KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 6 februari 2025, over zoönosen en dierziekten

21 mrt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie c945c32064c346a0 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 683Dierziektebeleid25 295InfectieziektenbestrijdingNr. 304 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 21 maart 2025 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuuren de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op6 februari 2025 overleg gevoerd met mevrouw Agema, Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport, Vice-Minister-President, en mevrouwWiersma, Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,over:–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 4 juli 2024 inzake informatie over devogelgriepuitbraak in Duitsland op 2 juli 2024 (Kamerstuk28 807, nr. 301);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 12 juli 2024 inzake stand van zakenblauwtong en vogelgriep juli 2024 (Kamerstuk 28 807,nr. 302);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 19 juli 2024 inzake nationale bestrijdingIBR en BVD en enkele andere diergezondheidsonderwerpen(Kamerstuk 29 683, nr. 301);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 24 september 2024 inzake blauwtong:stand van zaken september 2024 (Kamerstuk 30 669, nr. 29);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 15 oktober 2024 inzake actuele vogel-grieponderwerpen (Kamerstuk 28 807, nr. 303);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 11 oktober 2024 inzake nieuw serotypeblauwtongvirus aangetoond in Nederland (Kamerstuk 30 669,nr. 30);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 25 oktober 2024 inzake actuele situatieblauwtongvirus serotype 12 (Kamerstuk 30 669, nr. 31);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 19 november 2024 inzake vogelgriepuit-braak in Putten op 18 november 2024 (Kamerstuk 28 807,nr. 304); kst-29683-304ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3041 –de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 20 november 2024 inzake landelijkeophok- en afschermplicht vogelgriep (Kamerstuk 28 807,nr. 305);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 18 december 2024 inzake stand van zakenveterinair antibioticabeleid 2024 (Kamerstuk 29 683, nr. 303);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 20 december 2024 inzake verzamelbriefdiergezondheid (Kamerstuk 28 286, nr. 1376);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 10 januari 2025 inzake brief over besmet-ting van waterbuffels met mond-en-klauwzeer in Duitsland(Kamerstuk 27 622, nr. 149);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 11 januari 2025 inzake brief inzake devoortgang besmetting van waterbuffels met mond-en-klauwzeer in Duitsland (Kamerstuk 27 622, nr. 150);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 15 januari 2025 inzake update mond-en-klauwzeersituatie en acties naar aanleiding van besmetting inDuitsland (Kamerstuk 27 622, nr. 151);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 17 januari 2025 inzake vervolg resultatenonderzoeken op MKZ-virus op vleeskalver- en andere bedrijven(Kamerstuk 27 622, nr. 152);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 24 januari 2025 inzake vervolg onderzoe-ken naar mond-en-klauwzeer (MKZ) en afschalen maatregelen(Kamerstuk 27 622, nr. 153);–de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur d.d. 31 januari 2025 inzake voortgangsrappor-tage Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk28 807, nr. 306);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 3 februari 2025 inzake Kamerrapportage Nationaalactieplan versterken zoönosenbeleid (Kamerstuk 25 295,nr. 2220);–de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportd.d. 4 februari 2025 inzake onderzoeksrapport Veehouderij engezondheid omwonenden (VGO-III) (Kamerstuk 28 973,nr. 259).Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur,AardemaDe voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn enSport,MohandisDe griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur,JansmaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3042 Voorzitter: GrausGriffier: De KeijzerAanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bromet, Van Campen,Graus, Holman, Kostic´, Van der Plas en Vedder,en mevrouw Agema, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,Vice-Minister-President, en mevrouw Wiersma, Minister van Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.Aanvang 14.30 uur.De voorzitter:Van harte welkom allemaal bij de vaste commissie voor Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. We gaan het vandaag hebben overzoönosen en dierziekten. Voor degenen die het niet weten en de mogelijkminder ter zake deskundige mensen die kijken en luisteren: een zoönose iseen infectieziekte die van dier op mens kan overslaan. Ik heet de mensenop de publieke tribune van harte welkom en ook de mensen die thuiskijken en luisteren via het digitale kanaal. Ik heet ook beide Ministers, hunteams en de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal welkom. Erzijn twee bewindspersonen aanwezig, namelijk de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport. Dat geef ik aan voor degenen die datnog niet hadden gezien.Ik stel een spreektijd voor van vijf minuten per fractie. Houd er rekeningmee met de interrupties. Voor de vier interrupties geldt de 30 secondenre-geling waarvoor u zelf heeft gekozen. Zodra er 30 seconden voorbij zijn,worden het twee interrupties. Ik heb ook nog een mededeling vanhuishoudelijke aard, namelijk dat mevrouw Bromet ons na de eerstetermijn moet verlaten vanwege andere dringende verplichtingen. Zij isdus alleen tijdens de eerste termijn van de Kamer aanwezig. Daarna wordthet gadegeslagen door haar team. Maakt u zich daar dus geen zorgenover. Is het allemaal duidelijk zo? Geen commentaar en geen op- ofaanmerkingen? Dan gaan we beginnen. We beginnen met het lid Kostic´van de Partij voor de Dieren. Uw vijf minuten gaan we nu inzetten.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Dank, voorzitter. Dat de bio-industrie een hel op aarde is voor de dierenwas al bekend, maar deze industrie vormt ook een ernstige bedreigingvoor de volksgezondheid. Het is een bron van dierziekten die niet alleengevaarlijk zijn voor de dieren zelf, maar ook voor de mens. We hoordengisteren bij het rondetafelgesprek weer dat we deze risico’s door dezeindustrie blijven lopen, terwijl de intensieve veehouderij de maatschappijonder de streep vooral geld kost.Ik ben niet zo van de oude politiek en om de feiten heen draaien. Ik zeg hetdaarom maar zoals het is: de bio-industrie wordt in stand gehouden uitpure politieke lafheid. Experts zeggen dat we het aantal dieren moetenverminderen om onverantwoorde risico’s voor de volksgezondheid tevoorkomen. We kunnen niet zeggen dat we het niet hebben geweten. Dusals er straks weer mensen ziek worden of doodgaan, is dat voor rekeningvan de partijen die nu nog niet durven ingrijpen. We kennen MinisterWiersma als de Minister van de bio-industrie. Het verbaast haast niemanddat zij kiest voor de veehouderij boven de volksgezondheid. Van deMinister van Volksgezondheid verwachten wij wel dat ze de gezondheidvan onze mensen op de eerste plaats zet.Virologen als Marion Koopmans zeggen dat juist Nederland een tikkendetijdbom is. Met onze intensieve veehouderij is Nederland een broedplaatsvoor gevaarlijke infectieziekten die van dier op mens kunnenoverspringen. Alle adviezen van experts tot nu toe komen neer op deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3043 woorden van arts en hoogleraar Hans Zaaijer. We kunnen ons de risico’svan die intensieve veehouderij voor de volksgezondheid simpelweg nietveroorloven. We moeten ervan af. Onderschrijft Minister Agema dezeduidelijke conclusies van alle gezondheidsexperts? Beleid voor devolksgezondheid mag geen casinopolitiek zijn waarbij we afwachten,onderzoeken blijven doen en er ondertussen op gokken dat het goed gaat.Het verminderen van zoönoserisico’s moet niet worden meegewogen,maar moet wettelijk worden geborgd. Ik vraag Minister Agema of zij welhet lef heeft om dit eindelijk te regelen.Voorzitter. We weten al jaren dat de intensieve geitenhouderij een risicovormt voor de gezondheid van omwonenden. 1,5 miljoen mensen wonenin de buurt van een geitenhouderij en al die mensen lopen gevaar. Hetaantal geiten is sinds de Q-koorts in vijftien jaar verdubbeld. Ik heb er nogeven een bijdrage van ons van vijf jaar geleden bij gepakt. Dat betrof eendebat nadat een onderzoek was verschenen dat dit verband aantoonde.Wij stelden toen al dat het onacceptabel is dat de Minister elf jaar nadatwe al wisten dat de geitenhouderij voor ernstige gezondheidsschadezorgt, opnieuw meer onderzoek wilde laten doen. Hierdoor blevenmaatregelen uit.Inmiddels is het zestien jaar – zestien! – na het eerste onderzoek enbrengen opeenvolgende kabinetten willens en wetens de gezondheid vanomwonenden van geitenstallen in gevaar. Het gaat om de gezondheid van1,5 miljoen mensen. We zagen het ook al bij de Q-koorts. Ruim 100mensen overleden en meer dan 500 mensen zijn nog altijd chronisch ziek.Ik citeer een slachtoffer: «De overheid heeft hier schuld aan. Het Ministerievan Landbouw heeft de zaak getraineerd en heeft weggekeken.» Ik vindhet moeilijk te verteren dat de economische belangen van een paarboeren zwaarder wogen dan de gezondheid van mensen. Het ministeriewilde 100% zekerheid over het causale verband tussen Q-koortsuitbrakenop de boerderij en besmettingen, terwijl al zolang bekend was watQ-koorts is en dat mensen besmet kunnen raken.Voorzitter. Dit zou een belangrijke les moeten zijn voor deze Ministers.Wacht niet. Deze week verscheen opnieuw een alarmerend onderzoek.Wat doet de Minister van BBB? In plaats van onmiddellijk actie teondernemen, neemt het kabinet nog een jaar de tijd voor een onderzoek.Ik zeg tegen Minister Wiersma: u speelt willens en wetens met risico’svoor de gezondheid van Nederlanders tot 100 doden per jaar omdat u nietingrijpt. Ik vind dat werkelijk onverantwoord en onacceptabel.De voorzitter:U dient via de voorzitter te spreken.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Dank u wel, voorzitter. Dat ga ik doen. Is Minister Agema bereid om welvoor de volksgezondheid te kiezen en nu een landelijk verbod opuitbreiding en nieuwvestiging in te stellen? Gaat zij maatregelen treffenom het aantal geiten naar beneden te brengen? Zo nee, wat zegt zij dantegen de 1,5 miljoen mensen die in de buurt van een geitenhouderijwonen en grote gezondheidsrisico’s lopen? Zelfs in een provincie alsGelderland waar officieel een geitenstop geldt, wordt een geitenhouderijnog met 1.000 dieren uitgebreid. Wat vindt de Minister van Volksge-zondheid daarvan? Daaraan moet toch per direct een halt toe wordengeroepen?Voorzitter. Virologen en Europese gezondheidsinstanties waarschuwendat vogelgriepvirussen een steeds grotere bedreiging vormen. Topvi-roloog Thijs Kuiken wijst erop dat juist in onze pluimveehouderijen degevaarlijke varianten van het vogelgriepvirus konden ontstaan. Als weniet ophouden met deze intensieve veehouderij, zullen die virussen inverschillende vormen blijven komen. Vaccinatie alleen is dweilen met dekraan open. Zolang we de bron niet aanpakken, zullen virussen blijvenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3044 muteren met een hoog risico voor onze mensen. Experts zeggen: krimpdie veestapel en begin in ieder geval met het afbouwen van de pluimvee-houderijen in pluimveedichte en waterrijke gebieden. Dat was ook hetadvies van de commissie-Bekedam aan de regering in 2021. Het EuropeesCentrum voor ziektepreventie en de Europese Autoriteit voor Voedselvei-ligheid kwamen in januari ook al met het advies om in te zetten op eenaanpak van de afbouw van dierenaantallen.De voorzitter:Dank u wel. U bent door uw tijd heen. Nog één zin, alstublieft.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Mag ik twee zinnen?De voorzitter:Als ze dan maar heel kort zijn.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Ik probeer het. De Europese Autoriteit kwam dus al met het advies om deintensieve pluimveehouderijen af te bouwen. Ik vraag de Minister of zijbereid is de experts te volgen en maatregelen te treffen om uitbreiding ennieuwvestiging van pluimveestallen in risicogebieden te verbieden.De voorzitter:Dank u wel voor uw inbreng, lid Kostic´. Zij sprak namens de Partij voor deDieren. Dan gaan we naar mevrouw Van der Plas van de BBB, deBoerBurgerBeweging.Mevrouw Van der Plas (BBB):Voorzitter, dank u wel. Onderzoek op onderzoek en het laatsteVGO-onderzoek naar de relatie tussen veehouderij en de gezondheid vanomwonenden van geitenhouderijen is er nu met hangen en wurgenuitgeperst. Eerdere onderzoeken toonden al aan dat er geen causaalverband is tussen longontsteking en het wonen in de buurt van eengeitenhouderij. Ook dit onderzoek toont opnieuw geen causaal verbandaan. De onderzoekers deden er alles aan om zo veel mogelijk patiënten tevinden, maar dat lukte de hele tijd maar niet. Er werden uiteindelijkslechts 108 patiënten gevonden, terwijl dat er 800 hadden moeten zijnvoor deugdelijke wetenschappelijke conclusies. 108 patiënten! Dat zijn erdus echt heel weinig, zeker als je ervan uitgaat dat er jaarlijks tiendui-zenden mensen longontsteking hebben. Er worden heel veel mogelijkeredenen genoemd waarom er in het onderzoek niet meer gevonden zijn.Er wordt genegeerd dat de patiënten die ze zoeken, er misschien helemaalniet zijn.Voorzitter. Als de samenhang gewoon op toeval berust, zou je namelijkinderdaad heel erg weinig patiënten vinden. Als er echt een causaalverband was, hadden de onderzoekers in al die tijd toch wel meer dan 108patiënten kunnen vinden. De onderzoekers konden voor dit onderzoek, datmiljoenen heeft gekost, slechts 108 longontstekingen vinden in de driejaar dat dit onderzoek liep. Volgens hetzelfde onderzoek zouden het er indrie jaar 3.500 tot 20.000 moeten zijn geweest. Ik vraag me af waar diemensen dan zijn. Dat is mijn vraag aan de Minister van VWS.De voorzitter:Er is een interruptie van mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Ik heb even de website van het RIVM voor me gepakt. Daarop staat datlongontstekingen vaker voorkomen bij mensen die in een gebied met veelveehouderijen wonen. Het extra risico op een longontsteking is groter alsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3045 mensen binnen 2.000 meter van een geitenhouderij wonen. Er staat nogveel meer. Is het volgens mevrouw Van der Plas allemaal onzin wat hetRIVM zegt?Mevrouw Van der Plas (BBB):Het onderzoek geeft geen causaal verband aan, maar een correlatie. Het iser, maar er is niet vastgesteld dat het door die geiten komt. Drie jaar langzijn er onderzoeken gedaan en dat causale verband is niet aangetoond. Ineen eerder onderzoek werden ook pluimveehouderijen genoemd op basisvan toxine en fijnstof. Inmiddels zijn die er weer uitgehaald, want daar isook geen verband. We moeten het verschil tussen een causaal verband,dus oorzaak en gevolg, en een correlatie onderscheiden. Als er eencorrelatie is, is niet bewezen dat het komt door die geitenhouderijen. Ookdat zegt het onderzoek heel erg duidelijk.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Was dat het antwoord van mevrouw Van der Plas op die patiënt dielongontsteking oploopt, op dat familielid van een patiënt die misschienwel overlijdt als gevolg van een longontsteking en in de buurt van eengeitenhouderij woont? Gaat ze dan ook een verhaal houden overcausaliteit en correlatie?Mevrouw Van der Plas (BBB):Het is heel verdrietig als mensen longontsteking oplopen en daaraanoverlijden. Zolang de directe oorzaak niet binnen de geitenhouderij isgevonden, kan ik niet zeggen dat het door de geitenhouderij komt. In hetonderzoek wordt ook gesteld dat er niet meer antibiotica in de omgevingvan geitenhouderijen wordt uitgeschreven voor mensen met longont-steking. Er zijn ook niet meer ziekenhuisopnames van mensen metlongontstekingen binnen dat gebied. Het onderzoek zelf wijst uit dat ergeen causaal verband is gevonden. Ik vind het dus heel heftig als hier heelplat wordt gesteld dat het er toch door komt. Mijn vraag aan mevrouwBromet zou zijn – die hoeft zij niet te beantwoorden – of zij het onderzoekvan het RIVM wel respecteert.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Ik heb een punt van orde, voorzitter. Er worden mij woorden in de mondgelegd die ik niet heb gezegd.De voorzitter:Waarvan akte. Dank u wel.De heer Van Campen (VVD):Ik heb het ontzettend lastig gevonden toen dit rapport afgelopen weekkwam, dat er eigenlijk twee hele vocale groepen zijn. Aan de ene kant is ereen groep, eigenlijk lid Kostic´, die zegt: er is onderzoek gedaan; dit komteruit en eigenlijk is dat onomstotelijk bewijs dat de hele intensieveveehouderij in Nederland zou moeten verdwijnen. Er zijn echter ook heelveel partijen en onderzoeken die aangeven dat er geen causaliteit isaangetoond; het zal dus niet het geval zijn en er wordt overtrokkengereageerd. Eigenlijk is dat een beetje de lijn van mevrouw Van der Plas.Zou het niet zo kunnen zijn dat de waarheid een beetje in het midden ligt?Kan het zo zijn, zoals de Minister zelf schrijft, dat er een consistentaantoonbaar verband is tussen een geitenhouderij en een verhoogd risicovoor het oplopen van een longontsteking? Zou de waarheid niet in hetmidden kunnen liggen en is het in die hoedanigheid niet heel verstandigdat de bewindspersonen in die hoedanigheid met dit advies om maatre-gelen van de Gezondheidsraad vragen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3046 Mevrouw Van der Plas (BBB):Zeker. Ik ben het ermee eens. Er wordt gelijk geroepen dat de geitenhou-derij per jaar voor honderden doden extra zorgt. Ik heb zelfs her en dergehoord dat het om duizenden doden zou gaan. Als er een correlatie is,als er een verband is en we zien dat het zo is, maar als we er nog steedsniet de vinger op kunnen leggen waardoor dat precies komt, dan zou jekunnen zeggen dat we dat wel moeten weten voordat we maatregelengaan nemen. Dat lijkt mij vrij logisch. Iedereen in Nederland zou vogelvrijverklaard kunnen worden, omdat er ergens een correlatie is maar geencausaal verband. Dat is juist belangrijk.Ik volg dit onderzoek al jaren. Het lukt gewoon maar niet om dat causaleverband te vinden. Het lukt maar niet om patiënten te vinden. Ditonderzoek is een jaar uitgesteld omdat er niet genoeg patiënten werdengevonden. Huisartsenpraktijken werden er bij wijze van spreken met deharen bij gesleept om maar iemand te vinden, maar die is niet gevonden.Voor een goede conclusie zouden 800 mensen hieraan hebben moetendeelnemen. Het zijn er nu 108 na drie jaar onderzoek. Er is geen causaalverband gevonden. Toch wordt dat keer op keer gezegd, ook door hetRIVM, ook door de onderzoekers. Waar gaat het dan over?Ik wil echt niet bagatelliseren dat er mensen met longontstekingen zijn, aldan niet in de buurt van geitenhouderijen. Onderzoeken hebben ookaangetoond dat de kinderen van mensen die op een boerderij wonengezonder zijn en minder astma en minder allergieën hebben. Ik vrees dusdat er nu kort door de bocht maatregelen gaan worden genomen, terwijlhet niet is aangetoond. Het is dus niet aangetoond en er zijn te weinigpatiënten. Het onderzoek duurt al drie jaar. Dat is wat ik ervan vind.De voorzitter:Dit wordt uw derde interruptie.De heer Van Campen (VVD):Het onderzoek duurt langer dan drie jaar, want het is al het derdeonderzoek. Blijkbaar waren de uitkomsten voor het kabinet voldoendebasis om te zeggen dat er een consistent aantoonbaar verband is. Eeneffect blijkt niet maand- of seizoensgebonden te zijn, maar is het hele jaardoor aanwezig. Ik hoop dat we hier nu eindelijk eens aan de ene kant hetniet zo doortrekken dat je gelijk je longen uit je lijf hoest als je een weeklang naast een geitenhouderij woont. Daarom zou de hele veehouderij inNederland maar moeten verdwijnen. Maar aan de andere kant hoop ik ookdat we dit onderzoek niet bagatelliseren.Ik vrees voor wat de uitkomst gaat zijn, namelijk weer vervolgonder-zoeken, een VGO-IV. Dan zijn omwonenden nog steeds niet van hunzorgen verlost, maar ook geitenhouders niet. Die staan op dit moment inde wacht, omdat ze de financiering niet loskrijgen voor de verduurzamingvan hun bedrijven. Laten we serieus kijken naar de uitkomsten van ditonderzoek en laten we ook de consequenties trekken als de Gezond-heidsraad straks zegt dat er wel wat moet gebeuren om ervoor te zorgendat er in Nederland een geitenhouderij komt die past bij een gezondeleefomgeving. Is mevrouw Van der Plas dat met mij eens?De voorzitter:Uw interrupties hebben steeds een lengte van twee, dus het wordt lekkerrustig voor de rest van het debat. U kunt namelijk niks meer vragen.Mevrouw Van der Plas (BBB):Ik ga eerst de antwoorden van de Minister afwachten. Er zijn honderdengeitenhouderijen in Nederland. Als al die boeren longontsteking zoudenkrijgen, waren er 800 mensen gevonden. Die zijn niet gevonden. Ik wachteerst de antwoorden van de Minister af. Ik wil nog even verder met mijntekst, want op een aantal dingen kom ik zelf ook nog even terug.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3047 De voorzitter:Er is alleen nog een interruptie van het lid Kostic´.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Dat de intensieve veehouderij een volksgezondheidsgevaar is, is niet mijnmening, maar daarover is wetenschappelijke consensus. Richting de BBBzeg ik dat er inderdaad een consistent aantoonbaar verband is gevonden.Mijn vraag aan de BBB is de volgende. Als we dat weten en eigenlijk alzestien jaar lang, als we kunnen ingrijpen, en als we weten dat 1,5 miljoenmensen in de buurt van die intensieve geitenhouderijen wonen, zegt utoch niet ...De voorzitter:U dient via de voorzitter te spreken.