Lerarenstrategie december 2025
Brontekst
Versie 30c70e2dcbf306de · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202627 923Werken in het onderwijsNr. 518 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS EN MINISTER VANONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 18 december 2025Elk kind en elke student verdient goed onderwijs. Dat begint bij voldoende(blijvend) goed opgeleide schoolleiders, leraren en onderwijsonder-steunend personeel: hét speerpunt van de lerarenstrategie. De inzethierop is cruciaal, want de onderwijskwaliteit staat onder druk en wekampen met structurele, ongelijk verdeelde tekorten aan onderwijsper-soneel. We zien dat de personeelstekorten dit jaar, naargelang eerderevoorspellingen, iets zijn afgenomen. Maar we weten ook dat depersoneelstekorten in het onderwijs vanaf 2029 weer flink gaan stijgen,waarbij de tekorten hoger dreigen te worden dan ooit.1 Dit toekomstbeeldlaat duidelijk zien waarom het cruciaal is om onverminderd door te gaanmet onze inzet. Onze maatregelen lopen langs de volgende driehoofdlijnen:•Aantrekken & opleiden, gericht op het verhogen van de instroom vanschoolleiders en leraren. Dat doen we door in te zetten op de leraren-opleidingen en het beroep aantrekkelijker te maken. Denk bijvoorbeeldaan de salarisverhogingen van de afgelopen jaren, de campagneWerken met de Toekomst2 over de beeldvorming van het beroep, ende inzet op flexibilisering en borging van de kwaliteit van deopleidingen.•Behouden & professionaliseren, gericht op het verlagen van deuitstroom en het verder verbeteren van de kwaliteit. Onder anderedoor in te zetten op minder werkdruk, het verstevigen van de positieen stem van schoolleiders en leraren en door te werken aan eenverbeterd carrièreperspectief via onder andere de Nationale AanpakProfessionalisering Leraren (NAPL). Voor het verbeteren van dekwaliteit is het nodig om inzicht te krijgen en houden in de ontwikke-ling van inzet, deskundigheid en motivatie.•Continuïteit van het onderwijs, waarbij we scholen en besturenstimuleren om na te denken over het duurzaam organiseren van het1Zie de ramingen van de tekorten in Trendrapportage Arbeidsmarkt Leraren po, vo & mbo 2025.2Campagnewebsite Werken met de Toekomst kst-27923-518ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5181 onderwijs. Samen met het veld zetten we erop in om ondanks deaanhoudende schaarste de kinderen en studenten in de toekomst ookkwalitatief onderwijs te blijven geven. Onderdeel daarvan is bijvoor-beeld het verbreden van de regeling Andere dag- en weekindeling naarscholen buiten de G53 en het stimuleren van onderwijsinnovatie.De afgelopen jaren zijn er belangrijke resultaten geboekt op dezehoofdlijnen. Zo is het aantal zij-instromende leraren tot een recordhoogtegestegen4, blijkt uit TALIS20245 dat 95% van de Nederlandse lerarentevreden is over hun werk, 89% zich bekwaam voelt en dat de tevre-denheid over het salaris in het po is gestegen naar 84%. Daarnaast is hetafgelopen decennium de instroom op de pabo’s fors gestegen.6 Het zijnveelbelovende resultaten, waar we graag op voortbouwen. Het aanpakkenvan de tekorten en het verbeteren van onderwijskwaliteit is complex envraagt om de lange adem en een integrale meerjarige aanpak.We hebben goed inzicht in de tekorten en hoe deze verdeeld zijn overscholen.7 In het funderend onderwijs zien we een tekort van bijna 5.800 fteleraren in het po en ongeveer 2200 fte leraren in het vo. Het tekort aanschoolleiders is 6,2% (po) en 2,6% (vo). In het mbo is het tekort naarschatting tussen de 900 – 1.300 fte. De tekorten zijn ongelijk verdeeldtussen en binnen regio’s en bijvoorbeeld onder de tekortvakken in het vo.Zo kampt de G5 gemiddeld met 13,7% tekort aan leraren in het po. Voorde scholen met de grootste tekorten is gericht aanvullend beleid nodig.8Ondanks dat de tekorten dit jaar gemiddeld iets zijn terug gelopen, is deverwachting dat de personeelstekorten na 2029 opnieuw tot grotehoogten oplopen door een krimpende beroepsbevolking en stijgendeleerlingaantallen. Dat is gebaseerd op de ramingen van de personeelste-korten en de demografische ontwikkelingen op de bredere arbeidsmarkt.Daarom gaan we onverminderd door met onze inzet op de tekorten en hetwaarborgen van de continuïteit van onderwijs.93G5 is de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) en Almere.4Kamerstukken II 2023/2024, 27 923, Nr.460 Kamerbrief over lerarenstrategie | Kamerstuk |Rijksoverheid.nl5TALIS2024 TALIS 2024 – De werk- en leeromgeving op school in beeld | Rapport | Rijksover-heid.nl62024 3% stijging, 2025 8% stijging BRON DUO.7Zie Metingen personeelstekorten po en vo (&mbo) & trendrapportage Arbeidsmarkt po, vo enmbo in de bijlagen.8Daarbij zoeken we onder regie van de Realisatie-Eenheid verbinding met het programmaleefbaarheid en veiligheid.9Zie ramingen van Centerdata in de Trendrapportage 2025. De ramingen melden enkel regulieretekorten en geen vervangingstekorten i.v.m. dubbeltellingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5182 Regionale samenwerkingEen belangrijk onderdeel van de lerarenstrategie is de regionale aanpak.Personeelstekorten verschillen sterk per regio en vragen daarom ommaatwerk. Scholen, besturen en opleidingen werken samen vanuitsolidariteit binnen vijftig onderwijsregio’s in het hele land.10 In dezeregio’s maken schoolbesturen, lerarenopleidingen en vertegenwoordigersvan de beroepsgroep afspraken over aantrekken en opleiden, hetbehouden en professionaliseren van onderwijspersoneel voor het po, voen mbo. Ook ontdekken de regio’s hoe om te gaan met schaarste aanpersoneel (continuïteit van onderwijs). Denk daarbij onder andere aan hetgezamenlijk werven en matchen van nieuwe leraren, het regionaalafstemmen van opleidingscapaciteit, gezamenlijk onderzoeken wat debehoefte is bij leraren hoe zij zich blijvend ontwikkelen, het begeleidenvan zij-instromers of een initiatief om les te blijven geven in tekortvakkenin moeilijk bereisbare gebieden. Op basis van regionale analyses van dearbeidsmarkt, de doelen die geformuleerd worden en de aanpak in deregio maken de onderwijsregio’s ambitieafspraken. Zij worden hierbijgefaciliteerd door de Realisatie-Eenheid. Door de onderwijsarbeidsmarktregionaal te organiseren en te verbinden met de bredere arbeidsmarkt –onder meer via arbeidsmarktregio’s, regionale werkcentra en econo-mische boards- wordt het onderwijs als werkgever zichtbaarder enaantrekkelijker gepositioneerd. Regionale samenwerking draagt erbovendien aan bij dat er ook voldoende en goed opgeleide docenten enleraren beschikbaar zijn voor andere tekortsectoren, zoals de kinder-opvang en zorg.De eerste bevindingen uit de tweede tussenrapportage van hetmonitoring- en evaluatieonderzoek11 laten zien dat het beleid merkbaarlijkt bij te dragen aan het versterken van de regionale samenwerking, hetinspelen op lokale behoeften en het verbeteren van de beschikbaarheidvan onderwijspersoneel. De structurele betrokkenheid van schoolleidersen leraren in de verbinding met de onderwijspraktijk verdient nog verdereaandacht (zie ook hoofdstuk 2). Verspreid over de brief wordt stilgestaanbij de belangrijkste resultaten van de onderwijsregio’s.LeeswijzerDe Kamerbrieven over de lerarenstrategie, die u in december en juniontvangt, geven uw Kamer een beeld over de voortgang van de leraren-strategie. De brief is opgebouwd uit drie hoofdstukken die overeenkomenmet de hierboven geschetste hoofdlijnen. De voorliggende brief isuitgebreider dan die van juni onder andere door de tekortcijfers, detrendrapportage12 en voor het eerst het dashboard lerarenstrategie. Dit isde uitwerking van de motie van de leden Stoffer en Van Zanten.13 In debijlagen is daarnaast het overzicht van moties, toezeggingen en onder-zoeksresultaten, waaronder beleidsreacties, te vinden.10Voor de meerjarige regeling onderwijsregio’s 2026–2029 zijn er 49 aanvragen ingediend:onderwijsregio SCOPE gaat grotendeels op in Onderwijsregio Zwolle en OnderwijsregioKoerskracht.11Berenschot (2025), Tweede tussenrapportage evaluatie onderwijsregio’s, december 2025. Zievoor meer informatie de bijlage moties, toezeggingen en onderzoeksresultaten.12De Trendrapportage beschrijft de belangrijkste ontwikkelingen over leraren en hun arbeids-markt in het bo, vo en mbo in 2025.13Kamerstuk 27 923, nr.475Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5183 Inzicht in de tekorten in 2025Primair onderwijs (po)14•6,3% | 5.800 fte (2024: 8,1% | 7.700 fte), waarvan 4,6% eenzogenaamd verborgen tekort.15 De tekorten zijn 13,7% in de G5en 4,8% buiten de G5. Het tekort bij Taalklassen (NT2) is 14% inde G5 en 3,7% buiten de G5.•In het speciaal basisonderwijs zijn de tekorten met 7% het hoogst.•Het tekort aan schoolleiding is 6,2% | 460 fte (2024: 9,8% | 850 fte).Voortgezet onderwijs (vo)16•3,5% | 2200 fte (2024: 5,1% | 3.800 fte), waarvan 2,3% eenverborgen tekort.•Het tekort aan schoolleiding is 2,6% | 81 fte (2024: 3,5% | 106 fte)•Tekorten blijven naar verwachting komende jaren stijgen bijtekortvakken, zoals wiskunde en Nederlands.Middelbaar beroepsonderwijs (mbo)17•3,2% – 4,5% | 900 – 1.300 fte (2024: 3,3%-5,0% | 900–1.400 fte). Hetgemeten18 tekort is 3,9%, waarvan 1,7% een verborgen tekort.•De gemeten tekorten aan docenten verschillen voor regionaleopleidingscentra (roc) (4%) en beroepscolleges (2,8%).•71% van de teams geeft aan geen tekort aan docenten te hebbenen in totaal ervaart 29% in meer of mindere mate tekorten.Oorzaken en context•Naar verwachting blijft de schaarste op de arbeidsmarkt dekomende tien jaar aan. Onder andere door een groei van hetaantal kinderen en een krimpende beroepsbevolking. In het mbozullen de tekorten naar verwachting iets teruglopen door krimp.•De terugloop in de percentages is deels terug te voeren op hetaflopen van het Nationaal Programma Onderwijs en een dalingvan het aantal leerlingen. In het funderend onderwijs is het aantalscholen zonder tekorten gestegen en het aantal scholen mettekorten van meer dan 30% is teruggelopen, al blijft het met 13%in de G5 (po) hoog.