KamerkringInloggen
Kamerbrief

De Nederlandse warmtetransitie en de rol van collectieve warmte

6 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f3ad8e4a47208d38 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 122 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 6 juli 2026Collectieve warmtesystemen zijn voor een belangrijk deel van degebouwde omgeving de goedkoopste oplossing om van het aardgas af tegaan en dragen daarmee bij aan verduurzaming en weerbaarheid.Bovendien kunnen lokale warmtebronnen alleen worden ontsloten doorcollectieve warmtesystemen, en dragen ze via flexibiliteit en opslag bijaan een geïntegreerd, toekomstbestendig energiesysteem. In hetcoalitieakkoord staat dat het kabinet vol blijft inzetten op collectievewarmte, om zo ook netcongestie te verminderen. Daarmee wordtonnodige netverzwaring – en de forse kosten die hiermee gepaard gaan –voorkomen. In deze brief geeft het kabinet graag meer duiding bij dezeambitie. Ook heeft de Minister van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening (VRO) tijdens het commissiedebat van 26 maart jl. detoezegging gedaan om voor de zomer een Kamerbrief te sturen over debetaalbaarheid van collectieve warmte samen met de Minister vanKlimaat en Groene Groei (KGG).Met deze brief geeft het kabinet invulling aan deze toezegging en wordt deTweede Kamer tevens geïnformeerd over een aantal gerelateerdeonderwerpen, zoals de planning van de Wet collectieve warmte, hetamendement houtige biomassa, de warmtegemeenschappen, detoezegging over het onderzoek naar het voorkomen van de ongewensteoverlap van subsidie voor warmtepompen in collectieve warmte wijken1en de motie van leden Flach en Kröger2 om opnieuw te onderzoeken ofeen warmtegemeenschap toch met een meerderheidsbelang magdeelnemen in een warmtebedrijf. Tot slot geeft het kabinet de voortgangaan op de volgende moties:•de motie van lid Rooderkerk3 over het doorontwikkelen van de WIS inoverleg met de Warmtealliantie;1Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 15122Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 883Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 93 kst-36576-122ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1221 •de motie van lid Van Oosterhout cs4 over de financiering vanwarmtenetten;•de motie van het lid Kröger5 over het faciliterend kader voor warmte-gemeenschappen over een onderzoek over de belemmeringen voorwarmtegemeenschappen;•de motie van lid Kröger6 om binnen 4 jaar na inwerkingtreding van deWcw kostengebaseerde tarieven fase 2 in te voeren;•De motie van lid Grinwis CS7 om een kostengebaseerd referentietariefuit te werken voor kleine collectieve warmtesystemen;•De motie van lid Kröger8 om onderzoek te doen naar het effect vanETS2 op de gasreferentie en de kosten van warmtebedrijven en eeneventuele correctie hiervan.De Nederlandse warmtetransitieIn een wereld waarin geopolitieke spanningen toenemen is het vergrotenvan energieonafhankelijkheid een topprioriteit geworden. Huishoudens,bedrijven en maatschappelijke instellingen hebben de afgelopen jarengrote schommelingen in hun energierekening gezien als gevolg vanconflicten elders in de wereld. Verduurzaming van de gebouwdeomgeving, zowel door energiebesparing als het verminderen van deafhankelijk van fossiele brandstoffen, zorgt voor grotere weerbaarheid vande samenleving tegen energieprijsschokken. Het realiseren van energie-zuinige gebouwen die gebruik maken van een duurzame warmtevoor-ziening is dan ook een belangrijk doel van het kabinet.In de gebouwde omgeving heeft het verduurzamen van de warmtevoor-ziening brede, direct zichtbare en voelbare effecten. Onderzoek van TNO9laat bijvoorbeeld zien dat energiebewuste woningen vaak hun warmte-vraag beperken door passende isolatie en ventilatie. Goed geïsoleerde engeventileerde woningen leiden tot minder luchtwegklachten, minderreumatische klachten en daarmee tot lagere zorgkosten. Bewonerservaren meer comfort: minder tocht en vochtproblemen. Ook de kwaliteitvan wonen, leren en werken verbetert. Een goed geïsoleerde woning biedtrust, stabiliteit en een gezonder binnenklimaat. Daarnaast stijgt de waardeaanzienlijk na verduurzaming; gebouwen met een beter energielabelrealiseren gemiddeld een veel hogere marktwaarde. En misschien wel hetmeest direct zichtbaar: een verduurzaamd huis of bedrijfspand zorgt vooreen lagere en stabielere energierekening in vergelijking met nietduurzame panden, waardoor huishoudens, (mkb-)bedrijven enmaatschappelijke instellingen minder kwetsbaar zijn voor pieken infossiele energieprijzen.Om deze verduurzaming van de gebouwde omgeving te realiseren staatNederland in veel wijken voor een ingrijpende warmtetransitie: woningenen bedrijfsgebouwen moeten worden geïsoleerd en installatiesaangepast, straten dienen opengebroken te worden om nieuw leidingwerkte realiseren en nieuwe energiebronnen moeten worden ontsloten. Tegendeze achtergrond kiest het kabinet voor een duidelijke koers, waarin allegroepen in de samenleving de stap kunnen zetten om hun onafhanke-lijkheid van fossiele brandstoffen te vergroten. Gemeenten zijn hierbij een4Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 14375Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 836Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 847Kamerstukken II 2025/26, 36 576, nr. 778Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 869Effecten van fixers/energiecoaches, renovaties en witgoedregelingen – https://publications.tno.nl/publication/34640993/1EDZiA/TNO-2023-effecten.pdf en Gezondereleefomgevingen, gezondere burgers – https://publications.tno.nl/publication/34640562/99HEFO/TNO-2023-R10003.