KamerkringInloggen
Kamerbrief

Besluitvorming MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel

13 nov 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie b34436fe0b9be1b6 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 765Kwaliteit van zorg32 793Preventief gezondheidsbeleidNr. 951 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Den Haag, 13 november 2025Bevolkingsonderzoek is een belangrijke en effectieve manier om kanker ineen vroeg en behandelbaar stadium te ontdekken en daarmee veelziektelast, ellende en overlijdens te voorkomen. Het bevolkingsonderzoekborstkanker wordt sinds 1990 landelijk aangeboden. Jaarlijks worden ruim6.000 tumoren opgespoord. Naar schatting voorkomen we jaarlijks 1.300sterfgevallen met het bevolkingsonderzoek.Ongeveer 5–8% van de doelgroep van het bevolkingsonderzoek heeft zeerdicht borstweefsel. Bij deze vrouwen werkt een mammogram mindergoed, waardoor tumoren minder vaak zichtbaar worden dan bij anderen.1Een aanvullend MRI-onderzoek kan het bevolkingsonderzoek voorvrouwen met zeer dicht borstweefsel verbeteren.2 Het RIVM heeft hetafgelopen half jaar onderzocht op welke manier MRI’s kunnen wordenaangeboden aan deze vrouwen, naar aanleiding van de duidelijkemaatschappelijke oproep hiertoe en verschillende debatten in uw Kamerhierover. De uitvoeringstoets die ik op 1 oktober naar uw Kamer hebgestuurd is daarvan het resultaat.3 Conform mijn toezegging informeer ikuw Kamer met deze brief over hoe het MRI-aanbod voor vrouwen metzeer dicht borstweefsel eruit komt te zien, en welke vervolgstappenworden genomen om dat aanbod te realiseren. Hiermee voer ik deafspraak uit die is gemaakt in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord(AZWA)4 en geef ik invulling aan de motie van het lid Paulusma c.s. overhet toegankelijk maken van MRI voor vrouwen met zeer dichtborstweefsel.51Bij deze groep vrouwen wordt circa 60% van de tumoren gevonden met de mammografieterwijl dit bij vrouwen zonder zeer dicht borstweefsel 70–85% is.2Bakker MF, et al. Supplemental MRI Screening for Women with Extremely Dense Breast Tissue.N Engl J Med. 2019;381(22):2091–2102.3Kamerstukken 31 765 en 32 793, nr. 9474In het AZWA is afgesproken om het bevolkingsonderzoek borstkanker voor vrouwen met zeerdicht borstweefsel te verbeteren door hen een MRI aan te bieden. Kamerstuk 31 765, nr. 9375Kamerstuk 32 793, nr. 797. kst-31765-951ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9511 SamenvattingIk ben erg blij met het uitvoerige werk dat het RIVM in korte tijd heeftverzet samen met onder andere vertegenwoordigers van patiënten, artsenen onderzoekers. De uitvoeringstoets van het RIVM laat zien dat erverschillende mogelijkheden zijn om het MRI-aanbod te realiseren voorvrouwen met zeer dicht borstweefsel. Deze mogelijkheden worden helderen concreet omschreven in de uitvoeringstoets. Dat rapport vormt eensolide basis voor het vervolg.De afgelopen weken heb ik de uitvoeringstoets van het RIVM goedbestudeerd. Op 9 oktober 2025 ben ik in gesprek gegaan met alle partijendie betrokken waren bij de uitvoeringstoets om hun adviezen enaandachtspunten te horen. Deze input heeft mij ertoe gebracht om hetMRI-aanbod voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel als volgt vorm tegeven:•Vrouwen met zeer dicht borstweefsel uit de doelgroep van hetbevolkingsonderzoek worden aansluitend op hun mammogram (dieiedere 2,5 à 3 jaar wordt aangeboden) uitgenodigd voor een MRI.•Deze MRI zal plaatsvinden in een ziekenhuis of zelfstandig behandel-centrum (ZBC), onder regie van het bevolkingsonderzoek zodatuniforme kwaliteitsborging en strakke capaciteitssturing zijngewaarborgd.•Er zal sprake zijn van een capaciteit gestuurde instroom en eeningroeimodel, waarbij de beschikbare capaciteit die volgt uit deaanbestedingen leidend is voor de hoeveelheid vrouwen die opjaarbasis kunnen worden uitgenodigd. Dit betekent dat het niet(meteen) mogelijk zal zijn om alle vrouwen met zeer dicht borstweefseldirect aansluitend op hun mammogram een uitnodiging te sturen vooreen MRI.•Ik verwacht dat na zorgvuldige voorbereiding en implementatie deeerste MRI’s in 2030 uitgevoerd worden.