37 023 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2027) Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld 1 oktober 2026 De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid. De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Jansen Adjunct-griffier van de commissie, Lips I. ALGEMEEN 1. Inleiding De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel voor wijzigingen van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2027). Deze leden hebben hierover twee vragen. De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2027. Deze leden hebben nog meerdere vragen. De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben op dit moment geen verdere vragen. De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben hierover een aantal vragen en opmerkingen. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel overige fiscale maatregelen, dat een aantal technische aanpassingen en codificaties van rechtspraak bevat. Deze leden hebben een aantal vragen over de uitwerking van deze maatregelen. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2027 en hebben hierover een enkele vraag. De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben hierover enkele vragen en opmerkingen. 2. Algemene toelichting maatregelen 2.1 Maatregelen met betrekking tot box 2 van inkomstenbelasting De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel om de faciliteit voor vererfde aanmerkelijke belangen van artikel 4.12a Wet IB 2001 niet langer toe te passen op het fictief regulier voordeel. Deze leden kunnen de redenering van de regering volgen voor zover het gaat om een erfgenaam die binnen 24 maanden na het overlijden een nieuwe, bovenmatige schuld bij de vennootschap aangaat om daarmee de erfbelasting te voldoen. Deze leden zien echter een wezenlijk andere situatie bij de erfgenaam, die een bovenmatige schuld van de erflater op grond van erfrecht verkrijgt. Die erfgenaam heeft niet bij de vennootschap geleend en kan door de Wet excessief lenen dus ook niet worden ontmoedigd om dat te doen. Kan de regering toelichten waarom beide situaties gelijk worden behandeld? Hoe verhoudt de heffing bij deze erfgenamen zich tot het doel van de Wet excessief lenen? Verwacht de regering dat er overkill kan ontstaan? Zo ja, hoe zou die overkill kunnen worden weggenomen? De leden van de SGP-fractie zijn positief over de twee voorgestelde maatregelen met betrekking tot box 2. Zeker de eerste maatregel voorkomt in de ogen van deze leden dat er belastingheffing wordt doorgeschoven of dat er juist dubbel belasting wordt geheven. Deze leden wijzen erop dat er, zeer waarschijnlijk, meer gevallen zijn waarin belasting wordt doorgeschoven of zelfs wordt afgesteld. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van mazen in wetgeving of door het ‘slim’ gebruikmaken van het belasting- en toeslagensysteem. Deze leden vragen de regering of de regering dit herkent en of er voorbeelden bekend zijn van dit soort ongewenste effecten. Is de regering bereid nader te bezien hoe dit soort mazen in de wet gedicht kunnen worden? 2.2 Wijzigingen pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s De leden van de D66-fractie lezen dat de knelpunten in de pseudo-eindheffing worden gemitigeerd "zonder invloed te hebben op de effectiviteit". De uitzondering voor tijdelijk vervoer geldt tot en met 31 december 2030, maar de uitzondering voor vervangend vervoer is een structurele regeling. Voor de vrijstelling voor lesauto's werd in de beslisnota's een horizonbepaling geadviseerd, omdat deze "niet meer nodig" is als de Europese regels veranderen. Wat betekent een structurele uitzondering voor de prikkel om vervangende auto's te elektrificeren? Is de regering bereid beide uitzonderingen een einddatum te geven? De leden van de D66-fractie vroegen vorig jaar aandacht voor kleinere ondernemingen die niet beschikken over uitgebreide fiscale ondersteuning. Het Adviescollege toetsing regeldruk adviseert met een mkb-toets inzichtelijk te maken of de voorwaarden en controles bij de nieuwe uitzonderingen in de praktijk werkbaar zijn. De regering stelt dat het met de huidige techniek "goed te doen" zou moeten zijn om in de administratie na te gaan of een huurauto eerder ter beschikking is gesteld. Is deze mkb-toets uitgevoerd? Zo nee, is de regering bereid dat alsnog te doen? De leden van de VVD-fractie lezen