Acties Weerbaarheid Energieschok
Brontekst
Versie 4f1f03b3378a7433 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 933Noodpakket energie, mobiliteit en economieNr. 1 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VANFINANCIËN EN VAN DE MINISTERS VAN ECONOMISCHE ZAKENEN KLIMAAT, VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI EN VAN SOCIALEZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 april 2026De situatie in het Midden-Oosten is veranderlijk en onvoorspelbaar. Hetconflict is eerst en vooral ontwrichtend voor de burgers in verschillendelanden die ongewild getroffen worden. Het kabinet verwelkomt dehistorische onderhandelingen tussen de VS en Iran. Het is belangrijk datalle partijen toewerken naar een duurzame oplossing van het conflict endat de Straat van Hormuz wordt heropend voor alle scheepvaart.Naast humanitair leed brengt dit conflict wereldwijd economischeschokken teweeg. Ook in Nederland zijn de eerste economische gevolgenmerkbaar. Dit leidt bij veel mensen tot begrijpelijke zorgen over prijzen,energie en bestaanszekerheid. De laatste weken laten zien dat de situatieerg onvoorspelbaar is, en het is niet uitgesloten dat de situatie verderverslechtert. In deze brief schetst het kabinet op welke scenario’s hetkabinet zich voorbereidt: van groen tot zwart en welke stappen het kabinetnu zet. Hiermee komt het kabinet de toezegging na uit het debat over desituatie in het Midden-Oosten van 25 maart 2026 en de motieBontenbal c.s. om met een samenhangende aanpak te komen voor dekorte, middellange en lange termijn.1 Deze brief wordt verstuurd medenamens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, deMinister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur.De uiteindelijke economische gevolgen van de situatie in het Midden-Oosten zijn lastig te voorspellen. Deze hangen af van de duur en omvangvan het conflict. Die impact loopt via verschillende kanalen. Direct via het1Motie van het lid Bontenbal c.s. over samenhangende aanpak voor instrumenten voorbetaalbare energie, energiebesparing, verduurzaming en leveringszekerheid (Kamerstuk II,2025–2026, 23 432, nr. 709). kst-36933-1ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 11 aanbod van olie en volatiele prijzen op de wereldmarkt. Indirect viagoederenstromen, stilvallende fabrieken in bijvoorbeeld Azië en dewereldwijde reactie op toenemende onzekerheid. Des te ernstiger desituatie in het Midden-Oosten, des te onzekerder de omstandighedenwaar Nederland en Europa in terecht kunnen komen. Het kabinet bereidtzich op alles voor en denkt daarom in scenario’s.In deze brief schetst het kabinet verschillende scenario’s waar het opvoorbereid is. De scenario’s spelen in op veranderde omstandigheden enlaten zien welke interventies het kabinet in welke situaties kan overwegen,zonder dat dit betekent dat we automatisch tot deze maatregelenovergaan. Dit vergt altijd een zorgvuldige weging.De scenario’s zijn geen blauwdruk voor de toekomst, maar geven eenbeeld waarmee Nederland zich mogelijk geconfronteerd ziet. De scena-rio’s geven een bandbreedte van beperkte impact tot zeer zware impact opde wereld- en Nederlandse economie. De scenario’s geven de gemenedeler van publicaties van onder andere het Centraal Planbureau (CPB), DeNederlandsche Bank (DNB), de Europese Centrale Bank (ECB), deOrganisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) enhet Internationaal Monetair Fonds (IMF).Het kabinet is erop voorbereid dat de situatie verder kan verslechteren,met grote economische gevolgen. Bijvoorbeeld bij ernstige schade aan deenergie-infrastructuur en verdere doorwerking in andere ketens. Hetkabinet kan niet anders dan deze onzekerheid onderkennen. Het openenen vervolgens sluiten van de straat van Hormuz, de beschietingen opschepen en de schommelingen van de olieprijs laten zien hoe volatiel desituatie is. De situatie vraagt op ieder moment daadkracht, zorgvuldigeweging van overheidsingrijpen en internationale samenwerking, in hetbijzonder binnen Europa.Om de mogelijke keuzes te structureren zijn maatregelen aan de hand vandrie beleidskaders geordend. De eerste is koopkracht van huishoudens enveerkracht van bedrijven, de tweede is leveringszekerheid inzake hetaanbod van energie en de derde is weerbaarheid met betrekking tot devraag naar energie. Alle drie de beleidskaders zijn een onmisbaaronderdeel van het denken over de respons op deze situatie en makenonderdeel uit van de inzet van het kabinet. Het kabinet moet op drieborden schaken en beziet deze drie beleidskaders in samenhang. Dit omzowel op korte termijn economische schokken op te kunnen vangen als oplange termijn beter bestand te zijn tegen volatiele energieprijzen metbrede doorwerking in de economie.Energieprijzen zullen naar verwachting hoger blijven, zelfs als het conflictop korte termijn ten einde komt. Het kabinet ziet dat de aanbodschok vanenergie doorwerkt in de economie en impact heeft op huishoudens enbedrijven. Het kabinet heeft begrip voor de zorgen hierover. Dit raakt onsallemaal. De realiteit is ook dat de effecten niet altijd weg te nemen zijndoor hiervoor te compenseren. Maatregelen die de energieprijs dempen,hebben als nadeel dat dit de vraag vergroot of in stand houdt. Dit leidt bijeen teruglopend aanbod van olie en gas tot een snellere toename vanverdere schaarste hiervan en een verdere opwaartse druk op de prijzen.De rol van de overheid is wel om te zorgen dat mensen niet acuut in deproblemen komen. Ook wil de overheid voorkomen dat bedrijven onnodigomvallen en productiecapaciteit van solvabele en levensvatbare bedrijvenverdwijnt door een tijdelijke economische schok. Voor processen waarvanuitval tot grote maatschappelijke ontregeling kan leiden, staat borging vande continuïteit voorop. De Nederlandse economie kent een groteveelzijdigheid en een sterk aanpassingsvermogen; buiten de vitale sfeerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 12 ligt daarom generieke sectorsteun niet snel in de rede. Het kabinet voertfrequent gesprekken met verschillende bedrijven en sectorvertegenwoor-digers om signalen op te halen over de gevolgen van deze economischeschok. Het kabinet zal uw Kamer hier tijdig over informeren, in ieder gevalvoor de zomer.De leveringszekerheid van olie en gas staat wereldwijd onder druk. Op ditmoment zijn er geen acute tekorten in Nederland, maar de situatie eldersin de wereld is meer dan zorgelijk. De directeur van het InternationaalEnergie Agentschap (IEA) noemt de huidige situatie «ernstiger dan dievan 1973, 1979 en 2022 samen». Wanneer leveringszekerheid ingrijpend inhet geding komt, werkt alleen het prijsmechanisme niet voldoende meerom schaarste te verdelen. Dat vraagt ander ingrijpen van de overheid omcruciale onderdelen van de maatschappij en economie te continueren.Europa en Nederland hebben te maken met toenemende verstoringen vande aanvoer van kerosine en, in mindere mate, diesel. De EU is voor 23%van het gebruik van kerosine afhankelijk van import.Fase 1 Landelijk Crisisplan OlieOm goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen en daarop gerichtte kunnen handelen, schaalt het kabinet op naar fase 1 van het LandelijkCrisisplan Olie. In dit crisisniveau wordt (a) actieve monitoring opgezet,(b) vindt nauwgezette communicatie plaats richting bedrijven ensamenleving en (c) worden maatregelen voorbereid die in deze envolgende escalatiefasen kunnen worden getroffen. Hierin is samen-werking met Europese landen en het Verenigd Koninkrijk een onmisbaaronderdeel. Daarnaast bereidt het kabinet momenteel de vrijgave van5,4 miljoen vaten olie voor uit de strategische voorraad, zoals overeenge-komen in IEA verband. De eerste tranches zijn gepland voor eind april,mei en begin juni. Deze zijn primair bedoeld voor Europees gebruik en deinzet wordt daarom qua timing en samenstelling nauwgezet afgestemdmet de sectoren en in Europees verband.De situatie in het Midden-Oosten laat zien dat het cruciaal is om in detoekomst weerbaarder te zijn. Dat betekent dat we minder afhankelijkmoeten worden van fossiele energie, waardoor we structureel minderblootgesteld zijn aan aanbodschokken van energie. Maatregelen dieaangrijpen op de weerbaarheid hebben daarom in elk scenariomeerwaarde. Dit zit enerzijds in maatregelen die de vraag naar energieverminderen en anderzijds in de overstap naar niet-fossiele energie. Deafhankelijkheid van energie uit andere landen neemt daarmee af. Ditbeschermt huishoudens en bedrijven tegen aanbodschokken van energieen maakt ons land weerbaarder in een steeds meer gefragmenteerdewereldorde, zowel op het gebied van handel als veiligheid.Maatregelen kabinetHet kabinet neemt concrete maatregelen op drie thema’s: door eenversnellingsoffensief om verduurzaming te versterken, door de onafhan-kelijkheid van olie en gas uit het buitenland te vergroten en door hetgericht steunen van kwetsbare burgers en bedrijven. Het gaat om627 miljoen euro voor uitgavenmaatregelen en in 2026 om 300 miljoeneuro aan lastenmaatregelen. Het kabinet heeft goed gekeken of dezemaatregelen tijdig, tijdelijk en toegepast zijn. Voor maatregelen inzakeweerbaarheid heeft het kabinet ook getoetst of deze transformatief zijn.Om de koopkracht van burgers te ondersteunen, verhoogt het kabinet demaximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht voorheel 2026 en verder van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Het kabinetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 13 roept werkgevers hierbij op om van deze fiscale faciliteit gebruik temaken, zodat het voordeel daadwerkelijk bij de werknemers terechtkomt.Het kabinet gaat hierover graag ook in overleg met de sociale partners.Omgerekend leidt de hogere reiskostenvergoeding tot een voordeel vancirca 30 cent per liter brandstof.2 Hiermee kan voor noodzakelijkwoon-werkverkeer een deel van de prijsstijging aan de pomp wordenweggenomen. Voor werknemers in Caribisch Nederland verhoogt hetkabinet de maximale onbelaste kilometervergoeding voorwoon-werkverkeer met 2 dollarcent. Het kabinet bereidt daarnaast eennoodfonds energie voor, om te voorkomen dat huishoudens in geval vaneen hogere gasprijs acuut in de problemen komen. Voor CaribischNederland wordt de bestaande energietoelage uitgebreid. Om deveerkracht van bedrijven te ondersteunen, breidt het kabinet toegang totgarantieregelingen uit, zodat levensvatbare bedrijven meer toegang totfinanciering en liquiditeit krijgen. Daarnaast verlaagt het kabinet per 1 julide tarieven in de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van onder-nemers met 50% voor een half jaar en voor vrachtauto’s naar het nihiltarief voor een half jaar. Het kabinet gaat tevens in gesprek met de sectorover (tijdelijk maatwerk) binnen de vrachtwagenheffing en weerbaarheiddoor elektrificatie van de sector. Het kabinet is reeds in gesprek met deOV-sector om samen met de sector te kijken welke mogelijkheden er zijnom het OV als alternatief te versterken.Het kabinet neemt op korte termijn ook een aantal maatregelen om deweerbaarheid met betrekking tot de vraag naar energie te vergroten.Burgers worden geholpen met energiebesparing door meer ruimte voorleningen uit het Warmtefonds en snelle inzet van energiefixers, verhogingvan verduurzamingssubsidies voor VVE’s en door ondersteuning bijverduurzaming in de kwetsbaarste wijken middels extra middelen voorhet Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Hetwagenpark wordt daarnaast sneller geëlektrificeerd doordat de inruilre-geling brandstofauto’s al eind 2026 opengaat. Tot slot worden ookbedrijven extra ondersteund bij het nemen van verduurzamingsmaatre-gelen door de verhoging van het aftrekpercentage van de Energie-investeringsaftrek (EIA) per 1 januari 2027 van 40% naar 45,5% zodat hetnog aantrekkelijker wordt voor ondernemers om investeringen te doen inenergiebesparende maatregelen of duurzame energie. en ondersteuningvoor het MKB bij het nemen van energiebesparende maatregelen.De onzekerheid is groot en de marges zijn smal. Het kabinet moet daaromrekening houden met scenario’s waarin de situatie verder verslechtert.Om die reden presenteert het kabinet een pakket dat aansluit bij dehuidige situatie en budgettair is gedekt. Voor de dekking aan de lastenkantneemt het kabinet maatregelen die op basis van evaluaties bijdragen aanhet verbeteren van het belastingstelsel, waaronder het schrappen van destartersaftrek en versobering van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.Daarnaast wordt de alcoholaccijns