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1222 belangrijke spil, het kabinet ondersteunt hen in hun regierol met eenstevig pakket aan wetgeving, waaronder de Wet gemeentelijke instru-menten warmtetransitie (Wgiw) en de Wet collectieve warmte (Wcw).Gemeenten onderzoeken waar collectieve warmte de beste oplossing isen leggen dit uiterlijk 31 december 2027 vast in hun warmtepro-gramma’s.10 Er zijn ook wijken waar voor gemeenten nu al duidelijk is datofwel collectieve warmte de «robuuste» keuze is, of waar de elektrischewarmtepomp dat is. Alternatieve scenario’s zijn dan duurder of praktischniet uitvoerbaar. Het kabinet stimuleert gemeenten om juist in die wijkente beginnen met de overstap naar een duurzame warmteoplossing enbewoners daarover te informeren. Waar collectieve warmte niet de meestgeschikte oplossing is, stimuleert en – per 2029 – normeert het kabinet deuitrol van hybride, slimme warmtepompen. Het voorstel voor de invullingvan de normering wordt de komende tijd uitgewerkt, de Kamer wordthierover in het najaar geïnformeerd.Uitdagingen betaalbaarheid collectieve warmteDe opschaling van collectieve warmte staat of valt met het aantrekkelijkmaken van de overstap voor bewoners. In de dichtbebouwde woonwijkenwaar weinig ruimte is voor warmtepompen is de overstap naar collectievewarmte meestal de beste manier om deze woningen te verduurzamen.Vaak gaat het in deze wijken om woningen in het sociale huursegment. Indeze wijken is een hoger risico op energiearmoede en ervaren bewonersonvoldoende handelingsperspectief in de energietransitie. Gemeenten enwoningcorporaties hebben een grote rol in het ontzorgen van bewoners.In eerdere Kamerbrieven11 werd al geconstateerd dat de eindgebruikers-kosten en nationale kosten voor collectieve warmte nog niet op één lijnliggen. De meerwaarde van collectieve warmte in het energiesysteem(zoals het vermijden van netverzwaringen of de mogelijkheid om metwarmtebuffers pieken in energiegebruik af te vlakken) landt niet in debusiness case van een collectieve warmte project. De investering in eencollectief warmtesysteem moet direct via de aangesloten eindgebruikersterugverdiend worden, landelijk kan er niet gesocialiseerd worden. Opsysteemniveau is opschaling van collectieve warmte wenselijk, maar danmoeten we de overstap voor de eindgebruiker ook aantrekkelijk maken.Om drempels weg te nemen wil het kabinet de betaalbaarheid enfinancierbaarheid stimuleren. Er zijn al verschillende subsidiesbeschikbaar voor warmtebronnen, warmtenetten en inpandige aanpas-singen. De bestaande subsidies zijn echter nog niet voldoende effectiefom investerings- en aansluitdrempels weg te nemen en zo de relatievebetaalbaarheid te borgen. Dit heeft verschillende oorzaken:1.Complexiteit van collectieve warmteprojecten: collectieve warmtepro-jecten zijn complex, een rendabele businesscase vraagt vaak ommeerdere subsidies voor verschillende doelgroepen en gelijktijdigebesluitvorming van diverse partijen. Dit kan knellen wanneer investe-ringsagenda’s, vervangingsmomenten of subsidietermijnen niet opelkaar aansluiten. Daarnaast kunnen bewoners niet zelf het overstap-moment bepalen, wat de bereidheid om aan te sluiten vermindert.2.Onzekerheid over warmtetarieven: bewoners stappen minder snel overals kosten onzeker zijn. Meer zekerheid leidt tot meer aansluitingen en10Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2025 een actualisatie gedaan van deStartanalyse aardgasvrije buurten, waarin per wijk modelmatig bekeken is welke warmteop-lossing de laagste nationale kosten heeft. Deze actualisatie liet zien dat verschillendeverduurzamingsscenario’s soms dicht bij elkaar zitten qua nationale kosten. Dit onderschrijftdat het van belang is om het model te verrijken met aanvullende informatie over de lokalesituatie voor de besluitvorming.11Meest recent: Kamerstukken II 2025/26, 36 576, nr. 119Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1223 een sterkere businesscase. De overgang naar kostengebaseerdetarieven is een stap vooruit: het geeft warmtebedrijven zekerheid datze hun kosten terugverdienen, en eindgebruikers dat ze niet meerbetalen dan nodig. Echter hoe de tarieven zich zullen verhouden tot dekosten van alternatieven is nog niet zeker. Wel valt te verwachten datde kosten van alternatieven zoals gasgestookte CV-ketel en elektrischewarmtepompen zullen stijgen.12 Hierdoor zal het relatieve prijsverschiltussen de verschillende warmtescenario’s naar verwachting kleinerworden.3.Nadelige vergelijking hoogte vastrecht: het relatief hoge vastrecht vancollectieve warmte wordt vaak genoemd als knelpunt. Deels zijn dekosten inderdaad hoger dan voor een cv-ketel, maar de vergelijkingpakt ook nadelig uit doordat investerings- en onderhoudskosten vande warmtevoorziening zichtbaar zijn in de warmterekening, terwijlvergelijkbare kosten bij een cv-ketel minder zichtbaar zijn. Voorhuurders geldt dit nog sterker, omdat onderhouds- en vervangingskos-ten doorgaans via de verhuurder lopen. Hierdoor wordt de overstapnaar collectieve warmte vaak als nadeliger ervaren dan hij is.4.Wrong pocket/herverdelingsprobleem: de baten van collectievewarmte voor het energiesysteem, zoals minder investeringen inelektriciteitsinfrastructuur, lagere kosten voor balancering van het neten inzet regelbaar vermogen, komen niet terecht bij het warmtebedrijfof bij de eindgebruiker. Hierdoor ontbreekt een financiële prikkel om inde optimale oplossing te investeren in wijken waar collectieve warmtevanuit nationale kosten wenselijk is. Bovendien worden de kosten vanhet warmtenet geheel in rekening gebracht bij de lokale eindgebruikersvan een net, terwijl deze bij elektriciteit en gas over alle aangesloteneindgebruikers worden omgeslagen via de nettarieven. Op dit momentzijn subsidies dan ook de enige methode om kosten te herverdelen.Verbeteringen betaalbaarheid collectieve warmteHet kabinet constateert dat de opschaling van warmtenetten stagneert enwil deze vlottrekken door genoemde knelpunten te adresseren.Momenteel loopt er een tweetal onderzoekstrajecten en is een viertaloplossingsrichtingen in gang gezet.Interdepartementale Beleidsonderzoek energietransitie woningvoorraad2050Het eerste traject is het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO)energietransitie woningvoorraad 2050.13 In dit