•Vanaf dat moment wordt borstdensiteit gemeten met de mammogra-fie. Deelnemende vrouwen krijgen vanaf dan ook te horen of zij zeerdicht borstweefsel hebben of niet. Ook als ze door capaciteit gestuurdeinstroom en het ingroeimodel niet direct aansluitend een MRI kunnenkrijgen.Ik geef het RIVM-opdracht om bovenstaande uit te werken in eenimplementatieplan. Ik realiseer me dat 2030 nog even duurt. Het liefst wilik dat het sneller zou kunnen, maar de route die we nu inslaan is desnelste mogelijkheid binnen mijn invloedssfeer. De implementatie vraagtom een aantal noodzakelijke stappen en zorgvuldige voorbereiding. Ik zalelke mogelijkheid om te versnellen met beide handen aangrijpen. Ik benpositief dat ik op deze manier wel een forse versnelling kan realiseren tenopzichte van wanneer we de resultaten van het proefbevolkingsonderzoekmet verkorte MRI en contrastmammografie (CEM) (DENSE-2) zoudenafwachten in 2031 om vervolgens pas te starten met voorbereidingen enimplementatie.Met dit besluit kunnen we eindelijk het bevolkingsonderzoek borstkankervoor vrouwen met zeer dicht borstweefsel verbeteren. Daar ga ik mijsamen met alle partners in het veld voor inzetten. Hier is jaren onderzoeknaar gedaan en jaren over gesproken, ik zie het dan ook als een heelbijzondere mijlpaal dat we dit nu gaan realiseren. In deze brief licht ik toewaarom ik voor bovenstaand MRI-aanbod kies, aan de hand van deverschillende onderdelen van de uitvoeringstoets.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9512 OrganisatievormHet aanvullend MRI-aanbod voor vrouwen met zeer dicht borst-weefsel zal plaatsvinden in een ziekenhuis of zelfstandig behandel-centrum (ZBC) en onder regie van het bevolkingsonderzoek(organisatievorm 3 in de uitvoeringstoets).Het rapport van het RIVM beschrijft vier manieren om de uitbreiding vanhet bevolkingsonderzoek borstkanker met MRI voor vrouwen met zeerdicht borstweefsel te organiseren.•Organisatievorm 1: De aanvullende MRI wordt volledig binnen dereguliere zorg georganiseerd en daarmee gefinancierd via dezorgverzekeringswet.•Organisatievorm 2: De uitvoering vindt grotendeels plaats in de zorg,maar met enige centrale coördinatie vanuit het bevolkingsonderzoek,door tijdsloten in zorginstellingen te inventariseren en deelnemersdoor te verwijzen.•Organisatievorm 3: De uitvoering gebeurt in ziekenhuizen en ZBO’s,maar onder centrale regie en financiering vanuit het bevolkingsonder-zoek.•Organisatievorm 4: De MRI-screening wordt volledig geïntegreerdbinnen het bevolkingsonderzoek door het openen van specialescreeningslocaties.Het RIVM adviseert om te kiezen voor organisatievorm 3. Het overgrotedeel van betrokken partijen, waaronder beroepsorganisaties van artsen,ondersteunt dit advies. Deze vorm kent volgens het RIVM een aantalbelangrijke voordelen: deelnemers betalen geen eigen risico, er is regieop capaciteitsbeheersing vanuit het bevolkingsonderzoek, en centralekwaliteitsbewaking maakt landelijk uniforme protocollen, gerichtescholing en continue monitoring van de kwaliteit mogelijk. Daarmeewordt de kwaliteit van het MRI-onderzoek landelijk gewaarborgd. Dezeorganisatievorm is ook gebruikt in het eerdere onderzoek naar de inzetvan MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel (DENSE-studie).Een deel van de patiëntvertegenwoordigers, waaronder Borstkankerver-eniging Nederland, wil niet dat voor deze organisatievorm wordt gekozen.Zij geven aan vanwege de kortere implementatietijd de voorkeur tehebben voor organisatievorm 1. De gekozen organisatievorm is het meestbepalend voor de implementatietijd.Ik heb dit ervaren als een dilemma. Enerzijds wil ik net als Borstkankerver-eniging Nederland dat vrouwen met zeer dicht borstweefsel zo snel alsmogelijk kunnen rekenen op een MRI. Tegelijkertijd sta ik ook voor eenduurzaam, uitvoerbaar en kwalitatief goed bevolkingsonderzoek. Hetkiezen voor het laten uitvoeren van de MRI’s als onderdeel van dereguliere zorg (organisatievorm 1 of 2) acht ik vanwege verschillendenadelen geen verstandige keuze. Een belangrijk nadeel is dat in dezeorganisatievormen beperkte sturing mogelijk is op capaciteit. Er zoudendan heel veel vrouwen in één keer doorgestuurd worden voor een MRI,waardoor het risico op verdringing groter is dan in andere organisatie-vormen. Een consequentie van verdringing is dat andere mensen die MRIhard nodig hebben, bijvoorbeeld omdat zij een verhoogd risico opborstkanker hebben of een knobbeltje hebben gevoeld, langer moetenwachten. Dit is voor mij het meest zwaarwegende nadeel, ook gelet op dezorgen van andere partijen hierover. Een ander nadeel van organisatie-vormen 1 en 2 is dat er minder sturing mogelijk is op kwaliteit enuniformiteit, waardoor niet kan worden gegarandeerd dat overal opdezelfde manier de MRI wordt aangeboden. Dit kan bijvoorbeeld zorgenvoor regionale verschillen in het aantal fout-negatieve en fout-positieveTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9513 uitslagen. Daarnaast benoemt het RIVM dat in de reguliere zorg