KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgangsbrief Jeugd

27 jan 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 1b01f9a250847bc8 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 839JeugdzorgNr. 1146 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN VOLKSGE-ZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 27 januari 2026Vooruitkomen in het leven begint met veilig en gehecht opgroeien ingoede lichamelijke, mentale en sociale gezondheid. Dat opgroeien is perdefinitie een weg vol pieken en dalen. Ieder kind en iedere jongvol-wassene kent periodes van onzekerheid, eenzaamheidsgevoelens ensoms ook somberheid of opstandigheid. Dat is normaal. Daarom is het zobelangrijk dat kinderen kunnen opgroeien in een warm nest, waar ze ookleren omgaan met tegenslag. Thuis of met vrienden praten over watdwarszit lucht vaak al op. Ouders hebben hier als eerste opvoeders eenbelangrijke rol. En als dat niet kan of lastig is, dan kunnen jongeren steunzoeken bij een docent of mentor op school, of online via bijvoorbeeld hetplatform «Injebol.nl». Als (mentale) problemen erger worden en nietovergaan, kan professionele hulp nodig zijn. Die moet dan ookbeschikbaar zijn.Dit moet het nieuwe normaal worden. Want het kan toch niet zo zijn dat1 op de 7 jongeren professionele jeugdhulp nodig heeft in een land datbehoort tot de wereldtop als het gaat om het welbevinden van de jeugd1.Dat vinden we onwenselijk vanuit sociaal-maatschappelijk oogpunt voorjeugdigen en gezinnen zelf: we gunnen hen een jeugd zonder zorg. Ook inhet licht van het beschikbare budget en personeel is dit nodig: we hebbensimpelweg niet genoeg mensen en middelen.Het terugdringen van het aantal jeugdigen dat jeugdhulp gebruikt vraagtom inzet van alle betrokkenen en stevige sturing op inhoud en financiënop basis van kwalitatief goede data. We werken daarom aan eensamenhangend pakket aan maatregelen om het aantal individuelemaatwerktrajecten fors terug te dringen, evenals de intensiteit, duur enkosten daarvan. Het betreft maatregelen die reeds in de Hervormings-1UNICEF-Innocenti-Report-Card-19-Child-Wellbeing-Unpredictable-World-2025.pdf kst-31839-1146ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11461 agenda Jeugd2 zijn aangekondigd, zoals het aanpassen van de Jeugdwetop de reikwijdte van jeugdhulp, maar ook de inzet op het verbeteren vande kwaliteit van jeugdzorg en het bouwen aan stevige lokale teams diezelf effectief hulp bieden. Door hier gericht op te sturen, beogen weminder doorverwijzing naar en gebruik van langdurige en/of intensievejeugdhulp en als gevolg daarvan vermindering van de uitgaven.Wij willen het tij keren en alles op alles zetten, zodat niet meer 1 op de 7jeugdigen gebruik maakt van jeugdzorg, maar de beweging is ingezetnaar maximaal 1 op de 10 jeugdigen in jeugdzorg eind 2028. Dat gaat dannog om 350.000 jeugdigen èn hun gezinnen met jeugdzorg, waar dat er in2024 nog zo’n 500.000 waren.Sinds 2023 wordt door partijen uit de «Vijfhoek» (Rijk, VNG, Samenwer-kende Brancheorganisaties en Samenwerkende BeroepsverenigingenJeugd en vertegenwoordigers van cliënten- en jongerenorganisaties),uitvoering gegeven aan de Hervormingsagenda Jeugd om te voorkomendat jeugdzorg nodig is, de jeugdzorg zelf te verbeteren en het stelsel(financieel) houdbaar te maken voor de toekomst.De Deskundigencommissie geeft in haar eerste advies3 aan dat de richtingvan de Hervormingsagenda goed is, maar dat de maatregelen welscherper en concreter moeten worden en dat duidelijker prioriteitengesteld moeten worden.Om dit doel te bereiken, is – conform het advies van de Deskundigencom-missie -door betrokken partijen in een routekaart in een overzicht gezetmet welke prioriteiten we komende periode aan de slag gaan. Deroutekaart is als bijlage aan deze brief toegevoegd. Daarin staan devolgende prioriteiten:1.Versterken ouderschap door een sterke sociaal pedagogische basis tefaciliteren en te ondersteunen.2.Stevige lokale teams die zelf ondersteuning en (collectieve) hulpbieden.3.Terugdringen van het gebruik van aanvullende jeugdhulp.4.Minder uithuisplaatsingen en minder gesloten jeugdhulp.5.Kwaliteitsverbetering van de jeugdzorg.Een belangrijk advies van de Deskundigencommissie is daarnaast om desturingsinformatie te verbeteren, een thema dat door verschillende van dehierboven genoemde prioriteiten heen loopt. Verderop in deze briefbesteden we aandacht aan deze aanbeveling.Eerder hebben wij uw Kamer al gemeld dat in september 2025728 miljoen euro extra beschikbaar is gesteld. Gemeenten kunnen ditinzetten ter ondersteuning van de transformatie van de Jeugdzorgconform de afspraken in de Hervormingsagenda4. Dit komt bovenop de3 miljard euro die eerder bij de Voorjaarsnota 2025 beschikbaar is gesteld.Naast aanvullende middelen is tussen Rijk en VNG afgesproken dat weons onverminderd inzetten voor de uitvoering van de Hervormingsa-genda, deze intensiveren én dat we aanvullende maatregelen nemen,zoals in deze brief ook verder wordt toegelicht. Hiermee volgt het kabinethet advies van de Deskundigencommissie op en biedt het volgendekabinet ruimte om invulling te geven aan een van de belangrijke adviezen:de kramp eraf, de druk erop.Een belangrijk ander element in de opvolging van de adviezen van deDeskundigencommissie is het wetsvoorstel reikwijdte. Deze aanpassing2Hervormingsagenda Jeugd | voor Jeugd & Gezin3Groeipijn - advies Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd | Rapport | Rijksover-heid.nl4Kamerstuk 36 800 VII, nr. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11462 van de Jeugdwet biedt versterking op verschillende van de bovenge-noemde prioriteiten uit de routekaart.In deze brief wordt u daarom eerst geïnformeerd over de stand van zakenvan dit wetsvoorstel. Vervolgens wordt nader ingegaan op de vijfprioriteiten uit de routekaart en de lopende en nieuwe acties die daarmeeverband houden.Ten slotte gaan we in op de stand van zaken van het Toekomstscenario enenkele ontwikkelingen in de Jeugdbescherming. In bijlage 1 bij deze brieftreft u de stand van zaken op enkele aanvullende onderwerpen en inbijlage 2 is een overzicht van diverse moties en toezeggingenopgenomen.1. Wetsvoorstel «reikwijdte» Het Ministerie van VWS heeft in afstemming met de betrokken partijen deafgelopen maanden flinke stappen gezet om te komen tot een invullingvan het wetsvoorstel reikwijdte. Het wetsvoorstel is bedoeld omgemeenten te helpen meer grip krijgen op de jeugdhulp. Daartoe wordtonder meer «de beweging naar voren» verankerd.Om de trend te keren en daadwerkelijk te komen tot minder jongeren inde jeugdzorg is het niet genoeg om in te zetten op «de beweging naarvoren». Ook het aantal individuele maatwerktrajecten als zodanig moetnadrukkelijker afnemen. Om die reden wordt, mede indachtig het adviesvan de Deskundigencommissie, het wetsvoorstel reikwijdte aangescherptin deze richting. Daarnaast is flankerend beleid nodig om tot dezebeoogde afname te komen. Eén van de zaken die we verkennen is demogelijkheid om te komen tot een betere sturing op het macrobudgetvoor jeugdhulp. In paragraaf 2.3 van deze brief gaan wij hier verder op in.Ten slotte komen veel problemen van jeugdigen in de jeugdzorg voort uitonderliggende problematiek in de eigen context of die van hun gezin. Methet wetsvoorstel reikwijdte krijgen gemeenten handvatten binnen hetjeugdstelsel. Maar voor een structurele vermindering van de vraag naarjeugdhulp is, zoals beschreven in paragraaf 2.1 van deze brief, desamenwerking met andere domeinen en departementen, onder andere viade Sociale Agenda voor Nederland, cruciaal.De internetconsultatie van het wetsvoorstel reikwijdte kan starten in heteerste kwartaal van 2026. Deze consultatie kan het volgende kabinet dehandvatten geven om de beoogde beweging en cultuuromslag samenmet gemeenten en aanbieders verder vorm te geven.In de voortgangsbrief van 13 juni jl. hebben wij uw Kamer geïnformeerdover de richtinggevende elementen die een plek krijgen in de consultatie-versie van het wetsvoorstel:–Kern van het wetsvoorstel is de verplichting dat iedere gemeente eenstevig lokaal team heeft, waar inwoners laagdrempelig terecht kunnenmet hun opgroei-, opvoedvragen en vragen over mentale gezondheiden dat ook zelf hulp biedt.–Met een vastgelegd minimumniveau van pedagogische basisvoorzie-ningen worden lokale verschillen kleiner en kunnen jeugdigen enouders beter weten waar ze op kunnen terugvallen.–Met een nadere definitie van jeugdhulp is onderscheid mogelijk tussenbasisjeugdhulp (die zoveel mogelijk (collectief) wordt geboden doorlokale teams) en aanvullende jeugdhulp.–De bedoeling blijft dat zoveel mogelijk wordt volstaan met pedagogi-sche basisvoorzieningen en basisjeugdhulp: eerder beschreven als «zolicht als mogelijk, zo zwaar als nodig». Nu worden teveel jeugdigen tesnel naar individuele maatwerktrajecten verwezen en moetenjeugdigen in de meest kwetsbare situaties lang wachten op passendehulp. Alleen als deze basisvoorzieningen niet toereikend zijn, isaanvullende jeugdhulp aan de orde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11463 –Met het wetsvoorstel reikwijdte kunnen de lokale teams wettelijkverankerd worden met een duidelijker afwegingskader, onder anderedoor uitwerking van het begrip «eigen kracht» en «gebruikelijke hulp».Daarnaast helpen de volgende richtinggevende elementen bij hetterugdringen van het aantal individuele maatwerktrajecten:–De Jeugdwet kent meerdere rechtstreekse verwijzers waardoorgemeenten minder grip hebben op de instroom van jeugdigen.Conform het advies van de Deskundigencommissie is het van belangom eraan bij te dragen dat lokale teams een volwaardige rol kunnenhebben. In dat kader is het van belang dat we de positie van de lokaleteams ten opzichte van de andere verwijzers gaan versterkent, onderandere door te onderzoeken hoe we hen een rol kunnen geven bij deinhoudelijke invulling van verwijzingen door andere verwijzers. Dit metinachtneming van de discussies en besluitvorming over het Toekomst-scenario. Verwijzen naar gecontracteerd aanbod is daarbij zeerbelangrijk.–Passende jeugdhulp: We bieden nog te vaak jeugdhulp voor bepaaldgedrag bij jongeren terwijl dit (de oorzaak van) het probleem nietaanpakt en het kinderen (daardoor) ook niet helpt. Denk bijvoorbeeldaan de situatie die ontstaat als ouders schulden hebben of in eenvechtscheiding zitten. De interventies die nodig zijn om problematiekvan de ouders aan te pakken, zijn doorgaans geen jeugdhulpinterven-ties. Dit vraagt om betere samenwerking tussen het volwassenendomein en het jeugddomein. Het is van belang te kunnen stimulerendat de kern van het probleem wordt aangepakt en alleen jeugdhulpwordt geboden als dit helpend is en een effectieve samenwerkingtussen het lokale team en andere domeinen zoals maatschappelijkeondersteuning, participatie, schuldhulpverlening en onderwijs totstand komt.–De geboden hulp is vaak gericht op het individuele kind, terwijl we ziendat diverse kinderen juist baat hebben bij hulp in groepsverband.Peer-to-peer contact heeft over het algemeen een positief effect envergroot het netwerk en daarmee de steun in de omgeving vankinderen. Daarom is groepsaanbod voorliggend aan individuele hulp,tenzij evident is dat individuele hulp effectiever is.–Het aantal vormen van hulp dat wordt geboden in het kader van deJeugdwet is de afgelopen jaren steeds verder toegenomen. Demogelijkheid om wettelijk te bepalen welke jeugdhulpvormen in iedergeval niet op grond van de Jeugdwet worden ingezet, is een elementwaar gemeenten behoefte aan hebben. Bijvoorbeeld omdat de inzetvan die jeugdhulpvormen verder strekt dan de beoogde reikwijdte vande Jeugdwet, bewezen niet-effectief is of zelfs schadelijk is. Hiermeeontstaat een eerste stap om de wildgroei van het jeugdhulpaanbodterug te dringen.