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Dan zegt BBB toch niet «laten we nog even wachten en het risiconemen»? Dan nemen we toch op z’n minst uit voorzorg maatregelen. Danzeggen we nu: zet landelijk die stop in. Is de BBB het op dat punt met onseens of laat ze het risico voor de volksgezondheid gewoon bestaan?De voorzitter:Ook dit waren twee interrupties.Mevrouw Van der Plas (BBB):Ik laat me niet aanmeten dat ik niet geef om de volksgezondheid. Nee, ikben het er niet mee eens om een stop te zetten op de geitenhouderij.De voorzitter:Mevrouw Van der Plas vervolgt haar betoog. U heeft nog een kleinedrieënhalve minuut.Mevrouw Van der Plas (BBB):Dank u, voorzitter. Ik had het over de 108 patiënten. Veel van die 108patiënten hadden al longproblemen. Dit blijkt uit de hogere percentagesvan patiënten die lijden aan astma, COPD en/of emfyseem of immuundefi-ciënties. Dat zijn allemaal risicofactoren voor een longontsteking. Verder isduidelijk dat virussen, schimmels, fijnstof en endotoxine niet de oorzaakzijn. Enkele jaren geleden leek dat nog zo zeker. Toen werd bij de vorigetwee VGO-onderzoeken ook een verband met longontstekingen enpluimveehouderijen vermoed, maar dat verband blijkt na het derdeonderzoek een schijnverband te zijn geweest. Intussen zijn pluimveehou-derijen jarenlang in een kwaad daglicht gesteld zoals dat nu bij degeitenhouderijen opnieuw wordt gedaan. Bacteriën kunnen mogelijk eenoorzaak zijn, want bij 89% van deze patiënten, oftewel 32 patiënten perjaar, is een bacterie gevonden. Ook hier geven de onderzoekers aan dat ergeen oorzakelijk verband is aangetoond, ook niet voor de hoogstgeprioriteerde micro-organismen.Voorzitter. Alles is uit de kast getrokken om geitenhouderijen aan te wijzenals veroorzaker van longontstekingen. Daarmee worden geitenhoudersopnieuw neergezet als de mogelijke oorzaak voor 20 tot 100 doden extraper jaar. Het is niet te filmen. Er is namelijk helemaal niets aangetoond; eris geen oorzakelijk verband gevonden en jarenlang onderzoek levertfeitelijk 32 patiënten per jaar op. Zelfs met dat aantal is nog niet aange-toond dat zij ziek zijn geworden door een bacterie die afkomstig is uit degeitenhouderij. Dit wordt bevestigd door veterinair specialist Piet Vellemadie jarenlang werkzaam is geweest als dierenarts bij de Gezondheids-dienst voor Dieren.Voorzitter. Samenhang is geen bewijs voor een oorzakelijk verband. Het isvergelijkbaar met een onderzoek in de staat Oregon in Amerika. DaarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3048 hangt het drinken van volle melk samen met het aantal scheidingen. Alser meer volle melk wordt gedronken, zijn er meer scheidingen. Dat is altientallen jaren zo. De reden? Toeval. Het heeft niets met elkaar te maken.Voorzitter. Als bij de vorige twee VGO-onderzoeken keihard beweerd werddat er een verband was met de pluimveestallen en nu ineens dat verbandweg is, is de Minister van VWS het dan met mij eens dat het verband metgeitenhouderijen ook een schijnverband kan zijn, zeker nu een causaalverband uitgesloten is? Uit een eerder onderzoek van het RIVM blijkt dater bij mensen die in de buurt van geitenhouderijen wonen, niet meerantibiotica voor longontstekingen voorgeschreven wordt. Daarnaast blijktuit een nog lopend onderzoek dat er in de buurt van geitenhouderijen nietmeer patiënten met een longontsteking worden opgenomen in hetziekenhuis. Is de Minister van VWS het met mij eens dat het onwaar-schijnlijk is dat er daadwerkelijk meer longontstekingen voorkomenrondom geitenbedrijven? Als zij het niet met mij eens is, waarop baseertze dan dat geitenhouderijen dé oorzaak zijn van meer longontstekingen?Voorzitter. Ik wil de Minister van VWS vragen dit onderzoek te latenpeerreviewen door onderzoekers in het buitenland die hier meer vanweten dan wijzelf. Het is ook een advies uit dit rapport om meeronderzoek te doen. Kan de Minister dus toezeggen om het onderzoek telaten peerreviewen voordat er in de praktijk onterechte acties wordenondernomen? Het rapport zegt terecht dat er geen extra regels moetenworden ingesteld vóórdat er meer onderzoek is gedaan. Er wordt namelijkabsoluut geen oorzaak-gevolgverband gevonden. Kan de Minister dat ooktoezeggen?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dat was netjes binnen de tijd. Dankdaarvoor. Mevrouw Bromet namens GroenLinks-PvdA.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Laat ik dan ook maar gelijk beginnen met de geiten. Opnieuwheeft het RIVM een verband gelegd tussen longontstekingen en intensievegeitenhouderijen. Wie binnen een straal van 2 kilometer bij een intensievegeitenboerderij woont, heeft meer kans op longziekten. In Nederland zijndat 1,5 miljoen mensen wat leidt tot 1.200 tot 6.600 extra longontste-kingen, 100 tot 600 ziekenhuisopnames en 20 tot 100 extra sterfgevallenper jaar. Voor ons is elk extra ziektegeval als gevolg van die intensieveveehouderij er eentje te veel.De Algemene Rekenkamer waarschuwde al in 2022 dat de Minister vanVWS geen doorzettingsmacht heeft, omdat economisch belang voorgaatop de volksgezondheid. Aan de Minister van VWS vraag ik waarom daarniks mee gebeurd is. Klopt het dat zij, de Minister van VWS, wel maatre-gelen wil treffen maar dat de Minister van LVVN eerst meer zekerheid wilhebben en geitenhouders wil ontzien? Kan de Minister van VWS meertoelichting geven op deze verhouding? Heeft het er ook iets mee te makendat die longontstekingen niet het gevolg zijn van een zoönose? Wehebben wel een zoönosestructuur in Nederland als gevolg van de ellendedie voortgekomen is uit de Q-koortskwestie. Dit is natuurlijk geenzoönose; dit is een mogelijk verband tussen het voorkomen van longont-stekingen in gebieden in Nederland waar veel geitenhouderijen zijn.Graag antwoord daarop.Voorzitter. Het downplayen van het gevaar voor de volksgezondheid doorde Minister van Landbouw staat in schril contrast tot de hysterie dieopkwam toen de MKZ in Duitsland uitbrak. Wij zijn allemaal getuigengeweest van het wegblijven van de Minister van de Grüne Woche inBerlijn en ook enkele fracties hebben afgezegd. De vete ..., nou ja, deadviezen waren heel duidelijk: die zeiden dat er geen veterinair risico wasom naar Duitsland af te reizen. Dat vind ik gevaarlijk. Als je namelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 3049 hysterisch doet in situaties waar geen gevaar dreigt en je doet dat nogeen keer, dan is het de derde keer als er echt iets aan de hand is zo datmensen hun schouders ophalen en denken dat het allemaal wel zalmeevallen. De vorige keer viel het immers ook mee. Het is dus niet zondergevaar om meer zekerheid te nemen dan nodig en minder zekerheid tenemen in het geval van de geiten door onderzoek vooruit te schuiven. Jezou ook kunnen betogen dat het voorzorgsbeginsel zou moeten gelden endat je moet voorkomen dat er ook maar één iemand ziek wordt inNederland van de geitenhouderij in Nederland. Graag een reactie daarop.Dan hebben we ook nog de vogelgriep. Die is weer terug in Nederlandmaar die waart ook rond in de VS. Die waart in de VS niet alleen rond bijvogels, maar ook bij koeien. Zelfs mensen zijn besmet geraakt. Ik zou deMinister van Volksgezondheid willen vragen hoe zij kijkt naar de eerstedagen van de nieuwe regering in Amerika, waarbij die regering uit deWereldgezondheidsorganisatie is gestapt. Ook het geld voor ontwikke-lingssamenwerking is opgeschort. Daarmee stelt men het tegengaan vande verspreiding van allerlei ziektes over de wereld in de waagschaal. Watbetekent dat voor de risico’s die wereldwijd leven op het gebied van devogelgriep en wat betekent dat voor Nederland? Hoe staat de Ministerhierin?Voorzitter. Een van de risicofactoren voor de vogelgriep in Nederland is deeendenhouderij. We hebben daar laatst een kort debat over gehad bij hetvragenuur, omdat er jaar in, jaar uit misstanden voorkomen in deeendenhouderij. De dieren worden echt mishandeld. De eenden wordenin Nederland niet opgegeten. Bijna niemand in Nederland eet eend. Wehebben 40 eendenhouderijen in Nederland waarvan er 33 op de Veluwezitten. Daar is de stikstofproblematiek heel groot. Wordt het niet eens tijdom te stoppen met die eendenhouderijen? We hebben de nertsenopgeruimd. Met het oog op de stikstofkwestie, met het oog op devolksgezondheid en met het oog op de vogelgriep is de volgende stap datwe een einde maken aan de eendenhouderijen.Tot slot, voorzitter, een noodkreet van de terreinbeherende organisaties inhet geval van vogelgriep. Er zijn veel dode vogels die terechtkomen in denatuurgebieden en die moeten worden opgeruimd. Daarvoor is geen geldbeschikbaar. In 2023 is er een motie van D66 en de SP aangenomen ommet adequate financiële middelen te komen om de vrijwilligers en deterreinbeherende organisaties te ondersteunen bij de werkzaamhedenvoor het opruimen. Mijn vraag aan de Minister is of zij nog een regierolgaat pakken om met landelijke richtlijnen te komen over het opruimen vandode vogels. Het is wellicht zinvol om de risico’s voor mens en dier kleinte houden. Wanneer gaat zij dat doen en komt er nog een financiëlecompensatie?De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Bromet. Nu waren we toch benieuwd naar deafkorting die u net wilde oplezen.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Mond-en-klauwzeer?De voorzitter:Nee, u kon een bepaald woord niet noemen.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Veterinaire risico’s.De voorzitter:Dat bedoelde ik. Meneer Van Campen namens de Volkspartij voor Vrijheiden Democratie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30410 De heer Van Campen (VVD):We begrepen allemaal wat zij bedoelde.Voorzitter. Of het nu de Minister, de inspectie, veehouders of Kamerledenwaren: iedereen was in opperste staat van paraatheid toen er recentsprake was van mond-en-klauwzeer in de Duitse deelstaat Brandenburg.Acuut werden alle kalveren uit die regio onderzocht op besmetting en desector nam zelf verantwoordelijkheid met voorzorgsmaatregelen. DeMinister besloot niet naar Berlijn te gaan maar in Nederland te blijven omeen mogelijke crisis het hoofd te bieden. Voor die aanpak heeft de VVDrespect voor alle betrokkenen. De besmetting heeft iedereen op scherpgezet. Wel zou ik de Minister willen vragen welke lessen zij trekt uit deafgelopen weken. Waarom wachten boeren bijvoorbeeld nog altijd op delaatste uitslagen, terwijl in Duitsland alle onderzoeksuitslagen bekendzijn? Ik vraag ook waarom export van zuivelproducten nog altijd nietmogelijk is naar circa zestien landen. Graag een reactie.De recente ervaringen met MKZ, vogelgriep en blauwtong laten eens temeer zien dat handel geen landsgrenzen kent en verspreiding van ziektesdus ook niet. Het laat ook zien hoe gebrekkige Europese coördinatie leidttot onzekerheid en economische schade. Waarom lukt in Duitsland welwat hier nog niet kan? Kijk bijvoorbeeld naar de snelheid van labuitslagenen exportbeperkingen van zuivel. Nederland zou daarom het voortouwmoeten nemen in EU-verband om een effectief crisisbeleid op te zetten,waarbij scherp gekeken wordt naar harmonisering van afspraken tussenlidstaten ten aanzien van preventie, vaccinatie, bestrijding en handelsaf-spraken bij dierziekten.De scherpte waarmee de Minister opereerde in het MKZ-dossier staat incontrast met haar reactie op het afgelopen week gepresenteerdeonderzoek naar geitenhouderij en een verhoogd risico op het oplopen vaneen longontsteking. Ik noemde het al eerder in het interruptiedebat: beideMinisters hebben het in hun brief over een consistent aantoonbaarverband. Een effect, zo staat er, blijkt niet maand- of seizoensgebonden,maar is het hele jaar door aanwezig. Ik vind het goed dat de stap naar deGezondheidsraad wordt gezet voor een advies. Dat is best wel gebruikelijkwanneer maatregelen genomen moeten worden. Maar waarom moet datduren tot het derde kwartaal? Het VGO-onderzoek is ook al zo veel lateropgeleverd. Waarom is er nu weer die vertraging en weer die onzekerheidvoor omwonenden en geitenhouders? Is de Minister bereid een spoed-advies te vragen, zodat we binnen een maand een reactie kunnen hebbenvan de Gezondheidsraad? We hebben tijdens covid gezien hoe snel ergewerkt kan worden.Wat gaat de Minister van Landbouw in de tussentijd doen? De VVD pleiteigenlijk voor drie sporen. Eén. Een nationaal uniform moratorium totadvies van de Gezondheidsraad met een verbod op uitbreiding,verplaatsing en nieuwbouw van stallen. Twee. Een spoedadvies van deWageningen Universiteit hoe bepaalde aanpassingen in de bedrijfs-voering van geitenbedrijven de hoeveelheid ziekteverwerkers in de stal enin de omgevingslucht omlaag kunnen brengen. Drie. Een systeem vandierrechten in de geitensector. Ik realiseer me dat je dat niet in een paarwerken hebt geregeld maar het is eigenlijk krankzinnig dat dit op bepaaldediercategorieën nog steeds niet het geval is. Eerder hebben we gedebat-teerd over de kalverhouderij.Voorzitter. We hebben gezien waartoe deze Minister in staat is tijdens eenMKZ-besmetting. Die houding zien we hier graag weer. Graag een reactieop onze voorstellen.De voorzitter:Er zijn twee interrupties. Allereerst mevrouw Bromet en dan meneerHolman.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30411 Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Complimenten voor de actiegerichtheid van de VVD als het gaat over degeitenhouderijen. Dan heb ik het over het moratorium voor denieuwbouw en de uitbreiding van stallen, maar ook over het invoeren vande dierrechten. Vindt de VVD niet dat dat allang had moeten gebeuren?Vindt de VVD niet dat je dat achter de schermen moet voorbereiden en datje daar dan mee moet komen? Het werkt nu namelijk wel speculatie in dehand.De heer Van Campen (VVD):Achteraf kijk je een koe in de kont. Er zijn allerlei manieren waarop je zo’nsysteem kunt inrichten. Ik wil nu ook niet te veel vooruitlopen op hoe jedat kunt doen, want dat werkt weer de speculatie in de hand die mevrouwBromet hier terecht benoemt. Maar we weten dat het kan. Ik vind het heelvreemd dat er bij de mestdebatten die we hier met elkaar hebben gevoerdgoede voorstellen zijn gedaan op het gebied van afroming, die in hetbelang zijn van stabiliteit op de mestmarkt bij varkens, kippen en koeien,maar dat andere diercategorieën op dat gebied nog steeds de dansontspringen. Dat kan gewoon niet het geval zijn. We moeten die balansgaan terugbrengen. Dat is uiteindelijk ook in het belang van de vitaleagrarische sector zelf.De voorzitter:Dit is uw laatste interruptie, mevrouw Bromet.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Als de Minister geen toezeggingen doet op dit terrein, komt de VVD danook met een voorstel? Ik zou in dat geval graag optrekken met de VVD.Staat de VVD er dan ook voor open om een soort peildatum uit hetverleden te nemen voor het aantal geiten dat er in Nederland aanwezig is?De voorzitter:U trekt toch altijd al samen op met meneer Van Campen?Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Ja, we zijn dikke vrienden.De voorzitter:U bent een beetje de Tup en Joep van de Tweede Kamer.De heer Van Campen (VVD):Soms moet je een overeenstemming bereiken terwijl je het niet met alledingen eens bent. Ik vind het namelijk, om speculatie te voorkomen, nietslim om nu al vooruit te lopen op de vraag hoe je zo’n regeling uitvoert.Wat mij betreft kun je diercategorieën niet met elkaar vergelijken. Dekalverhouderij staat inherent in verband met de melkveehouderij. Dat ismet de geitenhouderij weer anders. Maar als mevrouw Bromet mij vraagtof ik de aanpak voor de diercategorieën hetzelfde zie, dan is mijnantwoord daarop ja. De beperkingen in omvang die gelden voor dekalverhouderij, zouden ook moeten gelden voor kalkoenen, eenden,geiten en andere diercategorieën. Maar laten we eerst eens kijken waar deMinister mee komt. Het is niet zo dat er nog geen aangenomen Kamer-moties liggen, want ook hierover heeft de Kamer zich al herhaaldelijkuitgesproken. De bal ligt dus bij het kabinet om met voorstellen te komen.De voorzitter:Meneer Holman en daarna mevrouw Van der Plas.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30412 De heer Holman (NSC):Ik deel de gedachte van de VVD over dierrechten. We moeten daarnaarkijken. Ik waardeer het genuanceerde verhaal van de heer Van Campen,die het niet wegmoffelt, maar zegt: er is iets aan de hand. Als hetonderzoek uitwijst dat er misschien toch verbanden zijn – overigens zijn erin het verleden al zaken geweest – hoe kijkt de heer Van Campen dan naarde ontwikkeling van de structuur in de geitensector? Het probleem is sterkgerelateerd aan een paar concentratiegebieden waar heel veel geitenzitten. Vindt de heer Van Campen ook dat dit een onderdeel is van hetprobleem en dat je daar echt naar zou moeten kijken voor een toekomst-gericht structuurbeleid?De heer Van Campen (VVD):Natuurlijk moet je dat doen. Het is ook niet dat de sector zelf niet wil. Ikheb natuurlijk ter voorbereiding op dit debat mijn oor te luisteren gelegdbij ondernemers zelf. Die zeggen dat ze sinds 2017 vastzitten omdat eronderzoek op onderzoek op onderzoek gedaan wordt, waarna iedereenzegt: laten we de uitkomsten hiervan eens af gaan wachten. Die onder-nemers zitten dus ook met de bank om de tafel en zeggen: wij willen bestverduurzamen en verder kijken hoe we een toekomstbestendig plekjekunnen hebben in Nederland. Maar op het moment dat wij hier in DenHaag keer op keer met elkaar het balletje vooruittrappen, komen deondernemers ook niet verder. Dan geef je zo’n sector geen kans om destructuurkeuze te maken waar de heer Holman terecht voor pleit. Ookvoor de geitenhouderij en de sector zelf is het dus van belang dat DenHaag degelijke, consistente keuzes maakt waar we mee verder kunnen. Opdit moment staat alles op pauze. Dat is ook niet in het belang van deondernemers zelf.De voorzitter:Mevrouw Van der Plas en dan mevrouw Vedder. Ik hoor de Ministerniezen, gezondheid.Mevrouw Van der Plas (BBB):De heer Van Campen haalde aan dat het verband tussen geitenhouderijenen longontstekingen jaarrond bestaat. Is dit niet raar? Zou er misschientoch sprake zijn van een schijnverband? Je zou namelijk zeggen dat hetverband in het seizoen van het uitrijden van mest veel sterker zou zijn danjaarrond. Dan verspreid je namelijk de inhoud van de mest van jegeitenbedrijf in je omgeving.De heer Van Campen (VVD):Het waren niet mijn woorden. Ik heb uit de brief van Minister Wiersma enMinister Agema de passage voorgelezen waarin er wordt geconstateerddat het jaarrond is. Die conclusie wordt getrokken uit het rapport. Hetkabinet neemt dus de resultaten van dit onderzoek wel degelijk heelserieus. Blijkbaar heeft mevrouw Van der Plas redenen om te denken dathet misschien anders zit. Ik ben nog niet zover. Ik vertrouw er namelijk opdat het kabinet met keuzes en voorstellen komt en de consequenties trektals straks uit het onderzoek van de Gezondheidsraad blijkt dat ermaatregelen genomen moeten worden. Dus nogmaals, het is een passagein de Kamerbrief van het kabinet zelf. Het is niet iets wat ik gisteravondzelf heb verzonnen.Mevrouw Van der Plas (BBB):Nee, dat begrijp ik. Ik haal ook aan dat het in het onderzoek staat. Eigenlijkwas mijn vraag aan de heer Van Campen: zou hij het dan zelf ook nietlogisch vinden ... Je gaat er natuurlijk zelf ook over nadenken. Het gaatover het hele jaar, maar je hebt periodes van mest uitrijden, dus dan zouTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30413 je toch verwachten dat je dan een piek zou zien. Zo denk ik dan. Maar,prima, misschien zou de Minister daar dan antwoord op kunnen geven.De voorzitter:Dat gaan we dadelijk horen in de termijn van de bewindvoerders.De heer Van Campen (VVD):Eigenlijk zegt mevrouw Van der Plas: kijk nou of geitenbedrijven in debedrijfsvoering zelf maatregelen kunnen nemen om de hoeveelheidziekteverwekkers in de stal en de omgevingslucht omlaag te brengen.Daar ben ik voor. Dat kwam naar voren in het tweede deel van mijnpleidooi. Geef ondernemers ook zelf de gelegenheid om mee te denkenover de oplossing. Als dat dus is wat mevrouw Van der Plas bedoelt, benik daar een groot voorstander van. Ik heb in de afgelopen dagen veelgeitenhouders gezien in televisiereportages. Ze zeggen allemaal: hetlaatste wat wij willen, is de omgeving ziek maken. Alle ondernemerswillen dus zelf hun bijdrage leveren. Maar hoe dan? Daar moeten we,volgens mij, eens een keer mee aan de slag. Zo’n advies van de Gezond-heidsraad kan daar misschien bij helpen.De voorzitter:Mevrouw Van der Plas stemde daarmee in. Ze zegt nu van niet. Ik zag u inieder geval knikken en zag dat u geen interruptie wilde.De heer Van Campen (VVD):Het mag wel, hoor.De voorzitter:Mevrouw Vedder en dan het lid Kostic´.Mevrouw Vedder (CDA):De heer Van Campen en ik delen het ongeduld over dat er beslissingengenomen moeten worden en knopen moeten worden doorgehakt. De heerVan Campen zegt dat de bal bij de Minister ligt. Dat begrijp ik, maar ik ziede bal vooral al een tijdje op de middenstip liggen. Wanneer is het geduldvan de heer Van Campen op? Mijn vraag zou zijn: wanneer gaan webeginnen met voetballen?De heer Van Campen (VVD):Ik heb drie voorstellen genoemd. Het is dus niet zo dat ik alleen maar opmijn rug lig en wacht totdat het kabinet ergens mee komt. Ik heb gezegddat ik het derde kwartaal veel te laat vind. Als dit al het derde onderzoek isdat is opgeleverd, met wel degelijk zorgelijke signalen over de effectenvan geitenhouderijen op de gezondheid van mensen in de omgeving, danvind ik dat we haast hebben. Ik wil dus dat dat onderzoek en advies van deGezondheidsraad zo snel mogelijk – ik heb het gehad over een maand –naar de Kamer komt. We gaan kijken of dat mogelijk is. Ik denk dat deMinister van VWS vaak het gesprek voert met de Gezondheidsraad, duslaten we kijken waar zij zich voor kan inspannen om ervoor te zorgen datwe zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen en stappen gaan zetten.Mevrouw Vedder (CDA):Ik wilde het eigenlijk wat breder aanvliegen. Het invoeren van dierrechtenin de sectoren die dat op dit moment nog niet hebben, kwam net tersprake. Laat ik dat specifiek als voorbeeld nemen. Wanneer is het geduldvan de heer Van Campen op? Wanneer komt hij bijvoorbeeld zelf vanuitde coalitie met een voorstel om daar beweging in te krijgen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30414 De heer Van Campen (VVD):Ik vind dat de discussie over dierrechten – de heer Holman noemt hetaltijd «structuurkeuzes» – ook meeloopt in de discussie over het stikstof-vraagstuk. We hebben namelijk uitdagingen op het gebied van de kwaliteitvan onze natuur, het water, de lucht en de omgeving. We weten dat hetkabinet met een brede ministeriële commissie aan het nadenken is overallerlei ingrediënten die een oplossing kunnen vormen voor het probleem.Maar we moeten ook niet doen alsof alle vraagstukken los van elkaarstaan. Ik vind dus dat je zo’n «structuurkeuze», zoals de heer Holman datnoemt – het kan dan gaan over bijvoorbeeld een grondgebondenmelkveehouderij of over dierrechten in categorieën waar die structuur-keuze op dit moment nog niet geldt – in dat spoor moet laten meelopen,omdat er meerdere uitdagingen zijn waarmee je mogelijkerwijs deproblemen kunt oplossen waar we voor staan. Dat gaat eigenlijk over devraag: hoe kan een veehouderij in Nederland worden vormgegeven zodatdeze aansluit bij een schone leefomgeving, schoon water, schone lucht eneen veerkrachtige en robuuste natuur?De voorzitter:Mevrouw Vedder waagt er een derde interruptie aan.Mevrouw Vedder (CDA):Ja, dat zal toch moeten, denk ik. Ik vind dat wel een beetje flauw. Ik benhet ermee eens dat het meeloopt in de stikstofdiscussie, maar in diediscussie hebben we ook een paar belangrijke stappen achteruitgezet dieontzettend veel tijd kosten. Ik vind het dus wel een beetje jammer om datals vluchtheuvel te gebruiken, want ondertussen staat de sector in dewachtstand. Ik weet dat de heer Van Campen weet hoe schadelijk dat is.Laat dit dan vooral een oproep zijn. Ik hoop echt dat we snel gaanbeginnen met het maken van keuzes, want hoe langer we wachten, hoegroter de schade wordt.De heer Van Campen (VVD):Het zou flauw en een politieke vluchtheuvel zijn als ik zou onderschattenwat de impact kan zijn van de oplossing waar het kabinet momenteel aanwerkt. Volgens mij gaan we in deze commissie al best wat jaar met elkaarmee en hebben we de discussie in alle omvang en vele uren, van’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, met elkaar gevoerd. We weten dat dekeuzes die gemaakt moeten worden om dit probleem op te lossen heelingrijpend zijn. Mijn suggestie over dierrechten is er daar een van, maarhet gaat om een breed pakket waar het kabinet mee moet komen en waarop dit moment aan wordt gewerkt. We moeten de broedende kip op ditmoment niet storen, maar we gaan er wel van uit dat er straks eenproduct ligt waar ons land mee van het slot kan gaan en waar deagrarische sector zelf een toekomstperspectief mee kan schetsen en meekan gaan bouwen. Daar zie ik naar uit, ook al realiseer ik me dat dat nieteenvoudig gaat worden.