het eigenrisico van toepassing is. Bovendien worden in deze organisatievormenalle vrouwen met categorie D densiteit doorverwezen naar de zorg. Zijworden daarmee «patiënt» in de zorg zonder een verdenking vanborstkanker, in plaats van deelnemer aan het bevolkingsonderzoek.Tot slot is het van belang om te benadrukken dat het aanbieden van MRI’sin de reguliere zorg (organisatievormen 1 en 2) vraagt om wijzigingen vanzorgrichtlijnen. Ik kan daar als Staatssecretaris niet toe besluiten, omdat ikniet over deze richtlijnen ga. Dat is aan de beroepsgroepen zelf. Dus zelfsals ik – ondanks de nadelen – tóch voorkeur zou hebben voor een snellerimplementeerbare organisatievorm, ligt de uitvoering daarvan buiten mijninvloedsfeer en is er geen garantie dat er echt snellere toegang is totkwalitatief goede aanvullende screening.Na organisatievormen 1 en 2 kan organisatievorm 3 het snelst wordengeïmplementeerd. Dit scenario kent grote voordelen. Ik vind het vooralbelangrijk om te benadrukken dat ik het risico op verdringing van anderezorg wil verminderen door regie op de capaciteitsbeheersing. Het is voormij heel belangrijk om het risico te beperken dat patiëntgroepen die MRIóók echt nodig hebben, zoals vrouwen met erfelijke aanleg voor borst-kanker, langer moeten wachten. En dat kan het best met organisatievorm3. Ook kan in organisatievorm 3 beter gestuurd worden op kwaliteit enuniformiteit en is het eigen risico niet van toepassing. Om deze redenenvolg ik het advies van het RIVM op om MRI-aanbod via organisatievorm 3te realiseren.De implementatie van deze organisatievorm duurt naar verwachting 4 tot5 jaar. Ik vind het pijnlijk dat vrouwen na jarenlange discussie nog zo langop MRI-aanbod moeten wachten. Verderop in deze brief beschrijf ik hoehet vervolgproces er grofweg uit komt te zien. Hier licht ik ook toewaarom er 4 tot 5 jaar nodig is en welke stappen ik neem om bepaaldevoorbereidende werkzaamheden overlappend uit te voeren. Ik wilnamelijk alle mogelijkheden om te versnellen aangrijpen.ScreeningsstrategieVrouwen met zeer dicht borstweefsel uit de doelgroep van hetbevolkingsonderzoek worden aansluitend op hun mammogram (datiedere 2,5 à 3 jaar wordt aangeboden) uitgenodigd voor een MRI. Erwordt gebruik gemaakt van 3T MRI-apparatuur en het reguliereMRI-protocol. De keuze voor de screeningsstrategie wordt niet eerstaan de Gezondheidsraad voorgelegd. Het Landelijk Evaluatie Team Borstkanker (LETB) heeft verschillendescreeningstrategieën die mogelijk zijn om MRI aan te bieden aan vrouwenmet zeer dicht borstweefsel, doorgerekend als onderdeel van de uitvoe-ringstoets.De strategieën variëren in deelnameleeftijden en uitnodigingsintervallen.Met deze berekeningen wordt inzichtelijk wat de effecten en gevolgen zijnvan de verschillende screeningsstrategieën. De uitvoeringstoets van hetRIVM beschrijft de volgende vijf strategieën als meest kansrijk:•Strategie 2a: MRI + mammografie elke 2 jaar, leeftijd 50–74 jaar.•Strategie 2b: MRI + mammografie elke 2 jaar, leeftijd 50–64 jaar.•Strategie 5a: MRI + mammografie elke 4 jaar, leeftijd 50–74 jaar.•Strategie 5b: MRI + mammografie elke 4 jaar, leeftijd 50–64 jaar.•Strategie 7: eenmalig MRI op leeftijd 50 jaar.Uit de analyses blijkt dat de meest intensieve screening (2a) de meestegezondheidswinst oplevert, meer capaciteit en geld kost en leidt tot meerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9514 overdiagnose. Minder intensieve strategieën, zoals MRI elke 4 jaar ofstoppen op de leeftijd van 64 jaar, leveren een groot deel van de gezond-heidswinst op tegen lagere kosten en minder capaciteit en met minderoverdiagnose. Voor de precieze cijfers die volgen uit de berekeningen,verwijs ik naar hoofdstuk 3 uit de uitvoeringstoets.Advies over de screeningsstrategie van de GezondheidsraadHet RIVM adviseert in de uitvoeringstoets om de Gezondheidsraad omadvies te vragen welke screeningsstrategie gekozen moet worden.Uitgangspunt is om bij het opstarten van nieuwe bevolkingsonderzoekenof bij grote wijzigingen van bestaande bevolkingsonderzoeken advies in tewinnen van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad toetst het aanbodvervolgens op basis van de stand van de wetenschap aan de interna-tionale criteria voor verantwoorde screening.6 De Gezondheidsraadbeoordeelt daarmee of het aanbod verantwoord is en of het aangewezenis dat het Rijk het aanbiedt. Dat doet de Raad onafhankelijk en multidisci-plinair. Ik hecht daarom veel waarde aan de adviezen van de Gezond-heidsraad.Tegelijkertijd kan het vragen van een nieuw Gezondheidsraadadvies overde specifieke