugdigen en is er onvoldoende gedaan om te zorgen voor een veilige en stabiele plek voor de jeugdigen. De inspectie concludeert verder dat de betrokken organisaties niet hebben gehandeld conform de voor hen geldende wet- en regelgeving en veldnormen. De afzonderlijke conclusies en aanbevelingen per organisatie staan in de zakelijke weergave van het calamiteitenrapport. De IGJ bespreekt de geconstateerde tekortkomingen met de raad van bestuur en de raad van toezicht van Cornerstones en de WSS. De uitkomsten van deze gesprekken zullen, als de IGJ dit passend en geboden acht, leiden tot een vervolgactie van de inspectie. Wij nemen de conclusies uit dit rapport zeer serieus. Daarom gaan wij vanuit onze rol als stelselverantwoordelijken op korte termijn in gesprek met de IGJ voor een nadere toelichting op de bevindingen en conclusies. Op basis van dat gesprek bepalen we eventuele vervolgstappen. Voortgang aantal onderwerpen op het terrein van Jeugd en Jeugdbescherming Klachtrecht Jeugdwet Om te verkennen waar het klachtrecht in de jeugdzorg mogelijk kan worden verbeterd, hebben wij een onderzoek laten uitvoeren. Het rapport ‘Onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein’ is eind 2025 aan uw Kamer toegestuurd.[voetnoot 2] Aangezien het rapport niet alleen aanbevelingen doet aan het Rijk, maar ook aan de branches, de gemeenten en de VNG, raden van toezicht en cliëntenraden, en opleiders in het jeugdzorgdomein is de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (in de eerste helft van 2026) in gesprek gegaan met diverse partijen, alvorens inhoudelijk te reageren op de aanbevelingen. De bevindingen en aanbevelingen uit het rapport van de Kinderombudsman ‘Je bent maar een kind, je durft gewoon niet’ over klachtrecht in residentiële instellingen, zijn ook in deze gesprekken meegenomen.[voetnoot 3] De gesprekken zijn inmiddels afgerond. In de formele beleidsreactie, die u parallel aan deze brief ontvangt, wordt toegelicht welke aanbevelingen (deels) worden overgenomen en welke vervolgstappen er worden gezet. Kidsrights Index 2026 Op 24 juni 2026 is de Kidsrights Index 2026 gepubliceerd. Het lid Synhaeve (D66) heeft naar aanleiding daarvan verzocht om een debat met de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Justitie en Veiligheid. Het lid Hamstra (CDA) heeft verzocht om een reactie van het kabinet hierop vóór het commissiedebat van 30 september 2026.[voetnoot 4] Via deze weg wordt aan dit verzoek gehoor gegeven. De Kidsrights Index wordt jaarlijks opgesteld door onder meer de non-gouvernementele organisatie Kidsrights en de Erasmus Universiteit. De Kidsrights Index is een belangrijk hulpmiddel voor internationale vergelijking van 194 landen die zijn aangesloten bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten voor het Kind (IVRK). De index kan helpen om als samenleving de dialoog te voeren over kinderrechten en het kabinet scherp te houden op de naleving van kinderrechten. De index scoort landen op thema’s zoals leven, gezondheid, onderwijs, bescherming en de kernbeginselen en randvoorwaarden van het IVRK, zoals het non-discriminatiebeginsel. Specifiek voor Nederland vraagt de Kidsrights Index 2026 aandacht voor twee ontwikkelingen. Volgens Kidsrights is in Nederland onder kinderen sprake van een aanhoudende stijging van obesitas en een stijgende kindersterfte. Het kabinet neemt deze aandachtspunten zeer serieus en gaat hiermee aan de slag. De helft van de volwassen in Nederland heeft overgewicht. Bij kinderen is dat 1 op de 8. In 2025 hadden 12,4% kinderen en jongeren van 4 tot 17 jaar overgewicht, waarvan 2,9% obesitas. Overgewicht ontstaat door een complexe samenloop van verschillende factoren. Een ongezond gewicht op jonge leeftijd leidt ook op latere leeftijd tot verschillende gezondheidsrisico’s. Daarom zet het kabinet met een combinatie aan maatregelen in op een brede preventieaanpak. Het kabinet zet dan ook programma’s als Gezonde Kinderopvang, de JOGG-aanpak voort en werkt verder aan wetgeving om kindermarketing voor ongezonde voedingsmiddelen te reguleren.[voetnoot 5] Ook verstevigt het kabinet de inzet op gratis schoolfruit. Bovendien is het van belang dat voor kinderen en jongeren die al overgewicht hebben, passende zorg en ondersteuning aanwezig is. Het kabinet doet dit vanuit een ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas. Met de ketenaanpak wordt het sociaal- en zorgdomein met elkaar verbonden. De daling in sterfte bij kinderen tot de leeftijd van één jaar stagneert sinds 2015.