–De duur en intensiteit (en daarmee de kosten) van soortgelijketrajecten kunnen sterk verschillen. Het blijkt wenselijk dat in de praktijkgoed wordt gekeken of de geboden hulp nog effectief is en moetworden doorgezet. Normerende afspraken met gecontracteerde ofgesubsidieerde aanbieders van aanvullende jeugdhulp met daarin detrajectduur en de monitoring daarvan, kunnen dan een belangrijkelement worden in de opdracht aan het college van B&W. Het collegemaakt dan tevens afspraken over de inzet of voortzetting van aanvul-lende jeugdhulp waarmee hoge kosten gemoeid zijn.–Om kinderen zoveel mogelijk in hun eigen omgeving te latenopgroeien en zich te laten ontwikkelen, is het van belang dat onder-wijs, jeugdhulp en zorg goed op elkaar aansluiten. Daarom geeft hetwetsvoorstel reikwijdte richting aan de samenwerking tussen lokaleteams en scholen. Doel is dat scholen laagdrempelig bij het teamterecht kunnen voor vragen en hulp en leerlingen zo goed mogelijk inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11464 hun alledaagse context, zoals op school, geholpen kunnen worden.Daarnaast is de inzet gericht op het bieden van laagdrempeligejeugdhulp en zorg aan leerlingen in gespecialiseerd onderwijs.–Ook moeten samenwerkingsverbanden, gemeenten en zo nodigzorgkantoren daarbij overleg voeren, gericht op het maken vanafspraken over het in afstemming aanbieden van basishulp enlangdurige zorg voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs.Het ligt voor de hand dat gemeenten en scholen hiervoor het reedsbestaande instrument van de Lokale Educatieve Agenda (LEA)benutten.Veel gemeenten zetten zich al in om de beoogde beweging te maken. Ookde Jeugdautoriteit constateert dat in hun rapport «de stand van deJeugdzorg 2025»5. De cultuuromslag vraagt inzet van gemeenten, Rijk enandere partijen op veel fronten. Het wetsvoorstel staat dan ook niet opzichzelf maar maakt onlosmakelijk deel uit van het samenhangend pakketaan maatregelen uit de Hervormingsagenda.2. Lopende acties naar aanleiding van de vijf prioriteiten uit deroutekaart 2.1. We versterken ouderschap door een sterke sociaal pedagogischebasis te faciliteren en te ondersteunen. Het is essentieel dat de context waarin jeugdigen opgroeien, aangepastwordt aan de jeugdigen in plaats van andersom. Dit betekent dat we opeen andere manier moeten gaan kijken naar hulpvragen. Dat geldt voorjongeren, ouders, de samenleving, professionals, politiek, en andererelevante partijen. Daarbij moeten we eerlijk zijn over wat jeugdhulp kanbieden. Jeugdhulp is geen oplossing voor alles. Bovendien is hetwenselijk om de hulp en zorg meer te richten op het omgaan metproblematiek en het omarmen van verschillen in plaats van deze te(willen) behandelen.Via PRAATPOWER – onderdeel van de maatschappelijke dialoog – wordenscholen, gemeenten, verenigingen, wijkteams én jongeren geholpen zelfdeze gesprekken vorm te geven.Sinds de lancering van PRAATPOWER in maart 2025 is er met honderdenjongeren en hun omgeving, bijvoorbeeld de school of jongerenwerk, hetgesprek gevoerd over mentale gezondheid, mentaal gezond opgroeien enwat jongeren (nu al) zelf kunnen doen om mentaal gezond te blijven.YoungExperts, een initiatief gericht op jongerenparticipatie vanuit hetSYNC-lab van de Erasmusuniversiteit een jongerenparticipatieplatformvan de Erasmus Universiteit Rotterdam, heeft de input uit dezegesprekken geanalyseerd, besproken met focusgroepen met jongeren envertaald naar take actions. Het rapport met de opbrengst van een jaarPRAATPOWER vindt u als bijlage bij deze brief. De belangrijkste conclusieuit het rapport is dat mentaal welzijn niet individueel hoeft te wordenopgelost. Bouwstenen kunnen gezocht worden in de omgeving zoalsfamilie, docenten, vrienden en organisaties – mits die over de mogelijk-heden en vaardigheden beschikken om hierbij te helpen. Ook benadrukthet rapport het belang van betekenisvolle participatie door jongeren.Jongeren hebben de behoefte om bij te dragen, gehoord en gerespec-teerd te worden. Dit draagt bij aan bewustwording, innovatieve ideeën eneffectief beleid en handelingsperspectief.5abx04.sitearchief.nl/jeugdautoriteit/20251219112045/https://www.jeugdautoriteit.nl/documenten/2025/11/13/stand-van-de-jeugdzorg-2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11465 Via de netwerkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren (zie ookparagraaf 2.5) wordt het gesprek onder en met professionals gefaciliteerd.Op dit moment ligt de focus op de informele steun voor jeugdigen en hungezin te versterken.Wij ondersteunen de maatschappelijke dialoog de komende tijd o.a. doorhet delen van goede voorbeelden.6Naast het anders kijken naar opgroei- en opvoedvragen zijn er ook veelhuishoudens in Nederland die kampen met meerdere problementegelijkertijd, zoals werkloosheid, geldzorgen, slechte huisvesting,opvoed- en gezondheidsproblemen, verslavingsproblematiek enonveiligheid. Dit leidt vaak tot een vraag om jeugdhulp voor de kinderenin deze gezinnen, in plaats van direct op de ouders of situatie gerichtehulp. Deze beweging moet gekeerd worden. De samenwerking metandere domeinen en departementen is daarvoor cruciaal. Onder meerdaarom is het Rijk in samenwerking met de VNG aan de slag gegaan omeen Sociale Agenda voor Nederland te ontwikkelen. Dit wordt eenstructurele en integrale agenda waarin ook huisvesting, leefbaarheid vanwijken, gezondheid en zorg, veiligheid, lokale teams en onderwijs wordensamengebracht. We vinden het belangrijk dat er op de korte en middel-lange termijn resultaten zichtbaar zijn. En tegelijkertijd zetten we ook in opstructurele verbeteringen in het sociaal domein die meer tijd vragen, zoalsonderzoek naar harmonisering van wetgeving.De integrale aanpak van de agenda in het sociaal domein zal bijdragenaan het terugdringen van de jeugdhulpvraag. De Sociale Agenda wordtdoor de verschillende departementen in het sociaal domein en de VNGgezamenlijk opgepakt. In 2026 wordt uw Kamer nader hierover geïnfor-meerd.Ook de samenwerking met de volwassenen ggz is van belang voor hetinzetten van de juiste hulp in gezinnen met meerdere problemen. Veelkinderen die jeugdzorg ontvangen hebben ouders met mentaleproblemen7. Inzet op ouders is dan effectiever dan alleen de jeugdige hulpbieden. Die samenwerking met de ggz ondersteunen we met o.a. pilotsvia ZonMw, een Kompas voor regionale netwerksamenwerking8,actieonderzoek van IPW en lerende netwerken9. Bovendien is onderzochthoe domeinoverstijgende samenwerking met de ggz structureel financieelen juridisch geborgd kan worden.10 In vervolg daarop zijn we in overlegmet de sector over een landelijke leidraad voor de financiering vangezinsgerichte, domeinoverstijgende samenwerking. Ook in het Interde-partementaal Beleidsonderzoek mentale gezondheid en ggz11 en hetActieprogramma mentale gezondheid en ggz12 is het thema gezinsge-richte samenwerking geagendeerd. Eén van de punten is dat wordtnagegaan of de consultatiefunctie ggz voldoende aansluit bij de behoeftenvan jeugdzorgprofessionals.6https://www.voordejeugdenhetgezin.nl/hervormingsagenda-jeugd/maatschappelijke-dialoog7Jongeren met jeugdzorg naar problematische schulden en GGZ-gebruik, 2023 | CBS8Lancering Kompas voor betere samenwerking in kind- en gezinsbescherming - KenniscentrumPhrenos9Deze projecten vinden ook plaats vanuit het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming10Eindrapportage structurele borging gezinsgericht werken | voor Jeugd & Gezin11Uit balans - IBO mentale gezondheid en ggz | Publicatie | Rijksoverheid.nl12Kamerstuk 25 424 nr. 767Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11466 2.2. We creëren stevige lokale teams die zelf ondersteuning en (collec-tieve) hulp bieden Stevige lokale teams vormen een belangrijke spil voor gezinnen waar zijlaagdrempelig en dichtbij huis terecht kunnen. Deze teams kijken vanuiteen brede integrale blik naar de context van de hulpvraag en kunnen zelfhulp. Het is de bedoeling dat zij een meer gezaghebbende positie krijgenin het bepalen of iemand hulp nodig heeft en zo ja, welke hulp het meestpassend is: adviseren over een passende vorm van preventie (waarondersociale (pedagogische) basisvoorziening), basishulp en/of (meer specialis-tische) aanvullende hulp. Wanneer nodig wordt er samengewerkt metandere domeinen, bijvoorbeeld schuldhulpverlening.Met het wetsvoorstel reikwijdte kunnen de lokale teams wettelijkverankerd worden. Parallel worden steeds stappen gezet om het werkenmet stevige lokale teams in de praktijk door te ontwikkelen. In juni isuitgebreid ingegaan op enkele maatregelen in dit verband, zoals demaatschappelijke dialoog en convenant lokale teams. De afgelopenperiode zijn hierop verdere stappen gezet:–In opvolging van het richtinggevend kader voor toegang, lokale teamsen integrale dienstverlening in het sociaal domein heeft de VNGsamen met partners13 gewerkt aan het convenant stevige lokale teams.Het bevat afspraken met de belangrijkste partijen over wat nodig is enwat ze van elkaar mogen verwachten om lokale teams te doen slagen.Voor het convenant is gekozen voor een modulaire opzet: eenbestuurlijke hoofdtekst (lokale teams voor alle inwoners 0–100). Enaparte modules voor Jeugd, Volwassenen (WMO en Participatiewet/Schuldhulpverlening) en Onderwijs/ Kinderopvang. Verwachteondertekening en vaststelling van het convenant (module jeugd) isbegin 2026.–Daarnaast zijn er inmiddels 125 gemeenten ondersteund met advies-en coachingstrajecten door het Ondersteuningsteam Zorg voor deJeugd bij het versterken van hun lokale teams.–Eind 2025 is een actieonderzoek afgerond door het NederlandsJeugdinstituut en het Kenniscentrum LVB over de kennis en expertiseover jeugdigen met een levenslange en levensbrede beperking en hunouders in lokale teams. Parallel is een handreiking ontwikkeld voorlokale teams over de toepassing van het toekomstgericht perspectief-plan. Uw Kamer wordt hierover nog nader geïnformeerd.–In het najaar van 2025 zijn er afspraken gemaakt tussen de LandelijkeHuisartsenvereniging (LHV), Jeugdartsen Nederland (AJN) en de VNGom o.a. de samenwerking tussen lokale teams en huisartsen teverbeteren. Het gaat om afspraken zoals het door gemeenteninzichtelijk maken van de inrichting, samenstelling en expertise vanlokale teams, het door de jeugdconsulent van het lokale teamondersteunen van de huisarts en het door huisartsen in principeverwijzen naar gecontracteerd aanbod. Deze afspraken worden naarverwachting begin 2026 bestuurlijk bekrachtigd.2.3. We dringen het gebruik van aanvullende jeugdhulp terug Om de trend te keren en daadwerkelijk te komen tot minder jongeren inde jeugdzorg is het niet genoeg om in te zetten op «de beweging naarvoren». Ook het jeugdhulpgebruik als zodanig moet nadrukkelijkerafnemen en dan in het bijzonder het individueel maatwerk dat wehierboven in het wetsvoorstel reikwijdte hebben beschreven als «aanvul-lende jeugdhulp». Daarom zetten we met de (intensivering van) de13Samen met ministeries, gemeenten, brancheorganisaties, beroepsverenigingen, clientorgani-saties en de Associatie Wijkteams.