screeningsstrategie die gehanteerd moet worden, zoals hetRIVM adviseert, naar verwachting enkele maanden tot een jaar duren. Ditzet mij voor een lastig dilemma. Ik wil het bevolkingsonderzoek voorvrouwen met zeer dicht borstweefsel zo snel mogelijk verbeteren, maar ikwil ook verantwoorde keuzes maken. Juist omdat het de gezondheid vanzoveel vrouwen betreft. Ik heb besloten om geen apart Gezondheidsraad-advies te vragen over welke screeningsstrategie gekozen moet worden.Hieronder leg ik uit hoe ik tot dit besluit ben gekomen.De Gezondheidsraad heeft in 2020 advies gegeven over een aanvullendMRI-aanbod voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel. De Raadoordeelde toen dat de nut-risicoverhouding van een MRI-aanbod positiefis.7 Dit was op basis van de DENSE-studie. De Gezondheidsraad heeft dusover de in de DENSE-studie gehanteerde screeningsstrategie, na eenzorgvuldige afweging, geconcludeerd dat de voordelen van betereopsporing van borstkanker groter zijn dan de potentiële nadelen alsoverdiagnose, overbehandeling en de extra kosten. Een nieuw Gezond-heidsraadadvies zou essentieel zijn als we nu een nieuwe aanpak zoudenkiezen, zoals het hanteren van andere leeftijdsgrenzen, het verkorteMRI-protocol of andere MRI-apparatuur. Ik kies ervoor om MRI nu teimplementeren met een screeningsstrategie die zo dicht mogelijk blijft bijde aanpak zoals die is gehanteerd in de DENSE-studie. Daarmee durf ikerop te vertrouwen dat we nu, zonder nieuw Gezondheidsraadsadvies,MRI op een verantwoorde én zo snel mogelijke manier kunnen implemen-teren. Zodra de DENSE-2 resultaten in 2031 beschikbaar zijn, vraag ik deGezondheidsraad alsnog om advies. De Gezondheidsraad kan dan deeerste periode van het MRI-aanbod wetenschappelijk evalueren, enuitgebreid adviseren over hoe het aanbod nog meer verantwoord eneffectief ingericht kan worden. Door de DENSE-2-onderzoeksresultatenhierbij te betrekken, evenals het eventueel aanpassen van de screenings-6https://www.rivm.nl/bevolkingsonderzoeken-en-screeningen/theorie-en-achtergrond7De Gezondheidsraad adviseerde dat de nut-risicoverhouding van een aanvullende MRI positiefis, maar beschouwde een aanvullend MRI-aanbod niet als een toekomstbestendige oplossing.Dat had onder meer te maken met de beperkte capaciteit in de zorg en de benodigdelangdurige aanloop om de infrastructuur op te bouwen. Daarom adviseerde de Raad eenproefbevolkingsonderzoek uit te voeren met een andere screeningstechniek: contrastmammo-grafie. Dit is de DENSE-2-studie die op dit moment loopt. Zie: Gezondheidsraad (2020) MRI inbevolkingsonderzoek borstkanker. https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/2020/10/06/mri-in-bevolkingsonderzoek-borstkankerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9515 modaliteit naar CEM, of het toepassen van het verkorte MRI-protocol, kante zijner tijd een verbeterslag en/of efficiëntieslag worden gemaakt in hetgerealiseerde MRI-aanbod voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel.Overigens zal de Gezondheidsraad wel een advies formuleren, namelijkover de vergunningverlening. Dit is onderdeel van de implementatiewerk-zaamheden omdat in de Wet op het bevolkingsonderzoek de verplichtingis opgenomen om over de vergunningaanvraag advies in te winnen vande Gezondheidsraad. Dat zal ik vanzelfsprekend doen. Dit is een andertraject waarbij de Gezondheidsraad niet aan de criteria voor verantwoordescreening toetst, maar aan de criteria uit de wet. Deze toetsing duurtdoorgaans 6 maanden. Op die manier is in mijn optiek gewaarborgd datde Gezondheidsraad met zijn advies het voorgenomen MRI-aanbod kanbijsturen op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten.Capaciteit en kostenDe screeningsstrategie die het meest aansluit bij de DENSE-studie isstrategie 2a in de uitvoeringstoets. Deze strategie kost de meestecapaciteit en het meeste geld. Een belangrijke kanttekening hierbij is datin de RIVM-uitvoeringstoets het LETB heeft gerekend met uitnodigingsin-tervallen van 2 of 4 jaar, omdat hierover data beschikbaar zijn. In depraktijk is het echter noodzakelijk aan te sluiten bij het daadwerkelijkeuitnodigingsinterval van de mammografie, zo schrijft het RIVM. Tijdens demammografie wordt immers de borstdensiteit bepaald, en pas daarnakunnen vrouwen worden uitgenodigd voor een vervolgaanbod met MRI.Zoals bekend bij uw Kamer is sinds enkele jaren sprake van vertraging inhet uitnodigingsinterval van het reguliere bevolkingsonderzoek. Waar denorm is om vrouwen elke 2 jaar uit te nodigen voor het bevolkingson-derzoek, ligt het daadwerkelijke