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Ik ben heel blij om te horen dat de VVD misschien afscheid wil nemen vande traditie van doorschuiven, hoewel ik de heer Van Campen hiervoor ookhoorde zeggen dat we niet te hard van stapel moeten lopen. Ik vraag mehet volgende af. Is het voor de heer Van Campen logisch dat we na zestienjaar onderzoek en het steeds weer in kaart brengen van de risico’s, zeggendat we nog eventjes wachten? Is het niet logisch om nu te zeggen: wegrijpen in, we zetten er een stop op en dan zien we wel wat er plaatsvindt,in het belang van de volksgezondheid? Dat gebeurt wel vaker, want wehalen allerlei voedselproducten en zelfs fietsen van de markt bij de eerstede beste mogelijke risico’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30415 De heer Van Campen (VVD):Volgens mij heb ik daarvoor gepleit.De voorzitter:Oké. Dan is het klaar. Uw laatste interruptie.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Volgens mij heeft meneer Van Campen net gezegd dat we nog kunnenwachten. «Binnen een maand», is er gezegd. Maar wat als dat advies nietbinnen een maand kan komen? Zegt de heer Van Campen dan: «Oké, dangaan we nu echt maatregelen nemen en voeren we een landelijke stopin»?De heer Van Campen (VVD):Ik ga eerst eens even rustig luisteren naar het kabinet of dat gaat lukkenbinnen een maand.De voorzitter:Meneer Van Campen, u kunt uw betoog vervolgen. U heeft nog ongeveer1 minuut en 43 seconden.De heer Van Campen (VVD):Hoeveel zegt u?De voorzitter:1 minuut en 43 seconden.De heer Van Campen (VVD):Met de stijgende zorgkosten – de Minister van VWS weet daar alles van –staan onze zorgcollega’s vaak stil bij het belang van preventie. Dat zou inde veterinaire wereld niet anders moeten zijn. Het is goed dat hetbioveiligheidsplan verplicht wordt voor de pluimveehouderij, maar het isjammer dat dat nog langer duurt voor andere diercategorieën. De VVDpleit ervoor om dat maar meteen voor alle diercategorieën te doen. Is deMinister bereid om daartoe over te gaan? De vorige Minister kondigdestructuurmaatregelen aan voor de pluimveehouderij in het kader vanvogelgrieppreventie. Daarvoor zouden impactanalyses moeten wordenuitgevoerd, want de maatregelen kunnen ook hier ingrijpend zijn. Welazen in eerdere brieven dat de uitkomsten van die analyses vorige zomeral naar de Kamer gestuurd zouden worden. Maar waar blijven die? Datvragen wij de Minister. Gaat zij daarna, als die brieven komen, ookstructuurkeuzes maken over maatregelen?Voorzitter. Ik kan iedereen hier De Boerenrepubliek, een documentaire uit2021 van de NPO, aanraden. Deze reconstructie van de MKZ-crisis wasvoor mij de aanleiding om in 2021 in de Kamer vol aan te sturen opvaccinatie in de veehouderij. Zo veel leed bij dieren en boeren kan wordenvoorkomen. Het is mooi dat er goede berichten zijn over vaccinatie tegende vogelgriep. Hier vragen wij allang naar. Wat mijn fractie betreft trekt deMinister deze aanpak in één keer door naar vaccinatie van runderen tegenMKZ en van schapen en runderen tegen blauwtong. Engeland laat zien datde handelsbeperkingen tegen gevaccineerd pluimvee al wordenneergelegd. Wat gaat de Minister eraan doen om ook andere landen zichhierbij te laten aansluiten?Voorzitter. Tot slot de schapenhouderij. We horen uit de sector dat er eenonderzoek is gedaan naar de economische draagkracht van deze sectorten gevolge van blauwtong en de wolf, maar dat het ministerie datrapport niet zou willen vrijgeven. Die informatie is wel heel belangrijkvoor de schapenhouderij. In het verlengde van mijn eerdere pleidooi voorvaccinatie in algemene zin vraag ik: is de Minister bereid om de bestaandetijdelijke toelating van vaccinatie tegen blauwtong te verlengen? We horendat de schapenhouderij hier goede praktijkervaringen mee heeft. Is deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30416 Minister bereid om dat onderzoek naar de economische draagkracht vande schapenhouderij te openbaren en te delen met de Kamer?Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel, meneer Van Campen, voor uw inbreng namens de VVD. Ikgeef het woord aan meneer Holman van Nieuw Sociaal Contract.De heer Holman (NSC):Voorzitter. Het is waarschijnlijk een kwestie van tijd voordat er weer eenpandemie komt die ingrijpend zal zijn voor mens en dier. Hoe schat deMinister de risico’s daarop in? Zijn we daarop voorbereid? Doet deMinister genoeg om dat te voorkomen? Veel gevaren voor een pandemiezijn gerelateerd aan transport – we hebben het daar onlangs uitgebreidover gehad – en de concentratie van beesten in een gebied. Ziektes als devogelgriep ... De kans op mutatie van virussen naar een menselijke variantis groot. Q-koorts kan terugkomen. We hebben zeer veel mazzel gehadmet mond-en-klauwzeer. We weten nog van 2001 wat dat teweegbracht.Varkenspest ligt op de loer in Duitsland; het kan toeslaan. Paratbc bijgeiten, leptospirose, salmonella ... Heel veel gevaren kunnen leiden toteen nieuwe pandemie. Voor mensen is het iets als corona en voor dierenzijn het ernstige ziektes.We hebben een discussie over het rapport over de geiten. Ik vind heteigenlijk zonde van de tijd om hier zo uitgebreid bij stil te staan. Het is eenbelangrijk rapport en het is logisch dat de Minister een vervolgonderzoekdoet. Maar toen wij gisteren bij een rondetafelgesprek zaten, was deoproep van de mensen uit de agrarische sector: «Maak nu eens keuzes eneen structuurbeleid. Geef duidelijkheid naar de agrariërs toe.» Het is algezegd dat geitenhouders recht hebben op duidelijkheid. De mevrouwvan de SER zei: kijk het monster nu eens werkelijk in de bek. Ik heb geenonderzoek nodig om het monster in de bek te kunnen kijken en eenanalyse te maken van het probleem. De meneer van het PBL, hetPlanbureau voor de Leefomgeving, zei: ga nu eens kijken wat er werkelijkaan de hand is en waar de risico’s zitten. Zou de Minister ook eens metdat oog willen kijken? Een conclusie van de inbreng – die kwam vooralvan het PBL – was: kijk nu eens waar het probleem zit en benoem het dan.Op de Peel bijvoorbeeld zijn er toch wel heel veel geiten en varkens. Daarheb je een soort cumulatie van risicofactoren. Op de Veluwe heb je veelgeiten, kippen en kalveren. Dat zijn de gebieden waar er grote risico’sschuilen. Is de Minister bereid om daarnaar te kijken? Als je werkelijk dediscussie durft te voeren, zou je dan kunnen praten over een vorm vanherverkaveling en over echte risicobeheersing? Zou je dan echt kunneningrijpen en kunnen kijken op welke plek de veehouderij werkelijktoekomstbestendig naartoe kan? Remkes zei: niet alles kan overal. Dat ishier duidelijk het geval. Wanneer gaan wij duidelijkheid scheppen en eenintegrale benadering hanteren, waarin alles bij elkaar – stikstof,dierziekten en natuur – wordt meegenomen? De heer Van Campen bepleitdit ook. Wanneer gaan we werkelijk een keer orde op zaken stellen?Wanneer gaan we de Nederlandse melkveehouderij en dierhouderijtoekomstbestendig maken?Nogmaals, een vervolg op het onderzoek is prima, maar graag snel enduidelijk. Misschien kunnen we ook nog eens naar de vraagstelling kijkenom te zien of de cumulatie van factoren meegenomen kan worden in dekeuze voor een toekomstgerichte structuur. Bij mij rijst nu toch een beetjede vraag of de onderzoeksopdracht er heel erg op gericht is om aan tetonen dat het vorige onderzoek niet goed was. Ik zou een objectieve enopen benadering kiezen en kijken of we dan een goed advies kunnenmaken naar de toekomst toe.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30417 Een heel aantal zaken zijn al gezegd. Ik begrijp dat mijn buurvrouw straksnog iets over BVD gaat zeggen, dus dat laat ik mooi bij haar.Dat was het eigenlijk wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel, meneer Holman. U bent netjes binnen de tijd gebleven. Hetwoord is aan mevrouw Vedder. Zij spreekt namens het CDA.Mevrouw Vedder (CDA):Vandaag spreek ik ook namens de ChristenUnie, voorzitter.Ik kom inderdaad op BVD, maar wil beginnen bij MKZ. Godzijdank is hetmet een sisser afgelopen. Ik was blij om te zien hoe goed de sector inNederland is voorbereid en hoe snel er acties werden ondernomen samenmet het ministerie. Dat is een vakkundigheid waar we zuinig op moetenzijn. Een van de maatregelen in het draaiboek bij een MKZ-uitbraak isnoodvaccinatie. Daar staat wel nog een open vraagteken bij. Die staat er alruim tien jaar. Als noodvaccinaties nodig gaan zijn, gaat dat namelijkenorme invloed hebben op de afzet van de producten van gevaccineerdedieren, en zullen houders van niet-gevaccineerde dieren waarschijnlijk ookfinanciële gevolgen gaan ondervinden.Hoe we daarmee omgaan en wie daarvoor opdraait, is al jarenlang eenopen vraag, waarvan ik denk dat we het risico op deze uitbraak moetenaangrijpen om daar nou eens een antwoord op te formuleren. Dat is dusmijn vraag aan de Minister. Is dat plan er inmiddels? Kan zij aangeven ofen hoe boeren gecompenseerd zullen worden als die noodvaccinaties ooitnodig gaan zijn? Als er geen compensatie is, welke impact verwacht deMinister dan dat dat heeft op de bereidheid in de sector om bij eenuitbraak te vaccineren? Ik wil dat we daar van tevoren over na hebbennagedacht in plaats van op het moment dat het zover is.Voorzitter. Dan over IBR en BVD. Ik heb in juni samen met collega Holmande regering verzocht om echt stappen te gaan zetten naar eenEU-vrijstatus voor zowel IBR als BVD. Tot ons beider frustratie is dat eendossier dat ook al jarenlang met ons meesleept en waar weinig voortgangin zit. Het stokt vaak bij het ministerie. Gelukkig zie ik dat de moties nuhebben gezorgd voor beweging. Daar ben ik blij mee. Maar de Ministergeeft nu aan dat het bestrijdingsprogramma voor IBR pas in 2026 inwerking kan treden. Hoe lang duurt het daarna nog voordat deIBR-vrijstatus kan worden behaald? Ik lees dat de AMvB nog moet wordenaangepast. Die moet dan nog naar de Europese Commissie en de Raadvan State. Gaat de Minister daar vaart achter zetten? Kan zij toezeggen datdie AMvB er zo snel mogelijk komt?Op de BVD-vrijstatus moeten we nog veel langer wachten. Deverwachting van de Minister is dat we pas op zijn vroegst in 2032 aan deslag kunnen met het aanvragen van een vrije status. Waarom moet dat zolang duren? Het nationale bestrijdingsprogramma kan gelukkig wel eerderstarten, maar ook pas in 2027. Dat is me, eerlijk gezegd, ook een doorn inhet oog. Een verbod op handel in BVD-dragers is pas in 2032 mogelijk. DeMinister stelt in haar brief dat er wel private afspraken gemaakt kunnenworden om handel in BVD-dragers te beperken, maar eigenlijk vind ik dateen beetje een zwaktebod. Het moet dan aan de sector worden overge-laten omdat we daarin als overheid, voor mijn gevoel, achterlopen. Hoekan en gaat de Minister de mogelijkheden die ze wél heeft, inzetten omervoor te zorgen dat er zo snel mogelijk geen BVD-dragers meer wordengeïmporteerd? Hoe zien de steun en hulp er dan uit?Voorzitter. Dan wilde ik verdergaan naar de vraag over de Afrikaansevarkenspest, maar ik meen eerst een vingertje gezien te hebben.De voorzitter:Meneer Van Campen had nog een vraag, maar hij heeft geen interruptiesmeer, dus mogelijk kan hij deze in de tweede termijn stellen. MeneerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30418 Holman heeft er wel nog een, dus hij kan zijn vraag wel stellen. Hij heefter nog twee zelfs.De heer Holman (NSC):Ik deel een beetje de gedachte van mevrouw Vedder over IBR en BVD. Watbetreft IBR snap ik het redelijk. Ik snap ook dat de Minister kiest voor eenbeetje een boervriendelijke aanpak, maar ik deel de verwondering dat hetzo lang moet duren, tot 2032. BVD is in principe een eenvoudige ziektewaar je, als je ook maar een beetje een boer bent, in een jaar vrij van kuntzijn. De vraag aan mevrouw Vedder is als volgt. Naast dat u zegt dat deMinister ernaar zou moeten kijken, wat kan de sector doen? Denkt u danbijvoorbeeld aan de kalverhouderij die ...De voorzitter:U dient via de voorzitter te spreken.De heer Holman (NSC):Denkt mevrouw Vedder dan aan een kalversector die zelf maatregelenneemt? Denkt zij aan boeren die zelf een soort convenant maken waarin ergeen handel plaatsvindt? Of denkt zij aan LTO Nederland of bepaaldezuivelorganisaties? Waar denkt u aan? Waar denkt mevrouw Vedder aan?Mevrouw Vedder (CDA):Mevrouw Vedder denkt ongeveer in die richting inderdaad. De kalverhou-derij is natuurlijk een van de sectoren die veel runderen importeert, maardie in het verleden ook al vaak heeft aangegeven bereid te zijn om testoppen met het importeren vanuit landen die geen vrije status hebben. Ikzou het heel warm ontvangen als daar boter bij de vis wordt gevoegd inhet belang van de gehele sector. Daar hebben zowel de kalverhouderij zelfals andere sectoren baat bij. Er zijn natuurlijk ook nog steeds wel kleineresectoren die minder goed verenigd zijn dan de melkveehouders en dekalverhouders. Daar kan dan wellicht een soort freeridersituatie of eenklein lek ontstaan, maar ik hoop heel erg dat de sector zich daardoor nietlaat tegenhouden om dit soort stappen met elkaar te zetten voor de bulkvan de dieren. Ik heb er vertrouwen in dat ze dat gaan doen, maar ik hooptoch ook te zien dat de Minister dat in ieder geval ondersteunt enonderstreept zodat het een beetje gewicht gaat krijgen.De voorzitter:Meneer Holman, u heeft ook geen interrupties meer, want uw vorigeduurde bijna een minuut lang. We houden 30 seconden aan. Daar heeft uzelf voor gekozen. Ik was, geloof ik, als enige tegen; de rest was voor. Datkan mij dus nooit verweten worden. Ik vind het nog steeds een dommekeuze, maar u beslist het zelf. Ik moet het wel bewaken. Mevrouw Vedder,u kunt doorgaan. U hebt nog dik anderhalve minuut.Mevrouw Vedder (CDA):Oké, voorzitter. Dan gaan we tempo maken. Ik wil ook op het gebied vande Afrikaanse varkenspest wat verder vooruitkijken. Ik wil dat we eropvoorbereid zijn en dat we niet worden overvallen. De Afrikaansevarkenspest komt namelijk onze kant op. Het is nu een keer uitgebrokenop 200 kilometer van de grens met Duitsland. Daarom hebben wijschriftelijke vragen gesteld. Ik wil de Minister bedanken voor de beant-woording daarvan.Bij mij bleef wel hangen dat er nog veel onduidelijkheid is over wat voorconsequenties een eventuele gebiedssluiting heeft. Als een boer een weekniet bij zijn aardappels kan, kun je het namelijk, afhankelijk van hetseizoen, echt over substantiële schade hebben. Wat zijn de consequentiesvoor ondernemers in de recreatie? De Minister gaf in de beantwoordingvan onze schriftelijke vragen aan dat in de eerste helft van 2025 eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30419 uitbraakoefening wordt georganiseerd in Limburg. Dat vind ik eenhartstikke goed idee. Deze oefening wordt mogelijk benut om dit soortdingen in kaart te brengen. Ik zou vandaag aan de Minister willen vragenof zij kan toezeggen om dit sowieso onderdeel te maken van dezeuitbraakoefening. Er leven namelijk echt zorgen over bij plattelandsbe-woners. Ik zou het waardevol vinden om deze zorgen alvast te kunnenvoorzien van een antwoord. Ik denk dat we deze niet moeten onder-schatten.Tot slot, voorzitter, nog heel kort over de geitenhouderij. We kunnen nietlichtzinnig omspringen met zorgen over de mogelijke causaliteit tussengeitenhouderijen en longaandoeningen. Gezondheid moet altijd op éénstaan. Ik vind de rekenexercitie in de Kamerbrief, de ophef en het verschilten opzichte van het rapport ingewikkeld. Ik heb zorgen over dat dit denuance van het rapport heeft doen ondersneeuwen. Dat doet hetonderwerp geen recht. Ik wil dus graag aan de Minister vragen: kan ikverwachten dat de duiding die de Gezondheidsraad gaat geven, mij alsenigszins verward Kamerlid gaat helpen om de conclusies uit het rapporten van mevrouw Roof beter te begrijpen? Kan ik verwachten dat ook degeitenhouders weten waar ze aan toe zijn? Moet dat echt een jaar duren ofkan het ook sneller?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank voor uw inbreng namens het CDA. Mevrouw Bromet, zou ik eenberoep mogen doen op uw anciënniteit? Ik wil namelijk als woordvoerderin dezen ook kort iets inbrengen. Bedankt dat u even voor me waarneemt.