Kabinetsvisie waterstofdragers
Brontekst
Versie 4fd2022d554b2cbb · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 813Kabinetsaanpak Klimaatbeleid31 239Stimulering duurzame energieproductie29 023Voorzienings- en leveringszekerheid energieNr. 1424 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI ENDE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 22 november 2024Voor het behalen van de klimaatdoelen werken overheden en bedrijvenhard aan de energie- en grondstoffentransitie. Nederland heeft een goedebasisinfrastructuur, onder andere omdat onze zeehavens aantrekkelijk zijnvoor import en doorvoer van goederen en stoffen, waaronder waterstof-(dragers). Hierbij gaat het niet alleen om het voorzien in onze eigenbehoeften, maar ook in die van Noordwest-Europa, in het bijzonderDuitsland.Waterstof en waterstofdragers1 zijn van groot belang als grondstof enbrandstof voor de verduurzaming van de industrie, de mobiliteit en deelektriciteitsproductie. Om aan de verwachte vraag te kunnen voldoen, iszowel binnenlandse productie als import nodig2. Idealiter vindt op termijneen deel van die import plaats via een Europees buisleidingennet voorwaterstofgas verbonden met landen in en rondom Europa. De import vanwaterstof uit verder gelegen gebieden zal naar verwachting echter perschip plaatsvinden en vooral in de vorm van vloeibare waterstof ofwaterstofdragers. Deze vormen van waterstof zijn gemakkelijker per schipte vervoeren dan gasvormige waterstof. Het kabinet gaat ervan uit dat ditzal leiden tot een mix van importstromen met meerdere waterstofdragersen typen eindgebruik naast elkaar. Elke waterstofdrager heeft voor- ennadelen in relatie tot publieke belangen zoals gehanteerd in het NPE:betaalbaar, economisch krachtig, betrouwbaar, veilig, duurzaam,rechtvaardig, participatief, ruimte en milieu. Ook verschillen waterstof-1De visie richt zich op waterstofdragers waarover op dit moment de meeste informatiebeschikbaar is: vloeibare waterstof (liquid hydrogen, LH2), ammoniak, twee LOHC’s (tolueen-methylcyclohexaan (MCH) en dibenzyltolueen-perhydrodibenzyltolueen (DBT)), methanol engekoeld vloeibaar synthetisch methaan (liquid synthetic methane (LSM), soms ook aangeduidals e-LNG of e-methaan). Daarnaast is natriumboorhydride (NaBH4) onderzocht, waarvan detechnologie nog in ontwikkeling is.2Kamerstuk 29 023, nr. 431, Kamerstuk 29 023, nr. 512 kst-32813-1424ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14241 dragers in de mate waarin onderdelen van hun toeleveringsketens voormeerdere toepassingen geschikt zijn3. Het is belangrijk dat bij detoekomstige beleidskeuzes over het al dan niet stimuleren of ontmoe-digen van bepaalde waterstofdragers rekening wordt gehouden met aldeze aspecten en met de belangen en mogelijkheden van betrokkenen.Daartoe dient deze visie.Met deze brief informeren wij u mede namens de Minister van Volkshuis-vesting en Ruimtelijk Ordening over de kabinetsvisie waterstofdragers.Onderdeel van deze visie is de herijking van het kabinetsstandpunt overhet vervoer van ammoniak uit 2004. Deze visie en herijking zijn aange-kondigd in de Kamerbrieven van 17 maart 20234 en 26 april 20245. De visiebouwt voort op het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE)6 en schetst devoorkeuren en aandachtspunten van het kabinet bij de inzet van vloeibarewaterstof en waterstofdragers. De visie biedt een kader van waaruit hetkabinet gaat sturen met maatregelen. We verwachten dat ook andereoverheden en stakeholders dit kader gaan hanteren. De sturingsopties endaarbij behorende maatregelen, zoals ruimtelijke sturing en vormen vanoverheidsondersteuning, worden meer gedetailleerd uitgewerkt in hetvervolgproces. Hierop wordt aan het eind van deze brief ingegaan.De visie samengevatDe essentie van de visie is dat het kabinet veel ruimte biedt voor de inzetvan waterstofdragers bij de energie- en grondstoffentransitie én voorondersteuning daarvan door de overheid. Dat geldt met name voor dekorte termijn. Op de middellange en lange termijn wil het kabinetnadrukkelijker sturen omdat eindgebruikers dan naar verwachting – meerdan nu – de keuze hebben uit verschillende waterstofdragers en devervoersmodaliteiten die daarbij in beeld komen.Vanuit breed maatschappelijk perspectief ziet het kabinet een belangrijkerol voor vloeibare waterstof en vloeibare organische waterstofdragers(LOHC’s7), in het bijzonder bij conversie naar waterstofgas in de import-haven. Er is ook veel potentie voor methanol en vloeibaar synthetischmethaan (LSM), mits gebruik wordt gemaakt van duurzame koolstof8.Het kabinetsstandpunt over ammoniakvervoer uit 2004 is herijkt in hetlicht van de energie- en grondstoffentransitie. Door dit standpunt teverbreden en te nuanceren ontstaat een vollediger