•De tekorten in het funderend onderwijs hangen ook samen metschoolweging. Over het algemeen geldt dat hoe hoger decomplexiteit van de leerlingenpopulatie van een school, hoehoger ook het tekort aan leraren op een school. Het is van belangoog te hebben voor de ongelijke verdeling van de tekorten overde regio’s, tussen vakken in het vo en op gebied van schoolge-wicht en schooltype.1. Aantrekken en opleiden Elke leerling verdient een goede schoolleider en leraar, als basis voor dekwaliteit van het onderwijs. In tijden van tekorten is het een uitdaging omdit uitgangspunt waar te maken. Daarvoor is het aantrekken van talentvoor het onderwijs en hen opleiden tot schoolleider, leraar of onder-14Rapport: personeelstekorten primair onderwijs (peildatum 1 oktober 2025) – Centerdata15Verborgen tekorten zijn tekorten waarvoor uit nood een tijdelijke alternatieve oplossing isgevonden.16Rapport: personeelstekorten voortgezet onderwijs (peildatum 1 oktober 2025) – Centerdata17Rapport: personeelstekorten middelbaar beroepsonderwijs (peildatum 1 oktober 2025) –Centerdata18De gemeten tekorten komen tot stand op basis van opgegeven tekorten en worden nietgecorrigeerd voor non-respons (i.t.t. de tekorten in het funderend onderwijs) doordat derespons niet evenredig tot stand is gekomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5184 steuner van cruciaal belang. Hieronder gaan wij eerst nader op hoe wemet stimuleringsmaatregelen werken aan een hogere instroom in delerarenopleidingen. Vervolgens staan we onder andere stil bij deoptimalisatie van de kwaliteit van lerarenopleidingen en de herijking vande bekwaamheidseisen.Nieuwe instroom van lerarenDit studiejaar is de instroom van de pabo naar verwachting met 8%gestegen. Voor de tweedegraads lerarenopleidingen wordt echter eendaling van 5% verwacht.Met stimuleringsmaatregelen proberen we specifieke doelgroepen tebewegen in te stromen in het onderwijs. Zo heeft het Landelijk OverlegLeraren Basis Onderwijs (LOBO)19 recent in navolging van de motieCeder20 een streefpercentage van 30%21 afgesproken voor instroom vanmannelijke studenten. De inzet op dit percentage, zoals het uitwisselen entoepassen van werkende principes, zal jaarlijks worden geëvalueerd doorhet LOBO. Ook hebben scholen in totaal 237 aanvragen, tegenover 94aanvragen vorig jaar, ingediend om statushouders en Oekraïenseontheemden met potentie om voor de klas te staan te begeleiden naar eenfunctie in het Nederlandse onderwijs. Het aantrekken van specifiekedoelgroepen verschuift per 2026 naar de onderwijsregio’s.22Landelijke campagne Werken met de ToekomstAfgelopen najaar is de tweede campagneperiode23 van de meerjarigecampagne Werken met de Toekomst van start gegaan. Doel van decampagne is het schetsen van een positief en realistisch beeld van werkenin het onderwijs. In deze tweede campagneperiode lag de focus opstudiekiezers én potentiële zij-instromers. Hiervoor is onder meersamengewerkt met influencers, om het bereik en de relevantie onder dedoelgroep studiekiezers te vergroten. Ook waren er tv-spots te zien omeen breed publiek te bereiken. In de periode van de campagne hebben 662nieuwe adviesvragers zich bij het Onderwijsloket gemeld, ruim anderhalfkeer zoveel ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. In 2025 hebbentot nu toe meer dan 3.800 potentiële overstappers advies gevraagd bij hetOnderwijsloket. De website trok in dezelfde periode ongeveer 410.000unieke bezoekers. Uit het effectonderzoek blijkt dat het beeld over hetsalaris sinds de start van de campagne is verbeterd.24 Dit is één van dedoelstellingen van de campagne, omdat we weten dat salaris eenbelangrijke overweging is bij het kiezen van een baan.In alle onderwijsregio’s is daarnaast inmiddels een regionaal loket, zodatde interesse om aan de slag te gaan in het onderwijs, ook in de regiovervolg kan krijgen. Bij deze loketten kunnen potentiële overstappersinformatie inwinnen over mogelijke routes naar docentschap. Zo was decampagne voor het eerst zichtbaar tijdens een studiekeuzebeurs in19Landelijk Overleg Lerarenopleiding Basisonderwijs is het kennisnetwerk van de samenwer-kende pabo’s.20Kamerstuk 27 923, nr. 46721Zie ook bijlage met overzicht moties, toezeggingen en onderzoeksresultaten.22Vanaf 2026 worden de subsidieregeling voor statushouders en ontheemden en de subsidiere-geling voor zij-instromende schoolleiders overgedragen aan de onderwijsregio’s. Hiermeegeven we gehoor aan een meer samenhangend subsidiebeleid en vraag om het aantalincidentele subsidies te verminderen.23Deze liep van 8 september tot en met 17 oktober 2025.24De helft van de potentiële zij-instromers denkt dat je met werken in het onderwijs een goedsalaris verdient. Dit is geleidelijk gestegen in 2025, ten opzichte van de situatie voor de startvan de campagne toen nog vier op de tien het hiermee eens waren. Het campagne-effectonderzoek naar de tweede campagneperiode wordt binnenkort gepubliceerd opCampagne-effectonderzoek Werken in het onderwijs 2025 | Rapport | Rijksoverheid.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5185 Rotterdam, in samenwerking met de Rotterdamse onderwijsregio. Voor2026 wordt onderzocht of de zichtbaarheid van de campagne kan wordenuitgebreid naar meer regionale en landelijke beurzen waar studiekiezersen potentiële zij-instromers komen.Zij-instroomNaast het opleiden van initiële studenten levert zij-instroom een belang-rijke bijdrage aan het terugdringen van het lerarentekort. Zij-instroom inBeroep (ZiB) is een aantrekkelijke route voor overstappers omdat zij directeen aanstelling als leraar krijgen en voor de klas kunnen. Net als in 2024 iser opnieuw aan ruim 2.200 zij-instromers subsidie toegekend. De huidigekoers wordt in 2025–2026 dan ook voortgezet. Afgesproken is dat ZiB enhet PDG-traject25 mee worden genomen binnen de eerstvolgende rondenvan visitaties van lerarenopleidingen. Dit sluit aan bij aanbevelingen vande Inspectie van het Onderwijs om meer zicht te krijgen op de kwaliteitvan de opleidingstrajecten voor zij-instromers.26De inzet op ZiB is effectief. Met verschillende routes wordt aangesloten opwat voor verschillende doelgroepen, waaronder zij-instromers, eenpassend opleidingstraject is. De uitval onder zij-instromers is laag enzij-instromers blijven lang in het onderwijs werken.27 De meestezij-instromers (70%) zijn ook tevreden over de begeleiding op de werkpleken de inhoud van het scholingstraject.28 In het vo en mbo staan veruit demeeste zij-instromers direct zelfstandig voor de klas bij aanvang van huntraject. In het po geven zij-instromers vaak eerst een tijdje samen met eenervaren collega les. Zij-instromers met een geschiktheidsverklaring startendirect met een betaalde aanstelling als leraar en worden als zodanigingeschaald. Veruit de meeste zij-instromers worden ingeschaald insalarisschaal LB als leraar, waarbij ze op basis van werkervaring vaak ophogere tredes worden ingeschaald dan startende leraren.29 We zien datook in de onderwijsregio’s zij-instroom wordt gezien als een van deoplossingen voor voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel. DeRealisatie-Eenheid gaat komend jaar met de onderwijsregio’s ambitieaf-spraken maken over onder andere het aantal zij-instromers dat regio’swillen aantrekken en begeleiden.Zij-instroom in de Amsterdamse OnderwijsregioDe Amsterdamse Onderwijsregio zet zich krachtig in om meerzij-instromers aan te trekken én te behouden. De aanpak is in2020–2021 gestart en het lukt steeds beter om een goed en passendtraject aan te bieden. Zo zien ze in Amsterdam een aanzienlijkedaling in studenten die stoppen met zij-instroom.25Het Pedagogisch-didactisch scholingstraject (PDG-traject) is de belangrijkste en omvangrijksteopleidingsroute voor mbo-docenten en levert jaarlijks ruim 900 nieuwe mbo-docenten op. Debijlage bij deze Kamerbrief bevat onze reactie op het stelselonderzoek door de Inspectie vanhet Onderwijs naar Zij-instroom in Beroep voor docenten in het mbo.26Inspectie van het Onderwijs (2020), Routes naar het leraarschap, Utrecht 2020 Dit inspectie-rapport bevat een overzicht van alle routes naar het leraarschap.27Van de groep zij-instromers in het po die in 2022 is begonnen werkt 91% na een jaar nog in hetonderwijs voor het vo is dit 85% en voor het mbo is dit 94%. Na twee jaar is dit voor het po86%, voor het vo 74% en voor het mbo is dit 85%. Zie Trendrapportage arbeidsmarkt lerarenPO, VO, MBO 2025 en MOOZ Loopbaanmonitor Onderwijs 202528MOOZ Loopbaanmonitor Onderwijs 202529In het po worden zij-instromers op basis van hun werkervaring gemiddeld halverwege schaalLB ingedeeld in trede 5,6. In het vo is dat gemiddeld schaal LB trede 7,6. En in het mbo is ditgemiddeld schaal LB trede 8,4. Zie Trendrapportage arbeidsmarkt leraren po, vo en mbo 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5186 Potentiële zij-instromers volgen een zorgvuldig opgebouwd trajectmet verschillende checkpoints. Ze krijgen intensieve begeleidingrichting het leraarschap en ontwikkelen tegelijkertijd een realistischbeeld van wat het beroep vraagt. Het afgelopen jaar zijn 126zij-instromers gestart die worden opgeleid tot leraar in het basison-derwijs. Eerdere deelnemer Eric, nu leraar groep 7, besloot vijf jaargeleden het roer om te gooien na een studie psychologie en eencarrière in de commerciële sector. «Wat er voor mij uitsprong, wasde praktijkselectie van 10 dagen met een groepje mogelijkezij-instromers. Op dag één stond ik al voor een groep 5 klas ommezelf aan de hand van een object te introduceren. Het zorgde directvoor duidelijkheid: is dit iets voor mij? Na feedback en advies vantwee opleiders wist ik het!Borgen kwaliteit lerarenopleidingenUit de accreditaties door de NVAO30 blijkt dat de kwaliteit van delerarenopleidingen op orde is31 en met verschillende lopende en nieuweinitiatieven dragen we bij aan de optimalisatie van de kwaliteit van deopleidingen. Ons stelsel biedt enerzijds opleiders de ruimte, binnengestelde kaders, om het curriculum op verschillende wijzen vorm te gevenen accenten te leggen, passend bij eigen beleid en de behoeften van hetafnemend werkveld. Anderzijds is het beleid ook gericht op meeruniformiteit in de routes tot leidend tot het leraarschap.32Voor ons is daarbij belangrijk dat lerarenopleidingen zichtbaar houdenhoe zij voldoen aan de gezamenlijke basis die is vastgelegd in dewettelijke bekwaamheidseisen en in de kennisbases waarover deopleidingen onderling afspraken hebben gemaakt. Wij hebben in ditverband ook kennisgenomen van de resultaten uit een inventariserendonderzoek door de Radboud Universiteit in opdracht van de Inspectie vanhet Onderwijs naar de curricula van 47 voltijdroutes die opleiden tot leraarbasisonderwijs.33 De resultaten vormen een waardevolle inbreng in hetdoorlopende gesprek binnen en tussen lerarenopleidingen over hetcurriculum en de kwaliteitsborging in relatie tot de wettelijke eisen. In debijlage met overzicht stand van zaken moties, toezeggingen en onder-zoeksresultaten geven wij een uitgebreidere reactie op dit onderzoek.Herijking bekwaamheidseisenDe bevindingen uit het onderzoek ondersteunen ook het belang van aleerder door ons aangekondigde maatregelen, mede naar aanleiding vanhet Onderwijsraadadvies «Bekwaamheid beter borgen.34 We willen30Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie31Tijdens de accreditatie door de NVAO wordt beoordeeld of de opleiding voldoet aan wettelijkevastgelegde kwaliteitsaspecten. Bij de accreditatie wordt ook beoordeeld of de lerarenoplei-dingen voldoen aan de wettelijke bekwaamheidseisen. Op dit moment bereiden instellingenzich voor op de volgende periodieke beoordeling (accreditatie) van lerarenopleidingen enhebben daarover overleg met de NVAO. Doelstelling van dat overleg is om in de visitaties eengoed onderbouwd oordeel te krijgen over de mate waarin de lerarenopleidingen voldoen aande wettelijke bekwaamheidseisen.32Door de Inspectie van het Onderwijs zijn in 2020 384 routes naar leraarschap geïdentificeerd.Inspectie van het Onderwijs (2020), Routes naar het leraarschap, Utrecht 202033Bijlsma, H. J. E., & Bosman, A. M. T. (2025), Inventarisatie curricula voltijdroutes naar hetleraarschap primair onderwijs. Radboud Universiteit en Inspectie van het Onderwijs. RapportInventarisatie curricula voltijdroutes naar het leraarschap primair onderwijs | Inspectie van hetonderwijs34Onderwijsraad (2025), Bekwaamheid beter borgen, 2025 Bekwaamheid beter borgen |OnderwijsraadTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5187 komen tot één leidend kader voor álle lerarenopleidingen35, waarbij weook onderzoeken hoe we vakspecifieke onderdelen kunnen opnemen in deregelgeving. Een eerste stap in deze richting kan worden gezet met deherijking van de bekwaamheidseisen. Op 24 september 2025 heeft devertegenwoordiging van de beroepsgroep van leraren het advies voor deherijking van de bekwaamheidseisen van leraren in het po, vo en mbo eninstructeurs in het mbo opgeleverd.36 In het advies wordt voorgesteld omde eisen concreter en specifieker te formuleren. Scherpere eisen dragenbij aan meer eenduidigheid en heldere verwachtingen. We zijn begonnenmet het proces om de gewijzigde bekwaamheidseisen op te nemen in hetBesluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel. Ons streven is om hetgewijzigde besluit uiterlijk 1 augustus 2027 in werking te laten treden.Opleidingsberaad LerarenIn het