[voetnoot 6] Het RIVM is op dit moment samen met veldpartijen bezig met een duiding van de sterftecijfers. Ondertussen zet het kabinet zet zich via verschillende manieren in om de kwaliteit van geboortezorg te verbeteren. Zo wordt tussen 2024 en 2030 € 12,5 miljoen geïnvesteerd in het ZonMW-onderzoeksprogramma ‘Zwangerschap en Geboorte III’ en stelt het kabinet structureel geld beschikbaar voor de monitor ‘Eerste 1.000 dagen’ van het RIVM om trends in geboortezorgcijfers op te sporen en daar vroegtijdig actie op te kunnen ondernemen. Integrale samenwerking binnen de geboortezorg komt herhaaldelijk in adviezen terug als essentieel voor kwalitatief goede geboortezorg. Daarom heeft het kabinet per 1 januari 2027 structurele bekostiging van Verloskundig Samenwerkingsverbanden (VSV’s) mogelijk gemaakt. Integraal leren en verbeteren is een belangrijk onderdeel van VSV’s. Bovendien investeert het kabinet structureel in de aanpak Kansrijke Start. Met de aanpak Kansrijke Start zet het kabinet in op het verbeteren van geboorte-uitkomsten en een goede start van kinderen en (toekomstige) ouders tijdens de eerste 1000 dagen van het leven van een kind, met speciale aandacht voor (aanstaande) ouders in een kwetsbare situatie. In het AZWA is afgesproken dat Kansrijke Start structureel onderdeel wordt van de lokale en regionale inrichting van zorg en ondersteuning, als zogenoemde basisfunctionaliteit. Het doel is dat in 2030 een landelijk dekkend aanbod van de basisfunctionaliteit Kansrijke Start beschikbaar is. Hiervoor waren al structurele middelen beschikbaar. Daarbovenop stelt het kabinet € 25 miljoen in 2027 – oplopend tot € 62 miljoen – structureel beschikbaar voor de gemeentelijke en maatschappelijke ondersteuning van gezinnen in een kwetsbare situatie via de aanpak Kansrijke Start. Buitenlandplaatsingen Jeugdigen moeten in een veilige omgeving jeugdhulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven. Een gemeente, gecertificeerde instelling (GI) of jeugdhulpaanbieder die ervoor kiest om jeugdhulp in het buitenland in te zetten, moet zich ervan vergewissen dat deze jeugdhulp voldoet aan de in Nederland geldende eisen en dat wordt voldaan aan internationale regelgeving en de wet- en regelgeving van het ontvangende land. Ook moet altijd de verplichte procedure van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (Centrale autoriteit) worden gevolgd. Daarmee wordt voorafgaande toestemming voor de plaatsing van de minderjarige gevraagd aan de Centrale autoriteit in het betreffende land, zodat deze op de hoogte is van de plaatsing en de buitenlandse autoriteiten toezicht kunnen houden en kunnen nagaan of voldaan wordt aan hun nationale regels. Uit meerdere signalen en meldingen blijkt dat de in Nederland geldende eisen voor jeugdzorg en het volgen van de procedure van de Centrale autoriteit in de praktijk onvoldoende worden nageleefd. Wij vinden het schrijnend dat jongeren niet altijd in een veilige omgeving jeugdzorg hebben gekregen. Daarom werken wij regelgeving uit die bepaalt dat jeugdhulp in Nederland plaatsvindt en alleen nog in geval van hoge uitzondering in het buitenland. Deze uitzondering moet als voorwaarde kennen dat deze in het belang van de jeugdige is, bijvoorbeeld wanneer familie in het buitenland woont. Een andere voorwaarde is dat de verplichte procedure van de Centrale autoriteit wordt gevolgd. Over de uitwerking van dit wetsvoorstel en de communicatie in de tussenliggende periode worden nu gesprekken gevoerd met veldpartijen, toezichthouders en kennisinstituten. Op deze wijze geven wij uitvoering aan de motie van Moinat c.s. die de regering vraagt in beginsel jeugdigen in Nederland te plaatsen, tenzij plaatsing in het buitenland in het belang is van het kind.[voetnoot 7] Naast het bovenstaande ontvangt u in deze brief aanvullende informatie op onze reactie die u op 4 september 2026 ontving over het bericht dat een jeugdzorgorganisatie kwetsbare jongeren illegaal in een zorgtraject in Spanje heeft geplaatst.[voetnoot 8] In die reactie lieten wij in antwoord op vragen van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport weten dat alle kinderen die door de GI SAVE Jeugdbescherming in Spanje zijn geplaatst en waarbij niet de procedure via de Centrale autoriteit is gevolgd, in de periode maart 2025 tot januari 2026 zijn teruggekeerd naar Nederland. Bovengenoemd antwoord is niet volledig, omdat het alleen betrekking heeft op de jongeren waarvoor SAVE Jeugdbescherming nog verantwoordelijk is voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. Die zijn inderdaad allen weer in Nederland. Er zijn echter ook twee jongeren die gedurende het verblijf in Spanje meerderjarig zijn geworden en daarmee niet meer onder de verantwoordelijkheid van SAVE Jeugdbescherming vielen. Bij het bereiken van de meerderjarigheid vervalt de kinderbeschermingsmaatregel namelijk automatisch. Zij verbleven nadien op vrijwillige basis op de zorglocatie. Een van deze twee jongvolwassenen is voor de zomer teruggekeerd naar Nederland. De andere jongvolwassene is daar nog op vrijwillige basis op een door de gemeente gefinancierde plek voor (verlengde) jeugdhulp. Doel is een geschikte plek in Nederland te vinden, maar dat is tot op heden niet gelukt, aldus de gemeente. Bovenstaande geldt voor de jongeren die door SAVE Jeugdbescherming in Spanje zijn geplaatst waarbij niet de procedure via de Centrale autoriteit is gevolgd. Zoals aangegeven in de brief van 4 september 2026 wordt ook bij de andere GI’s nagegaan of er sprake is van plaatsingen in het buitenland waarbij niet de juiste procedures zijn gevolgd en wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.