Geachte Voorzitter, Hierbij zend ik u de antwoorden bij het schriftelijk overleg inzake het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik in 2027. Stientje van Veldhoven-van der Meer Minister van Klimaat en Groene Groei Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruiken hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen. De leden van de VVD-fractie kijken met zorg naar het advies “niet indienen” van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Hoe weegt de minister het oordeel van het ATR om dit voorstel niet in te dienen? Welke veranderingen heeft de minister overwogen om tegemoet te komen aan de adviezen van het ATR? Klopt het dat dit besluit leidt tot circa 1 miljard euro aan regeldrukkosten? Hoe kijkt de minister naar de afweging dat de kosten voor de energiebesparingsplicht concurreren met grotere CO2-reductieprojecten die per saldo meer klimaateffect hebben en beter zijn voor het concurrentievermogen? Waarom heeft de minister ervoor gekozen geen impactanalyse uit te voeren van de verhoging van de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar? Is de minister bereid dat alsnog te doen? Is de minister ook bereid om te kijken naar de gevolgen van de aanscherping voor bestaande fiscale en subsidie-instrumenten? Antwoord: Naar aanleiding van het ATR-advies is het aantal punten in de Nota van Toelichting aangevuld. Er is onder andere verduidelijkt welke CO2-besparing met de ophoging wordt verwacht, wat de autonome naleving van de plicht bedraagt en waarom de ophoging naar zeven jaar het minst belastende alternatief is om het besparingspotentieel te vergroten. Er is ook nader uiteengezet hoe de adviezen en knelpunten uit de evaluaties worden opgepakt, al dan niet via juridische route en hoe aan bedrijven tegemoet wordt gekomen in termen van financiële steun en verlichting van administratieve lasten. Er is een impactanalyse uitgevoerd op basis van de onderzoekplichtrapportages die via het Loket bij RVO zijn ingediend. De effecten van de ophoging zijn in de Nota van Toelichting verwerkt. De ophoging van de terugverdientijd zal ongeveer één miljard aan initiële investeringen betekenen die zich in minder dan zeven jaar terugverdienen, en dan elke zeven jaar weer. Over een periode van 10-15 jaar levert het voorstel netto jaarlijks ca. 66-100 mln. aan extra besparingen in energiekosten op. Daarnaast worden de bedrijven minder kwetsbaar voor de grote schommelingen in energieprijzen. Deze schatting komt uit de geïdentificeerde kosteneffectieve procesmaatregelen die de onderzoeksplichtige locaties rapporteren aan de toezichthouders. De maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen, mogen niet worden gesubsidieerd. Bedrijven kunnen echter wel aanspraak blijven maken op fiscale aftrekposten als de MIA- VAMIL en de EIA- die recent verruimd is, om investeringen in elektrificatie en energie-efficiency te vergroten. De nieuwe regeling 'Energiebesparingsleningen voor het MKB' kan het deel van de MKB-bedrijven dat tevens onder de energiebesparingsplicht valt, ondersteunen bij het financieren van maatregelen. De leden van de VVD-fractie stonden achter het besluit van het vorige kabinet om de ondergrens van de energiebesparingsplicht voor elektriciteit op te hogen naar 100.000 kilowattuur (kWh). Dit maakte de plicht uitvoerbaarder voor ondernemers en ook beter handhaafbaar. Deze leden kijken dan ook kritisch naar het voorgenomen besluit om de eerder aangekondigde ophoging van de ondergrens van de energiebesparingsplicht voor elektriciteit terug te draaien. Bij kleine bedrijven weegt de administratieve last het zwaarst. Hoe kijkt de minister naar de kritiek dat de aangescherpte verhoging ervoor zorgt dat de mogelijkheden voor kleine ondernemers om gebruik te maken van besparingspotentieel worden ingeperkt? Hoe interpreteert de minister de effectentoets waaruit blijkt dat kleinere bedrijven de grootste belemmeringen hebben om aan de plicht te voldoen: minder financiële reserves, minder technische capaciteit en minder ruimte om investeringen naar voren te halen? Zou de minister deze kleinere bedrijven niet beter moeten ondersteunen, in plaats van hen een extra plicht en rapportages op te leggen? De onderzoeken van CE Delft en de Algemene Rekenkamer hebben geadviseerd een nieuwe ondergrens te overwegen, ook omdat de kosten van handhaving en energiebaten onvoldoende in evenwicht waren. Kan de minister hierop reflecteren? Antwoord: De doelgroep van de energiebesparingsplicht bestaat uit grote energiegebruikers en niet uit kleine ondernemers. De kleinste ondernemers blijven uitgezonderd van de energiebesparingsplicht. De ondergrens van 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas(equivalenten) komt overeen met het energiegebruik van 11-17 huishoudens. Denk bijvoorbeeld aan een werkplaats waar lasapparatuur, freesmachines en afzuiginstallaties een groot deel van de dag operationeel zijn. Een kleine retailwinkel of een kleine horecazaak valt doorgaans niet onder de energiebesparingsplicht. Een ophoging van de ondergrens naar 100.000 kWh per jaar zou resulteren in het verlies van 15% van het besparingspotentieel. Gegeven de aanhoudend uitdagende geopolitieke context, de energierekening en netcongestie zet het kabinet in op alle redelijke mogelijkheden om energie te besparen. Om de doelgroep tegemoet te komen heeft het kabinet in de begroting 2026 voorgesteld om voor MKB-ondernemers middelen beschikbaar te stellen. De betreffende regeling “Energiebesparingslening voor het midden- en kleinbedrijf,” voor MKB-ondernemers gaat toegankelijke marktconforme leningen mogelijk maken voor investeringen in maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik. Deze leningen dienen ervoor te zorgen dat de investeringen in de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik niet concurreren met andere noodzakelijke investeringen, bijvoorbeeld in productievernieuwing, digitalisering, personeel, veiligheid, continuïteit of aanpassing aan marktomstandigheden. Met dit nieuwe instrument wordt voorkomen dat bedrijven verplicht worden tot investeringen die weliswaar rendabel zijn, maar die zonder de leningen op korte termijn niet zouden passen binnen hun financiële ruimte, bedrijfsstrategie of operationele mogelijkheden. Met de MKB Energiebesparingslening lenen ondernemers € 10.000 tot € 250.000 per locatie voor energiebesparende maatregelen, zonder onderpand. De lening dekt maximaal 100% van de kosten die in aanmerking komen. Bedrijven die onder de energiebesparingsplicht vallen, kunnen de lening ook gebruiken voor maatregelen waarmee zij aan deze plicht voldoen. Ondernemers betalen de lening met rente binnen maximaal 7 jaar