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Ik moet even de vicevoorzitter passeren. Aan het woord is de heer Grausvan de PVV.De voorzitter:Ik kijk nooit naar de vicevoorzitter, maar naar anciënniteit. Dat vind ik altijdnetjes.Voorzitter: BrometDe heer Graus (PVV):Dank u wel, mevrouw de voorzitter. De PVV kwam in 2006 in de Kamer. Ikheb toen gewezen op antibioticaresistentie en het overmatige antibiotica-gebruik, omdat ik zelf in die wereld gewerkt heb. Een van mijn eerstesuccessen was dat er een stop kwam op het zo veel mogelijk preventiefgebruiken van antibiotica. Als een dier bijvoorbeeld geopereerd is, geef jehem wel preventief antibiotica om erger te voorkomen. Maar er werdgestrooid met antibiotica. Ik heb ook toen al gewaarschuwd. Ik was toenin de veterinaire farmacie werkzaam. Ik persoonlijk, en mijn hele veteri-naire denkteam, was niet zo’n grote voorstander van vaccinatie.Ik heb toen op het volgende gewezen. Er zijn heel veel vaccins die hetgoed doen. Meneer Van Campen wees daar ook op. Maar als je te veelvaccins gaat inzetten, kan er een snellere virusmutatie komen. Dan kan erzelfs een soort virusresistentie of antibioticaresistentie ontstaan. Dat kangebeuren bij overmatig gebruik van antibiotica. Ik ben daar vijftien,zestien jaar niet serieus in genomen, totdat er toch wel een paar mensenzeiden: wacht eens even, het kan echt wel zo zijn. Ik heb toen aan devoorganger van de Minister van LVVN gevraagd om een onderzoek. Dieheeft dat toen ook toegezegd. Hij zei: we moeten het inderdaad eens gaanmenen, want het blijkt – dat zie je ook bij het blauwtongvirus – dat devaccins vaak minder werken en dat er soms best flinke bijwerkingen zijn.Ik laat mijn eigen dieren al 30 jaar lang helemaal niet vaccineren en dieworden allemaal teringoud. Ze worden ouder dan de gemiddelde leeftijdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30420 en ze hebben nooit iets. Ze krijgen nooit antibiotica of vaccins. Dat zijn ookkwetsbare dieren, maar ze hebben nooit iets. Vandaar dat ik me ook eenbeetje op mijn ervaringsdeskundigheid baseer. We vragen dus om naastde inzet van de goede vaccins ook pre- en probiotica en fytotherapeuticain te zetten tegen virussen en schadelijke bacteriën. Zo kunnen weantibioticaresistentie voorkomen.Een dierentuinarts vertelde mij dat zij al tientallen jaren werken metbepaalde diersoorten die ze hele hoge doseringen vitamine D geven omvirale aanvallen te voorkomen. Ik heb ooit een keer tegen de Minister vanVolksgezondheid, destijds Minister De Jonge, gezegd: ga dat eensproberen. Hij zei pas jaren later – we stonden toen samen in het toilet tepraten voor de wasbak – dat ik eigenlijk wel gelijk had gehad en dat hetinderdaad zo is. Maar ik had dat puur uit de dierengeneeskunde vandaangehaald. Soms loopt de dierengeneeskunde voorop. Dokter Hille Fietenvan de Universiteit Utrecht heeft een gendefect ontdekt bij de dobermann.Die overlijden heel jong aan cardiologische problemen, hartfalen. Hetblijkt hetzelfde gendefect te zijn dat bij mensen voorkomt. Dat is natuurlijkeen doorbraak. Vaak moet er dus echt eerder naar de dierengeneeskundegekeken worden dan naar die humane tak, want soms lopen ze gewoonvoorop.Mijn vraag is: wat gaat er nu gebeuren? Komt er een onderzoek? Is deMinister van LVVN bereid om die prebiotica, probiotica en fytothera-peutica – waaronder ook gewoon vitamine D – meer te gaan gebruiken? Ikdenk ook aan kurkuma tegen kanker. Dat wordt ook al humaan gebruikt,dus waarom doen we dat niet gewoon? Een ander middel is resveratrol. Ikweet nog goed wat een arts tegen mij zei toen ik vermoedde dat ik covidhad. Hij zei: slik gewoon een hele batterij aan resveratroltabletten en jevoelt je morgen beter. Dat was inderdaad zo. Het wiel is al uitgevonden.Heel veel artsen zijn het erover eens. Sommige artsen spreken het tegen,maar zij hebben er vaak nooit mee gewerkt.Wybren van Haga, oud-Kamerlid, heeft voor de situatie rond het blauw-tongvirus aparte onderzoekers ingezet. Toen hij de Kamer moest verlaten,heb ik de onderzoekers onder mijn hoede genomen. Ik heb ze in contactgebracht met de inspecteur-generaal van de NVWA. De beste man – wehebben het over uw inspecteur-generaal, mevrouw de Minister – heeft datperfect opgepakt. Hij is zelfs een keer teruggekomen van vakantie. Hijheeft er alles aan gedaan. De onderzoekers zeggen dat er een verband istussen de verspreiding van het blauwtongvirus, met name serotypen 3 en12, en uitbraken die te maken hebben met transporten via Israël, Tunesiëen Italië.Ook verwaaiing speelt een rol. Er is een Belgische wetenschapper dieheeft bevestigd dat het virus honderden kilometers kan verwaaien.Wageningen University houdt dat een beetje af. Ik heb gezien met hoeveeldedain dat gebeurt: de onderzoekers worden niet serieus genomen. Ikmaak me er toch zorgen over. Ik zou het fijn vinden als de Minister ingesprek gaat met deze onafhankelijke onderzoekers. Blauwtong is eenzeer ernstige en dodelijke ziekte. Het veroorzaakt een lange lijdenswegvoor zowel het dier als voor het baasje of de veehouder. Het is gewoonverschrikkelijk. Daar komt alle financieel-economische schade nog bij.Waar blijft het knuttenonderzoek, dat ons in 2024 werd beloofd? Zeker nuwetenschappers wijzen op de mogelijke verspreiding door knutten enverwaaiing uit andere landen, is het belangrijk daar iets mee te doen. Mijnfractie wil dat die hypothesetoetsing mogelijk wordt gemaakt voor deonderzoekers die daar al zo lang mee bezig zijn. Zij doen dat werk aljarenlang tegen schamele vergoedingen. Ik geloof dat een vuilnisman nogmeer verdient. Deze mensen zouden ook meer moeten verdienen. Ik wilmaar zeggen: deze mensen krijgen er vrijwel niets voor, alleen maarvergoedingen. Wij willen diepgaander geografisch onderzoek naartransport, verwaaiing en insleepmogelijkheid, inclusief genetischeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30421 analyse. Dat is van belang, zeker nu de genetische structuur overeenkomtmet eerder in laboratoria onderzochte structuren.Dank u wel, mevrouw de voorzitter.De voorzitter:Geen dank. U heeft een interruptie van mevrouw Van der Plas.Mevrouw Van der Plas (BBB):Iedereen heeft het volste recht een huisdier al dan niet te laten vaccinerenof wel of niet een geneesmiddel toe te dienen. Wat de heer Graus zei,vond ik wel een beetje zorgelijk. Mogelijk heb ik het verkeerd opgevat,vandaar mijn interruptie. Ook in de humane gezondheidszorg vindtvaccinatie plaats. Kinderen krijgen als baby al vaccins tegen ernstigeziektes, zoals mazelen en de bof. Ik interrumpeerde om te vragen of ik deheer Graus goed heb begrepen. Bedoelde hij te zeggen dat vaccins slechtzijn en deed hij een oproep om alternatieve dingen te gebruiken? Hoe zietde heer Graus dit in relatie tot de humane gezondheidszorg?De heer Graus (PVV):Als ik hierop als Kamerlid word aangesproken door mensen, zeg ik: jegaat met hartklachten naar de cardioloog en met kiespijn naar de tandarts.Ik ben woordvoerder Dierenwelzijn. Ik heb het helemaal niet over dehumane tak gehad en dat ga ik ook niet doen. Dat doen andere mensenbinnen onze fractie. Ik heb me puur gericht op de diergeneeskunde. Ik beneen van de weinigen die daar echt mee te maken heeft gehad. Het wasdan wel in een commerciële functie, maar ik heb te maken gehad met eenbedrijf dat werkte met vaccins en antibiotica. Ik ben er wars vangeworden. Dat is punt één.Het tweede punt is het volgende. Ik ben gelukkig vrij in wat ik wel en nietdoe met mijn eigen dieren. Mijn fractie is voorstander van vaccinatie, dusdat draag ik ook uit. Er zijn ook goede vaccins die wel werken, zoals voorde ziekte van Weil en het parvovirus. Als dieren niet curatief te behan-delen zijn, moet je preventie inschakelen, bijvoorbeeld door enting. Alseen dier vaak zwemt in een gebied waar veel ratten zitten, dan bestaat hetrisico op de ziekte van Weil. Die ziekte is vaak niet curatief te behandelen,dus dan moet je je richten op preventie. Daar zeg ik ook niets van. Wat ikwel zeg, is: begin naast die goede vaccins ook met de inzet van prebiotica,probiotica en fytotherapeutica. Ik zei dat net ook in mijn bijdrage. Als wedat gaan doen, zou ik al heel blij zijn. Heel veel wetenschappers geven onsdaarin gelijk. Sommigen spreken het tegen, maar je hebt altijd tweekampen.Ik heb zelf in die wereld gezeten en ik zeg: ik ga mijn dieren niet vacci-neren, over mijn lijk. De dieren bij ons worden extreem oud. Er zijndobermannpinchers die extreem jong overlijden. Bij ons worden diedieren 13 tot 15 jaar en een aantal maanden. Ook andere dieren, zoalskonijnen en kromsnavels, worden bij ons extreem oud. Dat wil toch weliets zeggen, want ik gebruik prebiotica, probiotica en fytotherapeutica. Jeziet het dus ook op microniveau. Ik word daarin ook gesteund doordierenartsen om me heen. Ik laat altijd dierenartsen meekijken met wat ikdoe, want ik ben geen dierenarts. Het is altijd zo lastig: de helft wil het welen de helft wil het niet. Dat is altijd zo met de wetenschap. Ik ben erachtergekomen dat de wetenschappers die het tegenspreken er geen kaas vanhebben gegeten. Dat is een groot probleem.Ik vind dat ook in het geval van de Wageningen University, mevrouw Vander Plas. Het is een wereldwijde autoriteit. De mensen doen daar heelgoede dingen, maar ze zitten er vaak faliekant naast. Ze zijn veel te veelgericht op symptoombestrijding en ze zijn minder gericht op preventie,vind ik.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30422 De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik nu graag het voorzitterschap terug.Voorzitter: GrausDe voorzitter:Dank u wel voor het waarnemen, mevrouw Van der Plas. Sorry, ik bedoelmevrouw Bromet. Ik begin ook al een dagje ouder te worden, mijnexcuses.Ik kijk even naar de bewindspersonen. Hoeveel tijd denken zij nodig tehebben? We gaan schorsen tot 16.15 uur.De vergadering wordt van 15.38 uur tot 16.15 uur geschorst.De voorzitter:Welkom terug, allemaal. We gaan luisteren naar de beantwoording doorbeide Ministers. Ik wil de Ministers vragen vooraf aan te geven of ze inblokjes werken en om welke blokjes het gaat. Ik zal dan steeds aan heteind van een blokje interrupties toestaan, zodat het debat wat ordelijkerverloopt. Er zijn vier interrupties toegestaan. Ik geef graag als eerste hetwoord aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Minister Agema:Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee blokjes: VGO-III en overig. Ik brengallereerst aan de leden van de Tweede Kamer opnieuw mijn excuses overvoor de late verzending van het rapport. Ik kan me voorstellen dat u het inzo’n korte tijd niet helemaal heeft kunnen bestuderen. U had ook niet degelegenheid er een aantal weken over na te denken. Wellicht wilt u het opeen later moment nog een keer bespreken en dan ben ik natuurlijkbeschikbaar. In de tussentijd kunnen we ook een technische briefingaanbieden. Ik doe dat mede namens de Minister van LVVN. Dat is eenMinister waar ik overigens zeer veel bewondering en respect voor heb. Zeis een fijne collega.De suggestie dat wij niet met elkaar door een deur zouden kunnen, kloptniet. Het is wel overduidelijk dat we op dit terrein verschillende invals-hoeken hebben. Mijn invalshoek is volksgezondheid. De invalshoek van deMinister van LVVN omvat de bedrijven, de belangen van de bedrijven envan de families. Kortom, we bekijken de situatie van alle kanten. Dat leidtniet tot ruzie, maar dat leidt wel tot een brief die we gezamenlijk naar uwKamer hebben gestuurd. We staan beiden volledig achter deze brief. Hetmoet er uiteindelijk toe leiden dat we aan de hand van een advies van deGezondheidsraad kunnen bepalen wat de volgende stap moet zijn. Erkomt dan ook geen VGO-IV.Dan kom ik bij de vragen die zijn gesteld. Het lid Kostic´ vraagt of deMinister kiest voor volksgezondheid en of zij maatregelen gaat treffen omde aantallen geiten terug te brengen. Ook vraagt zij wat de Ministerhierover zegt tegen omwonenden. Ik maak mij net als lid Kostic´ veelzorgen over de situatie van mensen die in de nabijheid van geitenhoude-rijen wonen, longontsteking krijgen en in het ziekenhuis terechtkomen. Wemoeten wel beter kunnen inschatten hoe groot het effect is en hoe zichdat verhoudt tot andere risico’s. Om die reden is eerst het advies van deGezondheidsraad nodig, evenals uitgebreider literatuuronderzoek.Vervolgens kunnen we een goede afweging maken en zo nodig maatre-gelen treffen. Het advies is eind van het jaar beschikbaar; een eerdertijdstip zou natuurlijk goed zijn.Het lid Kostic´ zegt dat er zelfs in de provincie Gelderland nog eengeitenhouderij wordt uitgebreid. Ze vraagt: wat vindt de Minister vanVWS hiervan? Moet dit geen halt worden toegeroepen? In sommigeprovincies zijn inderdaad de geitenaantallen toegenomen, ondanks dat ereen moratorium was ingesteld. Dit komt doordat bestaande geitenhoude-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30423 rijen het aantal geiten hebben uitgebreid. De regels zijn per provincieverschillend. De groei nam af en het aantal stabiliseerde enigszins, maarhet verschilt dus per provincie. Een geitenstop is een besluit op provin-ciaal niveau. De Minister van LVVN en ik doen wel een duidelijk verzoekaan de provincies om de geitenmoratoria aan te houden tot het adviesvan de Gezondheidsraad is uitgebracht. Dat zou ervoor moeten zorgen datde uitbreiding niet verder doorzet.Mevrouw Van der Plas zegt dat eerdere onderzoeken al aantoonden dat ergeen causaal verband is vastgesteld en dat dit ook met VGO-III niet hetgeval is. Ze stelt dat de onderzoekers er alles aan deden om patiënten tevinden en dat er slecht 108 patiënten werden gevonden. Mevrouw Van derPlas vraagt: waar zijn de patiënten die onderzocht moesten worden? Ditonderzoek vond plaats tijdens de coronacrisis. Het vinden van depatiënten was toen erg lastig. Mensen mochten niet naar de huisarts ofgingen daar minder snel naartoe. De huisartsen waren overbelast enhadden ook geen tijd voor extra onderzoek. Daarnaast hadden veelpatiënten een aversie gekregen tegen het afnemen van keel- enneusswabs. Verder moesten de bestanden worden geschoond vanpatiënten met corona of Q-koorts. Dat zijn de redenen waarom uiteindelijk108 patiënten hebben deelgenomen aan de studies uit VGO-III.Dat neemt niet weg dat VGO-III ook de epidemiologische studies bevat. Ikdenk dat daar veel onduidelijkheid over is. Er zijn twee stromingen.Enerzijds zijn er de epidemiologische studies, gebaseerd op patiëntendos-siers van huisartsen. Deze laten gedurende een periode van elf jaar eensterk verband zien tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhou-derij en het optreden van longontstekingen. Anderzijds zijn er binnenVGO-III nadere studies gedaan, gericht op het achterhalen van de oorzaak.Het gaat dan om studies met een controlegroep, met geitenhouders,werknemers van geitenhouderijen en met patiënten.Mevrouw Van der Plas zegt dat in VGO-I en VGO-II een verband werdgevonden tussen pluimveehouderij en longproblematiek. Later is datverband niet gevonden. Zij vraagt of er bij de geitenhouderijen ook sprakekan zijn van een schijnverband. Nee, er is sprake van een aantoonbaarverband tussen het wonen rondom een geitenhouderij en longontsteking.Er is ook een afstandrelatie gezien: hoe dichter bij de geitenhouderij, hoehoger het risico. Dit is dus gebaseerd op de meerjarige epidemiologischestudies die zijn gedaan aan de hand van huisartsendossiers. Het gaat danom zo’n 150.000 patiëntendossiers.Het verhaal over pluimvee is complex. Voor het jaar 2013 werd eenduidelijke associatie gevonden tussen longontsteking en het wonenrondom pluimveehouderijen. Voor het jaar 2014 was het verband tussenpluimveehouderij en longontsteking veel minder duidelijk. In 2015 en 2016was er geen relatie meer zichtbaar. De emissie van fijnstof in de veehou-derij, waaronder de pluimveehouderij, is sinds 2015 ook sterk afgenomen.Verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren, kunnendaaraan hebben bijgedragen. Tegelijkertijd zien we ook dat het verbandtussen longontsteking en het wonen bij pluimvee in 2014 al niet duidelijkwas. Het kan ook zijn dat andere factoren een rol spelen en dat dieveranderd zijn. Ik raad het lid Van der Plas aan om dit soort vragen testellen tijdens de technische briefing.Het lid Van der Plas vraagt of de Minister het met haar eens is dat hetonwaarschijnlijk is dat er daadwerkelijk meer longontstekingenvoorkomen bij geitenbedrijven. Mijn antwoord is nee. Het is vastgestelddat rondom geitenhouderijen vaker longontsteking voorkomt. HetVGO-epidemiologisch onderzoek, op basis van de huisartsengegevensvan 150.000 dossiers, toont al elf jaar lang aan dat dit zo is.Het lid Van der Plas vraagt of de Minister kan toezeggen dat zij eenpeerreview laat instellen, voordat er in de praktijk onterechte actiesondernomen worden. Het VGO-III-rapport is nieuw en om die reden heefter nog geen peerreview plaatsgevonden. Dat zal natuurlijk wel gebeuren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30424 Tegelijkertijd is het zo dat bij het VGO-II-rapport al een peerreview hadplaatsgevonden en dat dit keer dezelfde methoden zijn gebruikt. Voor degebruikte methoden heeft ook peerreview plaatsgevonden. Ook geldt voorde onderzoeken die zijn gedaan, dat zij op zichzelf ook worden onder-steund door peerreview, wat wil zeggen: ze zijn wetenschappelijkgevalideerd.Mevrouw Van der Plas zegt dat het rapport terecht niet rept over hetinstellen van extra regels voordat er meer onderzoek gedaan is, omdat erabsoluut geen oorzaak-gevolgverband gevonden is. Ze vraagt of deMinister dat kan toezeggen. We stellen nu geen extra regels in, omdat– zoals gezegd – eerst het advies van de Gezondheidsraad nodig is.Het lid Bromet vraagt of het klopt dat de Minister van VWS wel maatre-gelen wil treffen en de Minister van LVVN niet. Ze vraagt of de Ministervan VWS deze verhouding kan toelichten. We zijn het wel met elkaar eens,zoals blijkt uit de gezamenlijke Kamerbrief, over wat er moet gebeuren.Deze brief is door ons beiden ondertekend. Daarnaast verschillen wenatuurlijk wel van invalshoek, zoals ik eerder al opmerkte. Dat is ooklogisch, omdat we beiden vanuit onze verschillende verantwoordelijk-heden naar deze zaak kijken. De Minister van LVVN wil meer rekeninghouden met de impact op ondernemers en hun gezinnen. Ik kijk meervanuit het perspectief van volksgezondheid. We hebben allebei oog voorde andere kant. Als kabinet moet je altijd verschillende belangen afwegen.Daar zijn soms indringende overleggen voor nodig, maar daar kom je alsMinisters ook weer samen uit. Er ligt nu een koers die volgens ons beidenverstandig is.Het lid Bromet vraagt of het voorzorgsbeginsel zou moeten gelden. Zijzegt dat we bij de geitenhouderijen nu geen risico zouden moeten nemen.Het VGO-III-rapport geeft aanleiding om de gezondheidsrisico’s vangeitenhouderijen heel serieus te nemen. De provincies zijn het bevoegdgezag. De meeste provincies nemen uit voorzorg maatregelen in de vormvan een moratorium. Wij doen een appel op de negen provincies om demoratoria te handhaven en we zouden graag zien dat de andereprovincies ook voor een moratorium kiezen.Het lid Van Campen vraagt of er een spoedadvies kan worden gevraagd,zodat het advies er eerder is dan in Q3. Dat willen wij natuurlijk ook en deGezondheidsraad heeft het adviestraject al opgestart. Vanwege de urgentesituatie hebben zij dit al gedaan voordat de officiële adviesaanvraag naarde raad is gestuurd. De adviesaanvraag wordt deze week naar deGezondheidsraad verstuurd. De commissie die de adviesvraag gaatbeantwoorden, wordt op dit moment samengesteld. De commissie wordtzo spoedig mogelijk geïnstalleerd. Het opstellen van een zorgvuldig engewogen advies neemt de tijd die ervoor nodig is. We zullen de Gezond-heidsraad vragen of er mogelijkheden zijn om het adviestraject teversnellen en het advies eerder te publiceren.Het lid Vedder zegt dat we niet lichtzinnig kunnen omspringen metgezondheid. Zij maakt zich zorgen over de ophef die is ontstaan en overhet ondersneeuwen van de nuances van het rapport. Ze vraagt of deduiding van de Gezondheidsraad gaat helpen om de conclusies beter teduiden. Ze vraagt ook of het onderzoek echt een jaar moet duren. Hetadvies van de Gezondheidsraad zal zeker helpen om de conclusies van hetVGO-III-rapport te duiden. We vragen de raad de gezondheidsrisico’srondom geitenhouderijen te duiden op basis van de laatste stand van dewetenschap, en te beoordelen of maatregelen nodig zijn. In mijnantwoord op de heer Van Campen zei ik al: de Gezondheidsraad heeft hetadviestraject al opgestart. Het opstellen van een zorgvuldig en gewogenadvies kost precies de tijd die nodig is. We zullen de Gezondheidsraadvragen of er mogelijkheden zijn om het adviestraject te versnellen en hetadvies eerder te publiceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30425 De voorzitter:Dat was het einde van het eerste blokje. Dan hebben we eerst eeninterruptie van mevrouw Bromet, daarna van de heer Holman en dan deheer Van Campen.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Allereerst dank aan de Minister dat zij de suggesties die vooral van BBBkwamen dat er allemaal niets aan de hand was, weerlegt. Ik heb toch welmoeite met ...De voorzitter:Nu moet ik mevrouw Van der Plas wel de mogelijkheid geven hierop tereageren.Mevrouw Van der Plas (BBB):Ik maak er wel bezwaar tegen dat ik hier heb gezegd dat er «allemaal niksaan de hand was». Mevrouw Bromet is er zelf altijd heel fel op als mensenhaar woorden in de mond leggen, maar ze legt nu woorden in míjn mond.Ik wil dus voor de Handelingen hebben opgeschreven: al deze zaken zijnserieus en we moeten ze allemaal serieus onderzoeken. Ik heb nergensgezegd: jongens, er is helemaal niks aan de hand. Als mevrouw Brometuit dit debat concludeert dat ik dat heb gezegd, dan mag ze me die tekstgeven, maar ik heb dat niet gezegd.De voorzitter:Waarvan akte. De Dienst Verslag en Redactie neemt dit uiteraard allemaalmee, dus het komt in de Handelingen.