Ontwikkelingen in het toezicht op het funderend onderwijs
Brontekst
Versie 4800663280888178 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 865 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VANONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 18 december 2025Iedere dag opnieuw werken vele professionals aan het beste onderwijs.Ook de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft daarin eenbelangrijke rol. In haar onderzoeken laat de inspectie zien wat goed gaaten waar verbetering nodig is. Met de oordelen en inzichten die uit dieonderzoeken voortvloeien, draagt effectief toezicht van de inspectie bijaan de borging en bevordering van onderwijskwaliteit.Dit voorjaar nam uw Kamer met brede steun de motie Rooderkerk c.s.aan, waarin de regering verzocht wordt ervoor te zorgen dat alle scholenperiodiek, de vier jaar zo dicht mogelijk benaderend, fysiek bezochtworden door de inspectie. Zoals dit voorjaar al aangekondigd, is deinspectie gevraagd hiervoor een uitvoeringstoets op te leveren.1 Dezeuitvoeringstoets biedt een rijk beeld van de afwegingen binnen hetvormgeven van effectief toezicht. In deze brief schetsen wij hoe weinvulling willen geven aan de motie Rooderkerk.In het debat met uw Kamer is ook gesproken over de zorgen omtrent derapportage over het aantal schoolbezoeken. In deze brief schetsen we devoortgang op de ingezette verbeteracties ten aanzien van de informatie-voorziening en verantwoording over het aantal schoolbezoeken.2 Daarbijgaan we ook in op het onderzoek naar de informatievoorziening dat doorde Auditdienst Rijk (hierna: ADR) is uitgevoerd, en geven we aan welkelessen we hieruit trekken.Bij effectief toezicht gaat het niet alleen om het aantal bezoeken, maar ookom effectieve en heldere onderzoekskaders, waar ook het onderwijsresul-tatenmodel onderdeel van uitmaakt. De ontwikkeling van de nieuweonderzoekskaders komt ook in deze brief aan bod. Verder bevat deze brief1Kamerstukken II, 2024/25, 31 293, nr. 780.2Onze ambtsvoorgangers hebben uw Kamer hier eerder over geïnformeerd in Kamerstukken II,2024/25, 31 293, nr. 760. kst-31293-865ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8651 een update over het wetsvoorstel waarmee eisen gesteld zullen wordenaan bestuurders en het intern toezicht. Ten slotte wordt ingegaan op deverkenning naar het handhavingsinstrumentarium.Periodieke schoolbezoekenNaar aanleiding van het debat van 10 april 2025 heeft uw Kamer tweemoties aangenomen die raken aan de mix van instrumenten die deinspectie binnen het toezicht hanteert: de motie Rooderkerk c.s.3 over hetweer invoeren van periodieke fysieke schoolbezoeken, en de motieKisteman/Rooderkerk4 over het invoeren van minder tijdsintensieve enonaangekondigde schoolbezoeken. We begrijpen deze wensen vanuit deKamer. Effectiviteit van het toezicht staat voor ons voorop. Dit betekentdat wij van de inspectie verwachten dat zij het toezicht inricht op basis vande geldende wet- en regelgeving en de voor toezicht bestaande weten-schappelijke en (inter)nationale toezichtstandaarden en dat zij haar wijzevan toezicht evalueert op effectiviteit. Inspecteurs moeten daar zijn waarzij het meest nodig zijn, maar mogen daarbij de andere scholen niet uithet oog verliezen. Het is daarom wenselijk dat de inspectie periodiek allescholen in ons land fysiek bezoekt. Ook onaangekondigde en mindertijdsintensieve bezoeken kunnen een meerwaarde hebben in het toezicht,mits zij effectief worden benut.Om te kunnen bepalen hoe deze wensen vanuit uw Kamer zo efficiënt eneffectief mogelijk ingezet kunnen worden, heeft de inspectie op verzoekvan ons ministerie een uitvoeringstoets gedaan op beide moties. Deinspectie heeft daarin in kaart gebracht wat binnen de huidige budgettairekaders mogelijk is en wat dit volgens haar betekent voor haar overige(wettelijke) taken, zoals het toezicht op besturen. De uitvoeringstoets is alsbijlage toegevoegd aan deze brief.Inhoud uitvoeringstoetsIn haar uitvoeringstoets