geïndexeerd. Ook de maatregelen aande uitgavenkant worden gedekt. De budgettaire verwerking van het pakketaan de uitgavenkant wordt op korte termijn waar nodig in Nota’s vanWijziging op betreffende begrotingen voorgelegd aan uw Kamer. Hettoetsingskader risicoregelingen voor de GO vindt u als bijlage 8 bij dezeKamerbrief. Het toetsingskader risicoregelingen voor de BMKB zal zospoedig mogelijk door de Minister van Economische Zaken en Klimaatmet uw Kamer worden gedeeld.Het kabinet moet rekening houden met scenario’s waarin de situatieverder verslechtert. Bij overheidsingrijpen past daarom terughou-dendheid. In zwaardere scenario’s kan aanvullende actie nodig zijn en dan2Bij gemiddeld verbruik van 1 op 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 14 wil het kabinet kunnen klaarstaan. Deze brief maakt duidelijk in welkerichting het kabinet zou kunnen ingrijpen en welke maatregelen erklaarliggen, zonder dat het een gegeven is dat dat direct tot dezemaatregelen wordt overgegaan. Dit vraagt om een zorgvuldige weging.Voorop staat dat maatregelen gericht en effectief moeten zijn.Leeswijzer:(1)Scenarioanalyses(2)Beleidskaders(3)Huidige kabinetsinzet(4)Moties en toezeggingen1. Scenarioanalyses Door het conflict in het Midden-Oosten is de Straat van Hormuz nogsteeds vrijwel afgesloten. Dit leidt tot toenemende verstoringen in deaanvoer van olie en olieproducten. Ook op de mondiale markt voor gas isde impact zichtbaar, al zijn de effecten op het aanbod wereldwijdbeperkter. De vraag naar olie en gas is relatief inelastisch. Dit betekent datde vraag zich niet gemakkelijk aanpast op de korte termijn als er sprake isvan een toename van de prijs. Hierdoor heeft een terugval in het aanbodeen relatief groot effect op de prijs. Het conflict leidt wereldwijd tot hogereprijzen, grotere onzekerheid en volatiliteit op de energiemarkt. Het openenen vervolgens sluiten van de straat van Hormuz, de beschietingen opschepen en de schommelingen van de olieprijs laten zien hoe volatiel desituatie is. Dit heeft weerslag op de rest van de economie door afnemendewereldhandel en economische groei, hogere kosten voor bedrijven,stijgende prijzen voor huishoudens en onzekerheid op financiële markten.Ook heeft dit directe gevolgen voor de energie-intensieve sectoren.Gegeven de grote onzekerheid over de ontwikkeling van de situatieworden in deze kamerbrief vijf scenario’s uiteengezet voor het energie-aanbod, de gevolgen voor de economie en de impact op huishoudens enbedrijven. Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario’s, onder anderedoor breed maatregelen te inventariseren en uit te werken omhuishoudens en bedrijven te ondersteunen en neemt hiervoor signalenmee uit de samenleving en uit reguliere gesprekken met het bedrijfsleven.De internationale oliemarkt staat als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten onder grote druk. Door de zeestraat tussen Iran en Oman gaatnormaal gesproken 20% van de wereldwijde olie. Dit betreft 20 miljoenvaten per dag, waarvan 15 miljoen vaten ruwe olie en 5 miljoen vatengeraffineerde producten. Ter vergelijking: de wereldwijde olievraagbedraagt normaal gesproken ruim 100 miljoen vaten per dag. Een deelvan de weggevallen vaten kan via pijpleidingen de Straat van Hormuzomzeilen. In combinatie met de vrijgegeven oliereserves wordt deaanbodschok gehalveerd tot ongeveer 10 miljoen vaten per dag. Hiermeeis alsnog sprake van een grote aanbodverstoring.De eerste effecten van deze verstoringen zijn inmiddels duidelijk zichtbaar.De mate waarin landen nu al te maken hebben met fysieke tekorten hangtaf van de mate waarin olie- en LNG-consumptie afhankelijk is van deGolfregio, de mate waarin het land beschikking heeft over strategischereserves en de mate waarin het land het zich kan veroorloven om dureolie op de spotmarkt («drijvende voorraad») naar zich toe te trekken.Landen waarin alle drie deze variabelen ongunstig uitpakken, ervaren nual tekorten. Dit zijn vooral landen in Zuidoost-Azië zoals Pakistan, deFilipijnen en Sri Lanka. Deze landen hebben dan ook als eerste maatre-gelen genomen om de vraag te beperken zoals vaker thuiswerken, kortereTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 15 werkwerken of minder verkoeling van gebouwen. Voor Europa is deuitgangssituatie gunstiger: de afhankelijkheid van de Golfregio is kleineren Europa beschikt over een zekere mate van strategische reserves.Tegelijk is ook Europa kwetsbaar als de crisis langer voortduurt en deconcurrentie op de spotmarkt verder toeneemt. Dit geldt met name voorproducten als diesel en kerosine waar de afhankelijkheid van de Golfregiogroter is dan bijvoorbeeld benzine.Situatie oliemarktenWat betreft ruwe olie is de Europese Unie (EU) voor 97% van haar(raffinage-)inname afhankelijk van import. Circa 12% van deze reguliereimportstromen is momenteel niet beschikbaar. De feitelijke verstoring kangroter uitvallen als gevolg van toegenomen mondiale concurrentie om deresterende volumes.3 Voor diesel geldt een verstoring van 4,3% van hettotale aanbod in Europa. De EU is voor circa 23% van haar kerosinege-bruik afhankelijk van import. Op dit moment is circa 94% van de regulierekerosine-import naar de EU weggevallen. Dit leidt tot een verstoring vancirca 22% van het totale kerosineaanbod in Europa, waardoor hetbeschikbare aanbod momenteel circa 78% van het reguliere niveaubedraagt. Hoewel de EU als geheel afhankelijk is van de import vankerosine, is Nederland netto-exporteur van kerosine. 77% van hetkerosineverbruik in de EU wordt in raffinaderijen in de EU geproduceerddoor raffinage van ruwe olie.Nederland en de EU beschikken over relatief grote strategische olievoor-raden. Eigen (Europese) productie van diesel en kerosine plus de inzet vanstrategische voorraden ruwe olie en olieproducten impliceert dat bij eengelijkblijvende verstoring van de aanvoer, meerdere maanden(vijf maanden in het geval van kerosine) tot ruim een jaar (in het geval vandiesel, benzine) in de volledige huidige vraag kan worden voorzien. Hierbijmoet worden opgemerkt dat de oliemarkt nadrukkelijk een mondialemarkt is, waarbij wereldwijde prijsverschillen de handel naar, maar ook uitde EU stimuleren. De termijn van een Europese kerosinevoorraad van vijfmaanden kan korter worden wanneer de Europese noodvoorradenbeperkt worden ingezet of wanneer andere landen buiten de EU devrijgegeven voorraden opkopen op de wereldmarkt. Indien Europeseraffinaderijen minder ruwe aardolie beschikbaar hebben, of om andereredenen hun productie verlagen, neemt de aanbodverstoring toe. Ditbetekent dat er een vermindering is van het reguliere aanbod.Daarbij geldt dat de markt, zelfs na afloop van het conflict, op kortetermijn tijd nodig heeft om weer op te starten. Zolang de verstoringgrotendeels bestaat uit de blokkade van de zeestraat, duurt dit weken,mogelijk enkele maanden. Analisten wijzen erop dat als de blokkade nogeen maand aanhoudt, de verwachting is dat ultimo 2026 de prijs per vatnog op 100 dollar kan liggen.4 Als verdere escalatie van het conflict leidttot grootschalige vernietiging van energie-infrastructuur dan duurt hetherstel van de markt langer, mogelijk enkele jaren.Situatie gasmarktenOok op de mondiale gasmarkt is de impact van het conflict in hetMidden-Oosten zichtbaar. De groothandelsprijzen voor gas zijn gestegensinds de start van het conflict. Met aanvallen vanuit Iran is ongeveer 20%3De cijfers over de prijzen en leveringen zijn in deze onzekere tijd beweeglijk, waardoorverschillen per dag kunnen ontstaan.4Global oil price stuck in triple digits. Goldman Sachs says it may stay there for years | CNNBusinessTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 16 van de LNG-productiecapaciteit van Qatar zodanig beschadigd dat het3 tot 5 jaar zal duren voordat deze is hersteld. Dit vermindert hetLNG-aanbod met circa 20 miljard m3 of 2,5% van de mondiale productie.Bij verdere escalatie kan dit verder oplopen. Ook na beëindiging van hetconflict zal het een tijd duren voordat de geraakte productiecapaciteitweer op vol vermogen kan produceren. Hier staat tegenover dat er dit jaarcirca 40 miljard m3 aan LNG-productiecapaciteit bijkomt in met name deVS, Afrika en Australië. Deze volumes kunnen enige verlichting bieden tenaanzien van zowel het aanbod als de gasprijzen.Voor Nederland zijn er op dit moment geen zorgen over fysieke tekortenvan gas. De impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland isminder groot dan in 2022 toen de import van gas uit Rusland stopte. Zoalsook in de brief van 16 maart aangegeven ging het destijds om een groterdeel van de Europese gastoevoer dat abrupt stopte en was er minderflexibiliteit om het weggevallen volume te vervangen doordat de toevoerhoofdzakelijk via pijpleidingen liep.5 Nu zijn er meer mogelijkheden om tewisselen van leverancier van LNG. Bovendien kwam de import van LNGuit de Golfregio in 2025 niet direct in Nederland aan, al kon het hier welvia buurlanden komen. Daarnaast verbruikt Nederland minder gas dan in2022: CBS schrijft dat het aardgasverbruik in Nederland sinds 2020 sterk isafgenomen, met 28%. Dat geldt voor zowel de industrie, de elektriciteits-opwekking als de gebouwde omgeving.6Scenario’sGegeven de grote onzekerheden wat betreft de verdere ontwikkeling vanhet conflict en de economische doorwerking, worden in deze briefmeerdere scenario’s uitgewerkt. Deze scenario’s zijn geen schets van deprecieze omstandigheden op enig moment, maar worden gebruikt ommaatregelen en handelingsperspectieven te bepalen in verschillendeomstandigheden. Voor het definiëren van deze scenario’s is gekeken naarscenario-analyses van instituten als het CPB, DNB, de ECB, de OESO, hetIMF en het IEA.7 Het kabinet komt op basis van bovenstaande studies toteen gemene deler die te vatten is in vijf scenario’s: een groen, geel,oranje, rood en zwart scenario. De scenario’s schetsen de manier waaropde situatie in het Midden-Oosten door kan werken op de Nederlandseeconomie via verschillende kanalen. Hierbij is nog geen rekeninggehouden met alle tweede-orde-effecten of eventuele beleidsreacties dooroverheden of de centrale bank die effecten kunnen hebben op de inflatieof groei. Daarnaast zijn er de verschillende crisisniveaus van het LandelijkCrisisplan Olie (LCP-O) en het Bescherm en Herstelplan gas (BH-G). Dezecrisisniveaus kennen een eigen rationale, en worden daarom aparttoegelicht.Het groene scenario is een scenario waarin er geen aanzienlijke stijgingvan de energieprijzen plaatsvindt. Het zwarte scenario is economisch hetmeest negatieve scenario, waarbij ingrijpende fysieke tekorten optredenvan olie en gas en het prijsmechanisme niet meer functioneert omschaarste te verdelen. In zo’n vergaand scenario is de overheidgedwongen om de schaarste te verdelen om cruciale maatschappelijke eneconomische activiteit overeind te houden. De overige scenario’s5Kamerstuk II, 2025–2026, 23 432, nr. 6666CBS (2026) Aardgasverbruik naar sector en per maand (link)7CPB (2026) De economische impact van hogere energieprijzen door de Iranoorlog (link); DNB(2026) Oorlog in het Midden-Oosten: impact op de Nederlandse economie (link); ECB (2026)ECB staff macroeconomic projections for the euro area, March 2026 (link); OECD (2026)Economic Outlook, Interim Report March 2026 (link); IMF (2026) World Economic Outlook April2026 (link); IEA (2026) Oil Market Report April 2026 (link).