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Excuus dat ik die woorden gebruikt heb, maar ik zat me net een beetje opte vreten over de vragen en de suggesties. Dat was de oorzaak, denk ik,maar daar gaat het nu niet over.Ik hoor de Minister zeggen: we hebben allebei een verschillendeinvalshoek en een andere verantwoordelijkheid. Dat snap ik heel goed. Inhet verleden, zeker in de debatten over de Q-koorts, is echter de conclusiegetrokken dat de Minister van VWS een soort doorzettingsmacht moethebben bij het afwegen van volksgezondheid ten opzichte economischebelangen. Ik vraag de Minister of zij dit ook vindt. Het ene belang gaattoch boven het andere belang.Minister Agema:Het is zeker zo dat volksgezondheid hier leidend is. Zo zijn we er ook in degezamenlijke brief uitgekomen: volksgezondheid is leidend. Daaromvragen we de Gezondheidsraad om advies en komt er geen VGO-IV. Wemoeten wel precies weten hoe we een en ander moeten duiden en wat wemoeten doen.De voorzitter:U heeft een interruptie van de heer Holman.De heer Holman (NSC):Ik dank de Minister voor de heldere bewoordingen. Zij zegt toch nogalwat. De vraag is of we werkelijk een vervolgonderzoek nodig hebben om– met de woorden van de SER – het monster in de bek te kijken. Is degrootste risicofactor, humaan gezien, niet de grote concentratie vanbeesten in een beperkt gebied: de Peel en de Veluwe? Vindt de Ministerhet acceptabel dat we daar lang mee wachten? Vindt de Minister het ooknodig dat je daarnaar moet kijken en maatregelen moet nemen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30426 Minister Agema:Ik ben natuurlijk ook erg geschrokken van de doorrekening en de 100 tot200 overlijdens. Ik wil graag dat de Gezondheidsraad dat voor ons heelprecies in de context plaatst. Waar gaat het precies om en welke maatre-gelen zijn gepast? Ik vind het heel erg hoog, maar we weten ook dat we ineen heel dichtbevolkt land leven. We hebben ook te maken met fijnstof ende gevolgen daarvan. Bij zoönosen weten we dat bijvoorbeeld kattentoxoplasmose kunnen overbrengen en dat ratten de ziekte van Weilkunnen overbrengen. Als je naar de kinderboerderij gaat en je aait eenschaap, kun je schimmels krijgen. Het is die context waarvoor ik eenweging wil krijgen om een goed besluit te kunnen nemen.De heer Holman (NSC):Ik heb gesteld dat diertransporten en de concentratie van beesten degrootste risicofactoren zijn. Deelt de Minister de mening dat dit vanuit hetoogpunt van humane risicobeheersing de grootste risicofactoren zijn?Vindt zij ook dat we hier serieus naar zouden moeten kijken?Minister Agema:Ja, dat deel ik. Ook het VGO-III-rapport laat nu voor elf jaren op rij metgeüpdatete informatie, met alles wat we nu hebben, zien dat er epidemio-logisch gezien een duidelijke relatie is tussen longontsteking en hetwonen in de buurt van een geitenhouderij. Dat neem ik bijzonder serieus,maar ik heb wel meer duiding van de Gezondheidsraad nodig om eenbeslissing te nemen over wat te doen.De voorzitter:Eerst is meneer Van Campen aan de beurt, dan lid Kostic´ en dan mevrouwVedder.De heer Van Campen (VVD):Ik was heel blij dat de Minister haar betoog begon met: er komt geenVGO-IV. Daarmee geeft zij eigenlijk aan dat het nu maar eens duidelijkmoet zijn. We moeten na het advies van de Gezondheidsraad nu maareens hom of kuit geven met elkaar en weten waar we aan toe zijn. Ik denkdat ondernemers daar op dit moment ook naar snakken. Ik hoor ook dathet verschil aan impact aan de ene kant het rapport is. Aan de andere kantzeggen mensen dat het de zorg relativeert. Aan de andere kant is er hetgeluid dat de brief van de bewindspersonen te alarmerend is. Ik noemdesteeds die passages op over een effect dat niet maand- of seizoensge-bonden blijkt te zijn. Het gaat om een consistent aantoonbaar verband.Staan die met elkaar in verhouding, vraag ik de Minister. En hoe luistert zijnaar de kritiek dat aan de ene kant het rapport de zorg voor een grootgedeelte heeft weggenomen – dan kom ik op het betoog van mevrouwVan der Plas over causaliteit – en aan de andere kant de zorg doorklinkt enduidelijk wordt opgenoemd in de brief van het kabinet?De voorzitter:Dat waren er twee, meneer Van Campen.Minister Agema:De bevindingen uit het rapport en de nadere doorrekeningen zijn zorgelijk,maar we moeten ze wel in de juiste context kunnen plaatsen en dat iswaar ik nu nog een hiaat heb. De Gezondheidsraad zei in 2018 dat ze eenbreder wetenschappelijk pallet nodig hebben om dit te beoordelen, maardat hebben we nu wel. Er is dan niet een oorzakelijk verband aangetoond,maar heel veel is wel aangetoond met VGO-III. Het gaat dus niet alleen omde huisartsendata die gaan over het epidemiologisch verband. Die zijnzeer sterk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30427 Maar in dit onderzoek is heel veel gedaan met literatuurstudie. Daar ismen mee begonnen. Er is eerst een selectie gemaakt van 96 micro-organismen waarvan we weten dat ze bij mensen een longontstekingkunnen veroorzaken. Die ui is afgepeld met een retrospectieve studie bijziekenhuispatiënten, de prospectieve studies en de studies wat betreft hetgeitenbedrijf en de leefomgeving. Vervolgens is afgepeld naar 23bacteriën die zijn gevonden op de geitenhouderijen in de omgeving enook bij patiënten. Maar het is heel erg lastig om dan de oorzaakeen-op-een op elkaar te pinnen. Er is echter wel veel meer wetenschappe-lijke informatie dan in 2018, toen de Gezondheidsraad zei dat ze een tesmalle basis hadden. Die basis is met VGO-III veel breder geworden. Ikhoop dus dat de Gezondheidsraad nu wel tot adviezen kan komen.Kamerlid Kostic´ (PvdD):De Minister zegt de volksgezondheid op één te zetten, maar ik snap niethoe ze dat rijmt met «tot 100% zekerheid wachten om in te grijpen». DeQ-koortspatiënt die ik net citeerde zei: dat heeft ons juist in de problemengebracht. Ik hoorde de Minister net zeggen dat ze de andere provincies dienog geen geitenstop hebben ingesteld, gaat vragen die wel in te stellen.Waarom doet de Minister dan niet meteen een landelijke geitenstop? Danis het meteen geregeld en zijn er ook geen uitzonderingen zoals inGelderland. Dan is er een eenduidige regel vanuit het landelijk bestuur.Minister Agema:Het is niet zo dat we meer onderzoek gaan laten doen. Er komt geenVGO-IV. Met VGO-III is nu een bredere wetenschappelijke basis gelegd. Ikdenk dat dat een heel groot verschil is, ook tussen VGO-I, -II en -III. Ik zetdus niet in op meer onderzoek; ik wil een advies van de Gezondheidsraadover hoe dit te duiden. Mevrouw Kostic´ zegt dat ik niet het juiste antwoordgeef, dus misschien kan ze haar vraag nog een keer stellen, want ik wilhaar wel bedienen. Dan kan ik kijken of ik mijn antwoord kan herformu-leren.De voorzitter:Het lid Kostic´ vroeg inderdaad waarom er niet meteen een landelijkverbod komt. Dat tellen we dan niet als een interruptie.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Dank u wel. En dank aan de Minister daarvoor. Ik weet dat er niet nog eenonderzoek komt. Ik vroeg waarom ze niet ingrijpt en waarom ze inderdaadniet meteen een landelijke geitenstop inzet, aangezien ze alle provinciesvraagt om zo’n geitenstop in te stellen.De voorzitter:Dank u wel. Dat tellen we niet als een interruptie.Minister Agema:Ik sloeg aan op uw eerste zin in uw eerste vraag, maar u kwam uiteindelijktot de vraag: waarom doet u geen landelijk verbod? Dat is omdat dat eenwetstraject verlangt en daar gaat ook veel tijd overheen. Wij doen dus eenappel en een beroep op de moratoria die op provinciaal niveau reeds zijngesteld. Daarbij wil ik opmerken dat er in de drie provincies die meedoeneen veel lagere dichtheid is van geitenhouderijen en dat daar veel mindermensen in de buurt van geitenhouderijen wonen.Mevrouw Vedder (CDA):De Minister sprak net uit dat ze was geschrokken van de 20 tot 100 extrasterfgevallen per jaar. Ik heb gezocht in het VGO-III-rapport, maar daaraanwordt niet gerefereerd en in de Kamerbrief staat dat het op verzoekberekend is. In mijn inbreng refereerde ik er al aan. Over dat stukje is veelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30428 ophef ontstaan. Ik betreur dat omdat ik denk dat daardoor de nuance inhet debat verloren gaat. Kan de Minister mij uitleggen waar dit verzoekvandaan komt en welke waarde ik daaraan moet hechten?Minister Agema:We hebben deze nadere duiding aan dezelfde onderzoekers gevraagd. Alsje namelijk met een bandbreedte van tussen de 80 en de 127 op 100.000 ...Dat is ook niet helder of duidelijk, dus de getallen die er wel in staan.Daarom hebben we een nadere duiding aan de onderzoekers gevraagdover wat dit betekent in getallen. Dat is inderdaad zorgelijk, maar dit zijnwel de feiten. Daar zullen we het ook mee moeten doen. Wat wij nuvragen aan de Gezondheidsraad is om ons een advies te geven over hoewij hier nu verder mee moeten gaan.Mevrouw Vedder (CDA):Het kan misschien aan mijn vooropleiding liggen, maar ik begrijp het tochnog niet helemaal. In de brief wordt gesteld dat dit een resultaat is, dus 20tot 100 extra sterfgevallen per jaar. Maar volgens mij is het een extrapo-latie van een aantal gegevens. De Minister heeft net zelf ook gezegd dat ergeen oorzakelijk verband is. Ik kan dus wel begrijpen dat dit een extrapo-latie is van andere bestaande cijfers, maar ik begrijp niet zo goed waar destelligheid vandaan komt dat deze sterfgevallen daadwerkelijk ... En alshet zo is, dan is het natuurlijk ... Ik wil het niet bagatelliseren, wantgezondheid staat op één, maar die nuance vind ik ook belangrijk.Minister Agema:Ik heb eerder al gezien, ook aan de inbreng van de Kamer, dat hetonderzoek met de 108 patiënten, 100 geitenhouders, werknemers en decontrolegroep van rond de 900 verward wordt met het epidemiologischonderzoek onder de 150.000 patiëntendossiers. Deze nadere doorrekeningis op basis van die gegevens. Die hebben wij door dezelfde onderzoekersnader laten berekenen en horen dus in dezelfde context als de 150.000huisartsendossiers. Dat stevige, langjarige epidemiologische verband isiets anders dan de zoektocht naar het oorzakelijk verband, wat ook veelheeft opgeleverd. Dat gaat om de literatuurstudie, het afpellen van de uitot aan de 23 bacteriën die gevonden zijn bij geitenhouderijen, deomgeving en patiënten. Het is heel betreurenswaardig dat er geenoorzakelijk verband gevonden is, maar dat kan ik ook niet meer veran-deren, en ik verwacht ook niet dat dat met een VGO-IV wel zal veranderen.De voorzitter:Tot zover. Zijn er geen vragen meer? Dan kan de Minister verdergaan methet blokje overig. Sorry, mevrouw Van der Plas, u heeft zich ook nogaangemeld.Mevrouw Van der Plas (BBB):Toen de Minister hier nog Kamerlid was, hebben wij hier heel veeltechnische briefings gehad rondom covid. Ikzelf, en ook de Minister, toenin de hoedanigheid als Kamerlid, hebben daarover ontzettend veelkritische vragen gesteld. Er werd gedaan alsof iedereen maar ziek werd,maar de cijfers toonden aan dat het eigenlijk het meest ging om degroepen zwakken, ouderen en kwetsbare mensen met al onderliggendlijden. Wij zijn er ook samen in opgetrokken om te zorgen dat dielockdowns, waarmee het hele land op slot ging ... Dat vonden we groteonzin. Ik wil het ook niet bagatelliseren, maar uit die cijfers bleek dat metname de mensen met onderliggend lijden, en oudere en kwetsbaremensen het covidvirus opliepen. Wij vonden het ook niet proportioneelom een heel land daarvoor op slot te zetten. Een bacterie trekt zichnatuurlijk ook niks aan van coronamaatregelen. Dat zeg ik even in relatietot het antwoord van de Minister. Die zegt: het onderzoek heeft langerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30429 geduurd, want er was covid en minder mensen gingen naar de huisarts.Maar een bacterie verspreidt zich ergens door en komt ergens op terecht.Iemand denkt niet: er zijn nu coronamaatregelen, dus nu blijf ik evenlekker in de stal.De voorzitter:Wat is uw vraag? Dit waren al twee interrupties. Dat u dat ook weet.Mevrouw Van der Plas (BBB):Sorry. Kan de Minister daar wat duidelijker over zijn? Ik proef namelijktoch een beetje ... Niet door de Minister, maar er wordt toch wel watpaniek gezaaid, alsof iedereen die in de buurt van een geitenhouderijwoont longontsteking kan krijgen. Terwijl ook hieruit blijkt dat het overmensen gaat die al longproblemen hebben en daardoor een groter risicolopen. Kan de Minister daar wat duidelijker in zijn?Minister Agema:Het is inderdaad zo dat ik ook als Kamerlid altijd met rapporten aan deinterruptiemicrofoon liep te wapperen. En we hebben inderdaad deGezondheidsraad de vraag gesteld om die proportionaliteit te bekijken.Dat neemt niet weg dat er door de onderzoekers een significant risicovoor de volksgezondheid wordt gezien van slechts 455 geitenbedrijvenvoor 1,5 miljoen omwonenden. Dat is een grote verhouding. Naast de 20tot 100 doden worden er ook duizenden longontstekingen en honderdenziekenhuisopnames gemeld of doorgerekend. Dat is best fors voor zo’nkleine sector.Dat epidemiologische verband is dus gebaseerd op 150.000 huisarts-patiëntendossiers voor elf jaar lang. Dat is best wel heel zorgelijk en wevragen de Gezondheidsraad dus om die nadere duiding. Ik wil daar ook bijzeggen dat inderdaad hele oude mensen en chronisch zieken risico lopen,maar ook zeer jonge kinderen. Te vroeg geboren kinderen lopen hier ookrisico. Ik wil dus de proportionaliteit door de Gezondheidsraad in kaartgebracht zien en dan kunnen wij daar weer wat mee.De voorzitter:Dank voor uw antwoorden.Mevrouw Van der Plas (BBB):Dan kom ik toch weer even terug op de covidperiode. Ik kan me namelijkherinneren dat ook hier in deze Kamer werd gewapperd met cijfers van:als we dit allemaal doorrekenen, dan liggen er volgende maand toch wel83.000 mensen in het ziekenhuis. Uiteindelijk gebeurde dat niet. Ik zeg nietdat de Minister er niet goed naar moet kijken, maar, nogmaals, dieproportionaliteit moet wel in het oog worden houden omdat het metname gaat ... Dat wordt ook door het RIVM gezegd. Het is niet zo datiedereen die in de buurt van een geitenhouderij woont een longontstekingkrijgt. Vooral mensen die andere klachten aan luchtwegen hebben, lopeneen groter risico. Nu kunnen mensen in Nederland bij allerlei mediainvullen waar ze wonen. Dan is het van: als u zoveel meter ervan afwoont,dan loopt u een groter risico op longontsteking. Er wordt zo veeldesinformatie verspreid. We moeten er volgens mij als overheid ook opletten dat we niet een soort van enorme paniek gaan zaaien met dat jemeteen een longontsteking krijgt als je een geit ziet. Een heleboel boerenzitten op de boerderij. Dat zou toch betekenen dat die allemaal metlongontstekingen te kampen hebben en dat die allemaal in het ziekenhuisterechtkomen? Dat is toch ook niet zo?De voorzitter:Dank u wel. Dit waren ook weer twee interrupties. In principe bent u dusdoor uw interrupties heen. Het is een moeilijk en zwaar dossier. Het isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30430 vaak ook een emotioneel dossier. Maar mocht er een vraag zijn die u echtdringend moet stellen, dan zal ik alle Kamerleden een vijfde, extrainterruptie geven. Ik bied u die mogelijkheid aan, omdat we dit debatanders niet goed kunnen laten verlopen. U moet wel de kans krijgen omalles te vragen.Minister Agema:Wat het rapport ook laat zien, is dat de gemiddelde leeftijd van degeitenhouders en hun werknemers veel lager ligt dan die van degemiddelde patiënt. Er wonen 1,5 miljoen mensen binnen die straal van2 kilometer van de geitenhouderij. Dat is best een hele grote populatie.Daarbinnen heb je per jaar en het hele jaar door duizenden longontste-kingen, honderden ziekenhuisopnames en tientallen doden. Voor hetvraagstuk van juist die context en de proportionaliteit vragen wij nu eennader advies van de Gezondheidsraad.We kunnen die feiten niet bagatelliseren, want het kan niet feitelijker dandit. Het gaat om de patiëntendossiers van 150.000 patiënten bijhuisartsen, om het feit dat zij longontsteking krijgen en het feit dat zebinnen die straal van 2 kilometer van een geitenhouderij wonen. Er is eentoenemende mate van risico als je er dichterbij woont. En er is op basisvan deze hele harde conclusies al cijfermatig doorgerekend dat hetverwachte risico 30% tot 60% is. Dus nee, niet iedereen van de 1,5 miljoenmensen die bij de geitenhouderij woont, krijgt longontsteking. Zeker niet.Maar een bepaalde groep mensen is hier meer vatbaar voor. Dit gaatvooral om ouderen en chronisch zieken, maar, zoals ik zei, ook om helejonge en vroeggeboren kinderen.De voorzitter:Ik stel voor dat de Minister verdergaat naar blokje twee: overig.Minister Agema:Het lid Kostic´ haalde expert Hans Zaaijer aan die zegt dat we ons in hetkader van volksgezondheid geen risico-intensieve veehouderij kunnenveroorloven. Onderschrijft de Minister van VWS dit? Beleid en volksge-zondheid mag geen casinopolitiek zijn. Heeft Minister Agema het lef omhet eindelijk wel te regelen? Het is mij duidelijk dat de Partij voor deDieren helemaal geen landbouwhuisdieren wil. Maar we hebben helegrote uitdagingen in Nederland en we wonen met 18 miljoen mensen ineen heel dichtbevolkt, klein land. Als er risico’s zijn en we hebbenmanieren om die aan te pakken, doen we dat ook. Zo is dat ook gegaanmet de fijnstofuitstoot bij de pluimveehouderijen. Daarvoor zijn actiesondernomen. Dat is geen casinopolitiek. We maken wel goedeafwegingen. En op basis van wetenschappelijk onderzoek komen weuiteindelijk ook tot maatregelen.Het lid Bromet zei dat de Algemene Rekenkamer ons in 2022waarschuwde dat de Minister geen doorzettingsmacht heeft. Waarom is erniks met dit advies gebeurd? Zoals we ook in onze reactie op dit adviesvan de Algemene Rekenkamer hebben aangegeven, werken de Minis-teries van LVVN en VWS op het gebied van zoönosen nauw met elkaarsamen. Zo hebben we een gezamenlijke structuur opgezet: de zoönose-structuur. Die zorgt ervoor dat er in Nederland een snelle uitwisseling vansignalen en informatie is tussen het medische en veterinaire domein endat er snel kan worden opgeschaald. Binnen deze structuur heeft hetvolksgezondheidsdomein het voortouw. Bij een uitbraak met zoönotischeaspecten heeft VWS het voortouw en coördineert het de besluitvorming.De beide Ministers besluiten in goed onderling overleg over eventueleacties en behouden daarbij hun eigen beleidsverantwoordelijkheid,waarbij voor beiden in alle gevallen de volksgezondheid vooropstaat.Het lid Bromet sprak ook over vogelgriep. In de VS is die nu ook bij koeienen mensen aangetroffen. Hoe kijkt de Minister naar de eerste dagen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30431 Trump, waarin Trump uit de WHO is gestapt en het ontwikkelingsgeldheeft gestopt? Wat betekent dit voor risico’s met betrekking tot devogelgriep, ook in Nederland? Een eventueel vertrek van de VerenigdeStaten zal gevolgen hebben voor de financiering en organisatie van dewerkzaamheden, alsook voor de coördinerende taken van de Wereldge-zondheidsorganisatie. Dit geldt ook voor het stopzetten van ontwikkelings-gelden. Op dit moment worden de gevolgen door de Wereldgezondheids-organisatie in kaart gebracht. Ook heeft de WHO voorgesteld met deAmerikaanse overheid in gesprek te gaan. Nederland en andereEU-lidstaten zullen de ontwikkelingen nauwgezet volgen. Conform hetverzoek van het lid Paulusma uit de vaste Kamercommissie VWS werkthet kabinet momenteel aan een reactie op het voorgenomen besluit vande Verenigde Staten.Het lid Holman haalt de OVV aan die zegt dat Nederland niet goed isvoorbereid op een nieuwe pandemie. Hoe schat de Minister risico’s vooreen pandemie in en zijn we hierop goed voorbereid? Hartelijk dank voorhet nogmaals stellen van deze vraag. Wij hebben onze basisinfrastructuurnoodzorg. Dat is een brede structuur van noodzorg. Daarnaast is een extraenvelop pandemische paraatheid in kaart gebracht, met daarin onderandere de nationale zorgcrisisreserve, het verbeteren van de modellen bijhet RIVM, de inzet van extra personeel bij de GGD, de IV/ICT om deinfrastructuur van ICT verder op orde te helpen. Zoals u weet, is dieenvelop binnen het hoofdlijnenakkoord wegbezuinigd.Vervolgens kreeg ik de verantwoordelijkheid om de weerbaarheidsopgavein kaart te brengen. De weerbaarheidsopgave is breder dan de pande-mische paraatheid alleen, want we hebben ook risico’s aan de oostgrensin Europa. Het risico dat een NAVO-bondgenoot aangevallen kan wordenen wij ook verantwoordelijk worden voor de gewondenzorg van anderelanden. In het ernstigste geval kan hier oorlog komen, een terroristischeaanslag plaatsvinden en noem maar op. Wij hebben in kaart gebracht watwe nodig zouden hebben. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid wordtde komende maanden verder uitgewerkt onder regie van de NationaalCoördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en het Ministerie vanDefensie. Ik verwacht de Kamer hierover medio 2025 meer duidelijkheid tekunnen geven.Dat was ’m.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw de Minister, voor de beantwoording.De heer Holman (NSC):Dank voor de heldere bewoording. De wetenschappers, de virologen,stellen dat een pandemie voor beesten of voor mensen een kwestie vantijd is. Ik zeg dit niet om angst te zaaien. Hoe kijkt de Minister daartegenaan en deelt ze die zorg? Vandaar de vraag of we voorbereid zijn.Minister Agema:Natuurlijk zijn wij in de basis voorbereid en dat heeft u ook tijdens decoronacrisis in actie kunnen zien. Bij de extra envelop die in het hoofdlij-nenakkoord aanvankelijk is wegbezuinigd en waarvan ik de brederecontext met de weerbaarheidsopgave in kaart breng, was ik net nogvergeten te vertellen dat ik niet het hele programma heb stopgezet, omdatik er al heel snel achter kwam dat er een grote overlap is tussen deweerbaarheidsagenda en de pandemische paraatheid. De extraGGD-medewerkers en de modellering door het RIVM in het nieuwe beleiduit 2025 zijn twee onderdelen uit de extra envelop die we niet zijn gestart.Al het andere loopt nog door totdat wij in het voorjaar een besluit nemenmet betrekking tot het verder uitgewerkte plan dat onder regie van deNCTV plaatsvindt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30432 Kamerlid Kostic´ (PvdD):Mijn vraag van net ging niet over mijn mening of over de hele veehou-derij, maar over specifieke wetenschappelijke consensus. Mijn vraag isconcreet: erkent u de conclusies van wetenschappers ...De voorzitter:U dient via de voorzitter te spreken.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Mijn tijd loopt.De voorzitter:Daar houden we rekening mee.Kamerlid Kostic´ (PvdD):O, dank u wel. Erkent u de conclusies van wetenschappers zoalsKoopmans en Zaaijer – nogmaals: wetenschappelijke consensus – datNederland door onze intensieve veehouderij een broedplaats is voorgevaarlijke infectieziekten en dat we daarom moeten werken aan afbouwvan die intensieve veehouderij? Erkent u de wetenschappelijkeconsensus?De voorzitter:U dient via de voorzitter te spreken.Minister Agema:Ik respecteer het standpunt van de Partij voor de Dieren dat zij helemaalwil stoppen met de landbouwhuisdieren. Natuurlijk zien we ook allemaalde risico’s. Mensen en dieren, levende wezens, wisselen ziekten metelkaar uit. Het is aan ons om de risico’s die we zien en kunnen beperken,te beperken. Dat is wat ik doe. Op het moment dat ik maatregelen kannemen en die we met z’n allen zullen nemen, neem ik die ook. Dat hebbenwe ook een paar jaar geleden met fijnstofemissie gedaan. Op het momentdat we maatregelen kunnen nemen en de volksgezondheid kunnenbeschermen, doe ik dat ook. We zullen altijd ook de context en deproportionaliteit moeten meewegen. Die drie verzoeken heb ik met hetVGO aan de Gezondheidsraad gedaan.De voorzitter:Ik zie verder geen interrupties meer. Dank u wel voor de beantwoording.Dan gaan we naar de volgende Minister. De Minister van LVVN.Minister Wiersma:Voorzitter. Om te beginnen: ik ga in vijf blokjes antwoorden.