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11467 afspraken uit de Hervormingsagenda in op het fors terugdringen van hetaantal individuele maatwerktrajecten, evenals de intensiteit, duur enkosten daarvan. Met het geheel aan maatregelen dat we willen nemen,zorgen we ervoor dat jeugdigen zo passend mogelijke hulp krijgen enbijvoorbeeld meer wordt opgelost in de directe omgeving van het kind enzijn gezin, hulp zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarnaast ishet naar onze overtuiging noodzakelijk om, samen met gemeenten, metbehulp van financiële instrumenten gericht te sturen op afname van hetgebruik van individuele specialistische jeugdhulp. We stellen hier driemaatregelen voor:–Macrobeheersing–Inkoop en contractering/sturen op trajectduur–Regionalisering en standaardisatieMacrobeheersingEén van de zaken die we verkennen is de mogelijkheid om te komen toteen betere sturing op het macrobudget voor jeugdhulp. Dit houdt in datwe gaan kijken of gemeenten meer handvatten kunnen krijgen om deschaarste van mensen en middelen in de sector nadrukkelijker tebetrekken in de wijze waarop zij de jeugdzorg inkopen en organiseren.Gemeenten vragen hierop duidelijker kaders van het Rijk. Het is vanbelang dat bij de uitwerking ook aandacht besteed wordt aan vraag-stukken van prioritering en kwaliteitssturing, en hoe het proces vaninkoop en contractering kan bijdragen aan de beoogde sturing. Ook wordthierbij verkend of, en zo ja wat, hierover op welk niveau, landelijk ofregionaal moet worden vastgelegd. En uiteraard moet ook gekekenworden naar hoe de financiële prikkels in het stelsel doorwerken. Deverwachting is dat rond de zomer van 2026 de mogelijkheden in kaart zijngebracht. Uw Kamer wordt daar dan over geïnformeerd.Inkoop en contractering/sturen op trajectduurDe gemiddelde trajectduur is tussen 2015 en 2024 met 36 procentgestegen bij jeugdhulp zonder verblijf: van gemiddeld 297 dagen14 naar403 dagen15.Vormgeving van een goede inkoop en contractering zijn van groot belangten behoeve van de 5 prioriteiten uit de routekaart. Het is aan gemeentenom hierover lokaal en regionaal afspraken te maken met de aanbieders ende sector. Rijk en VNG hebben ook afgesproken om met de sectorafspraken te maken over hoe te sturen op de trajectduur en zorgintensiteitdoor o.a. te monitoren en benchmarken, afspraken vooraf met de sectorover trajectduur bij de contractering, supervisie gericht op afronding vantrajecten en meer inzet van informele steunfiguren. Het is vervolgens aangemeenten om dit te vertalen in de contractafspraken met aanbieders.Regionalisering en standaardisatieVoor een groot aantal jeugdigen en gezinnen zijn (hoog)specialistischejeugdhulpvormen onvoldoende of niet tijdig beschikbaar. Dergelijkejeugdhulp kan het beste op regionaal niveau of waar nodig op landelijkniveau worden ingekocht. Om dit te verbeteren treedt de wet Verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg deels op 1 januari 2026 en deels op 1 januari2027 in werking.Deze wet biedt ook een basis voor andere maatregelen uit de Hervor-mingsagenda Jeugd, gericht op standaardisatie van producten en14Jeugdhulp 2015 | CBS15Jeugdhulp 2024 | CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11468 bijbehorende registratie-, declaratie- en verantwoordingsregels van degespecialiseerde jeugdzorg.In de voortgangsbrief van 13 juni 2025 is uw Kamer geïnformeerd over destappen die gezet worden om de administratieve lasten in de jeugdzorgsterk terug te dringen. Kern is dat we komen tot een landelijk uniforme engelimiteerde set aan producten en productcodes, begrippen en onderlig-gende standaarden. Uit het rapport «databehoeften in kaart» dat uwKamer is aangeboden16, blijkt dat dit hard nodig is, en het rapport «Deproductstructuur als stevig fundament»17 beschrijft hoe zo’n gelimiteerdeset aan producten eruit zou kunnen zien.Alle betrokken partijen zijn hiermee voortvarend aan de slag gegaan:jeugdzorgaanbieders, gemeenten en jeugdzorgprofessionals werkensamen aan het maken van een landelijke set van producten op basis vanhet rapport «De productstructuur als stevig fundament». Daarnaast blijktuit het rapport «databehoeften in kaart» dat gemeentelijke uitvragen naarwachttijden en kostprijzen veel tijd vragen. Daarom zetten wij in op hetsnel beschikbaar komen van landelijke standaarden voor het meten vanwachttijden en het in kaart brengen van kostprijzen. Ook hierover werkenjeugdzorgaanbieders, gemeenten en jeugdzorgprofessionals samen aanafspraken. Bij de volgende voortgangsbrief zal uw Kamer hierovergeïnformeerd worden.2.4. We zorgen voor minder gesloten jeugdhulp Een belangrijk doel binnen de transformatie van de gesloten jeugdhulp enhet bijbehorende onderwijs is om de zorg voor jeugdigen in eenkwetsbare situatie te verbeteren: liefdevolle zorg, passend bij hunzorgvraag, in een zo thuis mogelijke omgeving. In dat kader werken wetoe naar zo dichtbij nul gesloten plaatsingen in 2030 als mogelijk. Het Rijkondersteunt deze transformatie financieel en inhoudelijk. Daarnaast wasde ambitie dat in 2025 alle gesloten jeugdhulpinstellingen kleinschaligzouden werken. Inmiddels hebben jeugdhulpaanbieders groepenverkleind en werken alle instellingen voor gesloten jeugdhulp metgroepsgroottes van maximaal 6 jeugdigen. Daarbij zetten zij ook volop inop manieren van werken die erop gericht zijn om de toepassing vanvrijheidsbeperkende maatregelen zoveel mogelijk te beperken.De laatste monitor van de Jeugdautoriteit laat zien dat er op 1 oktober2025 405 jongeren verbleven in de gesloten jeugdhulp, versus 445 eenjaar eerder.18De afbouw van de gesloten jeugdhulp neemt in tempo af en het aantalplekken lijkt te stabiliseren. Om het aantal plekken in de geslotenjeugdhulp verder af te kunnen bouwen, moet nog meer worden ingezetop het éérder passende hulp bieden aan jeugdigen en hun gezin om(gesloten) residentiële hulp waar mogelijk te voorkomen. Daarnaastmoeten gemeenten en jeugdhulpaanbieders inzetten op het uitbreiden endoorontwikkelen van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Te denkenvalt aan intensieve ambulante hulp in de thuissituatie of kleinschalige(open) woonvormen waar de (intensiteit van) begeleiding die nodig is op-en afgeschaald kan worden, afhankelijk van wat een jeugdige nodig heeft.Daarbij is het ook van groot belang dat er wordt ingezet op een goedeonderwijsplek, want juist het onderwijs geeft stabiliteit en biedt toekomst-perspectief voor deze jeugdigen. Uit een inventarisatie van het ondersteu-ningsteam transformatie gesloten jeugdhulp blijkt dat de ontwikkeling vanalternatieven in gang is gezet maar zowel in kwaliteit als kwantiteit nogniet op het gewenste niveau is. In de praktijk ligt de nadruk vooral op16Databehoeften in kaart | Rapport | Rijksoverheid.nl17De productstructuur als stevig fundament | Rapport | Rijksoverheid.nl18Monitor JeugdzorgPlus, peildatum 1 oktober 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11469 (afspraken over) de afbouw van gesloten plaatsen. Het kost tijd enmiddelen om vanuit gemeenten, onderwijs en aanbieders gezamenlijk(nieuwe) vormen van zorg, begeleiding en onderwijs te ontwikkelen.Ook met de afbouw van de gesloten jeugdhulp zullen er jeugdigen blijvenvoor wie vrijheidsbeperkende maatregelen soms noodzakelijk zijn om dezorg en veiligheid te bieden die nodig is als er sprake is van gevaar ofonveiligheid. Daarom is, na gesprekken met jongeren, aanbieders enexperts, het voornemen tot een wetswijziging aangekondigd omvrijheidsbeperking in de open residentiële setting, in lijn met de Wet zorgen dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten(Wzd) en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) mogelijkte maken.19, 20 Alleen dan is het mogelijk om op termijn volledig testoppen met de gesloten jeugdhulp. Bij dit traject staat voorop dat derechten van jeugdigen gewaarborgd zijn. De wijziging gaat gepaard metveel inhoudelijke vraagstukken en dilemma’s. Zorgvuldigheid is daaromvan groot belang. Om tot een verdere invulling van een voorstel totwetswijziging te komen, is het voornemen om in de eerste helft van 2026vervolggesprekken te organiseren met jongeren, ouders en verzorgers,professionals, jeugdhulpaanbieders en gemeenten. In deze dialoogsessieszal bijvoorbeeld worden besproken welke eisen dienen te worden gesteldaan jeugdhulpaanbieders en professionals, en welke maatregelen wel enniet moeten worden toegestaan in de open residentiële setting. Tevenszullen deze sessies zich richten op wat er nodig is aan professionaliseringvan de sector om in te zetten op het voorkomen van vrijheidsbeperking.Tot slot zijn door ons aanbieders (Sterk Huis, Fier en Levvel) gevraagd eenpilot uit te voeren om de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen tevoorkomen, en om meer inzicht te verkrijgen in mogelijke omstandig-heden waarin vrijheidsbeperking wel noodzakelijk is. Het betreft eenonderzoek met groepen jeugdigen die voorheen veelal gesloten werdengeplaatst, maar waar in deze pilot wordt beproefd hen te laten verblijvenin een open residentiële jeugdhulpvoorziening. In deze open setting wordtsamen met de jeugdige bekeken welke specifieke behandeling enmaatregelen nodig kunnen zijn. Het gaat dan om specifieke maatregelenper jeugdige, op maat, waar de jeugdige toestemming voor heeftgegeven. Er mogen geen maatregelen tegen de wil van de jeugdigeworden toegepast. De opbrengsten van de pilot zal ik meenemen in devoorbereiding van de wetswijziging.De transformatie naar zorg in een zo thuis mogelijke situatie is niet alleengaande binnen de gesloten jeugdhulp, maar ook in de open residentiëlejeugdhulp. Zo sluiten meer jeugdhulpaanbieders zich aan bij de lerendebeweging van de residentiële jeugdhulp: het consortium kleinschaligheid.Het consortium werkt aan verbeteringen van de jeugdhulp met behulpvan een datamonitor, intervisiebijeenkomsten voor professionals én eenteam van ervaringsdeskundigen die onderzoek doen binnen groepen (Flyon the wall-project). Tot slot is er afgelopen jaar door het consortium eenKwaliteitskompas ontwikkeld dat onder andere het doel heeft omprofessionals handvatten te bieden om de kwaliteit van jeugdhulp tewaarborgen, te verbeteren en te blijven leren en reflecteren. Dit kompaswordt geïmplementeerd in de deelnemende instellingen.21 Hetconsortium wordt financieel ondersteund door het Ministerie van VWS.19Kamerbrief reactie op advies «Vrijheidsbeperkende maatregelen in de open residentiëlejeugdhulp?» | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl20https://open.overheid.nl/documenten/01bfe0aa-6dce-468c-897c-1c465a58ddf7/file21Kwaliteitskompas-Kleinschaligheid-in-de-Jeugdhulp-Versie-1-Juli-2025.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114610 Wetswijzigingen gesloten jeugdhulpOp 19 juni 2025 heeft mijn voorganger twee voorgenomen wijzigingenaangekondigd voor de gesloten jeugdhulp, namelijk wijzigingen inhoofdstuk 6 van de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet.22Ten eerste een wijziging van het Besluit Jeugdwet om de eisen aan deruimte waar jeugdigen zich op eigen verzoek terug kunnen trekken, teversoepelen en daarmee meer in lijn met de praktijk te brengen. Op ditmoment zijn deze eisen voor de ruimte waar jeugdigen zich op eigenverzoek kunnen terugtrekken gelijk aan de vereisten voor de afzonderlijkeen veilige ruimte waar jeugdigen in noodsituaties, tegen hun wil, mogenworden ingesloten. In de praktijk betekent dit dat de ruimte waarjeugdigen zich op eigen verzoek kunnen terugtrekken moet voldoen aanstrikte veiligheidseisen. Dit kan belemmeringen geven om deze ruimtedusdanig in te richten dat jeugdigen zich er thuis voelen en kunnenontspannen. Dit is onwenselijk. In overleg met jeugdigen, professionals enjeugdhulpaanbieders is daarom een wijziging uitgewerkt die we in heteerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie willen brengen.Ten tweede het voornemen om wettelijk toe te staan dat jeugdigen, onderzeer strikte voorwaarden, gedurende de nacht mogen worden ingeslotenin hun kamer wanneer er een gegrond risico is dat zij een ernstig gevaarvormen voor andere jeugdigen en/of medewerkers. Het gaat dan ombedreigend en gewelddadig gedrag waardoor gevaarlijke situatiesontstaan, zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag, afpersing ofronselen. Dit traject vereist grote zorgvuldigheid. De Staatssecretaris vanVWS is in overleg met gesloten jeugdhulpaanbieders, professionals énjeugdigen over de (strikte) wettelijke voorwaarden die hieraan moetenworden verbonden én om