KamerkringInloggen
Jan Arie Koorevaar

Officieel Kamerprofiel

Jan Arie Koorevaar

CDA →
0debatten
93bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: CDA (2025-11-12–heden) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
9 jun 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 945 VIIIJaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap 2025Nr. 7 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 9 juni 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschapover het Jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap2025 (36 945-VIII, nr. 1).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026.Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,KoorevaarAdjunct-griffier van de commissie,Van Thiel kst-36945-VIII-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 71 1Waarom is ervoor gekozen de resultaten van de uitgegeven middelen nietmee te nemen in het jaarverslag?De belangrijkste resultaten zijn uitgewerkt in het beleidsverslag. Op basisvan de beleidsprioriteiten in het beleidsverslag is beschreven welkedoelen OCW had in 2025 en in hoeverre deze zijn behaald aan de handvan de uitgevoerde (beleids)maatregelen. Per beleidsprioriteit ensub-thema wordt een verwijzing gemaakt naar ocwincijfers.nl om nadereinformatie over de koppeling tussen doelen, resultaten, maatregelen,indicatoren en middelen te ontsluiten.2Heeft het aantal leerlingen op een school invloed op de onderwijsresul-taten, bijvoorbeeld een school met 50, 100, 200, 300 of meer leerlingenper school, wat zijn de onderwijsresultaten van de scholen met dezeleerlingenaantallen en kregen deze scholen per blok een herstelopdracht?Nationale en internationale onderzoeken van de afgelopen vijftien jaargeven aan dat er geen bewijs is van een oorzakelijk verband tussen deschoolgrootte en de resultaten van onderwijs. In de Staat van hetOnderwijs 2020 gaf de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) aandat in 2019 het overgrote deel van de bijna 1.200 scholen met maximaal100 leerlingen voldeed aan de basiskwaliteit, maar dat deze scholen welwat vaker dan gemiddeld onvoldoende (3%) of zeer zwakke (1,2%)onderwijskwaliteit hadden. Op basis van recentere data specifiek uit hetvoortgezet onderwijs kan de inspectie geen samenhang aantonen tussenschoolgrootte en het inspectieoordeel Voldoende of Onvoldoende.Van herstelopdrachten «per blok» van scholen is geen sprake: de inspectiegeeft herstelopdrachten aan een school of bestuur, niet aan groepenscholen of groepen besturen.3Hoe toetst u bij nieuwe wet- en regelgeving expliciet op uitvoerbaarheidvoor scholen en schoolbesturen?Dit gebeurt op verschillende manieren. Informeel met behulp vangesprekken met maatschappelijke partners gevoerd worden voorafgaandaan wet- en regelgeving. Formeel gebeurt dit via de internetconsultatie.Dat geeft eenieder de mogelijkheid om zich over de uitvoerbaarheid uit tespreken. Daarnaast werkt het kabinet momenteel- conform motie vanZanten en Rooderkerk (Kamerstuk 27 923, nr. 503)- aan een Lerarentoets,waarbij de stem van de leraar over de uitvoerbaarheid van wetgeving ofbeleidswijzigingen) wordt verankerd.4Welke concrete reductiedoelen hanteert u voor administratieve lasten inhet funderend onderwijs bij nieuwe beleidsvoorstellen?Uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat 26% van de lerarendie overweegt van baan te wisselen of het onderwijs te verlaten adminis-tratie als belangrijkste reden noemt. Het overgrote deel van de adminis-tratie die leraren doen volgt niet direct uit wet- en regelgeving maar isopgenomen in schoolbeleid en werkprocessen. Dat maakt dat de ervarenadministratieve last sterk per individu en school verschilt. Hierdoor is hetniet mogelijk om vaste reductiedoelen te stellen. De oplossing ligtnamelijk niet in het schrappen van wet- en regelgeving maar in hetverduidelijken wat geadministreerd moet worden. De uiteindelijkevermindering van administratieve lasten vindt uiteindelijk op schoolTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 72 plaats, in gesprekken tussen het