werkt de inspectie drie scenario’s uit vooruitvoering van de voornoemde moties. In alle scenario’s wordt hetscholentoezicht uitgebreid en wordt voorkomen dat er scholen zijn die inhet geheel niet worden bezocht. Daarbij introduceert de inspectie(conform de voornoemde motie Kisteman c.s.) het nieuwe toezichtin-strument van kortdurende, onaangekondigde schoolbezoeken, waarmeeop dit moment al een pilot wordt uitgevoerd. Deze bezoeken kunnen inéén dag worden afgerond en richten zich op scholen die niet uit dejaarlijkse risicoanalyse naar voren komen en niet steekproefsgewijsonderzocht worden, om te voorkomen dat zij te lang niet bezocht worden.Na afloop van een bezoek volgt geen eindoordeel; wel wordt eenterugkoppeling aan de school gegeven en kan het toezicht – afhankelijkvan het gekozen scenario -opgeschaald worden wanneer duidelijkerisico’s geconstateerd worden. De inspectie publiceert na deze bezoekeneen beknopt rapport, zodat ook ouders kennis kunnen nemen van deresultaten. Dit nieuwe instrument wordt de komende jaren geëvalueerdop uitvoerbaarheid en effectiviteit.Verder wordt in alle scenario’s afgestapt van het uitgangspunt vanintensieve vierjaarlijkse bestuursonderzoeken. Het bestuurstoezicht wordtsterker risicogericht, met daarnaast bestuursbezoeken als minderintensieve toezichtsvorm. Ook verbetert de inspectie in alle scenario’shaar eigen werkprocessen, onder meer door de inzet van AI te verkennenen haar datagedreven werkwijze verder te ontwikkelen. Ten slotte krijgen3Kamerstukken II, 2024/25, 31 293, nr. 791.4Kamerstukken II, 2024/25, 31 293, nr. 792.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8652 besturen in scenario’s 1 en 2 een grotere rol bij risico- en herstelonder-zoeken op scholen.Een van de onderscheidende punten tussen de scenario’s is de matewaarin de hiervoor genoemde wijzigingen in het scholen-, bestuurs- enstelseltoezicht worden doorgevoerd, en de periodiciteit die daarmeewordt gerealiseerd voor de scholenbezoeken. Dit heeft gevolgen voor deeffectiviteit van het toezicht, de aansluiting bij de wettelijke taken van deinspectie en de ruimte voor de inspectie om daar te zijn waar zij het hardstnodig is. De scenario’s worden hieronder kort geschetst. De inspectiegeeft aan dat de schattingen van de frequentie van schoolbezoeken metonzekerheid omgeven zijn en dat deze onzekerheid toeneemt bij eenhogere frequentie van bezoeken.In scenario 1 voert de inspectie bovenop haar reguliere taken jaarlijks 800veelal onaangekondigde kortdurende schoolbezoeken uit in het primaironderwijs. De inspectie verwacht dat in dit scenario ongeveer driekwartvan de scholen minimaal eens per 4 jaar bezocht wordt en dat geenschool langer dan 6 jaar niet bezocht wordt. Vanwege deze inzet bijscholen is invoering van steekproefsgewijze bestuursonderzoeken ineerste instantie niet mogelijk, waardoor de inspectie haar risicogerichtewerkwijze niet kan toetsen en aanscherpen. Ook wordt in dit scenario dehuidige, afgebouwde capaciteit voor stelseltoezicht aangehouden. Deinspectie ziet risico’s bij dit scenario: op de korte termijn is de capaciteitvoor intensieve (herstel)trajecten niet gegarandeerd; op de langeretermijn ontstaat spanning ten aanzien van de door de inspectie noodza-kelijk geachte versterking van het bestuurs- en stelseltoezicht.In scenario 2 voert de inspectie jaarlijks 350 extra onaangekondigdeschoolbezoeken uit in het primair onderwijs. De inspectie verwacht dat indit scenario ongeveer driekwart van de scholen minimaal eens per 6 jaarbezocht wordt en dat geen school langer dan 8 jaar niet bezocht wordt.Hierdoor kunnen stelselonderzoeken een stevige plek in de toezichtmixbehouden en kan het stelseltoezicht indien nodig zelfs opgeschaaldworden. Ook is er ruimte om te starten met steekproefsgewijze bestuurs-onderzoeken, zodat ook op dit niveau het zicht wordt verbeterd. Er is ookruimte voor de inspectie om op te treden bij onvoorziene omstandighedenen om intensieve toezichttrajecten