beeld van wat hetkabinet wel en niet gewenst vindt. Het kabinet ziet voor ammoniak eenduidelijke rol bij het opbouwen van een mondiale markt voor waterstof,maar ziet ook de nadelen van deze waterstofdrager, met name bij deverwachte toename van opslag en vervoer door Nederland. Het kabinetgeeft daarom bij ammoniak de voorkeur aan eindgebruik of conversie inde zeehavens en zo ver als mogelijk van bewoond gebied. Doorvoer istoegestaan, mits veilig, en vindt bij voorkeur plaats in geconcentreerdestromen via een buisleiding of binnenvaart. Fijnmazige distributie vanammoniak door Nederland en uitbreiding van doorvoer per spoor of wegis ongewenst, maar niet geheel te vermijden. Zeker zolang een alternatiefontbreekt, laat de visie hier ruimte voor als tijdelijke dan wel als terugval-3Adaptiviteit: een kleinere kans op desinvesteringen (stranded assets) of lock-ins.4Kamerstuk 32 813, nr. 11925Kamerstuk 32 813, nr. 13856Kamerstuk 32 813, nr. 13197Liquid organic hydrogen carrier (LOHC). Waterstof kan hieraan worden gebonden en op deplaats van bestemming weer worden onttrokken.8Koolstof uit duurzame biogrondstoffen, afgevangen CO2 (uit de lucht of uit puntbronnen) enrecyclaten. De EU Richtlijn hernieuwbare energie stelt voorwaarden aan koolstofgebruik.Duurzame koolstof is potentieel schaars. Het NPE bevat uitgangspunten voor een zohoogwaardig mogelijke inzet. Vooral bij de inzet van hernieuwbare koolstof – uit biogene bronof afgevangen uit de lucht – zijn op ketenniveau grote CO2-reducties te bereiken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14242 optie en zoveel mogelijk via de Betuweroute. Het kabinet is positiever overandere waterstofdragers dan over ammoniak, vooral op middellange enlange termijn als er meer waterstofdragers en vervoersmodaliteitenbeschikbaar zijn. Hoewel het marktaandeel van die waterstofdragers optermijn mogelijk groter wordt dan dat van ammoniak, zal de markt voorammoniak die de eerste jaren wordt opgebouwd in absolute zin naarverwachting blijven bestaan.Afbakening en totstandkoming van de visieAfbakeningMet deze visie geeft het kabinet een onderbouwing van de mate waarin,de wijze waarop en de voorwaarden waaronder we stromen waterstof-dragers in en door Nederland willen faciliteren en eventueel stimuleren.Specifiek wordt gekeken naar invoer, op- en overslag, eventuele conversienaar waterstofgas, en doorvoer van waterstofdragers binnen Nederland.Verwacht wordt dat het grootste deel van de vraag naar waterstof(d-ragers) komt van bedrijven (eindgebruikers) in de industrie, elektriciteits-opwekking en mobiliteit. De visie richt zich daarom vooral op de toeleve-ringsketen voor bedrijven in die sectoren en sluit aan op het al lopendebeleid gericht op de verduurzaming van (de installaties van) dezebedrijven.Gezien de grote onzekerheid over het precieze verloop van de energie- engrondstoffentransitie bestaat er nog geen duidelijkheid over de preciezeaard, de omvang en het tijdpad van de vraag naar waterstof(dragers) invoornoemde sectoren. Ook vinden er nog allerlei technologischeinnovaties en optimalisaties plaats in de uiteenlopende ketens. Hierdoorzijn de voor- en nadelen van verschillende waterstofdragers continu inbeweging. Dit vormt een uitdaging voor partijen in de (toekomstige)toeleveringsketens en vraagt om adaptief overheidsbeleid. Tegelijkertijdvragen marktpartijen en medeoverheden om politieke richting. Met devoorliggende visie geeft het kabinet zoveel mogelijk duidelijkheid overhaar voorkeuren voor bepaalde combinaties van waterstofdragers,eindgebruik en vervoersmodaliteiten. De weging van de publiekebelangen die hieraan ten grondslag ligt biedt daarin stabiliteit. Evenals hetNPE zal de visie op waterstofdragers periodiek worden geactualiseerd.Afstemming en stakeholderparticipatieDeze visie is tot stand gekomen op basis van een intensieve samen-werking tussen de Ministeries van Klimaat en Groene Groei en Infra-structuur en Waterstaat in afstemming met meerdere ministeries9,medeoverheden (provincies, gemeenten, omgevingsdiensten enveiligheidsregio’s), bedrijven in de keten (havenbedrijven, eindgebruikers,vervoerders, op- en overslagbedrijven, technologie- en energieleveran-ciers), kennisinstellingen en andere belangenvertegenwoordigers. Huninput biedt samen met de onderzoeksrapporten en andere publicaties eengedegen informatiebasis voor deze visie.Over de beleidsvorming voor waterstofdragers is er ook contact metbuurlanden België en Duitsland en met de Europese Commissie. Deverwachting is dat de aandacht voor de voor- en nadelen van waterstof-dragers Europees zal toenemen, bijvoorbeeld als onderdeel van import-strategieën die landen en de Europese Unie ontwikkelen. Met het9Specifiek: Economische Zaken, Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening, Justitie