[voetnoot 9] In de brief van 4 september 2026 lieten wij verder weten dat SAVE Jeugdbescherming door een externe partij onderzoek laat uitvoeren naar de gang van zaken rond de buitenlandplaatsingen waarbij niet de procedure via de Centrale autoriteit is gevolgd. Tijdens het raadsdebat in Utrecht van 10 september 2026 heeft de betrokken wethouder aangekondigd dat ook de gemeente (na afstemming met de samenwerkende regio’s) een onafhankelijk onderzoek wil laten uitvoeren. Reactie op commissieverzoek na berichtgeving over twee meisjes die kerkasiel hebben aangevraagd Uw Kamer heeft verzocht om voor het commissiedebat Jeugdbeleid van 30 september 2026 een kabinetsreactie te ontvangen op de werkwijze van de GI Samen Veilig Midden Nederland (SAVE) naar aanleiding van de berichtgeving over twee meisjes die kerkasiel aan hebben gevraagd. Voor onze reactie verwijzen wij u naar de beantwoording van de eerder gestelde Kamervragen van de leden Synhaeve (D66) en Van der Werf (D66) over een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt en de Kamervragen van het lid Westerveld (PRO) over de aanpak van complexe omgangsproblemen.[voetnoot 10] De beantwoording van deze vragen is op 9 september 2026 aan uw Kamer toegezonden. Een nadere reactie op deze zaak is op deze korte termijn niet haalbaar. Inmiddels zijn door het lid Moinat (Groep Markuszower) schriftelijke vragen gesteld naar aanleiding van de genoemde berichtgeving.[voetnoot 11] Die zullen wij vanzelfsprekend zo snel als mogelijk beantwoorden. Monitorcijfers GI’s Hieronder treft u de monitorcijfers van de GI’s aan met peildatum 1 april 2026, waarbij nader wordt ingegaan op het aantal maatregelen, personeel en workload en wachtlijsten. 1 dec 2022 1 mei 2023 1 april 2024 1 april 2025 1 april 2026 Aantal kinderen met een maatregel 34.043 33.130 32.080 31.230 30.746 Gemiddelde workload per fte 17,1 16,3 14,2 12,0 12,2 Wachtlijst vaste jeugdbeschermer 2.072 1.617 1.343 1.358 1.330 Aantal maatregelen Het totaal aantal kinderbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen bij GI’s is verder afgenomen naar 30.746 op 1 april 2026.[voetnoot 12] De daling van het aantal maatregelen is minder sterk dan voorgaande jaren. Personeel en workload In vergelijking met 1 april 2025 is de formatie van uitvoerend (ondersteunende) jeugdbeschermers iets afgenomen naar 2.654 fte.[voetnoot 13] Dit is mede het gevolg van de daling van het aantal cliënten. De landelijke gemiddelde workload van een jeugdbeschermer stabiliseert zich rond het gemiddelde van 12,2 kinderen per jeugdbeschermer. De in 2023 afgesproken landelijke tarieven zijn gebaseerd op gemiddeld 12,8 kinderen per fte. Bij de start van deze GI-monitor (1 december 2022) was nog sprake van een workload van 17,1 kinderen per medewerker (een daling van ruim 30%). Het personeelsverloop stabiliseert zich op 16,0% in vergelijking met 1 april 2025 (16,1%). Dit is relatief laag in vergelijking met het actuele gemiddelde van de hele jeugdzorgsector (22% in Q1 2026). Het ziekteverzuim is gestegen van 7,3% naar 7,8% per jaar, maar is wel lager dan het gemiddelde in de gehele jeugdzorg (8,1%, Q2 2026). Wachtlijsten Het aantal kinderen dat wacht op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder is afgenomen naar 1.330 kinderen op 1 april 2026 (gemiddeld 4% van totaal aantal kinderen in het gedwongen kader). Hiervan wachten 445 kinderen bij de start van de maatregel op een vaste jeugdbeschermer. Deze kinderen wachten gemiddeld 94 dagen. Daarnaast wachten 885 kinderen op een nieuwe vaste jeugdbeschermer als gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte. De kinderen die op de interne wachtlijst staan, hebben in de regel al wel een plan van aanpak en er is veelal al (jeugd)hulp ingezet. De GI houdt zicht op de veiligheid van alle kinderen die wachten, zowel bij de kinderen die wachten bij de start van de maatregel als op de interne wachtlijst. Stand van zaken verbeteracties wachtlijsten en betekenisvol contact In de brief van 2 december 2025 hebben onze voorgangers u geïnformeerd over de in te zetten verbeteracties rond wachtlijsten en betekenisvol contact in de jeugdbescherming naar aanleiding van de kritische constateringen van de inspecties in hun rapport ‘Als zelfs overheidsingrijpen geen bescherming biedt’.