terug. De marktconforme rente is voor deze openstellingsronde vastgesteld op 6,9% op jaarbasis en staat de gehele looptijd van de lening vast. Bedrijven kunnen ook aanspraak blijven maken op fiscale aftrekposten als de MIA/VAMIL en de EIA- die recent verruimd is, om investeringen in elektrificatie en energie-efficiency te vergroten. De leden van de VVD-fractie zien tot slot ook positieve aanpassingen in het besluit. Vooral het schrappen van de onderzoeksplicht voor sectoren met uniforme processen of overwegend gebouwgebonden energiegebruik kan op instemming rekenen. Overweegt de minister nog meer versimpeling of standaardisatie? Wordt er gewerkt aan centrale richtlijnen voor toezicht en handhaving? Hoe wordt landelijke uniformiteit in uitleg en toepassing van de regeling geborgd? Wanneer vindt de volgende evaluatie van de energiebesparingsplicht plaats? Antwoord: Het toezicht op de energiebesparingsplicht is decentraal belegd. Gemeenten en provincies zijn het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op de plicht, de omgevingsdiensten voeren het toezicht namens het bevoegd gezag uit. Via het Informatiepunt Leefomgeving en OmgevingsdienstNL wordt kennis overgedragen aan en uniformiteit nagestreefd tussen de omgevingsdiensten. Zo werkt OmgevingsdienstNL aan een meerjarig uitvoeringsprogramma energiebesparing waarbij één van de doelen is het versterken van de uniformiteit. Vijf jaar na de inwerkingtreding van de geactualiseerde plicht wordt opnieuw de beleidsevaluatie gehouden. Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit ontwerpbesluit. De leden hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de PRO-fractie lezen dat een verhoging naar tien jaar aanvankelijk is overwogen, maar is afgevallen omdat deze termijn ‘buiten de investeringshorizon van de meeste bedrijven en instellingen’ zou liggen. Waar baseert de minister deze constatering op? Deze leden vragen daarbij of dit voor alle sectoren even sterk geldt, of vooral voor het midden- en kleinbedrijf (mkb), omdat grote industriële bedrijven doorgaans al met een langere investeringshorizon werken. Zou er geen onderscheid kunnen worden gemaakt in deze verschillende typen bedrijven? Kan de minister een indicatieve inschatting geven van de extra CO2-reductie die een terugverdientijd van tien jaar zou opleveren ten opzichte van zeven jaar? Deze leden vragen ten slotte of de verhoging naar zeven jaar als tussenstap is bedoeld, en of de minister bij de volgende vierjaarlijkse actualisatie een verdere verhoging richting tien jaar wil onderzoeken. Antwoord: De verhoging van de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar is aangekondigd bij de Voorjaarsbesluitvorming 2023.[voetnoot 1] De investeringshorizon voor het bedrijfsleven varieert sterk per sector, bedrijfsgrootte en type financiering, maar kent een algemeen gemiddelde van drie tot zeven jaar voor strategische middellange termijn projecten en tien jaar of meer voor zware projecten. De terugverdientijd van tien jaar ligt buiten de investeringshorizon van kleinere bedrijven en instellingen en kan vooral voor hen leiden tot een disproportioneel hoge regeldruk. Het verschillend toepassen van terugverdientijden binnen de doelgroep van de energiebesparingsplicht, bijvoorbeeld per sector of per grootte van het bedrijf. Dit zorgt voor meer lasten voor zowel de doelgroep als toezichthouders en meer complexiteit. Er is gekozen voor uniformiteit om reden van handhaving en eenduidigheid voor ondernemers. De leden van de PRO-fractie begrijpen dat circa 1.400 van de 4.200 locaties niet langer onder de onderzoeksplicht vallen. Kan de minister een inschatting geven van het besparingspotentieel dat hierdoor mogelijk verloren gaat? Deze leden vragen de minister te bevestigen dat deze bedrijven nog steeds gehouden blijven aan de algemene verduurzamingsplicht en de Erkende maatregelenlijsten (EML), en te schetsen welk deel van het besparingspotentieel wordt gemist doordat maatwerkonderzoek naar maatregelen buiten de EML vervalt. De leden van de PRO-fractie vragen of in plaats van een volledige uitzondering voor sectoren als defensie en zorg een lichtere onderzoeksplicht is overwogen. Antwoord: De locaties die vanaf 2027 niet langer onder de onderzoekplicht vallen, zijn zowel voor processen als gebouwen nog steeds verplicht maatregelen met een terugverdientijd van zeven jaar te treffen en kunnen hiervoor de Erkende Maatregelenlijst gebruiken. Ook rapporteren zij hierover via de informatieplicht. Er gaat dus geen potentieel verloren. Dit geldt voor de sectoren met relatief eenvoudige en/of uniforme bedrijfsprocessen, zoals glastuinbouw. De huidige ronde vanaf 2023 leert ons dat onderzoeken in deze sectoren niet of nauwelijks tot nieuwe maatregelen leiden. Ditzelfde geldt voor sectoren met veel gebouwgebonden energiegebruik, zoals ziekenhuizen, laboratoriums en defensiegebouwen. Omdat de onderzoekplicht in deze gevallen niet tot nieuwe maatregelen leidt, gaat er door deze wijziging ook geen besparingspotentieel verloren. Er is daarom ook geen lichtere variant van de onderzoeksplicht oor defensie of zorg overwogen. Deze leden lezen dat sprake is van ‘een ruime verdubbeling van de capaciteit voor toezicht bij de omgevingsdiensten’. Zij vragen hoe deze capaciteit zich verhoudt tot het totale aantal informatieplichtige bedrijven, en welk effect de verschuiving van de informatieplicht van verhuurder naar huurder heeft op de benodigde handhavingscapaciteit, en of hiervoor extra middelen zijn voorzien. Antwoord: Het totaal aantal informatieplichtige bedrijven is ca. 100.000. De omgevingsdiensten tellen nu ca. 200 fte voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht. Vanaf 2027 stelt het kabinet jaarlijks structureel € 14,3 miljoen beschikbaar voor het toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht. Om na het aflopen van de SpUk Toezicht en handhaving energiebesparing (THE) te borgen dat toezicht en handhaving wordt uitgevoerd en zodoende energiebesparende maatregelen worden getroffen en er sprake is van een gelijk speelveld voor bedrijven en instellingen is het kabinet voornemens om een norm voor toezicht en handhaving te onderzoeken. De handhaafbaarheid van de energiebesparingsplicht wordt verbeterd door de verschuiving van de informatieplicht voor activiteitenmaatregelen van verhuurder naar de huurder. De omgevingsdiensten kunnen de juiste partij aanspreken op de naleving van de energiebesparingsplicht. Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik. De leden van de CDA-fractie merken op dat de energiebesparingsplicht niet alleen wordt gewijzigd door de terugverdientijd te verhogen van vijf naar zeven jaar, maar dat de regeling ook beter uitvoerbaar wordt gemaakt door de doelgroep waarvoor de onderzoeksplicht geldt op verantwoorde wijze te verkleinen. Deze leden begrijpen de intentie achter deze wijzigingen, maar hebben daarbij nog wel de nodige vragen. De leden van de CDA-fractie merken op dat het verhogen van de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar naar verwachting 11 petajoule (PJ) aan extra energiebesparing en 596 kiloton (kton) aan CO₂-reductie zal opleveren. Daarbij wordt echter de kanttekening geplaatst dat bij circa 62% van de geïdentificeerde maatregelen die deze besparingen moeten opleveren, organisatorische, technische of economische belemmeringen zijn geconstateerd, waardoor deze maatregelen niet (direct) kunnen worden uitgevoerd. Dit roept bij deze leden de vraag op welk deel van het geraamde potentieel naar verwachting daadwerkelijk realiseerbaar is. Zij vragen de minister om de gevolgen van deze belemmeringen voor het energiebesparingspotentieel scherper in beeld te brengen en daarbij inzichtelijk te maken in hoeverre en op welke termijn het geraamde energiebesparingspotentieel realiseerbaar is. Antwoord: Het ophogen van de terugverdientijd verruimt het energiebesparingspotentieel met naar verwachting 11PJ. De uitvoerbaarheid van een maatregel is sterk afhankelijk van de omstandigheden op een bepaalde locatie. De omgevingsdiensten houden toezicht op de energiebesparingsplicht en gaan in gesprek met bedrijven over de uit te voeren maatregelen. Als een maatregel op een bepaald moment niet uitvoerbaar is vanwege technische, organisatorische of economische redenen dan kan het bedrijf in overleg treden met de omgevingsdiensten en moeten zij kunnen aantonen waarom dit zo is. De toezichthouders kijken naar de argumenten en bewijslast en moeten volgens het principe van redelijkheid en billijkheid oordelen of een maatregel inderdaad nu niet uitvoerbaar is, maar mogelijk over 6 of 12 maanden wel. De geconstateerde belemmeringen betekenen dus niet dat het potentieel niet realiseerbaar zou zijn. De leden van de CDA-fractie vragen de minister tevens om te verduidelijken welke belemmeringen de meeste impact hebben op de mogelijkheid om maatregelen te treffen die leiden tot energiebesparing en op welke wijze, binnen welke termijn en in welke mate die belemmeringen weggenomen kunnen worden. Hoe zal worden omgegaan met belemmeringen die bedrijven niet zelf kunnen oplossen, zoals netcongestie, vergunningverlening of een beperkte beschikbaarheid van installateurs en technologie? Deze leden merken op dat netcongestie expliciet wordt genoemd als reden waarom maatregelen niet afdwingbaar zijn. In hoeverre geldt dat ook voor andere belemmeringen waar bedrijven en instellingen aantoonbaar zelf geen invloed op hebben? Antwoord: Zoals genoemd in het antwoord op vraag 7, wordt door toezichthouders altijd gekeken naar de omstandigheden als enkele maatregelen op dit moment niet uitvoerbaar zijn, en dit mogelijk over 6 of 12 maanden wel zou kunnen. Hier vallen bijvoorbeeld belemmeringen waar bedrijven en instellingen zelf geen invloed op hebben onder, zoals beperkte beschikbaarheid van installateurs, vergunningsverlening of netcongestie. Netcongestie speelt vooral bij elektrificatie maatregelen, waar fossiele brandstof zoals gas wordt vervangen door een elektrische variant, en dit problemen oplevert voor het regionale elektriciteitsnet. Echter zijn er ook veel maatregelen die niet op dergelijke belemmeringen stuiten, die bedrijven veelal juist wel door kunnen voeren. Zoals het overgaan op LED-verlichting of apparatuur vervangen voor een energie-efficiëntere variant. De leden van de CDA-fractie vragen voorts de minister toe te lichten hoe wordt voorkomen dat de energiebesparingsplicht bedrijven verplicht tot investeringen die weliswaar op de lange termijn rendabel zijn, maar die op de korte termijn niet kunnen worden gefinancierd. In dit kader vragen deze leden specifiek aandacht voor het mkb en de aangekondigde Energiebesparingslening voor het mkb die vanaf eind 2026 beschikbaar zou moeten zijn. Kan de minister bevestiging dat deze regeling inderdaad beschikbaar zal zijn op het moment dat de nieuwe verplichting per 1 juli 2027 ingaat? In hoeverre is de omvang van deze regeling voldoende om aan de financieringsbehoefte van het mkb te voldoen? Antwoord: Om de doelgroep tegemoet te komen heeft het kabinet in de begroting 2026 voorgesteld om voor MKB-ondernemers middelen beschikbaar te stellen. De betreffende regeling “Energiebesparingslening voor het midden- en kleinbedrijf,” voor MKB-ondernemers gaat toegankelijke marktconforme leningen mogelijk maken voor investeringen in maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik. Deze leningen dienen ervoor te zorgen dat de investeringen in de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik niet concurreren met andere noodzakelijke investeringen, bijvoorbeeld in productievernieuwing, digitalisering, personeel, veiligheid, continuïteit of aanpassing aan marktomstandigheden. Met dit nieuwe instrument wordt voorkomen dat bedrijven verplicht worden tot investeringen die weliswaar rendabel zijn, maar die zonder de leningen op korte termijn niet zouden passen binnen hun financiële ruimte, bedrijfsstrategie of operationele mogelijkheden. Bedrijven kunnen ook aanspraak blijven maken op fiscale aftrekposten als de MIA/VAMIL en de EIA- die recent verruimd is, om investeringen in elektrificatie en energie-efficiency te vergroten. Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik. Deze leden onderschrijven het belang van betaalbare en betrouwbare energie en een sterke concurrentiepositie voor het Nederlands verdienvermogen. Zij erkennen dat energiebesparing een rol kan spelen en komen daartoe tot de volgende vragen over het ontwerpbesluit. De leden van de JA21-fractie vragen welke besparing nog kan worden gerealiseerd door betere naleving van de bestaande verplichtingen, en welk extra resultaat juist de aanscherping naar zeven jaar oplevert. Welke meetbare resultaten en welk evaluatiemoment verbindt zij aan de gekozen aanpak? Antwoord: Het is belangrijk om zowel het huidige potentieel te benutten als uit te breiden. De ophoging van de terugverdientijd verhoogt het energiebesparingspotentieel, terwijl de alternatieven (betere naleving en handhaving van de huidige 5 jaar maatregelen) niet het totale potentieel verhogen, maar zien op de betere benutting van het huidige potentieel. Om het potentieel het beste te benutten worden verschillende middelen ingezet, zoals extra financiering van de toezichthouders en energiebesparingsleningen voor mkb. De ophoging van de terugverdientijd leidt juist tot de