en Veiligheiden Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Tevens heeft via deze ministeriesafstemming plaatsgevonden met hun toezichthouders en uitvoeringsorganisaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14243 Europees uitdragen van deze visie beogen we bij te dragen aan een zoveelmogelijk consistente aanpak.Onderbouwende onderzoeken en analysesDe Kamer is in 202110 en 202311 geïnformeerd over twee voorgaandestudies naar de verschillen in omgevingsveiligheid tussen waterstof-dragers en de te verwachten volumes. Afgelopen jaar is in opdracht vanhet Ministerie van Klimaat en Groene Groei een multi-criteria analyse(MCA) Vergelijking waterstofdragers uitgevoerd waarin ketens van diversewaterstofdragers zijn beoordeeld op de publieke belangen zoals eerdergenoemd in deze brief. Het rapport van de MCA is bijgevoegd bij dezeKamerbrief en vormt samen met onder andere de in april met de Kamergedeelde maatschappelijke kosten en baten vergelijking (MKBV waterstof-dragers)12 een belangrijke bouwsteen voor deze kabinetsvisie. In hetVerdiepingsdocument beoordeling waterstofdragers – dat ook een bijlageis bij deze Kamerbrief – leest u meer over de MCA (methode, belangrijksteuitkomsten) en de relatie met enkele andere relevante onderzoeken.Wijze van beleidsmatig beoordelenOm te komen tot de visie zijn de waterstofdragers uit de MCA beoordeeld,waarbij is gedifferentieerd naar de verschillende manieren en locaties vanhet eindgebruik. Zo maakt het verschil of de waterstofdrager direct wordtgebruikt of wordt geconverteerd naar waterstofgas en of het gebruik alsgrondstof betreft of als brandstof. Ook de geografische locatie vanactiviteiten en de omvang van de vraag spelen een rol.De beoordeling heeft primair plaatsgevonden op basis van de voor- ennadelen van de waterstofdragers in relatie tot de publieke belangen uit hetNPE. Hierbij is rekening gehouden met de mate waarin bedrijven(eindgebruikers) alternatieven tot hun beschikking hebben; hoe flexibel zijzijn in de keuze voor waterstofdragers en vervoersmodaliteiten. Ookspeelt de tijdshorizon een rol. Op langere termijn zijn er naar verwachtingmeer alternatieven, zowel in termen van beschikbare waterstofdragers alsin termen van vervoersmodaliteiten (waaronder buisleidingen). Tot slotzijn ook bestaande beleidsuitgangspunten meegewogen13.Belangrijkste beleidsmatige bevindingenEen gedetailleerde toelichting op de analyse en beoordeling van dewaterstofdragers treft u in het bijgevoegde Verdiepingsdocumentbeoordeling waterstofdragers. Hieronder benoemen wij de belangrijkstebevindingen.Algemene voorkeurenUit de analyse en beoordeling van waterstofdragers komen in algemenezin drie voorkeuren naar voren:1.Locatie. Voorkeur voor de zeehaven als locatie voor direct eindgebruikof conversie naar waterstofgas, voor zover dit ruimtelijk kan wordeningepast en zo ver als mogelijk van bewoond gebied. Hiermee wordennegatieve effecten voorkomen van doorvoer zoals energiegebruik en10Kamerstuk 32 813, nr. 93811Kamerstuk 32 813, nr. 119212Kamerstuk 32 813, nr. 138513Onder andere de wens dat Nederland de rol van energiehub blijft vervullen (NPE), de inzet opdiversificatie van waterstofdragers, de kaders voor het verantwoord omgaan met veiligheid engezondheid in de energietransitie en de centrale principes ten aanzien van ruimte(gebruik) inde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het voorontwerp Nota Ruimte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14244 emissies, veiligheidsrisico’s, (infrastructuur)kosten en eventuelecongestie van vervoersmodaliteiten.2.Vervoersmodaliteit. In algemene zin is de preferentievolgorde: 1. buis,2. binnenvaart, 3. spoor en 4. weg. Er gelden nuanceringen op basisvan de aard van de stof, toepassing, hoeveelheden en toegankelijkheid/ haalbaarheid per modaliteit. Elke modaliteit heeft zijn eigen functie; erblijft een mix van vervoersmodaliteiten bestaan. Zeehavens kunnenhun doorvoerfunctie alleen vervullen als er ook goede achterlandver-bindingen zijn.3.Gebruiksvorm. Voorkeur voor direct gebruik van waterstofdragers,zonder conversie naar waterstofgas. Dit voorkomt energieverlies,emissies én extra ruimtegebruik of veiligheidsrisico’s als gevolg vanconversiefaciliteiten. Deze voorkeur geldt niet voor ammoniakgebruikals brandstof, vanwege de specifieke stofeigenschappen. In het gevaldat direct gebruik in de haven niet mogelijk is en een voldoende veiligeammoniakbuisleiding ontbreekt, gaat de voorkeur uit naar conversienaar waterstofgas in de haven en doorvoer daarvan via hetwaterstofnet.De genoemde voorkeuren zijn niet altijd tegelijk te realiseren. Niet iedereeindgebruiker bevindt zich immers in een zeehaven of kan direct gebruikmaken van een