aan te gaan bij de scholen waar hetmeeste mis is. Dit scenario komt tegemoet aan de wens van de Kamer omgeen enkele school uit het oog te verliezen. Vanwege de effectieve mixvan toezichtactiviteiten heeft dit scenario de voorkeur van de inspectie. Erkomt meer aandacht voor scholen, maar er blijft robuuste aandacht voorhet stelsel en de besturen. Er blijft in dit scenario voldoende balansbestaan tussen de uitvoering van de verschillende wettelijke taken die zijheeft.In scenario 3 voert de inspectie jaarlijks 1250 onaangekondigde schoolbe-zoeken uit in het primair onderwijs. Daardoor worden in dit scenario enkelnog risicogerichte bestuursonderzoeken uitgevoerd en is er geen ruimtevoor steekproefsgewijze bezoeken aan besturen. Ook is er mindercapaciteit voor intensieve toezichttrajecten en is er slechts minimalecapaciteit beschikbaar voor het stelseltoezicht. De inzet van dit scenario isdat geen school langer dan 4 jaar niet bezocht wordt. Deze verwachting isechter omgeven met grote onzekerheid, omdat sterker geleund wordt ophet nieuwe instrument van de kortdurende, onaangekondigde schoolbe-zoeken. Dit scenario is voor de inspectie onwerkbaar, omdat er onverant-woorde risico’s worden genomen ten aanzien van de onderwijskwaliteiten het zicht op besturen en het stelsel. Het grote aantal schoolbezoekengaat ten koste van de andere kerntaken van de inspectie. Ook geeft deinspectie aan dat het scenario haaks staat op haar eigenstandige rol alsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8653 toezichthouder, omdat zij gevraagd zou worden in te gaan tegen nationaleen internationale wetenschappelijke inzichten van goed toezicht. Hetscenario is ook in strijd met haar eigen toezichtfilosofie voor effectieftoezicht, die is gebaseerd op die wetenschappelijke inzichten en de ruimeervaring van de inspectie als toezichthouder. In dit scenario bestaat doorde zeer grote uitbreiding van het scholentoezicht het grootste risico dat deinspectie wegens capaciteitsgebrek haar andere wettelijke taken niet meernaar behoren kan uitoefenen.De inspectie ziet bij alle drie de scenario’s een risico dat potentieel urgentevraagstukken in het funderend onderwijs de druk op de inspectiecapaciteitvoor mbo en ho verhogen.Beleidsmatige weging van de uitvoeringstoetsDe inspectie moet daar zijn waar zij nodig is en dat betekent dat elkeschool met regelmaat wordt bezocht, maar ook dat er voldoende ruimteblijft om extra aandacht te besteden aan de scholen waar het minder goedgaat. Daarnaast moet de inspectie zicht blijven houden op besturen en ophet stelsel als geheel. Die combinatie van taken vraagt om eenzorgvuldige balansoefening. Samen met uw Kamer bepalen wij daarvoorde uitgangspunten en het is vervolgens aan de toezichthouder om daarvanuit haar eigen kennis en professionaliteit verdere invulling aan tegeven, bijvoorbeeld in het jaarwerkplan. Dat jaarwerkplan wordt inafstemming met het departement opgesteld en het ontwerp wordt eerstvier weken ter voorhang voorgelegd aan de Staten-Generaal, alvorens hetjaarwerkplan door de Minister wordt goedgekeurd. Zo heeft ieder eeneigen rol in de vormgeving van effectief toezicht.Wij kunnen de reflectie van de inspectie op de verschillende scenario’sgoed volgen en volgen daarom de inspectie in haar voorkeur voorscenario 2. Dit scenario sluit ook aan bij de resultaten uit de peer-reviewdie de inspectie eerder dit jaar door externe experts en ervaringsdeskun-digen heeft laten uitvoeren op haar toezichtaanpak. De peer-review zit alsbijlage bij deze brief. De experts wijzen erop dat de verschillende niveausvan het toezicht elkaar versterken. School- en bestuursgericht toezichtverbetert de prestaties van individuele scholen en schoolbesturen op dekorte termijn, terwijl stelseltoezicht op de langere termijn de prestatiesvan het gehele onderwijssysteem bevordert. Dat kan alleen als voor elkvan die taken voldoende capaciteit beschikbaar is. De inspectie wordt indeze afweging geholpen door