[voetnoot 14] Op het punt van wachtlijsten zetten de GI’s verschillende stappen, los van de voortdurende inzet op werving en behoud van medewerkers. Allereerst hebben ze – door te leren van ‘good practices’ – afspraken gemaakt over het actiever sturen op in-, door- en uitstroom. Daarnaast kiezen de GI’s ervoor om alle gezinnen direct vanaf de start te koppelen aan een vaste jeugdbeschermer en – in geval van capaciteitsgebrek – pas als met een gezin een stabiele situatie is bereikt waarin de veiligheid voldoende is geborgd, in specifieke gevallen te kiezen voor een interne wachtlijst. De beschikbare capaciteit wordt zo gerichter ingezet, daar waar dat het hardste nodig is. Verder hebben de GI’s afgesproken om toe te werken naar meer gezamenlijke verantwoordelijkheid voor wachtlijsten, waarbij meer flexibele inzet van jeugdbeschermers tussen regio’s het streven is. Ten slotte wijzen de GI’s er terecht op dat terugdringen van wachtlijsten gezamenlijke inzet in het netwerk van alle betrokken organisaties vraagt, van onder meer lokale teams, Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Knelpunten elders in het netwerk, bijvoorbeeld wachtlijsten bij lokale teams of de RvdK en een gebrek aan passende, tijdige jeugdhulp, hebben grote invloed op het werk van jeugdbeschermers en vice versa. Voor deze samenhang hebben we ook verbeteracties opgenomen in de veranderstrategie van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming. Op het punt van betekenisvol contact met ouders en kinderen benadrukken de GI’s dat dit een integraal kenmerk moet zijn van het jeugdbeschermingswerk en dus in alle facetten van het werk terugkomt. Alle GI’s hanteren in hun kwaliteitsbeleid en voorgeschreven werkmethoden interne regels over contactfrequentie, contactintensiteit en de navolgbaarheid daarvan, zowel met kinderen als met hun ouders. Dit volgt ook uit het normenkader waarop het Keurmerkinstituut de GI’s toetst. Naar aanleiding van het genoemde inspectierapport hebben alle GI’s hun interne kwaliteitscontroles hierop aangescherpt, onder meer via interne audits en reflectiebijeenkomsten. Daarnaast werken de GI’s aan versterking van en eenduidigheid in de grondhouding van professionals. Een grondhouding die uitgaat van kwalitatief goed in contact kunnen komen met kinderen, ouders/ opvoeders en hun directe omgeving. Deze grondhouding maakt deel uit van het handelingskader zoals in ontwikkeling in het kader van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming. Tot slot wordt voortdurend gewerkt aan verdere verbetering van beter contact en begrip. Bijvoorbeeld door trainingen in gespreksvoering, inzet van ervaringsdeskundigheid en feedback vanuit cliëntperspectief en de verdere invoering van het ‘verklarend analyseren’, waarbij stelselmatig met kinderen, ouders en het netwerk wordt onderzocht welke risicofactoren bijdragen aan onveiligheid en ook welke beschermende factoren aanwezig zijn en verder kunnen worden versterkt. Beleidsreactie op onderzoek verklarende factoren dalende instroom kinderbeschermingsmaatregelen De Universiteit Leiden heeft onderzoek gedaan naar de verklarende factoren van de daling van de inzet van kinderbeschermingsmaatregelen. Een exemplaar van het onderzoek ontving u op 8 april 2026.[voetnoot 15] Het onderzoek laat zien dat het totaal aantal kinderbeschermingsmaatregelen (ondertoezichtstelling en voogdij) in de periode 2015–2024 met circa 20% is gedaald, met een duidelijke omslag vanaf 2021. In dat jaar daalt de instroom scherp en stabiliseert vervolgens op een lager niveau; de uitstroom blijft aanvankelijk stabiel en daalt vanaf 2022. In 2024 liggen instroom en uitstroom op een lager, vergelijkbaar niveau, wat leidt tot stabilisatie van het totale aantal maatregelen. Deze stabilisatie is deels ook zichtbaar in de monitorcijfers van de GI’s eerder in deze brief, in die zin dat de daling van het aantal maatregelen is afgevlakt. De recente daling wordt primair verklaard door een herpositionering van de balans tussen vrijwillige hulp en gedwongen maatregelen, en niet zozeer op een directe afname van problematiek.: gemeenten dienen minder verzoeken tot onderzoek in en de RvdK vraagt minder vaak kinderbeschermingsmaatregelen bij de kinderrechter aan. De afname in het aantal rekesten vertaalt zich rechtstreeks in minder zaken bij de Rechtspraak. Onderliggende factoren die in het onderzoek worden onderscheiden zijn: versterking en langere inzet op het vrijwillig kader, een kritische en principiële houding ten aanzien van gedwongen maatregelen, praktische uitvoeringsproblemen op het gebied van financiën, personeel, beschikbaarheid van passende hulp en wachtlijsten. De onderzoekers vragen om terughoudendheid in de duiding: in delen van de keten was de responsgraad laag, waardoor de bevindingen indicatief en illustratief zijn en niet zonder meer geschikt als basis voor verstrekkende beleidsconclusies. Naar