uitnodigingsinterval hoger door perso-neelskrapte. De afgelopen jaren hebben het RIVM en BevolkingsonderzoekNederland (BVO NL) alles op alles gezet om dit interval weer terug tebrengen naar 2 jaar, maar zoals ook in de laatste Kamerbrief over ditonderwerp van 20 maart 2025 gemeld, is de verwachting dat komendejaren vrouwen nog steeds te maken hebben met een verlengd uitnodi-gingsinterval en dat de vertraging waarschijnlijk zelfs nog gaattoenemen.8 Vanwege de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt en dehoge uitstroom bij BVO NL, ligt het interval tussen twee uitnodiging nuongeveer op 2,5 jaar. De verwachting dat dit de komende jaren verdergaat toenemen lijkt realistisch, al worden alle mogelijke maatregelen omdit verder te beperken ingezet.Zoals gezegd, betekent dit ook iets voor de screeningsstrategie voor hetaanvullende MRI-aanbod voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel. Hetis immers noodzakelijk om het MRI-uitnodigingsinterval aan te latensluiten bij het interval tussen twee uitnodigingen voor het regulierebevolkingsonderzoek met mammografie. Hierdoor is de keuze dus nietelke 2 of 4 jaar een MRI, maar eigenlijk elke uitnodigingsronde of om deuitnodigingsronde een MRI. Dat ik screeningsstrategie 2a, die aansluit bijde DENSE-studie, wil hanteren als norm, betekent in feite dat ik inzet opeen MRI elke uitnodigingsronde. De gezondheidswinst is dan kleiner danberekend in de uitvoeringstoets voor scenario 2a en de benodigdecapaciteit en kosten zullen lager liggen. Immers, deze cijfers zijn berekendbij een tweejaarlijks interval terwijl het interval in de praktijk langer is dan2 jaar. De cijfers over gezondheidswinst, capaciteit en kosten zullen naarverwachting tussen strategie 2a (interval van 2 jaar) en strategie 5a(interval van 4 jaar) in liggen.8Kamerstuk 32 793, nr. 814.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9516 Het aantal MRI-onderzoeken zou grofweg circa 35.000 per jaar zijn (tussende 26.000 van 5a en 44.000 van 2a). De geschatte kosten zouden € 16,4miljoen per jaar bedragen (tussen € 13 miljoen van 5a en € 19,8 miljoenvan 2a). Dit kostenplaatje past binnen de beschikbare middelen voor eenMRI-aanbod die zijn gereserveerd in het AZWA (€ 17 miljoen per jaarstructureel vanaf 2030).Samenvattend zet ik in op MRI-aanbod met een screeningsstrategieaansluitend op elke uitnodigingsronde voor het reguliere bevolkingson-derzoek met mammografie voor de leeftijdsgroep 50–75 jaar.9 Dit sluit aanbij het gehanteerde protocol in de DENSE-studie waarvan de Gezond-heidsraad in 2020 de nut-risicoverhouding als positief heeft beoordeeld.Op basis van de berekeningen in de uitvoeringstoets, verwacht ik hiermeedat door MRI in de periode 2030–2040 aan te bieden op termijn in totaaltussen de 910 en 1230 extra borstkanker sterfgevallen kunnen wordenvoorkomen, dus per jaar van MRI-inzet gemiddeld 80–110 voorkomensterfgevallen op termijn extra, ten opzichte van de jaarlijkse 1300borstkankersterfgevallen die met het reguliere programma met mammo-grafie worden voorkomen. Op termijn worden tussen de 14.200 en 19.400extra QALY’s10 gerealiseerd door het MRI-aanbod in de periode2030–2040. Daartegenover staat dat er tussen de 13.900 en 21.100 extrafoutpositieve uitslagen zullen zijn. Deze berekeningen zijn gebaseerd opmodelleringen die beperkingen kennen, waardoor de cijfers in praktijkkunnen afwijken. Ook kunnen de cijfers afwijken als gevolg van hetingroeimodel en de capaciteitsgestuurde instroom (zie ook verderop indeze brief).MRI-apparatuur en -protocolHet RIVM beschrijft in de uitvoeringstoets twee varianten inMRI-apparatuur: scanners met een veldsterkte van 1,5 Tesla (1,5T) enscanners met een veldsterkte van 3 Tesla (3T). Hoewel gebruik van 1,5Tapparatuur de organisatie van voldoende MRI-capaciteit aanzienlijk kanvergemakkelijken, adviseert het RIVM om 3T-scanners vooralsnog alsstandaard te hanteren. De reden hiervoor is dat het beschikbare weten-schappelijke bewijs uit de DENSE-studie verkregen is met 3T-scanners.Over het MRI-protocol schrijft het RIVM dat het verkorte protocol deefficiëntie van MRI-onderzoek aanzienlijk kan verhogen. Er is recentwetenschappelijk onderzoek gepubliceerd over het verkorte protocol, metveelbelovende resultaten. Echter, zo schrijft ook het RIVM, heeft deGezondheidsraad nog niet over het verkorte protocol geadviseerd. Het nual inzetten van het verkorte protocol, acht ik daarom niet verantwoordzonder dat de Gezondheidsraad hiertoe heeft geadviseerd op basis van degenoemde wetenschappelijke publicatie.Zoals ik eerder in deze brief heb