Opleidingsberaad Leraren37 is de afgelopen periode ook een aantalsignalen in behandeling genomen die (mede) vanuit de Tweede Kamer viamoties zijn aangedragen, zoals de aandacht voor leesonderwijs (inclusiefde optie van een verplichte leeslijst)38 en passend onderwijs. HetOpleidingsberaad herkent de urgentie voor deze beide thema’s, maar zietook dat deze thema’s al breed geagendeerd zijn en dat dit leidt totaanpassingen in de landelijke wettelijke kaders, zoals de nieuwekerndoelen en concept-bekwaamheidseisen. Het OpleidingsberaadLeraren volgt hoe deze thema’s een plek krijgen in deze hernieuwdeconcept-kennisbases en zal na oplevering daarvan bespreken of en welkeaanvullende stappen wenselijk zijn. Bij het thema passend onderwijswordt expliciet naar de rol van nascholing gekeken, omdat dit een themais waarvoor weliswaar in de lerarenopleiding een basis kan wordengelegd, maar waarop leraren zich vooral in de fase daarna verder kunnenontwikkelen.2. Behouden en professionaliseren Het behoud en de verdere professionalisering van onderwijspersoneel zijnessentieel om de onderwijskwaliteit duurzaam te versterken. Structureleknelpunten, zoals regeldruk en arbeidsmarktdynamiek, zetten deaantrekkelijkheid en stabiliteit van het onderwijsberoep onder druk.39Daarom zetten we samen met schoolbesturen, opleiders, de beroeps-groep en andere partners in op maatregelen die het behoud van onder-wijspersoneel bevorderen en de professionele ontwikkeling en zeggen-schap van onderwijspersoneel versterken. Hieronder lichten we deze inzettoe, met aandacht voor het aantrekkelijker maken van meer uren werken,de rol van detacheringsbureaus, professionalisering en de positie van deberoepsgroep en (mede)zeggenschap binnen de schoolorganisatie.35Kamerstukken II, 2024–2025, 27 923, nr. 514 Voortgangsbrief lerarenstrategie juli 2025 |Kamerstuk | Rijksoverheid.nl36AOb, CNV Onderwijs, FvOv, BVMBO, Platform VVVO (2025), Herijking BekwaamheidseisenLeraren, september 2025 Bevoegd en Bekwaam: Herijking Bekwaamheidseisen in hetOnderwijs37In het Opleidingsberaad Leraren coördineren we samen met lerarenorganisaties, werkgeversen lerarenopleidingen de onderlinge samenwerking rond de ontwikkeling en bijstelling vankaders voor de opleidingen voor leraren.38Motie Kisteman Kamerstuk 36 600 VIII nr. 81, Motie Rooderkerk Kamerstuk 36 600 VIII nr. 8039TALIS2024 TALIS 2024 – De werk- en leeromgeving op school in beeld | Rapport | Rijksover-heid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5188 WerkdrukEen gezonde balans tussen werkdruk- en energiebronnen is essentieel omhet welzijn van onderwijspersoneel te bevorderen en hen in staat testellen hun werk met bevlogenheid te doen. Een gezonde balans draagtbij aan de duurzame inzetbaarheid, het behoud en de instroom vanleraren. Dat is belangrijk in de aanpak van het lerarentekort. Er bestaatniet één uniforme oplossing om de werkdruk in het onderwijs te verlagen,gezien werkdruk contextafhankelijk is en sterk verschilt per individu enschool. In het verminderen van werkdruk heeft daarom iedereen een rol:ministerie, inspectie, besturen, scholen en schoolleiders. Op het gebiedvan regeldruk zien we dat scholen vaak administreren voor het geval dat.De Algemene Rekenkamer adviseert daarom dat scholen zelf explicieterde baten en lasten van administratie tegen elkaar kunnen afwegen. Veeladministratieve taken die op scholen worden gedaan hebben een reden,maar kosten ook veel tijd. Voor OCW is er een rol om duidelijk te makenwat er verwacht wordt en kritisch naar de impact op de werkvloer te kijkenbij nieuw beleid.De daadwerkelijke werkdrukvermindering vindt plaats op scholen, ingesprekken met het personeel en afspraken tussen werkgever enwerknemer. Daarom investeert OCW sinds 2019 € 430 miljoen in het poen sinds 2022 € 300 miljoen in het vo voor werkdrukverlichting. In het poen vo gaat personeel jaarlijks met elkaar in gesprek over de besteding vande middelen om de werkdruk te verlagen. De inzet van de werkdrukmid-delen in het po heeft initieel een positief effect gehad wat hierna lichtafnam, omdat het gesprek over werkdruk minder wordt gevoerd opscholen. Het onderzoek naar de werkdrukmiddelen in het vo loopt nog toten met 2027.40 Komende periode bezien we in gesprekken met het veldhoe we het gesprek op school kunnen stimuleren.Meer uren werken aantrekkelijker makenWij zetten ons in voor het aantrekkelijk maken van meer uren werken enhet transparant maken van wat de mogelijkheden daarvoor zijn. Hetverminderen van werkdruk vormt – ook bij het zoeken naar mogelijkhedenvoor meer uren werken – een belangrijke randvoorwaarde. Met eendriejarige pilot wordt er onderzocht hoe meerurenmaatwerk kan helpenhet lerarentekort te verkleinen en het beroep aantrekkelijker te maken. Depilot, die gestart is in december van dit jaar, richt zich op leraren die meeruren willen en kunnen werken. Schoolbesturen bieden deze lerarentransparante – financiële en niet-financiële – «keuzeopties» aan zoals extrabeloning, verlof of andere roostering, voor het stimuleren vanuren-uitbreiding of voltijdswerken. Elf schoolbesturen doen met 61scholen mee41 en de eerste tussenrapportage wordt eind 2026 verwacht.Daarnaast blijft het onverminderd belangrijk dat meer werken lonend is éndat leraren weten hoeveel dat feitelijk is. Uit onderzoek blijkt dat een deelvan de mensen daadwerkelijk meer uren gaat werken wanneer zichtbaarwordt gemaakt dat ze in euro’s meer overhouden van extra uren werken.42Daarom zijn er posters43 beschikbaar die laten zien wat leraren gemiddeldgenomen financieel overhouden aan meer uren werken, ook met40Rapportage Werkdrukmiddelen VO41Er zijn aanmeldingen uit Flevoland, Gelderland, Noord-Holland, Overijssel, Utrecht enZuid-Holland.42Kamerstuk 32 140, nr. 281, bijlage: «Onderzoek naar mispercepties van marginale druk enarbeidsaanbod» (september 2025).43https://www.aanpaklerarentekort.nl/lerarentekort/overzicht-meerurenaanpakTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5189 kinderopvang, en die voor hun individuele situatie verwijzen naar dewerkzorgberekenaar.44Overnamekosten door detacheringsbureausMede in navolging van de motie-Westerveld45 hebben we onderzochtwelke mogelijkheden er zijn om hoge overnamekosten door detacherings-bureaus in het onderwijs te voorkomen. Uit gesprekken met betrokkenpartijen blijkt dat de omvang van het probleem lastig vast te stellen is,omdat overnamekosten vaak contractafspraken zijn tussen schoolbe-sturen en detacheringsbureaus en daardoor niet openbaar zijn. Bovendiendoet het probleem zich alleen voor wanneer een schoolbestuur eengedetacheerde leraar wil overnemen én sprake is van een excessievevergoeding. Een vergoeding bij overname is op zichzelf niet ongebrui-kelijk. Deze kosten mogen echter niet onredelijk hoog zijn. Daarombereiden we communicatie voor om schoolbesturen te informeren overde juridische kaders en de ruimte die zij hebben om te onderhandelen.Daarnaast werken wij aan het terugdringen van commerciële externeinhuur, onder meer door het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid enarbeidsmarktmaatregelen en het stimuleren van regionale invalpools.Professionalisering van onderwijspersoneelProfessionalisering van schoolleiders en leraren is essentieel om dekwaliteit van onderwijs te verbeteren en een lerende en verbetergerichtecultuur op scholen te versterken. Programma’s zoals het MasterplanBasisvaardigheden en de Nationaal Groeifonds programma’s (NGF)Ontwikkelkracht en Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL)ondersteunen scholen daarbij door onderzoek en praktijk beter teverbinden.Het NAPL bouwt een landelijk, duurzaam systeem waarmee meer dan60.000 leraren toegang krijgen tot kwalitatief hoogwaardig, praktijkgerichten vraaggestuurd professioneel leren, ontwikkeld met leraren, opleiders,scholen en onderwijsregio’s, zodat de kern van goed onderwijs structureelwordt versterkt. De infrastructuur bestaat uit meerdere onderdelen. Deontwikkelpaden vormen het landelijke raamwerk dat richting geeft aanprofessionele groei van leraren; de eerste paden worden momenteelontworpen onder begeleiding van de Kwaliteitsraad.46 In de co-creatielabsgaan leraren, opleiders, schoolleiders en experts samen werken aanpraktijkgericht professionaliseringsaanbod dat zowel digitaal als fysiekbeschikbaar komt en voor alle leraren toegankelijk wordt gemaakt.Onderwijsregio’s hebben een belangrijke rol in de vraagarticulatie. Zijbrengen in kaart wat leraren nodig hebben en leveren input voor delandelijke ontwikkelpaden en de labs. De regeling voor leraren om deel tenemen aan het professionaliseringsaanbod wordt in het eerste kwartaalvan 2026 gepubliceerd. Het kwaliteitskader bewaakt de samenhang en hetniveau van zowel de ontwikkelpaden als het aanbod. Een conceptkwaliteitskader wordt in januari 2026 opgeleverd.44https://werkzorgberekenaar.nibud.nl/45Kamerstuk 27 923, nr. 50446Om ervoor te zorgen dat NAPL producten voorbrengt die echt verschil gaan maken in hetprofessionaliseren van de Nederlandse leraren, is het van belang dat de kwaliteit engeschiktheid van deze producten met een inhoudelijk sterke blik beoordeeld worden. Met hetinrichten van een kwaliteitsraad wordt onafhankelijke toetsing en validering van de kaderstellende producten mogelijk gemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51810 In de onderwijsregio’s werken opleiders, schoolbesturen en de beroeps-groep ook samen aan opleidings-, inductie- en professionaliseringspro-gramma’s. Deze beleidsontwikkelingen vormen belangrijke bouwstenenvoor de doorlopende professionele ontwikkeling van leraren en school-leiders en versterken een lerende en verbetergerichte schoolcultuur. Wezien bijvoorbeeld dat onderwijsregio’s inzetten op een passend professio-naliseringsaanbod voor opleiders via leernetwerken of e-learning. Ook iser aandacht voor het behoud van (startende) schoolleiders enzij-instromers middels coaching en begeleiding.Het Masterplan en de NGF-programma’s zijn tijdelijke impulsen, waarvande opbrengsten duurzaam geborgd moeten worden. We werken daaromaan een overkoepelende visie voor het professionaliseringsbeleid, waarinde verschillende beleidsontwikkelingen met elkaar worden verbonden. Webezien hierbij of en hoe doorlopende professionalisering beter geborgdmoet worden. Over de vervolgstappen zal de Kamer door het volgendekabinet worden geïnformeerd. Naast de landelijke programma’s onder-steunt OCW professionalisering via subsidies en beurzen, zoals delerarenbeurs47, de SOOL48 en de Instructeursbeurs49, die per 2026 opgaatin de SOOL-regeling.Beroepsgroep en (mede)zeggenschapDe stem van schoolleiders en leraren is onmisbaar voor goed beleid, maarwordt niet altijd voldoende gehoord. Het versterken van hun positie enzeggenschap gebeurt onder meer via het wetsvoorstel VersterkenInspraak Leraren en Schoolleiders en de ontwikkeling van beroeps-groepen voor schoolleiders en leraren. Het wetsvoorstel bevindt zich in deontwikkelfase. In deze fase wordt met een brede groep belanghebbendenonderzocht welke onderwerpen moeten worden opgenomen en ofwetgeving het geschikte instrument is om de gesignaleerde knelpuntenaan te pakken. Schoolleiders en leraren ervaren onvrede omdat hun stemop de verschillende lagen waar besluiten genomen worden niet altijdvoldoende aanwezig is, goed gehoord wordt, of van wezenlijke invloed is.Belangrijke onderwerpen zijn de werking van het professioneel statuut, depositie van schoolleiders binnen de school en de betrokkenheid vanschoolleiders en leraren bij landelijk beleid. Ook wordt bezien of aanvul-lende wettelijke borging nodig is voor de beroepsgroep schoolleiders enleraren.In het kader van het wetsvoorstel Versterken Inspraak Leraren