de grote hoeveelheid data waarover zijbeschikt. Deze data maken het mogelijk om geavanceerde risicoanalysesuit te voeren die bijdragen aan een effectieve inzet van het risicogerichtetoezicht, in aanvulling op de periodieke schoolbezoeken. Ook op ditmoment voert de inspectie al jaarlijks een risicoanalyse uit voor iedereschool.Scenario 2 doet het meeste recht aan de noodzakelijke balans tussen deverschillende toezichtvormen. Vanaf 2028 wordt deze werkwijze met eenperiodiciteit van 6 tot 8 jaar officieel ingevoerd. In aanloop daarnaartoevoert de inspectie de reeds ingezette opschaling van het aantal schoolbe-zoeken verder op. Afgezet tegen de gerealiseerde toezichtactiviteiten inhet jaarverslag van de inspectie over 2024, is de verwachting dat er in2028 ruim 500 extra toezichtactiviteiten op schoolniveau zullen wordenuitgevoerd, waaronder de 350 kortdurende, onaangekondigde bezoekenuit scenario 2. Daarnaast zullen ongeveer 150 extra toezichtactiviteiten opbestuursniveau worden uitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8654 Beleidsreactie ADR-rapportDe motie Rooderkerk c.s. vraagt ook om jaarlijkse rapportage aan deTweede Kamer van het aantal schoolbezoeken. In het verleden is derapportage niet altijd volledig geweest, waardoor onduidelijkheden zijnontstaan over het aantal afgelegde schoolbezoeken. Eind 2024 meldde hettv-programma Nieuwsuur dat het de inspectie tussen 2014 en 2019 nietgelukt is alle basisscholen eens per vier jaar te bezoeken. Naar aanleidingvan dat signaal heeft de ADR op verzoek van ons ministerie onafhankelijkonderzoek verricht naar de informatieverstrekking aan de Tweede Kamerover de frequentie van schoolbezoeken in het funderend onderwijs en deonderliggende processen in de periode 2012–2021. We zijn de ADR zeererkentelijk dat zij op korte termijn dit onderzoek hebben willen uitvoeren.Uit het ADR-rapport blijkt dat de schriftelijke informatieverstrekking aanuw Kamer over de schoolbezoeken in de periode van 2012 tot en met 2021eenzijdig en onduidelijk was. Wij betreuren dit. Dat er door alle betrok-kenen steeds naar eer en geweten gehandeld is doet hier niets aan af: deinformatievoorziening moet op orde zijn, zodat de democratische controlegoed vorm kan krijgen. We onderschrijven de aanbevelingen van de ADRen naar aanleiding van de constateringen en aanbevelingen uit hetrapport verbeteren we onze werkwijze op drie cruciale punten.Samenwerking tussen de inspectie en het departementDe ADR stelt vast dat afstemming tussen ons ministerie en de inspectiebeter ingeregeld kan worden. De Wet op het onderwijstoezicht en deRegeling Inspectie van het onderwijs 2018 schetsen de kaders voor dezesamenwerking. Daarin is onder andere beschreven hoe het samenspeltussen inspectie, departement en uw Kamer eruit ziet ten aanzien van hetjaarwerkplan, het jaarverslag en de onderzoekskaders. De ADR ziet ruimtevoor nadere invulling van de wijze waarop de samenwerking vorm krijgt.Daarbij moet opgemerkt worden dat er altijd enige schuring kan optredenwanneer een toezichthouder binnen de ministeriële verantwoordelijkheidhaar werk doet, en tegelijkertijd ook onafhankelijk is in haar oordeels-vorming en bevindingen. Een heldere verdeling van taken, rollen enverantwoordelijkheden is daarom des te belangrijker. De suggesties vande ADR voor betere governancepraktijken worden meegenomen enuitgewerkt in nadere samenwerkingsafspraken tussen de inspectie en hetdepartement.Dialoog tussen departement en parlementVerder doet de ADR in haar rapport de aanbeveling om de reflectievedialoog met uw Kamer beter te voeren om te komen tot een gedragenbeeld van wat effectief toezicht inhoudt, en van wat de functie vanschoolbezoeken hierbij is. Ook hiervan zien we het nut. Het is eengezamenlijke verantwoordelijkheid van ons departement, de inspectie enuw Kamer om geen nieuwe misverstanden te laten ontstaan over deconcrete uitvoering van moties en toezeggingen. We zien de gedachtewis-seling die reeds is