toegelicht, wil ik MRI zo snel mogelijk énop een verantwoorde wijze implementeren. Dat leidt ertoe dat ik, ook watbetreft MRI-apparatuur en protocolduur, zo veel mogelijk wil aansluiten bijde aanpak uit de DENSE-studie. Zodra de resultaten van DENSE-2beschikbaar zijn, vraag ik de Gezondheidsraad om een breed advies overhet verbeteren van het MRI-aanbod voor vrouwen met zeer dichtborstweefsel, waarbij o.a. kan worden gekeken naar het toepassen vanandere MRI-apparatuur en het verkorte protocol.9Er is gemodelleerd met intervallen van 2 en 4 jaar en daardoor is de eindleeftijd van demodelleringen 64 jaar of 74 jaar. De eindleeftijd voor het daadwerkelijke aanbod zal echter 75jaar om aan te sluiten bij het huidige aanbod voor de mammografie.10Quality-Adjusted Life Year, levensjaar in goede gezondheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9517 Capaciteitsgestuurde instroomHet RIVM adviseert een capaciteitsgestuurde instroom van vrouwen metzeer dicht borstweefsel uit het bestaande bevolkingsonderzoek richting deMRI. Dat betekent dat het aantal vrouwen met zeer dicht borstweefsel datjaarlijks voor een MRI kan worden uitgenodigd afhankelijk is van debeschikbare capaciteit. Vanzelfsprekend is de uiteindelijke deelname aande MRI’s medebepalend voor de benodigde capaciteit. Niet alle vrouwenmet zeer dicht borstweefsel zullen een MRI willen of kunnen ondergaan.Daarnaast adviseert het RIVM een gefaseerde invoering van MRI om dedruk op vervolgdiagnostiek en behandeling beheersbaar te houden in deeerste jaren en om grote schommelingen over de jaren te voorkomen.Deze adviezen sluiten aan bij de uitgangspunten zoals die geformuleerdzijn bij de start van de uitvoeringstoets, waaronder het beperken van hetrisico op verdringing van andere patiëntgroepen. Dat is voor mij heelbelangrijk.Voor vrouwen betekent dit concreet dat, wanneer MRI-aanbod start, niet(meteen) alle vrouwen met zeer dicht borstweefsel worden uitgenodigdvoor een MRI. Ik zet weliswaar volop in op MRI-aanbod aansluitend op demammografie voor de leeftijdsgroep 50–75 jaar, maar wanneer debeschikbare MRI-capaciteit in de praktijk onvoldoende blijkt, moet deinstroom worden aangepast zodat deze aansluit bij wat wel haalbaar is.Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat in de beginperiode een kleinereleeftijdsgroep wordt uitgenodigd. Ik wil dat liever niet, omdat ik het liefstde gekozen strategie meteen volledig zou aanbieden, maar ik moetrealistisch zijn. We gaan doen wat we kunnen. Ik vind het belangrijk omdaar eerlijk over te zijn.Ik vraag het RIVM om in het implementatieplan (zie ook verderop in debrief) ook uit te werken hoe deze capaciteitssturing en het ingroeimodel erprecies uit komen te zien.Terugkoppeling densiteitZodra MRI-aanbod is gerealiseerd wordt borstdensiteit gemeten enteruggekoppeld. Vrouwen krijgen dan te horen of ze zeer dichtborstweefsel hebben, ook als ze door capaciteitsgestuurde instroomen het ingroeimodel niet direct aansluitend een MRI kunnen krijgen.Wanneer het bevolkingsonderzoek wordt uitgebreid met MRI voorvrouwen met zeer dicht borstweefsel, moet ook opnieuw gekeken wordennaar de informatievoorziening rondom densiteit. Het MRI-aanbod van hetbevolkingsonderzoek vereist namelijk dat borstdensiteit van alle vrouwenwordt gemeten op de mammografie en dat daar vervolgens over wordtgecommuniceerd. Dat is nu nog niet het geval. Het RIVM schetst drieopties om met deze informatie om te gaan.1.Terugkoppeling bij densiteit D – óók als nog niet alle vrouwen metzeer dicht borstweefsel vervolgonderzoek krijgen aangebodenvanwege het capaciteitsgestuurd uitnodigen.2.Terugkoppeling bij densiteit D alleen aan vrouwen die ook daadwer-kelijk vervolgaanbod krijgen.3.Terugkoppeling van borstdensiteit naar alle vrouwen dus ook aanvrouwen met densiteit A, B en C.Dit is voor mij een heel belangrijke en lastige kwestie. Ik snap namelijkheel goed dat vrouwen informatie over hun borstdensiteit willen hebbenomdat het gaat om informatie over hun eigen lichaam. De Gezond-heidsraad en zorgprofessionals hebben mij echter steeds op het hartTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9518 gedrukt om borstdensiteit alleen terug te koppelen als er ook vanuit hetbevolkingsonderzoek wat mee gedaan kan worden. Ik heb daarombesloten om vanaf het moment dat het MRI-aanbod gerealiseerd is, allevrouwen te informeren over of zij wel of geen zeer dicht borstweefselhebben (optie 1 van het RIVM).Totdat het MRI-aanbod is gerealiseerd, is er geen vervolgaanbod voorvrouwen met zeer dicht borstweefsel. Om die reden wordt borstdensiteitpas