enSchoolleiders heeft Regioplan onderzoek gedaan naar het management-statuut.50 In het managementstatuut staan de formele afspraken met hetbestuur over de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van school-leiders. Uit dit onderzoek blijkt dat het managementstatuut als instrumentnaar tevredenheid functioneert, maar dat het regelmatig nog onbekend isen beter benut kan worden door schoolleiders en besturen. We nemendeze onderzoeksresultaten mee in de verdere uitwerking van hetwetsvoorstel.47De lerarenbeurs stelt bevoegde leraren en benoembare docenten in staat te investeren in huneigen ontwikkeling. Voor het schooljaar ’26–’27 kan de beurs worden aangevraagd van1 februari t/m 15 maart 202648SOOL-regeling ondersteunt onderwijsassistenten en leraarondersteuners bij het volgen van deopleiding tot leraar; in 2025 zijn 759 aanvragen ingediend.49Met de instructeursbeurs kunnen mbo-instructeurs een associate degree of bacheloropleidingvolgen. In 2025 zijn 58 aanvragen ingediend.50Regioplan (2025), Eindrapport Onderzoek managementstatuut, december 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51811 Wij voeren ook gesprekken met schoolleidersorganisaties en lerarenorga-nisaties om te komen tot beroepsgroepen met een langetermijnambitie.De resultaten van TALIS 2024 laten zien dat schoolleiders en leraren inNederland tevreden zijn over hun beroep.51 Dit biedt een vruchtbare basisvoor het bouwen van een trotse en onafhankelijke beroepsgroep die zelfverantwoordelijkheid krijgt en neemt voor de rol en kennis die lerarenhebben. Een beroepsgroep kan ook een cruciale rol spelen in hetverbeteren van de kwaliteit van het onderwijs voor alle leerlingen enstudenten. Beroepsgroepen in andere sectoren laten duidelijk zien dat eenonafhankelijke beroepsgroep met echte verantwoordelijkheden sterkpositieve effecten kan hebben op de kwaliteit. Een onafhankelijkeberoepsgroep leraren met passende taken en verantwoordelijkheden kandaarmee een effectief middel zijn om de onderwijskwaliteit te verbeteren.Sinds zomer 2023 vinden gesprekken plaats met de al bestaandelerarenorganisaties en beroepsverenigingen om te komen tot eengedragen en onafhankelijke beroepsgroep voor po, vo en mbo. Een eerstehoutskoolschets is in zomer 2024 opgeleverd waarin de lerarenorgani-saties zich uitspreken voor het samen optrekken als een verenigde entiteitmet als doelen een sterkere (formele) positie en invloed voor leraren,verbetering imago van de leraar en professionalisering van het onderwijs.De lerarenorganisaties zijn in deze houtskoolschets van mening dat destem van de leraar nu te veel versnipperd is. Dat zorgt soms voorverwarring.Mede op basis van dit plan dat de lerarenorganisaties hebben opgeleverdis een subsidie toegekend gericht op concrete stappen richting eeneenduidiger inhoudelijke stem van de beroepsgroep met een bredevertegenwoordiging van leraren. De behoefte aan een sterke onafhanke-lijke beroepsgroep blijkt ook uit de aangenomen motie52 waarin deTweede Kamer verzoekt te onderzoeken of een deel van de lumpsumaangewend kan worden voor de beroepsgroepvorming. Het idee datscholen de lidmaatschappen van leraren binnen een beroepsgroepvergoeden is een interessante gedachte maar dit kan pas uitgewerktworden als de inrichting duidelijker vorm heeft gekregen. De overheid kande opstart van een nieuwe beroepsgroep aanjagen en ondersteunen. Deinzet van overheidsgeld moet natuurlijk zorgvuldig gebeuren en totconcrete resultaten leiden. De komende tijd worden gesprekken gevoerdmet de lerarenorganisaties over verdere concretisering van de stappen indeze aanvraag, met als uiteindelijk doel een onafhankelijke beroepsgroepen een solide en bestendige financiering daarvan. Ik verwacht u daar inhet voorjaar van 2026 verder over te kunnen informeren.Eerder heeft uw Kamer extra aandacht gevraagd voor de betrokkenheidvan de beroepsgroep in de onderwijsregio’s.53 In 11 zogenoemdefocusregio’s is, zoals afgesproken met de lerarenorganisaties, deberoepsgroep betrokken bij de voorbereiding en besluitvorming van deregionale plannen. Daarnaast denken leraren en schoolleiders op diverseplekken actief mee, dragen bij aan de uitvoering en nemen deel aanbesluitvorming. In de recente planvorming zijn bovendien meer dan 100gemeenschappelijke medezeggenschapsraden (GMR) geraadpleegd. Meerdan 5 regionale netwerken van medezeggenschapsraden zijn ontstaan omperiodiek ontwikkelingen te delen. Samen met bonden, raden, OCW en deRealisatie-eenheid wordt verkend hoe deze regionale medezeggenschapverder kan worden verdiept en versterkt.51TALIS2024 TALIS 2024 – De werk- en leeromgeving op school in beeld | Rapport | Rijksover-heid.nl52Kamerstuk 31 293, nr. 80853Toezegging TZ202510-134Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51812 Medezeggenschap in onderwijsregio’s Limburg en MiddenNederland LeertZo’n twintig jaar geleden maakte Bart de overstap van de horecanaar het onderwijs. Vanuit zijn ervaring en betrokkenheid alsmbo-docent bij het Vista College in Heerlen neemt hij sinds begin ditjaar deel aan de regiegroep van Onderwijsregio Limburg, waarinbestuurders, opleiders en vertegenwoordigers uit het po, vo en mbospreken over de aanpak van onderwijstekorten. In die regiegroepheeft de beroepsgroep gelijk stemrecht; Bart vertegenwoordigt daarhet mbo:«Ik vind het belangrijk dat de stem van de docent echt wordtmeegenomen in de keuzes die we als regio maken. We staan metelkaar voor grote uitdagingen, en dan is het waardevol dat ook depraktijkervaring van leraren aan tafel ligt. Dat zorgt voor realistischebesluiten én meer draagvlak in de scholen.»In de Onderwijsregio Midden Nederland Leert hebben schoolleidersen leraren een duidelijke stem in hoe de regio zich ontwikkelt. Via hetlerarenberaad en het schoolleidersberaad brengen zij de praktijker-varing en behoeften van scholen rechtstreeks in bij de besluit-vorming. De beroepsgroep is door volwaardig stemrecht niet alleengesprekspartner, maar juist ook mede-bepaler van de koers.Het schoolleidersberaad bestaat uit teamleiders, afdelingsleiders enrectoren uit VO en MBO. Zij bespreken actuele thema’s zoalsinstroom, behoud en professionalisering van leraren, maar ookleiderschap en samenwerking tussen scholen. Het lerarenberaadvervult een vergelijkbare rol vanuit het perspectief van de leraar inde klas. Leraren brengen ervaringen, knelpunten en ideeën in vanuithun teams en vakgroepen, zodat zijzelf over onderwerpen meebe-slissen en de uitkomsten regionaal beter aansluiten bij de dagelijkserealiteit.LerarentoetsDe motie van de leden Van Zanten en Rooderkerk54 verzoekt de regeringom de stem van de leraar wettelijk te verankeren door middel van eenlerarentoets, zodat leraren structureel worden betrokken bij beleid enwetgeving die directe invloed hebben op het onderwijs in de klas. Eenlerarentoets kan bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheid vanleraren, aan vermindering van werkdruk en aan verbetering van deonderwijskwaliteit.Voor de vormgeving van de toets zijn enkele elementen richtinggevend.Het gaat daarbij onder meer om representativiteit, de randvoorwaardenvoor een kwalitatief goed en uitvoerbaar proces, de wijze waarop andererelevante perspectieven worden meegenomen, en de manier waarop detoets bijdraagt aan een herkenbare en betekenisvolle stem van leraren.Om deze aspecten te verkennen onderzoeken wij verschillende mogelijk-heden, zoals een variant op de MKB-toets waarin voorgenomen wet- enregelgeving wordt voorgelegd aan een panel van schoolleiders en leraren,een constructie waarbij lerarenorganisaties en bonden een centrale rolkrijgen in de lerarentoets en een model waarin via loting een brederegroep leraren en schoolleiders gedurende langere tijd gevraagd enongevraagd advies over beleid kan uitbrengen aan OCW en de Kamer.Onze inzet is om te komen tot een zorgvuldig en uitvoerbaar instrumentdat de stem van leraren op een duurzame wijze versterkt. Over de54Kamerstuk 27 923, nr. 503Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51813 uitwerking van deze verschillende opties gaan wij de komende tijd ingesprek met zowel georganiseerde als ongeorganiseerde leraren enschoolleiders. De Kamer wordt geïnformeerd over de vervolgstappen.Evaluatiegesprek over vertrouwelijk delen van informatie aan de cao-tafelBegin september heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer per brief55geïnformeerd over de vertrouwelijke informatiedeling aan de cao-tafels inhet funderend onderwijs. In mijn reactie56 op het Schriftelijk Overleg overdit onderwerp van 25 november jl. heb ik aangekondigd met cao-partijeneen evaluatiegesprek te gaan voeren en u na afloop te informeren over deuitkomsten. Dit evaluatiegesprek heeft begin december plaatsgevonden.Uit het gesprek blijkt dat de informatie over de sectorale loonruimteinderdaad onderling en vertrouwelijk door de werkgevers is gedeeld metde aan de cao-tafel deelnemende vakbonden. Deze loonruimte wordtsectorspecifiek door de werkgevers gebaseerd op met name de kabinets-bijdrage in de arbeidskostenontwikkeling en de (verwachte) ontwikke-lingen van de loonkosten in de sector. De vakbonden wijzen erop dat zijvoor het ontvangen van informatie afhankelijk zijn van de werkgevers. Eenvast kenmerk van cao-onderhandelingen is de wederzijdse afhankelijkheidvan informatiedeling. OCW ondersteunt de informatiedeling tussencao-partijen met procedurele informatie: OCW informeert zowel devakbonden als de werkgevers vooraf over het moment waarop dekabinetsbijdragebrief wordt verzonden. Daarnaast zijn we regelmatig inoverleg met sociale partners, waar nodig ook over cao-gerelateerdeonderwerpen. Verder werd in het evaluatiegesprek aandacht gevraagdvoor informatiedeling in de andere onderwijssectoren; dit punt zal met debetreffende sectoren worden besproken. Cao-partijen zijn positief over hetdelen van deze informatie bij de afgelopen cao-gesprekken. De werkwijzedraagt volgens partijen bij aan het voorspoedig verloop van hetcao-overleg. Partijen geven aan dat het een eerste ervaring is, dat deinformatie nu kort voor de onderhandelingen werd gedeeld en dat hetdaarom nog te vroeg is om conclusies te trekken. Om die reden hebbenwe afgesproken om ook na de volgende keren dat de informatie vertrou-welijk is gedeeld, een gesprek te voeren.3. Continuïteit organiseren Elk kind en elke student verdient goed onderwijs, nu én in de toekomst.Die fundamentele gedachte verplicht ons na te denken over de toekomst-bestendigheid van ons onderwijs. Hoe moeten we bijvoorbeeld omgaanmet aanblijvende schaarste waarbij we zien dat de ene school geentekorten heeft en de andere school een klas naar huis moet sturen? Hoeanticiperen we op de toegankelijkheidsvraagstukken in krimpregio’s? Enhoe blijven we kwalitatief onderwijs bieden in een ontwikkelendesamenleving? Het is een voortdurend proces dat om voldoende ruimtevoor innovatie, zorgvuldig experimenteren en ondersteuning vraagt. Ookomdat we nu moeten leren welke opties we straks nodig hebben. We zienmooie initiatieven ontstaan, waar we recht aan moeten en willen doen. Deafgelopen jaren zijn op deze thema’s verschillende maatregelen uitge-lopen, zoals ook eerder benoemd in de voortgangsbrief van juli 2025.57 Zoloopt er een pilot voor onderwijstijd in het vo58 en zorgen we via CO-teachvoor het aanbod van informaticaonderwijs. Daarnaast werken we aanverschillende experimenten, zoals het experiment Andere dag- en55Kamerstuk 27 923, nr. 51556Kamerstuk 27 923, nr. 51757Kamerstuk 27 923 nr. 514 Voortgangsbrief lerarenstrategie juli 2025 | Kamerstuk | Rijksover-heid.nl58Zie bijlage voor de eerste tussenrapportage van de pilot onderwijstijd in het vo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51814 