waterstofdrager. Niet alle eindgebruikers hebben toegangtot alle vervoersmodaliteiten, zowel geografisch als op basis van deomvang van hun vraag. In bijgaand Verdiepingsdocument zijn devoorkeuren per geval van eindgebruik toegepast en waar relevant tegenelkaar afgewogen. In welke mate er voldoende ruimte is voor activiteitenin de havengebieden moet nog blijken. Binnen het programma Novexwordt momenteel gekeken naar de ruimtelijke opgaven in onder anderede havengebieden.Visie gerelateerd aan waterstofdragersHet kabinet biedt met deze visie een kader om met alle typen waterstof-dragers op een verantwoorde manier bij te dragen aan de energie- engrondstoffentransitie. De visie biedt ruimte om dat als overheid actief teondersteunen, in het bijzonder op de korte en de middellange termijn. Opde langere termijn wegen de voor- en nadelen van bepaalde waterstof-dragers zwaarder, omdat eindgebruikers dan naar verwachting – meerdan nu – de keuze hebben uit verschillende waterstofdragers en vervoers-modaliteiten.Voor alle waterstofdragers geldt dat stappen in de toeleveringsketenverder moeten worden ontwikkeld. In het ene geval is dat de productie, inhet andere geval het vervoer of de conversie naar waterstofgas.Vooralsnog komen stromen van hernieuwbare stoffen veelal ook bovenopde bestaande fossiele stromen. Dit betekent dat in belangrijke matenieuwe fabrieken, zee- en binnenvaartschepen en opslagtanks moetenworden gebouwd om capaciteit te creëren. Dit geldt ook voor bestaandetechnologie en voor stoffen die al op relatief kleine schaal wordenvervoerd. Op termijn zullen voorzieningen voor fossiele stromen ruimtemaken voor nieuwe (duurzame) activiteiten en voor hergebruik.Het kabinet heeft een positief oordeel ten aanzien van LH2, LOHC’s,methanol en LSM, zoals onderbouwd in het Verdiepingsdocumentbeoordeling waterstofdragers. Ammoniak heeft een eigen positie. Daaropwordt later in deze brief dieper ingegaan, met name in de paragraaf overde herijking van het kabinetsstandpunt over ammoniak uit 2004.Hieronder benoemen we enkele specifieke aandachtspunten voor deandere waterstofdragers.1.LH2 scoort in de MCA vanuit breed maatschappelijk perspectief hetbest. LH2 kan na aankomst in Nederland relatief efficiënt, schoon enmet beperkt ruimtelijk beslag worden omgezet naar waterstofgas. InzetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14245 op grote schaal kent nog uitdagingen, zoals de vereiste koeling, dewaterstof die ondanks goede isolatie verdampt (boil-off) en dedoorvoer per binnenvaartschip, die op dit moment volgens interna-tionale regelgeving niet is toegestaan.2.LOHC’s zijn afgeleiden van aardolieproducten die op dit moment alworden gebruikt in de industrie. Dit biedt mogelijkheden voorhergebruik van bestaande infrastructuur. LOHC’s scoren in de MCAhoog op de publieke belangen veilig en duurzaam. Waterstof kan aanLOHC’s worden gebonden en bij aankomst op bestemming weerworden onttrokken. Hierbij is sprake van een retourstroom van dedrager. Deze retourstroom vereist in Nederland extra opslagcapaciteit.De beschouwde LOHC’s maken gebruik van zogenoemde ZeerZorgwekkende Stoffen (ZZS). Dit is een aandachtspunt, al zijn deLOHC’s op zichzelf geen ZZS. Er zijn momenteel verschillende typenvan LOHC’s in ontwikkeling, ook zonder ZZS-componenten.3.Methanol hoeft niet gekoeld te worden, heeft geen retourstroom enwordt momenteel al veelvuldig gebruikt in de industrie. Het is eenrelatief makkelijke stof om op te slaan en te vervoeren. Methanolverschilt niet wezenlijk van andere brand- en grondstoffen die reeds opgrote schaal door Nederland worden vervoerd en leidt daardoorminder tot nieuwe beleidsvragen. Wel wordt methanol geproduceerdop basis van koolstof. Duurzame koolstof is potentieel schaars.Methanol behoort in de MCA op alle publieke belangen tot de bestscorende waterstofdragers, met uitzondering van duurzaamheid.Wanneer gebruik gemaakt wordt van hernieuwbare koolstof, komtmethanol er over de hele linie als beste waterstofdrager uit. Methanolis een giftige stof, maar het eventueel vrijkomen in de omgeving leidtniet tot een gifwolk.4.LSM is het hernieuwbare equivalent van LNG (vloeibaar aardgas). LSMkan gebruik maken van bestaande infrastructuur, zoals LNG-terminalsen in de vorm van methaangas van ondergrondse gasopslag en hetaardgasnet. Methaan wordt net als methanol geproduceerd op basisvan potentieel schaarse duurzame koolstof. De productie van LSM opindustriële schaal is nog in ontwikkeling. De productiekosten van LSMzijn momenteel hoger dan die van andere waterstofdragers. Methaane-missies in de toeleveringsketen dienen tot een minimum te wordenbeperkt aangezien methaan een sterk broeikasgas is. In de MCA heeftde toeleveringsketen met methaangas uit LSM de maatschappelijkhoogste