dat de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) in overweging geeft om de uitzondering niet te koppelen aan het kenteken van de fossiele auto, maar aan de werknemer. Daarnaast sluit een benadering op werknemersniveau beter aan bij de administratieve processen van werkgevers. Werkgevers beschikken doorgaans reeds over systemen waarin arbeidsvoorwaarden en terbeschikkingstellingen op werknemersniveau worden geregistreerd. Het bijhouden van de toepassing van de uitzondering per werknemer is doorgaans eenvoudiger uitvoerbaar en beter controleerbaar dan een systeem waarbij monitoring op kentekenniveau noodzakelijk is. Deze leden verzoeken daarom te bezien of een uitzondering op werknemersniveau de voorkeur verdient boven de voorgestelde systematiek, teneinde de uitvoerbaarheid van de regeling voor werkgevers te verbeteren zonder afbreuk te doen aan het beoogde bereik van de maatregel. Indien dit niet uitvoerbaar of niet wenselijk blijkt, ziet de regering dan andere mogelijkheden om de administratieve lasten terug te dringen? Het overgangsrecht van artikel 39j van de Wet LB 1964 is gekoppeld aan de inhoudingsplichtige die een auto vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking heeft gesteld. Het overgangsrecht blijft behouden wanneer binnen dezelfde inhoudingsplichtige een andere werknemer gebruik gaat maken van dezelfde auto, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Uit de Kamerbrief van 22 juni 2026 blijkt echter dat het overgangsrecht in beginsel vervalt zodra sprake is van een andere werkgever met een ander loonheffingennummer. Dit geldt volgens de Kamerbrief ook binnen concernverhoudingen. Tegelijkertijd vermeldt de Kamerbrief dat bij fusies en overnames een uitzondering mogelijk is indien de nieuwe werkgever ‘in de plaats treedt’ van de oude werkgever. Het kabinet acht hiervoor geen wettelijke regeling noodzakelijk. Deze leden verzoeken daarom expliciet duidelijkheid te bieden over de toepassing van het overgangsrecht bij een wijziging van inhoudingsplichtige. Een dergelijke verduidelijking bevordert in de ogen van deze leden de rechtszekerheid en voorkomt interpretatieverschillen in de uitvoeringspraktijk. De leden van de VVD-fractie constateren dat de memorie van toelichting geen duidelijkheid biedt over de vraag of en onder welke voorwaarden een eenmaal gedane vrijwillige aanmelding kan worden beëindigd. Juist voor werkgevers die zich in het verleden hebben aangemeld vanwege administratieve redenen of om toepassing van specifieke loonbelastingfaciliteiten mogelijk te maken, kan deze onduidelijkheid van groot belang zijn. Daarbij wijst de NOB erop dat in het Tweede deelbesluit Kennisgroep Formeel Recht van 17 mei 2023, nr. 2023-0000076460, het standpunt is ingenomen dat de Wet Loonbelasting 1964 wel voorwaarden bevat voor aanmelding als vrijwillig inhoudingsplichtige, maar geen wettelijke grondslag kent voor een eenzijdige beëindiging van die status. Volgens de kennisgroep zou een eenzijdige afmelding daarom niet mogelijk zijn. Tegen deze achtergrond verzoeken deze leden om te verduidelijken of en onder welke voorwaarden vrijwillig inhoudingsplichtigen hun aanmelding kunnen beëindigen. Indien beëindiging niet mogelijk is, acht de regering het wenselijk dat wordt toegelicht waarom een vrijwillige aanmelding niet kan worden herzien, terwijl aan de voorgestelde pseudo-eindheffing verstrekkende financiële gevolgen zijn verbonden die ten tijde van de aanmelding niet voorzienbaar waren? De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorstellen van de regering en hebben hierover op dit punt de volgende vragen. Een wens van de regering is het versimpelen en vereenvoudigen van het belasting- en toeslagenstelsel. Hoe ziet de regering de implementatie van de pseudo-eindheffing in dit licht? Onderkent de regering dat de voorwaarde dat een huurauto maximaal één keer per kalenderjaar bij dezelfde werkgever mag worden ingezet, kleine verhuurbedrijven met een beperkter wagenpark harder raakt dan grote verhuurbedrijven? Hoe reflecteert de regering hierop? Hoe kijkt de regering naar de praktische uitwerking gezien de complexiteit en hoe verhoudt dit zich tot de doeltreffendheid van de maatregelen? De leden van de CDA-fractie zijn blij met voorgestelde wijzigingen voor vervangende auto’s en lesauto’s. Deze leden krijgen echter signalen uit de praktijk