aanleiding van het onderzoek doen de onderzoekers drie aanbevelingen aan het Rijk. We nemen de aanbeveling over om een landelijke monitor in te richten die de gehele keten in beeld brengt, inclusief het voorveld (vrijwillig kader) en de wisselwerking met het gedwongen kader. In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken om een centrale monitor van het jeugdstelsel te ontwikkelen. Deze monitor biedt inzicht in het functioneren van het jeugdstelsel (jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering) aan de hand van de doelen toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid en geeft inzicht in de maatschappelijke context van jongeren (zoals onderwijs, werk & inkomen, gezondheid). De eerste versie van deze monitor wordt in het najaar van 2026 door het Centraal Bureau voor de Statistiek gelanceerd. De overige twee aanbevelingen zien op het uniformeren van registraties en definities en op het inrichten van een structurele en systematische monitoring van ketencapaciteit bij alle schakels van de keten. Deze punten zijn deels al ondergebracht in de centrale monitor, deels zijn ze nog afhankelijk van de ontwikkelingen binnen de veranderstrategie van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming.[voetnoot 16] De centrale monitor betreft een ingroeimodel, jaarlijks wordt bezien of nieuwe indicatoren wenselijk zijn. Moties en toezeggingen Motie van de leden Synhaeve (D66), Westerveld (PRO) en Coenradie (JA21) over het altijd vooraf screenen van jeugdhulpaanbieders en hun medewerkers[voetnoot 17] De leden Synhaeve, Ceder, Westerveld en Coenradie hebben de regering verzocht om uit te werken hoe jeugdhulpaanbieders en hun medewerkers altijd vooraf kunnen worden gescreend. Het kabinet is op meerdere manieren aan de slag om te voorkomen dat jeugdhulpverleners en jeugdhulpaanbieders met slechte bedoelingen werkzaam zijn in het jeugddomein. Zo werkt het aan een uitbreiding van de vergunningplicht naar jeugdhulpaanbieders. Dit houdt in dat jeugdhulpaanbieders pas kunnen starten met hulp verlenen als zij over een vergunning beschikken. Een beoordeling van de kwaliteit en de organisatie van de aanbieder is hier ook onderdeel van. Daarnaast is het de bedoeling dat de in het AZWA voorgestelde verplichting voor bestuurders van zorginstellingen om te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: de VOG) ook gaat gelden voor bestuurders van jeugdhulpaanbieders. Momenteel geldt al voor jeugdhulpaanbieders de verplichting om in het bezit te zijn van een VOG van personen die in hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders. De VOG mag bij indiensttreding niet ouder dan 3 maanden zijn. Verder is het wetsvoorstel met daarin de vergewisplicht voor jeugdhulpaanbieders momenteel in internetconsultatie. Deze verplicht werkgevers zich te vergewissen van het arbeidsverleden van (aan te nemen) professionals. Daarmee vergewissen werkgevers zich ervan dat de wijze waarop medewerkers in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de wegstaat aan het verlenen van jeugdzorg in hun nieuwe functie. Het streven is om het wetsvoorstel waarin deze vergewisplicht is opgenomen in 2027 aan te bieden aan uw Kamer. De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt deze motie hiermee als afgedaan. Motie van het lid Synhaeve (D66) over het inventariseren wat nodig is om handle with care verder uit te rollen[voetnoot 18] Het lid Synhaeve heeft de regering verzocht om te inventariseren wat nodig is om ‘handle with care’ verder uit te rollen en te bezien of deze werkwijze landelijk kan worden ingevoerd. Handle with care is een samenwerking tussen scholen, gemeenten en Veilig Thuis. Hierbij krijgt een school het signaal ‘handle with care’ als er sprake is geweest van politie-inzet in de thuissituatie van een kind. Met dit signaal kan de school rekening houden met de omstandigheden van het kind en kan het kind direct sociale steun ervaren op school en in de klas. Gemeenten hebben de vrijheid om te kiezen of zij handle with care inzetten als onderdeel van hun aanpak kindermishandeling. De afgelopen jaren wordt in steeds meer gemeenten deze werkwijze toegepast en zijn hiermee positieve ervaringen opgedaan. In opvolging van de motie-Synhaeve is de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport samen met de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie op bezoek geweest bij initiatiefnemer Augeo Foundation. Uit dit gesprek bleek dat er regio’s zijn waar wel interesse bestaat voor het inrichten van handle with care, maar waar nog belemmeringen worden gezien, zoals in wet- en regelgeving. De komende tijd gaat de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport in nauw overleg met gemeenten, scholen, Veilig Thuis en Augeo Foundation over het wegnemen van obstakels voor de inzet van handle with care. Over de