onderzoek wordenoplossingsrichtingen aangedragen voor eerder genoemde uitdagingen.Daarbij wordt gekeken naar de mogelijkheid om subsidies te richten opwijken waar collectieve warmtesystemen de verduurzamingsoptie met delaagste nationale kosten zijn, zodat subsidies direct bijdragen aan derealisatie van de warmtetransitie tegen de laagste kosten. Ook wordtonderzocht of het mogelijk is om bij de vaststelling van investeringssub-sidies langjarige zekerheid over de warmtetarieven vast te leggen, waarbijgestuurd wordt op tarieven die kunnen concurreren met het gangbarealternatief. Doel is om de relatieve betaalbaarheid te waarborgen voor deafnemer enerzijds. Anderzijds moet voorkomen worden dat het warmte-bedrijf teveel subsidie ontvangt als de tarieven van een gasgestookteCV-ketel of een elektrische warmtepomp in de toekomst veranderen alsgevolg van bijvoorbeeld een hogere gasprijs of hogere tarieven voor het12Denk aan beprijzing ETS2 op aardgas en tijdsgebonden netwerktarieven voor gebruikwarmtepomp, eerdere uiteenzetting in Kamerbrief actualisatie collectieve warmte, Kamer-stukken II 2025/26, 30 196, nr. 845132025D46666Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1224 elektriciteitsnet. Tenslotte wordt onderzocht hoe collectieve warmte zooptimaal mogelijk kan bijdragen aan een efficiënte inrichting van hetlokale energiesysteem en welke mogelijkheden er zijn om de batenhiervan ook daadwerkelijk bij de afnemer van warmte te doen landen.Door op energiesysteem niveau naar de opgave te kijken kunnen er bron-en sectoroverschrijdend prikkels ontstaan voor warmtebedrijven om teinvesteren in collectieve warmtesystemen op die plekken waar het ookeen meerwaarde heeft. Omdat keuzes in het IBO op enkele onderwerpenook doorwerken in de Startanalyse is het Planbureau voor de Leefom-geving (PBL) voornemens om na de zomer een nieuwe update tepubliceren van de Startanalyse voor aardgasvrije buurten. Het kabinetkijkt met interesse uit naar de uitkomsten van het IBO, die na de zomerverwacht worden.Onderzoek clusteraanpakHet tweede traject is het onderzoek naar de zogenaamde clusteraanpakom opschaling te stimuleren. Deze denkrichting is door AT Osborne enRebel uitgewerkt en getoetst aan de wensen vanuit de sector. Deuitkomsten van dit onderzoek geven het kabinet interessante overwe-gingen mee voor ondersteuning van de betaalbaarheid van collectievewarmte: uitkomsten die nu al opgepakt worden om het subsidie-instrumentarium beter te laten aansluiten op de behoeften uit de sector.De clusteraanpak is een aanpak die zich richt op de gebieden in Nederlandwaar de geconcentreerde warmtevraag en lokaal warmteaanbod bij elkaarkomen en die daarmee geschikt zijn voor de opschaling in de aanleg vangrote collectieve warmtesystemen. Het eindrapport is bijgevoegd bij dezebrief.14 Er zijn 23 potentiële warmteclusters in beeld gebracht. In de meestvergevorderde clusters zouden volgens het rapport in de komende zeventot tien jaar minimaal 200.000 aansluitingen op een collectief warmte-systeem gerealiseerd kunnen worden als de projecten beschikken overvoldoende financiering en draagvlak.De uitkomst van het onderzoek bevat een aanpak met twee componenten:1) een set van bestuurlijke afspraken of «clusterdeal» over scope,doelstelling, concrete resultaten in termen van te realiseren aansluitingenen kostenreducties en over het leren en beschikbaar maken van geleerdelessen voor andere clusters en de rest van Nederland en 2) een subsidievoor de realisatie van het collectieve warmtesysteem specifiek gericht opde clusters. De onderzoekers geven aan dat met name bij clusters inNederland met een geconcentreerde warmtevraag er met bestuurlijkegebiedsafspraken tussen diverse partijen (denk aan gemeente(n),warmtebedrijf, grootschalige afnemer van warmte, aanbieder vanwarmte, woningcorporatie en aannemer) een vliegwieleffect gecreëerdkan worden in de ontwikkeling van collectieve warmte. Dit voorzienevliegwieleffect ontstaat doordat in deze aanpak de eerste stap gestimu-leerd wordt met zicht op vervolgstappen. Betrokken stakeholders verdelende risico’s, planningen en investeringen onderling en gaan uit vanlangjarig programmeren, vanuit het grotere energiesysteem gedacht.Keuzes voor vroege optimalisatie (zoals overdimensionering op dediameter van de transportleiding in de eerste projectfase die steeds meerbenut wordt in de vervolgfases) maken het totale warmtesysteem opprogrammaniveau goedkoper. Opschaling is hierdoor kansrijker.14Dit is de publieksversie, er is een interne versie waarin de (financiële) details van de onder-zochte praktijkcasussen zijn meegenomen maar wegens bedrijfsgevoeligheid van dezeinformatie is deze vertrouwelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1225 Inzet kabinetHet kabinet ziet voordelen van de clusteraanpak. De onderzoekers van declusteraanpak constateren echter ook dat er momenteel meer potentiëleprojecten dan subsidiemiddelen zijn. Eveneens ontbreken langjarigemiddelen voor de SAH-regeling: per 2027 is er al sprake van een acuuttekort dat opgevangen moet worden. Zonder aanvullend budget betekentdit dat er met de bestaande middelen minder aansluitingen gerealiseerdkunnen worden. Daarnaast is naar verwachting meer subsidiebudget peraansluiting nodig om zo een aantrekkelijk aanbod te realiseren. Bijvolgende budgettaire besluitvormingsmomenten zal het kabinet ditmeenemen in de afwegingen. Het kabinet wil zoveel mogelijk impactmaken door met de beschikbare middelen de meest robuuste collectievewarmtesystemen te stimuleren. De grootte van een project is daarbij nietop voorhand leidend, maar wel of deze kansrijk is om op korte termijnontwikkeld te worden. Het kabinet acht het niet wenselijk om een nieuweaanpak te ontwikkelen naast het bestaande subsidie-instrumentarium: ditkost tijd en de ambitie is juist snel opschalen. Met de optimalisatie van hetsubsidie-instrumentarium kan een krachtige stap gezet worden.1. Gerichter inzetten van subsidie-instrumentarium De Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Binnenlandse Zakenen Koninkrijkrelaties en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland(RVO)onderzoeken hoe de genoemde succesfactoren van eenclusteraanpak geïmplementeerd kunnen worden in het huidige subsidie-instrumentarium. Doel is om de verbeterde Warmtenet Investeringssub-sidie (werktitel: WIS2.0) in 2027 open te stellen. De volgende onderdelenzullen hierin terug komen:a.De ontwikkeling van een aantrekkelijk aanbod voor de eindgebruiker,in gebieden waar collectieve warmte ook tot de laagste maatschappe-lijke kosten leidt. De uitkomsten van het IBO-onderzoek gaan helpen bijhet bepalen van de exacte invulling van dit aantrekkelijke aanbod.b.Het maken van bestuurlijke gebiedsafspraken tijdens de ontwikkelfasevan het collectieve warmtesysteem, om schaal- en synergievoordelente benutten, risico’s te verdelen en om het warmtesysteem flexibel inte passen in het decentrale energiesysteem. Deze zouden kunnenaansluiten op de Interbestuurlijke Samenwerkingsafspraken die metmedeoverheden uitgewerkt worden in het kader van de Energieafspra-ken onder het Landelijk ondersteuningsprogramma Energietransitiei.o.15 Door deze afspraken kan een meerjarige planning gemaaktworden om een warmtesysteem gefaseerd uit te rollen. Dit moetresulteren in een betere inschatting van de planning, risico’s en kostenvoordat de subsidie op de aanlegfase wordt verstrekt, waardoorprojecten minder vertraging en kostenstijging ervaren. In combinatiemet het inzetten op standaard aanlegmethoden kan subsidie hiermeedoeltreffender en doelmatiger worden ingezet in de aanlegfase.c.Integratie van randvoorwaardelijke subsidies voor de aanleg van eencollectief warmtesysteem in één regeling. De integratie van inpandigewoningsubsidies (Investeringssubsidie duurzame energie en energie-besparing (ISDE) en Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen(SAH)) en toekomstgerichte systeemleidingen in de WIS 2.0 heeftprioriteit. Aanvullend hierop wordt een gedeeltelijke samenvoegingmet de Subsidie Warmte-infrastructuur Glastuinbouw (SWiG) voorgedeelde systeemleidingen met de glastuinbouw onderzocht.Verderop in de toekomst kunnen mogelijk ook andere subsidiesgeïntegreerd worden.15Kamerstukken II 2025/26, 29 023, nr. 643Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1226 d.Creëren van meer flexibiliteit als projecten kunnen optimaliseren voorde toekomst via overdimensioneren, of wanneer ze tegen onvoorzienekosten of vertragingen aanlopen, waardoor de verstrekte subsidie nietmeer voldoende is voor een financieel haalbare aanleg.De verdere invulling van de WIS2.0 gaat het kabinet in de komendemaanden afwegen in gesprek met de sector, waaronder de Warmte-alliantie. Hiermee onderneemt het kabinet verdere actie op de motieRooderkerk16 over het doorontwikkelen van de WIS in overleg met deWarmtealliantie. Om de warmteprojecten die dicht tegen een investerings-besluit aan zitten gelegenheid te geven nog dit jaar een subsidieaanvraagte laten indienen wordt de huidige openstelling van de WIS verlengd toten met 30 november 2026.2. Verruiming staatssteunkader: herziening Algemene Groepsvrijstellings-verordening In de conclusies van het rapport over de clusteraanpak wordt geadviseerdom over te stappen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening(AGVV) als staatssteunkader, naar de Dienst Algemeen EconomischBelang als staatssteunkader. Een overstap heeft als mogelijk voordeel dater meer steun en flexibiliteit kan worden verleend. Het kabinet ziet op ditmoment voldoende mogelijkheden om binnen de bestaande AGVV-kadersverdere stappen te zetten in de ondersteuning van collectieve warmtesys-temen, rekening houdend met de onzekerheid van collectieve warmtepro-jecten in de praktijk. Daarmee kan op korte termijn voortgebouwd wordenop bestaande instrumenten en uitvoeringsstructuren.Hierbij is het goed te vermelden dat de Europese Commissie de AGVVherziet. Dit biedt kansen voor het betaalbaarder maken van collectievewarmte. In den brede wordt door het kabinet ingezet op een ruimeredefinitie van het begrip «eigen vermogen» in de definitie van «Onder-neming in moeilijkheden» (OIM), om zo meer ondernemingen toegang teverlenen tot nationale steunmaatregelen waarbij sprake is van staats-steun. De Kamer is hier eerder over geïnformeerd.17 Dit is van belang voorbijvoorbeeld de WIS en de SWiG, die gebruik maken van dit staatssteun-kader en de nog vorm te geven garantieregeling. Verder zijn in depublieke consultatie specifiek voor collectieve warmte een aantalaanbevelingen meegegeven zodat de hiervoor genoemde instrumenteneffectiever ingezet kunnen worden. Dit betreft onder meer het verzoek omde maximaal toegestane steunpercentages voor grote en middelgroteondernemingen te verruimen door ze gelijk te stellen aan het maximaaltoegestane steunpercentage voor kleine ondernemingen van 50%; dit zouvoor grote ondernemingen een verruiming van 20% betekenen. Ook isgevraagd om opheldering over het vereiste van de commissie dat eencollectief warmtesysteem energie-efficiënt moet zijn of worden om inaanmerking te komen voor subsidie, omdat verwacht wordt dat ook na2030 piek- en noodvoorzieningen voor een deel gebruik zullen maken vanfossiele bronnen. Het kabinet volgt de ontwikkelingen en beziet navaststelling van de nieuwe AGVV, naar verwachting per 1 januari 2027, ofde subsidie-instrumenten aanpassing behoeven.16Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 9317Kamerstukken II, 2025/26, 32 637, nr. 758Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1227 3. Versterken publieke realisatiekracht: mogelijke overname privatewarmtebedrijven Op 17 oktober 2025 heeft het kabinet het advies van warmteverkennerRooijers gedeeld met de Kamer18, waarin hij adviseert om de grote privatewarmtebedrijven over te nemen. In navolging hierop heeft het kabinetvervolggesprekken gevoerd met de warmtebedrijven, medeoverheden,pensioenfondsen, infrastructuurbedrijven en hun aandeelhouders. Opgrond