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Is de Minister van Volksgezondheid klaar? Ze heeft niet al mijn vragenbeantwoord.De voorzitter:Welke vragen zijn niet beantwoord?Kamerlid Kostic´ (PvdD):Ik vroeg specifiek naar het rapport van Bekedam met één maatregel,gericht op de waterrijke gebieden en de intensieve veehouderij.De voorzitter:Dan komt de Minister daar in tweede termijn op terug. Die interruptie telik dan niet, want u had nog maar één interruptie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30433 Kamerlid Kostic´ (PvdD):Maar dan kan ik niet goed doorvragen. Waarom moet dat voor eentweede termijn? Ik heb de vraag gesteld aan de Minister van Volksge-zondheid. Ik wil niet dat die door de Minister van LVVN wordt beantwoord,want zij gaat over bedrijven. En ik wil het hebben over de volksge-zondheid.De voorzitter:De Minister van Volksgezondheid stelde voor om er in tweede termijn opterug te komen.Minister Wiersma:Ik wil daarbij wel opmerken dat bij waterrijke gebieden met name deverspreiding van dierziekten onderling een factor in dat rapport is en datdit niet zozeer te maken heeft met de dichtheid van bewoning ten opzichtevan veehouderijen. Ik snap dat soms verandering van spijs doet eten,maar afijn.De voorzitter:Lid Kostic´, nu is de Minister aan het woord. We komen er dadelijk intweede termijn op terug, nu niet. We gaan niet de hele tijd door eenMinister heen praten. De Ministers zitten hier op onze uitnodiging en wegaan er niet doorheen praten. Dat is gewoon onbeschoft. Dat sta ik niettoe. Nu is de Minister aan het woord en aan het einde van ieder blokje iser ruimte voor interruptie.Lid Kostic´ biedt excuses aan. Dat is bij dezen gebeurd, dank u wel.Mevrouw de Minister.Minister Wiersma:Oké. Voor de derde keer. Ik ga een poging doen. Ik ga in vijf blokjesantwoorden. Ik begin met het programma VGO. Vervolgens heb ik eenblokje MKZ, dan vogelgriep, blauwtong en nog een blokje met overig.In de inleiding heeft Minister Agema heel goed uiteengezet hoe we tot degezamenlijke brief zijn gekomen. Ik denk dat het heel goed is dat wevandaag over zoönosen en dierziekten spreken. Het is goed dat deMinister van VWS hier ook is, zodat we kunnen laten zien dat we hierinecht goed samenwerken, uiteraard ieder vanuit eigen verantwoorde-lijkheid en perspectief. We hebben recent in debatten al besproken dat weecht opgeschrikt zijn, ook door de MKZ-situatie in Duitsland, diegodzijdank met een sisser is aflopen.Ik wil daarbij vooropstellen dat die heeft laten zien en dat daaruit geblekenis – ik kom nog op de reflectiemogelijkheden die er ook zijn – hoe goedons systeem functioneert, hoe snel iets gesignaleerd wordt en hoe goedwe samenwerken met andere Europese lidstaten om verspreiding tegen tegaan en te beperken. Gelukkig is dit in Duitsland gebleven, maar vandaagvoeren we het zoönosen- en dierziektendebat. Ik wil aan alle betrokkeninstanties en mensen die dat werk hebben gedaan nogmaals mijncomplimenten geven voor het hele adequate optreden.Dat gezegd hebbende zien we op dit moment toenemende zorg over devogelgriep. Op dit moment wordt meer vogelgriep gevonden in wildevogels, met name bij brandganzen. Dat maakt het risico op vogelgriep bijpluimvee hoger. Ik zal straks een apart blokje aan vogelgriep wijden. Ikheb met u de voortgangsrapportage Intensiveringsplan preventie gedeeld.Ik hoorde zojuist, daaraan refererend, dat we beginnen met de pilot vanhet vaccineren van pluimvee. Dat is echt iets nieuws. Ik vind dat heelpositief. We zijn het eerste land dat daarop stappen gaat zetten. In hetblokje vogelgriep zal ik daar nader op terugkomen.We hebben ook nog blauwtong. Dat zullen we straks ook uitgebreidbespreken. Ik leef mee met de houders en dieren die hiermee geconfron-teerd worden. Daar heb ik dus straks een blokje over. In maart zal ik deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30434 Kamer nog informeren over het onderzoek naar het effect van vaccinatietegen blauwtong 3 en de mate van verspreiding van het andere serotype.Daarover kunt u in maart een brief van mij verwachten.Dat gezegd hebbende, begin ik met het VGO-onderzoek. Ik denk dat deMinister van VWS hier ook al veel over gezegd heeft. Het is een belangrijkonderwerp. Ik begrijp de vragen en zorgen, zowel vanuit de kant vanvolksgezondheid als vanuit de mensen die een geitenhouderij hebben. Deresultaten van het onderzoek nemen wij uiteraard serieus. Voor hetafwegen of er uiteindelijk verdere stappen moeten worden genomen, ishet wel echt belangrijk dat wij goed inzichtelijk hebben in wat degezondheidseffecten zijn – ik herhaal mijn collega – en wat de wegingdaarvan is. Voordat maatregelen überhaupt worden overwogen, hoort erjuridisch gezien ook een afweging te worden gemaakt. Ik ben blij dat deGezondheidsraad, die de vorige keer ook een goed rapport heeftopgeleverd, om advies wordt gevraagd. Ik hoop inderdaad dat we dieadviezen zo snel mogelijk in ontvangst kunnen nemen. Aan ons zal hetdus niet liggen. We willen het zo snel mogelijk doen. Maar mijn collega zeiook al: het vereist echt zorgvuldigheid. Zorgvuldigheid kost soms tijd.Dat was mijn inleiding. Dan begin ik met een vraag van de heer VanCampen over wat ik met het VGO-rapport ga doen, vooruitlopend op hetadvies van de Gezondheidsraad. Ik denk dat ik dat zojuist ook al beant-woord heb. De Minister van VWS heeft ook al aangegeven dat wij hetadvies van de Gezondheidsraad afwachten. Dat advies moet echt metduiding en weging gepresenteerd worden. In de tussentijd – dat staat ookin de Kamerbrief – hebben wij een appel gedaan op het bestaande beleidom de moratoria in de provincies in stand te houden. Dat is wat we in detussentijd doen. Eventuele vervolgstappen komen na het advies van deGezondheidsraad.De heer Van Campen had nog een vraag over het instellen van eennationaal uniform moratorium totdat het advies er is. Ik denk dat die vraagook door de Minister van VWS beantwoord is. Een nationaal moratoriumis een maatregel met een wettelijke grondslag, waarbij je echt een helestevige onderbouwing zal moeten leveren. In principe is dat ook het gevalbij maatregelen die vanuit het voorzorgsprincipe worden ingesteld. Wenemen dit wel superserieus, maar daardoor is ook dat advies aan deGezondheidsraad opgevraagd. Een nationaal moratorium is nu niet aande orde. Ik denk dat het ook duidelijk is waarom dat geen optie is.De heer Van Campen had nog een vraag over of ik ook bereid ben om deWUR om een spoedadvies te vragen over de hoeveelheid van ziektever-wekkers in stallen en omgeving, en of ik de WUR wil vragen om in kaart tebrengen hoe we die hoeveelheid omlaag zouden kunnen brengen. Ik benuiteraard bereid om daar met de WUR over in gesprek te gaan. Ik weet datde sector zelf daar ook voor openstaat en het is ook een van de aanbeve-lingen van de onderzoekers. Dat is volgens mij – hoe noem je dat ook alweer – no regret; dat is de term waar ik naar zocht. Die toezegging doe ikdus.De heer Van Campen had ook een vraag over ...De voorzitter:Mevrouw de Minister, u heeft net een toezegging gedaan. Op welketermijn kunnen we dat dan verwachten?Minister Wiersma:Daar kom ik straks even op terug. Ik zet in op zo snel mogelijk, maar ookop zo zorgvuldig mogelijk.De voorzitter:Dat is goed, maar we willen graag een deadline hebben waar we u aankunnen houden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30435 Minister Wiersma:Ik ga daar straks even over nadenken. De heer Van Campen had ook eenvraag over het rechtenstelsel voor de geitensector. Dit is natuurlijk inmeerdere debatten over andere sectoren ook al aan de orde geweest. Ikzie in dit debat geen opening om het daarover te hebben. Een rechten-stelsel is echt een ingrijpende maatregel die de vrijheid en ruimte vandeze ondernemers beperkt. Het moet ook proportioneel zijn. We wetenook dat er, op het moment dat we hierover debatteren, consequenties aanzitten. Ik denk wel dat we vanuit andere oogpunten, dus niet zozeer vanuitdit debat, maar wel vanuit de milieudoelstellingen – dat hoorde ik de heerVan Campen ook zeggen – kunnen concluderen dat we ook in de categorieoverig, om het maar even zo te noemen – de Kamer weet dan wat ikbedoel – wel willen dat alle sectoren en alle categorieën die daarin zittenook bijdragen aan de opgave waar we vanuit milieutechnische vraag-stukken voor staan. Ik neem dit mee. Het zijn zorgvuldige overwegingendie moeten worden gemaakt. Ik kan daar op dit moment nog niet opvooruitlopen.De heer Van Campen had ook een vraag over het uitrijden van mest en ofdat invloed heeft op de risico’s. In het onderzoek is gekeken naar deverschillende aspecten van bedrijfsvoering op geitenbedrijven. Aspectenzoals managementmaatregelen en het aanwenden van mest zijn daar ookin meegewogen. Er is op dit moment niet gebleken dat daar een verhoogdrisico uit voortvloeit; dat is niet aangetoond.Dat was het blokje VGO.De voorzitter:Allereerst is er een vraag van mevrouw Bromet en daarna van meneerVan Campen.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Even terugkomend op het feit dat het kabinet de provincies graagopdraagt om een moratorium in stand te houden op de uitbreiding vangeitenstallen. Het argument is dat een wetstraject te lang duurt. Tegelij-kertijd zegt de Minister: we nemen het allemaal superserieus, maar eenlandelijk moratorium is niet aan de orde. Mijn vraag is als volgt: waaromzou je niet alvast beginnen met de voorbereiding op het maken van eenwet en waarom zou je jezelf afhankelijk maken van provincies als het gaatover de uitbreiding van geitenhouderij in Nederland?Minister Wiersma:Wat zojuist ook geschetst werd, is dat in de provincies waar het op ditmoment niet geldt, relatief extensieve provincies zijn. Ik kom zelf uit eenvan die provincies en kan dat bevestigen. We hebben zojuist ookgeconcludeerd dat maatregelen proportioneel moeten zijn en dat je daarecht wel een gedegen grondslag voor moet hebben. Ik kan ook niet op dezaken vooruitlopen. Het advies van de Gezondheidsraad zal ons daarinmeer helderheid geven. Het zal ook meer duidelijkheid geven over hoe wedit rapport kunnen en moeten duiden en ook over de vragen die mevrouwVedder heeft gesteld aan de Minister van VWS. Ik vind dat we dat echt afmoeten wachten voordat we verdere draconische maatregelen nemen.We hebben wel een appel gedaan op de provincies om het huidigemoratorium, zolang het advies er nog niet ligt, in stand te houden.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Wat is er draconisch aan een stop op het aantal geiten in Nederland? Hetaantal geiten groeit ieder jaar toch nog, ondanks de moratoria. Er zijnongewenste gezondheidseffecten. Dat hebben we de Minister van VWSnet horen zeggen. En we hebben ook nog een stikstofprobleem. Waarombegin je niet gewoon proactief met het maken van een wetsontwerpTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30436 waarin een moratorium voor geiten wordt ingesteld? Dat moet je alsbewindspersoon toch gewoon doen wanneer deze problemen aan de ordezijn?Minister Wiersma:Volgens mij heb ik deze vraag zojuist beantwoord. Ik wacht het advies vande Gezondheidsraad ook af om te wegen wat proportioneel is en wat niet.De extensieve provincies hebben daar zelf een afweging in gemaakt. Wijhebben de provincies gevraagd om de moratoria aan te houden tot hetadvies er is en wij nadere duiding hebben. Dat is het pad dat we volgen.Dat staat ook in de Kamerbrief en daar blijf ik bij.Nogmaals, dit was het blokje VGO.De voorzitter:Dit was het blokje VGO. Ik moet eerlijk zeggen dat er al twee leden door alhun vragen heen zijn. Dat komt ook omdat er vaak dubbele vragen tussenzaten. Ik ken iedereen een extra interruptie toe. Er komen nog veelbelangrijke onderwerpen aan bod en ik kan niet toestaan dat er geenvragen meer kunnen worden gesteld. Mevrouw Bromet krijgt dus nog eeninterruptie en mevrouw Van der Plas heeft daarna ook nog een interruptie.Maar eerst zie ik meneer Holman.De heer Holman (NSC):Is de Minister bereid om het onderzoek in die zin te verbreden dat ook decumulatie van verschillende diersoorten wordt bekeken? Over het adviesvraag ik me het volgende af. Is de Minister bereid om meerdereafwegingen te maken die allesoverstijgend zijn? Dus dat je echt struc-tureel vanuit het perspectief van stikstof en natuur kijkt naar wat de positievan de geitenhouderij op het platteland is?Minister Wiersma:Het advies dat wij aan de Gezondheidsraad gevraagd hebben, heeft nietdeze brede scope, dus ik kan die afweging ook niet maken. Het advies isgericht op de volksgezondheid, dus die zaken moeten we uit elkaarhouden. Al die andere afwegingen maken we op andere plekken, nietvanuit het kader van volksgezondheid maar bijvoorbeeld wel vanuitmilieuaspecten. Die debatten voeren we ook op structurele basis metelkaar. Het lijkt me niet logisch om de Gezondheidsraad daarmee tebelasten.De voorzitter:Dan stel ik voor dat we verdergaan met de beantwoording. Of toch nogniet; ik zie dat de heer Van Campen hier ook nog een vraag over heeft.De heer Van Campen (VVD):Ik heb eigenlijk nog drie korte vragen aan de Minister over die moratoria.Welke provincies hebben op dit moment nog geen moratorium? Waaromhebben zij ervoor gekozen om nog geen moratorium in te stellen? Eneigenlijk de belangrijkste vraag, als de Minister dan toch een appel doet,is: wat vindt de Minister ervan dat deze laatste drie provincies nog geenmoratorium instellen?Minister Wiersma:Dat zijn Friesland, Groningen en Zeeland. Het is hun eigen afweginggeweest. Zoals we zojuist ook hebben begrepen, zijn dat niet deprovincies met de meeste geitenhouderijen. Daarnaast is transmissie eenrisico waar mensen dicht op elkaar leven – dat geldt ook voor dieren. Ditzijn extensieve provincies met een lage bevolkingsdichtheid. Deprovincies hebben dat risico zelf niet als groot ingeschat. Wat vind ikdaarvan? Ik denk dat de uitbreiding van bedrijven of de vergunningver-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30437 lening voor nieuwe bedrijven niet gelimiteerd is tot een moratorium, maardat dat ook komt door andere ontwikkelingen. Ik heb daar niet zo veelover te vinden. Maar ik schat het risico niet groot in dat er op dit momentgrote ontwikkelingen zijn, omdat er op het gebied van vergunningver-lening inmiddels ook een rem zit.De heer Van Campen (VVD):Dan begrijp ik het moreel appel niet zo heel goed. Want óf je doet eenmoreel appel omdat je het belangrijk vindt dat alle provincies inafwachting van de uitspraak van de Gezondheidsraad een moratoriuminstellen óf je begrijpt de afweging van die drie provincies omdat zeextensief zijn, er geen risico’s zijn en omdat uitbreiding vanwege hetstopzetten van intern salderen toch al niet kan. Wat is het nu? Vindt deMinister het belangrijk dat ze dat moreel appel doet? Of zegt ze dat heteigenlijk niet zo veel uitmaakt? Wat is het nu?De voorzitter:Excellentie. U bent bijna uw laatste interruptie kwijt, meneer Van Campen.Minister Wiersma:Daar waar de risico’s groter geacht worden, zijn maatregelen genomen.Daar waar dat minder het geval is en waar veel minder risico wordtgelopen, omdat er minder mensen in de buurt van die geitenhouderijenwonen, heeft het bevoegd gezag daar een afweging in gemaakt. Het appel– Van Campen noemt het een moreel appel – hebben we gedaan omprovincies te vragen om het moratorium aan te houden, in ieder geval totde duiding en conclusies van het advies van de Gezondheidsraad erliggen. Dat is ook in navolging op hetgeen het lid verder aangaf. Er is veelonrust over ontstaan. Daar hebben wij oog voor en dat zien wij uiteraardook. Ik denk dat het advies van de Gezondheidsraad daar echt meerduiding over gaat geven.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Een vraag voor de helderheid. Ik hoorde de Minister van VWS net zeggen:we doen de oproep om een moratorium in te stellen ook aan de drieprovincies die nog geen moratorium hebben. Klopt dat?Minister Wiersma:Ik hoor hier van mijn collega dat zij dat niet zo gezegd heeft. We hebben inde Kamerbrief, die we ook naar de Tweede Kamer hebben gestuurd, eenoproep gedaan om het moratorium aan te houden voor de provincies dieeen moratorium hebben. Volgens mij hebben we daarin een lijn getrokkenen heeft mijn collega van VWS dezelfde woorden gebruikt.Dit was het blokje VGO, zeg ik via de voorzitter.De voorzitter:Nu gaan we naar MKZ, geloof ik.Minister Wiersma:Ik heb zojuist ook al een hele hoop over MKZ gezegd. De eerste vraag vande heer Van Campen ging over welke lessen getrokken kunnen worden uitde situatie die we vorige maand hebben meegemaakt. Ik denk dat hetduidelijk is dat we zo’n situatie heel snel detecteren en dat we ook heelsnel in staat zijn om zo’n situatie in kaart te brengen. We hebben ookdirect maatregelen genomen. Op vrijdag werd het bekend en op zaterdaghebben we al gezien dat er voor de 3.600 kalveren die vanuit Brandenburgnaar Nederland zijn gekomen, gelijk maatregelen zijn genomen. Ik vindecht dat dat systeem goed functioneert en dat de rol van de NVWA daarinecht goed werkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30438 Op dit moment zijn al die bedrijven ook onderzocht – al is dat een anderevraag. Alle onderzoeken zijn bekend. Ik begreep dat daar enige onduide-lijkheid over was. Al die bedrijven zijn ook persoonlijk geïnformeerd overde uitslag. De laatste uitslag was vorige week maandag. Gelukkig is datallemaal goed afgelopen en is er adequaat opgetreden, vind ik, vanuit alleorganisaties die hiermee te maken hebben. De rust is nu wedergekeerd.Natuurlijk zullen we gaan evalueren welke lessen we hieruit kunnentrekken. Ik kan er al wel eentje noemen. Ik zie namelijk ook verbeter-punten, want een van de problemen is dat de Europese exportcertifi-cering, TRACES, onvoldoende inzicht geeft in de oorspronkelijke herkomstvan dieren. Dat is de reden dat dieren, die via de verzamelcentra naarNederland zijn gekomen, niet direct in beeld waren. Dat moet beter. Ik hebdit al aan de Kamer gemeld en ik heb dit ook al aangekaart bij deEuropese Commissie. Zij gaan het ook oppakken en daarnaar kijken.Het tweede punt is dat we moeten kijken naar de markttoelating van devaccins. Het vaccin dat wij in Nederland hebben gekocht, kunnen we veiliggebruiken in noodsituaties, maar dat is wel op basis van een Fransetoelating. Omdat het natuurlijk al echt lang geleden is dat we hier metMKZ geconfronteerd zijn, heeft de fabrikant de toelating hier nietverlengd. Maar gelukkig is het in Europa zo geregeld dat, wanneer ersprake is van een noodsituatie – en dat was er – je dan ook toelatingvanuit een ander land kunt benutten om de vaccins in een andere lidstaatte gebruiken.Dit heeft wel echt aandacht nodig. Het evalueren hiervan doen wenatuurlijk zowel intern als extern met alle belanghebbenden. Daar zijn weop dit moment ook al mee bezig. Ik ben ook met fabrikanten in gesprekover de toelating. We vinden het natuurlijk van groot belang dat we ookbuiten noodsituaties permanente toegang tot die vaccins hebben. Dat iswat ik over de lessen vanuit de recente uitbraak van MKZ te zeggen heb.De volgende vraag, die ook van de heer Van Campen was, was waarom ernog agrariërs zijn die op de uitslagen wachten. Ik kan dat met stelligheidbetwisten, omdat alle uitslagen bekend zijn en persoonlijk aan de boerenzijn doorgegeven. Ik herken dat beeld dus niet. Wel is het zo dat erverschillende soorten testen zijn. Zo heb je de PCR-test, maar ook deELISA-test, die in grote batches wordt gedaan, waar uiteindelijk ook nogeen hertest voor nodig bleek te zijn. Dat was nodig om erop in te zoomen,omdat je bij die grote batches altijd ook een aantal valspositieven hebt.Maar inmiddels is dat allemaal afgerond en bleek alles negatief te zijn. Datheb ik uw Kamer ook medegedeeld. Dus in die zin is dat allemaal positiefnieuws.In Duitsland was dat ook zo. Ik herken het beeld dat geschetst werd dat zein Duitsland sneller waren niet. Ze waren natuurlijk wel een dag eerdermet de eerste uitslag, maar dat kwam ook omdat zij al eerder begonnenwaren, omdat het daar eerder bekend was. Maar qua snelheid doen wijdaar echt niet voor onder. Op dit moment wordt er in Duitsland ook nogsteeds bemonsterd in het kader van de verplichte screening.Dan was er een vraag over de gebrekkige EU-coördinatie en delab-uitslagen. Daar heb ik net eigenlijk ook al wat over gezegd. Er werdgevraagd of wij het voortouw kunnen nemen in het opzetten van effectiefcrisisbeleid. Nogmaals, ik herken dit beeld niet. Het is in Nederland echtniet minder snel gegaan dan in Duitsland. Er is adequaat gehandeld en ikkan de betrokken instanties niet vaak genoeg complimenteren. Ik kreegsoms echt nog berichten van betrokken medewerkers om vier of vijf uur’s nachts binnen. Zij waren echt voortdurend aan het doorwerken.Nogmaals, alle complimenten daarvoor.Volgens mij functioneert dat dus buitengewoon goed. Dat we moetencoördineren, lijkt mij bij uitstek een voorbeeld voor de harmonisatie vande EU. We moeten daar met elkaar op inzetten. Uiteraard zal ik deevaluatie van de aanpak en de punten die zien op EU-niveau daar ookinbrengen. Sterker nog, ik weet dat we het in het vorige debat ook overTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30439 MKZ hebben gehad. De heer Van Campen heeft mij toen volgens mij ookgevraagd of ik het vaccineren en alle consequenties daarvan aan de ordewilde brengen. Ik heb het vorige week in de Landbouw- en Visserijraadook direct ingebracht. We zitten er bovenop, zeker ook in Europeesverband. We zijn daar natuurlijk met elkaar aan zet. Nederland neemt nietin haar eentje de leiding, maar we hebben zeker een inbreng. Dat vind ikook belangrijk.Mevrouw Vedder had een vraag over de afzet van de producten vangevaccineerd vee en vroeg of er een plan kan komen ter compensatie vande afzetdaling. Op het moment dat er sprake is van een besmetting,worden er dieren geruimd en worden kosten vergoed. Die ruiming wordtdoor de overheid vergoed. Wel is het zo dat de dieren na de inzet vannoodvaccinaties uiteindelijk kunnen worden aangehouden om deproductieperiode af te maken. Die dieren worden dan ook niet geruimd,omdat daar dan geen veterinaire reden voor is.Maar de vervolgschade, die te maken heeft met een lagere productwaardein verband met exportbeperkingen, is zeer groot. Dat heeft vooral temaken met de kosten van de behandeling en de kosten van het inregelenvan aparte lijnen die je in de keten moet organiseren. De kosten zijn zeerhoog, maar de overheid kan dat deel niet voor haar rekening nemen. Er isgeen sprake van een vergoeding voor de vervolgschade. Als we dat voorMKZ zouden doen, zouden we dat in principe voor alle dierziekten moetendoen. Dat pad kan ik niet afgaan. Wel vind ik natuurlijk op dit moment datwe daar als lidstaten in Europees verband met elkaar naar moeten kijken.Dat is wel een route die ik wil bewandelen. Maar de vergoeding isvooralsnog alleen voor de ruiming. Mocht een bedrijf geruimd worden,dan staat daar een vergoeding tegenover.De heer Van Campen had nog een vraag over de export van zuivelpro-ducten en waarom dat niet mogelijk is naar zestien landen. Op ditmoment heeft dat niet zozeer met de Nederlandse situatie te maken, maarheeft dat alles te maken met beperkingen die gelden op Duitse grond-stoffen. Op het moment dat ergens Duitse grondstoffen in zitten, geldtdaar een beperking op. Dat komt doordat Duitsland op dit moment nietMKZ-vrij is. Dat is de reden daarvoor. Op het moment dat er alleenNederlandse grondstoffen in de producten zitten, gelden die belemme-ringen niet.Dat was het blokje MKZ tot nu toe.