weekindeling, waarmee scholen 22 uur per maand gebruik kunnen makenvan andere professionals die zich willen inzetten voor het onderwijs, enhet experiment Ruimte in Onderwijstijd waarmee scholen flexibeleschoolvakanties kunnen inrichten.59Met al deze inspanningen staat het borgen en verbeteren van de kwaliteitvan het onderwijs voorop. Samen met het onderwijsveld zorgen we voorkwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van het onderwijs, ook bijaanhoudende schaarste.De Virtuele Campus in onderwijsregio FrieslandDe Virtuele Campus is een initiatief van onderwijsregio Friesland,Noordoostpolder en Urk en ontstaan omdat middelbare scholen inkrimpregio’s door een tekort aan docenten niet altijd bepaaldevakken kunnen geven. In plaats van onderwijs te schrappen, wordenleerlingen en docenten van een aantal scholen digitaal samenge-bracht. Zo blijft het onderwijsaanbod volledig. Leerlingen volgen lesin hun eigen lokaal, met begeleiding van een onderwijsassistent,terwijl de docent op afstand lesgeeft aan meerdere scholen tegelijk.Dat werkt bijvoorbeeld voor vakken waarvoor vaak geen lokaledocent beschikbaar is, zoals Frysk of Frans. Door de Virtuele Campushoeven de deelnemende scholen geen vakken te laten vallen,leerlingen niet te reizen en kunnen leraren flexibeler worden ingezet.AfsluitendSamen met schoolbesturen, opleiders, de beroepsgroep en de partners uithet onderwijsveld werken we landelijk en in de regio aan een duurzameversterking van het onderwijspersoneel. Daarmee bouwen we aan eentoekomst waarin iedereen in het onderwijs met trots, professionaliteit enplezier zijn of haar werk kan doen in een vitale sector. De huidige, ongelijkverdeelde tekorten en het toekomstbeeld maken duidelijk dat eenintegrale meerjarige aanpak van het grootste belang blijft.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,K.M. BeckingDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,G. Moes59In het voorjaar van 2026 worden de regelingen hiervoor gepubliceerd en kunnen scholen zichaanmelden. In augustus 2026 kunnen de scholen hiermee van start.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51815 moties en toezeggingen voortgangsbrief lerarenstrategiedecember 2025Motie/toezeggingStand van zakenActieplan Frans en DuitsAmendement van het lid Stoffer (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 70)Toezegging: TZ202504-134Na de zomer 2025 geeft de Minister uitvoering aan het amendementvan het lid Stoffer over middelen voor een actieplan talenstudies(Kamerstuk 36 600-VVIII-63) en zal de Kamer hierover na de zomer 2025informeren.Tijdens de laatste begrotingsbehandeling is het amendement van deheer Stoffer (SGP) aangenomen om € 100.000 beschikbaar te stellenvoor een actieplan om de positie van de universitaire opleidingen Fransen Duits te verstevigen en de opleidingen toekomstbestendig te maken,ook met het oog op het lerarentekort in deze schoolvakken.Hierbij is overeen gekomen dat dit actieplan uitwerking kan krijgenbinnen het bestaande sectorplan Talen & Culturen, dat onderdeeluitmaakt van de sectorplannen in het wo. Hier hechtte de Minister vanOCW waarde aan om de administratieve lasten voor de onderwijs-instellingen zo laag mogelijk te houden. De Minister heeft het Decanen-overleg Letteren en Geesteswetenschappen (DLG) gevraagd om meteen voorstel te komen voor de invulling van het amendement.Het DLG deelt het doel van het amendement, namelijk een duurzaamlandelijk aanbod voor het Frans en Duits. Zij heeft het voorstel gedaanom de middelen in te zetten op een externe adviesvraag over hoe defaculteiten hier tot een gezamenlijke aanpak op kunnen komen, datbreed gedragen, toekomstbestendig en uitvoerbaar is. Hierbij hebben zijook oog voor zowel de behoeften van hoofdvakstudenten als zijinstro-mers, om zo ook de route naar de lerarenopleidingen te ondersteunen.De Minister van OCW is positief over dit plan en de middelen zijndaarom toegekend. Wij beschouwen hiermee het amendement alsuitgevoerd en de toezegging afgedaan.Passende maatregelen voor meer academisch geschoold personeel inhet funderend onderwijsMotie van het lid Rooderkerk (Kamerstuk 27 923, nr. 501)Motie ID 2503De Tweede Kamer verzoekt de regering passende maatregelen tenemen voor meer academisch geschoold personeel in het funderendonderwijs, bijvoorbeeld via een minimumaandeel, verbetering rond deinschaling door scholen, doorgroeimogelijkheden, professionaliserings-mogelijkheden op school, en/of door lessen te trekken uit landen zoalsFinland en EstlandAcademisch geschoolde leraren kunnen van grote toegevoegde waardevoor het onderwijs zijn, bijvoorbeeld om een brug te slaan tussen denieuwste wetenschappelijke inzichten en de praktijk. Het aantrekken enbehouden van academisch geschoold personeel maakt deel uit van debrede maatregelen om meer leraren aan te trekken en te behouden. Erworden geen maatregelen genomen die puur gericht zijn op het indienst nemen van academici in plaats van andere bevoegde leraren.Daarvoor is het lerarentekort namelijk te nijpend. Daarnaast is elkeschool ook weer anders. Het is aan scholen zelf om tot een voor hengoede mix te komen van goed onderwijspersoneel, waaronder ookacademisch geschoolde leraren. Het behouden van leraren, waaronderacademisch geschoolde leraren vraagt om goed personeelsbeleid. Methet wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid wordt dat gestimuleerd.Het aantal academische leraren, alsmede ook het opleidingsniveau ende inschaling monitoren we en maken we jaarlijks inzichtelijk op zowelschool- als landelijk niveau.1 Daar is bijvoorbeeld de trend te zien dathet aantal leraren in het basisonderwijs met een WO-master deafgelopen jaren gestegen is van 2,1% in 2013 naar 4,5% in 2023.Meer mannen voor de klasMotie van de leden Ceder c.s. (Kamerstuk 27 923, nr. 467)De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg met onderwijsor-ganisaties tot concrete afspraken te komen om het aandeel mannenvoor de klas te verhogen, daar een concreet doel voor te stellen,bijvoorbeeld 30% meesters in 2035, en daar jaarlijks over te rapporte-ren.Motie van het lid Van Zanten c.s. (Kamerstuk 27 923, nr. 469)De Tweede Kamer verzoekt de regering te inventariseren in hoeverre deaanbevelingen uit het in opdracht van het Ministerie van OCW doorResearchNed uitgevoerde onderzoek «Meer Meesters?» zijn uitgevoerden een plan van aanpak op te leveren voor de aanbevelingen die nogactie behoeven.Recent heeft het LOBO een streefpercentage afgesproken van 30% metbetrekking tot de instroom van mannelijke studenten op de pabo’s. Inhet kader van meer mannen en diversiteit op de opleidingen enuiteindelijk in de school juichen we deze afspraak zeker toe. De AlliantieDivers voor de Klas is betrokken bij deze afspraken en faciliteert,bijvoorbeeld via een netwerkbijeenkomst, uitwisseling op de meester-lijke tips en de aanbevelingen uit het onderzoek Meer Meesters. Op hetgebied van meer mannen is dit jaar de man-vrouw-verdeling onderzij-instroom in beroep opgenomen in de Trendrapportage. Uit de cijfersblijkt dat dit jaar 27% van de toegekende aanvragen voor het pobestond uit mannen. Dit percentage is hoger dan het aandeel mannenin het po (13%).Verplichte leeslijst met jeugdliteratuurMotie van het lid Kisteman (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 81)Motie ID 2648De Tweede Kamer verzoekt de regering om de invoering van eenverplichte leeslijst met Nederlandse jeugdliteratuur te betrekken bij deherijking van de kennisbasis taal en te bespreken in het opleidingsbe-raad en verzoekt de regering voorts de Kamer daarover te informerenvia de halfjaarlijkse brief lerarenstrategie.De reactie op deze motie is opgenomen in de brief, onder het themaAantrekken en Opleiden, meer specifiek onder het kopje Opleidingsbe-raad. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie en kan deze alsafgedaan worden beschouwd.BijlageTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51816 Motie/toezeggingStand van zakenGesprek over kinderboeken en jeugdliteratuur in curriculumMotie van het lid Rooderkerk (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 80)Motie ID 2352De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met pabo’sen lerarenopleidingen over hoe kinderboeken en jeugdliteratuur eenstevigere plek krijgen in het curriculum.De reactie op deze motie is opgenomen in de brief, onder het themaAantrekken en Opleiden, meer specifiek onder het kopje Opleidingsbe-raad. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie en kan deze alsafgedaan worden beschouwd.Verkenning cijfers klassengrootteToezegging: TZ202510-129De Staatssecretaris doet een verkenning naar de huidige cijfers van deklassengrootte en zal de Tweede Kamer hier voor de zomer van 2026over informerenIn de bijlage met de titel Trendrapportage staat een analyse over deleraar-leerling ratio en over de groepsgrootte (paragraaf 1.2, p 27 enverder). Hierin is een figuur opgenomen met de ontwikkeling van hetgemiddeld aantal leerlingen per groep in het basisonderwijs, berekendover groepen 3 t/m 8. In 2024 was de gemiddelde groep 23 leerlingen. Invergelijking met 2014 is er bijna geen verschil. In de periode 2021–2023waren de gemiddelden wel iets lager. Dat heeft waarschijnlijk te makenmet de extra financiële bijdrage die scholen ontvingen voor het NPO.LerarentoetsToezegging: TZ202502-091Inzake de lerarentoets en de gesprekken hierover: hierover wordt in hetHerstelplan ingegaan in het tweede kwartaal van 2025, hierin komt ookinformatie over het dashboard.Over de lerarentoets wordt de Kamer nader geïnformeerd in samen-hang met de motie Van Zanten/Rooderkerk (27 923-503). Het herstelplanis niet meer aan dit kabinet, zoals ook toegelicht in de beantwoordingbij de begrotingsbehandeling.2 Het dashboard is meegezonden metdeze Kamerbrief. Daarmee beschouwen we deze toezegging alsafgedaan.Wetsvoorstel Versterken inspraak leraren en schoolleidersToezegging: TZ202510-125Bij de voortgangsbrief lerarenstrategie van december 2025 wordt deTweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het aange-kondigde wetsvoorstel Versterken inspraak leraren en schoolleiders.In de brief wordt een korte procesupdate gegeven. Het dashboard bevatdaarnaast een nadere toelichting op de stand van zaken van hetwetsvoorstel. Met deze informatievoorziening wordt voldaan aan detoezegging.Prioriteit lerarentekort en aanpak basisvaardigheden in beleidfunderend onderwijsMotie van de leden Pijpelink en Rooderkerk (Kamerstuk 36 560 VIII,nr. 8)Motie ID 2335De Tweede Kamer (constaterende dat het lerarentekort en de achteruit-gang van de beheersing van de basisvaardigheden tegenwoordig inNederland ernstige bedreigingen vormen voor de onderwijskwaliteit;van oordeel dat het niet valt te verwachten dat deze problemen zich dekomende tijd vanzelf gaan oplossen;) verzoekt de regering om deaanpak van deze problemen de komende tijd de hoogste prioriteit tegeven in het beleid voor het funderend onderwijs.Over het Masterplan basisvaardigheden heeft uw Kamer onlangs eenaparte Kamerbrief ontvangen. Dat betekent niet dat het Masterplanbasisvaardigheden en de aanpak leraren/lerarenstrategie gescheidentrajecten zijn: de relatie tussen de twee aanpakken is evident. Alleen metvoldoende en goed toegeruste leraren en schoolleiders heeft de aanpakvoor basisvaardigheden immers kans van slagen. Daarom hebben dezetwee onderwerpen, basisvaardigheden en personeel, voor mij dehoogste prioriteitWetsvoorstel SPA (Strategisch Personeelsbeleid Arbeidsmarktmaatre-gelen)Motie ID: 2616Toezegging ID: 4797 over wetsvoorstel SPAToezegging ID: 5143 over wetsvoorstel SPAToezegging: 202510-126Het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatre-gelen wordt naar verwachting in het voorjaar