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 17 verschillen in diepte én in de duur van de economische schok. Voor deleesbaarheid wordt per scenario hieronder uitgegaan dat de olie- engasmarkt zich in hetzelfde scenario bevinden. Echter zal in werkelijkheidde impact van de situatie zich voor olie en gas niet noodzakelijkerwijsvertalen naar hetzelfde scenario. De scenario’s kennen geen hardegrenzen of automatismen, maar zijn een instrument voor het kabinet omtijdig de juiste voorbereidingen te treffen en passende maatregelen teoverwegen.Groen scenarioHet groene scenario omschrijft de situatie zoals voor het conflict in hetMidden-Oosten en dus ook geen grote en abrupte stijging van deenergieprijzen. Dit dient als ijkpunt voor de andere scenario’s. In ditscenario is er sprake van gematigde groei van de Nederlandse economiein 2026 en 2027. Ook daalt de inflatie richting de 2% in 2027 en is erpositieve koopkrachtontwikkeling in 2026 en nulgroei in 2027. Dit komtovereen met de macro-economische doorrekening van het CPB vanafgelopen februari.8Geel scenarioIn het gele scenario wordt de economie beperkt en tijdelijk geraakt doorhogere energieprijzen. De groei ligt lager dan in het groene scenario:volgens de laatste raming van de OESO neemt economische groeiwereldwijd af als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten. De inflatiestijgt in dit scenario, de impact op de werkloosheid en de consumptie isbeperkt. Wel wijst het IMF erop dat inflatieverwachtingen vaak relatiefgevoelig zijn voor stijgingen van voedsel en energieprijzen. Volgens deRabobank blijven energieprijzen ook bij een kortdurend conflict de restvan het jaar verhoogd, vanwege de schade aan energie-infrastructuur inhet Midden-Oosten.9 Het CPB verwacht ook zonder verdere escalatieopwaartse inflatie-effecten. Dit komt met name door prijsstijgingen van deenergierekening en brandstof. Schommelingen op financiële markten,zoals ontwikkelingen van rentes, aandelenprijzen en grondstofprijzen,nemen na verloop van tijd af.Huishoudens merken de gevolgen van de hogere energieprijzen aan depomp en op hun energierekening tijdelijk, waarna prijzen weer bewegenrichting niveaus van het groene scenario. De hogere brandstofprijzenraken huishoudens direct aan de pomp door de gestegen prijzen voorbenzine en diesel. Dit raakt huishoudens die een auto bezitten in hunportemonnee. De hogere gasprijzen raken in eerste instantie huishoudensmet een dynamisch of variabel energiecontract, omdat de doorwerkingvan gestegen gasprijzen relatief snel plaatsvindt. Huishoudens met eenvast contract (ongeveer 60% van de huishoudens) merken gasprijsstij-gingen in beperkte mate en met vertraging. Dit is afhankelijk van wanneerhet contract afloopt. Omdat in het gele scenario de aanbodschok tijdelijkis, worden veel huishoudens met een vast contract voor langere termijnniet geraakt door hogere energieprijzen. Door de gestegen inflatie neemtde koopkrachtgroei dit jaar af, het CPB verwacht volgend jaar een ietshogere koopkrachtgroei, doordat zij uitgaan van hogere loongroei inreactie op de inflatie.8CPB (2026) Centraal Economisch Plan (link)9Rabobank (2026) Effecten van de oorlog in het Midden-Oosten op de Nederlandse economie:update eind maart 2026 (link)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 18 Ook bedrijven met veel blootstelling aan energieprijzen ervaren degevolgen van deze economische schok. Sommige bedrijven makengebruik van voorraden en verzekeringscontracten om zichzelf in te dekkentegen risico’s van prijsschommelingen. Dat biedt in principe een basis omeen deel van de schok op te vangen. In het gele scenario wordt verwachtdat deze voorraden en verzekeringen voldoende zijn om een significantetoename van het aantal faillissementen te voorkomen. Bovendien treft deenergiecrisis de Nederlandse economie volgens ING op een weerbaarmoment.10 Productieprocessen in de economie hoeven zich over hetalgemeen niet aan te passen aan een structureel veranderde situatie. Ookde gevolgen voor de wereldhandel zijn beperkt. Voor specifieke sectorenkunnen de prijsstijgingen wel leiden tot problemen. Zo geldt voor detransportsector dat het aandeel energiekosten verschilt tussen de 17%voor wegvervoer en 47% voor luchtvaart.11 De mogelijkheid om hogerebrandstofkosten door te rekenen hangt af van het soort contract datvervoerders met verladers hebben gesloten. De doorwerking op specifiekesectoren is verder uitgewerkt in bijlage 3.12Oranje scenarioIn het oranje scenario wordt de economie breder geraakt dan in het gelescenario. Des te langer het scenario aanhoudt, des te langer de wereld-economie te kampen heeft met deze grotere aanbodschok. De inflatieneemt in dit scenario verder toe doordat de hogere energieprijzendoorwerken in eindproducten. Zo stijgen de prijzen van kunstmestvolgens de OESO bij een sterke stijging van de energieprijzen met meerdan 50%. Een studie van de ECB laat zien dat de inflatie in Nederland in2026 minder gevoelig is voor het conflict dan andere eurozone-landen.13Het risico bestaat echter dat inflatieverwachtingen op een hoger niveauverankerd raken. Zo rekent het IMF in het ongunstige scenario met een0,5%-punt stijging van inflatieverwachtingen in ontwikkelde economieën.Het CPB verwacht dat de inflatie in 2026 stijgt ten opzichte van hetbasisscenario. In 2027 gaan zij uit van een negatief inflatieverschil, omdatde dalende groothandelsprijzen voor energie een drukkend effect hebbenop de totale inflatie. Doordat financiële markten hogere risicopremies eninflatieverwachtingen doorberekenen neemt de kans op schokken op deaandelenmarkten toe. Er kan een beperkte «vlucht naar veilige activa»optreden, waarbij investeerders hun beleggingen verplaatsen naarveiligere investeringen. Spreads tussen veilige en minder veiligebeleggingen kunnen hierdoor oplopen. De wereldhandel neemt in ditscenario sterker af. Het CPB verwacht ook bij tijdelijk hogere energie-prijzen dat ruim de helft van de bbp-groei in 2026 verloren gaat. Hetgrootste deel van dit effect komt door een afname van de uitvoer. Ookneemt de consumptie van huishoudens af, omdat de inflatie dekoopkracht van huishoudens vermindert. Op de arbeidsmarkt zijn deeffecten op de werkloosheid waarschijnlijk nog beperkt.Huishoudens ervaren de hogere energieprijzen net als in het gele scenarioin eerste instantie doordat de brandstofprijzen stijgen. In dit scenario is destijging groter en duurt deze langer. Dit raakt huishoudens in bezit van eenauto in hun portemonnee en leidt mogelijk tot verminderde bereik-baarheid. Ook de energierekening voor huishoudens stijgt meer dan in hetgele scenario. In toenemende mate zullen huishoudens met een aflopend10ING (2026) Oorlog brengt risico’s voor een veerkrachtige Nederlandse economie (link)11Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (2022) Recente ontwikkelingen en de gevolgen voor hetgoederenvervoer van, naar en door Nederland (link)12Toezegging aan het lid Klaver tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlogin het Midden-Oosten van 25 maart jl.13ECB (2026) ECB staff macroeconomic projections for the euro area, March 2026 (link)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 19 energiecontract worden blootgesteld aan hogere prijzen. Door de hogereprijzen daalt de koopkracht dit jaar, maar het CPB gaat uit van eenpositieve koopkrachtontwikkeling in 2027 door hogere lonen. De armoedeloopt volgens het CPB in dit scenario op, omdat de energierekening vanmensen met een laag inkomen een relatief groot deel van hun vastelasten beslaat.Bedrijven worden in dit scenario geconfronteerd met hogere energie-kosten en importtekorten. Zo kan door de ontregeling van de scheepvaarteen tekort aan helium of aluminium ontstaan in Europa, wat weer leidt totprijsstijgingen van deze producten. In bijlage 3 wordt beschreven wat deimpact van de stijgende energieprijzen is voor verschillende bedrijfssec-toren. De impact van de gestegen kosten op bedrijven is grotendeelsafhankelijk van de mogelijkheid om dit te vertalen in hogere prijzen.Volgens de ECB zullen bedrijven kosten doorberekenen wanneer hetconflict langer aanhoudt.14 De mogelijkheid om kosten door te berekenenhangt af van of concurrerende bedrijven op de wereldmarkt eenzelfdesoort schok ervaren. Tijdens de energiecrisis van 2022 hebben bedrijvende gestegen kosten in grote mate doorberekend. Voor de Europeseindustrie ging dit in 2022 deels ten koste van de concurrentiepositiedoordat zij relatief harder werden geraakt dan hun internationaleconcurrenten. De internationale concurrentiepositie van sommigeEuropese energie-intensieve bedrijven kan ditmaal anders uitpakken. Doorverstoringen in mondiale toeleveringsketens, met name in Azië, ligt deproductie bij concurrerende, olie-intensieve bedrijven daar tijdelijk lageren richten zij zich meer op de lokale markt. Hierdoor kan de concurrentie-positie voor Europese bedrijven verbeteren15 en kunnen hogere energie-kosten in sommige sectoren tijdelijk deels worden gecompenseerd doorhogere prijzen of marges.Het blijft onzeker in hoeverre bedrijven gestegen kosten kunnen doorbere-kenen. Bedrijven passen hun productieprocessen in dit scenario inbeperkte mate aan vanwege de hoge energieprijzen en door verhoogdeeconomische onzekerheid bij bedrijven nemen de investeringen af. Het isin dit scenario denkbaar dat het aantal faillissementen licht zal toenemen.Rood scenarioIn het rode scenario wordt de economie in de volle breedte geraakt. Zoschetst de Rabobank een beeld waarin de Straat van Hormuz nog langetijd gesloten blijft en energie-infrastructuur verder beschadigd raakt.Hierdoor groeit zowel de geografische als de operationele omvang van deschade met blijvend hoge risicopremies en instabiele prijzen. Ook het CPBraamt zeer grote effecten op de inflatie en bbp-groei in 2026 en 2027. Deeconomische groei neemt de komende jaren in alle studies sterk af. In ditscenario ziet het IMF een aanzienlijke kans op een mondiale recessie(mondiale groei lager dan 2%), wat slechts vier keer is voorgekomen sinds1980. In dit scenario stijgt de inflatie sterk, maar blijft lager dan de piekvan de vorige energiecrisis. Deze inflatie-effecten houden waarschijnlijklanger aan doordat de hogere energieprijzen doorwerken in eindpro-ducten en de inflatieverwachtingen op een hoger niveau verankerdworden. Volgens Rabobank reageren voedselprijzen pas na negenmaanden, waardoor een verdere toename van de inflatie zich voor eendeel naar 2027 verplaatst.16 De economische effecten van de gestegenenergieprijzen werken ook door op de arbeidsmarkt. De werkloosheid zal14Bloomberg (2026) ECB’s Radev says energy crisis may spread to wider economy (link)15FD (2026) Iran-oorlog bezorgt Europese chemie tijdelijk rugwind (link)16Rabobank (2026) Effecten van de oorlog in het Midden-Oosten op de Nederlandse economie:update eind maart 2026 (link).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 110 met enige vertraging oplopen. De lonen zullen harder stijgen in reactie opde toegenomen inflatie, waardoor de verhoogde inflatie op zijn beurt voorlangere tijd aanhoudt. De stijgende werkloosheid en dalende consumptiehebben een aanzienlijke negatieve invloed op het begrotingssaldo.Huishoudens ervaren direct hogere brandstofprijzen, die langeraanhouden en ook hoger zijn dan in het oranje scenario. Voorhuishoudens zonder vast contract stijgt de energierekening snel en fors.De hoge inflatie leidt ertoe dat de koopkracht van huishoudens meerderejaren afneemt. In combinatie met het afnemende consumentenver-trouwen leiden de hogere prijzen en negatieve koopkrachtgroei totdalende consumptie van huishoudens. Door de hogere en langdurigereprijsstijgingen loopt in dit scenario de armoede verder op volgens hetCPB.Bedrijven worden geconfronteerd met langdurig veel hogere energie-kosten. Het overgrote deel van de bedrijven zal hier last van hebben. Deimpact is afhankelijk van in hoeverre de rest van de wereld dezelfdeeconomische schok ondergaat en Europese bedrijven hun gestegenkosten kunnen doorberekenen. Als dat wel het geval is, zal de impact zichvooral vertalen in hogere prijzen. Dat betekent dat ook bedrijven die nietenergie-intensief zijn, mogelijk geraakt zullen worden door teruglopendeeconomische vraag en de impact dus verbreedt. Indien bedrijven hunkosten niet kunnen doorberekenen, zullen met name voor energie-intensieve bedrijven de gevolgen groot zijn. Een deel van de economie zalzich in dit scenario moeten aanpassen aan een nieuwe realiteit, met eenmogelijke impact van blijvend hoge energiekosten op de structuur van deeconomie. Dat gaat gepaard met tijdelijk stijgende aantallen faillisse-menten.Volgens de ECB verminderen bedrijven hun investeringen sterk, omdateen grote stijging van de energieprijzen tot economische onzekerheidleiden. Financiële markten zullen hogere risicopremies en inflatieverwach-tingen doorberekenen waardoor rentes toenemen en de kans groter is dataandelenmarkten schokken ervaren. Met name landen met hoge schuldenhebben hier last van, waardoor spreads verder kunnen toenemen.Daarnaast is de kans groot dat de ECB meerdere renteverhogingendoorvoert.Zwart scenarioIn het zwarte scenario is er sprake van fysieke tekorten van olie en/of gas.Hierdoor zullen delen van de economie stilvallen. Door schaarste werkthet prijsmechanisme niet meer, wat ook vraagt om een grotere rol van deoverheid bij het verdelen van schaarste. Het stilvallen van een deel van deeconomie is in de recente geschiedenis voorgekomen tijdens de corona-pandemie. Naar verwachting treft de huidige energiecrisis echter anderesectoren. Dat maakt dit een scenario dat in de afgelopen decennia