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw de Minister. Meneer Van Campen stak zijn vingerop, maar heeft toch geen beurt. Dan is mevrouw Vedder.Mevrouw Vedder (CDA):Ik begrijp het antwoord helemaal hoor, maar ik vraag me af – ik hoop dathet nooit zover komt – wat, op het moment dat die vraag boven de sectorbungelt en we verplicht gaan vaccineren, er gaat gebeuren met hetdraagvlak daarvoor. Ik wil de Minister aanmoedigen om vooral ook inEuropees verband volop in te zetten op zo min mogelijk vervolgschade.Vlees moet bijvoorbeeld een hittebewerking krijgen. Dan is het de factoalleen nog maar geschikt voor de vleesverwerkende industrie. Dat is eenenorme kostenpost. Wil de Minister hier een keer een inventarisatie vanmaken en er een brief over sturen? Waar liggen de kansen en welkeafspraken zouden we hierover op Europees verband kunnen maken, zodatdie vervolgschade beperkt blijft?Minister Wiersma:Ik ben een beetje voorzichtig met het doen van toezeggingen. Ik hebgezegd dat ik dat in Europees verband wil oppakken. Vooralsnog is hetmet name nog een kwestie voor de ketenpartijen. Op het moment datMKZ heerste en we de verschillende scenario’s moesten voorbereiden,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30440 hebben we natuurlijk wel met deze partijen om tafel gezeten om tebespreken hoe we dit zouden kunnen inrichten. Ik wil wel iets op papierzetten over hoe we dat in Europees verband zouden kunnen doen. Diebrief komt dan alleen niet eerder dan in het derde kwartaal van dit jaar.Dan doen we dat. Ik heb al gezegd dat ik me daarvoor zou inzetten. Zokunnen we ook inzichtelijk maken wat die inzet dan zou kunnen zijn.De voorzitter:Alle leden hebben al hun vragen verbruikt, op het lid Kostic´ na. U ook,mevrouw Vedder. Dus dit gaat dan uw vijfde en laatste interruptie worden,dat u het weet. Ik zeg het u, omdat er nog meer onderwerpen aankomen.Lid Kostic´ heeft nog twee interrupties en de rest nog eentje. We kunnendoorgaan, mevrouw de Minister. We gaan nu naar de vogelgriep toe.Minister Wiersma:Voorzitter, dat heeft u goed. Hier heb ik in mijn inleiding ook al het een enander over gezegd. Ik begin met een vraag van de heer Van Campen. Zijnvraag ging over de vaccinatie en de afzetproducten naar Engeland. Diehandelsbeperkingen hebben ze daar volgens hem laten varen. Hij vroegwat ik eraan ga doen om andere landen daarbij aan te laten sluiten. Feit isdat zij de handelsbeperkingen daar niet hebben laten varen, maar dat wijin het kader van de pilot met het vaccineren tegen vogelgriep dat welbelangrijk vinden. Daarbij hebben we Engeland verzekerd dat deproducten van de leghennen die in deze pilot meedraaien hun afzet inNederland zullen vinden.De reden voor Engeland om daar geen handelsbeperkingen voor op teleggen, was zodat wij die pilot ten uitvoer kunnen brengen. Het is dus nietzo dat die importbeperkingen voor de import van die producten daarmeeis opgeheven, maar we hebben ze stellig beloofd dat zij die producten nietzullen ontvangen. Dat was de reden dat zij hebben gezegd dat ze daar dangeen handelsbelemmeringen voor op zouden leggen. Uiteraard heeft ditmijn aandacht. Dat zei ik zojuist ook al. De heer Van Campen is hier in hetvorige debat ook over begonnen, en ik heb daar dus al direct actie opondernomen.Mevrouw Bromet had een vraag over de TBO’s die met het opruimen vandode volgens in natuurgebieden worden geconfronteerd, waar eerder eenmotie over is aangenomen. Zij vroeg of we nu weer een financiëlecompensatie aan die TBO’s willen geven. LVVN heeft hier een coördine-rende rol in. Recent is ook de leidraad geactualiseerd waarin al die rollen,adviezen en verantwoordelijkheden over het opruimen van wilde vogels isuitgewerkt. Uiteindelijk is het algehele beeld dat het zoönotisch risico opdit moment laag is. Met name het risico dat de mens besmet raakt doorcontact met een wilde vogel is laag. We zien nu ook weliswaar eentoename van vogelgriep in wilde vogels, maar het is nog lang niet op hetniveau dat we in 2021–2023 zagen toen er werd overgegaan op compen-satie. Ik heb met mijn collega van VWS besloten dat er op dit moment noggeen reden voor is om te compenseren. Mocht de situatie veranderen enmocht het risico toch hoger worden of mochten de besmettingen in wildevogels zich toch weer enorm uitbreiden met bijbehorende last, dan gaanwe dat opnieuw beoordelen.De heer Van Campen vroeg naar de impactanalyse van structuurmaatre-gelen voor de pluimveehouderij en wanneer deze analyse komt. Dieanalyse wordt nog steeds uitgevoerd. De financieel-economischeimpactanalyse hoort daar ook bij, evenals het onderzoek dat expertszullen uitvoeren naar de impact op de volks- en diergezondheid. Het vergttijd om dat goed te doen. Dat is zo met deze analyses. Dat hebben wezojuist ook geconcludeerd. Je kunt geen afweging maken zonder eengedegen analyse. De analyses komen zo snel mogelijk, maar ze zijn er nogniet. De verwachting is dat ze in het tweede kwartaal van dit jaar, hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30441 volgende kwartaal dus, gereed zijn. Ik zal ze dan uiteraard ook met deKamer delen.Het lid Kostic´ had een vraag over de Europese Autoriteit en het advies ompluimveehouderijbedrijven af te bouwen. De vraag was ook of we hetbouwen van pluimveestallen zouden willen verbieden. Laat ik voorop-stellen dat het verbieden van het bouwen van stallen wel een hele zwaremaatregel is. We hebben het zojuist ook in het kader van hetVGO-onderzoek gehad over proportionaliteit. Het is niet de weg die ik nuop zou willen. Er wordt op dit moment wel een analyse uitgevoerd – datzei ik zojuist ook in antwoord op een vraag van het lid Van Campen – metbetrekking tot die structuurmaatregel en wat voor impact die heeft. Ik wileerst dat onderzoek afwachten om te kijken wat daar uitkomt.Het lid Holman van NSC had een vraag over de rondetafel en over de SERen het PBL die daar een uitspraak hebben gedaan. Verder was de vraag ofingrijpen met een vorm van herverkaveling een optie is. Het is natuurlijkvan groot belang om in samenhang te kijken naar beleid rondomdiergezondheid, maar ook stikstof en dergelijke. Daarom zoomen we viade Nota Ruimte voor landbouw en natuur ook in op een aanpak diegebiedsspecifiek is. De impactanalyse structuurmaatregelen voor deveehouderijsectoren wordt uitgevoerd. Ik ga daar, zoals ik zojuist al zei,niet op vooruitlopen.Het lid Bromet vroeg of de eendenhouderijsector ook niet gestopt moetworden. We hebben hier tijdens het vragenuurtje ook al uitgebreid overgesproken. Ik vind het nogal wat om op te roepen om te stoppen met eenhele sector. Er zijn natuurlijk ook in die sector uitdagingen als het gaat omdiergezondheid of dierenwelzijn. Ik vind wel dat we die sector ook de kansmoeten geven om zich, ook op die gebieden, te ontwikkelen. Het is meecht een brug te ver om zomaar een hele sector te verbieden. Ik heb in hetvragenuurtje waar we het over de eendenhouderij hadden, toegezegd datik ze meeneem in de AMvB dierwaardige veehouderij en in het vervolg-traject dat daarin zit. Het is destijds ook expliciet benoemd in hetamendement. Daar zullen deze vraagstukken, maar ook andere, aan deorde worden gebracht.Dan had de heer Van Campen ook nog een vraag over het verplichten vanhet bioveiligheidsplan voor alle sectoren. Ik vind dat bioveiligheid vangroot belang is. Er wordt op dit moment met verschillende sectorenopgetrokken als het gaat om de invulling ervan. Dat staat ook in hetactieplan Zoönosen. We zijn daarover al met de pluimveesector in gespreken er zijn ook verkennende gesprekken gaande met de varkenshouderij.Alle ervaringen die we hebben opgedaan, ook bij de implementatiedaarvan bij pluimvee, worden daarin meegenomen. Bioveiligheid isuiteraard van belang voor alle sectoren.Dit was het blokje vogelgriep.De voorzitter:Allereerst mevrouw Bromet. Het is uw vijfde en laatste interruptie. Dat udat weet.Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):Ja, dat weet ik, voorzitter. Ik ga ook na het antwoord zo meteen weg. Datheeft niets met dit debat te maken, maar met andere verplichtingen die ikheb. Ik heb nog even een vraag over het opruimen van die dode vogels.Wat zegt de Minister nu eigenlijk? Kan je als je een terreinbeheerder benten er zijn dode vogels, deze gewoon laten liggen of moet je ze welopruimen?Minister Wiersma:Zeker. Dat geldt voor iedere terreinbeherende organisatie, maar zelfs ookvoor particulieren. De eigenaar of de beheerder van het terrein waar dodevogels liggen, is verantwoordelijk voor het opruimen van dode dieren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30442 Daarvoor geldt natuurlijk wel een protocol. Daar heb ik zojuist ook naarverwezen. Als het op het gebied van terreinbeherende organisaties is, danzijn zij daar eindverantwoordelijk voor. Dat geldt ook voor boeren en voorparticulieren met een grote tuin. Dat geldt voor waar ze ook maar liggen.De eigenaar van het terrein waar ze liggen, is verantwoordelijk voor hetopruimen.De voorzitter:Mevrouw Bromet, veel succes. Het is al 17.30 uur geweest. U bent hier inelk geval ontslagen van al uw verplichtingen. Veel geluk nog vanavond.Allereerst het lid Kostic´ en dan mevrouw Van der Plas.Kamerlid Kostic´ (PvdD):De Minister zegt dat het vogelgriepvirus niet op het urgente niveau is omde financiering voor de dierenhulporganisaties te verzorgen. Eén.Verschillende experts noemen het al een pandemie onder de dieren.Twee. Alleen al de Dierenambulance Dier In Nood in Friesland heeft temaken met minstens 30 slachtoffers per dag, waarvoor zij de dierenarts-kosten, de benzinekosten en de kosten voor beschermende kledingmoeten betalen. Waarom voert de Minister de motie niet uit?Minister Wiersma:Ik voer de motie wel uit. Ik voer er regie op. De afweging waarom er nuniet wordt overgegaan tot compensatie heb ik zojuist gedeeld. We zittenop dit moment niet op het niveau van eerdere uitbraken waarin we welovergegaan zijn tot compensatie. Mocht dat veranderen, dan zullen wedat opnieuw tegen het licht houden, maar daarvan is vooralsnog geensprake.De voorzitter:Lid Kostic´, uw laatste interruptie.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Klopt het dat de Minister de situatie in het veld, al die vrijwilligers die dagen nacht keihard werken om de dieren te helpen, maar ook vooral om devolksgezondheid te beschermen, gewoon negeert? Negeert zij dat alleenal één dierenambulance in Friesland te maken heeft met 30 slachtoffersper dag, waar al die kosten bij komen? Zegt de Minister «nou, dat isallemaal niet urgent genoeg» tegen hen? Als dat het antwoord is van deMinister, dan heeft ze denk ik wel een probleem met de Tweede Kamer.Minister Wiersma:Het is aan ons om af te wegen wanneer wij met middelen over de brugkomen. Ja, daar hoort een bepaalde risicostatus bij. Die zien we op ditmoment niet. Als zo’n status verandert, kunnen we dat heroverwegen.Daar is op dit moment geen sprake van. Ik beroep me dan op de formeleinstanties, onze adviserende organisaties. Dat neemt niet weg dat erlokaal natuurlijk sprake kan zijn van verhoogde uitval van dieren en dateen dierenambulance daarvoor ingeschakeld wordt. Dat wil niet zeggendat wij per definitie direct over moeten gaan tot compensatie van kosten.De overheid is geen pinpas. Wij doen dat op basis van gedegen analyses.Op dit moment bevinden we ons niet in de situatie om over te gaan totcompensatie. Dat zou kunnen veranderen, maar we zijn daar nu niet.De voorzitter:Dank u wel voor de beantwoording. Hadden we verder geen interruptie?Mevrouw Van der Plas, u had ook nog een vraag bij dit blokje?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30443 Mevrouw Van der Plas (BBB):Ik had nog een vraag over het bioveiligheidsplan. Ik weet niet of die vraagbij de Minister van LVVN of de Minister van VWS hoort. Ik stel de vraagtoch maar even. Wat is er gedaan met de input van de sector op hetbioveiligheidsplan? Waarom is ervoor gekozen om de regel onder tebrengen in de Regeling diergeneeskundigen, als het een regel is die gaatover de verantwoordelijkheid van een dierhouder? Nogmaals, het kan ookzijn dat de vraag bij de Minister van VWS hoort.De voorzitter:Dit was ook uw laatste interruptie.Minister Wiersma:Ja, die vraag is voor mij. Het laatste deel van de vraag is technisch. Ik zoudat even moeten checken. Ik kan daar in de tweede termijn op terug-komen. Voor wat betreft het eerste deel van de vraag: de sectoren zijn aande voorkant goed geconsulteerd en meegenomen in de ontwikkelingervan.Mevrouw Van der Plas (BBB):Het is geen nieuwe vraag, maar zijn dan ook de dierenartsen daarinmeegenomen?Minister Wiersma:Ja, dierenartsen ook.De voorzitter:Ja, dat mag er even bij. Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dan gaan wenaar het blokje blauwtongvirus.Minister Wiersma:Yes. De heer Van Campen had kennelijk heel veel vragen voor mij. Devraag ging over de blauwtongvaccinatie. Kan de bestaande, tijdelijketoelating van vaccinatie tegen blauwtong verlengd worden? Kan deMinister dat delen? Het nationale gebruik van drie blauwtongvaccins wastijdelijk toegestaan via artikel 110 van de Europese diergeneesmiddelen-verordening. De tijdelijke goedkeuringen werden afgegeven ondervoorwaarde dat er ook een definitieve toelating zou worden aangevraagd.Op het moment dat middelen definitief zijn toegelaten, vervalt denoodsituatie, zeg maar. Het Europees Medicijnagentschap heeft inmiddelsal voor twee middelen een positieve toelating afgegeven. Mijn insteek iserop gericht om ervoor te zorgen dat alles wat op dit moment in dehandel is, kan worden ingezet. Ik verken ook welke juridische mogelijk-heden er daarin zijn. Dat is denk ik ook het antwoord op uw vraag.Er was ook nog een vraag over het onderzoek naar de schapensector. Wehebben een uitgebreid onderzoek opgestart naar de schapensector om deeconomische impact van onder andere blauwtong, maar van meer zaken,op deze sector inzichtelijk te maken. Dat onderzoek is in concept klaar. Hetdefinitieve onderzoek is nog niet opgeleverd. Ik heb dat zelf ook nog nietgezien. Er is van terughouden geen sprake, ook niet door mijn depar-tement. Er ligt nog geen definitief stuk. Zodra het er is, zal ik het uiteraardeen uitgebreide appreciatie aan de Kamer doen toekomen. Dat is naarverwachting volgende maand, in maart.Ik zie hier een vraag van de PVV, van de heer Graus uiteraard. De vraag isof ik kan regelen dat ook andere onderzoekers worden betrokken bij hetonderzoek. Ik moet in antwoord daarop zeggen dat Wageningen eeninternationaal gerenommeerde onderzoeksinstelling is. We hebben daarook echt, zeker waar het gaat om virussen, een heel specifiek en technischhoogwaardig lab. Door WBVR worden ook wettelijke taken uitgevoerd,onder andere de monitoring en het onderzoek naar blauwtong. Ik twijfelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30444 niet aan de kwaliteit van de onderzoekers van de WUR en WBVR. Sterkernog, ik ben ontzettend onder de indruk van wat ze daar leveren. Wemoeten dat toch ook echt bij de specialisten en expertise laten waar hetthuishoort. Dat kun je ook niet zomaar overal uitvoeren.De heer Graus had ook een vraag over het onderzoek van de heer VanHaga, voormalig Kamerlid. Zou de NVWA serieus naar het onderzoekwillen kijken en daarop terug willen komen? Ik zeg de heer Graus toe datik dit verzoek aan de NVWA voorleg. Nogmaals, het is iets van de heerWybren van Haga en de NVWA. Ik ga er niet over. De heer Graus hadzojuist nog een uitgebreid betoog over de ig van de NVWA, maar ik zal hetwel doorspelen. Dat kan ik toezeggen.Dat was het blokje blauwtongvirus.De voorzitter:Wie wil nog iets vragen over dit blokje? Kan iemand mij evenwaarnemen? Ik heb er namelijk een korte vraag over. Mevrouw Van derPlas? Meneer Van Campen, ik passeer u weer, hè? Dat komt omdat u zo’njong hoofd heeft.Voorzitter: Van CampenDe voorzitter:Ik ben het gewend, meneer Graus. U heeft een interruptie voor deMinister van LVVN.De heer Graus (PVV):Ik zei dat juist de inspecteur-generaal van de NVWA zelfs in zijn vrije tijdterugkwam en dat serieus heeft opgepakt. Ik prijs de beste man daarvoor.Het is dus niet de NVWA. Het is toch Wageningen die ten aanzien vanverwaaiing en zo niet ter zake deskundig is. Dat hebben ze ook eerlijktoegegeven. Het gaat daar wel om. Het gaat gedeeltelijk om verwaaiing engedeeltelijk om de genetische herkomst van het virus. Wageningen isdaarin niet ter zake deskundig. Ik deel met u – dat wil ik ook echt gezegdhebben – dat Wageningen een autoriteit is. Ik heb ook in mijn inbrenggezegd dat Wageningen, de universiteit en ook het researchcentrum,wereldwijd een autoriteit is. Maar zij hebben het niet altijd bij het rechteeind. Daarom vraag ik om ook andere mensen toe te laten. Ga weg vandie monopoliepositie. De tweede reden is dat Wageningen blijkbaar nietdie kennis van verwaaiing in huis heeft en Belgische onderzoekers enandere onderzoekers wel. Betrek ze erbij. Dat was mijn verzoek.De voorzitter:Dat zijn twee interrupties, meneer Graus.Minister Wiersma:Oké. Dan heb ik de vraag verkeerd geïnterpreteerd. Excuses daarvoor. Deinsleep en herkomst van is natuurlijk ook in alle lidstaten en door deWageningers in andere lidstaten bekeken. Er zijn op dit moment geenaanvullende vragen te formuleren in dat verband. Ik ben het met u eensdat we uiteraard bij dit soort onderzoeken breed moeten kijken en daarinmoeten samenwerken. We werken bijvoorbeeld op heel veel onderwerpengoed samen met ILVO, de Belgische universiteit die ook heel vooruit-strevend is op een aantal zaken. Ik ben het er in de basis mee eens dat diekennisdeling onderling goed moet zijn. Ik heb ook wel het idee, als hetgaat om dit departement, dat dat op dit moment gebeurt en die kennis-deling er is, ook vanuit het buitenland en vanuit andere lidstaten. Vanuitandere lidstaten wordt vaak ook juist weer een beroep gedaan op onzekennisinstellingen. Dat is het veld waarin we zitten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30445 De voorzitter:U heeft een vervolginterruptie?De heer Graus (PVV):Het is mijn derde en ook mijn laatste interruptie. Er is bijvoorbeeld eenBelgische onderzoeker die wel met die verwaaiing bezig is geweest. Diezegt dat een virus honderden kilometers gedragen kan worden. Notabeneeen arts van de NVWA zei mij twintig jaar geleden al dat virussenhonderden kilometers kunnen verwaaien. Dat is niet meegenomen doorWageningen. Dat baart mij zorgen, want het is een zeer dodelijke enernstige ziekte. Mijn vraag is nogmaals: kan dat worden meegenomen? Erzijn nu onderzoekers met de verwaaiing en met de genetische herkomstbezig. Ik wil dat dat gekoppeld wordt door Wageningen en datWageningen niet zomaar kan zeggen: wij hebben alle kennis in huis, maardat gaan we niet doen. Ze zijn bezig met vaccinaties en dat soort dingenallemaal, die ook vaak niet werken. Ik wil dat ook de herkomst bepaaldwordt. Dat waren mijn vier interrupties.De voorzitter:Gelukkig weet u dat zelf.Minister Wiersma:Ik denk dat ik al iets heb gezegd over de herkomst. Als de heer Graus mijdeze stukken doet toekomen, dan zal ik ze ook aan de instantiesvoorleggen. Dat is een toezegging die ik doe zonder tijdpad, want het isniet mijn departement. Dat ga ik dus niet doen. Ik ga het wel doorspelenen ik kom erop terug als we daar een antwoord op hebben.De voorzitter:Ik geef het voorzitterschap weer over aan de heer Graus.Voorzitter: GrausDe voorzitter:Dank u wel voor het waarnemen, meneer Van Campen. Ik wil naar hetlaatste blokje overig. Mevrouw de Minister.Minister Wiersma:Ik word gemutet door een ambtenaar. Dat vind ik gewoon echt nietkunnen.