stand van zaken informeren we uw Kamer in komende voortgangsbrieven. Hiermee beschouwt de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport deze motie als afgedaan. Motie van het lid Van den Hil (VVD) c.s. over het samen met gemeente en Valente verkennen van knelpunten en oplossingen voor kinderen die met hun ouder in een opvanghuis verblijven en waar zich knelpunten voordoen in de financiering van jeugdzorg[voetnoot 19] Motie van de leden Synhaeve (D66) en Van der Werf (D66) over het bewerkstelligen dat kinderen in de vrouwenopvang die dat nodig hebben tijdig passende psychische zorg kunnen ontvangen[voetnoot 20] Beide moties verzoeken de regering om een oplossing te formuleren voor kinderen die met hun ouder in een opvanghuis verblijven en waar zich knelpunten voordoen die ertoe kunnen leiden dat kinderen niet tijdig passende jeugdzorg ontvangen. In de stand van zakenbrief van 30 juni 2026 bent u geïnformeerd over de knelpunten.[voetnoot 21] Het beeld dat hieruit naar voren komt is dat knelpunten zich voordoen op de intergemeentelijke samenwerking. Daarnaast is naar voren gekomen dat goede mandaatafspraken tussen gemeenten een oplossing kunnen bieden. Op 10 september 2026 is in het Bestuurlijk Overleg VNG-Rijk besproken dat mandaatverlening een oplossing is voor de geconstateerde knelpunten. Rijk en VNG hebben afgesproken zich in te zetten om de werkwijze over mandaatverlening ten behoeve van jeugdigen die verblijf hebben in de vrouwenopvang, maatschappelijke opvang, pleegzorg of een gezinshuis in een andere gemeente en die aanvullende ambulante zorg nodig hebben, breed in Nederland te verspreiden. Dit wordt gefaciliteerd via een modelbesluit voor mandaatverlening dat gemeenten kunnen gebruiken om wanneer nodig snel tot mandaatverlening over te kunnen gaan. Door middel van deze bestuurlijke afspraak worden gemeenten gefaciliteerd om knelpunten in de samenwerking te voorkomen. Daarnaast is afgesproken dat het Ketenbureau i-Sociaal Domein (het Ketenbureau) sterker wordt gepositioneerd in het kader van geschillen over de toepassing van het woonplaatsbeginsel van de Jeugdwet. Er komt een landelijk meldpunt woonplaatsbeginsel waar casuïstiek gemeld kan worden, mocht het ondanks bovenstaande afspraken in de praktijk toch niet goed gaan. Daarnaast wordt ingezet op de adviserende en bemiddelende functie van het Ketenbureau. Jaarlijks wordt de afspraak geëvalueerd. Na vier jaar wordt bezien of deze frequentie nog passend is. De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt beide moties hiermee als afgedaan. Motie van het lid Ceder (CU) over positieve mannelijke rolmodellen voor jongeren[voetnoot 22] Het lid Ceder heeft de regering verzocht expliciet aandacht te besteden aan het versterken van positieve mannelijke rolmodellen voor jongeren, om met gemeentes en maatschappelijke organisaties te bezien hoe bestaande initiatieven met vaderrolmodellen kunnen worden ondersteund en te onderzoeken welke belemmeringen mannen ervaren om werkzaam te worden in pedagogische beroepen. Uit onderzoek van de Onderwijsraad in opdracht van de Tweede Kamer uit 2020 bleek dat meisjes en jongens in Nederland opleidingen en studierichtingen kiezen volgens traditionele patronen.[voetnoot 23] Vrouwen kiezen vaker voor zorg en onderwijs en mannen voor exacte wetenschap en techniek. Deze verschillen ontstaan op verschillende niveaus: thuis identificeren kinderen zich met rolmodellen binnen het gezin, in het onderwijs bestaan er stereotypen in onderwijsmateriaal en maatschappij-breed heersen bepaalde sociaal-culturele opvattingen over gender. Ook zou door de oververtegenwoordiging van vrouwen in verzorgende beroepen (zoals de kinderopvang) dit werk als minder aantrekkelijk worden ervaren door mannen.[voetnoot 24] Het ministerie van VWS is in gesprek met Sociaal Werk Nederland en andere ketenpartijen binnen het sociaal werk om te bezien hoe bestaande initiatieven binnen het sociaal werk gericht op (mannelijke) voorbeeldrollen breder onder de aandacht kunnen worden gebracht. Daarvoor wordt in kaart gebracht welke initiatieven met jongerenwerkers/-coaches en andere positieve vaderrolmodellen worden uitgevoerd en aan welke initiatieven meer bekendheid kan worden gegeven, zodat maatschappelijke en/of sociaal werk organisaties en gemeenten zich hierdoor kunnen laten inspireren bij hun eigen inzet. Hiermee beschouwt de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport deze motie als afgedaan. Motie van het lid Ceder (CU) over het functioneren van de RET’s na twee jaar evalueren[voetnoot 25] Eind 2020 zijn door de commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs van de VNG de vier functies van de regionale expertteams (RET’s) vastgesteld in een borgingsdocument. Tot 2022 hebben de RET’s deze vier functies (verder) ingevuld en/of (verder) versterkt. Door deze