nieteerder is opgetreden. Er zijn sterkere gevolgen voor de bbp-groei, inflatieen overheidsfinanciën dan in het rode scenario. De werkloosheid en hetaantal faillissementen neemt sterk toe als de overheid niet ingrijpt.Daarnaast zijn bepaalde goederen niet verkrijgbaar en zullen mensen hunlevensstijl ten dele moeten aanpassen. In 2020 kromp de economie met3,9% toen delen van de economie werden stilgelegd, hoewel dezesituaties uiteraard niet één-op-één zijn te vergelijken.Voor landen in de EU is dit scenario minder snel aan de orde dan voorandere werelddelen door de betere uitgangspositie. Mocht het zwartescenario toch optreden, dan is het kabinet hierop voorbereid. Hiervoor zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 111 verschillende plannen uitgewerkt en deze treden in dit scenario inwerking, zie ook het beleidskader «Leveringszekerheid».In welke scenario zitten we nuBegin april bevindt de gasprijs zich min of meer in het territorium van hetgele scenario. De olieprijs zit tussen het gele en het oranje scenario in. Hetopenen en vervolgens sluiten van de straat van Hormuz, de beschietingenop schepen en de schommelingen van de olieprijs laten zien hoe volatielde situatie is. De onzekerheid over de ontwikkeling van de situatie in Iranblijft groot en daarmee is nog onduidelijk richting welk scenarioNederland uiteindelijk zal gaan. Het kabinet houdt de situatie in hetMidden-Oosten in de gaten en heeft noodplannen voorbereid voor descenario’s waarin de leveringszekerheid onverhoopt in het geding komt.Zie hiervoor het beleidskader «Leveringszekerheid» of bijlage 7.2. Beleidskaders Het kabinet kan de gevolgen van de crisis in het Midden-Oosten nietsimpelweg wegnemen door te compenseren en de economie te stutten.Wel heeft het kabinet duidelijke doelen waar naar gestreefd wordt in elkscenario: het kabinet wil voorkomen dat huishoudens acuut en oververloop van tijd in de problemen komen, voorkomen dat productiecapa-citeit van levensvatbare bedrijven verdwijnt door een tijdelijke econo-mische schok, de leveringszekerheid verbeteren en de weerbaarheid vande samenleving op de langere termijn vergroten door de afhankelijkheidvan fossiele brandstoffen te verminderen.Elk scenario vergt een andere mate en andere wijze van overheids-ingrijpen om deze doelen te halen. Hiervoor heeft het kabinet een grootaantal maatregelen uitgewerkt waar ook in het debat van 25 maart jl. omis verzocht. De uitkomst van deze inventarisatie is terug te vinden inbijlage 2. Om bij te dragen aan het halen van de doelen zijn de maatre-gelen geordend aan de hand van drie beleidskaders. Het kabinet schaaktop drie borden tegelijk en beziet deze kaders in samenhang. Dit om zowelop korte termijn economische schokken op te kunnen vangen als op langetermijn beter bestand te zijn tegen volatiele energieprijzen met brededoorwerking in de economie.I.Koopkracht huishoudens en veerkracht bedrijven: met als doel hetvoorkomen dat mensen acuut in de problemen komen en levensvat-bare bedrijven dreigen om te vallen.II.Leveringszekerheid: met als doel het energie-aanbod te verzekerenvoor (cruciale) maatschappelijke en economische activiteitIII.Weerbaarheid: met als doel de energievraag structureel te verminde-ren en energieonafhankelijkheid te vergrotenDe scenario’s zijn geen blauwdruk voor de toekomst, maar laten zien welksoort maatregelen doeltreffend en doelmatig kunnen zijn bij welkscenario. Bovendien kan er sprake zijn van een afruil tussen deze kaders:maatregelen die de prijs van energie verlagen kunnen de schaarstemogelijk vergroten. Daarom zijn alle drie deze kaders onmisbaar voor eenrespons op de crisis. Er moet een inhoudelijke balans tussen maatregelenworden gevonden. Daarbij houdt het kabinet uiteraard rekening metdraagvlak voor maatregelen.Het kabinet heeft ook de budgettaire effecten van de maatregelen in kaartgebracht. In elk scenario zal opnieuw bekeken moeten worden hoeeffectief maatregelen zijn en hoe de vereiste middelen zich verhouden totde omvang van het probleem. Het kabinet wil geen rekeningdoorschuiven naar de toekomst en eventuele steunmaatregelen zullen dusTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 112 van dekking voorzien moeten worden. Naast de steunmaatregelen zijndaarom ook de mogelijke dekkingsopties geïnventariseerd, inclusiefmaatregelen die in het debat genoemd zijn, conform onder meer detoezeggingen en moties tijdens het debat van 25 maart jl.17 Hierbij heefthet kabinet onder andere in kaart gebracht op welke termijn maatregeleningevoerd kan worden, hoe gericht een maatregel vormgegeven kanworden en wat de kosten zijn van de maatregelen.Het kabinet heeft ook oog voor een weerbare economie op de langeretermijn en een wendbare arbeidsmarkt. Hierbij is het van belang dat eengezonde economische dynamiek in stand blijft. Dit leidt immers totproductiviteitsgroei en de economie wordt weerbaarder, omdat het zichaanpast aan de nieuwe omstandigheden. Te ruime steun kan dezedynamiek ondermijnen. Het CPB heeft laten zien dat dit tijdens en na decoronapandemie het geval was.18 Dat vraagt om de juiste balans tussentijdelijke ondersteuning om onevenredige economische schade tevoorkomen en anderzijds het aanpassingsvermogen van de economie tebewaken. Vanuit de arbeidsmarkt bezien heeft Nederland bovendien eengunstige startpositie. De werkloosheid is laag en de arbeidsparticipatie ishoog. In de huidige krappe arbeidsmarkt vinden veel mensen zelf nieuwwerk. Tegelijkertijd wil het kabinet voorkomen dat in deze krappearbeidsmarkt mensen nodeloos thuis komen te zitten. Daarbij is eenwendbare arbeidsmarkt van groot belang.I. Koopkracht huishoudens en veerkracht bedrijven Gegeven de grote onzekerheid zijn in deze kamerbrief vijf scenario’suiteengezet voor de ontwikkeling van het energieaanbod en de gevolgenvoor de economie. Het kabinet heeft voor deze scenario’s verkend welktype maatregelen nodig kunnen zijn om de doelen te bereiken.Het groene scenario vormt de benchmark. In dit scenario neemt hetkabinet dan ook geen aanvullende maatregelen ten opzichte van hetCoalitieakkoord en de Voorjaarsnota. Het koopkrachtbeeld wordt bezien inde reguliere augustusbesluitvorming op basis van het koopkrachtbeeld inde raming van het CPB in augustus. Hier kijkt het kabinet naar deevenwichtige ontwikkeling van het koopkrachtbeeld. Het kabinet heeft inhet coalitieakkoord maatregelen aangekondigd om de veerkracht vanbedrijven in Nederland te versterken.In het gele scenario kunnen de meeste huishoudens de gevolgen van degestegen prijzen dragen. Het algemene koopkrachtbeeld wordt bezien inaugustus. Voor specifieke groepen (kwetsbare) huishoudens kan hetkabinet eventueel maatregelen treffen om de gevolgen van de gestegenolie- en gasprijzen te beperken. Ook kan het kabinet kiezen voor energie-en brandstof besparende maatregelen of reiskosten ten behoeve vanwerk. Om de veerkracht van levensvatbare bedrijven te versterken kan17Toezegging aan het lid Keijzer om in te gaan op de brandstofaccijns;Motie van het lid Klaver over maximumprijzen van brandstof (Kamerstuk II, 2025–2026, 23 432,nr. 670) en het Noodfonds (Kamerstuk II, 2025–2026, 23 432, nr. 671);Motie van het lid Dassen over versnellen van isolatie (Kamerstuk II, 2025–2026, 23 432,nr. 685);Motie van de leden Grinwis & Flach over het Warmtefonds (Kamerstuk II, 2025–2026, 23 432,nr. 689);Motie van het lid Martens-America c.s. over prijstransparantie van benzinestations (KamerstukII, 2025–2026, 23 432, nr. 700);Motie van het lid Bontenbal c.s. over instrumenten voor betaalbare energie, energiebesparing,verduurzaming en leveringszekerheid. (Kamerstuk II, 2025–2026, 23 432, nr. 709).18Het CPB heeft laten zien dat de steunpakketten tijdens de coronapandemie weliswaar deeconomie hebben ondersteund, maar ook langdurig de bedrijvendynamiek hebben onder-drukt. Met als gevolg minder uitdagers voor de bestaande bedrijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 113 gerichte verruiming van bestaand instrumentarium voor liquiditeitssteunvan bedrijven worden ingezet. Binnen deze regelingen wordt ook gebruikgemaakt van marktfinanciering.In het oranje scenario zijn er meer huishoudens die de gevolgen van degestegen prijzen niet meer kunnen dragen. Tegelijkertijd blijft het vanbelang om terughoudend te zijn en zo veel mogelijk gericht in te grijpen.Om deze huishoudens te ondersteunen denkt het kabinet aan maatregelendie breder ingrijpen op de gestegen brandstofprijzen zonder de vraagonnodig op te stuwen of het gericht stimuleren van alternatieve vervoers-vormen. Voor bedrijven kunnen eventueel maatregelen worden getroffendie de energiekosten van levensvatbare bedrijven verlagen. Voor deenergie-intensieve industrie kan gekeken worden naar mogelijkheden omde elektriciteitskosten te verlagen door aangekondigd beleid in hetCoalitieakkoord te versnellen.In het rode scenario worden de gevolgen van de gestegen prijzen breedzichtbaar in de economie. In dit scenario ligt het voor de hand ommaatregelen uit het oranje scenario te intensiveren. Voor huishoudens kandaarbij breder worden gekeken naar het koopkrachtinstrumentarium enblijft het van belang om oog te houden voor kwetsbare groepen ondermeer vanwege het risico op oplopende armoede. In dit scenario is hetwaarschijnlijk dat bedrijven niet de volledige kostenstijging kunnendoorrekenen. Er kunnen eventueel maatregelen worden getroffen dieprijszekerheid bieden, om zodoende de onzekerheid van de energieprijzente verminderen. Voor de energierekening zijn maatregelen mogelijk die deonzekerheid voor huishoudens verminderen en werken als verzekeringtegen volatiliteit. Daarnaast kunnen maatregelen genomen worden diegericht zijn op het voorkomen van faillissement van individuele levens-vatbare (grote) bedrijven, aan de hand van een afwegingskader, zoals datook tijdens de covidcrisis is gehanteerd.In het zwarte scenario komt de leveringszekerheid in het geding. Betaal-baarheid blijft van belang, maar in dit scenario is het verstandig om nogterughoudender te zijn met maatregelen die de vraag onnodig opstuwen,waardoor cruciaal economisch en maatschappelijk verkeer in het gedingkomt. Deze vergroten namelijk het tekort. Om de koopkracht van burgerste ondersteunen, kijkt het kabinet in dit scenario dan ook vooral naaralgemene inkomensondersteuning. Voor bedrijven geldt dat zij in ditscenario gedwongen kunnen worden om af te schalen. Bedrijven waar ditvoor geldt kunnen ondersteund worden met maatregelen die lijken op eenpassende wijze, bijvoorbeeld met als doel om ontslagen te voorkomen.II. Leveringszekerheid Het tweede beleidskader is leveringszekerheid. Naar aanleiding van degeleerde lessen in de energiecrisis van 2022 zijn afgelopen jaren nieuwecrisisplannen opgetuigd en bestaande crisisplannen geactualiseerd methet doel het energieaanbod te verzekeren. Zo is in 2022, in aanvulling ophet Bescherm- en Herstelplan Gas (BH-G), het Nationaal Crisisplan Gas(NCP-G) opgesteld en is in 2023 het Landelijk Crisisplan Olie (LCP-O)gepubliceerd.Al sinds de Oekraïnecrisis is op basis van het BH-G opgeschaald naarcrisisniveau 1 (vroegtijdige waarschuwing). Dit niveau van gascrisis is nogsteeds van toepassing. Vanwege de huidige situatie en de daling in deleveringen van olie(producten) aan Europa, schaalt het kabinet nu ook opnaar crisisniveau 1 van het landelijk crisisplan voor olie (alertering). In ditcrisisniveau wordt actieve monitoring opgezet, vindt nauwgezettecommunicatie plaats richting bedrijven en samenleving en wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 114 maatregelen voorbereid die in deze en volgende escalatiefasen kunnenworden getroffen. Het kabinet hecht eraan dat opschaling en het treffenvan maatregelen zoveel mogelijk Europees gecoördineerd worden.Daarover wordt intensief contact onderhouden met de EuropeseCommissie en de lidstaten.Voor zowel gas als olie geldt dat een opschaling van het crisisniveau eenrelatie heeft met de grootte van de aanbodverstoring. Bij elk crisisniveauwordt gekeken naar passende stappen op gebied van leveringszekerheid.Een verstoring van aanbod of aanpassing van de vraag kan gerelateerdzijn aan een verandering van prijzen, en uiteindelijk koopkracht. Er isechter geen automatische relatie tussen de crisisniveaus van het LCP-O enhet BH-G en de impact op huishoudens en bedrijven zoals bedoeld in descenario’s. Hiervoor zijn een aantal redenen. Ten eerste zijn de crisisni-veaus in het LCP-O en het BH-G opgesteld vanuit het perspectief vanleveringszekerheid en