ontstaan in het kader van de hierboven al behandeldemoties Rooderkerk c.s. en Kisteman/Rooderkerk als goed startpunt vooreen gefundeerde dialoog tussen departement en Kamer over effectieftoezicht.Registratie en verantwoording schoolbezoekenDe ADR heeft geconstateerd dat de registratie van schoolbezoeken vooralgericht was op de interne verantwoording binnen de sectoren van deinspectie. Zo werden schoolbezoeken enkel per sectordirectie geregis-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8655 treerd, was er geen eenduidige definitie van de term «schoolbezoek» enbestond er geen centrale verantwoording over de realisatie. Vanuit hetbestuursdepartement is onvoldoende navraag gedaan bij de inspectienaar de frequentie van schoolbezoeken.Daarom zijn op dit vlak de volgende vervolgacties in gang gezet:(1)De inspectie heeft onderzoek gedaan naar de frequenties vanschoolbezoeken in het funderend onderwijs, ten behoeve van debeantwoording van twee eerder gestelde Kamervragen van het lidSoepboer (destijds NSC).5 De ADR heeft de totstandkoming van debeantwoording van deze twee vragen gevolgd, en stelt vast dat dewerkwijze en berekeningswijze van de beantwoording reconstrueer-baar zijn en tot betrouwbare uitkomsten kunnen leiden. De beantwoor-ding ontvangt u als bijlage bij deze brief.(2)De inspectie heeft een verbeterplan toezichtregistratie opgesteld omtot een heldere centrale verantwoording te komen. Dit plan isgevalideerd door een extern adviesbureau en wordt momenteeluitgevoerd.(3)De inspectie heeft door externe experts op het gebied van toezicht enonderwijs een peer-review op haar toezichtaanpak laten uitvoeren,teneinde haar werkwijze van toezicht te verantwoorden en waarmogelijk verder te verbeteren. Naar deze peer-review werd hiervoor alverwezen in het licht van de periodieke schoolbezoeken. Het eindrap-port van deze peer-review bieden we hierbij, zoals toegezegd, aan uwKamer aan.(4)De ISO 9001-certificering van de inspectie is in januari 2025 conformhet reguliere ritme herbeoordeeld. Geconcludeerd is dat het kwaliteits-zorgsysteem op orde is. Ook blijkt uit aanvullend onderzoek van EIKCertificering dat de inspectie rondom de uitzendingen van Nieuwsuuradequaat is omgegaan met de publiciteit en de lessen die zij hieruittrekt.(5)Het bestuursdepartement zal erop toezien dat de frequentie vanschoolbezoeken vanaf nu eenduidig en helder wordt gepresenteerd inhet jaarverslag van de inspectie, zodat uw Kamer in staat is deuitvoering van de motie Rooderkerk c.s. te monitoren en te controle-ren. Daarnaast zal de inspectie ook in haar jaarwerkplan schetsen hoezij haar instrumenten gaat inzetten om die frequentie te realiseren.Met bovenstaande acties werken de inspectie en het bestuursdepartementverder aan een structurele verbetering van registratie en verantwoordingvan de toezichtactiviteiten.Nieuw onderzoekskader vanaf augustus 2027In de onderzoekskaders beschrijft de inspectie hoe het toezicht op hetonderwijs is ingericht. De onderzoekskaders beschrijven de werkwijze vande inspectie en bevatten de waarderingskaders voor de beoordeling vanscholen, opleidingen en besturen. De kaders worden jaarlijks geactuali-seerd, vooral om ze in lijn te brengen met nieuwe wet- en regelgeving. In2021 vond de laatste integrale herziening plaats. Per augustus 2027gebeurt dit opnieuw. Met zo’n periodieke, grotere herziening beoogt deinspectie aan te sluiten bij relevante ontwikkelingen en inzichten uit dewetenschap en de praktijk.De nieuwe onderzoekskaders worden compacter en duidelijker. Naast hetstructurele toezicht met een gestandaardiseerde en voorspelbarewerkwijze komt er meer ruimte voor adaptieve vormen van toezicht, zodat5Het gaat om vragen 10 en 11 van de set die werd ingediend op 1 november 2024 met kenmerk2024Z17264 en reeds deels is beantwoord in Aanhangsel Handelingen II, 2024/25, nr. 637.