van 2026 naar de TweedeKamer gestuurd.Het streven is om het wetsvoorstel SPA (Strategisch PersoneelsbeleidArbeidsmarktmaatregelen) in het voorjaar van 2026 naar de TweedeKamer te sturen.Professionele richtlijn stimulerenMotie van het lid Stoffer (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 104)Overwegende dat het voor de versterking van de status van hetvakmanschap van de leraar essentieel is dat degenen die lerarenbesturen, beoordelen en opleiden uit ervaring weten wat het geven vanonderwijs in de praktijk betekent; constaterende dat sprake is van eengroeiende groep mensen die in het onderwijs werkt, maar die geenervaring heeft met het geven van onderwijs; verzoekt de regeringsamen met het onderwijsveld te werken aan een professionele richtlijndie bevordert dat leidinggevenden, lerarenopleiders en inspecteurs zelfervaring hebben en houden met het geven van onderwijs.Zoals in de vorige brief aangegeven, zijn er gesprekken gevoerd overhet creëren van meer hybride functies voor leraren, schoolleiders enwetenschappers. In de Amsterdamse Onderwijsregio loopt momenteeleen pilot waarin dergelijke hybride banen worden gerealiseerd.Wanneer lerarenopleiders parttime voor de klas staan, snijdt het mesaan twee kanten: dit komt zowel de onderwijskwaliteit voor leerlingenals de opleiding van studenten ten goede. Parallel daaraan wordtonderzoek uitgevoerd naar de praktische en professionele mogelijkhe-den en belemmeringen van hybride functies, en worden handvattenontwikkeld voor een inductieprogramma voor lerarenopleiders.Dergelijke initiatieven worden nauwlettend gevolgd en, waar nodig,ondersteund. Tegelijkertijd ligt hier ook een verantwoordelijkheid bijwerkgevers en werknemers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51817 Motie/toezeggingStand van zakenAlternatieven voor externe inhuurMotie van de leden Westerveld c.s. (Kamerstuk 27 923, nr. 505)Constaterende dat er in 2023 in het primair en voorgezet onderwijs ruim1 miljard euro is uitgegeven aan het inhuren van docenten en anderonderwijspersoneel; overwegende dat het niet wenselijk is dat publiekonderwijsgeld terechtkomt bij commerciële uitzend- en detacheringsbu-reaus, die verdienen aan de krapte op de onderwijsmarkt en die zelfsverergeren; constaterende dat het onderwijsveld zelf al alternatievenheeft opgezet om niet meer afhankelijk te zijn van dure externe inhuur,door bijvoorbeeld binnen de onderwijsregio af te spreken niet meerextern in te huren of door zelf invalpools te creëren; verzoekt deregering om in gesprek te gaan met het onderwijsveld om te kijken hoedeze goede voorbeelden breder bekend kunnen worden gemaakt en tefaciliteren dat ze op korte termijn worden ingezetVoor de zomer is uw Kamer geïnformeerd over de eerste acties die zijnuitgezet naar aanleiding van de motie. Voorbeelden van invalpools inhet primair onderwijs zijn opgehaald en gedeeld binnen de infrastruc-tuur van de onderwijsregio’s en verder zichtbaarheid gemaakt viasociale media en de website www.onderwijsregio.nlDaarnaast is met een aantal onderwijsregio’s een business caseuitgewerkt voor het opzetten van een vervangingspool in het VO. Dezebusiness case is inmiddels beschikbaar voor alle onderwijsregio’s en isonder meer bij de Landelijke Praktijkdag Onderwijsregio’s onder deaandacht gebracht bij de onderwijsregio’s. Een negental onderwijsre-gio’s heeft aangegeven hiermee aan de slag te gaan de komende jaren.Ook zullen de lessons learned uit deze business-case en uit andereinvalpools worden gedeeld en worden onderwijsregio’s, die willenstarten met een inval- of vervangingspool, op weg geholpen worden.Aandacht voor orde houden en klassenmanagementToezegging: TZ202503-115In het Herstelplan komt aandacht voor het orde houden en klassenma-nagement en in het vervolg hiervan meer aandacht hiervoor in delerarenopleidingen (voor de zomer).De aandacht voor klassenmanagement zal worden meegenomen in hetproces van het opleidingsberaad leraren. Het herstelplan is niet meeraan dit kabinet, zoals ook toegelicht in de beantwoording bij de begro-tingsbehandeling.3 Daarmee beschouwen we de toezegging alsafgedaan.Wettelijke ontheffing van verplichte aantal schooldagen en vakantiewe-kenMotie van het lid Bisschop (Kamerstuk 31 293, nr. 467 )mede op basis van ervaringen van de ERiO experimenteerscholen teverkennen in hoeverre met het oog op het bieden van passendonderwijs een wettelijke ontheffing van het verplichte aantal schoolda-gen en vakantieweken nodig en mogelijk is die met kwalitatievewaarborgen is omgeven.De resultaten van het experiment Ruimte in Onderwijstijd (ERiO), datzich onder andere richt op de effecten van het aanpassen van dewettelijke eisen rondom vakantieweken in het primair onderwijs, staanhieronder kort beschreven. ERiO en ook het vervolg van ERiO richt zichechter niet specifiek op het passend onderwijs. In het kader van passendonderwijs wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor meer ruimte voormaatwerk. Dit voorstel maakt het mogelijk onder andere mogelijk voorleerlingen met een aanvullende ondersteuningsbehoefte als gevolg vanfysieke of psychische oorzaken een aangepast onderwijsprogrammaaan te volgen. Met ERiO (gericht op de brede wettelijke eisen rondomschoolvakanties in het po) en het wetsvoorstel voor meer ruimte voormaatwerk voor meer ruimte (gericht op passend onderwijs) wordtinvulling gegeven aan de motie.Tweede tussenrapport evaluatie onderwijsregio’sToezegging: TZ202402-158In december 2024 ontvangt de Tweede Kamer een evaluatie (eerstetussenrapportage) naar de effectiviteit van de Onderwijsregio’s.In reactie op de toezegging dat uw Kamer de opbrengst van deevaluatie naar de effectiviteit van de onderwijsregio’s ontvangt, is metde Kamerbrief van juli «25 de eerste tussenrapportage naar deeffectiviteit van onderwijsregio’s verstuurd. Met deze brief ontvangt ude tweede tussenrapportage.4 Voor deze rapportage zijn de programma-managers van de onderwijsregio’s bevraagd en zijn er gesprekkengevoerd met focusgroepen van lerarenopleidingen, leraren enschoolleiders als vertegenwoordiging van de beroepsgroep. Inalgemene zin laat deze rapportage veelbelovende ontwikkelingen enresultaten zien. Het beleid lijkt merkbaar bij te dragen aan het versterkenvan de regionale samenwerking, het inspelen op lokale behoeften enhet verbeteren van de beschikbaarheid van onderwijspersoneel. Eenovergrote meerderheid van de respondenten oordeelt positief over desamenwerking tussen schoolbesturen en opleiders binnen hunonderwijsregio. De structurele betrokkenheid van leraren en schoollei-ders in de verbinding met de onderwijspraktijk verdient nog aandacht.Het bundelen van subsidies in de regeling voor de onderwijsregio’s enhet daarmee doorsnijden van oude geldstromen heeft geleid tot meersamenhang in financiering. De uitkomsten laten zien dat veel regio’s alkorte termijn opbrengsten zien zoals versterkte samenwerking en beterebegeleiding van starters. Voor het inschatten van de lange termijnimpact, zoals duurzaam behoud van personeel en structurele verminde-ring van tekorten lijkt het nog te vroeg. Dit wordt meegenomen in deopvolgende rapportages in 2026.Betrokkenheid van de lerarenorganisaties bij de onderwijsregio’s,Toezegging: TZ202510-134Bij de voortgangsbrief lerarenstrategie van december 2025 wordt deKamer geïnformeerd over de betrokkenheid van lerarenorganisaties bijde onderwijsregio’s.In de brief en in de bijlage bij deze brief informeer ik uw Kamer over debetrokkenheid van lerarenorganisaties bij de onderwijsregio’s.1 Zie de Functiemix database: Functiemix2 Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 173 Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 174 Berenschot (2025), Tweede tussenrapportage evaluatie onderwijsregio’s, december 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51818 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51819 onderzoeksresultatenTussenrapportage Pilot onderwijstijd VO60Achtergrond pilot onderwijstijdDe pilot onderwijstijd vo is gestart in schooljaar 2024 – 2025 en heeft eenlooptijd van twee jaar. Door het aanbieden van minder lesuren krijgenscholen en leraren(teams) meer ruimte voor ontwikkel- en voorberei-dingstijd met als doel dat hierdoor de kwaliteit van de lessen toeneemt ende werkdruk van leraren afneemt. In september 2024 is de eerste groepvo-scholen gestart met een andere inrichting van de onderwijstijd. Inaugustus van dit jaar is er een tweede groep scholen aan de slag gegaan.Tot het einde van de pilot wordt een monitoringsonderzoek uitgevoerd.Dit is de tussenrapportage, de eindrapportage wordt eind 2026 verwacht.TussenrapportageDe onderzoekers geven aan dat de tussentijdse resultaten vragen omnuance en voorzichtigheid in de interpretatie, onder andere omdat eenaanzienlijk deel van de scholen geen of beperkt gegevens heeft aange-leverd voor het onderzoek. Het tussenrapport heeft als doel om een eerstebeeld te geven bij de keuzes die scholen maken t.a.v. het anders inrichtenvan de onderwijstijd. De onderzoekers hebben de plannen, processen ende eerste effecten van de pilot geëvalueerd. Wat betreft de plananalyselaat de tussenrapportage zien dat scholen kiezen voor uiteenlopendeaanpakken zoals het verkorten van lesuren, vakoverstijgend werken of hetbieden van maatwerk. De vrijgekomen tijd wordt door deelnemendescholen besteed aan meer ontwikkel- en voorbereidingstijd voor leraren.Voor de procesanalyse concluderen de onderzoekers dat het initiatief omdeel te nemen aan de pilot vaak vanuit de schoolleiding komt. Hetpersoneel op deze scholen rapporteert dat ze betrokken worden bij depilot. Daarnaast kiezen deze scholen voor een evidence-informed aanpakdoordat er wetenschappelijk en eigen onderzoek wordt geraadpleegdnaast de ervaringen van andere scholen.Voor de effectmeting ligt in de tussenrapportage de focus op de invloedvan de pilot op uitkomsten gemeten onder leraren. De onderzoekerssignaleren o.a. dat de zorgen onder leraren over kwetsbare leerlingen zijntoegenomen. De onderzoekers geven aan dat dit een belangrijk signaal isom na te denken over de ervaren effecten van de pilot in relatie totkansengelijkheid.VervolgDe tussenrapportage geeft een eerste beeld van de plannen, processen eneffecten van de pilot onderwijstijd vo. Zoals de onderzoekers ookaangeven, is het van belang om de eerste resultaten met voorzichtigheidte interpreteren. Naar aanleiding van de tussenrapportage gaan we ingesprek met de sociale partners, waaronder over de bevindingen t.a.v.kansengelijkheid.De effecten van de verschillende aanpakken van de scholen binnen depilot worden in kaart gebracht met de eindrapportage. Daadwerkelijkeresultaten en duiding daarvan wordt verwacht met de eindrapportage dieaan het einde van de pilot wordt opgeleverd, waaronder de effecten vande verschillende aanpakken op de leerprestaties en het welbevinden vande leerlingen.60www.aanpaklerarentekort.nl/documenten/2025/12/09/tussentijdse-rapportage-pilot-onderwijstijdBijlageTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51820 Reactie op onderzoek curricula voltijdopleidingen tot leraarbasisonderwijsInleidingIn opdracht van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie)hebben onderzoekers van de Radboud Universiteit (hierna: de RU) eeninventariserend onderzoek uitgevoerd naar de curricula van 47 voltijd-routes die opleiden tot leraar basisonderwijs, verzorgd door 27 bekostigdehogescholen en universiteiten. Het onderzoeksrapport is op 9 septembergepubliceerd.61 Graag reageren wij hierbij op het onderzoek, lichten wijtoe op welke manier er wordt gewerkt aan de kwaliteit van lerarenoplei-dingen en hoe de onderzoeksresultaten daarin passen.Onderzoeksvraag en -opzetDe onderzoeksvraag