monitoren niet zozeer de ontwikkeling van prijzenmaar de ontwikkeling van levering, import, productie en voorraden vanolie en gas. Ook zijn de crisisplannen generiek van aard, dus nietgekoppeld aan deze specifieke actuele situatie als gevolg van deIran-oorlog. De crisisniveaus hebben ook niet als doel een vooruitblik tegeven voor het verloop van de huidige crisis. Daarnaast heeft de huidigeaanbodverstoring verschillende gevolgen die buiten de scope van decrisisniveaus vallen, variërend van gevolgen voor de economie tot deimpact op huishoudens en specifieke sectoren. Vanuit macro-economischperspectief kan een ander scenario werkelijkheid zijn dan wanneergeredeneerd wordt vanuit leveringszekerheid. Een voorbeeld hiervan is deontwikkeling van de olieprijs, met navenante risico’s op inflatie en impactop de economie, die ten dele tot stand komt op basis van handelsdy-namiek in de markt en niet louter op basis van de beschikbaarheid vanolie(producten). Ook kunnen afnemers, ondanks fysieke aanwezigheid vanvoorraad, juist de beschikbaarheid als beperkt ervaren als gevolg vanhoge prijzen, waardoor ondanks voldoende aanbod toch ook vraagdes-tructie plaatsvindt.Leveringszekerheid olieVolgens het LCP-O19 is de aanduiding van de ernst van een olie- ofolieproductcrisis gestructureerd in escalatiefasen. Deze fasen zijn vantoepassing vanaf een dreigende crises tot aan de situatie met zeer grotefysieke tekorten en gelden voor zowel ruwe olie als voor elk olieproductafzonderlijk. Het LCP-O onderscheidt vijf fasen. Fase 0 betreft de voorbe-reidingsfase, waarin nog geen sprake is van een verstoring, maar wel vaneen mogelijke dreiging. Bij verdere verslechtering van de situatie kanworden opgeschaald naar fase 1 (alertering), gevolgd door fase 2(vroegtijdige waarschuwing), fase 3 (alarmering) en uiteindelijk fase 4(afkondiging van een oliecrisis of noodsituatie).In het LCP-O zijn verschillende maatregelen tijdens een oliecrisis in kaartgebracht, gericht op onder andere openbaar vervoer, landbouw, bouw,transportbewegingen en raffinaderijen. Typen maatregelen die kunnenworden genomen lopen op van gerichte communicatie en monitoring infase 1 (alertering) tot, onder andere, gedwongen vraagbeperking in fase 4(aankondiging oliecrisis/noodtoestand). De opschalingsfasen waarin dezetypen maatregelen kunnen worden genomen, worden aan de hand vandrempelwaarden op basis van volumes vastgesteld. De meeste maatre-gelen ter bestrijding van een oliecrisis (of olieproductcrisis) worden opgrond van sectorale wetgeving uitgewerkt. Zo is bijvoorbeeld de Ministervan Infrastructuur en Waterstaat verantwoordelijk voor de maatregelen19Rijksoverheid (2023). Landelijk crisisplan olie (link)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 115 die zien op beperking van de vraag naar brandstoffen vanuit de transport-sector. Naast het LCP-O is er specifiek voor eventuele dieseltekorten eenDieseldistributieplan opgesteld waarin – wederom per fase – de maatre-gelen zijn beschreven waarmee prioritaire gebruikers zo lang mogelijk vandiesel kunnen worden voorzien. Daarnaast kan Nederland in samen-werking met andere leden van het IEA besluiten tot inzet van strategischeolievoorraden waardoor de druk op de wereldwijde oliemarkt verlichtwordt.Leveringszekerheid gasOp zowel nationaal als Europees niveau zijn afspraken gemaakt om deleveringszekerheid van gas in crisissituaties te waarborgen. Gelet op desterk verbonden interne Europese gasmarkt is crisiscoördinatie opEuropees niveau van groot belang. In de verordening gasleveringsze-kerheid zijn daarom afspraken gemaakt hoe lidstaten omgaan met een(dreigende) gascrisis. In Nederland zijn de verplichtingen uit de veror-dening verwerkt in het Bescherm- en Herstelplan Gas (BH-G). Het BH-G iseen noodplan dat door Nederland is vastgesteld ter uitvoering van deverordening gasleveringszekerheid. Het doel van het BH-G is om eenhandvat te bieden om (dreigende) gastekorten zo lang mogelijk op tevangen, zodat voldoende gas beschikbaar blijft voor beschermdeafnemers zoals huishoudens en het gassysteem blijft functioneren. In ditplan zijn voor ieder crisisniveau (vroegtijdige waarschuwing, alarmeringen noodsituatie) maatregelen opgenomen. Voor de eerste niveaus vangascrisis is daarbij, in lijn met de voorwaarden van de verordeninggasleveringszekerheid20, voorzien in marktgebaseerde maatregelenwaarbij de markt aan zet is. Voor het bestrijden van een noodsituatie isvoorzien in een maatregelenladder die ook verplichte niet-markt-gebaseerde maatregelen bevat. De maatregelen in de maatregelenladderbeginnen bij het oproepen tot vrijwillige vermindering van aardgasver-bruik en kunnen in een extreme situatie oplopen tot het verplichtafschakelen van afnemersgroepen en in het uiterste geval afsluiten vandelen van distributie- en transmissiesystemen voor gas (inclusief deexport van gas).Aanvullend op het BH-G is in 2022 het NCP-G opgesteld. Het NCP-G richtzich op de beheersing van de bredere maatschappelijke gevolgen van een(dreigende) langdurige vermindering of uitval van de levering vanaardgas in Nederland, ongeacht de mogelijke oorzaken daarvan. Hetcrisisplan geeft op hoofdlijnen een overzicht van en inzicht in de gemaakteafspraken over de beheersing van een (dreigende) crisis in de Neder-landse gasvoorziening met aanzienlijke maatschappelijke gevolgen.Bijvoorbeeld over wie wat doet tijdens de verschillende processen vancrisisbeheersing, zoals melding en alarmering, op- en afschalen, leidingen coördinatie en informatiemanagement. Het NCP-G is daarbij eenleidraad. Het beschrijft de crisisaanpak op landelijk niveau en de samen-werking met betrokken publieke en private partners.III. Weerbaarheid Het derde beleidskader is weerbaarheid. In de huidige geopolitiekewerkelijkheid leidt de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen uit hetbuitenland tot volatiele prijzen en onzekere beschikbaarheid vanbrandstof. Dit geeft zorgen en onzekerheid bij burgers en bedrijven overof de energierekening nog wel betaald kan worden en of de bedrijfs-voering in de huidige vorm kan worden voortgezet. Het is daarombelangrijk om weerbaarder te worden, zodat de energiekosten voor20Artikelen 11, eerste lid, onderdelen a en b, van de verordening gasleveringszekerheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 116 burgers en bedrijven voorspelbaarder worden en we het aanbod vanenergie meer in eigen hand hebben. Al na de inval van Rusland inOekraïne en de daaropvolgende stijgende gasprijzen is een eerste stapgezet om de afhankelijkheid van onzekere import van fossiele brand-stoffen te verminderen. In reactie hierop heeft Nederland de afhanke-lijkheid van fossiele brandstoffen afgelopen jaren al afgebouwd. Zo is hetgasverbruik van huishoudens met zo’n 28% afgenomen ten opzichte van2021.21Om de afhankelijkheid van olie- en gas verder te verminderen, zet hetkabinet vol in op het vergroten van energiezekerheid en betaalbareenergie van eigen bodem. Dit vermindert de afhankelijkheid van anderelanden en zorgt ervoor dat Nederland in deze tijden minder last heeft vanschokken. In het coalitieakkoord zet het kabinet in op het opwekken vanmeer stroom op eigen bodem door wind op zee te stimuleren en in tezetten op de bouw van vier kerncentrales, wordt geïnvesteerd in de aanlegvan elektriciteitsinfrastructuur, worden subsidies beschikbaar gesteld voorenergiebesparing en verduurzaming van bedrijven (SDE++), wordt ingezetop het verlagen van de energierekening van huishoudens via hetNationaal Isolatie Offensief en worden verhuurders verplicht omwoningen met labels E, F en G de komende jaren te verduurzamen.De huidige situatie laat opnieuw zien dat als Nederland onafhankelijkerwordt van geïmporteerde brandstoffen, we ons beter kunnen wapenentegen energieschokken. In ieder scenario heeft het inzetten opweerbaarheid meerwaarde. Dit wordt bovendien urgenter met ingrij-pendere scenario’s. Maatregelen zouden verder opgeschaald kunnenworden die inzetten op het versnellen van isolatie en verduurzaming vanwoningen, de overstap naar elektrisch rijden en het verminderen vanverbruik van fossiele brandstoffen in productieprocessen. Aangezien dezecategorie maatregelen vaak een langere doorlooptijd kennen voordat zeeffect hebben, is het verstandig deze tijdig voor te bereiden, ook in hetlicht van de beschikbare uitvoeringscapaciteit. Tegelijkertijd speelt ookhier schaarste van beschikbare middelen en uitvoeringcapaciteit.Caribisch NederlandBonaire, Sint Eustatius en Saba worden in sterke mate geraakt doorstijgende energie- en brandstofprijzen. Dit komt met name door de groteafhankelijkheid van import en transport en het intensieve autogebruik bijeen beperkt aanbod van alternatieve mobiliteitsopties. Hierdoor zijn zowelhuishoudens als de economie bovengemiddeld afhankelijk van fossielebrandstoffen. Stijgende olieprijzen werken bovendien direct door in deelektriciteitstarieven, hogere pompprijzen en oplopende kosten voorgoederenimport en luchtverbindingen. Dit komt boven op de al hogekosten van levensonderhoud op de eilanden.De gevoeligheid voor prijsontwikkelingen verschilt per eiland en hangt afvan het aandeel duurzame energie in de elektriciteitsvoorziening.Momenteel is dit ongeveer 25% op Bonaire, circa 50–55% opSint Eustatius en circa 30% op Saba. Verdere verduurzaming van hetelektriciteitssysteem is daarom van belang om de blootstelling aanvolatiele olieprijzen te verminderen en de stabiliteit en betaalbaarheid vantarieven op de langere termijn te vergroten.Het kabinet kijkt zoals altijd ook naar Caribisch Nederland vanuit hetprincipe van comply or explain. Dit vraagt maatwerk, voor zowelmaatregelen als het toepassen van scenario’s, vanwege de lokale en21CBS (2026) Energieverbruik particuliere woningen; woningtype en regio’s (link).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 117 specifieke context van de eilanden. Daarbij houdt het kabinet rekeningmet een ander fiscaal stelsel en de regionale afhankelijkheden vanbrandstofvoorziening, goederen- en personenvervoer, luchtvaart endefensie. Ook voor Caribisch Nederland onderneemt het kabinet actie.3. Huidige kabinetsinzet De onzekerheid over de situatie in het Midden-Oosten en de gevolgenvoor de Nederlandse economie blijven groot. Veranderende omstandig-heden vragen telkens zorgvuldige weging van overheidsingrijpen.Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in deeconomie, neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers enbedrijven een steun in de rug geven, de weerbaarheid op lange termijnvergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenlandverminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast op deknelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en deeconomische gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naarfase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie om goed voorbereid te zijn opernstigere verstoringen in het aanbod van energie. Met dit pakket erkenthet kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid opscenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een anderemate en manier van overheidsingrijpen vragen.Koopkracht huishoudens, veerkracht bedrijven en weerbaarheidOm de koopkracht van burgers te ondersteunen, verhoogt het kabinet demaximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht voorheel 2026 van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Het kabinet roept hierbijwerkgevers op om van deze fiscale faciliteit gebruik te maken, zodat hetvoordeel daadwerkelijk bij de werknemers terechtkomt. Het kabinet gaathierover graag ook in overleg met de sociale partners zodat deze ruimtestructureel in cao’s benut kan worden. Omgerekend leidt de hogerereiskostenvergoeding tot een voordeel van circa 30 cent per literbrandstof.22 Voor de noodzakelijke ritten die werknemers moeten makenom van en naar het werk te reizen, kan hiermee een groot deel van deprijsstijging bij brandstof worden gecompenseerd. Vanuit het principe van«comply or explain» zal het kabinet de maximale onbelaste kilometerver-goeding voor woon-werkverkeer van werknemers in Caribisch Nederlandook verhogen met 2 dollarcent naar $ 0,22 per kilometer. Daarnaasthalveert het kabinet per 1 juli voor een half jaar de tarieven in demotorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s ondernemers. Deze groep heeftniet altijd voordeel van de hogere onbelaste reiskostenvergoeding.Het kabinet gaat in gesprek met de ov-sector over mogelijkheden om hetov als alternatief te versterken om de