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8656 de inspectie gericht en op maat kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Inde nieuwe onderzoekskaders is aandacht voor de aard van (eind)oordelenen wordt de samenhang tussen de verschillende vormen van toezicht opde niveaus van scholen en afdelingen, besturen en stelsel verderverduidelijkt.Tot de zomer van 2026 vindt verdere uitwerking van de onderzoekskadersplaats, in wisselwerking met onder meer het onderwijsveld, de weten-schap en beleid. Vanaf augustus 2026 zullen de beoogde vernieuwingengetoetst worden in het veld en start het formele bestuurlijke traject,waarin de inspectie overleg voert met het georganiseerde onderwijsveldover de beoogde herziening van de onderzoekskaders. Het is daarbij debedoeling dat de onderzoekskaders niet alleen aansluiten bij het wettelijkkader, maar ook bij breed in het onderwijsveld heersende opvattingenover kwaliteit en continuïteit van het onderwijs en over de rol van deinspectie in de beoordeling daarvan. Na dit proces worden de nieuwekaders vastgesteld door de Minister. De vastgestelde onderzoekskaders ende verslagen van het overleg met het onderwijsveld worden voor hetzomerreces van 2027 verzonden aan uw Kamer.Herziening onderwijsresultatenmodelOnderdeel van de onderzoekskaders zijn de leerresultaten (standaardOR1). Voor de beoordeling van deze standaard gebruikt de inspectie hetonderwijsresultatenmodel, dat is vastgelegd in twee ministeriëleregelingen: de Regeling Leerresultaten PO en de Regeling LeerresultatenVO. Voor het primair onderwijs bestaat dit model uit twee indicatoren: hetaantal leerlingen dat in de doorstroomtoets voor lezen, taalverzorging enrekenen het fundamentele referentieniveau 1F haalt en het aantalleerlingen dat het streefniveau 2F/1S haalt. Het model voor het voortgezetonderwijs bestaat uit vier indicatoren: doorstroom in de onderbouw,doorstroom in de bovenbouw, eindexamencijfers en de positie vanleerlingen in het derde leerjaar ten opzichte van het basisschooladvies.Leerresultaten zijn een belangrijke indicator van de onderwijskwaliteit endeze onderzoeksstandaard heeft daarom een prominente rol in hettoezicht. Het toezicht op de minimale eisen voor leerresultaten zorgt vooreen betrouwbare en gelijke lat voor alle scholen. Tegelijkertijd zeggendeze resultaten niet alles. Het is niet de bedoeling dat scholen vanuit hetonderwijsresultatenmodel een perverse prikkel ervaren om op voorleerlingen nadelige manieren te sturen op betere leerresultaten. Naaraanleiding van de motie Stoffer/Ceder6 is samen met de inspectieonderzocht hoe de toezichtfunctie van de doorstroomtoets kan wordenaangepast om onwenselijke effecten zoveel mogelijk te voorkomen en detoets primair ten dienste staat aan de leerling en de leerkracht.Uitkomst van die verkenning is dat de positie van de standaard leerresul-taten (OR1) in de integrale beoordeling van scholen wordt aangepast:scholen krijgen na een afgerond kwaliteitsonderzoek niet langer automa-tisch het eindoordeel «onvoldoende» als zij onvoldoende scoren op destandaard leerresultaten. De exacte voorwaarden voor een onvoldoendeeindoordeel worden momenteel door de inspectie nader uitgewerkt. Dezewijziging gaat in per 2027, gelijktijdig met de nieuwe onderzoekskaders.Met deze wijziging wordt recht gedaan aan de zorgen die uw Kamer deafgelopen jaren via verschillende moties heeft geuit over het onderwijsre-sultatenmodel voor het voortgezet onderwijs. Zo verzoekt de motie Kwint7om concurrentie tussen scholen te voorkomen door scholen niet langer af6Kamerstukken II, 2024/25, 31 293, nr. 771.7Kamerstukken II, 2022/23, 36 200 VIII, nr. 190.