dat de nieuwe regelgeving leidt tot onbeheersbare kosten voor autobedrijven en verhuurbedrijven. Deze leden vragen of de regering met deze effecten voor dergelijke bedrijven bekend is en of de regering in gesprek kan gaan met de sector hoe hiermee om te gaan. De sector roept zelf op tot toepassing van de pseudo-eindheffing enkel voor reguliere, vaste terbeschikkingstelling aan een medewerker, gelijktrekken van de termijn voor incidentele terbeschikkingstellingen met die voor vervangend vervoer, de mogelijkheid om huurauto’s vaker dan één keer bij dezelfde werkgever in te mogen zetten en demonstratievoertuigen uit de pseudo-eindheffing te halen. Deze leden vragen de regering om deze voorstellen te beoordelen en de gevolgen hiervan weer te geven. De leden van de BBB-fractie hebben vorig jaar al hun bezwaren uitgesproken tegen de plannen rondom een pseudo-eindheffing op fossiele en hybride auto's van de zaak. Het betreurt deze leden dan ook ten zeerste dat de regering doorzet met het invoeren van deze heffing per 2027. Dit treft met name ondernemers in de regio, die voor hun dagelijkse praktijk simpelweg afhankelijk zijn van betaalbaar vervoer. Om een goed beeld te krijgen van de opstapeling van lasten op mobiliteit over de afgelopen decennia, leggen deze leden de regering de volgende vragen voor. Kan de regering een cijfermatig overzicht verstrekken van hoe hoog de totale bijtellingslast (de combinatie van alle bijtellingen en aanverwante heffingen op de auto van de zaak) momenteel is, vergeleken met tien jaar geleden en 20 jaar geleden? Hoe hoog zijn de totale opbrengsten uit autobelastingen (bpm, mrb, accijnzen, bijtelling) als percentage van het bruto binnenlands product (bbp) vandaag de dag, vergeleken met tien jaar geleden en 20 jaar geleden? De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto's op vier punten versoepelt, onder meer met een uitzondering voor de verhuur- en deelautobranche van maximaal zeven aaneengesloten dagen per auto per werkgever per kalenderjaar. De regering geeft zelf aan dat deze branches, net als andere sectoren, moeten blijven elektrificeren, en erkent dat de uitzonderingen de regeling complexer maken. Kan de regering aangeven hoe wordt voorkomen dat deze uitzondering in de praktijk wordt opgerekt, bijvoorbeeld door binnen een kalenderjaar meerdere, net onder de zeven dagen blijvende verhuurperiodes aan opeenvolgende werknemers toe te wijzen en welke mate van controle de Belastingdienst hierop kan uitoefenen? In hoeverre is het verwachte doeltreffendheidseffect nog gebaseerd op de regeling vóór deze vier versoepelingen, en is het kabinet bereid om bij de evaluatie na drie jaar specifiek te monitoren of deze uitzonderingen het behalen van dit doel vertragen? De leden van de SGP-fractie staan positief tegenover de voorgestelde versoepelingen van de pseudo-eindheffing, hoewel deze leden geen voorstander zijn van de pseudo-eindheffing zelf. Wel hebben deze leden vragen over de versoepelingen. Zo vragen de leden van de SGP-fractie waarom is gekozen voor een uitzondering voor alleen handgeschakelde lesauto's? Waarom zijn niet alle lesauto’s (dus ook met automatische transmissie) uitgezonderd? Kan de regering onderbouwen waarom voor die laatste categorie geen vergelijkbaar praktisch knelpunt bestaat? Waarom zou in de pseudo-eindheffing een verschil in beide typen transmissies moeten bestaan? De leden van de SGP-fractie lezen dat er voor vervangend vervoer bij onderhoud en reparatie een periode van veertien dagen wordt ingevoerd, waarbij een uitzondering geldt voor de heffing. Bij reguliere verhuur van een fossiele auto geldt een periode van zeven dagen. Waarom is niet gekozen voor eenzelfde termijn van veertien dagen? Deze leden zijn van mening dat de budgettaire derving daarvan vrijwel nihil is, terwijl de administratieve lasten voor werkgevers dalen. Zij hoeven namelijk de reden van het gebruik van de vervangende auto niet meer te controleren en bij te houden. Is de regering bereid beide periodes gelijk te trekken? Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie waarom ervoor is gekozen om de periode van zeven dagen in relatie tot de tijdelijke verhuur van auto’s te laten gelden per kalenderjaar voor elke auto afzonderlijk. Klopt het dat voor een auto, die in januari voor zeven dagen wordt gehuurd, en in oktober nog eens twee dagen wordt gehuurd, in oktober de pseudo-eindheffing verschuldigd is? En dat, indien er een andere auto wordt gehuurd in oktober, deze heffing niet is verschuldigd? Wat is de argumentatie achter dit verschil? Leidt dit niet tot grote problemen, zeker bij kleinere autoverhuurbedrijven, omdat elke afzonderlijke auto maar zeven dagen per jaar verhuurd kan worden zonder dat er pseudo-eindheffing verschuldigd is? Zijn hier niet slimmere regels voor te stellen, bijvoorbeeld door meer dagen per jaar toe te staan, maar de maximale termijn van aaneengesloten zeven dagen te behouden? 2.3 Verduidelijking begrip publieke middelen in onderwijs- en onderzoeksvrijstelling De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering spreekt van een verduidelijking van de onderwijs- en onderzoeksvrijstelling, terwijl de NOB stelt dat feitelijk sprake is van een inhoudelijke beperking van de vrijstelling. Kan de regering uiteenzetten welke instellingen door deze wijziging niet langer onder de vrijstelling zullen vallen? 2.4 Schrappen onzakelijkheidsvermoeden in de bedrijfsfusie-en splitsingsfaciliteiten De leden van de VVD-fractie steunen het in lijn brengen met de bedrijfsfusie- en splitsingsfaciliteit met het Europees recht naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2026. Wel hebben deze leden vragen bij het tegelijk volledig laten vervallen van de mogelijkheid om zekerheid vooraf te krijgen. De regering acht de mogelijkheid tot zekerheid vooraf overbodig door het vervallen van het bewijsvermoeden. Deze leden merken op dat daarmee alleen de verdeling van de bewijslast verandert. De materiële toets of de bedrijfsfusie of splitsing in overwegende mate gericht is op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing blijft ongewijzigd. De regering geeft zelf aan dat de inspecteur een vervreemding binnen drie jaar aan de orde kan blijven stellen. Deelt de regering de opvatting dat een verschuiving van de bewijslast geen zekerheid biedt aan een belastingplichtige die een vervreemding voorziet? Of voorziet de regering dat zekerheid hierover verschuift naar het reguliere vooroverleg met de bevoegde inspecteur binnen de kaders, die daarvoor bestaan in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht? Zo ja, deelt de regering de constatering dat de uitkomst van het vooroverleg, anders dan het geval is bij de huidige voor bezwaar vatbare beschikking, niet vatbaar is voor bezwaar en beroep en dat de inspecteur niet verplicht is vooroverleg te voeren? In hoeverre belemmert dit bedrijfseconomisch gedreven bedrijfsfusies en splitsingen? Waarom is er niet voor gekozen de mogelijkheid tot zekerheid vooraf te behouden in een aangepaste vorm? De leden van de VVD-fractie vragen voorts welke omstandigheden naar het oordeel van de regering een begin van bewijs kunnen vormen voor de inspecteur. Is een vervreemding binnen drie jaar op zichzelf daarvoor voldoende? Is de regering bereid dit in beleid te verduidelijken? Wat gebeurt met verzoeken om zekerheid vooraf die op 1 januari 2027 nog in behandeling zijn en met beschikkingen die al zijn afgegeven? Wat betekent het arrest voor belastingplichtigen bij wie de faciliteit vóór het arrest op grond van het bewijsvermoeden is geweigerd? De leden van de CDA-fractie lezen dat het onzakelijkheidsvermoeden in geval van verkoop van een betrokken lichaam binnen drie jaar na reorganisatie vervalt. Deze leden vragen waarom dit als onzakelijk werd beoordeeld en indien het vermoeden van onzakelijkheid er bij verkoop binnen drie jaar nog steeds is, hoe de inspecteur hier dan zicht op houdt. De leden van de CDA-fractie lezen dat naast het schrappen van het onzakelijkheidsvermoeden ook de mogelijkheid vervalt om vooraf zekerheid te verkrijgen over een latere vervreemding. Deze leden vragen waarom deze mogelijkheid vervalt en hoe belastingplichtigen onder de nieuwe regeling vooraf zekerheid kunnen verkrijgen over de fiscale gevolgen van een voorgenomen reorganisatie en latere vervreemding. 