schokbestendigheid van mobiliteit teversterken. Dat gaat onder andere via het OV-NL. De ov-bedrijven hebbenaan het kabinet laten weten dat zij een taskforce hebben ingericht waarinzij samen kijken wat de mogelijkheden zijn, waar onder andere wordtgekeken naar de Onderwegpas of dalurensubsidie om het gebruik vanopenbaar vervoer aantrekkelijker te maken. Het kabinet begrijpt daarnaastgoed dat ook de transportsector wordt geconfronteerd met een forsekostenstijging. Per 1 juli wordt de motorrijtuigenbelasting voor vracht-auto’s daarom voor de rest van het jaar verlaagd naar het nihiltarief.Tegelijkertijd gaat het kabinet in gesprek met de sector over maatwerkbinnen de vrachtwagenheffing die op 1 juli start. Hierbij blijft het kabinethet breed gedeelde belang onderstrepen van elektrificatie van de sectoren de terugsluis uit de inkomsten van de heffing om zo de weerbaarheidte versterken.22Bij gemiddeld verbruik van 1 op 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 118 Het kabinet bereidt een noodfonds energie voor zodat de meest kwetsbarehuishoudens met een hoge energierekening komende winter ondersteundkunnen worden. Het kabinet reserveert hiervoor € 195 miljoen, waarmeesignificant meer huishoudens kunnen worden bereikt dan in voorgaandejaren. Uitgangspunt is dat alle huishoudens die tot de doelgroep behorenen een aanvraag doen, daadwerkelijk een tegemoetkoming kunnenontvangen. De doelgroep zal worden afgebakend op basis van inkomenen hoogte van de energierekening, zoals eerder ook bij het TijdelijkNoodfonds Energie (TNE) het geval was. Zo ademt de steun mee met dehoogte van de energieprijzen, waarmee het noodfonds ook in zwaarderescenario’s soelaas biedt. In de zwaardere scenario’s zijn de kosten voor hetnoodfonds dan ook hoger. Met het antwoord op de vragen van de ledenKröger en Lahlah gaat het kabinet ook in op de toezegging aan het lidGrinwis en de motie Klaver c.s. om te bezien of het fonds ook middenin-komens kan steunen.23 Het kabinet werkt met energiebedrijven uit hoe deinfrastructuur van TNE hiervoor benut kan worden. TNE heeft in eerderejaren belangrijke steun geleverd en het kabinet waardeert de construc-tieve inbreng die opnieuw wordt geleverd. Als terugvaloptie voor tijdigeondersteuning, verkent het kabinet parallel ook andere mogelijkheden omhuishoudens gericht tegemoet te komen. Het eerder voorziene publiekenoodfonds energie met subsidie vanuit het Europese Sociaal Klimaat-fonds is onuitvoerbaar gebleken. Daarom verkennen de betrokkendepartementen in afstemming met de Europese Commissie hoe dezemiddelen via het Sociaal Klimaatplan kunnen worden ingezet om meerfundamentele oplossingen voor de meest kwetsbare huishoudens terealiseren. Om de gevolgen van stijgende energieprijzen in CaribischNederland te verzachten, wordt de bestaande energietoelage uitgebreid.Voor de veerkracht van bedrijven wordt de garantie ondernemersfinan-ciering (GO) per 1 juli verlengd met 5 jaar en wordt het borgstellingsdeelvan het Borgstellingskrediet MKB (BMKB) verhoogd voor 1 jaar. Dezeaanpassingen zijn bedoeld om eraan bij te dragen dat levensvatbarebedrijven over voldoende financiering kunnen beschikken. Daarnaast blijfthet kabinet de gevolgen van de hogere energieprijzen voor de zwareindustrie goed in de gaten houden in lijn met de maatregelen dieonderdeel zijn van het coalitieakkoord. Het kabinet heeft ook oog voor deeconomische effecten door de gestegen energieprijzen op de visserij ende gestegen kunstmestprijzen op de agrarische sector. Het kabinet wil desectoren op langere termijn weerbaarder en schokbestendiger maken.Voor de visserij zal het kabinet daarom in het derde kwartaal eenenergie-efficiëntieregeling openstellen. Het kabinet maakt hiervoor25 miljoen euro vrij op de LVVN-begroting. Conform de motie van het lidFlach24 is het kabinet ook in gesprek met de Europese Commissie over hetcrisismechanisme onder het European Maritime Fisheries andAquaculture Fund (EMFAF) en beziet de mogelijkheden om de eerstedirecte gevolgen in de visserij te beperken tot het moment vanopenstelling van energiebesparingsregelingen. De Commissie heeft deuitvoeringshandeling van dit crisismechanisme met daarin de kaders voormogelijke steunverlening op 16 april jl. gepubliceerd. Voor de land- entuinbouwsector kan dit door de afhankelijkheid van energie en kunstmestin de toekomst te verminderen, bijvoorbeeld via Renure. Deze concretemaatregelen worden nog nader uitgewerkt. Ook hiervoor maakt hetkabinet 25 miljoen euro vrij op de begroting van LVVN. Uw Kamer zalhierover nader worden geïnformeerd.23Rijksoverheid (2026) Antwoorden op Kamervragen over het bericht «Publiek energiefonds isgeen vervanger voor het Noodfonds». (link)24Kamerstuk II, 2025–2026, 23 432, nr. 713Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 119 Daarnaast zet het kabinet in op het veilig stellen van de slots vanluchtvaartmaatschappijen die door geannuleerde vluchten verlorenkunnen gaan. Brandstoftekorten en hogere prijzen hebben er inmiddelstoe geleid dat meerdere vluchten zijn geannuleerd. Dit kan invloed hebbenop de slots van luchtvaartmaatschappijen op luchthavens. In normalesituaties geldt dat luchtvaartmaatschappijen historische slots verliezenwanneer ze minder dan 80% van de aangevraagde slots op dezelfde routevliegen. De slotcoördinatoren hebben in zowel Europees als wereldwijdverband afgesproken om het behoud van historische slots van luchtvaart-maatschappijen ruimer te beschermen. Dit geldt voor vluchten die nietuitgevoerd kunnen worden als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten.Bovendien neemt het kabinet een aantal maatregelen om deweerbaarheid te vergroten met betrekking tot de vraag naar energie. Hetisoleren en aardgasvrij maken van woningen is een essentieel onderdeelom onze weerbaarheid te versterken. Het verlaagt de energierekening envermindert de afhankelijkheid van buitenlands gas. Een belangrijk deelvan het huidige beleid focust op huishoudens met een laag inkomen ineen slecht geïsoleerde woning. Dit is de groep die het hardst wordtgeraakt door energiearmoede en daarmee het meest kwetsbaar is bijenergieprijsschokken. Naast alle gemeentelijke en landelijkeondersteunings- en subsidieregelingen gebeurt dit via de uitvoering vande Nationale Prestatieafspraken door de woningcorporaties, waarin dehuurwoningen met de EFG-labels uiterlijk in 2028 worden verduurzaamd.Om de verduurzaming van woningen te versnellen maakt het kabinet voorhet Warmtefonds 180 miljoen euro vrij in 2026 en voor energiefixers 40miljoen in 2026 en 40 miljoen in 2027. Voor het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid (NPLV) wordt door het kabinet 5 miljoen europer jaar vrijgemaakt voor de jaren 2026 tot en met 2028. Ook wordt er25 miljoen euro in 2027 vrijgemaakt voor de Subsidieregeling verduur-zaming verenigingen van eigenaars (SVVE). Via het Nationaal Warmte-fonds kunnen alle eigenaar-bewoners een lening krijgen om hun woningte verduurzamen, ongeacht het verzamelinkomen. Eigenaar-bewoners meteen verzamelinkomen van minder dan 60.000 euro betalen 0% rente opeen lening. Hiermee kunnen woningeigenaren verduurzamingsmaatre-gelen treffen, wat ervoor zorgt dat energie wordt bespaard en hogeenergiekosten vermeden worden. Het fonds trekt met publieke middelenook privaat kapitaal aan, om op die manier zo veel mogelijk budgetbeschikbaar te hebben voor het verduurzamen van woningen. Demiddelen voor energiefixers worden beschikbaar gesteld aan gemeenten,die hiermee gericht hulp kunnen bieden aan energiearme huishoudens viaenergiehulp/fixers. Te denken valt aan maatregelen zoals waterzijdiginregelen van de verwarming en/of het geven van adviezen. TNOberekende dat het bezoek van energiefixers heeft geleid tot 12% energie-besparing per woning.25 Met deze middelen kunnen gemeenten naarverwachting tussen de 300.000 en 350.000 huishoudens helpen met hetverlagen van hun energierekening. De extra middelen voor de Subsidiere-geling verduurzaming verenigingen van eigenaars (SVVE) worden ingezetom VVE’s te stimuleren om verduurzamingsmaatregelen te treffen.Hieronder valt woningisolatie, maar ook de aanschaf en installatie vanduurzame warmtebronnen zoals een warmtepomp of zonneboiler. Doordeze maatregel wordt energie bespaard en worden hoge energielastenvermeden.25Verkenning energiebesparing door energiefixersTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 120 Het kabinet wil in de focusgebieden van het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid (NPLV) de begeleiding van bewoners bij hetverduurzamen van hun woning intensiveren. Deze aanpak is gebaseerd opintensieve begeleiding via het sociale weefsel in de wijk en in nauwesamenwerking met het Warmtefonds, bijvoorbeeld via voorfinancieringvan subsidies. In een paar NPLV-gebieden laten deze intensieve begelei-dingsvormen al goede eerste resultaten zien. Met de extra middelen in2026 worden naar verwachting 16.500 huishoudens in energiearmoedemet een koopwoning ontzorgd bij het financieren van de verduurzamingvan hun woning. Naast maatregelen om de energierekening te verlagen,wordt de openstelling van een inruilregeling voor oude fossiele brandstof-auto’s versneld naar het vierde kwartaal van 2026. Deze regeling isbedoeld voor huishoudens met lagere (midden)inkomens om een oude,fossiele auto (emissieklasse 1 t/m 4) te laten slopen en gesubsidieerd eenelektrische tweedehandsauto aan te schaffen. Dit vermindert de afhanke-lijkheid van fossiele brandstof en verbetert betaalbaarheid van mobiliteitomdat elektrisch rijden in het gebruik goedkoper is dan fossiel. Tot slotwordt een tweetal maatregelen genomen om de weerbaarheid bijbedrijven te vergroten. Er wordt versneld geld uit het Klimaatfondsovergeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebe-sparende maatregelen. Ook wordt het aftrekpercentage van de Energie-investeringsaftrek (EIA) per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%zodat het nog aantrekkelijker wordt voor ondernemers om investeringente doen in energiebesparende maatregelen of duurzame energie.De onzekerheid is groot en de marges zijn smal. Het kabinet moet daaromrekening houden met scenario’s waarin de situatie verder verslechtert.Om die reden presenteert het kabinet een pakket dat aansluit bij dehuidige situatie en budgettair volledig is gedekt.Voor de dekking aan de inkomstenkant wordt gekeken naar maatregelendie bijdragen aan het verbeteren van het belastingstelsel. In lijn met dedoelstelling om de inkomstenbelasting minder complex te maken, en hetaantal negatief geëvalueerde fiscale regelingen te beperken, wordt destartersaftrek afgeschaft. Uit de beleidsevaluatie blijkt dat deze regelingniet doeltreffend is om ondernemerschap te stimuleren en gepaard gaatmet relatief hoge uitvoeringskosten. De kleinschaligheidsinvesterings-aftrek is beoordeeld als beperkt doeltreffend en doelmatig en wordtversoberd. Het kabinet is voornemens om ook te kijken hoe de regelingkan worden hervormd. Daarbij betrekt het kabinet de structurele middelenvan het versoberen van de KIA bij effectievere inzet om meer investe-ringen los te maken en zo onze economie te versterken. Deze middelenzijn gereserveerd in een envelop voor een verbeterde regeling gericht opinnovatie die nog uit te werken is in relatie tot de KIA. Ten slotte wordtbinnen de accijns op alcoholhoudende dranken een indexatiesystematiekgeïntroduceerd. In tegenstelling tot andere accijnzen, zoals de brandsto-faccijns, wordt deze niet standaard geïndexeerd. Hierdoor neemt de reëlewaarde van de alcoholaccijns jaarlijks af ten opzichte van de rest van debegroting.De maatregelen aan de uitgavenkant worden ook gedekt, zie onder-staande tabel. De dekking voor de getroffen maatregelen voor energiebe-sparing (€ 95 mln., EZK) en de inruilregeling voor fossiele brandstofauto’s(€ 52 mln., IenW) komen uit bestaande reserveringen in het Klimaat- enenergiefonds. Deze middelen kunnen nu versneld worden ingezet. Voor demiddelen voor energiebesparing is het belangrijk dat de terugverdientijdin de energiebesparingsplicht wordt opgehoogd van 5 naar 7 jaar. Voor deinruilregeling geldt dat belangrijk is dat de middelen bij de juistedoelgroep terechtkomen. Hiervoor zal bij de nadere uitwerking aandachtzijn, in overleg met fondsbeheer. Dit zal ook worden toegelicht in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 121 definitieve Meerjarenprogramma 2027 van het Klimaat- en energiefondsdat op Prinsjesdag 2026 verschijnt.De budgettaire verwerking van het pakket