uitbreiding van het potentieel. Gelet op de huidige geopolitieke situatie en prijsschokken is het belangrijk op beide routes in te zetten. Vijf jaar na de inwerkingtreding van de geactualiseerde plicht wordt opnieuw de beleidsevaluatie gehouden. De leden van de JA21-fractie hoe dit ontwerpbesluit zich verhoudt tot de heersende netcongestie. Verwacht de minister dat alle investeringen gedaan kunnen worden zolang netcongestie een probleem blijft? Wanneer bedrijven door netcongestie niet aan de verplichting kunnen voldoen, hoe worden zij gevrijwaard van de verplichting? Antwoord: De energiebesparingsplicht zorgt voor een lager energiegebruik wat -als het gaat om elektriciteitsgebruik- gunstig is voor de netcongestie: dit creëert ruimte op het net voor eventueel nieuwe aansluitingen of de uitbreiding van de bestaande aansluitingen. Sommige elektrificatiemaatregelen in het kader van de energiebesparingsplicht kunnen niet gelijk worden uitgevoerd als er sprake is van netcongestie. Samen met de omgevingsdienst zal het bedrijf moeten kijken welke mogelijkheden er zijn om energie te besparen binnen de huidige aansluiting. Als er toch een verzwaring nodig is en het bedrijf dit kan aantonen voor de uitvoering van een bepaalde maatregel, dan zal de omgevingsdienst de argumenten en de bewijsmaterialen beoordelen. Een uitkomst hiervan kan zijn dat een bedrijf de maatregel pas hoeft uit te voeren als de netcongestie problematiek is opgelost. In de praktijk moet een ondernemer aantonen dat er sprake is van netcongestie met bijvoorbeeld een brief van de netbeheerder. Om hier duidelijker over te zijn zal ik samen met diverse belanghebbenden een werkwijze over opstellen, inclusief bijvoorbeeld modelbrieven, zodat er een duidelijk uitgangspunt op papier staat en eenvoudig te hanteren is. De leden van de JA21-fractie lezen dat distributiecentra worden genoemd bij de sectoren waarvoor een afzonderlijk onderzoek onnodig belastend kan zijn. Tegelijkertijd blijft artikel 3.285 van het Bal in de opsomming staan. Welke distributiecentra worden daadwerkelijk vrijgesteld? Kan de minister met een voorbeeld verduidelijken hoe wordt bepaald welke plicht geldt bij een vestiging met zowel uitgezonderde als niet-uitgezonderde activiteiten? Antwoord: Als eerste hecht ik eraan te onderstrepen dat de huidige doelgroep van de energiebesparingsplicht onveranderd blijft, maar dat sommige sectoren een vrijstelling hebben van de onderzoeksplicht omdat ze relatief eenvoudige en/of uniforme bedrijfsprocessen hebben of veel gebouwgebonden energiegebruik hebben. Wanneer processen van bedrijven zoals distributiecentra en groothandelsbedrijven uniform zijn, zouden ze uitgezonderd kunnen worden van de onderzoeksplicht. De distributiecentra maken echter deel uit van de milieubelastende activiteit Opslag- en transportbedrijven, groothandel en containerterminal (paragraaf 3.8.6 Bal). Onder deze milieubelastende activiteit vallen onder andere containerterminals en koel- en vrieshuizen. Het is niet wenselijk om deze van de onderzoeksplicht uit te sluiten, omdat in tegenstelling tot reguliere distributiecentra of groothandelsbedrijven, waar het energieverbruik voornamelijk gebouwgebonden is (zoals basisverlichting en verwarming), containerterminals en vrieshuizen zeer grote hoeveelheden procesenergie verbruiken. Containerterminals gebruiken zware, energie-intensieve overslag- en transportinstallaties zoals grote containerkranen. Vrieshuizen draaien continu op krachtige, industriële koelcompressoren en koelinstallaties om goederen constant op extreme vriestemperaturen te houden. Het is dus noodzakelijk dat ze onder de onderzoekplicht blijven vallen. Omdat al deze activiteiten naast distributiecentra onder dezelfde milieubelastende activiteit in termen van Omgevingswet vallen, is het niet mogelijk om ze apart te reguleren. Daarom blijven ook de distributiecentra onder de onderzoekplicht vallen. De Nota van Toelichting wordt erop aangepast. De leden van de JA21-fracte vragen of de minister voor een bedrijfsverzamelgebouw met meerdere zelfstandige huurders en één energiemeter kan uiteenzetten wie maatregelen moet treffen, wie rapporteert en welk energiegebruik voor iedere drempel telt. Hoe wordt voorkomen dat ondernemers zonder toegang tot de noodzakelijke gegevens verantwoordelijk worden gehouden voor een onvolledige rapportage? Antwoord: De rapportageverplichting ligt altijd bij diegene die verantwoordelijk is voor het nemen van energiebesparende maatregelen. De gebouweigenaar, ofwel verhuurder, rapporteert over de gebouwmaatregelen en individuele bedrijven in een verzamelgebouw rapporteren over maatregelen binnen hun proces. Zo ligt de rapportage verantwoordelijkheid ook daar waar de mogelijkheid ligt tot nemen van maatregelen. Een bedrijf dat activiteiten uitvoert met een gebruik vanaf 50.000 kWh of 25.000 m3 moet maatregelen uitvoeren om te voldoen aan de energiebesparingsplicht. Bij een bedrijfsverzamelgebouw kan de omgevingsdienst op basis van de rapportage of met een fysieke controle kijken wie moet voldoen aan de energiebesparingsplicht. Als uit de energiegegevens blijkt dat er maar één meter is, zal de omgevingsdienst (fysiek) op controle gaan. Met de desbetreffende ondernemer(s) zullen afspraken worden gemaakt om te voldoen aan de energiebesparingsplicht. De leden van de JA21-fractie lezen dat de extra investeringen door de verhoogde terugverdientijd circa 1 miljard euro bedragen. De verwachting van de minister is dat deze investeringen binnen vijf tot zeven jaar worden terugverdiend bij gelijkblijvende prijzen. Uit stukken van het kabinet blijkt een prognose van dalende energieprijzen maar oplopende vaste kosten zoals netbeheerkosten. Kan financieel worden toegelicht wat er met het terugverdienvermogen gebeurt wanneer dit bovenstaande scenario in de praktijk komt? Antwoord: De Erkende Maatregelenlijst wordt elke vier jaar geüpdatet, conform de cyclus van de informatieplichtrapportage. Het kabinet heeft TNO gevraagd om over de energieprijzen te adviseren die het uitgangspunt vormen voor de Erkende Maatregelenlijst en het bepalen of een maatregel een terugverdientijd heeft van zeven jaar of minder. In deze berekeningsmethode is rekening gehouden met dalende energieprijzen en oplopende netbeheerderskosten en dat resulteerde in een advies over de toe te passen energieprijzen. In de berekening van de maatregelen worden deze energieprijzen meegenomen. Alle maatregelen van de energiebesparingsplicht verdienen zich terug binnen zeven jaar of minder en daarmee maakt een bedrijf uiteindelijk dus winst op de uitvoering van de maatregel. De leden van de JA21-fractie lezen de toelichting dat het kabinet geen of beperkte extra lasten verwacht doordat huurders de procesmaatregelen zelf gaan rapporteren. Is dit met representatieve kleine bedrijven getest? Welke tijd en kosten vergen toegang tot het loket, gegevensverzameling, afstemming met verhuurders en eventuele adviesverlening? Hoe wordt de lastenverschuiving per groep inzichtelijk gemaakt, in plaats van alleen het saldo voor huurders en verhuurders samen? Antwoord: In de publicatie van de actualisatie van de energiebesparingsplicht in 2023 zijn de regeldrukkosten uiteengezet voor de doelgroep in hoofdstuk 8.