van deze gesprekken trekt het kabinet de conclusie dat overnamekan bijdragen aan de versnelling van de uitrol van collectieve warmte, endat met overname kennis en kunde in de sector behouden blijft. Daaromis het kabinet bereid om via de begin dit jaar opgerichte dochter vanEnergie Beheer Nederland (EBN), de Nationale Deelneming Warmte BV(NDW), private warmtebedrijven over te nemen. De NDW en de warmte-bedrijven worden daarom gevraagd om gesprekken over een eventueleovername te starten, alvorens deze partijen daadwerkelijk kunnen gaanonderhandelen over een transactie. Doel van deze fase is om vertrouwelijkinformatie uit te kunnen wisselen over hoe een transactie er daadwerkelijkuit kan komen te zien. De overname van de bestaande warmtebedrijvenkan op veel verschillende manieren worden vormgegeven, waarbij ernaast de NDW ook betrokkenheid kan zijn van andere partijen (denkhierbij bijvoorbeeld aan medeoverheden, pensioenfondsen en infrastruc-tuurbedrijven). Een gezamenlijke overname kent een langer tijdpad. Geletop het belang van een vlotte overnameprocedure kan het kabinet bij destart van de onderhandelfase besluiten om andere partijen pas na deeventuele overname te laten toetreden als medeaandeelhouder. Andersdan werd voorzien bij de aanwijzing van NDW als nationale deelnemingwarmte in februari jl.19 zou NDW daardoor bij een eventuele overnamemogelijk enig- of meerderheidsaandeelhouder kunnen worden in deovergenomen warmtebedrijven. Een definitief besluit tot overname isafhankelijk van de voortgang en uitkomst van de gesprekken, en van definanciële besluitvorming. Bij een eventuele overname dient dekkingbinnen de begroting op het daarvoor gelegen begrotingsmoment teworden gevonden.4. Dempen financieringsrisico’s: Garantieregeling Warmtenetten De Garantieregeling Warmtenetten creëert aantrekkelijkere financierings-voorwaarden, wat daardoor ook bijdraagt aan aantrekkelijkere warmteta-rieven. In de Kamerbrief van 10 februari jl.20 werd het streven gedeeld deGarantieregeling Warmtenetten in de zomer te consulteren en per1 januari 2027 open te stellen. Tijdens de verdere uitwerking is echtergebleken dat de internetconsultatie deze zomer naar verwachting nietgehaald zal worden. De planning is nu gericht op consultatie in dit jaar enopenstelling in de loop van 2027. Tot die tijd wordt toegewerkt naar eendoeltreffende regeling, waarbij de vormgeving en werkwijze afgestemdwordt met (sector-)banken, (toekomstige) aandeelhouders van aange-wezen warmtebedrijven (EBN en infrastructuurbedrijven), gemeenten enwarmtegemeenschappen. Laatstgenoemde worden betrokken via de VNGen Energie Samen. De initiële looptijd van de garantieregeling is vijf jaar.Tegen het einde van deze periode zal een evaluatie plaatsvinden. Daarinwordt ook bezien of het opportuun is de looptijd van de garantieregelingte verlengen, dan wel de opgebouwde risicovoorziening over te dragenaan een Waarborgfonds met achterborgstelling van het Rijk en eenobligoverplichting van deelnemers. Voor voortzetting in een Waarborg-18Kamerstukken II 2025/26, 30 196, nr. 84519Stcrt. 2026, nr. 765120Kamerstuk 36 576, nr. 119Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1228 fonds is in elk geval een voorwaarde dat sprake is van een kritische massavan deelnemers in de sector.Implementatie Wet collectieve warmte (Wcw)Planning inwerkingtreding Wcw en BcwIn 2025 is de Wcw in beide Kamers behandeld en aangenomen. In de Wcwzijn regels gesteld die noodzakelijk zijn in het belang van eenbetrouwbare, betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening.Deze wet treedt gefaseerd in werking. Voor de meeste artikelen geldt datinwerkingtreding pas kan plaatsvinden als ook het Besluit collectievewarmte (hierna: Bcw) en de ministeriële regeling zijn afgerond en inwerking kunnen treden. Op 29 mei 2026 is het Bcw aan de Eerste enTweede Kamer aangeboden voor de voorhang. De volgende stap isverzending naar de Raad van State voor advisering. Inmiddels is parallelhieraan op 11 juni de internetconsultatie van de ministeriële regelinggestart, deze staat open tot 9 juli.21 Het tijdpad voor inwerkingtreding op1 januari 2027 is krap, maar belangrijk voor duidelijkheid voor de sector.Amendement houtige biomassaHet is kabinetsbeleid om houtige biomassa niet in te zetten voor ruimte-verwarming. De Tweede Kamer heeft tijdens de behandeling van de Wcween amendement aangenomen om houtige biomassa verder in teperken.22 Dit amendement bevat twee onderdelen. Ten eerste veranderthet de definitie van hernieuwbare bron waardoor een aangewezenwarmtebedrijf geen (tijdelijke) ontheffing van de duurzaamheidsnor-mering kan krijgen op basis van een geplande overstap op houtigebiomassa. Ten tweede wordt houtige biomassa uitgesloten uit de definitievan hernieuwbare bronnen voor warmte waarvoor garanties vanoorsprong (verder: GvO) aangevraagd kunnen worden. Een naderejuridische analyse van dit tweede onderdeel heeft uitgewezen dat dezeuitsluiting leidt tot inadequate implementatie van de hernieuwbare-energierichtlijn (de Renewable Energy Directive, de «RED»). De paragraafwaarin GvO’s worden geïmplementeerd in de Wcw, heeft een groterbereik dan collectieve warmtevoorziening. Voor hoogwaardigeretoepassing van houtige biomassa dan ruimteverwarming is het nodigGvO’s op basis van de bepalingen van deze paragraaf te kunnen blijvenverstrekken. Daarom zal een wijziging van de Wcw op dit punt wordenopgenomen in het wetsvoorstel voor de implementatie van het EuropeseDecarbonisatiepakket. Inwerkingtreding van met de Europese richtlijnstrijdige bepalingen zou immers kunnen betekenen dat de EuropeseCommissie een inbreukprocedure zou starten.Voor de inzet van nieuwe houtige biomassa-installaties ten behoeve vancollectieve warmtesystemen heeft dit voorstel overigens naar verwachtinggeen gevolgen. GvO’s kunnen immers niet gebruikt worden, omdat hetkabinetsbeleid is en blijft om geen SDE++-subsidie te verstrekken voornieuwe biomassa installaties die worden ingezet voor