onderwijspersoneel. Daar kunnenscholen de afweging maken tussen de kosten en baten van administratie,prioriteren en deze efficiënter inrichten.Het verminderen van administratieve lasten vraagt iets van het geheleonderwijsveld. Onze aanpak is daarmee gericht op verschillende doelen.OCW verlaagt de administratieve last voor scholen door subsidierege-lingen onderdeel te maken van de structurele bekostiging of samen tevoegen. Zo wordt per 1 januari 2027 de subsidieregeling «Verbeteringbasisvaardigheden» onderdeel van de structurele bekostiging. Ookwordt met de implementatie van de onderwijsregio’s verschillendesubsidieregelingen samengevoegd. Daarnaast wordt met de inspectieonderzocht wat er aanvullend nodig is om scholen meer duidelijkheid tebieden om de ervaren administratieve last te verlagen. Zo is op 1 juni eenbijeenkomst georganiseerd samen met de Inspectie van het Onderwijs omte leren van de Vlaamse planlastcalculator. Uw Kamer wordt met devoortgangsbrief lerarenstrategie nog voor de zomer geïnformeerd over deverdere aanpak van administratieve lasten in het onderwijs. Zie ook hetantwoord op vraag 11 en vraag 49.5Hoe verhoudt de huidige veelheid aan subsidies, programma’s, monitors,sectorafspraken en verantwoordingslijnen zich tot het uitgangspunt vaneenduidige sturing?In de herijkingsbrief over de sturing in het funderend onderwijs isgeconstateerd dat de overheid de sturingsinstrumenten, waaronder debekostiging, niet altijd consistent inzet. Daarnaast overladen de overheiden de politiek het veld met beleidsmaatregelen en is het onvoldoendetransparant waaraan bekostiging wordt besteed.In bovengenoemde brief zijn vervolgens vijf uitgangspunten opgenomenvoor het beleid, ongeacht de keuzes met betrekking tot de sturing. Eénvan deze uitgangspunten is structurele bekostiging voor structurele taken.Een veelvoud aan incidentele middelen zorgt voor onzekerheid enbemoeilijkt het werken aan beleid voor de lange termijn. Structurelebekostiging voor structurele taken is dus een belangrijk principe om hetmogelijk te maken voor scholen om te werken aan beleid dat op de langetermijn gericht is.Ook in het coalitieakkoord is de ambitie opgenomen om te zorgen voorstructurele bekostiging. Het kabinet gaat terughoudend om met hetverstrekken van nieuwe subsidies. Het wetsvoorstel gerichte bekostigingmet beoogde eerste toepassing vanaf 1 januari 2028 wordt nu voorbereid.Concreet worden allereerst de middelen voor basisvaardigheden omgezetvan een subsidie naar structurele bekostiging per 2027. Daarnaast werkthet kabinet ook aan transparantie van de bekostiging. Uw Kamer wordthier voor de zomer nader over geïnformeerd.6Hoe voorkomt u dat verantwoordingsdruk rond subsidies voor basisvaar-digheden leidt tot extra administratieve belasting voor scholen en leraren?De verantwoordingslast voor de subsidie basisvaardigheden is tot eenminimum beperkt door een efficiënt aanvraagproces en door de verant-woording zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij bestaande activiteiten.Voor de subsidieaanvraag is een digitaal aanvraagformulier beschikbaarwaar slechts enkele gegevens ingevuld hoeven worden. Na toekenningvan de subsidie stellen scholen een activiteitenplan op waarin zij hunTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 73 keuzes onderbouwen. OCW biedt scholen hierbij ondersteuning met eeninterventiekaart en startbijeenkomsten.Voor de verplichte nulmeting en monitoring voor taal en rekenen-wiskunde kan de school aansluiten bij schooleigen toetsen en degebruikte leerlingvolgsystemen. Uit monitoringsonderzoek blijkt dat deondersteuning als zeer behulpzaam wordt ervaren. Ook zijn de meestescholen tevreden over de uitvoering. Per 2027 hoeven scholen geenaanvraag meer in te dienen, omdat met het wetsvoorstel gerichtebekostiging de gelden voor basisvaardigheden zonder aanvraag wordentoegekend.7Hoe verhoudt incidentele subsidiesturing zich tot het uitgangspunt vanvertrouwen in professionele schoolorganisaties?De grootste subsidies worden omgezet naar bekostiging. Het wetsvoorstelgerichte bekostiging met