score voor de opwekking van elektriciteit.Uit de onderzoeken blijkt dat methanol en LSM belangrijke maatschappe-lijke voordelen hebben ten opzichte van andere waterstofdragers, voorzowel het intercontinentale vervoer als doorvoer binnen Nederland.Verduurzaming van eindgebruik via deze stoffen vraagt wel een verdereontwikkeling en monitoring van de duurzame koolstofketen. Eencombinatie van productie op basis van hernieuwbare koolstof enCO2-afvang (CCS) bij eindgebruik kan op termijn bijdragen aan hetrealiseren van negatieve CO2-emissies (koolstofverwijdering). Afgevangenkoolstof kan ook als duurzame grondstof worden benut.Voor een overstap op volledig hernieuwbare ketens ziet het kabinet voorde korte en middellange termijn vooral een rol voor LH2 en LOHC’s.Gezien de uitdagingen voor grootschalige doorvoer leent LH2 zich vooralvoor centrale conversie naar waterstofgas en voor distributie vanwaterstof op kleinere schaal, zoals voor de mobiliteit. LOHC’s kunnen ookworden gebruikt voor grootschaliger doorvoer, vooral voor eindge-bruikers die (nog) niet zijn aangesloten op een buisleidingennet voorwaterstofgas.Vanwege de beperkte technologievolwassenheid, wordt op de korte enmiddellange termijn geen significante rol verwacht voor natriumboorhy-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14246 dride (NaBH4). Gezien het internationale verbod op bulkvervoer van destof, zouden eventuele toepassingen zich vooralsnog ook richten opspecifieke niches.Kabinetsstandpunt ammoniakAmmoniak heeft in deze brief een eigen paragraaf vanwege het bestaandekabinetsstandpunt over ammoniakvervoer uit 2004. Verder geldt datammoniak – als enige van de beschouwde waterstofdragers – bij eenvoorval of ongeval een gifwolk kan vormen met beperkt handelingsper-spectief voor hulpverleners en omwonenden én dat er bij een (scheeps-)ongeval grote milieuschade kan ontstaan. Belangrijke aandachtspuntenbij ammoniakopslag en -vervoer zijn daarom veiligheid14 en de impact opruimte en milieu.Bevindingen gerelateerd aan ammoniakHet kabinet ziet dat veel van de mondiaal aangekondigde projecten metintercontinentaal transport van waterstof zich richten op ammoniak. Dezewaterstofdrager maakt het mogelijk om op relatief korte termijn tegenconcurrerende kosten de CO2-uitstoot van eindgebruikers te reduceren.Daarbij zijn de investeringsrisico’s relatief klein ten opzichte van anderewaterstofdragers, omdat ammoniak reeds mondiaal wordt verhandeld enop meerdere manieren kan worden gebruikt. Ammoniak is relatiefgemakkelijk op te slaan en te vervoeren. De onderzoeksrapporten enanalyses maken echter ook duidelijk dat er alternatieven voor ammoniakzijn, die tot voor kort minder in beeld waren en wel potentieel hebben.Hun marktaandeel is op termijn mogelijk ook groter dan dat vanammoniak. In absolute zin zal de markt voor ammoniak die de komendejaren wordt opgebouwd naar verwachting wel blijven bestaan.Uit de analyses blijkt dat ammoniak een geschikte waterstofdrager kanzijn voor eindgebruik of conversie naar waterstofgas in de importhaven.Eventuele doorvoer van ammoniak naar het binnenland of verder inNoordwest-Europa kan het beste plaatsvinden via een buisleiding, mitsdeze leiding aan specifieke voorwaarden voldoet. De visie biedt daaromruimte voor het tijdelijk stimuleren van ammoniakkrakers in de import-haven en voor het faciliteren van de totstandkoming van ammoniakbuis-leidingen door de overheid. Vanwege het op korte termijn ontbreken vanalternatieve waterstofdragers en vervoersmodaliteiten – biedt de visie ookruimte om tijdelijk de ontwikkeling van decentrale (kleinschalige)toepassingen van ammoniak te accepteren. In het bijzonder decentraleconversie naar waterstofgas op plaatsen waar (nog) geen aansluiting ophet waterstofnet beschikbaar is, mits de aanvoer plaatsvindt viabinnenvaart.Doorvoer van ammoniak via andere modaliteiten dan een buisleidingscoort in de MCA minder goed, onder andere vanwege risico’s op hetgebied van transportveiligheid, omgevingsveiligheid en ruimtebeslag. Alshet gaat om decentrale toepassingen en fijnmazigere vervoersstromendoor Nederland beoordeelt het kabinet ammoniak daarom over hetalgemeen minder positief dan andere waterstofdragers. Daarbij ismeegewogen dat een versnippering van ammoniakactiviteiten doorNederland extra uitdagingen met zich meebrengt in termen van vergun-14Hierbij gaat het om de risico’s en kosten met betrekking tot omgevingsveiligheid, transportvei-ligheid en cybersecurity en terrorisme. Door de sector wordt – in samenwerking met deoverheid – gewerkt aan het vergroten van de veiligheid en de beleving daarvan, zoals via hetactualiseren van de richtlijn voor het veilig opslaan en verladen van ammoniak in de Publica-tiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS-12).