afspraken te maken om uitvoering te geven aande motie van het lid Dobbe23 om de noodzaak tot insluiting te vermin-deren. Naar verwachting wordt uw Kamer hier voor de zomer nader overgeïnformeerd.Tot slot is uw Kamer in de brief van 19 juni 2025 toegezegd om metaanbieders van gesloten jeugdhulp in overleg te gaan hoe zij handelenindien zich een noodsituatie voordoet, maar zij niet beschikken over eenveilige en afzonderlijke ruimte om in te sluiten (insluitingsruimte). Dejeugdhulpaanbieders die geen insluitingsruimte hebben, kiezen hier zeerbewust voor. Dit doen zij vanuit een overtuiging dat het hebben van eendergelijke ruimte altijd, zelfs onbewust, effect heeft op medewerkers en dejeugdigen. Zij geven aan dat hun personeel getraind is in de-escalerendwerken en dat er voldoende mogelijkheden zijn om oplopendespanningen bij jeugdigen te kunnen ondervangen. Uiteraard is niet tegaranderen dat zich nooit een noodsituatie zal voordoen waarbijveiligheid in het geding is. Jeugdhulpaanbieders geven aan dat in eendergelijke uiterste situatie de politie wordt ingeschakeld. Dit is voor dejeugdige zelf, de andere jeugdigen én de medewerkers uiteraard eeningrijpend besluit. De afweging om geen ruimte voor insluiting in eennoodsituatie in te richten, de gevolgen en effecten hiervan én randvoor-waarden die noodzakelijk zijn om in dat geval veiligheid te waarborgendienen zeer weloverwogen en onderbouwd te worden genomen door degesloten jeugdhulpaanbieder. Dit vraagt onder andere van de jeugdhulp-aanbieder en medewerkers om continu te reflecteren op hun werkwijze,handelen en gevolgen daarvan opdat zij alle jeugdigen in de instelling deveiligheid en bescherming kunnen bieden die nodig is.22Kamerstuk 31 839, nr. 109123Kamerstuk 31 839, nr. 1105Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114611 2.5. We verbeteren de kwaliteit van de jeugdzorg Beroepsverenigingen, opleidingen en jeugdhulporganisaties werken in depraktijk voortdurend aan het verbeteren van kwaliteit van de jeugdhulp.Het is belangrijk te blijven investeren in de verbetering van de kwaliteit eneffectiviteit van de jeugdhulp: jeugdhulp moet daadwerkelijk bijdragenaan de vermindering van ervaren problematiek. Het gaat er daarbij om decombinatie van werken vanuit gelijkwaardigheid in een betekenisvollerelatie met gebruik van diverse vormen kennis en actuele standaarden.Daartoe is – zoals afgesproken in de Hervormingsagenda – de werkorgani-satie Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) opgericht. In KBL werken deperspectieven van jongeren en ouders, professionals, jeugdhulporgani-saties, wijkteams, gemeenten, kennis, onderzoek en innovatie met elkaarsamen.Een grote prestatie is de totstandkoming van een gezamenlijk gedragenagenda: de Leeragenda Kwaliteit en Blijvend Leren24. Deze is op10 december jl. gelanceerd en bevat de prioriteiten van het geheleKBL-netwerk de komende jaren. De Leeragenda heeft vijf overkoepelendethema’s; jeugdhulp die werkt, samenwerken met gezin en alle betrok-kenen onderling, de sociale basis, kwaliteit en leren in lokale teams enlerend werken aan transformatie residentiële jeugdhulp.Deze thema’s zijn uitgewerkt in leerlijnen. Voor een aantal leerlijnen wordtvoortgebouwd op bestaande ervaringen en initiatieven en daarmee kanop korte termijn voortgang worden geboekt. De zes leerlijnen waarmeegestart is, zijn:1.Versterken grondhouding. Deze leerlijn richt zich op het versterken vanvakmanschap en grondhouding van professionals in het jeugdveld. Defocus ligt op werkzame elementen van jeugdhulp zoals goed luisternen samen beslissen.2.Implementatiekracht in organisaties vergroten met als doel zowel deorganisatiecultuur als -structuur te verbeteren.3.Verklarend analyseren. Om de gedeelde verklarende analyse beter toete passen en verder te verbeteren als basis voor jeugdhulp.4.Informele steun; versterken van informele steun voor gezinnen.5.StroomOpwaarts leren. StroomOp is een netwerk van jeugdhulp enonderwijsprofessionals dat zich inzet voor eerdere, snellere en beterpassende hulp voor jongeren en hun ouders, in een liefdevolle,stabiele en veilige omgeving en waar de hulp bij voorkeur thuis wordtgeboden.6.Lerende beweging pleegzorg. Deze leerlijn richt zich op het versterkenen uitbreiden van de Lerende beweging pleegzorg, samen metbetrokken partners en experts.In de Hervormingsagenda staat ook de afspraak om te komen tot eenkwaliteitskader Brede Analyse. Associatie Wijkteams, VNG, OZJ en KBLhebben dit opgepakt en hebben hiertoe een visie Breed kijken, breedhandelen opgesteld. Deze zal in bestaande richtlijnen en het convenantstevige lokale teams worden verwerkt door de betrokken partijen.Er is gestart met de «Beter doen, beter laten, beter onderzoeken lijst».Deze lijst draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit vanjeugdhulp door inzicht te geven in: 1) wat werkt, 2) wat niet werkt, en3) wat beter onderzocht moet worden. Er wordt gewerkt met eensystematiek die ook in andere zorgsectoren is benut. In de eerste helft van2026 worden hierover onder andere dialoogsessies gehouden metprofessionals.Tot slot is KBL gestart met het traject «Gedragen Fundament» om tekomen tot een gezamenlijk gedragen kwaliteitsstandaard die bijdraagt aanbetere kwaliteit voor jongeren en gezinnen, en professionals en organi-24Leeragenda | kblTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114612 saties ondersteunt in hun werk. In het tweede kwartaal van 2026 zullen decontouren gereed zijn.2.6. Versterken sturingsinformatie Op basis van afspraken in de Hervormingsagenda en in lijn met het adviesvan de Deskundigencommissie werken wij aan het verbeteren van hetinzicht in het jeugdstelsel. Cijfermatig inzicht is essentieel om beter tekunnen sturen op de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid binnenhet jeugdzorgstelsel en in relatie tot de aanpalende domeinen; landelijk,regionaal en lokaal. Naar aanleiding van de oproep van de Deskundigen-commissie om data en monitoring beter op orde te brengen, intensiverenwij de afspraken die hierover al in de Hervormingsagenda zijn gemaakt.In dit kader zetten wij in op:–Centrale monitor: Om structureel beter inzicht te krijgen in hetfunctioneren van het jeugdstelsel, richten wij volgens afspraken in deHervormingsagenda een centrale monitor van het jeugdstelsel in enverbeteren wij via verschillende trajecten de beschikbaarheid enkwaliteit van data. Omdat deze trajecten veelal gepaard gaan met eenwetswijziging of lagere regelgeving, kosten deze stappen tijd.–Combinatie van lokale data en landelijke onderzoeken: om ook opkortere termijn inzichten te verkrijgen, zetten wij in op het betergebruik maken van lokale data en zetten wij aanvullende onderzoekenuit om landelijk een beter beeld te krijgen. In aanvulling hierop is, ombeter inzichtelijk te maken hoe de hoofdbewegingen van de Hervor-mingsagenda (conform de prioritaire lijnen in de Routekaart) zichontwikkelen, een beperkte selectie van indicatoren samengesteld.In de voortgangsbrief van juni 2025 hebben wij u geïnformeerd over deverschillende stappen die zijn gezet om structureel het inzicht in hetjeugdstelsel te verbeteren. In aanvulling op deze stappen hebben wij inhet kader van de centrale monitor van het jeugdstelsel met partijengezamenlijk vastgesteld wat we landelijk willen weten (een set indica-toren) en de opdracht voor het opzetten van de data-infrastructuur bij hetCBS belegd. Het CBS gaat vanaf 2026 in een groeimodel bouwen aanopenbare statistieken waarin beschikbare data wordt samengebracht,alsook een interactief dashboard waarop de data visueel kan wordenontsloten. Voor de periodieke duiding van de gegevens wordt verkendwelke onafhankelijke partij dit kan verzorgen. Verder zetten wij komendjaar in op nadere stappen ter verbetering van de centrale databronnen.3. Stand van zaken van het Toekomstscenario De noodzaak van een beter stelsel van kind- en gezinsbescherming blijftonverminderd groot. Het werken aan een betere kind- en gezinsbe-scherming met het Toekomstscenario is een urgente en complexe opgavewaar we samen voor staan. Deze urgentie kwam ook tot uitdrukking in hetdebat met uw Kamer op 4 december jl. over de rapporten «Kwetsbarekinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugden «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» van deInspectie Justitie en Veiligheid.In de afgelopen periode hebben wij intensieve gesprekken gevoerd metalle betrokken partners om te komen tot een veranderstrategie en demanier waarop we daarbij willen samenwerken. Het betreft een verander-strategie binnen de huidige financiële kaders25. Alle betrokken partijenwillen het verschil maken voor kinderen en volwassenen die thuis niet25Kamerstuk 31 839, nr.1087Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114613 veilig zijn. Om het Toekomstscenario te realiseren, zijn naast eeneffectieve aanpak van de actuele problemen ook vernieuwende, duurzameoplossingen nodig. Daarom werken we nu met alle partners concreteveranderstappen uit, die we op korte en langere termijn voor ons zien enwie daarbij wat te doen heeft, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheiden deskundigheid.We geven invulling aan de vier pijlers van het Toekomstscenario:eenvoudig, gezinsgericht, rechtsbeschermend & transparant en lerendmet als stip op de horizon de gekozen ontwikkelrichting, waarbij wetoewerken naar stevige lokale teams die gezinsgericht werken aanveiligheidsvraagstukken en ondersteund worden op de meer complexevraagstukken rond veiligheid vanuit een regionaal veiligheidsteam. Vanuiteen lerende omgeving monitoren we de effecten van de stappen die wede komende jaren gaan zetten. Waar nodig leidt dat tot aanpassing van deontwikkelrichting. Alle partijen voelen de drive om vanuit de nieuwstrategie en samenwerking het transitieproces in te stappen en zo snelmogelijk vooruitgang te boeken binnen de deelopgaven die we binnen hetToekomstscenario (gaan) aanpakken en te werken aan verbeteringen voorde gezinnen en huishoudens die het aangaat. Het streven is om deveranderstrategie voorjaar 2026 vast te stellen. Hierover zullen we uwKamer ook informeren. Op basis van de veranderstrategie wordt eenaangepast programmaplan opgesteld met verschillende deelopgaven, datregelmatig wordt bijgesteld.Ondertussen werken tien proeftuinen in 2026 door aan het ontwikkelen entesten van de nieuwe manier van systeem- en gezinsgericht werken.Hierover kunt u meer lezen in bijgevoegde voortgangsrapportage van hetToekomstscenario. De ervaringen van gezinnen en huishoudens diemeedoen in de proeftuinen zijn over langere periode positief. Gezinnen enhuishoudens voelen zich gehoord en gezien en geven aan meer regie tehebben. Dit leidt tot betere samenwerking met professionals en wat nodigis om tot oplossingen te komen. Professionals ervaren meer werkplezierdoor onder andere kortere lijnen in de samenwerking en kunnen snellerschakelen met verschillende expertises. Op peildatum 30 juni 2025 was eractieve betrokkenheid bij in totaal 1.277 huishoudens vanuit tien proef-tuinen. In totaal (cumulatief) is er vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 juni2025 betrokkenheid (geweest) bij totaal 2.236 gezinnen en/ofhuishoudens.26 Binnen deze gezinnen en/of huishoudens is op peildatum30 juni 2025 in totaal 295 keer een juridische maatregel ingezet via deproeftuinen. Dit is 13% en is nagenoeg gelijk aan het percentage van devorige meting (12%) op 31 december 2024. De volgende maatregelen zijnmeegeteld: ondertoezichtstelling, gezag beëindigende maatregel, huis- encontactverbod en reclasseringsmaatregel. De proeftuinen zijn in dezesituaties actief betrokken bij de totstandkoming van of toeleiding naardeze inzet. De inzet van gedwongen maatregelen afgezet tegen het aantalondersteunde gezinnen en huishoudens, verschilt