aan de uitgavenkant wordt opkorte termijn in Nota’s van Wijziging waar nodig op betreffende begro-tingen voorgelegd aan uw Kamer. Het toetsingskader risicoregelingenvoor de GO vindt u als bijlage bij deze Kamerbrief. Het toetsingskaderrisicoregelingen voor de BMKB zal zo spoedig mogelijk door de Ministervan Economische Zaken en Klimaat met uw Kamer worden gedeeld.Tabel 1. Maatregelen aan uitgavenkant van de begrotingIn mln. € (– = saldoverbeterend)202620272028202920302031Uitgaven1Reservering Tijdelijk Noodfonds Energie401552Warmtefonds1803Energiefixers40404Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid(NPLV)5555Subsidieregeling Verenigingen van Eigenaren –SVVE256Inruilregeling brandstofauto’s230207Energiebesparende maatregelen MKB2388Energie-efficiëntieregelingen visserij259Subsidies vermindering gebruik energie enkunstmest25Dekking10Bestaande middelen energiearmoede– 40– 5011Reservering envelop armoede en schulden uit CA– 10512Middelen klimaatakkoord op Aanvullende Post– 19– 13– 6– 11– 1113Niet verplichte middelen Grondfaciliteit– 9014Reservering nog onverdeelde Loon- en Prijsont-wikkeling op begroting VRO– 815Klimaat- en energiefonds– 68– 30– 44– 79– 316Reservering nog onverdeelde Loon- en Prijsont-wikkeling op begroting LVVN– 50TotaalCumulatiefUitgaven3172783300627Dekking– 267– 206– 50– 90– 14– 627Optelling extra uitgaven en dekking5072– 18– 90– 140 Tabel 2. GarantiesGaranties202620272028202920302031EZK15Verlengen Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)met garantieplafond van 300 mln. voor 5 jaar per 1 juli2026130030030030030030016Verhoging borgstellingsdeel van de BorgstellingMKB-krediet (BMKB) van 50% naar 75% van 1 juli 2026tot 1 juli 2027175%75%50%50%50%50%1 Er is garantieruimte- en kasbudget op de EZK-begroting voor deze maatregelen. Tabel 3. Maatregelen aan de inkomstenkant van de begrotingLasten in miljoen euro (– is lastenver-lichting)202620272028202920302031StrucLastenverlichtingen19Verhogen onbelaste reiskostenvergoe-ding met € 0,02 naar € 0,25 perkilometer– 155– 191– 223– 218– 212– 207– 20720Tijdelijk verlagen motorrijtuigenbelastingtarief voor bestelauto’s van ondernemersmet 50% t/m december (half jaar)– 15021Tijdelijk verlagen motorrijtuigenbelastingtarief vrachtauto’s naar nihil – van 1 julit/m december– 35Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 122 Lasten in miljoen euro (– is lastenver-lichting)202620272028202920302031Struc22Verhogen aftrekpercentage EIA naar45,5%00000023Envelop nader uit te werken onderne-mersregeling i.r.t. de KIA– 100Dekking24Indexeren alcoholaccijns2647709011013025Afschaffen startersaftrek11911611311010810026Versobering kleinschaligheidsinveste-ringsaftrek (KIA)100100100100100100Totaal– 3405440658811123 Leveringszekerheid olieDoor de huidige situatie in het Midden-Oosten is er voor Europa sprakevan toenemende verstoringen in een deel van de aanvoer van kerosineen, in mindere mate, diesel. Tegen deze achtergrond heeft het kabinetbesloten om op te schalen naar fase 1 (alertering) van het LandelijkCrisisplan Olie. Fase 1 is nadrukkelijk een proactieve voorbereidingsfasewaarin sectorale maatregelgroepen (inzet strategische voorraden,transport, raffinage en chemie) en adviesgroepen kunnen wordengeactiveerd. Deze groepen werken maatregelen uit voor verschillendescenario’s en verzorgen de eventuele inzet van deze instrumenten.Tegelijkertijd worden monitoring en communicatie geïntensiveerd enwordt de coördinatie met betrokken departementen en het bedrijfslevenversterkt.De opschaling naar fase 1 is bedoeld voor situaties waarin sprake is vanverstoringen in de reguliere voorziening en stelt het kabinet in staat omtijdig voorbereid te zijn op mogelijke verdere verslechtering van desituatie. Gegeven de huidige ontwikkelingen acht het kabinet dezevoorbereidende stap noodzakelijk.Met deze opschaling onderstreept het kabinet dat het de ernst van deontwikkelingen onderkent en zich voorbereidt op mogelijke verdereverstoringen, terwijl op dit moment nog geen sprake is van acute tekortenof directe ingrepen in de markt. Het kabinet monitort de ontwikkelingencontinu en is voorbereid om, als de situatie daartoe aanleiding geeft, tijdigover te gaan tot verdere opschaling van het crisisniveau.Nederland neemt deel aan de door de IEA aangekondigde collectieveactie, waardoor voorbereidingen worden getroffen voor het vrijgeven vande strategische voorraden. Ook neemt het kabinet actief deel aaninternationale afstemming binnen de EU en het IEA. Het kabinet infor-meert de Commissie en andere Europese lidstaten over opschaling naarfase 1 en pleit voor een gezamenlijke Europese aanpak, bijvoorbeeld omde inzet van strategische voorraden en eventuele vraagbeperkendemaatregelen te coördineren en daarbij ongewenste effecten zoals weglekof exportbeperkende maatregelen te voorkomen. Het kabinet verwelkomtde brief van de Europese Commissie van 31 maart jl. waarin lidstatenworden opgeroepen om nauw samen te werken op dit vlak om debeschikbaarheid van olie en olieproducten op de Europese markt teoptimaliseren.26 De Europese Commissie komt naar verwachting op22 april met een mededeling over energie in het kader van ontwikkelingenin het Midden-Oosten. De precieze invulling van deze mededeling is op26Hiermee voldoet het kabinet aan het verzoek van uw Kamer om een kabinetsreactie te sturenop de brief van de Europese Commissie van 31 maart jl. ten aanzien van Europese coördinatieop oliemaatregelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 123 het moment van publiceren van deze brief nog niet bekend. Naarverwachting zal deze toolbox aanbevelingen bevatten voor vraagbeper-kende maatregelen die Europese lidstaten kunnen nemen op basis van hetIEA-rapport om de olievraag te beperken. Mocht de situatie die naar vorenkomt uit de LCP-O daar aanleiding toe geven, dan zal het kabinet demaatregelen uit deze mededeling serieus in overweging nemen, zodatmaatregelen zoveel mogelijk in Europees verband genomen kunnenworden.27 In het vragenuur van 7 april jl. heeft de Minister van Infra-structuur en Waterstaat toegezegd terug te komen op de vragen van hetlid Goudzwaard (JA21) over de strategische voorraad kerosine en deflexibiliteit van raffinaderijen. Met deze passage wordt aan dezetoezegging voldaan.Op grond van de Europese richtlijn voor olievoorraden (Richtlijn2009/119/EG) houden lidstaten een deel van hun strategische voorraadaan in de vorm van gereed product, waaronder kerosine, met ruimte in deonderlinge verdeling. Nederland heeft er in 2012 voor gekozen om circa15 verbruiksdagen aan kerosine aan te houden, passend bij hettoenmalige verbruik, de beschikbare opslagcapaciteit en de eigen-schappen van het product.Het verbruik van kerosine is sindsdien toegenomen en vormt inmiddelseen substantieel deel van de brandstofvraag. Een verhoging van destrategische voorraad is op korte termijn echter niet realiseerbaar, ondermeer vanwege fysieke opslagbeperkingen en de tijd die nodig is omvoorraden op te bouwen. Het kabinet volgt de ontwikkeling en beziet of dehuidige inrichting van de strategische voorraden op termijn nog passendis.Raffinaderijen produceren een vaste mix van olieproducten en kunnen deverhouding slechts beperkt aanpassen. In Nederland bedraagt het aandeelkerosine circa 10%, met een flexibiliteit van ongeveer 10–15%. Ditbetekent dat de productie slechts beperkt kan worden verhoogd enNederland voor de beschikbaarheid in belangrijke mate afhankelijk blijftvan internationale aanvoer.Ten slotte bereidt Nederland samen met andere landen de inzet vanstrategische olievoorraden voor vanwege de aanhoudende onrust op deenergiemarkten. Dit zijn de noodvoorraden die juist voor dit soort situatieszijn aangelegd. Concreet betekent dit dat een deel van deze reserves op demarkt wordt gebracht om tekorten op te vangen en verdere prijsstijgingente voorkomen. Deze stap maakt deel uit van een gezamenlijke actie vanhet Internationaal Energie Agentschap (IEA), waarbij landen hunvoorraden inzetten om de oliemarkt te stabiliseren. Nederland neemthierin zijn verantwoordelijkheid en levert het volledige verzochte aandeel.Dat komt neer op circa 1,3% van het totaal, oftewel ongeveer 5,4 miljoenvaten olie. Lidstaten hebben 90 dagen om hun bijdrage te leveren. Deinzet van deze voorraden gebeurt in nauwe internationale afstemming,onder andere binnen het IEA, met Europese partners en het VerenigdKoninkrijk. Daarmee wordt voorkomen dat landen afzonderlijk handelenen wordt de effectiviteit van de maatregel vergroot. Met deze gezamen-lijke aanpak zorgt het kabinet ervoor dat er extra aanbod beschikbaarkomt op de markt en dat de gevolgen voor huishoudens en bedrijvenzoveel mogelijk worden beperkt.27Hiermee voert het kabinet Motie Grinwis uit (Kamerstuk 23 432, nr. 688).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 124 Leveringszekerheid gasSinds juni 2022 geldt in Nederland het eerste niveau van gascrisis: hetniveau van vroegtijdige waarschuwing. De gevolgen van het conflict inhet Midden-Oosten geven nog geen aanleiding om op te schalen naar eenhoger crisisniveau. Handhaving van dit crisisniveau betekent dat hetkabinet de gasmarkt nauwlettend in de gaten blijft houden, zoals ook deafgelopen periode gedaan is. Ook blijft Gasunie Transport Services (GTS)het kabinet doorlopend informeren over de gasleveringszekerheidssituatiein Nederland, zoals sinds juni 2022 het geval is.Sinds begin april is gestart met het vullen van de gasopslagen. Deopslagen in Nederland waren dit jaar einde winter leger dan in anderejaren, mede doordat gasopslagen Norg en Grijpskerk leeg geproduceerdzijn door het beëindigen van de operationele activiteiten van GasTerra.Om deze reden heeft EBN Capital B.V. (hierna: EBN) dit jaar een groterevulopdracht dan eerdere jaren. EBN heeft instemming en subsidieverkregen om maximaal 80 TWh gas op te slaan als de markt datonvoldoende doet. In de brief van 2 april is aangekondigd dat EBNtoegang heeft tot Norg. Door een onvoldoende positieve of zelfsnegatieve zomer/winter spread kan het opslaan van gas komend seizoenduurder uitpakken dan eerdere jaren. De zomer/winter spread is hetverschil tussen de prijs waarvoor gas tijdens het vulseizoen wordtingekocht en de prijs waarvoor het (direct na aankoop) voor de winterwordt verkocht. Deze spread dient om de kosten van opslag te dekken eneen winst te behalen.4. Moties en toezeggingen In het debat van 25 maart over de energieprijzen is het kabinet een aantalzaken gevraagd te onderzoeken. In deze inventarisatie heeft het kabinetonder andere onderzocht of een maximumprijs voor brandstoffeningevoerd kan worden, hoe het nationaal isolatieoffensief en hetwarmtefonds versterkt kunnen worden en of de door het IEA aanbevolenenergiebesparingsmaatregelen op korte termijn in Nederland ingevoerdkunnen worden. De uitkomsten van deze inventarisatie zijn toegelicht indeze brief en staan per maatregel uitgewerkt in de bijlage 2. Bijlage 6 gaatverder in op de mogelijkheden voor prijsregulering in de brandstofmarkt.Daarnaast heeft het kabinet in EU-verband gepleit voor het versterken vancoördinatie voor inzet van strategische voorraden en mogelijke vraagbe-perkende maatregelen. Ook blijft het kabinet maatregelen van anderelidstaten monitoren en wat de invloed is van deze maatregelen op hetgelijke speelveld binnen Europa, zie bijlage 5 voor een stand van zaken eninternationale vergelijking.Gevolgen voor accijns en btw inkomstenIn het debat over de economische gevolgen van de oorlog in hetMidden-Oosten voor Nederland is veelvuldig gerefereerd aan het gegevendat hogere brandstofprijzen mogelijk leiden tot hogere btw-opbrengstenvoor de staat, en gevraagd of deze kunnen worden aangewend.Een eenzijdige focus op de btw-opbrengsten uit brandstof vormt eenpartiële benadering die de complexiteit van de macro-economischeeffecten miskent. Hogere uitgaven aan brandstof leiden doorgaans tot eenverschuiving in het consumptiepatroon, waarbij huishoudens mogelijkminder uitgeven aan andere goederen en diensten. Door de onderlingesamenhang van diverse belastingstromen en substitutie-effecten is hetuiteindelijke netto-effect op de totale Rijksinkomsten onduidelijk. OmTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 125 echter specifiek in te gaan op het verzoek van uw Kamer, bevat deze briefeen partiële analyse die zich beperkt tot de direct gerelateerde brandstof-inkomsten.28Sinds begin dit jaar is de brandstofprijs sterk toegenomen. Voor het effectop de btw-inkomsten kan onderscheid gemaakt worden tussen