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14247 ningverlening, toezicht en handhaving, en risico- en crisisbeheersing. Deveiligheidsregio’s zullen zich moeten gaan voorbereiden op nieuwe typenen frequenties van risico’s binnen de incidentbestrijding. Samen metonder andere het Ministerie van Justitie en Veiligheid zal nader onderzoekplaatsvinden naar de potentiële gevolgen van een incident met waterstof-dragers en de (on)mogelijkheden voor incidentbestrijding om risico’s vooromwonenden en hulpverleners te beheersen.Herijking kabinetstandpunt ammoniakvervoer (2004)Hoewel de kans op een voorval zeer klein is, is in de ministerraad van22 december 2004 een standpunt vastgesteld met betrekking tot hetvervoer van ammoniak door Nederland. Dit standpunt stelt onder anderedat: «ammoniakvervoer, vooral over het spoor, zoveel als mogelijk wordtingekrompen en dat nieuwe ammoniakstromen afhankelijk van hunmaatschappelijke kosten en baten worden beperkt.» Rekening houdendmet de gerichte stromen ammoniak die toen aan de orde waren is destijdsgekozen voor het principe van ruimtelijke clustering van activiteiten metammoniak, zodat er weinig vervoer door het land behoefde plaats tevinden. Dit beleid heeft er toe geleid dat de vervoerstromen sterk zijngereduceerd.Het standpunt uit 2004 wordt met deze brief herijkt omdat ammoniak eenduidelijke rol kan spelen bij de energie- en grondstoffentransitie. Dit leidttot een toename in het aantal marktpartijen dat zich met ammoniakbezighoudt, nieuwe gebruiksvormen en een toename van vervoers-stromen. Resultaat van de herijking is dat het kabinet op basis van deuitgevoerde onderzoeken en analyses het eerdere kabinetsstandpuntverbreedt en nuanceert. Dit doet het kabinet door te differentiëren naarverschillende vormen van eindgebruik, locaties en routes en dooronderscheid te maken tussen ontwikkelingen op de korte en langeretermijn. Bovendien wordt de modaliteit spoor (waarop in 2004 de focuslag) bezien in een bredere context van andere mogelijke modaliteiten.Deze verbreding is deels al verwerkt in de «algemene voorkeuren» alseerder vermeld in deze brief. Hieronder wordt ingegaan op de specifiekevoorkeuren met betrekking tot het vervoer van ammoniak.We merken daarbij op dat in 2004 nog geen onderscheid werd gemaakttussen gekoeld vloeibaar gemaakte (koude) ammoniak en gecompri-meerde (warme) ammoniak. In de voorliggende visie is uitgegaan van debestaande toeleveringsketens van ammoniak; namelijk dat de ammoniakgekoeld vloeibaar wordt geïmporteerd in zeeschepen en gekoeldvloeibaar wordt opgeslagen nabij de aanlandlocatie in de haven.Overslag, doorvoer en gebruik vindt in de regel in gecomprimeerdetoestand plaats. Vervoer in gekoeld vloeibare vorm over weg en spoor isnu vanuit internationale regelgeving niet toegestaan. Er is echter –vanwege de verwachte voordelen van dit type vervoer (voor wat betreftonder andere omgevingsveiligheid en energie-efficiëntie) – reden nader teverkennen of en onder welke condities de internationale regelgeving kanworden aangepast.Transport van ammoniak door buisleidingenIn het algemeen ziet het kabinet transport van gevaarlijke stoffen doorbuisleidingen als de relatief meest gewenste optie. Bij transport vanammoniak geldt dat ook, maar wel onder voorwaarden. Dat komt omdatbij een incident met een buisleiding potentieel grote volumes ammoniakvrij kunnen komen met als gevolg een relatief groot effectgebied. Ditbetekent dat een buisleiding voor ammoniak speciaal moet wordenvormgegeven en beveiligd. Daarbij kan worden gedacht aan faalkansTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14248 beperkende maatregelen, aan het beperken van de diameter van de buisen aan maatregelen gericht op het beperken van het uitstromend volumebij een ongeval. Het kabinet ziet het als redelijke consequentie dat dit leidttot extra kosten. Het kabinet ziet alleen een rol voor ammoniakbuislei-dingen bij hoofdtransport en binnen industrieclusters, niet voor distri-butie. Binnen de context van de Delta Rhine Corridor (DRC) verkennenprivate initiatiefnemers met ondersteuning van de Rijksoverheid demogelijkheden voor een ammoniakbuisleiding van Rotterdam naareindgebruikers in Duitsland. Ook loopt er een haalbaarheidsstudie naareen mogelijke aantakking op die ammoniakbuis vanuit het industrieclusterZeeland.Vervoer van ammoniak over waterNa vervoer via buisleidingen, wordt op basis van de huidige inzichten devoorkeur gegeven aan het vervoer via de binnenvaart. Mede gezien degrotere afstand tot bebouwing in vergelijking met spoor- of wegvervoer.Als bij dit vervoer de ammoniak gekoeld vloeibaar gehouden wordt, heeftdat naar verwachting additionele (veiligheid)voordelen. In de MCA scoortammoniakvervoer over water