per proeftuin.27Ondanks de overwegend positieve ervaringen van gezinnen, huishoudensen professionals zijn er zorgen over het voortbestaan van de proeftuinen.De hiervoor genoemde veranderstrategie, die ook met proeftuinen wordtontwikkeld, moet de duidelijkheid weer bieden en ervoor zorgen datproeftuinen en beproevende regio’s door kunnen. Het is van essentieelbelang dat we werkenderwijs en al lerende van de nieuwe praktijk in deregio’s en proeftuinen leren, en steeds weer opnieuw met elkaar kunnen26Door technische problemen ontbreken de cijfers over het tweede kwartaal proeftuinenGroningen en Rotterdam Rijnmond.27Zie bijlage bij deze brief: Voortgangsrapportage Toekomstscenario kind- en gezinsbe-schermingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114614 kijken wat werkt, wat de volgende stappen zijn en waar we moetenbijstellen. De financiële ondersteuning van de proeftuinen loopt in elkgeval door tot eind 2026.4. Overige ontwikkelingen jeugdbescherming 4.1. Verbeteren van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming Voortgang wetstraject «Versterking rechtsbescherming in de jeugdbe-scherming»Met het wetsvoorstel «Versterking rechtsbescherming in de jeugdbe-scherming» (hierna: wetsvoorstel) wordt de rechtsbescherming vanouders en kinderen die te maken krijgen met een kinderbeschermings-maatregel versterkt. De consultatiefase liep tot en met 19 maart 2025; erzijn meer dan 80 reacties ontvangen en verwerkt. Momenteel wordt nogmet partners in de keten afgestemd over de uitvoeringsgevolgen. In hetdebat van 4 december jl. over de inspectierapporten Kwetsbare kinderen,kwetsbaar stelsel en Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geenbescherming biedt heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid(JenV) aangekondigd dat het wetsvoorstel begin 2026 aan de Afdelingadvisering van de Raad van State zal worden voorgelegd. Uw Kamerontvangt het wetsvoorstel naar verwachting na de zomer van 2026.Actionplan n.a.v. de EHRM-uitspraak Van Slooten t. NederlandOp 15 april 2025 oordeelde het EHRM dat de beëindiging van het ouderlijkgezag van een moeder over haar jonge dochter in strijd was met artikel 8EVRM (recht op eerbiediging van het gezins- en familieleven). Uw Kameris hierover geïnformeerd in de Voortgangsbrief Jeugdbescherming van16 juni 2025.28 Op 15 januari 2026 is het action plan met maatregelen omvergelijkbare schendingen in de toekomst te voorkomen, naar het Comitévan Ministers van de Raad van Europa gestuurd. Het plan beschrijftverschillende ontwikkelingen in de jeugdbescherming, waaronder dehernieuwde focus op terugplaatsing van kinderen, bijvoorbeeld door de in2023 herziene Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing, en eengewijzigd perspectief op gezagsbeëindiging. Ook wordt gerapporteerdover de toegenomen aandacht voor rechtsbescherming en het lopendewetstraject «Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming».Kwaliteit van de besluitvorming in de jeugdbeschermingZorgvuldige dossiervorming en het goed meenemen van ouders in debesluitvorming staan centraal in het gezamenlijke traject van Veilig Thuis(VT), Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en GecertificeerdeInstellingen (GI’s) om de kwaliteit van het feitenonderzoek te verbeteren.Momenteel wordt een vervolgstap gezet in de ontwikkeling van eenmonitoringsinstrument dat organisaties inzicht geeft in de kwaliteit van deuitvoering van het feitenonderzoek. Naar verwachting is dit instrument inhet voorjaar van 2026 klaar om gebruikt te worden.Een tweede traject dat bijdraagt aan de kwaliteit van de besluitvorming ishet traject over deskundigenonderzoek in de jeugdbescherming. Tothalverwege 2025 is verkend hoe de beschikbaarheid van deskundigenon-derzoek en beslisdiagnostiek beter kan worden geborgd, mede naaraanleiding van het voornemen van het Nederlands Instituut voorForensische Psychiatrie Psychologie (NIFP) om te stoppen met haarbemiddelende rol in familierechtelijke procedures. Naar aanleiding van de28Kamerstuk 31 839, nr. 1089Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114615 verkenning wordt voorgesteld om de beschikbaarheid van deskundigen-onderzoek via vier sporen nader uit te werken:1)De beschikbaarheid van gedragswetenschappelijke analyse enbeslisdiagnostiek binnen GI’s.2)De beschikbaarheid van second opinions, uitgevoerd door enconsultatie tussen GI’s.3)De ontwikkeling van een landelijke voorziening voor hooggespeciali-seerde beslisdiagnostiek, als alternatief voor het NIFP.4)Een landelijk en verplichtend beleidskader voor familierechtelijkonderzoek en beslisdiagnostiek.Begin 2026 worden voor een periode van één jaar twee projectleidersaangesteld die de eerste drie sporen nader uitwerken: één voor de sporen1 en 2 en één voor spoor 3. Doel van sporen 1 en 2 is het versterken vande beslisdiagnostiek binnen en tussen GI’s, zodat gespecialiseerdegedragswetenschappelijke kennis eerder en beter beschikbaar komt voorouders en kinderen die vanwege complexe gezinsproblemen dreigen vastte lopen in de jeugdbescherming. Doel van spoor 3 is om te bepalenwelke partij het meest geëigend is om de landelijke voorziening voorhooggespecialiseerde beslisdiagnostiek te organiseren. Deze voorzieningmoet gaan voorzien in hooggespecialiseerde beslisdiagnostiek voor zakendie niet binnen of tussen GI’s (in het kader van een second opinion)kunnen worden onderzocht, en daarnaast in onderzoeken op grond vanartikel 810a lid 2 Rv (contra-expertise). Het beleidskader (spoor 4) vormthet sluitstuk van de uitwerking.Hoorrecht van minderjarigen in het jeugd- en familierechtOp 17 december jl. heeft de Staatssecretaris van JenV uw Kamer hetadvies «Grondslagen van kindvriendelijke juridische procedures in hetciviele familie- en jeugdrecht» aangeboden van de Raad voor Straf-rechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).29 De RSJ concludeert datverbeteringen nodig zijn om een uniformere werkwijze na te streven in deuitvoering van kindvriendelijke procedures.30 De RSJ noemt in haaradvies zes grondslagen waaraan de rechtspraktijk zou moeten voldoen:1) het adequaat informeren van kinderen, 2) de toegang tot steunfiguren,3) de aanpassing van de fysieke setting, 4) het meewegen van de stemvan het kind in de beslissing, 5) de terugkoppeling van de beslissing aanhet kind, en 6) de specialisatie van professionals.De Staatssecretaris van JenV bedankt de RSJ voor het advies, waarinterecht aandacht wordt gevraagd voor de positie van kinderen injuridische procedures in het familie- en jeugdrecht. De afgelopen periodeheeft de Staatssecretaris van JenV gesprekken gevoerd met de recht-spraak over de wijze waarop juridische procedures kindvriendelijker en opeen meer uniforme wijze gevoerd kunnen worden. De rechtspraak is hiervolop mee aan de slag en heeft daarbij ook kennis genomen van hetRSJ-advies. De rechtspraak onderschrijft het RSJ-advies en neemt ditadvies mee in het verder kindvriendelijker maken van de rechtspraak.Verschillende verbeteringen zijn in gang gezet.Vanaf 1 juli 2025 worden kinderen vanaf 8 jaar uitgenodigd voor eengesprek met de rechter (kindgesprek). De afgelopen periode waren erdiverse pilots met het horen van kinderen vanaf 8 jaar. De ervaringenwaren positief, wat heeft geleid tot het verlagen van de leeftijdsgrens van29Grondslagen van kindvriendelijke juridische procedures in het civiele familie- en jeugdrechtbijlage bij Kamerstukken II 2025/2026, 33 836 nr.12930RSJ, Grondslagen van kindvriendelijke juridische procedures in het civiele familie- enjeugdrecht, RSJ 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114616 12 naar 8 jaar. Het streven daarbij is, zoals dit bij veel gerechten al hetgeval is, om de kinderen op een andere dag te spreken dan de dagwaarop de zitting van de ouders plaatsvindt. De rechtspraak werkt tevensaan kindvriendelijke (wacht)ruimtes bij alle rechtbanken. Daarbij isaandacht voor een kindvriendelijke omgeving en het hebben vanvoldoende tijd voor het voeren van het gesprek met het kind. Daarnaast isin het kader van het onderzoeksprogramma van de Raad voor derechtspraak onderzoek verricht naar de wenselijkheid en meerwaarde vandigitale kindgesprekken en wordt medewerking verleend aan een groot,meerjarig onderzoeksproject van de Universiteit Utrecht, gericht opjongerenparticipatie (in echtscheidingszaken). Hiermee geeft de Staatsse-cretaris van JenV uitvoering aan de motie van het lid Bruyning (NSC) enCeder (CU) om hier gezamenlijk met de rechtspraak zorg voor te dragen.31Verder is de rechtspraak bezig om de informatievoorziening aan kinderente verbeteren, afgestemd op de leeftijd en de ontwikkelingsfase van hetkind. Zo heeft de Rechtspraak een website (rechtvoorjou.nl) waar voorkinderen toegankelijke informatie te vinden is over juridische procedures.Ook is hier een video te vinden over hoe een kindgesprek verloopt. Het isde bedoeling van de rechtspraak om volgend jaar voor elke locatie eeneigen video te maken van de gang van zaken rond het kindgesprek, zodatkinderen zich daarop kunnen voorbereiden door de betreffende video tekijken. Ook lopen inmiddels bij enkele gerechten pilots rond de ontvangstvan kinderen door speciaal daarvoor aangewezen medewerkers, zodatkinderen adequaat begeleid worden in het gebouw. Bij een positieveevaluatie van deze pilots zullen mogelijk meer gerechten vergelijkbareinitiatieven invoeren.Voor de ondersteuning van het kind tijdens procedures gezag- en omgangen kinderbeschermingsprocedures heeft adviesbureau Andersson ElffersFelix (AEF) op verzoek van de Staatssecretaris van JenV verschillendetypen steunfiguren in kaart gebracht. Hiermee wordt uitvoering gegevenaan de motie van het lid Westerveld (Groenlinks-PvdA).32 Dit rapport biedtde Staatssecretaris van JenV hierbij aan uw Kamer aan.33 Het onderzoekgeeft een overzicht van de behoeften aan ondersteuning die kinderenhebben en beschikbare vormen van ondersteuning. Uit het onderzoekblijkt dat kinderen behoefte kunnen hebben aan uiteenlopende vormenvan ondersteuning. Geen enkele steunfiguur kan in alle situaties in allebehoeften voorzien. AEF adviseert daarom een netwerkbenadering: eengoed functionerend geheel van ondersteuningsvormen, zodat voor iederkind iets beschikbaar is dat aansluit bij zijn of haar situatie. In de huidigepraktijk mag een kind overigens zich al bij het uitoefenen van hethoorrecht laten bijstaan door een zelf uitgekozen persoon. In hetwetsvoorstel wordt deze mogelijkheid bekrachtigd. Ook kan de rechterbinnen het huidige juridische kader een bijzonder curator benomen die deminderjarige bijstaat.Reactie op burgerbriefTot slot heeft de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid op27 november jl. gevraagd om een reactie op een door haar ontvangenburgerbrief over het recht op omgang tussen ouder en kind tijdens eenuithuisplaatsing. De brief bepleit het wettelijk vastleggen van het recht opomgang tijdens een uithuisplaatsing en voor het zo spoedig mogelijkinstellen van een Staatscommissie Jeugdzorg.31Kamerstuk 31 839, nr. 105332Kamerstuk 31 839, nr. 103533AEF-rapport «onderzoek steunfiguren voor kinderen in familierechtelijke en jeugdbescher-mingsprocedures», Amersfoort: 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114617 In reactie hierop geeft de Staatssecretaris van JenV aan dat omgang nauithuisplaatsing in het wetsvoorstel een prominente plek krijgt, bijvoor-beeld doordat de jeugdbeschermer zo spoedig mogelijk, maar uiterlijkbinnen zes weken na de uithuisplaatsing een omgangsplan moetopstellen. Indien dit niet lukt, zal de rechter beslissen. Ook ouders krijgenin dat kader laagdrempelig toegang tot de rechter. Daarnaast streven wijernaar om begin 2026 een staatscommissie in te stellen die adviseert overde legitimiteit van overheidsingrijpen in de jeugdzorg.4.2. Reactie