(Hilariteit)Minister Wiersma:Ik begin met de vraag van mevrouw Vedder over de Afrikaansevarkenspest. Zij vraagt of we de gevolgen van een uitbraak mee kunnennemen in de oefening die wordt georganiseerd. De voorbereidingen voordie oefening zijn op dit moment al in volle gang. Ik kan niet veel meeraanpassen in hoe die loopt en wat de opdrachtverlening is. De sector,waarvan ik de zorgen uiteraard begrijp, en de provincie zelf zijn hier echtheel nauw bij betrokken, ook bij hoe de opdracht tot stand gekomen is.Uiteraard zal ik met hen ook bespreken hoe we de gevolgen van eenuitbraak in deze oefening het beste in beeld kunnen brengen. Dat gaan wewel doen. Ik begrijp de zorg, maar de sector is heel goed aangehaakt.Mevrouw Vedder had ook een vraag over de consequenties die eeneventuele gebiedssluiting heeft. Bij het nemen van maatregelen, waar wehet zojuist uitvoerig over hebben gehad, wordt natuurlijk ook de effecti-viteit ervan bekeken. Er kunnen mogelijk oogstverboden wordenafgekondigd, maar dat is alleen waarschijnlijk voor gewassen waarinwilde varkens zich ook zouden kunnen verschuilen. We hebben bijvoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30446 beeld gezien dat het mogelijk kan zijn om vervolgens met drones diegewassen te inspecteren, waarmee je dan ook zo’n oogstverbod weerkunt opheffen. Dit kan, als we het hebben over innovatie, absoluut eenhele mooie zijn die daarin meehelpt. Bij die opdracht zijn, zoals ik net ookzei, alle sectoren nauw betrokken. We willen echt wel bekijken hoe degevolgen voor alle betrokkenen zo klein mogelijk gehouden kunnenworden. LTO, een van de betrokkenen, heeft al hygiëneprotocollenopgesteld om die gevolgen zo klein mogelijk te houden. Ik heb weleenseerder een uiteenzetting gegeven over drones. Ik vind het een hele mooieinnovatie, ook op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen. Hier in ditsoort situaties kunnen ze dus ook worden toegepast.Mevrouw Vedder ging verder over ... Ik moet in één keer weer denken aaneen filmpje van een tijd geleden. Laten we het daarbij laten. Nee, ik hebniets gezegd.De voorzitter:Nu willen we het ook weten. Dan lopen we vijf minuten uit. MevrouwVedder, wat is er aan de hand met dat filmpje?Mevrouw Vedder (CDA):Ik weet het eigenlijk niet eens zeker. Ik vermoed dat het gaat om eenfilmpje met een woordgrap over mijn achternaam. Het zal wel iets met«verder» en «Vedder» zijn geweest.De voorzitter:Dank u wel. Bedankt dat u ons laat meegenieten.Minister Wiersma:Over het bestrijdingsplan is opgemerkt dat het vaak stokt bij het ministerieen dat het pas in 2026 in werking kan treden. Dit gaat over IBR en dat isgewoon een lang traject. Er wordt nu een AMvB klaargemaakt en daarzitten echt vele verschillende verplichte stappen in. De planning isinderdaad dat die op 1 januari 2026 in werking treedt. Ik herken het beelddat het stokt niet. Er wordt echt keihard gewerkt om ervoor te zorgen datdit verder gebracht wordt. Op dat moment start ook de verplichtebestrijding van IBR. Eerder dit jaar heb ik de Kamer daar ook overgeïnformeerd.Mevrouw Vedder vroeg hoe we de handel in BVD-dragers en ook deimport van BVD-dragers kunnen beperken en hoe dat eruitziet. Hetinstellen van een verbod op handel in BVD-dragers is pas mogelijk op hetmoment dat het bestrijdingsprogramma BVD is goedgekeurd door deEuropese Commissie. Er is zojuist in navolging van de IBR-aanpakvastgesteld dat het echt iets is dat vele stappen kent voordat we ertoeover kunnen gaan. Er kunnen natuurlijk op dit moment private afsprakenover het beperken van de handel in BVD-dragers worden gemaakt. Ik vindhet ook van groot belang. Ik heb zelf van dichtbij meegemaakt wat deimpact van BVD is. Ik onderschat het niet. Ook hiervoor wordt eennationaal bestrijdingsprogramma ontwikkeld. Zodra dat in werking treedt,komt er een oproep vanuit de kalversector om ook niet meer te impor-teren vanuit niet-BVD-vrije bedrijven uit andere lidstaten. Ook hierbij geldtdat de voorbereiding van een AMvB tijd kost. Zo’n nationaal bestrijdings-programma – voor BVD is dat iets later ontwikkeld dan voor IBR – zal opzijn vroegst 1 januari 2027 in werking treden.De voorzitter:Was dat het einde?Minister Wiersma:Ik heb er nog wel eentje van de voorzitter. Zal ik die er direct achteraandoen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30447 De voorzitter:Ja, doet u dat maar. Dan komt mevrouw Vedder daarna nog.Minister Wiersma:Oké. Deze vraag gaat over de probiotica en de fytotherapeutica. Op ditmoment worden ook bij landbouwhuisdieren wel degelijk probiotica endit soort alternatieve middelen al toegepast. Er zijn ook echt dierenartsendie daarin gespecialiseerd zijn en ook veehouders die er ervaring meehebben. Recent is er een project geweest dat Kennis op Maat heet. Hetproject is inmiddels afgerond en was precies gericht op de inzet vannatuurlijke middelen in de veehouderijsectoren. Dat project hebben wijgefinancierd. Ik zie op dit moment geen aanleiding om daar nu onderzoeknaar te doen. Ik wil wel graag toezeggen dat ik de conclusies en bevin-dingen vanuit dat project met de Kamer zal delen. Ik begrijp dat dat nogniet is gebeurd. Er zijn natuurlijk vanuit het bedrijfsleven en de sector ookallemaal opties om met onderzoeksvoorstellen te komen voor eenpubliek-private samenwerking. Dat kan ook via de calls van de topsectorAgri & Food en de topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen.Dat was mijn antwoord op de laatste vraag.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw de Minister.Mevrouw Vedder (CDA):Ik snap de reactie van de Minister dat er volop aan gewerkt wordt op hetministerie. Ik ben zelf jarenlang voorzitter geweest van het gremium dataan het toch wel redelijk dode paard heeft moeten trekken. De sector zit alongelofelijk lang te wachten op AMvB’s betreffende zowel IBR als BVD. Iksnap dat de Minister geen eindeloze voorraad aan manieren heeft om ditproces te versnellen, maar ik zou toch graag iets meer drive willen zienom dit wel snel op de kant te trekken. Het zijn zulke slopende dierziektesen die sector staat al zolang te wachten op die laatste hobbel. De Ministeris degene die de sector over die laatste hobbel kan helpen. Zij kunnen datniet zelf.Minister Wiersma:Ik hoor, via de voorzitter, wat mevrouw Vedder zegt. Volgens mij zijn wevolop bezig met die laatste hobbel en gaan we de sector ook helpen.Nogmaals, ik weet wat de impact van een BVD-besmetting op een bedrijfis. Ik heb dat zelf in de periode dat ik nog op een melkveebedrijf woonde,meegemaakt. Je hebt daar jarenlang de nasleep van. Ik onderschat deimpact ervan niet. We zijn er volop mee bezig, maar is het met een AMvBen een bestrijdingsplan net als met een advies van een externe organi-satie: zo snel mogelijk, maar wel zorgvuldig. We hebben daarvoorbepaalde stappen te nemen. Ik hoor het ongeduld van de Kamer. Dat hoorik niet alleen vandaag, maar dat hoor ik ieder debat. Wij zullen zeker deenergie erop blijven zetten.De heer Holman (NSC):Toch nog wel een schepje er bovenop. Ik vind het triest dat als je nu start,je pas in 2032 een verbod op verkoop van BVD-dragers kunt instellen. Jekunt in één jaar BVD-vrij worden. Ik vind het moreel-ethisch verwerpelijkdat een boer een besmet kalf gaat verkopen en kan verkopen. Is deMinister bereid om bijvoorbeeld met de kalversector, met de zuivelsectorof met de handel een convenant te sluiten, dat die gewoon dwingen. Hetis zo simpel. Als Van Drie in de kalversector zegt dat zij geen kalf meeraankopen dat niet van een gecertificeerd bedrijf komt of niet aantoonbaarvrij van BVD is, dan is het probleem ongeveer over. Dan hoeven we nietnog zeven jaar een moreel verwerpelijke handel in kalveren te hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30448 Minister Wiersma:Ja. Het antwoord is dat de afspraak over wel of niet aankopen echt eenprivate afspraak is. Dat is niet een afspraak die ze met mij maken. Dietermijn heeft echt met de Europese totaalstatus te maken. Je moet zo langvrij zijn, voordat je weer verder kan. Dat ligt niet alleen aan wat we hier inNederland doen.De voorzitter:Meneer Holman, tot slot.De heer Holman (NSC):Aan de ene kant snap ik het antwoord, maar dat is niet wat ik wil horen. Ikwil horen dat de Minister morgen met de kalversector in gesprek gaat enzeer indringend de wens van de Kamer naar voren brengt en zegt: julliemoeten nu iets doen. Ondanks dat het misschien hun verantwoorde-lijkheid is, vind ik dat de politiek en de Minister namens ons maximaaldruk uit moet oefenen op de sector. Er kan echt wat gebeuren.Minister Wiersma:Ja, via de voorzitter, nogmaals. Ik ben met de sector in gesprek over heelveel zaken. Uiteraard zal ik dit ook benadrukken. Ik zie het belang daar ookvan in, dus dat delen we. Nogmaals, het is niet een afspraak die met mijgemaakt wordt. Het is dan een private afspraak. Maar ik ben bereid omdat gesprek aan te gaan en het belang ervan te benadrukken.De voorzitter:Daar gaan we het bij laten.Minister Wiersma:Maar niet morgen, maar binnenkort.De voorzitter:En wat verstaat de Minister onder «binnenkort»?Minister Wiersma:Binnen een maand. Ik spreek ze op reguliere basis. Toevallig was datvanmorgen nog het geval. Helaas heb ik deze kans onbenut gelaten. Ik zalde volgende kans absoluut benutten.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw de Minister, ook voor de beantwoording. Kamer-leden, u heeft anderhalve minuut en de tijd voor het lid Kostic´ loopt.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Voorzitter. Onze fantastische beleidsmedewerker Falco heeft teruggekekenwat Minister Agema net zei over een geitenstop. «We doen een appel opnegen provincies om de geitenstop te handhaven. We zouden graag ziendat andere provincies daar ook voor kiezen, dus ik neem aan dat dat zois.» Het slechte nieuws is dat de Minister van LVVN – Minister Agema zeihet al – hier voor de belangen van bedrijven is en dus niet voor hetalgemeen belang. De Minister is nu officieel de Minister van debio-industrie geworden. Het is nu aan de Kamer om de Minister vanVolksgezondheid te steunen en haar te helpen om wel door te pakken. Datis namelijk het goede nieuws. Het heeft zestien jaar geduurd, maar dezeMinister van Volksgezondheid laat de ernst van de gezondheidsrisico’svan de intensieve geitenhouderij zien. Het is duidelijk dat de Kamer hetook niet langer pikt en actie wil van het kabinet. Coalitiepartij NSC heefthet net over een verderfelijke kalversector gehad. De tijd van hetwegkijken van de gevaren van de bio-industrie is voorbij. Dat was, toen deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30449 Partij voor de Dieren net begon, ondenkbaar. Ik vraag hierbij eentweeminutendebat aan.De voorzitter:Dank u wel. Het lid Kostic´ vraagt een tweeminutendebat aan. Dat verzoekgeleiden we door naar de plenaire Griffie. Dan zult u met een aanzekerheid grenzende waarschijnlijkheid de eerste spreker worden.Mevrouw Van der Plas, BBB.Mevrouw Van der Plas (BBB):Ja, voorzitter. Uit onderzoek blijkt dat kinderen in een kinderdagverblijfeen anderhalf keer hogere kans hebben op een darminfectie. In 70% vande kinderdagverblijven kan een bacterie, een virus of een parasiet zijn.Dan praat ik over het rotavirus, het norovirus, het astrovirus, krentenbaard– dat komt vaak voor – griep, RS, waterpokken, noem maar op. Meerhygiënemaatregelen en goed omgaan met de bioveiligheid kunnen heelveel voorkomen. Wij sluiten niet alle kinderdagverblijven met dit risico.Wij stellen ook geen verbod in op nieuwbouw of oprichting van kinder-dagverblijven. Ik heb ook van de geitenhouders zelf gehoord dat zij zeerbereid zijn tot het nemen van maatregelen om te voorkomen dat erziekteverwekkers zijn. Dat lijkt mij de weg naar een gezonde veehouderijen een gezonde omgeving.Voorzitter. Nog één vraag. In het rapport heb ik geen overzicht kunnenvinden van uitkomsten van de patiëntenstudie. Er staan wel heel veeltabellen in het rapport, maar niet de tabel van de 108 patiënten met daarinhun leeftijd, onderliggend lijden, geïsoleerde verwekkers en woonafstand.Zo’n tabel zou wel heel veel duidelijk kunnen maken. Kan de Ministerzorgen dat die tabel nog met de Kamer wordt gedeeld?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Van der Plas namens de BBB. Meneer Van Campen.De heer Van Campen (VVD):Voorzitter. Tijdens de korte schorsing sprak ik twee geitenhouders. Zijgaven aan wat het effect is en wat de impact is van de uitkomsten vanzo’n onderzoek, de berichtgeving en het politieke debat dat wij voerenwanneer dat gaat zoals het de afgelopen week is gegaan. Dan wordengeitenhouders gebeld uit het dorp met de vraag: «Moeten wij nietverhuizen? Moeten we niet weg? Kunnen de bezoeken nog weldoorgaan?» Ik denk dat het daarom belangrijk is dat we het hoofd koelhouden en ons baseren op wetenschappelijk onderzoek. De soep wordtniet zo heet gegeten als hij wordt opgediend, maar we moeten welrealistisch kijken naar zorgen die er zijn.Ik vind dat de beantwoording van het kabinet op dat gebied genuanceerdwas. Ik hoop echt dat dat advies van de Gezondheidsraad heel snel kankomen. Ik vind Q3 te lang duren, maar ik heb het kabinet horen zeggen dathet die opvatting deelt en ook hoopt dat het zo snel mogelijk kan, zodatwe stappen kunnen zetten. Dat is niet alleen belangrijk voor omwonendendie zich misschien zorgen maken, maar ook voor geitenhouders die zelfgraag willen investeren en verder willen om te zorgen voor een schone engezonde veehouderij in ons land. Ik hoop dus dat het kabinet dieaansporing doet in de richting van de Gezondheidsraad. Er hangt eenhoop van af, hier en op het platteland.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, meneer Van Campen namens de VVD. De heer Holman,Nieuw Sociaal Contract.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30450 De heer Holman (NSC):Dank voor de beantwoording. We komen weer wat verder in de stappenen met het denken. Het gaat hier niet altijd even snel. Ik hoop dat hetadvies van de Gezondheidsraad er redelijk snel is en dat de beideMinisters het dan in een bredere context willen zien en vanuit het oogpuntvan een goede structuur een plan gaan maken die de sector toekomstbe-stendig maakt en dat er ook een definitieve oplossing komt die zorgt vooreen behoorlijk verminderd risico op dierziekten en dat de kans voormensen om ziek te worden veel minder wordt. Ik pleit dus eigenlijk vooreen integrale aanpak. Zoals de SER-mevrouw het zei: kijk het monster echteens even in de bek en denk even goed na over wat u ziet.De voorzitter:Dank u wel, meneer Holman namens Nieuw Sociaal Contract. MevrouwVedder, CDA.Mevrouw Vedder (CDA):Voorzitter. Dit dossier vraagt in mijn ogen bij uitstek om een koel hoofd eneen warm hart. Ik heb vandaag geleerd dat ik daar ook een flinke dosisgeduld aan toe moet voegen. Dat is niet altijd mijn sterkste kant. Mijnkoele hoofd vertelt me dat ik me daar misschien bij neer moet leggen,maar toch hoop ik echt van de Minister te zien wat voor voortgang wegaan boeken op een aantal hele vervelende dierziekten. Ik hoop vooral datwe de blik ver naar voren werpen, dat we voorbereid zijn op vervelendesituaties, dat we weten wat ons dan te doen staat, wat de consequentiesdaarvan zijn en hoe we die vervolgens het hoofd gaan bieden. Dat iseigenlijk de rode draad geweest van mijn inbreng vandaag. Dat blijf ik ookde komende tijden nauwlettend volgen.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Vedder. Ik hoop dat alles goed is met uw veestapel,dat alles gezond en wel is. We zullen er dadelijk bilateraal over praten. Zijnbeide Ministers klaar? De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sporthoeft alleen de vraag van het lid Kostic´ te beantwoorden.Minister Agema:Dank u wel, voorzitter. Allereerst het fragment dat het lid Kostic´ ons terugheeft laten kijken. Ik heb aangegeven dat we een appel doen op negenprovincies om de moratoria erop te houden en dat het mooi zou zijn alsde andere provincies zich daarbij aansluiten. Zo is de situatie. Hetbevoegd gezag ligt bij de provincie en niet bij ons. Dat is wat we beidenhebben gezegd.Het lid Kostic´ vroeg naar de commissie-Bekedam. Het vorige kabinet heeftaangekondigd een impactanalyse uit te voeren naar structuurmaatre-gelen, een verbod op nieuwvestiging en/of uitbreiding van pluimveehou-derijen in deze gebieden. Deze analyse wordt momenteel uitgevoerd en isin Q2 gereed. Daarbij wordt zowel naar de impact op de volks- endiergezondheid als naar de impact op de sector gekeken. We hebben deresultaten hiervan nodig om tot een zorgvuldige afweging te komen.Mevrouw Van der Plas vroeg naar het overzicht met de uitkomsten van depatiëntenstudie. Dat staat op pagina 59 van het rapport. Wat zij zei over derisico’s die kinderen lopen op kinderdagverblijven kon ik lastig plaatsen.De uitkomsten van het onderzoek VGO-III laten een significant risico zienvoor de volksgezondheid rondom geitenhouderijen. Hoe dichterbij jewoont, hoe groter die kans binnen die straal van 2 kilometer. Wij vragenjuist een advies van de Gezondheidsraad om dit te duiden. We vragenjuist naar de proportionaliteit, zodat we daarna kunnen besluiten of ermaatregelen nodig zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30451 De heer Van Campen wil het graag sneller. Dat willen wij natuurlijk ook.We zullen dat verzoek doen, maar het moet natuurlijk wel zorgvuldig.Zorgvuldigheid verlangt de juiste snelheid, maar we zullen overbrengendat we graag snel duidelijkheid willen, ook voor de regio.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw de Minister van Volksgezondheid. Lid Kostic´, uwilde nog één vraag stellen aan de Minister van Volksgezondheid.Kamerlid Kostic´ (PvdD):Fijn dat de Minister bevestigt dat de oproep voor een geitenstop aan alleprovincies was, maar mijn vraag gaat over het Europees Centrum voorziektepreventie. Dat adviseert onder andere deze Minister om de dichtheidvan pluimvee en pluimveebedrijven, zowel in waterrijke gebieden alsdaarbuiten, te verlagen. Ik vraag de Minister van Volksgezondheid of zeervoor openstaat om deze adviezen vanuit Europa op te volgen.Minister Agema:Ik heb zojuist in de richting van het lid Kostic´ gezegd dat we een impact-analyse laten doen en de uitkomsten verwachten in Q2. Dan komen weweer bij de Kamer terug.De voorzitter:Kijk eens aan. Daar moet u het voor vanavond mee doen, lid Kostic´.Mevrouw Van der Plas (BBB):Wat er op pagina 59 staat, zie ik inderdaad wel, maar waar ik op doel, zijnde vragenlijsten van die patiënten. Dat kan geanonimiseerd. Welke vragenhebben ze voorgelegd gekregen en wat waren de antwoorden erop? Hierstaan bijvoorbeeld geen leeftijden bij. Daar vroeg ik om. Ik vroeg niethierom, want dit staat er gewoon in. Ik vroeg naar de lijsten die zijnvoorgelegd aan die 108 patiënten, met de vraagstelling en de antwoorden.De voorzitter:Dank voor uw verduidelijking.Minister Agema:Ik ben natuurlijk bereid om die extra informatie uit te vragen. Het isnatuurlijk wel zo dat uiteindelijk, toen die ui helemaal afgepeld was en 23bacteriën werden gevonden, zowel bij de geitenhouderijen als in deomgeving als bij patiënten, de allerlaatste conclusie is geweest dat ergeen oorzakelijk verband is aangetoond. Ik ben dus uiteraard bereid dieextra informatie uit te vragen, maar het gaat er, denk ik, niet toe leiden datmevrouw Van der Plas er ineens toe komt dat er wel een oorzakelijkverband is.Mevrouw Van der Plas (BBB):Nee. Maar ik wil ze wel graag zien. Ik denk dat de Minister dat ook wel kanwaarderen, omdat ik haar in haar tijd als Kamerlid heb leren kennen alsiemand die echt heel erg veel papieren heeft om uit te pluizen. Ik zou dezeinformatie er graag bij willen hebben.De voorzitter:De Minister knikt instemmend. Dan gaan we verder naar de Minister vanLVVN.Minister Wiersma:Ik had nog twee punten die ik moest beantwoorden. Die kwamen beide uitde eerste termijn. Die gingen over het tijdpad van de WUR en hetonderzoek voor een advies over die ziekteverwekkers en dergelijke. DaarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30452 moest een tijdpad aan. Ik ga het gesprek hierover aan met de WUR. Overde uitkomsten van dat gesprek en het tijdpad ga ik u in maart informeren.Dan kan ik daar uitsluitsel over geven.Mevrouw Van der Plas had nog een vraag over het bioveiligheidsplan.Daar zou ik op terugkomen. Ik had gezegd dat het tweede deel een beetjetechnisch is. De vraag was waarom dat is ondergebracht in de Regelingdiergeneeskundigen als het een regel is die gaat over de verantwoorde-lijkheid van de dierhouder. De reden om daarbij aan te haken is dat er aljaarlijks een bedrijfsgezondheidsplan opgesteld moet worden. Dat is alstaande praktijk. Dat had ik kunnen weten, want ik kende dat al. Het is juistde bedoeling om bij die bestaande systematiek aan te sluiten, zodat erniet op meerdere momenten dingen ingevuld moeten worden. Je kuntdan het totaalpakketje in één keer meenemen. Dit kan daarop ingeplugdworden.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw de Minister. In verband met de toezegging van deMinister van Volksgezondheid aan mevrouw Van der Plas over die tabel,vraag ik hoe we die goed kunnen omschrijven? Dat is ons evenontschoten. Dat u de Kamer de originele data doet toekomen, mevrouwde Minister, kunnen we het zo omschrijven? U bevestigt dit. Dank u wel.Er zijn geen nabranders meer. Dan kunnen we een einde maken aan ditdebat. Ik ga allereerst even de toezeggingen voorlezen. Willen de beideMinisters en de Kamerleden goed meeluisteren om te kijken of het goedgeformuleerd is?–De Minister van VWS zal de Kamer medio 2025 informeren over deweerbaarheidsopgave waar pandemische paraatheid onderdeel van is.–De Minister van LVVN zal de Kamer in maart 2025 informeren over hetonderzoek naar de effecten van vaccinatie tegen blauwtong 3 en demate van verspreiding van het andere serotype 12.–De Minister van LVVN zal de WUR om een spoedadvies vragen over deziekteverwekkers en stallen van geitenhouders en hoe deze inmindering kunnen worden gebracht en zal de Kamer over dit gesprekin maart 2025 informeren.–De vierde toezegging. De Minister van LVVN heeft toegezegd om deKamer in het derde kwartaal van 2025 te informeren over de mogelijk-heden om in Europees verband tot afspraken en/of maatregelen tekomen om vervolgschade van vaccinatie tegen mond-en-klauwzeer zoveel mogelijk te beperken.–De vijfde. De Minister van LVVN zal in maart 2025 het onderzoek overde economische draagkracht van de schapensector naar de Kamersturen.Er komen er nog drie.–De Minister van LVVN zal de conclusies en aanbevelingen uit hetproject Kennis op Maat met de Kamer delen.Er staat nog geen termijn bij die toezegging.Minister Wiersma:Dit voorjaar.De voorzitter:Het voorjaar. Dan komen de laatste twee.–In het tweede kwartaal van 2025 zal de Minister van VWS de impact-analyse over structuurmaatregelen aan de Kamer sturen.–En de laatste vooralsnog. De Minister van LVVN zal de originele datauit het VGO-onderzoek naar de Kamer sturen.Minister Wiersma:Mogen we die laatste twee omdraaien? De Minister van VWS stuurt diedata van patiënten en ik stuur de impactanalyse van de structuurmaatre-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30453 gelen, want dat is een onderzoek dat door mijn departement is uitgezet.Dat is namelijk niet gebeurd in het kader van volksgezondheid, maar inhet kader van de verspreiding van dierziekten.De voorzitter:Dat lijkt me evident.Verder is er een tweeminutendebat aangevraagd door het lid Kostic´. Wegaan elkaar dus nog terugzien in de plenaire zaal.Ik kijk even naar mevrouw de griffier. Ik denk dat we alles op orde hebben.Dan dank ik alle aanwezigen op de publieke tribune en ook de mensen diethuis hebben gekeken en geluisterd via het digitale kanaal, de DienstVerslag en Redactie, de trouwe Kamerbodes, de beide bewindspersonenen hun teams en ook de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,de griffier. Ik wens iedereen een behouden thuiskomst en een gezegendeavond. Dan sluit ik het debat.Sluiting 18.15 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 683, nr. 30454

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 9456026e76ba90a0

14 okt 2026 · f80be462d0efe64c

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingZoönosen en Dierziekten
    Verslag van een commissiedebat, gehouden op 6 februari 2025, over zoönosen en dierziekten

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.