substantieel beter dan vervoer per spoor ofover de weg op het publiek belang Veilig. Vervoer over water is geschiktvoor relatief grote volumes ammoniak naar puntlocaties die via waterontsloten zijn. Punten van aandacht zijn risico’s van scheepsongevallenvoor mens en milieu, internationale regelgeving voor de binnenvaartenmogelijke vervoerbelemmeringen (bijvoorbeeld als gevolg van verande-rende waterstanden).Railvervoer van ammoniakDe volgende optie op de preferentieladder is vervoer via het spoor. Hetrailvervoer van gevaarlijke stoffen in Nederland kent een zeer hoogveiligheidsniveau vanwege de vergaande infrastructurele maatregelen enveiligheidsvoorzieningen aan de vervoersmiddelen. Tegelijkertijd moetworden geconstateerd dat het vervoer kan plaatsvinden dicht langs ofdoor dichtbevolkte gebieden. Nederland kent een grote woningbouw-opgave waarbij ook plannen bestaan in of nabij deze gebieden. Demogelijke effecten en de beheersbaarheid bij een voorval of ongeval bijhet vervoer van ammoniak rechtvaardigen dat het kabinet zich er voorinzet om:1.Nieuwe structurele stromen ammoniak over het spoor zoveelmogelijk te beperken;2.Eventueel ammoniakvervoer per spoor – met name vanaf Rotterdam– te laten plaatsvinden via de Betuweroute.Met het oog op leveringszekerheid willen ketenpartijen zo min mogelijkafhankelijk zijn van slechts één vervoersmodaliteit. Voor zover partijendaarbij kijken naar ammoniakvervoer per spoor heeft het kabinet devoorkeur dat dit uitsluitend als tijdelijke- dan wel als terugvaloptie wordtgezien én dat hierbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van deBetuweroute.Wegvervoer van ammoniakWegvervoer leent zich voor het vervoeren van kleine volumes naarlocaties die niet via een andere modaliteit te bereiken zijn. Aanvullend ophet genoemde standpunt voor spoor zet het kabinet zich er voor in omnieuwe structurele stromen ammoniak over de weg te beperken. Derisico’s van wegvervoer zijn immers groter dan bij railvervoer, met namevanwege de beduidend grotere kans op een ongeval door de aanwe-zigheid van ander verkeer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14249 Van visie naar uitvoering; vervolgactiesSturingsoptiesDeze visie dient als kader voor toekomstige beleidskeuzen15. Naastbeleidskeuzen van het Rijk gaat het ook om die van decentrale overhedenen andere betrokken partijen, zoals (haven)bedrijven, omgevingsdienstenen netbeheerders. Onderlinge afstemming over de (on)mogelijkheden omte sturen is dus nodig. Bij de uitwerking van concrete maatregelen zalwaar relevant bovendien aandacht zijn voor eventuele budgettaireconsequenties. In overleg met de hierboven genoemde betrokken partijenis een eerste inschatting gemaakt van de effectiviteit van verschillendesturingsopties en de bereidheid om deze in te zetten. Als beeld komtdaaruit naar voren dat er voor de korte termijn mogelijkheden liggen bijde invulling van ruimtelijke plannen, in combinatie met het al dan nietbieden van financiële en andere ondersteuning bij initiatieven. In de NotaRuimte zal de ruimtelijke impact van de uitwerking van deze visie een plekkrijgen.Inmiddels is een verkenning opgestart om het complete pakket aansturingsopties – met betrekking tot de visie – van het Rijk en van deandere betrokken partijen beter in kaart te brengen. Op basis daarvanzullen nadere afspraken worden gemaakt over de sturing in relatie tot devisie, waarbij oog zal zijn voor uitvoerbaarheid. De Kamer zal hierovermedio 2025 worden geïnformeerd.MonitoringHet kabinet geeft invulling aan adaptief beleid door met alle stakeholdersin gesprek te blijven. Verder bouwen we voort op de al bestaandecontacten met buurlanden en de Europese Commissie. Daarnaast is hetkabinet voornemens om zolang het beeld van de waterstofdragers nog inontwikkeling is periodiek (iedere 2–3 jaar) een vergelijkend onderzoek naarwaterstofdragers te laten uitvoeren waarin de meest actuele informatie eninzichten worden verwerkt16. Aanvullend zal in kaart worden gebrachtwelke innovatieve waterstofdragers17 worden ontwikkeld en waar hunpotentieel zit. Ook zal het kabinet de balans in kaart brengen en monitorentussen de import van Europees waterstofgas per buisleiding en de importvan waterstofdragers per schip; zowel in termen van hoeveelheden alstijdpad en impact op importterminals en vervoersmodaliteiten.Veiligheidsrichtsnoer en brede omgevingsverkenningIn het Veiligheidsrichtsnoer waterstofdragers18 worden de bestaandewettelijke kaders benoemd voor het omgaan met waterstofdragers. Hetrichtsnoer schetst op basis daarvan het handelingsperspectief voormedeoverheden in hun rol als bevoegd gezag. Het streven is om op korte15Naast het vervolg op het NPE en de Energienota kan worden gedacht aan de verdereuitwerking en uitvoering van onder