ruimteverwarming.WarmtegemeenschappenIn lijn met de motie over het faciliterend kader voor warmtegemeen-schappen van het lid Kröger23 heeft het kabinet Topsector Energiegevraagd een onderzoek te starten naar de belemmeringen voor21https://www.internetconsultatie.nl/rcw/b122Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 2323Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 83Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1229 warmtegemeenschappen. Collectieve warmteprojecten zijn technisch,financieel en sociaal-maatschappelijk vaak complexer dan projecten voorhet opwekken of leveren van elektriciteit. De resultaten hiervan zijninmiddels bekend en zijn als bijlage bij deze Kamerbrief gevoegd. Hetonderzoek concludeert dat warmtegemeenschappen een relevante rolkunnen spelen in de warmtetransitie, mede door de formele enherkenbare positie in de Wcw. Tegelijkertijd wordt er ook op gewezen datde slagingskans in hoge mate wordt bepaald door de samenhang in deinrichting van de juridische eisen, organisatorische rolverdeling, financie-ringsvoorwaarden en maatschappelijke legitimiteit. Daarbij speelt delokale context van een warmtegemeenschap ook een bepalende rol. Dezeresultaten zal het kabinet gebruiken om te komen tot een actieplan ominvulling te geven aan het faciliterend kader voor warmtegemeen-schappen, wat wordt geïntegreerd in het bredere faciliterend kader vanenergiegemeenschappen in het algemeen. Zodra dit actieplan is afgerondzal deze worden gedeeld met de Kamer.In een motie van de leden Flach en Kröger24 wordt het kabinet verzochtom opnieuw onderzoek te doen naar de mogelijkheid dat ook eenwarmtebedrijf met een meerderheidsbelang van een warmtegemeen-schap en een publiek minderheidsbelang wordt aangewezen voor eenwarmtekavel in dezelfde procedure als warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang en warmtegemeenschappen (artikel 2.5 van deWcw). Zoals in de Kamerbrief van 10 februari 202625 is toegelicht, heefthet kabinet ter uitvoering van deze motie een zienswijze van de koepelvan warmtegemeenschappen, Energie Samen, over dit vraagstukgevraagd en de landsadvocaat verzocht om met open vizier opnieuw hetkabinet over dit vraagstuk te adviseren en daarbij de zienswijze tebetrekken. Bij deze advisering is Energie Samen betrokken geweest. Delandsadvocaat heeft geconcludeerd dat een warmtebedrijf waarin eenwarmtegemeenschap deelneemt met een meerderheidsbelang endaarnaast een of meer openbare lichamen met een minderheidsbelang,gelet op de doelstellingen van de Wcw, vanuit Europeesrechtelijkperspectief niet houdbaar is.26 Het vraagstuk en het advies van delandsadvocaat is vervolgens voorgelegd aan de Europese Commissie. DeEuropese Commissie heeft niet te kennen gegeven de conclusie terdiscussie te stellen. Het kabinet vindt het dan ook niet wenselijk dat hetcollege ook een dergelijk warmtebedrijf aan kan wijzen in dezelfdeprocedure als warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang enwarmtegemeenschappen. Hiermee beschouwt het kabinet de motie alsafgedaan.Tariefregulering fase 2Met de motie van het lid Kröger27 heeft de Kamer gevraagd om binnen 4jaar na inwerkingtreding van de Wcw kostengebaseerde tarieven fase 2 inte voeren. Het kabinet acht dit haalbaar. De ACM heeft al eerste stappengezet: in mei zijn de concept regulatorische accountingregels (RAR) inconsultatie gegaan.28 Het kabinet werkt verder aan de lagere regelgevingvoor tariefregulering fase 2. De verdere uitwerking van tariefregulering inhet Bcw voor aangewezen warmtebedrijven en tarieflimiet zal naarverwachting in 2027 aan de Kamer ter voorhang worden aangeboden.24Kamerstukken II 2024/25, 36 567, nr. 8325Kamerstukken II 2025/26, 36 567, nr. 11926Advies van de landsadvocaat, 13 februari 202627Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 8428https://www.acm.nl/nl/publicaties/consultatie-rar-warmteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 12210 De motie van het lid Grinwis c.s. vraagt de regering een kostengebaseerdreferentietarief uit te werken voor kleine collectieve warmtesystemen.29Opties voor dit kostengebaseerde referentietarief worden momenteeluitgewerkt en besproken met de sector.De ACM heeft met de verbeterde rendementsmonitor steeds beter inzichtin de kosten van warmtebedrijven en de verwachte hoogte en spreidingvan kostengebaseerde tarieven. Een eerste analyse van deze gegevenswordt naar verwachting binnenkort gepubliceerd in EconomievakbladESB.Sjablonen voor de kavelsystematiekDe Wcw schrijft een procedure voor om warmtebedrijven aan te wijzen englobale en uitgewerkte kavelplannen vorm te geven. Ter ondersteuningvan deze aanwijzing en planvorming wordt in samenwerking met RVOgewerkt aan sjablonen die warmtebedrijven en gemeenten kunnengebruiken. Aangezien de aanwijzingsprocedure en planvorming gedeel-telijk anders is voor overgangsrechtelijke situaties en ontheffingsaan-vragers, worden aparte sjablonen opgesteld voor deze twee doelgroepen.Om de sjablonen zo goed mogelijk bij de praktijk te laten aansluiten isinput opgehaald bij een brede vertegenwoordiging van de sector enoverheden. Al deze reacties worden meegenomen in een definitieveversie van de sjablonen die na de zomer 2026 beschikbaar komen. Erwordt bij deze sjablonen ook zoveel mogelijk afstemming gezocht metACM, die ook een formele rol heeft bij de aanwijzingen en ontheffingen,bijvoorbeeld met de bekwaamheidstoets. Het streven is om met dezesjablonen dubbel werk voor warmtebedrijven, gemeenten en ACM tevoorkomen.OverigOnderzoek WarmtelinQWarmtelinQ is een ondergrondse warmteleiding waarmee warmte uit deRotterdamse haven kan worden gebruikt om 120.000 huizen en bedrijvenin Zuid-Holland duurzaam te verwarmen. Het project had in 2025 eengrote financiële tegenvaller. In de Kamerbrief collectieve warmte van10 februari 202630 is vermeld dat het kabinet Fakton Energy heeftgevraagd onderzoek te doen om vast te stellen of WarmtelinQ (hierna:WLQ) nog steeds de duurzame optie is met de laagste