ontwikkeling en met oog op de motie Ceder die vraagt per 2028 de RET’s te evalueren, heeft het ministerie VWS in mede opdrachtgeverschap met de VNG gevraagd om een startfoto te maken die inzicht geeft in de mate waarop door RET’s invulling wordt gegeven aan de functies en randvoorwaarden in het borgingsdocument. Om zich een beeld te vormen te vormen over de invulling van de functies en randvoorwaarden van de RET’s, is gekeken naar achtergronddocumenten die beschikbaar waren bij de RET’s en gemeenten en zijn interviews afgenomen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de RET’s verschillend invulling geven aan de functies en randvoorwaarden. Sommige RET’s hebben aan (bijna) alle functies uit het borgingsdocument invulling gegeven. Dit kan hen helpen om ook een stevige positie binnen de jeugdregio in te nemen. In andere jeugdregio’s is nog ruimte om de RET’s verder door te ontwikkelen en een stevigere positie te geven. Sommige RET’s zijn ook pas relatief recent opgericht. Soms wordt ook gedeeltelijk voldaan aan de eisen uit het borgingsdocument of geeft een RET daar op een andere manier invulling aan. Meerdere RET’s hebben kritiek geuit op het onderzoek en hebben aangegeven dat zij zich niet of niet volledig herkennen in de scores die zij hebben gekregen in dit onderzoek. Naar aanleiding daarvan hebben er verschillende gesprekken tussen de RET’s, de bovenregionale expertisenetwerken (BEN’s) en onderzoeker plaats gevonden. Dit toont onder andere aan hoe lastig het is om het functioneren of ontwikkelen van een RET in een cijfermatige score weer te geven. Deze blijkt achteraf te eendimensionaal voor de complexe omgeving en dynamiek waarin het RET zich bevindt. Daarnaast hebben RET’s na afronding van hun gesprekken met onderzoek inmiddels alweer meerdere stappen gezet in hun ontwikkeling en is het rapport daarom op punten inmiddels ingehaald door de werkelijkheid. Desalniettemin levert het onderzoek voor de doorontwikkeling van de RET’s verschillende relevante rode draden op. Een daarvan is dat de betrokkenheid van ouders en jeugdigen een belangrijke voorwaarde voor het succes is. Deze betrokkenheid kan bij een aantal RET’s verder worden verbeterd. Ook bestuurlijk commitment en een goed mandaat voor het RET is essentieel om tot (duurzame) oplossingen te komen. Hier zijn nog stappen op te zetten. Hoog personeelsverloop bij RET’s blijkt een risico voor het opbouwen van een professioneel RET en het goed functioneren daarvan. Op deze rode draden doet het rapport een aantal praktijkaanbevelingen voor de RET’s en de BEN’s. Met de aangenomen motie Ceder moeten de RET’s uiterlijk in 2028 geëvalueerd worden. De geleerde lessen uit dit onderzoek nemen we mee bij het uitzetten en vormgeven van de evaluatie van de RET’s. Nadat de evaluatie heeft plaatsgevonden, zal uw Kamer hierover worden geïnformeerd. Het opgeleverde rapport wordt door VNG gedeeld met alle 42 jeugdregio’s, zodat zij het rapport kunnen gebruiken om hiervan te leren en hun RET’s verder door te ontwikkelen en die hun positie in het zorglandschap kunnen innemen. Motie van het lid Dobbe (SP) over ervaringsdeskundigheid vaker inzetten bij maatregelen in de jeugdbescherming[voetnoot 26] De motie van het lid Dobbe constateert dat ervaringsdeskundigheid momenteel nog beperkt wordt ingezet in de jeugdbescherming, zowel op beleidsniveau als in de praktijk, vergeleken met de jeugdhulp. Zij verzoekt daarom de regering om samen met ervaringsdeskundigen en GI’s ervoor te zorgen dat ervaringsdeskundigheid vaker kan worden ingezet bij de inzet van maatregelen in de jeugdbescherming. Ook nu al maken GI’s gebruik van ervaringsdeskundigheid. Steeds meer GI’s betrekken jongeren, ouders, ervaringsdeskundigen en cliëntenraden bij ontwikkelingen. Verschillende GI’s hebben daarnaast ervaringsdeskundigen in dienst, die het primaire proces direct ondersteunen bij het verdiepen van het begrip van situaties en het verkennen van mogelijkheden voor jongeren en gezinnen. GI’s geven bovendien zelf aan dat zij de beschikbare ervaringsdeskundigheid beter willen benutten in het primaire proces. Alle GI’s hebben daarnaast een cliëntenraad; dit is een wettelijke verplichting. Ervaringsdeskundigheid heeft een nadrukkelijke plek in de verdere ontwikkeling van de kind- en gezinsbescherming. In de veranderstrategie van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming is afgesproken om ervaringsdeskundigen actief te betrekken bij de ontwikkeling en implementatie van de nieuwe werkwijze en het gemeenschappelijk handelingskader. Daarbij wordt samen met betrokken partijen, waaronder de GI’s en ervaringsdeskundigen, verkend op welke wijze hun kennis en ervaring structureel kunnen worden verankerd in de praktijk van de kind- en gezinsbescherming en kunnen bijdragen aan de verdere ontwikkeling van gezins- en herstelgerichte werkwijzen. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan de motie en wordt ervaringsdeskundigheid als volwaardige bron van kennis en expertise verder verankerd in de veranderopgave. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beschouwt de motie hiermee als afgedaan. Toezegging informeren Kamer over ontwikkelingen Jeugdbescherming Noord (hierna: JB Noord)[voetnoot 27] In het commissiedebat jeugdbeleid en jeugdbescherming van 2 september 2025 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid toegezegd om uw Kamer te informeren over de ontwikkelingen bij en onderzoeken naar JB Noord. Een stand van zaken op dit punt is reeds opgenomen in de voortgangsbrief Jeugd van 27 januari 2026.[voetnoot 28] Hierbij informeren wij u over het oordeel van de inspecties als het gaat om het al dan niet verlengen van het verscherpt toezicht. In juni 2026 hebben de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid het verscherpt toezicht op JB Noord beëindigd. De inspecties concludeerden dat JB Noord het afgelopen jaar meerdere verbetermaatregelen heeft ingezet om de kwaliteit van de uitvoering van kinderbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen te verbeteren. Geconstateerd is dat de kwaliteit van de uitvoering van maatregelen op alle getoetste normen is verbeterd, maar dat nog niet alle tekortkomingen zijn weggenomen. Het verscherpt toezicht is opgeheven, omdat er verbetering op alle normen is geconstateerd en er grote stappen gezet zijn op de normen die binnen de invloedssfeer van JB Noord liggen. Het betekent dat de kern van het verbeterplan is gerealiseerd en dat de sturing en het zicht binnen de organisatie beter op orde is en daarmee ook op de uitvoering van de maatregelen. Resterende knelpunten verdwijnen niet met het opheffen van het verscherpt toezicht en blijven onderwerp van regulier toezicht. De inspecties blijven de komende periode nog intensief betrokken bij de verdere uitwerking van het verbeterplan en de borging op lange termijn. Hiermee beschouwt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de toezegging om de contacten met JB Noord en de betrokken gemeenten te intensiveren en uw Kamer hierover te informeren als afgedaan.[voetnoot 29] Tot slot In een afzonderlijke brief, die gelijktijdig met deze brief naar uw Kamer is verzonden, informeren we u over de dilemma’s en uitdagingen die we zien bij de totstandkoming van een toereikend aanbod van passende hulp aan jeugdigen met complexe casuïstiek. In die brief schetsen we de stappen die we in aanvulling op de bestaande afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd zetten om tot verbeteringen te komen in de jeugdzorg. Een brief waarin uitgebreider zal worden ingaan op lopende onderdelen van de Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en andere actuele beleidsontwikkelingen rondom jeugdzorg ontvangt u in aanloop naar het wetgevingsoverleg Jeugd van 30 november 2026. De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid K.T. van Bruggen Aanhangsel handelingen II 2025/26, 516. Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1145. Kinderombudsman, ‘Je bent maar een kind, je durft gewoon niet’, februari 2026. Regeling van Werkzaamheden 30 juni 2026, 2026Z15085. JOGG-aanpak: impact model, jogg-academy.nl. Sterfte rond de geboorte-zuigelingensterfte, vzinfo.nl. Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XVI, nr. 56. Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1184. Voor de volledigheid: de procedure via de Centrale autoriteit geldt voor buitenlandplaatsingen in civielrechtelijk kader, niet in jeugdstrafrechtelijk kader. Aanhangsel handelingen II 2025/26, 3008; 2026Z13393 en 3009; 2026Z13388. 2026Z19699. Waarvan 5.870 jeugdreclasseringstrajecten. Hieronder vallen zowel jeugdbeschermers als jeugdreclasseerders en andere medewerkers (zoals gedragsdeskundigen of juristen) die meewerken in de uitvoering. Kamerstukken II 2025/2026, 31 839, nr. 1113. Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1148. Kamerstukken II 2025/26, 28 345 nr. 314. Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1155. Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1131. Kamerstukken II 2024/2025 29 325, nr. 185. Kamerstukken 2025-2026 28 345, nr. 310. Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1179. Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1172. Onderwijsraad, Een verkenning van sekseverschillen in het onderwijs, Den Haag: Onderwijsraad 2020 (online). Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 2824. Kamerstukken II 2024/25, 36 546, nr. 62. Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1118. Kamerstukken II, 2024/25, 31 839, nr. 1112 (TZ202509-030). Kamerstukken II 2025/26, 31 839, nr. 1146. Kamerstukken II 2025/26, 36 800 XVI, nr. 184 (TZ202602-041).
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.