andere de energiediplomatie waterstof, de Nota Ruimte enhet programma Novex, het Programma Energie-Hoofdstructuur (PEH), het beleidskaderBuisleidingen als transportsysteem, de Delta Rhine Corridor, het robuust Basisnet, hetNationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI), de agenda Goederenvervoer, hetMeerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) en de maatwerkafspraken metgrote industriële partijen.16Hierbij zal onder andere gebruik worden gemaakt van de inzichten uit het R&D-programmaHyTROS van GroenvermogenNL.17Bijvoorbeeld vaste waterstofdragers zoals natrium- en kaliumboorhydride, ijzerpoeder (ironfuel) en natronloog en verder andere/nieuwe LOHC’s en stoffen zoals mierenzuur, dimethyl-ether (DME), ethanol en etheen (ethyleen).18https://www.rvo.nl/onderwerpen/waterstof/richtsnoeren-waterstofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 142410 termijn in een tweede versie nadrukkelijker in te gaan op risicobeheersingen het omgaan met aandachtsgebieden (uit de Omgevingswet).Het richtsnoer adviseert medeoverheden om via een brede omgevingsver-kenning in beeld te brengen wat de potentiële cumulatieve effecten zijnvan toekomstige ontwikkelingen met waterstofimport in hun (haven)-gebied, en van de daarmee samenhangende activiteiten. In Rotterdam enZeeland is hier inmiddels mee gestart en neemt de provincie daarbij hetvoortouw. De verwachting is dat bepaalde effecten – in het bijzonder inrelatie tot doorvoer naar het achterland – lastig op regionaal niveau teduiden zijn. Deze vragen om een meer overkoepelende (landelijke)benadering. Daar zien wij een rol voor de Rijksoverheid en voor koepel-organisaties. Enerzijds door het inventariseren van beelden én wittevlekken die uit de regionale analyses naar voren komen, en anderzijdsdoor het oppakken van vraagstukken die op nationaal niveau geadres-seerd moeten worden. In overleg met de medeoverheden zal wordenbezien wat de mogelijke toegevoegde waarde is van een landelijkeeffectenstudie of knelpuntenanalyse.OpslagIn deze brief en in het Verdiepingsdocument beoordeling waterstofdragersis opslag van waterstofdragers bezien als onderdeel van de toeleverings-keten van specifieke bedrijven (opslag in tanks bij importterminals eneindgebruikers). Een analyse van de mogelijk bredere functie van deopslag van waterstofdragers zal het kabinet de komende tijd oppakken.Hierbij zal specifiek worden gekeken naar twee vormen van opslag:–De mate waarin bovengrondse opslag van waterstofdragers inopslagtanks een aanvulling kan zijn op de ondergrondse (seizoens)op-slag van waterstofgas19. Dit wordt in samenhang uitgewerkt met dedoor het kabinet aangekondigde visie op ondergrondse opslag vanwaterstofgas in zoutcavernes en lege gasvelden20.–Opslag als strategische reserve. Dergelijke reserves worden nu alleenaangehouden voor aardolieproducten.Internationale regelgevingHet kabinet wil samen met sectorpartijen de mogelijkheden verkennen ombinnen de internationale regelgeving eventuele doorvoer van ammoniakover weg en spoor mogelijk te maken in gekoeld vloeibare vorm in plaatsvan onder druk. Daartoe zal in kaart worden gebracht in welke mate ditleidt tot een verbetering van onder andere de omgevingsveiligheid en deenergie-efficiëntie van de toeleveringsketen en welke technischeuitdagingen daarbij bestaan. Verder biedt de visie reden om binnen deinternationale verdragen in te zetten op het per binnenvaart kunnenvervoeren van LH2.Tot slotMet deze brief geeft het kabinet haar visie op de maatschappelijkpreferente marktontwikkeling voor waterstofdragers met oog voor de19Relevante aspecten hierbij zijn de hoeveelheden die kunnen worden opgeslagen, de snelheid(capaciteit) waarmee deze hoeveelheden in het systeem kunnen worden gebracht én de matewaarin de geografische afstand tussen de opslag en eindgebruiker een rol speelt. Dezeaspecten zijn in het bijzonder relevant voor de toekomstige piekvraag van gasgestookteelektriciteitscentrales die ten behoeve van de verduurzaming van hun regelbare vermogenoverstappen op een CO2-vrije energiedrager zoals waterstof.20Regeerprogramma: uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet (Kamerstuk2024D33033). Het kabinet is voornemens deze visie begin 2025 met de Kamer te delen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 142411 beschikbaarheid van waterstofdragers en vervoersmodaliteiten op dekorte en middellange termijn. Het kabinet blijft zich daarbij sterk makenvoor een voortvarende energie- en grondstoffentransitie.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.T.M. HermansDe Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,C.A. JansenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 142412
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.