eenprijseffect en hoeveelheidseffect. Het prijseffect komt doordat als de prijstoeneemt, het btw-bedrag (21% van de prijs) per liter ook toeneemt. Bij dehuidige prijsstijging is dit is circa 7 cent btw per liter voor benzine (bij eenstijging van de gemiddelde brandstofprijs van 1,96 naar 2,35 euro/liter) encirca 13 cent btw per liter voor diesel (bij een stijging van de gemiddeldebrandstofprijs van 1,73 naar 2,48 euro/liter). Bij de accijnsinkomsten isgeen prijseffect zichtbaar, omdat de accijns een vast bedrag per liter is.Tegenover het prijseffect staat het hoeveelheidseffect. Op basis van devoorjaarsnota, waarbij de effecten van de oorlog nog niet waren meege-nomen, was het de verwachting dat in 2026 over ongeveer 5.768 mln. literbenzine (waarvan 82% particulier) en ongeveer 5.594 mln. liter diesel(waarvan 21% particulier) accijns zou worden betaald. Door de hogereprijzen verwachten we op basis van de literatuur29, 30 dat sommigeconsumenten hun gedrag gaan aanpassen, waardoor minder litersbrandstof wordt verbruikt. Dit dempt de eventuele meeropbrengst bij debtw en zorgt voor een derving in de brandstofaccijns: voor iedere liter dieminder wordt getankt krijgt de overheid 85 cent (benzine) of 55 cent(diesel) minder aan accijns binnen.Het hoeveelheidseffect is bepalend of de hogere brandstofprijs per saldoleidt tot extra inkomsten voor de overheid. De gegevens over het getanktevolume in maart 2026 zijn nog niet beschikbaar. Als eerste indicatie isdaarom gekeken naar de onderzochte prijselasticiteit in de literatuur. Uiteen eerdere schatting (2010) van het PBL blijkt dat de brandstofprijselasti-citeit voor personenautoverkeer in Nederland op de korte termijn (1 jaar)tussen – 0,2 en – 0,3 ligt. Voor zakelijk gebruik wordt een lagere elasticiteitvan – 0,1 verwacht.Het Ministerie van Financiën heeft daarnaast een schatting gedaan van debrandstofprijselasticiteit over 2022–2025, de vorige periode met een groteprijsschok vanwege de energiecrisis.31 Voor deze periode blijkt dat degeschatte prijselasticiteit hoger is. Met de toename van elektrischevoertuigen, werken op afstand en grenseffecten is het aanneembaar datpersonen sinds 2010 sterker reageren op schokken in de brandstofprijs. In2022 zagen we dit effect ook, bijvoorbeeld in maart 2022 steeg degemiddelde benzine pompprijs met 12% en zagen we een daling van 7%in het benzinegebruik.Op basis van deze geschatte elasticiteiten is de verwachting dat demeeropbrengst in de btw, als gevolg van het prijseffect, verdampt ofomslaat in een derving door het hoeveelheidseffect in de btw enaccijnsinkomsten. Zoals gezegd zijn deze effecten onzeker en zijn er noggeen realisatiecijfers over afgelopen maand beschikbaar. Het kabinet gaatde tankvolumes de komende maanden daarom nauwgezet monitoren.28Hiermee gaat het kabinet in op de toezegging aan het lid Flach en de motie van het lidNanninga (Kamerstuk II 2025–2026, 23 432, nr. 694) tijdens het debat over de economischegevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten van 25 maart jl.29https://www.pbl.nl/uploads/default/downloads/500076011.pdf30Elasticiteiten van binnenlandse personenmobiliteit | Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid31Toezegging aan het lid Bontenbal tijdens het debat over de economische gevolgen van deoorlog in het Midden-Oosten van 25 maart jl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 126 Tijdens het debat is ook de vraag gesteld of – in het geval dat er extrainkomsten door de hogere brandstofprijs zijn – deze inkomsten ingezetkunnen worden als dekking voor compenserende maatregelen. Volgensde begrotingsregels mogen tegenvallers aan de inkomstenkant van debegroting mee-ademen met de conjunctuur, zodat beleidsmatigelastenverzwaringen in tijden van recessie niet nodig zijn. Omgekeerd geldtdit ook voor eventuele meevallers. Dit betekent dat als er sprake is vanextra overheidsinkomsten als gevolg van de hogere brandstofprijs, dezeinkomsten volgens de begrotingsregels niet mogen worden ingezet alsdekking voor lastenverlichtende maatregelen. Dit is de kern van trend-matig begrotingsbeleid.OverwinstenOok heeft uw Kamer een tweetal moties aangenomen32, waarin wordtverzocht om te onderzoeken of en hoe (olie-)bedrijven die mogelijkeoverwinsten boeken dankzij de stijgende energieprijzen, kunnen bijdragenaan het dempen van de effecten van stijgende prijzen of aan tijdelijkgerichte steun aan kwetsbare huishoudens. Het kabinet heeft daarnaasttoegezegd nader in te gaan op de maatregelen die in 2022 zijn genomenom overwinsten af te romen en welke juridische procedures hier op ditmoment tegen lopen. In bijlage 4 zijn de prijsontwikkelingen en marges inde olie- en gasmarkt nader geanalyseerd.Vanwege de relatief beperkte stijging van de aardgasprijs ziet het kabinetop dit moment geen reden om te veronderstellen dat er sprake is vanoverwinst op de gasmarkt. Voor de oliemarkt heeft het kabinet indicatiesdat de opbrengsten bij oliewinning en raffinage zijn toegenomen alsgevolg van de recente prijsstijgingen. Hoe de kosten zich hebbenontwikkeld, is op dit moment onbekend. Voor een belangrijk deel wordeneventuele extra winsten in het buitenland gematerialiseerd, gezien inNederland bijna geen olie wordt gewonnen. Voor de Nederlandseraffinaderijen geldt verder dat er jaren met lagere marges of zelfsverliezen zijn. Daarnaast is de prijsontwikkeling bij raffinaderijen heelonzeker en verandert met de dag. Operators verhandelen olievolumesmogelijk (deels) middels een vast-prijscontract tegen een vooraf vastge-stelde prijs, waardoor de invloed van hogere prijzen op de winstenmogelijk uitblijft, zeker als het enkel gaat om een korte prijspiek.33 Hoewelde theoretische marges zijn opgelopen is het daarom op dit moment nogte vroeg om te stellen dat er extra winsten worden gemaakt in deNederlandse raffinagesector. Eventuele gestegen winsten bij Nederlandseraffinaderijen leiden bovendien – voor zover in een betalende positie –reeds tot een stijging van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting.Het kabinet merkt hierbij op dat het niet eenvoudig is om vast te stellenwat «overwinst» hier zou zijn: hiervoor is geen standaard criterium datkan worden gebruikt. Het kabinet vindt het onwenselijk om boven op devennootschapsbelasting unilateraal een extra heffing op eventuele hogerewinsten in te stellen. Zo is het onduidelijk hoe lang de hogere margesaanhouden en mag – gezien de nauwe verwevenheid van onze raffinage-sector met brandstofleveranties voor Europa – van Nederland verwachtworden dat we hierin geen unilaterale koers varen. Op dit moment wordtook in Europees verband gesproken over het belasten van mogelijkeoverwinsten.32Kamerstuk II 2025–2026, 23 432, nr. 715 en nr. 68333Dit is o.a. het geval bij «toll-manufacturing», waarbij stijgende of dalende marktprijzen geeninvloed hebben op de inkomsten van de exploitant doordat er contractueel een vastevergoeding is afgesproken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 127 Ten slotte verwacht het kabinet op dit moment niet dat er extra winstenworden gemaakt aan het eind van de brandstofketen, zoals bij tanksta-tions. Tegelijkertijd is het belangrijk dat de prijzen transparant zijn en dater goed zicht is op de marges in de keten en bij tankstations, zoals ookdoor uw Kamer tijdens het debat van 25 maart jl. duidelijk gemarkeerd.Het is daarom goed dat de ACM heeft aangekondigd dat de Energiemo-nitor wordt uitgebreid met een Brandstoffenmonitor. Hierbij gaat de ACMde marges in de keten onderzoeken, waarbij het specifiek aandacht heeftvoor de retailprijzen en inkooprijzen. De monitor gaat nader inzicht gevenin waar er in de keten met name wordt geprofiteerd van de gestegenbrandstofprijzen. De ACM publiceert de eerste resultaten in 3 á 4 wekenna publicatie van deze Kamerbrief. Eventuele aanbevelingen zullen metaandacht door het kabinet ontvangen worden. Hiermee geeft het kabinetopvolging aan de motie van het lid Klaver over het onderzoeken vanmaximumprijzen voor brandstoffen.34De maatregelen die in 2022 werden genomen om overwinsten af teromen, volgden voor een groot deel ook uit Europese verordeningen. Hetging om de Solidariteitsbijdrage (c.q. EU Verordening 2022/1854) en deinframarginale heffing. Daarnaast werd aanvullend als nationalemaatregel tijdelijk de cijns in de Mijnbouwwet verhoogd. De cijns is eenaparte heffing onder de Mijnbouwwet die wordt geheven over de omzetdie met de winning van olie en gas wordt gemaakt. Alle drie dezemaatregelen leiden in zowel Nederland als daarbuiten tot veel juridischeprocedures. Het betreft verschillende arbitrageprocedures, nationaalrech-telijke procedures (bezwaar/beroep belastingaanslag) en procedures tegende verordening direct bij het Hof van Justitie van de EU. Het kabinet kaninhoudelijk niet op deze zaken in gaan, omdat ze nog in behandeling zijn.VervolgactiesHet kabinet deelt de zorgen die uw Kamer heeft geuit over de hoge olie-en gasprijzen en wil net als uw Kamer voorbereid zijn op alle scenario’s.Daarom zal het kabinet de komende maanden:•Weerbaarheidsanalyses van de Nederlandse economie laten opstellen;•Onderzoeken hoe Nederland de afhankelijkheid van fossiele brandstof-fen kan afbouwen en strategische toeleveringsketens en grondstoffenbeter kan beschermen;•In gesprek gaan met de transport-, voedsel- en supermarktbrancheover de doorwerking van de hogere energieprijzen in boodschappen-prijzen;35•In gesprek gaan met de visserij en de agrarische sector om deeconomische gevolgen van de huidige energieschok te monitoren;•Een nationaal versnellingsplan voor energieonafhankelijkheidontwikkelen;•Daarnaast publiceert de ACM omstreeks begin mei een brandstofmoni-tor die inzicht geeft in waar er in de keten wordt geprofiteerd van degestegen brandstofprijzen.AfsluitingDe situatie in het Midden-Oosten is veranderlijk en onvoorspelbaar. Descenario’s in deze brief zijn geen blauwdruk voor de toekomst, maarschetsen een beeld van verschillende omstandigheden waar Nederlandmee kan worden geconfronteerd. Veranderende omstandigheden vragen34Kamerstuk II, 2025–2026, 23 432, nr. 67035Hiermee gaat het kabinet in op de motie van de leden Nanninga en Flach. Kamerstuk II,2025–2026, 23 432, nr. 695Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 128 telkens zorgvuldige weging van overheidsingrijpen. Scenario’s lopen inelkaar over en er is nooit sprake van een automatisme van beleidsmaatre-gelen.De mogelijke keuzes raken aan koopkracht van huishoudens en veerkrachtvan bedrijven, aan leveringszekerheid inzake het aanbod van energie enweerbaarheid met betrekking tot de vraag naar energie. Alle drie dezebeleidskaders zijn onmisbaar onderdeel van de respons van het kabinetop deze situatie, nu en als de situatie verder verslechtert. Dit om op delange termijn beter bestand te zijn tegen volatiele energieprijzen eneconomische schokken beter op te vangen.De realiteit is ook dat de economische effecten niet altijd weg te nemenzijn door te compenseren. Maatregelen die de energieprijs dempen,hebben bijvoorbeeld als direct effect dat de vraag toeneemt en deschaarste toeneemt. Om goed voorbereid te zijn op ernstigere versto-ringen en gericht te kunnen handelen, schaalt het kabinet op naar fase 1van het Landelijk Crisisplan Olie. Samenwerking met Europese landen iseen onmisbaar onderdeel.Met het huidige pakket aan acties beoogt het kabinet om de weerbaarheidop de langere termijn te vergroten, de onafhankelijkheid van energie uithet buitenland te verminderen en de effecten van de economische schokte kanaliseren. Het pakket is gericht en begrensd. Niet uit een wens omterughoudend te zijn in het onderkennen van de ernst van de situatie,maar omdat het kabinet rekening moet houden met scenario’s waarin desituatie verder verslechtert.De onzekerheid is groot en de marges zijn smal. Bij overheidsingrijpenpast blijvende terughoudendheid, omdat elke euro maar één keer kanworden uitgegeven en omdat in zwaardere scenario’s aanvullende actienodig kan zijn. Zonder op de toekomst vooruit te lopen kan het kabinetniet anders dan deze onzekerheid onderkennen door zich op alles voor tebereiden.De Minister van Financiën,E. HeinenDe Staatssecretaris van Financiën,E. EerenbergDe Minister van Economische Zaken,H.G. HerbertDe Minister van Klimaat en Groene Groei,S. van Veldhoven-van der MeerDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.A. VijlbriefTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 933, nr. 129
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.