op onderzoek Meldpunt Jeugdbescherming Noord Op 2 oktober 2025 verzocht de vaste commissie van Volksgezondheid,Welzijn en Sport ons om een reactie te geven op het onderzoek «Nietgehoord en niet gezien» van het Meldpunt Jeugdbescherming Noord (uwkenmerk: 2025Z18332).Stand van zaken Jeugdbescherming NoordOp 16 september 2025 heeft het Keurmerk Instituut (KMI) besloten datJeugdbescherming Noord (JBN) aan de wettelijke vereisten voldoet omhet certificaat terug te krijgen voor het uitvoeren van jeugdbescher-mingstaken. Dit certificaat was eerder geschorst vanwege een aantalkritische punten op de onderdelen wachtlijsten, contact binnen 5 dagen ende risicotaxatie. JBN staat nog steeds onder verscherpt toezicht van deInspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). In februari 2026 verwacht deIGJ dat JBN de noodzakelijke verbeteringen heeft doorgevoerd.Het KMI toetst op basis van andere kaders dan de IGJ. Het KMI toetstonder andere of de interne procedures op orde zijn op basis van hetnormenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering, of er zicht is opveiligheid en of dossiers navolgbaar zijn. Verder ziet het KMI toe op eengoed werkend kwaliteitssysteem. De inspecties houden zicht op deuitvoering van jeugdbescherming en -reclassering en de kwaliteit van zorgin de praktijk en handhaven indien daartoe aanleiding is.Kern van het onderzoekHet rapport van het meldpunt JBN schetst een indringend beeld van deervaringen van de betrokken melders met JBN. Dit onderzoek isgebaseerd op gesprekken en casusbeschrijvingen die voortkomen uitmeldingen bij het Meldpunt JB Noord. Het beeld dat naar voren komt uithet rapport is helaas niet nieuw. Veel constateringen komen overeen metde uitkomsten van het inspectierapport34.De belangrijkste conclusies van het rapport waren:–Het functioneren van JBN als organisatie is onvoldoende. Het gaat danom communicatie, besluitvorming, de vele wisselingen van jeugdbe-schermers (continuïteit), de cultuur en het invullen van samenwerkingmet andere organisaties binnen het jeugdzorgsysteem.–Ouders ervaren onvoldoende rechtsbescherming. Klachtenproceduresfunctioneren niet en beslissingen van de rechter worden niet goeduitgevoerd. Ouders geven aan dat ze niet goed gehoord worden,onveiligheid en dreiging ervaren en gebrek aan transparantie.–De onderzoekers geven aan dat er geen goed systeem van toezicht is,dat er onvoldoende checks and balances zijn in de keten en dat hetKMI en de inspecties daar onvoldoende op bijsturen.–Tot slot benadrukken de onderzoekers de noodzaak om het jeugdzorg-systeem anders in te richten waarbij er beter en tijdiger gehandhaafd34Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen beschermingbiedt, 25 september 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114618 moet worden in de keten. In de rapportage wordt op meerdereplaatsen aangegeven dat het jeugdzorgsysteem een lerend stelselmoet worden waarin de belangen van ouders en jeugdigen eencentrale plek hebben en jeugdbescherming dichter bij huis wordtgeorganiseerd. De governance van de jeugdbescherming moetopnieuw worden ingericht en de rechtsbescherming van ouders enkinderen moet worden versterkt.Reactie op het onderzoekDe uitkomsten van het rapport van het meldpunt JBN laten onder anderezien dat veel ouders zich niet gezien en gehoord voelen en dat het werkvan JBN beter moet. Ook laten zowel het inspectierapport van25 september 2025 als het rapport van het meldpunt zien hoe complex hetis om in het versnipperde jeugdzorgsysteem oplossingen te vinden. Voordeze oplossingen zijn het Rijk, de gemeenten en JBN gezamenlijk aan zet.JBN heeft aangegeven hard te werken aan een herstel- en verbetertrajectdat ertoe moet leiden dat jeugdigen en gezinnen in alle gevallen deondersteuning krijgen waar zij recht op hebben. Het KMI heeft inseptember 2025 een certificaat verstrekt aan JBN. JBN heeft meerjeugdbeschermers aangetrokken, voert de maatregelen weer voldoendetijdig uit en de sturing is aantoonbaar effectiever. Door organisatorischeproblemen is de uitvoering van de klachtenprocedure in het verleden nietaltijd goed verlopen. JBN heeft een brede uitnodiging gedaan aan cliëntenom zich te melden en heeft geïnvesteerd in capaciteit voor het voeren vanoplossingsgerichte gesprekken. Zij voeren gesprekken met de mensen diezich hebben gemeld om te kijken wat er in hun geval anders en beter kan.Daarnaast geeft JBN aan ook de stem van ouders en kinderen beter tebetrekken bij de stappen die zij zet met het verbeterplan dat JBN heeftopgesteld op basis van de constateringen van het inspectierapport.Daarover is JBN in gesprek met cliënten, de inspecties, de cliëntenraad enervaringsdeskundigen en hun input zal worden meegenomen in hetverbeteren van het herstelplan van JBN. JBN geeft tot slot aan dat deproblemen in de organisatie al meerdere jaren spelen en dat het tijd kostom duurzaam te herstellen.De gemeenten in Drenthe en Groningen geven aan hard bezig te zijn methet ontwikkelen van een passende aanpak waarmee jeugdigen wél debescherming, begeleiding en hulp gaan ontvangen die ze nodig hebben.Middels een stuurgroep sturen zij samen met JBN op de voortgang en destappen die worden gezet. De gemeenten financieren aanvullendeuitvoeringscapaciteit. Daarnaast wordt er door de gemeenten gewerkt aanmaatregelen om de beschikbaarheid van passende gespecialiseerdejeugdhulp voor jeugdigen te verbeteren. Zij hebben afspraken gemaaktmet een aantal systeem aanbieders dat zij hun ambulante specialistischeaanbod met voorrang inzetten voor de doelgroep van JBN. Ook werken degemeenten aan oplossingen voor de langere termijn die beproefd wordenin de proeftuinen Groningen/Drenthe in het kader van het Toekomstsce-nario Kind- en Gezinsbescherming.Een van de bevindingen in het rapport is dat klachtenproceduresonvoldoende functioneren en dat ouders deze procedures veelal alszinloos ervaren «Het patroon is steeds hetzelfde: de klacht wordtgeregistreerd, er wordt begrip getoond, maar een inhoudelijke uitkomstblijft uit (blz. 48).» Deze signalen herkennen wij. Daarom hebben wij in2025 een onderzoek uit laten voeren naar klachtbehandeling in hetjeugdzorgdomein. Het rapport «Onderzoek klachtbehandeling bijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114619 organisaties in het jeugdzorgdomein» is bij brief van 17 december 202535aan uw Kamer toegezonden. De komende periode gaan we de aanbeve-lingen die daarin zijn gedaan nader bestuderen en bespreken metbetrokken organisaties. In het voorjaar van 2026 informeren we uw Kamervia de reguliere jeugdzorgbrief over de voortgang van de te zettenstappen.Een andere bevinding uit het rapport is dat rechterlijke uitspraken nietaltijd worden opgevolgd. Uit het rapport komt het beeld naar voren datouders zich aan de ene kant erkend voelen wanneer een rechter hunklachten serieus neemt, maar tegelijkertijd ervaren dat deze erkenning nietleidt tot verandering. De rechtspraak herkent het beeld dat uitspraken nietaltijd worden opgevolgd en geeft aan dat verschillende factoren hieraanbijdragen, bijvoorbeeld wachttijden voor een vaste jeugdbeschermer enhet tekort aan jeugdhulp. In het debat van 4 december jl. over deinspectierapporten Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel en Als zelfsoverheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt is de motie van deleden van der Plas (BBB) en Coenradie (JA21) aangenomen, waarin deregering wordt verzocht om in de gesprekken over de verbetering van hetstelsel de kinderrechter goed te betrekken.36 Wij zeggen uw Kamer hierbijtoe dat wij bij de gesprekken over de verbetering van het stelsel, dekinderrechter nauw zullen betrekken. Wij verwijzen u graag naar depassage over de veranderstrategie van het Toekomstscenario Kind- enGezinsbescherming. In de veranderstrategie wordt uiteengezet op welkemanier we de komende jaren het jeugdzorgstelsel gaan verbeteren.Ons streven is de acties die voortvloeien uit de reactie op de hiervoorgenoemde rapporten en de acties die uit de veranderstrategie voortkomenin het voorjaar van 2026 samen te nemen. Op deze manier blijft de inzetrichting jeugdbescherming op korte en lange termijn overzichtelijk.Daarnaast verwijst de Staatssecretaris van JenV uw Kamer graag naar depassage rechtsbescherming onder 3.1, waarin onder andere wordtingegaan op de voortgang van het wetsvoorstel rechtsbescherming in dejeugdbescherming, de initiatieven op het gebied van feitenonderzoek enhet verbeteren van de kwaliteit van de besluitvorming.Tot slotEr zijn stevige keuzes nodig om te zorgen dat het gebruik van jeugdzorg inNederland vermindert en mede daarmee dat jeugdzorg beschikbaar isvoor de kinderen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het is vangroot belang dat we het jeugdzorgstelsel houdbaar maken voor detoekomst. Het verbeteren van hulp en bescherming aan gezinnen enhuishoudens die in een onveilige situatie verkeren blijft daarbij eenonverminderd grote uitdaging. De overheden, Rijk en gemeenten, hebbenhier hun verantwoordelijkheid te nemen. Het is aan het nieuwe kabinetom hier uitwerking aan te geven samen met de VNG. Gelijktijdig is dit eenopgave voor alle partijen die werkzaam zijn in de jeugdzorg en eenopdracht aan de samenleving als geheel. Alleen samen kunnen we de35Kamerstuk 31 839, nr. 114536Kamerstuk 31 839, nr. 1135Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114620 opvoed- en opgroeiomgeving van kinderen verbeteren, zodat zij gezond,weerbaar en veilig kunnen opgroeien en om leren gaan met uitdagingenin het leven.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,J.Z.C.M. TielenDe Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,A.C.L. RutteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114621 – Overige onderwerpenNationale JeugdstrategieOp 17 mei 2024 heeft het kabinet toegezegd samen met jongeren tewerken aan een Nationale Jeugdstrategie37, om zo te borgen dat jongerenbetekenisvolle inspraak krijgen in beleid op thema’s die hun leven raken.De Nationale Jeugdraad (NJR) heeft, als eerste stap in het ontwikkelenvan deze strategie, tussen september 2024 en september 2025, metfinanciering van het Ministerie van VWS, het grootste jongerenparticipa-tietraject in Nederland tot nu toe georganiseerd. Via gewogen loting iseen jongerenregiegroep samengesteld die representatief is voor dejongeren in Nederland, divers naar leeftijd, gender, opleiding, regionalespreiding en migratieachtergrond.Deze jongerenregiegroep heeft de thema’s voor de Nationale Jeugdstra-tegie vastgesteld, waarna jongeren uit zowel Europees als CaribischNederland hun visie daarop hebben kunnen geven. In totaal hebben ruim12.000 jongeren input geleverd. Op basis hiervan is op 4 september 2025het Ontwerp voor de Nationale Jeugdstrategie38 gepresenteerd. Hetkabinet spreekt grote waardering uit voor alle jongeren die aan dit trajecthebben bijgedragen.Op 13 oktober 2025 hebben de Minister van OCW en de Staatssecreta-rissen van VWS, OCW en SZW de NJR, de SER, het NJi en een deel vande jongerenregiegroep ontvangen in het Catshuis. Tijdens deze bijeen-komst is toegezegd dat het kabinet passende opvolging zal geven aan hetOntwerp voor de Nationale Jeugdstrategie door de komende maanden tewerken aan een jeugdconvenant. In dit convenant legt het kabinet vast,hoe opvolging wordt gegeven aan het Ontwerp en in het bijzonder opwelke wijze betekenisvolle jongerenparticipatie structureel geborgd engemonitord wordt. Ontwikkeling van het convenant gebeurt in cocreatiemet jongeren en sociale partners. De Kamer wordt voor de zomer van2026 geïnformeerd over de voortgang.Reactie op rapport ’Verlangen 5 – Sterke Partnerrelaties: Versterkliefdevolle en veilige partnerrelaties in Nederland»Zoals u heeft verzocht in uw brief van 4 december jl. van de vastecommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), ontvangt u eenreactie op het rapport «Verlangen 5 – Sterke Partnerrelaties: Versterkliefdevolle en veilige partnerrelaties in Nederland».39Het rapport «Verlangen 5 – Sterke Partnerrelaties: Versterk liefdevolle enveilige partnerrelaties in Nederland» vraagt breed aandacht voor hetopbouwen van gezonde relaties, het goed verloop van eventuelescheiding en het voorkomen van geweld in relaties. We zijn de opstellersvan het rapport erkentelijk voor de inzichten. Het rapport raakt aanmeerdere beleidsterreinen.In de brief over complexe scheidingen van 3 oktober jl. is uw Kamergeïnformeerd over de stappen die het kabinet zet op complexe schei-dingen en hoe we samen met betrokken partners werken aan de onder-steuning aan gezinnen.40 Daarbij wordt onder meer ingezet op hetverspreiden en ontsluiten van goede voorbeelden bij gemeenten. Verderis er in het handelingskader, dat op dit moment ontwikkelt wordt in hettoekomstscenario kind- en gezinsbescherming aandacht voor complexe37Kamerstuk 35 883, nr. 3 Aanpak voor herstel en perspectief voor jongeren | Tweede Kamer derStaten-Generaal38https://nationalejeugdstrategie.nl/het-ontwerp/392025Z2120740Kamerstuk 31 839, nr. 1111Bijlage 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114622 scheidingen. Een scheiding kan ingrijpende gevolgen hebben voorkinderen. Wanneer ouders uit elkaar gaan is het belangrijk dat zij dit opeen goede manier doen. Ouders zijn daarbij in de eerste plaats zelf primairverantwoordelijk voor een goed verloop van de scheiding. Wanneer hetouders niet lukt om hier zelf op een goede manier uit te komen, kan bijeen complexe scheiding ondersteuning nodig zijn.Daarnaast is op 18 december jl. de voortgangsbrief aanpak huiselijkgeweld en kindermishandeling aan uw Kamer verzonden, waarin hetkabinet uiteenzet hoe wordt gewerkt aan het versterken van de aanpak ophuiselijk geweld en kindermishandeling, en de aanpak van geweld tegenvrouwen /femicide.41Rapport GezinshuizenBij deze brief ontvangt u het rapport «Gezinshuizen in Nederland, cijfers in2025» en de bijbehorende «Factsheet gezinshuizen» met cijfers over hetaantal gezinshuizen in Nederland. Het onderzoek van Significant Public inopdracht van het Ministerie van VWS betreft een uitvraag onderzelfstandige gezinshuizen en een uitvraag bij zorgaanbieders metgezinshuizen waarvan de gezinshuisouders in loondienst zijn bij dezeaanbieder. Het doel van het onderzoek was om inzicht te verkrijgen in hetaantal gezinshuizen in Nederland, de landelijke spreiding, het aantalkinderen dat in een gezinshuis verblijft en een aantal specifiekekenmerken van de gezinshuizen. De resultaten van dit onderzoek treft uaan in het rapport en in de bijgevoegde factsheet. We zien in de cijfers dathet aantal gezinshuizen in Nederland sinds 2020 licht is gestegen; van 979gezinshuizen in 2020 tot 1052 gezinshuizen in 2025.41Kamerstuk 28 345, nr. 293Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114623 – Afdoening moties en toezeggingenDiverse moties en toezeggingen inzake pleegzorgVerzoek van het lid Struijs om delen samenvatting inspectierapportenTijdens het debat van 4 december 2025 over de inspectierapportenKwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel en Als zelfs overheidsingrijpenkinderen geen bescherming biedt heeft de Staatssecretaris van VWStoegezegd om schriftelijk terug te komen op het verzoek van dhr. Struijsom een geanonimiseerde samenvatting van de rapporten van individuelemedewerkers met de Kamer te delen.De IGJ mag over het onderzoek naar individuele medewerkers geeninformatie delen en ook geen rapport of samenvatting openbaar maken,omdat zij is gebonden aan het afgeleide medisch beroepsgeheim.Onderzoeken naar individuele medewerkers zijn dan ook uitgezonderdvan openbaarmaking. De IGJ kan wel bekendmaken dat aan een aantalmedewerkers is gevraagd een verbeterplan in te dienen. Ook is er ééntuchtklacht ingediend.Motie van het lid Van der Werf (D66) over op korte termijn de aanbeve-lingen van de inspecties uitvoeren42Deze motie is afgedaan in de brief die uw Kamer heeft ontvangenvoorafgaand aan het debat van 4 december 2025 over de inspectierap-porten Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel en Als zelfs overheids-ingrijpen kinderen geen bescherming biedt43.Motie van de leden Coenradie (JA21), Straatman (CDA) en El Abassi(DENK) over een breed plan van aanpak rondom de arbeidsmarktproble-matiek in de pleegzorg44De motie roept op om te komen met een breed plan van aanpak voor dearbeidsmarktproblematiek in de pleegzorg. Graag wil ik aangeven dat hetaanpakken van de personeelskrapte prioriteit heeft. Er is al een specifiekearbeidsmarkt aanpak zorg- en welzijn breed (inclusief de jeugdzorg)geïnitieerd, gericht op behoud van personeel en verminderen van deuitstroom van personeel. Het doel is ervoor te zorgen dat er o.a.voldoende ruimte is voor het behoud van medewerkers en voor leren enontwikkelen, zodat de sector zorg en welzijn een fijne sector is om in te(blijven) werken. VWS heeft hierbij een stimulerende en faciliterende rol.Aanvullend hierop geeft VWS en JenV samen met JZNL en socialepartners uitvoering aan concrete projecten gericht op het aanpakken vande arbeidsmarkproblematiek in de jeugdzorg. Deze aanpak heeft geresul-teerd in goede voorbeelden en handreikingen op thema’s als hoe bouw jeeen aantrekkelijke organisatie en inwerken en behoud van personeel. Dezeinzichten worden breed gedeeld in de jeugdzorg sector en diversejeugdhulporganisaties zijn betrokken. Ter uitvoering van de motie zullenwe in overleg met Jeugdzorg Nederland en sociale partners kijken naar detoepassing van deze inzichten bij een pleegzorg aanbieder.Waar het gaat om verzuim en behoud steunt VWS het Preventieplan zorgen welzijn, een initiatief van PGGM, Stichting IZZ en FWG ProgressionalPeople om verzuim en verloop in de sector omlaag te brengen. Voor dezeaanpak zijn data over verzuim, verloop en werkbeleving gecombineerdmet de praktijkervaringen van ruim 700 zorgprofessionals en teamleiders.42Kamerstuk 31 839, nr. 110843Kamerstuk 31 839, nr. 111344Kamerstuk 31 839, nr. 1127Bijlage 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114624 Hiermee is onderzocht wat de belangrijkste oorzaken van verloop enverzuim zijn én wat bewezen effectieve oplossingen zijn. Vervolgens iseen handelingsperspectief voor instellingen en de sector beschreven. Deaanpak is beschreven in een rapport en wordt nu zo breed mogelijkverspreid in de sector, onder andere via presentaties bij koepelorga-nisaties en door het organiseren van regionale bijeenkomsten voor(jeugd)zorgaanbieders.Toezegging aan het lid El Abassi (DENK) om terug te komen op deuitvoering van de motie een onafhankelijk controlemechanisme in testellen om toezicht te houden op de beslissingen en werkwijzen vanpleegzorgorganisaties en jeugdbescherming45In de Voortgangsbrief verbetermaatregelen na gebeurtenissen pleeggezinVlaardingen van 17 juni 202546 is reeds aangekondigd dat het onafhan-kelijk toezicht via de IGJ en IJenV verloopt. Daarom wordt geen nieuwcontrolemechanisme ingesteld. Onderdeel van de motie was ervoorzorgen dat pleegkinderen een-op-een gesproken worden, zonderaanwezigheid van de pleegouder. Dit is ook onderdeel van het toetsings-kader van de inspecties. De inspecties constateren dat het contact metpleegkinderen betekenisvol moet worden ingevuld. In de actualisatie vande richtlijn Pleegzorg wordt dit meegenomen. Met de gecertificeerdeinstellingen is afgesproken dat ook zij een landelijke richtlijn opstellen omeen-op-een contact goed te borgen.Toezegging aan het lid Ceder (CU) inzake de besteding van middelen voorpleegzorg47Deze toezegging is reeds afgedaan met een eerdere voortgangsbriefJeugd48, maar stond per abuis nog geregistreerd als openstaand.Uitvoering motie Van der Plas (BBB) over Blijvend inzetten op versterkenvan uitvoeringspraktijk in samenwerken met informele steunfiguren zoalsJIM49Het bij hulpverlening actief betrekken van informele steun(figuren) uit hetnetwerk van jongeren is essentieel in het kader van het versterken van hetgewone leven, opgroeien en het normaliseren. Een belangrijke opgavederhalve, zeker ook voor de professionals, zorgaanbieders en degemeenten. Er is al een mooie beweging gaande, maar er zijn zeker nogkansen om het potentieel van informele steunfiguren (uit het eigennetwerk) beter te benutten en meer actief aan te bieden aan jongeren engezinnen, ook als er sprake is van een jeugdbeschermingsmaatregel. Hetversterken van de uitvoeringspraktijk met betrekking tot de samenwerkingvan professionals met informele steun(figuren) maakt daarom onderdeeluit van de Hervormingsagenda. Er wordt o.a. ingezet op vakbekwaamheidvan professionals om samen te werken met informele steun(figuren) enverder het creëren van de juiste randvoorwaarden voor professionalsvanuit werkgevers en/of opdrachtgevers. Ook ondersteunen we delandelijke JIM-pact50. Ondertussen zijn er al bijna 3000 professionalsopgeleid in de JIM-aanpak en zijn er diverse jeugdhulporganisatie doorhet hele land aangesloten bij de JIM-Pact. Daarnaast is het samenwerkenmet informele steun een leerlijn van de woensdag 10 december jl.45Kamerstuk 31 015, nr. 29446Kamerstuk 31 015, nr. 30347TZ202401-06348Kamerstuk 31 839, nr. 102449Kamerstuk 31 839, nr. 113650https://jimwerkt.nl/jimpact/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114625 gelanceerde gezamenlijke leeragenda Kwaliteit en blijvend leren in dejeugdhulp (www.kbl.nl). Met deze reactie beschouw ik motie 1136 van deleden Van der Plas en Coenradie als afgedaan.Motie van het lid Crijns (PVV) over de rol van de NZa bij fusies vanjeugdzorginstellingen51Op 26 maart jl. verzocht Tweede Kamerlid Crijns de regering per motie teverkennen of fusies van jeugdzorginstellingen alleen kunnen plaatsvindenna goedkeuring door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) via eenjeugdhulpspecifieke concentratietoets. Naar aanleiding daarvan zijngesprekken gevoerd met onder meer de NZa, de Jeugdautoriteit (JA) ende Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Uit deze gesprekkenblijkt dat deze organisaties het signaal niet breed herkennen dat fusieszouden leiden tot verdere versnippering, bestuurlijke instabiliteit ofonzekere zorgsituaties voor kwetsbare jongeren. Daarom kies ik ervoorom geen jeugdhulpspecifieke concentratietoets in te voeren. Wel ga ikverkennen of de NZa inzicht in het fenomeen fusies kan meenemen in hetstelselonderzoek dat zij uitvoeren. Hiermee beschouw ik de motie alsafgedaan.Uitvoering motie Joseph (BBB) over ABA-behandelingen52De motie van het lid Joseph verzoekt de regering onder andere om samenmet het veld, de IGJ, gemeenten, relevante cliëntenorganisaties enervaringsdeskundigen, in gesprek te gaan over de mogelijkheid om eenlandelijk toezicht- en registratiekader te ontwikkelen waarmee hetaanbieden en/of vergoeden van Applied Behavior Analysis (ABA)-behandelingen die intensiever zijn dan één uur per week effectief kanworden uitgesloten.Vanuit het Ministerie van VWS is gesproken met de NederlandseVereniging voor Autisme (NVA), stichting Leerlingen Belang VoortgezetSpeciaal Onderwijs (LBVSO), Balans (landelijke belangenvereniging vanouders van kinderen met ontwikkelingsproblemen, waaronder kinderenmet autisme en ADHD), Mama Vita (netwerk van moeders van kinderenmet autisme), de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP),verschillende professionals die werkzaam zijn in de zorg voor kinderenmet autisme, de IGJ en de VNG.Ik begrijp de zorgen over ABA-behandelingen, deze zijn ook in degesprekken naar voren gekomen. Er zijn schrijnende verhalen vanervaringsdeskundigen die nare ervaringen hebben gehad met ABA. Hetraakt mij dat jongeren dergelijke ervaringen hebben. Behandeling ofbegeleiding