nationale kosten,en of er alternatieven zijn die financieel aantrekkelijker, technisch haalbaaren ruimtelijk inpasbaar zijn. Het rapport is een bijlage bij deze brief.De analyse laat zien dat warmte via WLQ voor bestaande netten delaagste nationale kosten kent. Voor nieuwe oplossingen liggen denationale kosten dichter bij elkaar, binnen een bandbreedte van circa 20%.Het hybride warmtepompscenario scoort daarbij het best, gevolgd doorbuurtwarmtepompen, all-electric, WLQ en geothermie.De uitkomsten kennen echter aanzienlijke onzekerheden, waarbij WLQ dekleinste onzekerheidsmarge heeft. Alle onderzochte scenario’s zijntechnisch haalbaar, maar kennen verschillende risico’s. Bij hybridewarmtepompen vormt de beschikbaarheid van groen gas een belangrijkaandachtspunt voor zowel kosten als CO2-reductie. Netcongestie speelt inalle scenario’s een rol, maar is geen doorslaggevende kostenfactor. WLQlegt door de beperkte elektriciteitsvraag het minste beslag op het29Kamerstukken II 2025/26, 36 576, nr. 7730Kamerstukken II 2025/26, 36 576, nr. 119Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 12211 elektriciteitsnet. Het belangrijkste risico voor WLQ is de toekomstigebeschikbaarheid van industriële restwarmte. Hoewel voldoende potentieelaanwezig is, kiezen bedrijven mogelijk vaker voor eigen benutting vanrestwarmte vanwege stijgende energie- en CO2-kosten. Ruimtelijk gezienlijkt WLQ het beste inpasbaar door een beperkt bovengronds ruimte-beslag en een efficiënte benutting van ruimte in woningen. Tegelijkertijdvragen collectieve warmtesystemen extra ruimte in de ondergrond. Vanuitsysteemperspectief is een nadeel van restwarmte tot slot de afhanke-lijkheid van industriële partijen. Daar staat tegenover dat een regionalewarmtebackbone zoals WLQ op termijn een robuust en flexibel warmte-systeem kan ondersteunen, met meerdere bronnen, uitwisseling tussenwarmteclusters en restwarmte als stabiele basisvoorziening.Het onderzoek biedt relevante inzichten voor de warmtetransitie in deprovincie Zuid-Holland. Het kabinet ziet in de resultaten een bevestigingvan de toegevoegde waarde van WLQ voor de verduurzaming vanbestaande collectieve warmtesystemen in Den Haag en Leiden en depotentie om een belangrijke bijdrage te leveren aan de verdere verduurza-mingsopgave van gebouwen en glastuinbouw in Zuid-Holland. Hetkabinet erkent de geschetste risico’s en uitdagingen voor de uitkoppelingen betaalbaarheid van restwarmtebronnen in de haven en de tijdigeopschaling en volloop van nieuwe warmtenetten. Gegeven deze risico’sen onzekerheden acht het kabinet het vrijmaken van aanvullendefinanciële middelen voor WLQ, bovenop de eerder verleende (€ 122,5mln.) en toegezegde subsidies (€ 622 mln.),31 op dit moment nietopportuun. Het is in dit stadium onvoldoende zeker dat aanvullendesubsidie voor WLQ leidt tot meer aansluitingen op collectieve warmtesys-temen, additionele CO2-uitstoot reductie en verlichting van netcongestieten opzichte van andere technieken. Indien de genoemde risico’s dekomende jaren weggenomen of gemitigeerd worden kan een nieuweinschatting gemaakt worden van de doelmatigheid van een eventueleaanvullende financiële bijdrage ter ondersteuning van de verdere volloopvan WLQ. Het kabinet ziet wel het belang om meer vraagcreatie vanuit deglastuinbouw en de gebouwde omgeving in de regio te stimuleren en omde uitkoppeling van restwarmte in den brede te ondersteunen. Dekomende tijd wordt bezien in welke vorm de voor WLQ gereserveerdesubsidiemiddelen het beste kunnen worden beschikt, met oog voordoelmatigheid van het subsidie-instrumentarium en de gevolgen voorWarmtelinQ Transport Services, warmtebedrijven en eindgebruikers vanwarmte. Hierover wordt de Kamer na de zomer geïnformeerd.Tussentijdse evaluatie Nieuwe Warmte NuHet programma Nieuwe Warmte Nu (NWN) is in 2022 van start gegaan alséén van de projecten onder het Nationaal Groeifonds. NWN verstrektsubsidie aan innovatieve projecten die een vliegwiel op gang kunnenbrengen voor de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen. Sinds destart van het programma zijn de omstandigheden waarin de markt moetopereren significant veranderd met de komst van de Wcw, netcongestieproblematiek, gestegen realisatiekosten en geopolitieke spanningen diehun weerslag hebben op de warmteprijs. Het kabinet heeft daaromadviesbureau Ecorys gevraagd om een tussentijdse evaluatie uit tevoeren, die in mei 2026 is afgerond. Het eindrapport is toegevoegd alsbijlage aan deze brief. Ecorys heeft becijferd wat de impact van vertragingof stoppen van projecten is op de doelen van het programma. Dit laat ziendat de voortgang in ongeveer de helft van de projecten onder druk iskomen te staan. Zes projecten zijn uiteindelijk gestopt, waarmee hetprogrammadoel van 26.000 collectieve warmte aansluitingen verlaagd31Kamerstukken II, 2025/2026 36 576, nr. 118Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 12212 wordt naar ongeveer 22.000. Naar aanleiding hiervan en ook op basis vanadviezen van Ecorys en de Stichting Nieuwe Warmte Nu is een voorstelingediend bij het Nationaal Groeifonds voor verlenging van hetprogramma en nieuwe bestedingen binnen de huidige financiële kadersmet als doel om zoveel mogelijk van de oorspronkelijk beoogde resultatenalsnog te behalen en waardevolle kennis van koplopers op te doen en teborgen voor de warmtesector als geheel. De adviescommissie heefthierover advies uitgebracht en de minsterraad heeft hierover besloten.Het programma wordt verlengd tot en met 2030 en het leer- en ontwikkel-programma wordt voortgezet. De vrijgevallen middelen van projecten diegestopt zijn worden niet herbesteed voor nieuwe warmtenetprojecten ofinnovatieprojecten.Warmtepompen in collectieve warmte wijkenHet kabinet heeft eerder toegezegd32 te onderzoeken hoe ongewensteoverlap van subsidie voor warmtepompen in collectieve warmte wijkenvoorkomen kan worden, mits dat op een uitvoerbare en juridischhoudbare manier kan. Aan deze toezegging is uitvoering gegeven