[voetnoot 2] In 2023 was de verhuurder in sommige situaties (artikel 3.3a van het Besluit activiteiten leefomgeving) verantwoordelijk voor het rapporteren over het gebouw en de processen. Om over de processen te rapporteren moest de huurder al maatregelen in kaart brengen, zodat de verhuurder hier over kon rapporteren. Dit vergt afstemming en tijd tussen beide partijen. In de actualisatie van 2027 ligt die rapportage verantwoordelijkheid voor de activiteitenmaatregelen niet meer bij de verhuurder, maar bij de huurder. Dat bespaart tijd in de afstemming met de verhuurder, maar tegelijkertijd zal deze huurder het loket moeten invullen. Al met al worden hierdoor geen extra lasten verwacht. Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de actualisatie van de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik. Deze leden onderschrijven het belang van energiebesparing wanneer deze maatregelen daadwerkelijk uitvoerbaar, betaalbaar en bedrijfseconomisch verantwoord zijn. Zij waarderen dat het kabinet tegelijkertijd stappen zet om de onderzoeksplicht gerichter toe te passen en onnodige administratieve lasten te verminderen. Zo vervalt de onderzoeksplicht voor circa 1.400 bedrijven en instellingen en wordt deze onder meer geschrapt voor verschillende activiteiten binnen de agrarische sector. Maar tegenover het schrappen van administratieve verplichtingen lezen deze leden een aanzienlijke uitbreiding van de materiële investeringsplicht voor ondernemers. Dat raakt bedrijven direct in hun investeringsruimte en kan betekenen dat geld dat anders beschikbaar zou zijn voor personeel, innovatie, productievernieuwing, veiligheid of bedrijfscontinuïteit verplicht naar energiebesparende maatregelen moet gaan. Het kabinet erkent dit risico zelf door hiervoor een aparte financieringsregeling voor het mkb aan te kondigen. De leden van de BBB-fractie hebben zorgen over de verhoging van de maximale terugverdientijd van vijf naar zeven jaar. Daarmee worden bedrijven verplicht om een bredere groep verduurzamingsmaatregelen uit te voeren. Uit de toelichting blijkt dat hiermee potentieel circa €1 miljard aan initiële investeringen is gemoeid. Bovendien bestaan bij ongeveer 62% van de geïdentificeerde maatregelen organisatorische, technische of economische belemmeringen waardoor deze niet zonder meer kunnen worden uitgevoerd. Deze leden vragen de regering daarom nader toe te lichten waarom een terugverdientijd van zeven jaar in de praktijk als een redelijke en proportionele grens wordt beschouwd. Dat een investering zich op papier binnen zeven jaar terugverdient, betekent immers niet automatisch dat een ondernemer op dit moment beschikt over voldoende liquiditeit, financieringsruimte, personeel of technische mogelijkheden om de investering daadwerkelijk te doen. Kan de minister uiteenzetten hoe bij toezicht en handhaving rekening wordt gehouden met de feitelijke financiële positie en investeringsmogelijkheden van een onderneming? Antwoord: Elke maatregel van de energiebesparingsplicht heeft een terugverdientijd van maximaal zeven jaar. Daarna versterkt de maatregel structureel de financiële positie van bedrijven. Als maatregelen moeten worden uitgevoerd waarbij een bedrijf dit vanwege de financiële omstandigheden, personeel of technische mogelijkheden niet kan uitvoeren dan kan het bedrijf in overleg treden met de omgevingsdiensten. De omgevingsdienst denkt mee over de mogelijkheden en beoordeelt op basis van de bewijsmaterialen wat in een gegeven situatie redelijke en billijk is met betrekking tot de uitvoering van de verplichte maatregelen. Daarnaast zal vanaf oktober 2026 ook Energiebesparingsleningen beschikbaar zijn voor het MKB voor de uitvoering van energiebesparende maatregelen tegenover marktconforme rentetarieven. Met de MKB Energiebesparingslening lenen ondernemers € 10.000 tot € 250.000 per locatie voor energiebesparende maatregelen, zonder onderpand. De lening dekt maximaal 100% van de kosten die in aanmerking komen. Bedrijven die onder de energiebesparingsplicht vallen, kunnen de lening ook gebruiken voor maatregelen waarmee zij aan deze plicht voldoen. Ondernemers betalen de lening met rente binnen maximaal 7 jaar terug. De marktconforme rente is voor deze openstellingsronde vastgesteld op 6,9% op jaarbasis en staat de gehele looptijd van de lening vast. Bedrijven kunnen ook aanspraak blijven maken op fiscale aftrekposten als de MIA/VAMIL en de EIA- die recent verruimd is, om investeringen in elektrificatie en energie-efficiency te vergroten. De leden van de BBB-fractie constateren bovendien dat vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de voorbereidende fase de verhoging van vijf naar zeven jaar als een onnodige aanscherping hebben beschouwd, mede omdat de effecten van de wijzigingen uit 2023 volgens hen nog niet goed zichtbaar waren. Zij vragen de minister hoe zij deze zorgen heeft gewogen. Waarom acht de minister een nieuwe aanscherping nu reeds noodzakelijk, terwijl vanuit de sector wordt aangegeven dat nog onvoldoende zicht bestaat op de effecten van de vorige wijziging? Is onderzocht wat uitsluitend versterkte naleving en handhaving van de bestaande vijfjaarstermijn zou opleveren voordat wordt gekozen voor een verdere uitbreiding van de verplichting? Antwoord: Het is belangrijk om zowel het huidige potentieel te benutten als uit te breiden. De ophoging van de terugverdientijd verhoogt het energiebesparingspotentieel, terwijl de alternatieven (betere naleving en handhaving van de huidige 5 jaar maatregelen) niet het totale potentieel verhogen, maar zien op de betere benutting van het huidige potentieel. Om het potentieel het beste te benutten worden verschillende middelen ingezet, zoals extra financiering van de toezichthouders en energiebesparingsleningen voor mkb. De ophoging van de terugverdientijd leidt juist tot de uitbreiding van het potentieel. Gelet op de huidige geopolitieke situatie en prijsschokken is het belangrijk op beide routes in te zetten. Vijf jaar na de inwerkingtreding van de geactualiseerde plicht wordt opnieuw de beleidsevaluatie gehouden. De leden van de