gemeten in het bevolkingsonderzoek zodra het MRI-aanbod staat. Ikbegrijp dat in sommige gevallen vrouwen die informatie eerder zoudenwillen om vervolgens zelf op een andere manier een MRI proberen tekrijgen. Maar ik vind dat als een overheid een besluit neemt sprake moetzijn van solidariteit met alle vrouwen. Ik wil ongelijkheid voorkomen, juistook omdat het tot verdringing in de zorg kan leiden met alle schadelijkegevolgen van dien. Toen ik hierover sprak met zorgverleners tijdens hetoverleg op 9 oktober 2025, noemden zij het belangrijke medische principe:first, do no harm. Daar wil ik naar luisteren.Zoals ik eerder in deze brief heb toegelicht, zal MRI-aanbod geleidelijkworden geïmplementeerd met een ingroeimodel. Zodra het MRI-aanbodgerealiseerd is, kan het dus zo zijn dat vrouwen met zeer dicht borst-weefsel wél het bericht krijgen dat ze zeer dicht borstweefsel hebben –maar nog niet (meteen) uitnodiging voor een MRI. Die uitnodiging kandan later volgen, bijvoorbeeld bij een volgende screeningsronde.Deze manier van terugkoppelen (optie 1 van het RIVM hierboven) acht ikwenselijker dan álleen terugkoppeling te geven aan vrouwen met zeerdicht borstweefsel voor wie MRI ook direct beschikbaar is (optie 2 van hetRIVM hierboven). Deze tweede optie zou namelijk betekenen dat er tweemogelijkheden zijn als je geen uitnodiging voor een MRI krijgt. Ofwel jehebt wél zeer dicht borstweefsel maar bent nog niet uitgenodigd, ofwel jehebt geen zeer dicht borstweefsel. Dat is dan onduidelijk. Bovendien zouin deze situatie borstdensiteit wel worden gemeten (in tegenstelling tot dehuidige situatie), maar de informatie voor sommige vrouwen met zeerdicht borstweefsel actief achtergehouden. Dat vind ik onuitlegbaar.Voor vrouwen die geen zeer dicht borstweefsel hebben blijft het bevol-kingsonderzoek hetzelfde. Ik acht het niet nodig en niet wenselijk om henexpliciet te informeren of zij borstdensiteit A, B of C hebben (optie 3RIVM).Ook bij andere bevolkingsonderzoeken worden deelnemers niet geïnfor-meerd bijvoorbeeld over de precieze labuitslagen. Er wordt alleengecommuniceerd als er vervolgonderzoek nodig is. Ik wil hier zoveelmogelijk bij aansluiten. Het is een belangrijk uitgangspunt in de bevol-kingsonderzoeken dat mensen alleen relevante informatie ontvangen,waar zij ook iets mee kunnen.Tijdens de bijeenkomst op 9 oktober 2025 hebben verschillende betrok-kenen benadrukt hoe belangrijk communicatie is. Het is essentieel datvoor vrouwen begrijpelijk is wat het betekent dat ze zeer dicht borst-weefsel hebben, en waarom ze wel of niet worden uitgenodigd voor eenMRI. Samen met het RIVM en BVO NL bekijk ik hoe de communicatiehierover zo zorgvuldig mogelijk kan worden vormgegeven en ik betrekdaar de relevante veldpartijen bij. Het RIVM werkt dit ook uit in hetimplementatieplan waartoe ik opdracht verleen. Het zal ook wordenbeschreven in de vergunningaanvraag op grond van de Wet op hetbevolkingsonderzoek, waarover de Gezondheidsraad nog advies gaatgeven. In het advies over de vergunning kan de Gezondheidsraad dusspecifiek adviseren over het terugkoppelen van borstdensiteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9519 VervolgstappenDe eerste stap is een implementatieplan door het RIVM en BVO NL.Onderdeel hiervan is de vergunningaanvraag. Als de vergunning isverleend starten de aanbesteding en implementatiewerkzaamheden.De verwachting is dat de eerste MRI’s kunnen worden aangebodenin 2030. Alle mogelijkheden om tijd te besparen wordenaangegrepen.Er zijn verschillende concrete stappen die worden gezet om hetMRI-aanbod daadwerkelijk te implementeren. Het RIVM schrijft hieroverook in de uitvoeringstoets. Omdat ik het bevolkingsonderzoek voorvrouwen met zeer dicht borstweefsel zo snel mogelijk wil verbeteren, kijkik bij elke stap naar versnelmogelijkheden. Hieronder leg ik uit hoe hetvervolg eruitziet en welke mogelijkheden ik zie om zo min mogelijkkostbare tijd te verliezen.Een belangrijke vervolgstap is het maken van een implementatieplan. Datzal het RIVM doen samen met BVO NL, waarbij de stakeholders die ookbetrokken waren bij de uitvoeringstoets als belangrijke gesprekspartnersfungeren. Het maken van het implementatieplan zal naar verwachtingongeveer 15 maanden duren. In dit implementatieplan moeten in iedergeval de volgende aspecten worden uitgewerkt, en vervolgens uitge-voerd:•Organisatievorm 3, uitvoering in ziekenhuizen en ZBC’s onder regievan het bevolkingsonderzoek, inclusief logistiek, personele inzet,financiering en kwaliteitsborging. Hierbij hoort ook het aanbestedings-traject en de afstemming met ziekenhuizen, ZBC’s en leveranciers vanMRI-apparatuur.