dient bij te dragen aan hun welzijn en ontwikkeling en magnooit schadelijk zijn. Tegelijkertijd bereiken mij ook geluiden oververharding in de discussie rondom ABA. Met name professionals gavenaan zich onveilig of zelfs bedreigd te voelen, en zijn daardoor somshuiverig om deel te nemen aan het debat. Dat komt noch de kwaliteit vanzorg, noch de ontwikkeling van kennis ten goede. Ik vind het van belangdat meningsverschillen over een behandeling binnen de grenzen van eenopen en constructief debat gevoerd kunnen worden en kennisontwik-keling hierdoor niet belemmerd wordt.Over de effecten van ABA bestaan verschillende perspectieven. Enerzijdsgeven de LBVSO en NVA aan dat zij ABA als schadelijk ervaren metnegatieve gevolgen voor cliënten. Dit is voor hen een reden om te pleiten51Kamerstuk 36 546 nr. 6452Kamerstuk 24 170, nr. 379Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114626 voor een verbod op ABA en beiden zijn voorstander van de uitvoering vande motie. Door andere ervaringsdeskundige partijen is benoemd dat erook ouders en kinderen met autisme zijn die positieve ervaringenrapporteren met ABA-behandelingen of sterk afgeleide vormen daarvan.Zij geven aan dat er grote variatie bestaat tussen kinderen met autisme eneventuele andere aandoeningen. Afhankelijk van de zorgvraag kunnenverschillende behandelmethodes passend zijn. Hierover bestaat nog teweinig kennis en door deze partijen is aangegeven dat vooral meeronderzoek noodzakelijk is. Ook hebben zij benadrukt dat voor hen degekozen behandelmethodiek alleen niet doorslaggevend is, maar dat zijvooral de kwaliteit van zorg als bepalend zien. Deze moet voldoendegeborgd zijn om potentieel schadelijke effecten te voorkomen.Uit de gevoerde gesprekken komt ook naar voren dat er niet één speci-fieke ABA-behandeling te definiëren is. Het rapport van het NJi geeft datook aan. Op basis van de theorie over toegepaste gedragsanalyse zijnverschillende methoden ontstaan. De onderliggende principes wordengebruikt in een groot scala aan behandelingen en zijn gedeeltelijk ookonderdeel van opvoeding53. Dit maakt het bijzonder moeilijk om voor hette ontwikkelingen registratie en toezichtskader helder te definiëren welkebehandelmethoden en aanbieders geregistreerd moeten worden.In gesprek met de IGJ kwam naar voren dat haar toezicht zich richt op dekwaliteit en veiligheid van de geleverde zorg en is gericht op deuitkomsten van een behandeling en de effecten van die behandeling opeen kind. Binnen haar toezicht kan de IGJ optreden wanneer sprake is vanrisico’s voor de kwaliteit en veiligheid van zorg of welzijn van het kind. DeIGJ houdt geen toezicht op de keuze voor specifieke behandelvormen engeeft aan dat het aan professionals is om een goede afweging te makenwelke behandeling het meest passend is voor een kind. Toezicht op heteen kader zoals voorgesteld in de motie, richt zich op het controleren vanhet zich voordoen van ABA behandelingen van meer dan één uur in deweek, en niet op de uitkomsten ervan in relatie tot kwaliteit en veiligheidvan zorg. De IGJ ziet daarom geen rol voor zichzelf bij het toezicht houdenop een dergelijk kader. Bovendien ziet de IGJ het als risico dat aanbiedersdie ABA-behandelingen van meer dan één uur aanbieden, deze behande-lingen mogelijk anders zullen noemen of vormgeven, waardoor niet alleaanbieders geregistreerd worden en het registratiekader zijn doelvoorbijschiet.Tenslotte kwam in de gesprekken naar voren dat een dergelijk kader leidttot een aanzienlijke toename van administratieve lasten voor zorgaan-bieders en gemeenten. Zorgaanbieders zouden per cliënt moetenregistreren of de inzet van ABA-behandelingen meer dan één uur perweek bedraagt en zich als zodanig moeten registreren bij een daartoe nogaan te wijzen organisatie die dit periodiek controleert. De gemeentenmoeten vervolgens periodiek inzicht krijgen in deze informatie met alsdoel dat zij kunnen besluiten deze zorg niet meer in te kopen.Op basis van de gesprekken waar de motie om verzoekt, concludeer ik dathet ontwikkelen van het gevraagde landelijk toezicht- en registratiekaderin de praktijk niet uitvoerbaar en uiteindelijk handhaafbaar is. Dit neemtniet weg dat ik het bijzonder belangrijk vindt dat professionals heelserieus kijken naar de kwaliteit van behandelingen bij jongeren metautisme waaronder ABA behandelingen. Het is noodzakelijk dat ervoldoende aandacht is voor dit onderwerp en dat de kwaliteit van zorggoed geborgd wordt. Daarom ben ik blij met de richtlijn van de NVvP. Het53Goede zorg voor kinderen met autisme; kan ABA daar een rol in spelen? | NederlandsJeugdinstituutTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114627 is een waardevolle ontwikkeling omdat het toont dat professionals denoodzaak zien van kwalitatief goede zorg voor jongeren met autisme, zichbewust zijn van mogelijke kwetsbare kanten van ABA en dit hebbenvertaald in een richtlijn voor professionals. Ik ga ervanuit dat professi-onals gaan handelen conform de richtlijn van de NVvP. De motie vraagtook gemeenten actief te wijzen op deze richtlijn. Vanuit het ministerie isdaarover zowel met de VNG als met de NVvP gesproken. De VNG heefttoegezegd de richtlijn via haar nieuwsbrief onder de aandacht vangemeenten te brengen. De NVvP heeft de afdeling Kinder- en Jeugdpsy-chiatrie (KJP) gevraagd aandacht te besteden aan de richtlijn in denieuwsbrief van de afdeling. De IGJ heeft aangegeven dat zij de nieuweNVvP richtlijn meeneemt in haar toezicht.Diverse moties inzake mentale gezondheid onlineIn juni is de richtlijn gezond schermgebruik54 met uw Kamer gedeeld. Metde richtlijn wordt een belangrijke stap gezet om gezond scherm- ensociale media gebruik door kinderen te stimuleren en te ondersteunen enkinderen digitaal weerbaarder te maken en mentaal gezond te houden.Het is nu belangrijk dat de richtlijn goed bekend is en wordt gemaakt bijopvoeders en professionals, opdat de adviezen en handvatten in derichtlijn ook daadwerkelijk worden gebruikt. Een recente meting van hetMedia Minds ouderpanel laat zien dat 40% van de opvoeders op ditmoment bekend is met de richtlijn en dat 73% daarvan deze ervaart alsnuttig.VWS werkt samen met o.a. de onderzoekers van de richtlijn, het NJI,Trimbos Instituut en Netwerk Mediawijsheid aan een implementatieplan,met als doel eenduidige communicatie naar opvoeders en (opvoed)pro-fessionals over gezond schermgebruik en het vergroten van bekendheidvan de richtlijn. Het implementatieplan zal waar mogelijk bestaandekanalen en tools benutten. Denk daarbij aan de jeugdgezondheidszorg(jgz), kinderopvang en onderwijs middels de MediaDiamant en de toolboxMediaopvoeding. Hiernaast zal in het plan aandacht zijn voor diversiteitvan de communicatiematerialen. Ten behoeve van het implementatieplanvoert VWS ook gesprekken met het jongerenpanel mentale gezondheid,wetenschappers, GGD’en en betrokken departementen zoals het Minis-terie van BZK, OCW en SZW. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan demotie van het lid Ceder (CU)55 om het socialemediagebruik van minderja-rigen voornamelijk als gezondheidsvraagstuk te benaderen en daarinsamen te werken met andere departementen. De 20-20-2 regel56 is éénvan de adviezen in de richtlijn. Dit advies is verwerkt in veel van deopvoedtools, zoals MediaDiamant. Hier wordt aandacht besteed aanbalans tussen scherm- en schermvrije activiteiten. Niet alleen in het kadervan mentale gezondheid, maar ook voor fysieke en ooggezondheid.Hiermee wordt ook de motie van lid Tielen (VVD) afgedaan om in gesprekte gaan met jgz-professionals en oogartsen met als doel om de 20-20-2regel beter onder de aandacht te brengen57. U wordt nader geïnformeerdover de opvolging van het implementatieplan via de voortgangrappor-tages van de samenhangende preventiestrategie58.54Kamerstukken 32 793 en 26 643, nr. 84855Kamerstuk 31 524, nr. 660.56De 20-20-2 regel is een maatregel om bijziendheid te voorkomen en stelt dat je na 20 minutendichtbij kijken 20 seconden in de verte moet kijken en dat je minimaal 2 uur per dag buitenmoet zijn.57Kamerstuk 32 793, nr. 84558Kamerstuk 32 793, nr. 846Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114628 In september is het Ministerie van BZK de publiekscampagne «Blijf inbeeld» gestart met praktische tips en informatie om het online leven vankinderen veiliger te maken. Op de bijbehorende website, Jouw kindonline59, is de richtlijn gezond schermgebruik verwerkt en meegenomen.In december is in opdracht van VWS reeds de vernieuwde versie van deMediaDiamant60 van Netwerk Mediawijsheid gelanceerd. Deze bekendeen veelgebruikte tool voor opvoeders en professionals helpt hen teondersteunen bij (het gesprek over) mediaopvoeding. In de vernieuwdeversie is de richtlijn verwerkt. Deze is beschikbaar in 9 talen, waaronderEngels, Turks, Arabisch, Papiaments en Oekraïens.Overige moties RechtsbeschermingMotie van het lid Ceder (CU) c.s.61In deze motie wordt de regering onder meer verzocht te onderzoeken inhoeverre de bestaande mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheidbeter onder de aandacht kunnen worden gebracht bij slachtoffers.Iedereen die te maken heeft met jeugdzorg kan voor vragen, advies ofondersteuning terecht bij een vertrouwenspersoon, zoals Jeugdstem.Jeugdstem kan ondersteunen bij het zetten van vervolgstappen, bijvoor-beeld bij het indienen van een klacht. In deze communicatie nemen zij ookde mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheid mee. Jeugdstemdraagt bij aan de bekendheid van de procedure door de cliënt erop tewijzen de mogelijkheden te bespreken met een advocaat vanwege decomplexe juridische aard. Gezien de complexiteit van de trajecten, ziet deStaatssecretaris van JenV op dit moment geen aanleiding om dezemogelijkheid verder onder de aandacht te brengen van de slachtoffers.Motie van het lid Bruyning (NSC) c.s.62In deze motie wordt de regering verzocht te bevorderen dat de meldbrief-procedure niet langer wordt gebruikt.Deze motie is uitgevoerd. De meldbriefprocedure is afgeschaft. Daarnaastheeft de rechtspraak middelen ontvangen om standaard ouders enkinderen te horen bij verzoeken tot ondertoezichtstelling en machtiginguithuisplaatsing.63Motie van het lid Westerveld (GL-PvdA)64In deze motie wordt de regering verzocht te waarborgen dat rechtzoe-kenden die worden uitgenodigd voor een jeugdbeschermingstafel (hierna:JBT) er expliciet op worden gewezen dat zij een zelfgekozen advocaatmogen meenemen.Om inzicht te krijgen in de huidige informatievoorziening is een uitvraaggedaan bij alle JBT’s. Daarbij is expliciet gewezen op de inhoud van demotie en op de mogelijkheid om met behulp van de tijdelijkeRATZ-regeling gebruik te maken van gesubsidieerde rechtsbijstand.59https://www.jouwkindonline.nl/60https://www.mediadiamant.eu/61Kamerstuk 31 015, nr. 28962Kamerstuk 36 410 XVI, nr. 10563Zie ook TK-brief d.d. September 2025 met prijsafspraken rechtspraak voor de periode2026–2028 (Kamerstuk 36 600 VI, nr. 162)64Kamerstuk 31 839, nr. 1035Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114629 Uit deze inventarisatie blijkt dat JBT’s in hun uitnodigingen aan oudersvermelden dat zij een vertrouwenspersoon mogen meenemen, waaronderook een advocaat kan vallen. Gezien het decentrale stelsel hebbengemeenten beleidsvrijheid om de werkwijze van JBT’s nader vorm tegeven.Vanuit de Rijksoverheid wordt aanvullend voorlichtingsmateriaalontwikkeld over rechtsbescherming op het snijvlak van vrijwillige engedwongen hulp. Daarin wordt expliciet aandacht besteed aan demogelijkheid van ondersteuning door een advocaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 114630

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · f2f7a49da807e683

14 okt 2026 · 29f1757885df7086

13 okt 2026 · 72adaf5d0a9b486a

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.