luidde: Hoe zien de curricula van de voltijdse hbo- enuniversitaire routes naar het leraarschap primair onderwijs in Nederlanderuit met betrekking tot inhoud, omvang, onderwijsvorm en toetsing?Deze vraag is beantwoord via een systematische analyse van schriftelijkedocumenten die door de opleidingen zijn aangeleverd. Het gaat daarbijom studiegidsen, modulehandleidingen, toetsbrochures en toetsma-trijzen. De leerdoelen vormden de basis voor het inventariseren van deinhoud. De onderwijseenheden waren het uitgangspunt voor omvang (instudiepunten), onderwijsvorm en toetsing. Inhoudelijke analyse vondplaats op basis van de bekwaamheidseisen en de wettelijk vastgesteldevakgebieden.OnderzoeksresultatenGeconcludeerd wordt onder andere «dat leraren aan het eind van hunopleiding uiteenlopende kennis en vaardigheden meekrijgen en dat demeeste routes de bekwaamheidseisen niet volledig hebben verwerkt in deleerdoelen van hun onderwijseenheden.»62 Ook blijkt dat opleidingenverschillende onderwijsvormen toepassen en uiteenlopende manierenvan toetsing hanteren. Gesteld wordt dat onduidelijk is met welke kennisen vaardigheden startende leraren het onderwijs instromen, en datdaardoor scholen en besturen professionalisering in de inductiefase nietaltijd doelgericht kunnen inzetten. De onderzoekers geven aan geenuitspraken te doen over de effectiviteit of kwaliteit van de curricula. Ookworden methodologische beperkingen benoemd die de representativiteiten betrouwbaarheid mogelijk hebben beïnvloed, waaronder de afhanke-lijkheid van aangeleverde documentatie en de moeilijk te interpreterenleerdoelen. Hieronder plaatsen wij de bevindingen van het onderzoek inperspectief van reeds ingezet beleid.Lerarenopleidingen van goede kwaliteitKwalitatief goede lerarenopleidingen zijn van essentieel belang om dekwaliteit van het onderwijs in het po, v(s)o en mbo te borgen en verder teversterken. De kwaliteit van de lerarenopleidingen is geborgd in hetaccreditatiestelsel zoals dat geldt voor alle opleidingen in het hogeronderwijs. Opleidingen worden elke zes jaar door een onafhankelijk panelvan deskundigen beoordeeld op meerdere standaarden. Standaard 161Bijlsma, H. J. E., & Bosman, A. M. T. (2025), Inventarisatie curricula voltijdroutes naar hetleraarschap primair onderwijs. Radboud Universiteit en Inspectie van het Onderwijs. Hetgehele rapport is te raadplegen via: Rapport Inventarisatie curricula voltijdroutes naar hetleraarschap primair onderwijs | Inspectie van het onderwijs62Bijlsma, H. J. E., & Bosman, A. M. T. (2025), p. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51821 beslaat de beoogde leerresultaten63, die moeten aansluiten bij actueleeisen die worden gesteld aan de inhoud van de opleiding en – voor zoverdat van toepassing is – in overeenstemming zijn met relevante wet- enregelgeving. Voor de lerarenopleidingen gaat dat om de wettelijkebekwaamheidseisen64. Het panel onderbouwt zijn beoordeling in eenadviesrapport en op basis daarvan besluit de NVAO65 over de accreditatie.Uit de accreditatie van lerarenopleidingen blijkt dat de algehele kwaliteitop orde is. Dat betekent o.a. dat is vastgesteld dat de opleidingen voldoenaan de gestelde eisen m.b.t. zowel de beoogde als de gerealiseerdeleerresultaten. Ons huidige stelsel biedt ruimte aan instellingen omdaaraan op verschillende wijzen vorm te geven en accenten te leggen,passend bij eigen beleid en de behoeften van het afnemend werkveld. Hetis daarbij wel belangrijk dat opleidingen zichtbaar houden hoe zij voldoenaan de gezamenlijke basis die is vastgelegd in de bekwaamheidseisen ende kennisbases. Op dit moment bereiden instellingen zich voor op devolgende periodieke beoordeling van lerarenopleidingen en hebbendaarover overleg met de NVAO. Doelstelling van dat overleg is om in devisitaties een goed onderbouwd oordeel te krijgen over de mate waarin delerarenopleidingen voldoen aan de wettelijke bekwaamheidseisen.Reeds ingezet beleidAlhoewel de algehele kwaliteit van de lerarenopleidingen op orde is,hebben wij al eerder geconcludeerd dat het huidige stelsel van leraren-opleidingen en de landelijke kaders waartoe zij zich moeten verhouden tecomplex zijn geworden66. Het doel is daarom om beter zicht te krijgen ophoe de eisen die we landelijk stellen uitwerken op de inhoud vanopleidingen en vervolgens op de kwaliteit van afgestudeerde startbe-kwame leraren. De afgelopen jaren zijn al stappen in die richting gezet:1.De beroepsgroep van leraren heeft een advies uitgebracht voor meerrichtinggevende bekwaamheidseisen, het streven is dat die eisen in2027–2028 in werking treden.2.De hogescholen brengen focus aan in de landelijke kennisbases voorde pabo, de herijkte kennisbases wordt naar verwachting vanaf2026–2027 in de opleidingen geïmplementeerd.3.Het Opleidingsberaad Leraren voert meer gezamenlijk – met deberoepsgroep, werkgevers en lerarenopleiders – regie op ontwikkelin-gen in relatie tot de lerarenopleidingen.4.We onderzoeken met lerarenopleidingen basisonderwijs hoe er focuskan worden aangebracht en de overladenheid in de curricula kanworden teruggebracht. Dit project loopt door in 2026.Het belang van deze reeds ingezette lijn blijkt ook uit het advies«Bekwaamheid beter borgen»67 waarin de Onderwijsraad de grotevariëteit aan opleidingsroutes waardeert en tegelijkertijd constateert datde kwaliteitsborging van deze routes op verschillende manieren is63De volledige beschrijving van Standaard 1 is: De beoogde leerresultaten passen bij het niveauen de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroe-penveld en het vakgebied en op internationale eisen. De beoogde leerresultaten beschrijvenaantoonbaar het niveau (associate degree, bachelor of master) zoals gedefinieerd in hetNederlands kwalificatieraamwerk en de oriëntatie (hbo of wo) van de opleiding. Ze sluitenbovendien aan bij de actuele eisen die vanuit het regionale, het nationale en het internationaleperspectief door het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van deopleiding. Voor zover van toepassing zijn de beoogde leerresultaten tevens in overeen-stemming met relevante wet- en regelgeving.64Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel, zie: https://wetten.overheid.nl/BWBR0018692.65De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie. Voor meer informatie over de procedures,zie: https://www.nvao.net/nl/procedures/nederland.66Dit is een van de uitkomsten van de in december 2023 gepubliceerde Verkenning Lerarenoplei-dingen, zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/12/15/bijlage-4-samenvatting-uitkomsten-verkenning-lerarenopleidingen-docx.67https://www.onderwijsraad.nl/documenten/2025/01/17/bekwaamheid-beter-borgenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51822 ingericht. De raad adviseert de bekwaamheid van aanstaande lerarenbeter te borgen met toereikende wettelijke kaders die voor álle leraren-opleidingen gelden, zodat de eisen aan de bekwaamheid van de leraarvoldoende specifiek zijn en de bekwaamheid degelijk wordt getoetst.Naar aanleiding van onze gesprekken met het onderwijsveld en het adviesvan de Onderwijsraad zijn begin juli aanvullende maatregelen aange-kondigd die verder moeten bijdragen aan meer eenduidigheid:1.Toewerken naar één leidend kader voor álle lerarenopleidingen. Datbiedt de zekerheid dat leraren na afronding van een lerarenopleidingbekwaam zijn om goed onderwijs te geven.2.Onderzoeken hoe vakspecifieke eisen kunnen worden opgenomen inregelgeving. Dat draagt bij aan de borging van het kennisniveau vannieuwe leraren.3.In de beoordeling van aankomende leraren moet er explicietaandacht zijn voor het kennisniveau en er komt meer eenduidigheidin de praktijkbeoordeling.AfsluitendDe resultaten van het in opdracht van de Inspectie uitgevoerde onderzoekkunnen worden benut in het doorlopende gesprek binnen en tussenopleidingen over het curriculum en de kwaliteitsborging in relatie tot dewettelijke eisen. Wij hebben waardering voor de opleiders die in eendynamisch veld leraren zo goed mogelijk voorbereiden en toerusten ophun belangrijke taak. Met het veld blijft het ministerie de komende tijdwerken aan al eerder aangekondigde maatregelen: één leidend kader voorálle lerarenopleidingen, waarbij we onderzoeken hoe we ook vakspeci-fieke onderdelen kunnen opnemen in de regelgeving. Op korte termijnworden er met de herijking van de bekwaamheidseisen al goede stappenin die richting gezet doordat de eisen concreter en specifieker zijngeformuleerd. Dit draagt uiteindelijk bij aan meer eenduidigheid in decurricula van de opleidingen, het beter zichtbaar kunnen maken van hoedeze eisen in de curricula zijn verwerkt en het kwaliteitstoezicht daaropdoor de NVAO. De resultaten van het onderzoek van de RadboudUniversiteit onderstrepen het belang hiervan.ArbeidsmarkttoelageDe arbeidsmarkttoelage (AMT) is een toelage op het salaris van onder-wijspersoneel en heeft als doel om de arbeidsmarktpositie van scholenmet veel kwetsbare leerlingen te versterken. De AMT wordt toegekendaan 15% van de vestigingen in het po en vo met relatief de meesteleerlingen met een vergroot risico op onderwijsachterstanden.In 2025 is de selectie van vestigingen die de AMT ontvangen geactuali-seerd. In 2026 blijft de selectie van vestigingen die de AMT ontvangengelijk, met verwerking van fusies en opheffingen.Het CPB heeft de AMT in de eerste twee schooljaren geëvalueerd.68 Hier isUw Kamer eerder over geïnformeerd.69 Naar aanleiding hiervan ben ik ingesprek gegaan met sociale partners over de invulling van de AMT.Besluitvorming over de invulling van de AMT is aan een volgend kabinet.68Zie https://www.cpb.nl/effecten-arbeidsmarkttoelage-nationaal-programma-onderwijs-2021-202369Kamerstuk 27 923, nr. 514 Voortgangsbrief lerarenstrategie juli 2025 | Kamerstuk | Rijksover-heid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51823 Tweede tussenrapport evaluatie onderwijsregio’sMet deze brief ontvangt u de tweede tussenrapportage evaluatieonderwijsregio’s opgesteld door Berenschot.70 Voor deze rapportage zijnde programmamanagers van de onderwijsregio’s bevraagd en zijn ergesprekken gevoerd met focusgroepen van lerarenopleidingen, leraren enschoolleiders als vertegenwoordiging van de beroepsgroep. In algemenezin laat deze rapportage veelbelovende ontwikkelingen en resultaten zien.Het beleid lijkt merkbaar bij te dragen aan het versterken van de regionalesamenwerking, het inspelen op lokale behoeften en het verbeteren van debeschikbaarheid van onderwijspersoneel. Een overgrote meerderheid vande respondenten oordeelt positief over de samenwerking tussenschoolbesturen en opleiders binnen hun onderwijsregio. De structurelebetrokkenheid van leraren en schoolleiders in de verbinding met deonderwijspraktijk verdient nog aandacht. Het bundelen van subsidies inde regeling voor de onderwijsregio’s en het daarmee doorsnijden vanoude geldstromen heeft geleid tot meer samenhang in financiering. Deuitkomsten laten zien dat veel regio’s al korte termijn opbrengsten zienzoals versterkte samenwerking en betere begeleiding van starters. Voorhet inschatten van de lange termijn impact, zoals duurzaam behoud vanpersoneel en structurele vermindering van tekorten lijkt het nog te vroeg.Dit wordt meegenomen in de opvolgende rapportages in 2026.Monitorings- en evaluatieonderzoek van Experiment Ruimte inOnderwijstijd POHet rapport «Andere tijden», monitorings- en evaluatieonderzoek vanERiO 2020–2025, uitgevoerd door SEO en Oberon.71 Uit onderzoek blijktdat scholen tevreden zijn met de geboden ruimte voor individueleaandacht en maatwerk. Tegelijkertijd zijn er ook uitdagingen voorwerkdruk en de vraag of iedere leerling baat heeft bij meer flexibeleonderwijstijden. Ten aanzien van vakanties