•Een communicatieplan voor de communicatie richting deelnemers,professionals (zoals huisartsen en radiologen) en betrokken organisa-ties, met specifieke aandacht voor de terugkoppeling van de borstden-siteit.•De capaciteitsgestuurde instroom en het ingroeimodel. Indien debeschikbare capaciteit erom vraagt, kan een selectiestrategie wordentoegepast. Bijvoorbeeld op basis van leeftijd.•Opleiding en certificeringstrajecten voor radiologen en MedischBeeldvormings- en Bestralingsdeskundigen (MBB’ers) die de MRI’suitvoeren, inclusief planning en capaciteitsopbouw.•Monitoring- en evaluatiesystematiek om de kwaliteit van de MRI’s tewaarborgen.•Eisen voor infrastructuur en ICT, waaronder beeldopslag, gegevensde-ling en privacyaspecten. Hier zijn we nu extra alert op vanwege dedatahack bij het laboratorium dat werkzaamheden uitvoerde in hetkader van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker.Als onderdeel van het implementatieplan moet BVO NL ook een vergun-ningaanvraag op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek indienen.Over deze vergunningaanvraag vraag ik vervolgens advies aan deGezondheidsraad. Dit adviestraject neemt maximaal 6 maanden in beslag.Bij een positief advies kan het Ministerie van VWS de vergunning voor deuitvoering van de MRI’s verlenen. Ik vraag het RIVM om samen met BVONL binnen het implementatieplan prioriteit te geven aan het opstellen vande vergunningaanvraag (en de aspecten die daarvoor uitgezocht moetenworden). Zo kan parallel aan de uitwerking van het implementatieplanalvast advies worden ingewonnen van de Gezondheidsraad over devergunning, en kan dus tijd worden gewonnen.Zodra de vergunning is verleend, start de implementatiefase en daarmeede uitvoering van de werkzaamheden, zoals op hoofdlijnen geformuleerdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95110 in de uitvoeringstoets en straks gedetailleerd in het implementatieplan. Deaanbesteding van de instellingen die de MRI’s gaan uitvoeren, zieken-huizen en ZBC’s, is het meest tijdrovende onderdeel van de implementa-tiefase. Hiervoor geldt namelijk het Europees aanbestedingsrecht, watbetekent dat het inkooptraject volgens de geldende aanbestedingsregelsmoet worden uitgevoerd. Door de wettelijk vastgestelde termijnen enbezwaar- en beroep-regelingen is de gemiddelde doorlooptijd van eengrote aanbesteding als deze rond de 2 à 3 jaar.Ook hier liggen kansen om zo min mogelijk tijd te verliezen. Het RIVM enBVO NL kunnen namelijk parallel aan dit aanbestedingstraject verschil-lende werkzaamheden uitvoeren, zoals het implementeren van dedensiteitsmeting op de mammogrammen, informatiemateriaal ontwik-kelen, centrale opslag van MRI-beelden aanbesteden en implementeren,aanpassingen doorvoeren in ICT-systemen, in overleg met veldpartijenuitvoeringsprotocollen aanpassen en radiologen opleiden omMRI-beelden goed te kunnen beoordelen.Voorlopige planningDe eerstvolgende stap is dat ik het RIVM de meerjarige opdracht zal gevenom samen met BVO NL een implementatieplan te maken en uit te voeren,en om tot een vergunningaanvraag te komen. Deze werkzaamhedenstarten per direct en lopen in ieder geval tot en met 2030. Voor deuitvoering van MRI’s is per 2030 structureel € 17 miljoen per jaarbeschikbaar. Ook voor de voorbereidende werkzaamheden de komendejaren van het RIVM en BVO NL zijn middelen voorzien in AZWA. Mijnverwachting is op dit moment dat het mogelijk is om de eerste MRI’s aante bieden in 2030. Ik zal uw Kamer doorlopend op de hoogte houden overde voortgang van dit traject en de verwachtingen wat betreft de planning.Verder zal ik iedere mogelijkheid voor versnelling met beide handenaangrijpen.Tot slotIk ben het RIVM en alle betrokken stakeholders dankbaar voor het hardewerk dat zij hebben verricht om binnen een halfjaar deze uitvoeringstoetsop te leveren. Deze uitvoeringstoets vormt een goede basis voor mijnbesluiten over de inrichting van het aanvullende MRI-aanbod voorvrouwen met zeer dicht borstweefsel. Ik ben blij dat we nu eindelijk dezestap gaan zetten om dit aanbod te realiseren. Gedurende de voorberei-dingen blijf ik samen met de betrokkenen voortdurend zoeken naarmanieren om te versnellen. Uw Kamer kan hiervoor mijn volle inzetverwachten.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,J.Z.C.M. TielenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95111

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 539dcfefeb2fc6be

14 okt 2026 · 74835171f83aea2f

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.