2.8 Verduidelijking in de CO2-heffing glastuinbouw De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat wordt verduidelijkt dat de belastingplicht voor de CO2-heffing glastuinbouw bij personenvennootschappen (zoals een maatschap of vof) rust op het samenwerkingsverband zelf en niet op de individuele maten of vennoten. Aan deze verduidelijking wordt terugwerkende kracht gegeven. Kan de regering aangeven of er momenteel lopende geschillen, bezwaar- of beroepsprocedures zijn waarin de Belastingdienst de belastingplicht juist wél bij individuele maten of vennoten heeft neergelegd en zo ja, wat het gevolg van deze terugwerkende kracht voor die lopende zaken is? Biedt deze terugwerkende kracht in alle gevallen rechtszekerheid of kan zij in individuele dossiers ook nadelig uitpakken voor belastingplichtigen, die inmiddels al op basis van de oude lezing van de wet hebben gehandeld of geprocedeerd? 2.12 Uitzondering Belastingdienst enkele elektronische berichtenstromen De leden van de CDA-fractie lezen dat voortaan bij berichten, die uitsluitend digitaal aan burgers of bedrijven bekend worden gemaakt door de Belastingdienst, een notificatie moet worden gestuurd. Daar moet nu nieuwe informatie in worden opgenomen over de aard en rechtsgevolgen van het bericht en termijn voor het verrichten van een handeling door geadresseerde. Deze leden vragen voor welk soort berichten uitsluitend digitaal verzonden kunnen worden, hoe een dergelijke notificatie er in praktijk precies uit ziet en wat de ontvanger hiervan direct ziet, zonder eerst naar het bericht te hoeven gaan. Deze leden vragen ook wat precies zichtbaar is in de notificatie als deze informatie ontbreekt. Wat zijn naar verwachting van de Belastingdienst de mogelijke gevolgen van het nog niet kunnen opnemen van het handelingsperspectief in de notificatie voor de deadlines voor (voorlopige) aangiftes waar mensen alleen digitaal een melding van krijgen, zonder nadere informatie? Als iemand een bericht of deadline mist, wat zijn dan de gevolgen en herstelmogelijkheden? 8. Gevolgen voor burgers en het bedrijfsleven De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de wijzigingen ten aanzien van de pseudo-eindheffing, het Adviescollege toetsing regeldruk adviseert om inzichtelijk te maken dat de voorwaarden en controlebehandelingen van de voorgestelde uitzonderingen in de praktijk werkbaar zijn door middel van een MKB-toets. Deze leden zien dat de regering dit niet nodig acht, omdat werkgevers al vanwege bestaande regelgeving op de hoogte zouden moeten zijn van de auto’s die namens hen aan werknemers ter beschikking zijn gesteld. Deze leden vragen of het inderdaad zo vanzelfsprekend is, omdat deze leden merken dat de pseudo-eindheffing in praktijk veel onvoorziene effecten heeft. Deze leden vragen de regering nogmaals te overwegen toch een MKB-toets te doen, of met de sector te controleren of er inderdaad voldoende inzicht is.
Bron, video en gesprek →59debatten
2.077bijdragen
32interrupties
263.193woorden in uitspraken
Geboren in 1966 te Bussum · Woonplaats: Almere
Commissies
- Vaste commissie voor Financiën · plaatsvervangend lid · Voorzitter
- Vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat · lid
- Vaste commissie voor Europese Zaken · plaatsvervangend lid
- Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid · plaatsvervangend lid
- Vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur · lid
- Vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening · lid
- Vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport · plaatsvervangend lid
- Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken · plaatsvervangend lid
- Vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei · lid
Eerdere commissies (4)
- Vaste commissie voor Financiën · 18 nov 2025 – 26 mrt 2026
- Vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat · 18 nov 2025 – 29 jan 2026
- Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven · 10 nov 2020 – 30 mrt 2021
- Vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport · 13 okt 2020 – 30 mrt 2021
Contact
- eerlijkzeggen
- chris.jansen.5015
- [email protected]
Loopbaan
Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Opleiding
Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Nevenfuncties
- Lid van de Provinciale Staten van Flevoland · inkomsten: 2018 14791.00 EUR
- Lid van de Gemeenteraad van Almere · inkomsten: 2018 23185.00 EUR
Geschenken en reizen
Geen geregistreerde geschenken beschikbaar in de Kamerdata.
Geen geregistreerde reizen beschikbaar in de Kamerdata.
Stemgedrag
Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.
Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.
Partijen door de tijd: PVV (2025-11-12–heden) · PVV (2019-11-27–2021-03-30) ·