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8657 te rekenen op zittenblijven en op- en afstroom en vraagt de motieSoepboer8 om een geconcentreerder toezichtsmodel, waarbinnen goedonderwijs en goed bestuur het belangrijkst zijn en ook als dusdanigworden gewogen. Door de gewijzigde beslisregels krijgen de leerresul-taten een minder prominente rol in de kwaliteitsbeoordeling van scholen,waarmee ongewenst gedrag om het oordeel «onvoldoende» te vermijdenwordt voorkomen. De leerresultaten blijven wel onderdeel van derisicoanalyse van de inspectie, omdat deze een betrouwbare risico-indicator zijn met een grote voorspellende waarde.Daarnaast wordt ook het onderwijsresultatenmodel VO aangepast. Deafgelopen jaren heeft de inspectie het huidige onderwijsresultatenmodelvoor het VO geëvalueerd en verschillende aspecten nader verkend. Zoalsal eerder met uw Kamer gedeeld, is uit de evaluatie gebleken dat het velden de wetenschap de uitgangspunten van het model onderschrijft. Welwaren er enkele aandachtspunten. Dit heeft er onder meer toe geleid datnieuwkomers voortaan niet slechts twee, maar vier jaar buitenbeschouwing worden gelaten bij de beoordeling van leerresultaten. Deinspectie is verder voornemens in het aangepaste model tussentijdseopstroom te waarderen en nieuwe normen te introduceren voor deindicator «onderwijspositie» voor categorale gymnasia. Daarmee wordtrecht gedaan aan de geuite zorgen over het model. In 2026 doet deinspectie nog nader onderzoek naar de overstap van (ongediplomeerde)leerlingen uit havo 3 en 4 naar het mbo, om meer zicht te krijgen op dezeontwikkeling en te kunnen bezien wat dit eventueel betekent voor hetonderwijsresultatenmodel.De inspectie werkt daarnaast aan het tegengaan van misverstanden overhet onderwijsresultatenmodel in het onderwijsveld. Daarom heeft deinspectie in het voorjaar van 2025 een webinar georganiseerd over dewerking van het onderwijsresultatenmodel VO. Dit was gericht opkwaliteitsmedewerkers, schoolleiders, bestuurders en andere betrokkenenbij het onderwijsbeleid. Zodra het nieuwe onderwijsresultatenmodeldefinitief is, zal de inspectie opnieuw communiceren richting scholen overde veranderingen in de beoordeling van leerresultaten.Eisen stellen aan bestuur en intern toezicht9Het kabinet vindt het belangrijk dat alles op alles wordt gezet om deonderwijskwaliteit te verbeteren. Bestuurders en intern toezichthoudersdragen de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs. Het isdaarom hun taak om te zorgen dat de randvoorwaarden voor goedonderwijs op orde zijn. Het gaat immers om de ontwikkeling, veiligheid entoekomst van leerlingen én om gemeenschapsgeld waar zorgvuldig endoelmatig mee moet worden omgegaan. Het kabinet vindt het dan ookbelangrijk om duidelijkheid te bieden en meer eisen te stellen aanbesturen en intern toezicht van zowel scholen als samenwerkingsver-banden passend onderwijs over wat er van hen verwacht wordt.Daarom wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waarin eisen worden gesteldaan het bestuur en intern toezicht in het funderend onderwijs. Met ditwetsvoorstel worden onder meer eisen gesteld aan de kwaliteit, professio-naliteit en integriteit van besturen en worden meer richtlijnen enverduidelijkingen opgenomen over wat van het intern toezicht wordt8Kamerstukken II, 2023/24, 31 289, nr. 580.9Vanaf de internetconsultatie wordt aan dit wetsvoorstel gerefereerd als «Wet bevorderingbestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8658 verwacht.10 De inspectie zal hierop toezien. Ook wordt onafhankelijk interntoezicht voor samenwerkingsverbanden verplicht, zoals eerder gemeldaan uw Kamer11 en conform de motie van de Kamerleden Van den Hul enWesterveld.12 Bovendien komt er een VOG-verplichting voor bestuurdersen intern toezichthouders, zoals aangekondigd in de Kamerbrief «Standvan zaken rond de Verklaring Omtrent het Gedrag in het primair envoortgezet onderwijs».13 Het streven is dat het wetsvoorstel in het eerstekwartaal van 2026 ter internetconsultatie wordt aangeboden.Ook vanuit de onderwijssector worden initiatieven ondernomen voorkwaliteitsverbetering en professionalisering om de kwaliteit en professio-naliteit van besturen en intern toezicht in het funderend onderwijs verderte verhogen. Zo zijn in januari van dit jaar de accreditatietrajecten voorbestuurders gestart en geldt er binnen vijf jaar (op uiterlijk 31 januari2031) een