en verlof blijken specifiekerandvoorwaarden voor succes te gelden, zoals werken met individueleleerlijnen. Naar aanleiding van het experiment blijkt geen significantelagere of hogere kwaliteit van onderwijs te ontstaan. Zoals in de vorigevoortgangsbrief Lerarenstrategie aangekondigd krijgt ERiO een vervolginclusief aanvullend onderzoek. De inzichten uit dit rapport zullen daarinworden meegenomen.Evaluatie Regeling vaststelling schoolvakantiesHet rapport «Vaste kaders, vrije dagen» over de evaluatie van enverkenning van mogelijke alternatieven voor de Regeling vaststellingschoolvakanties, uitgevoerd door Sardes en SEO.72 Uit dit onderzoek blijktdat respondenten73 verbeterpunten zien voor de regeling, die volgens eendeel niet meer geheel aansluit bij de tijd, maar tegelijkertijd de regelingniet ingrijpend te willen veranderen, om het onderwijs niet op te zadelenmet grote veranderingen. Ook wordt de duidelijkheid die de regeling biedtgewaardeerd. Hetgeen uit de evaluatie naar voren komt geeft geenaanleiding om de regeling wezenlijk aan te passen. In het rapport worden70Berenschot (2025), Tweede tussenrapportage evaluatie onderwijsregio’s, december 202571SEO & Oberon (2025), Tijden veranderen? Evaluatie experiment ruimte in onderwijstijd2020–2025 (eindrapport), Amsterdam 2025 Andere tijden | Rapport | Rijksoverheid.nl72Razenberg, Modhej, Marthaler (2025), Vaste kaders, vrije dagen. De regeling vaststellingschoolvakanties: evaluatie en verkenning van mogelijke alternatieven, Sardes september 2025Vaste kaders, vrije dagen. De Regeling vaststelling schoolvakanties: evaluatie en verkenningvan mogelijke alternatieven.73Landelijke onderwijspartijen, zoals PO-raad en VO-raad, vakbonden, Ingrado en CvTE; scholen;ouderorganisaties; vervoer- en consumentenorganisaties; toeristische sector; bedrijfsleven enministeries.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51824 ter overweging twee concrete verbeterpunten van de regeling geopperd.Allereerst wordt voorgesteld de tweede week meivakantie centraal vast testellen, maar uit het rapport blijkt geen consensus of dit wenselijk is enwelke week het dan zou moeten worden. Deze suggestie wordt daaromniet overgenomen. Daarnaast wordt gepleit voor het bieden van meerflexibiliteit rondom de vastgestelde schoolvakanties in de vorm van één ofenkele vrije dagen voor of na een vakantie. In het voortgezet onderwijs ishiervoor nu reeds enige wettelijke ruimte. De ervaringen met hetExperiment Ruimte in de Onderwijstijd (ERiO) bieden hiervoor ook in hetprimair onderwijs in de toekomst wellicht mogelijkheden. Ook dezeaanbeveling vormt daarom geen aanleiding om de regeling aan te passen.Reactie op stelselonderzoek door de Inspectie van het Onderwijsnaar zij-instroom in beroep voor docenten in het mboDe Inspectie van het Onderwijs heeft onderzoek uitgevoerd naarzij-instroom in het beroep voor docenten in het mbo het PDG-traject(Pedagogisch-didactisch scholingstraject).74 Dit is de belangrijkste enomvangrijkste opleidingsroute voor mbo-docenten en levert jaarlijks ruim900 nieuwe mbo-docenten op. Goed opgeleide mbo-docenten zijn eencruciale factor voor het leveren van kwalitatief goed onderwijs.In het onderzoeksrapport stelt de inspectie een aantal succesfactoren vastvoor het mbo.75 Zij constateert een goede kwaliteitscultuur en betrokkenteams. Mbo-instellingen hebben een visie op geschiktheid en investerenin de landingsperiode van een PDG’er, waarin wordt nagegaan of dekandidaat past in de school en geschikt is als docent. Daarbij wordenPDG’ers begeleid door ervaren en voldoende gekwalificeerde docenten.De inspectie heeft tevens aandachtsgebieden geformuleerd op het gebiedvan het beoordelen van de geschiktheid van zij-instromers, het vaststellenvan de benodigde scholing en begeleiding, vakdidactiek en de rechtspo-sitie van zij-instromers.In reactie op de bevindingen van de inspectie is het punt beoordeling vande geschiktheid van kandidaten opgepakt door de VerenigingHogescholen, het Landelijk Vakoverleg PDG en de MBO Raad. Zij hebbenbij de herijking van de landelijke afspraken over de uitvoering van hetpdg-traject in het Landelijk Raamwerk PDG en het Kwaliteitskader mboaanscherpingen opgenomen voor de beoordeling van de geschiktheid vankandidaten.76OCW gaat in gesprek met de Vereniging Hogescholen, het LandelijkVakoverleg PDG en de MBO Raad om te bepalen op welke wijze deaandachtsgebieden inzake het vaststellen van de benodigde scholing enbegeleiding en het leveren van maatwerktrajecten en vakdidactiek wordenopgepakt.Daarnaast heeft OCW de versterking van de aandacht voor vakdidactiekvoor mbo-docenten al meegenomen in de herijking van de bekwaam-heidseisen.74Inspectie van het Onderwijs, Zij-instroom in het beroep van docent in het mbo (pdg).Stelselonderzoek ten behoeve van het toezicht op zij-instroom in het beroep van docent in hetmbo, Utrecht september 2025 Rapport Zij-instroom in Beroep van docent in het mbo |Inspectie van het onderwijs75Alle ho-instellingen, die het pdg-traject aanbieden zijn onderzocht. Voor het mbo heeft de IvhO6 mbo-instellingen bezocht. Voor het mbo beperken de resultaten zich daardoor tot eenverkenning.76Landelijk Raamwerk PDG en het Kwaliteitskader mboTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51825 Tussenrapportages werkdrukmiddelen vo77Werkdruk blijft een belangrijk thema voor zowel leraren als schoolleiders,en vraagt om een samenhangende inzet op meerdere fronten. In dezeparagraaf komen drie onderling verbonden onderdelen aan bod: definanciële middelen om werkdruk te verlagen, het monitoringsonderzoekdat volgt hoe deze middelen worden ingezet en aanvullend onderzoeknaar de werkbelasting van schoolleiders. Samen geven deze inzichten eenbreder beeld van hoe scholen werkdruk ervaren, welke maatregelen effecthebben, en welke randvoorwaarden nodig zijn om zowel leraren alsschoolleiders beter in staat te stellen hun werk goed en met plezier tedoen.Sinds 2022 is structureel € 300 miljoen beschikbaar voor het verminderenvan de werkdruk in het voortgezet onderwijs. Hiervan wordt € 150 miljoencollectief ingezet, waarbij schoolteams jaarlijks gezamenlijk bepalen welkemaatregelen worden genomen om werkdruk te verlagen. De overige€ 150 miljoen vormt een individuele component, waarmee medewerkerszelf keuzes kunnen maken voor werkdrukverlichtende maatregelen. Decollectieve middelen worden voornamelijk ingezet voor extra personeel,zoals verzuimcoördinatoren, onderwijsassistenten en ondersteuning bijsurveillances tijdens pauzes. De individuele middelen worden vooralgebruikt voor het opnemen van verlofdagen.Tot en met 2027 wordt een monitoringsonderzoek uitgevoerd dat jaarlijkseen tussenrapportage oplevert.78 Uit de eerste tussenrapportage blijkt datscholen in het voortgezet onderwijs al langere tijd actief zijn met hettreffen van werkdrukverlagende maatregelen. Het merendeel van descholen heeft inmiddels een collectief werkdrukplan opgesteld. Scholengeven aan dat het initiatief hiervoor vaak bij de PMR en/of de school-leiding ligt. Tegelijkertijd blijkt dat het niet alle scholen lukt om leraren enandere medewerkers voldoende te betrekken bij de dialoog over de inzetvan de middelen. Vooral onderwijzend en onderwijsondersteunendpersoneel geeft aan dat zij onvoldoende worden meegenomen in debesluitvorming over de collectieve maatregelen.Tot slot heeft Centerdata onderzoek79 gedaan naar de werkbelasting vanschoolleiders in het po en vo en de ruimte die schoolleiders in hun werkhebben om leiding te geven aan schoolontwikkeling. Het onderzoek laatzien dat schoolleiders veel tijd kwijt zijn aan werkzaamheden rondverantwoording en personeelstekorten. Zij geven aan dat zij graag meertijd zouden willen besteden aan leidinggeven aan de school als lerendeorganisatie. Tegelijkertijd is er een groep schoolleiders die door het makenvan scherpe keuzes hier wel tijd voor weet te creëren. De opleiding vanschoolleiders, grootte van de schoolorganisatie en ondersteuning doorhet bestuur lijken hierbij belangrijke voorwaarden. Het lerarentekort eneen uitdagende leerlingpopulatie vormen ook belemmeringen om totschoolontwikkeling te komen. De resultaten van dit onderzoek nemen wemee in maatregelen die schoolleiders ondersteunen in het leidinggevenaan de school als lerende organisatie.77Oberon (2025), Werkdruk in beeld. Monitor regeling werkdrukverlichting voortgezet onderwijs:meting 2025, Utrecht december 2025 Definitieve rapportage werkdrukmiddelen VO – meting2025 | Aanpak Lerarentekort78Zie voor rapportage 2024Monitoronderzoek Werkdrukmiddelen – Tussenrapportage 2024 |Aanpak Lerarentekort79MOOZ, CAOP, Centerdata, Fontys, Samen groeien: werkbelasting van schoolleiders en deschool als lerende organisatie. Onderzoek naar lerend leiderschap in basisonderwijs,voortgezet onderwijs en gespecialiseerd onderwijs, november 2025. Met deze brief ontvangt udit onderzoek als bijlage.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51826 Werkdruk in het onderwijs – Oversampling National EnquêteArbeidsomstandigheden – december 202580In de Nederlandse Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) verzamelenTNO en CBS gegevens over de werksituatie van werknemers inNederland. Binnen de NEA kunnen we verschillende sectoren enberoepsgroepen onderscheiden. Het Ministerie van OCW heeft gevraagdom extra deelnemers te verzamelen uit de onderwijssector, met name uithet primair onderwijs en het voortgezet onderwijs. Deze «oversampling»van onderwijswerknemers vindt al plaats sinds 2018.TNO onderzoekt of er verschil is in werkdruk voor verschillende groepen,zoals het onderwijstype (primair onderwijs en voortgezet onderwijs), hettype school (wel of geen achterstandsschool en wel of geen school in G5gemeente), verschillende functies (management, docenten en onderwijs-ondersteunend personeel) en achtergrondkenmerken van de werknemers(leeftijd, geslacht, werkervaring, parttime/fulltime, wel/geen overwerk).Een van de belangrijkste indicatoren van werkdruk is de combinatie vanhoge taakeisen en lage autonomie, oftewel stressvol werk. Wanneer wealleen naar deze indicator kijken zien we het hoogste aandeel onder POdocenten die wel eens overwerken (44,7%) en docenten in achterstands-scholen (44,5%) PO docenten in G5 scholen (44,1%), jonge PO docenten(t/m 35 jaar; 44%) en PO docenten die voltijd werken (42,6%)Voor deze groepen – maar ook voor de docenten in het VO – geldt dat zijvaker aangeven dat zij erg snel moeten werken, heel veel werk moetendoen en dat zij extra hard moeten werken (taakeisen). Tegelijkertijd gevenzij minder vaak aan dat zij zelf kunnen beslissen hoe zij het werkuitvoeren, de volgorde van hun werkzaamheden zelf kunnen bepalen, zelfhet werktempo kunnen regelen en zelf oplossingen kunnen bedenken(autonomie).Er zijn nauwelijks substantiële verschillen gevonden in de trend inwerkdrukindicatoren tussen PO en VO, tussen de verschillende functie-types in het onderwijs en tussen diverse achtergrondkenmerken vanwerknemers. In alle onderwijstypes is het aandeel werknemers datbehoefte heeft aan maatregelen tegen werkdruk/werkstress afgenomen, inhet PO en MBO is dit sterker afgenomen dan in het VO.Tot slot blijkt dat de werknemers met de meeste burn-outklachtendocenten in het VO zijn (31,9%), met name de docenten die in het VO ineen G5 gemeente werken (37,2%). Er zijn over de jaren heen geensubstantiële verschillen in de stijging of daling van de burn-outklachtentussen PO en VO, tussen de verschillende functietypes binnen hetonderwijs en tussen verschillende achtergrondkenmerken.80TNO 2025 R12885 Rapportage Werkdruk in het Onderwijs 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51827
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.