BBB-fractie zijn daarnaast benieuwd hoe de minister voorkomt dat verplichte energiebesparingsinvesteringen andere noodzakelijke bedrijfsinvesteringen verdringen. In de toelichting wordt expliciet genoemd dat ondernemers ook moeten investeren in bijvoorbeeld productievernieuwing, digitalisering, personeel, veiligheid en continuïteit (p.11). Kan de minister garanderen dat een ondernemer niet in de situatie komt dat een verduurzamingsmaatregel weliswaar theoretisch rendabel is, maar feitelijk ten koste gaat van het voortbestaan of de concurrentiekracht van het bedrijf? Antwoord: Om de doelgroep tegemoet te komen heeft het kabinet in de begroting 2026 voorgesteld om voor MKB-ondernemers middelen beschikbaar te stellen. De betreffende regeling “Energiebesparingslening voor het midden- en kleinbedrijf,” voor MKB-ondernemers gaat toegankelijke marktconforme leningen mogelijk maken voor investeringen in maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik. Deze leningen dienen ervoor te zorgen dat de investeringen in de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik niet concurreren met andere noodzakelijke investeringen, bijvoorbeeld in productievernieuwing, digitalisering, personeel, veiligheid, continuïteit of aanpassing aan marktomstandigheden. Met dit nieuwe instrument wordt voorkomen dat bedrijven verplicht worden tot investeringen die weliswaar rendabel zijn, maar die zonder de leningen op korte termijn niet zouden passen binnen hun financiële ruimte, bedrijfsstrategie of operationele mogelijkheden. Met de MKB Energiebesparingslening lenen ondernemers € 10.000 tot € 250.000 per locatie voor energiebesparende maatregelen, zonder onderpand. De lening dekt maximaal 100% van de kosten die in aanmerking komen. Bedrijven die onder de energiebesparingsplicht vallen, kunnen de lening ook gebruiken voor maatregelen waarmee zij aan deze plicht voldoen. Ondernemers betalen de lening met rente binnen maximaal 7 jaar terug. De marktconforme rente is voor deze openstellingsronde vastgesteld op 6,9% op jaarbasis en staat de gehele looptijd van de lening vast. Bedrijven kunnen ook aanspraak blijven maken op fiscale aftrekposten als de MIA/VAMIL en de EIA- die recent verruimd is, om investeringen in elektrificatie en energie-efficiency te vergroten. Elke maatregel van de energiebesparingsplicht heeft een terugverdientijd van maximaal zeven jaar. Daarna versterkt de maatregel structureel de financiële positie van bedrijven. Als maatregelen moeten worden uitgevoerd waarbij een bedrijf dit vanwege de financiële omstandigheden, personeel of technische mogelijkheden niet kan uitvoeren dan kan het bedrijf in overleg treden met de omgevingsdiensten. De omgevingsdienst denkt mee over de mogelijkheden en beoordeelt op basis van de bewijsmaterialen wat in een gegeven situatie redelijke en billijk is met betrekking tot de uitvoering van de verplichte maatregelen. De leden van de BBB-fractie vragen daarbij specifiek aandacht voor regionale en mkb-bedrijven, die doorgaans minder financiële en organisatorische ruimte hebben dan grote ondernemingen om investeringen naar voren te halen. Kan de minister aangeven welke gevolgen de verhoging van de terugverdientijd naar verwachting heeft voor verschillende bedrijfsgroottes en sectoren? Welk deel van de geraamde investeringslast van circa €1 miljard komt naar verwachting terecht bij het mkb? Antwoord: De schatting van de € 1 miljard kosten als gevolg van het ophogen van de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar komt uit de geïdentificeerde kosteneffectieve procesmaatregelen die de onderzoeksplichtige locaties rapporteren aan de toezichthouders. Alleen locaties met jaarlijks energiegebruik vanaf 10 mln kWh of 170.000 m3 aardgas(equivalent) vallen onder de onderzoeksplicht en daarom zijn dit nadrukkelijk geen mkb-locaties, maar grotere bedrijven. Deze investeringen verdienen zich tussen de vijf en zeven jaar terug en leveren daarna bij gelijkblijvende energieprijzen elke vijf tot zeven jaar € 1 miljard aan lagere energielasten voor bedrijven op. De meeste maatregelen met de terugverdientijd tussen vijf en zeven jaar als gevolg van het ophogen van de terugverdientijd zijn geïdentificeerd in de sectoren complexe bedrijven en de nutssector en industrie (afdelingen 3.3 en 3.4 van het Bal), met name in deelsectoren raffinaderijen (§ 3.3.3), basischemie (§ 3.3.8), chemische producten industrie (§ 3.4.6) en voedingsmiddelenindustrie (§ 3.4.8). In zijn algemeenheid geldt de energiebesparingsplicht (en dus ook het ophogen van de terugverdientijd) voor locaties met energiegebruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 gas(equivalenten) per jaar. Voor het deel van het MKB dat boven dit gebruik uitkomt en daarmee onder de plicht valt, geldt dat zij gebruik kunnen maken van de energiebesparingsleningsregeling vanaf oktober 2026. Hiermee kan het MKB de lasten als gevolg van het ophogen van de terugverdientijd beter het hoofd bieden. Bedrijven kunnen ook aanspraak blijven maken op fiscale aftrekposten als de MIA/VAMIL en de EIA- die recent verruimd is, om investeringen in elektrificatie en energie-efficiency te vergroten. De leden van de BBB-fractie zijn positief over het uitgangspunt dat een maatregel niet afdwingbaar is wanneer deze vanwege netcongestie niet kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld omdat een benodigde uitbreiding van de elektriciteitsaansluiting niet beschikbaar is. Zij vragen de minister echter hoe dit in de praktijk wordt vastgesteld. Is een verklaring van de netbeheerder voldoende? Wordt ook rekening gehouden met lange wachttijden, onzekerheid over toekomstige netcapaciteit en buitenproportioneel hoge aansluitkosten? Kan de regering bevestigen dat ondernemers niet worden gesanctioneerd voor omstandigheden waarop zij zelf geen invloed hebben? Antwoord: De energiebesparingsplicht zorgt voor een lager energiegebruik wat -als het gaat om elektriciteitsgebruik- gunstig is voor de netcongestie: dit creëert ruimte op het net voor eventueel nieuwe aansluitingen of de uitbreiding van de bestaande aansluitingen. Sommige elektrificatiemaatregelen in het kader van de energiebesparingsplicht kunnen niet gelijk worden uitgevoerd als er sprake is van netcongestie. Samen met de omgevingsdienst zal het bedrijf moeten kijken welke mogelijkheden er zijn om energie te besparen binnen de huidige aansluiting. Als er toch een verzwaring nodig is en het bedrijf dit kan aantonen voor de uitvoering van een bepaalde maatregel, dan zal de omgevingsdienst de argumenten en de bewijsmaterialen beoordelen. Een uitkomst hiervan kan zijn dat een bedrijf de maatregel pas hoeft uit te voeren als de netcongestie problematiek is opgelost. In de praktijk moet een ondernemer aantonen dat er sprake is van netcongestie met bijvoorbeeld een brief van de netbeheerder. Om hier duidelijker over te zijn zal ik samen met diverse belanghebbenden een werkwijze over opstellen, inclusief bijvoorbeeld modelbrieven, zodat er een duidelijk uitgangspunt op papier staat en eenvoudig te hanteren is. De leden van de BBB-fractie willen tenslotte benadrukken dat zij energiebesparing die zichzelf terugverdient niet afwijzen. Voor deze leden is het echter essentieel dat beleid ook in de praktijk uitvoerbaar en financierbaar blijft. Een investering die op papier rendabel is, is niet automatisch een investering die een ondernemer vandaag kan dragen. De vermindering van onnodige onderzoekslasten is daarom een goede stap, maar mag geen rechtvaardiging worden voor een generieke investeringsverzwaring zonder voldoende oog voor de dagelijkse realiteit van ondernemers. Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende ontwerpbesluit. Zij zijn van mening dat het voorliggende ontwerpbesluit onvoldoende recht doet aan de eerdere analyse van de Algemene Rekenkamer en de kritische reactie van het ATR. Zij hebben enkele vragen over de voorgenomen verlenging van de terugverdientermijn van vijf naar zeven jaar en het niet doorvoeren van de hogere drempel voor het elektriciteitsgebruik. De leden van de SGP-fractie hebben in de Troonrede gehoord dat het kabinet wil werken aan minder regelzucht en controledwang en dat zij zichzelf wil beheersen bij het maken van nieuwe regels. Deze leden horen graag hoe deze inzet zich verhoudt tot het voorliggende ontwerpbesluit, mede gelet op de uiterst kritische reactie van ATR. Erkent de minister dat er spanning is tussen de inzet op minder regeldruk en dergelijke (aanscherpingen van) regels voor verduurzaming? Waarom heeft de minister er desondanks voor gekozen de verlenging van de terugverdientermijn door te zetten? Waarom heeft de minister er niet voor gekozen tenminste de drempel voor het elektriciteitsgebruik te verhogen naar 100.000 kWh, zoals eerder voorgesteld (Kamerstuk 30 196 nr. 857), of hoger? Antwoord: Naar aanleiding van het ATR-advies is het aantal punten in de Nota van Toelichting aangevuld. Er is onder andere verduidelijkt welke CO2-besparing met de ophoging wordt verwacht, wat de autonome naleving van de plicht bedraagt en waarom de ophoging naar zeven jaar het minst belastende alternatief is om het besparingspotentieel te vergroten. Er is ook nader uiteengezet hoe de adviezen en knelpunten uit de evaluaties worden opgepakt, al dan niet via juridische route en hoe aan bedrijven tegemoet wordt gekomen in termen van financiële steun en verlichting van administratieve lasten. Er is een impactanalyse uitgevoerd op basis van de onderzoekplichtrapportages die via het Loket bij RVO zijn ingediend. De effecten van de ophoging zijn in de Nota van Toelichting verwerkt. De ophoging van de terugverdientijd zal ongeveer één miljard aan initiële investeringen betekenen die zich in minder dan zeven jaar terugverdienen, en dan elke 7 jaar weer. Over een periode van 10-15 jaar levert het voorstel netto jaarlijks ca. 66-100 mln. aan extra besparingen in energiekosten op. Daarnaast worden de bedrijven minder kwetsbaar voor de grote schommelingen in energieprijzen. Een ophoging van de ondergrens naar 100.000 kWh per jaar zou resulteren in het verlies van 15% van het besparingspotentieel. Gegeven de aanhoudend uitdagende geopolitieke context, de energierekening en netcongestie zet het kabinet in op alle redelijke mogelijkheden om energie te besparen. De leden van de SGP-fractie hebben grote vraagtekens bij het voorstel om de terugverdientermijn te verhogen naar zeven jaar. Zij wijzen op de grote problemen bij de handhaving van de huidige energiebesparingsplicht, zoals ook aangegeven door de Algemene Rekenkamer en ATR. Een deel van de bedrijven voldoet zelfs nog niet aan de informatieplicht. Heeft de minister inmiddels vastgesteld dat de handhaving inmiddels op orde is? Zo ja, op basis waarvan? Antwoord: Het verbeteren van het toezicht en handhaving is een lopend proces. In de kabinetsbrief van 13 april[voetnoot 3] jl. is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht. De toezichtscapaciteit is verdubbeld en de omgevingsdiensten tellen nu ca. 200 fte voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht. Samen met OmgevingsdienstNL werk ik eraan om het toezicht te verbeteren. Zo werkt OmgevingsdienstNL tot en met 2027 aan een meerjarig uitvoeringsprogramma energiebesparing waarbij data- en risicogestuurd toezicht, opleidingen en kennisuitwisseling tussen omgevingsdiensten wordt verstevigd. Ook heb ik in de zomer een SpUk-regeling opengesteld voor omgevingsdiensten voor het versterken van toezichtscapaciteit voor 2027 en 2028. Hiermee kunnen omgevingsdiensten het toezicht blijven professionaliseren. Tot slot zijn de energiegebruiksgegevens van locaties, via de netbeheerders, vanaf 2025 beschikbaar gemaakt voor het energiebesparingstoezicht. Hiermee hebben de omgevingsdiensten hun doelgroep veel beter in beeld en kunnen zij effectiever toezicht uitvoeren. Daarnaast worden met deze actualisatie allerlei vereenvoudigingen doorgevoerd, die ook het toezicht makkelijker maken zoals het verkorten van de EML en het versimpelen van de rapportageplichten. De leden van de SGP-fractie willen erop wijzen dat wanneer de energiebesparingsplicht wordt aangescherpt het lastiger wordt om bedrijven financieel te steunen bij het nemen van besparende maatregelen. Deze leden horen graag welke gevolgen de verlenging van de terugverdientermijn heeft voor de mogelijkheden voor (mkb-)bedrijven om gebruik te maken van de Energie-Investeringsaftrek (EIA) en de subsidieregeling Versnelde klimaatinvesteringen industrie, nu wettelijke verplichtingen hiervoor in beginsel niet in aanmerking komen. In hoeverre heeft u deze consequenties in combinatie met de vaak al lastige concurrentiepositie van bedrijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven meegewogen bij de besluitvorming? Antwoord: De ophoging van de terugverdientijd en de daarmee samenhangende investeringen zouden de concurrentiepositie van de Nederlandse bedrijven juist moeten verbeteren doordat de energierekeningen lager worden, waardoor Nederlandse bedrijven weerbaarder worden tegen de prijsschokken op de energiemarkt. Ook zullen investeringen in energie-efficiëntie Nederland minder afhankelijk maken van de fossiele bronnen uit het buitenland. Om de doelgroep tegemoet te komen heeft het kabinet in de begroting 2026 voorgesteld om voor MKB-ondernemers middelen beschikbaar te stellen. De betreffende regeling “Energiebesparingslening voor het midden- en kleinbedrijf,” voor MKB-ondernemers gaat toegankelijke marktconforme leningen mogelijk maken voor investeringen in maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik. Deze leningen dienen ervoor te zorgen dat de investeringen in de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik niet concurreren met andere noodzakelijke investeringen, bijvoorbeeld in productievernieuwing, digitalisering, personeel, veiligheid, continuïteit of aanpassing aan marktomstandigheden. Met dit nieuwe instrument wordt voorkomen dat bedrijven verplicht worden tot investeringen die weliswaar rendabel zijn, maar die zonder de leningen op korte termijn niet zouden passen binnen hun financiële ruimte, bedrijfsstrategie of operationele mogelijkheden. Met de MKB Energiebesparingslening lenen ondernemers € 10.000 tot € 250.000 per locatie voor energiebesparende maatregelen, zonder onderpand. De lening dekt maximaal 100% van de kosten die in aanmerking komen. Bedrijven die onder de energiebesparingsplicht vallen, kunnen de lening ook gebruiken voor maatregelen waarmee zij aan deze plicht voldoen. Ondernemers betalen de lening met rente binnen maximaal 7 jaar terug. De marktconforme rente is voor deze openstellingsronde vastgesteld op 6,9% op jaarbasis en staat de gehele looptijd van de lening vast. Bedrijven kunnen aanspraak blijven maken op fiscale aftrekposten als de MIA- VAMIL en de EIA- die recent verruimd is, om investeringen in elektrificatie en energie-efficiency te vergroten. De leden van de SGP-fractie horen graag wat het voorliggende ontwerpbesluit in de praktijk precies betekent voor bedrijven die vanwege de netcongestie- of stikstofproblematiek niet in staat zijn om de door hen gewenste besparende maatregelen te nemen. Antwoord: De energiebesparingsplicht zorgt voor een lager energiegebruik wat -als het gaat om elektriciteitsgebruik- gunstig is voor de netcongestie: dit creëert ruimte op het net voor eventueel nieuwe aansluitingen of de uitbreiding van de bestaande aansluitingen. Sommige elektrificatiemaatregelen in het kader van de energiebesparingsplicht kunnen niet gelijk worden uitgevoerd als er sprake is van netcongestie. Samen met de omgevingsdienst zal het bedrijf moeten kijken welke mogelijkheden er zijn om energie te besparen binnen de huidige aansluiting. Als er toch een verzwaring nodig is en het bedrijf dit kan aantonen voor de uitvoering van een bepaalde maatregel, dan zal de omgevingsdienst de argumenten en de bewijsmaterialen beoordelen. Een uitkomst hiervan kan zijn dat een bedrijf de maatregel pas hoeft uit te voeren als de netcongestie problematiek is opgelost. In de praktijk moet een ondernemer aantonen dat er sprake is van netcongestie met bijvoorbeeld een brief van de netbeheerder. Om hier duidelijker over te zijn zal ik samen met diverse belanghebbenden een werkwijze over opstellen, inclusief bijvoorbeeld modelbrieven, zodat er een duidelijk uitgangspunt op papier staat en eenvoudig te hanteren is. De leden van de SGP-fractie willen erop wijzen dat de energiebesparingsplicht voor kleinere bedrijven een relatief grote administratieve last met zich meebrengt en dat handhaving vanwege de grote en diverse doelgroep in de praktijk lastig blijkt te zijn. Deze leden horen graag in hoeverre de minister deze analyse deelt. Zij constateren dat onder meer de Algemene Rekenkamer heeft geadviseerd om de doelgroep kleiner te maken en te beperken tot de grote bedrijven. Zo kan het toezicht effectiever worden ingericht. Zij horen graag waarom de minister niet heeft gekozen voor het verhogen van de drempels voor toepassing van de energiebesparingsplicht. Antwoord: In de kabinetsbrief van 13 april[voetnoot 4] jl. is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht. De toezichtscapaciteit is verdubbeld en de omgevingsdiensten tellen nu ca. 200 fte voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht. Samen met OmgevingsdienstNL werk ik eraan om het toezicht te verbeteren. Zo werkt OmgevingsdienstNL tot en met 2027 aan een meerjarig uitvoeringsprogramma energiebesparing waarbij data- en risicogestuurd toezicht, opleidingen en kennisuitwisseling tussen omgevingsdiensten wordt verstevigd. Ook heb ik in de zomer een SpUk-regeling opengesteld voor omgevingsdiensten voor het versterken van toezichtscapaciteit voor 2027 en 2028. Hiermee kunnen omgevingsdiensten het toezicht blijven professionaliseren. Een ophoging van de ondergrens naar 100.000 kWh per jaar zou resulteren in het verlies van 15% van het besparingspotentieel. Gegeven de aanhoudend uitdagende geopolitieke context, de energierekening en netcongestie zet het kabinet in op alle redelijke mogelijkheden om energie te besparen. De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een nadere duiding van de gevolgen van de voorgestelde energiebesparingsplicht voor de verschillende sectoren en bedrijfsgroottes (mkb, grootverbruikers). Antwoord: Het ophogen van de terugverdientijd verruimt het energiebesparingspotentieel met naar verwachting 11PJ. De uitvoerbaarheid van een maatregel is sterk afhankelijk van de omstandigheden op een bepaalde locatie. De omgevingsdiensten houden toezicht op de energiebesparingsplicht en gaan in gesprek met bedrijven over de uit te voeren maatregelen. Als een maatregel op een bepaald moment niet uitvoerbaar is vanwege technische, organisatorische of economische redenen dan kan het bedrijf in overleg treden met de omgevingsdiensten en moeten zij kunnen aantonen waarom dit zo is. De toezichthouders denken mee en kijken naar de argumenten en bewijslast en moeten volgens het principe van redelijkheid en billijkheid oordelen of een maatregel inderdaad nu niet uitvoerbaar is, maar mogelijk over 6 of 12 maanden wel. De geconstateerde belemmeringen betekenen dus niet dat het potentieel niet realiseerbaar zou zijn. Pagina 2 van 19 Pagina 1 van 1 Kamerstukken II 2022/23, 32813, nr. 1230. Staatsblad 2023, nr 215. Zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2023-215.html Kamerstukken II, 2025/26, 30196, nr. 858. Kamerstukken II, 2025/26, 30196, nr. 858. Directoraat-generaal Klimaat en Energie Ons kenmerk KGG_DGKE / 108421950 Directoraat-generaal Klimaat en Energie Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk Ons kenmerk KGG_DGKE / 108421950 > Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Prinses Irenestraat 6 2595 BD DEN HAAG Datum 1 oktober 2026 Betreft Beantwoording van de schriftelijke vragen inzake AMvB Actualisatie energiebesparingsplicht 2027
Bron, video en gesprek →58debatten
1.856bijdragen
1.497interrupties
99.204woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: CDA (2025-11-12–heden) ·