accreditatieplicht als lidmaatschapsvereiste voor leden van desectorraden. Ook hebben de raden met de VTOI-NVTK een gezamenlijkegovernancecode funderend onderwijs opgesteld, die sinds 25 juni 2025van toepassing is. De lidmaatschapsvereisten van de sectorraden zijnopgenomen in deze code.HandhavingsinstrumentariumLeerlingen zijn de dupe als een school niet naar behoren presteert entekortschiet in de naleving van wettelijke eisen. Een dergelijke situatiemoet daarom zo kort mogelijk duren. In de Kamerbrief over versterkttoezicht van 27 november 202314 is daarom aangekondigd dat demogelijkheden verkend worden om tot verdere verbetering van dehandhavingsmogelijkheden te komen. Uit de verkenning naar hethandhavingsinstrumentarium blijkt dat in de meeste gevallen hetinstrumentarium voldoende mogelijkheden biedt om in te grijpen.Toch zijn er enkele situaties waarin aanvullende interventiemogelijkhedenwenselijk kunnen zijn, bijvoorbeeld:−wanneer er niet wordt voldaan aan een aanwijzing en een financiëlesanctie ook geen effect sorteert. Overwogen kan worden om degrondslagen voor de beëindiging van de bekostiging uit te breidenzodat dit in meer gevallen kan worden toegepast;−bij een herhaald eindoordeel Zeer Zwak bij niet te beoordelenleerresultaten. Op dit moment is het niet mogelijk om de bekostigingin dat geval te beëindigen. Hierbij kan overwogen worden om dit welmogelijk te maken;−als er sprake is van een onherstelbare tekortkoming, waarbij eenfinanciële sanctie ingewikkeld is omdat die interventie gericht is opherstel. Een bestuurlijke boete zou dan een uitkomst kunnen biedenomdat een boete punitief van aard is.Deze mogelijke uitbreidingen van het handhavingsinstrumentariumworden nader uitgewerkt en afgewogen binnen lopende trajecten, zoalsde herziening van het onderwijsresultatenmodel en de evaluatie van deWet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium onderwijs (start in 2026) om –10Het wetsvoorstel ziet op het bestuur en intern toezicht van (speciaal) basisonderwijs, speciaalonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs (hierna: funderendonderwijs) voor de bekostigde scholen, alsmede voor bestuurders en intern toezichthoudersverbonden aan een samenwerkingsverband.11Kamerstukken II, 2022/23, 31 497, nr. 448; Kamerstukken II, 2023/24, 31 497, nr. 475; Kamer-stukken II, 2024/25, 31 497, nr. 497.12Kamerstukken II, 2020/21, 31 497, nr. 373.13Kamerstukken II, 2023/24, 27 923, nr. 491.14Kamerstukken II, 2023/24, 31 293, nr. 707.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 8659 indien dat noodzakelijk en wenselijk blijkt – wetgeving aan te passen. UwKamer wordt over beide trajecten in een later stadium nader geïnfor-meerd.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,G. MoesDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,K.M. BeckingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 293, nr. 86510
Gerelateerde bronnen
- De Kamer ontvangt voor het Kerstreces een brief over de ontwikkelingen in het toezicht op het funderend onderwijs. Daarin komt de staatssecretaris ook terug op
De Kamer ontvangt voor het Kerstreces een brief over de ontwikkelingen in het toezicht op het funderend onderwijs. Daarin komt de staatssecretaris ook terug op de uitvoering van de motie van de leden Stoffer en Ceder (Kamerstuk 31293, nr. 771) die onderdeel is van de herziening van de onderzoekskade
- De Kamer wordt eind 2025 over de contouren van het nieuwe onderzoekskader geïnformeerd.
De Kamer wordt eind 2025 over de contouren van het nieuwe onderzoekskader geïnformeerd.
- Voor het einde van het jaar informeert de staatssecretaris de Kamer op hoofdlijnen over de herziening van de inspectiekaders ( uitvoering van de moties van de l
Voor het einde van het jaar informeert de staatssecretaris de Kamer op hoofdlijnen over de herziening van de inspectiekaders ( uitvoering van de moties van de leden Kwint en Soepboer).
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.