middelseen ambtelijke verkenning. Een brede groep belanghebbenden is actiefbetrokken en geconsulteerd, waaronder vertegenwoordigers van dewarmtenet-, warmtepomp- en installatiesector, energieleveranciers,netbeheerders en vertegenwoordiging van woningeigenaren enverhuurders. Daarnaast heeft de VNG een consultatie onder ongeveervijftig gemeenten uitgevoerd. Gemeenten hebben een centrale rol in dewarmtetransitie, het kabinet is daarom blij met de inspanningen van deVNG in deze verkenning.Uit de ambtelijke verkenning blijkt dat het aantal warmtepompen inpotentiële collectieve warmte wijken op dit moment beperkt is, maar dekomende jaren naar verwachting toeneemt. De impact ervan op detotstandkoming van warmtenetten is vooralsnog beperkt, onder meeromdat de ISDE voor warmtepompen vooral wordt gebruikt inniet-stedelijke wijken, wat niet de doorsnee collectieve warmtewijken zijn.Ook gaat het in ruim de helft van de ISDE aanvragen om een hybridewarmtepomp, die een warmtenet niet in de weg zit en een tussenstap kanzijn naar collectieve warmte. In één wijk kunnen bovendien meerdereverduurzamingsopties worden toegepast, passend bij de grote variatieaan woningen, gebouwen en eindgebruikers. In hoeverre er sprake is vanongewenste overlap moet gaan blijken uit de warmteprogramma’s enkavelplannen van de gemeenten. De verkenning wijst verder uit datjuridische uitsluiting van subsidie voor warmtepompen in collectievewarmte wijken serieuze haken en ogen kent. Deze haken en ogen gaanonder meer over de verhouding tot het recht op een «opt out» in de Wgiw,het gelijkheidsbeginsel en de rechtszekerheid, omdat het plan totaanleggen van een warmtenet ook kan wijzigen of zelfs stoppen.In gesprekken met stakeholders kwam vooral naar voren dat verminderingvan het maatschappelijk draagvlak voor de warmtetransitie in den bredeeen reëel risico is. Daarnaast wordt gevreesd voor een averechtsgedragseffect, waarbij het in de toekomst wegvallen van subsidie juist eenprikkel geeft om nog snel een warmtepomp te installeren. Hoewel hetrisico van onwenselijke overlap dat de Algemene Rekenkamer signaleertwordt herkend, kent het juridisch uitsluiten van subsidie daarom op ditmoment geen draagvlak. Alle sectorpartijen onderschrijven dat hetwenselijk is om prioriteit te geven aan het verbeteren van informatievoor-ziening, monitoring en het vergroten van de aantrekkelijkheid vanaansluiting op een warmtenet voor woningeigenaren. Om die reden zethet kabinet allereerst in op versterkte informatievoorziening en32Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 1512Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 12213 monitoring via het CBS. Eind dit jaar brengt het CBS een eersterapportage uit. Op basis van die monitoring houdt het kabinet vinger aande pols en kan worden bezien of uitsluiting in enige vorm op een latermoment wel wenselijk is. In de bredere beleidsmix kan dit bijvoorbeeldbetrokken worden bij keuzes over de samenloop tussen normering ensubsidiëring van warmtepompen.Impact onderzoek ETS2 op tarieven warmtebedrijvenDe motie van het lid Kröger vraagt de regering om onderzoek te doennaar het effect van ETS2 op de gasreferentie en de kosten van warmtebe-drijven, en als ETS2 leidt tot hogere warmtetarieven te verkennen hoedaarvoor kan worden gecorrigeerd.33 Dit voorjaar is onderzoek gedaandoor Trinomics en Blueterra, de uitkomsten vindt u bij deze brief. In hetonderzoek is ook het effect van bijmengverplichting groen gas meege-nomen, omdat deze verplichting van toepassing zal zijn voorETS2-sectoren en daarmee ook doorwerkt in warmtetarieven en kosten.De geschatte stijging van de consumentenprijs voor aardgas en daarmeehet maximale variabele warmtetarief onder het huidige gasreferentie alsgevolg van ETS2 (incl. bijmengverplichting) is ongeveer € 4/GJ. Alswarmtebedrijven deze maximale stijging berekenen, kan het eenhuishouden ongeveer € 8 a € 9 per maand extra kosten. Ook de kostenvan warmtebedrijven stijgen onder ETS2, voor sommige daarvan metmeer dan € 4/GJ. Ongeveer 85% van de warmtelevering valt echter ondergrotere opwekkingsinstallaties die al onder ETS1 vallen, of gebruiktvolledig duurzame opwek. Die wordt dus niet geraakt door ETS2.Het kabinet zal de uitkomsten van dit onderzoek betrekken bij de verderebeslissing over hoe in tariefregulering bij warmte onder de Wcw moetworden omgegaan met de impact van ETS2 en bijmengverplichting.Tot slotDe warmtetransitie is belangrijk en kent uitdagingen. In deze brief laat hetkabinet zien dat er aandacht is voor de knelpunten en dat er diverse actiesin gang zijn gezet die bijdragen aan een aantrekkelijk aanbod voor diebewoners die in collectieve warmte wijken wonen. De inzichten die zijnverzameld vanuit de onderzoeken en gesprekken met de sector helpendaarbij. De uitwerking van de tariefregulering onder de Wcw is van grootbelang de komende periode, net als de vormgeving van de WIS2.0. Opbasis van de uitkomsten van het IBO kan het kabinet nader besluitennemen om de aantrekkelijkheid van collectieve warmte verder teverbeteren. Ik kijk ernaar uit om in september met de commissie hieroververder van gedachten te wisselen.Mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,De Minister van Klimaat en Groene Groei,S. van Veldhoven-van der Meer33Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 86Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 12214

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 10a59d7543dc42a9

14 okt 2026 · eefb5f240af122fa

Documentversies en bestanden

Officiële documentversies staan los van de versie van de brontekst die je in Kamerkring citeert.

Historische bestandscontext niet beschikbaar. De gekozen brontekst blijft ongewijzigd.

Bijlagen

Historische bijlagecontext niet beschikbaar bij deze brontekstversie.

Bij dit hoofddocument

Historische bijlagecontext niet beschikbaar bij deze brontekstversie.

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Verder bij de Tweede Kamer

Externe officiële informatie