beoogde eerste toepassing vanaf 1 januari 2028helpt hier stappen in te zetten. Subsidies zijn mede door dit wetsvoorstelin mindere mate noodzakelijk om te sturen op onderwijsdoelen en kunnenmet name worden ingezet bij een tijdelijke taak, pilot of wanneer deze tenbehoeve komen van een specifieke doelgroep.8Welke stappen gaat u zetten om structurele bekostiging meer leidend temaken dan incidentele programmafinanciering?Zie het antwoord op vraag 5.9Welke gevolgen heeft de instroom van internationale studenten oponderwijscapaciteit en studentenhuisvesting?De gevolgen van de instroom van internationale studenten voor onder-wijscapaciteit en studentenhuisvesting verschillen per opleiding, instellingen regio. Daarbij is van belang dat de instroom past binnen de absorptie-capaciteit: het aantal studenten dat instellingen en regio’s kunnenopvangen zonder dat de kwaliteit van onderwijs of de beschikbaarheidvan huisvesting onder druk komt te staan. In sommige regio’s enopleidingen kan internationale instroom juist bijdragen aan het behoudvan maatschappelijk en regionaal belangrijke opleidingen die worstelenmet dalende studentenaantallen. Het is daarom van belang dat instel-lingen, samen met lokale partners, goed zicht hebben op hun absorptieca-paciteit en tijdig kunnen bijsturen wanneer deze dreigt onder druk tekomen staan. Het wetsvoorstel internationalisering in balans biedtinstellingen hiervoor aanvullende sturingsmogelijkheden via de intro-ductie van nieuwe numerus fixusmaatregelen.De (verwachte) instroom van internationale studenten is een relevantefactor in de vraag naar studentenhuisvesting. Internationale studentenmaken, anders dan Nederlandse studenten, bijna altijd gebruik vanstudentenhuisvesting. Zij hebben vaak geen lokaal netwerk of familie inde buurt en zijn dus volledig aangewezen op specifieke woonruimtes. Omdeze reden is er, naast verschillende acties voor nationale studenten, ookspecifieke aandacht voor de instroom van internationale studenten in hetLandelijk Actieplan Studentenhuisvesting (2022–2030).10Hoe voorkomt u dat nieuwe verantwoordingsverplichtingen het leraren-tekort en de werkdruk verder vergroten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 74 Bij nieuwe subsidieregelingen en wetten worden de verwachte kosten inde vorm van directe regeldruk in kaart gebracht. Het AdviescollegeToetsing Regeldruk (ATR) toetst of de verhouding tussen de opbrengstenen de kosten proportioneel is. Ook vermindert het kabinet verantwoor-dingsverplichtingen. Zo worden er bijvoorbeeld met de implementatie vande onderwijsregio’s verschillende subsidieregelingen samengevoegd.Tegelijkertijd concludeert de Algemene Rekenkamer in het onderzoek«Hoeveel tijd mag het kosten?» dat de gevolgen van indirecteadministratieve lasten onvoldoende worden meegewogen bij nieuwbeleid. Maatregelen om hier zicht op te krijgen zijn onderdeel van denieuwe aanpak op werkdruk als gevolg van administratieve lasten. UwKamer wordt hierover voor de zomer met de voortgangsbrief lerarenstra-tegie geïnformeerd.11Welke ruimte krijgen schoolbesturen om op eigen wijze invulling te gevenaan kwaliteitszorg zonder aanvullende registratiedruk?De minimumeisen voor kwaliteitszorg zijn vastgelegd in wetgeving enworden nader uitgewerkt in de Onderzoekskaders van de inspectie. Deinspectie ziet toe op de naleving van deze wettelijke eisen. Hoe deze exactworden ingevuld en of een bestuur daar bovenop extra inzet wil plegen, isaan het bestuur. Aan registratie daarvan worden geen aanvullende eisengesteld.12Welke meetbare resultaten zijn tot op heden bereikt met de investeringenin het Masterplan basisvaardigheden?Inmiddels is met de subsidie «Verbetering basisvaardigheden» 95% vande leerlingen bereikt. Schoolleiders zijn in vragenlijstonderzoek uitge-sproken positief over het effect van de subsidie op de expertise van hetteam en de extra aandacht in het onderwijs voor de basisvaardigheden.Ook zien zij eerste positieve effecten bij hun leerlingen op taal enrekenen-wiskunde. Echter, structurele verandering van leerprestaties heefttijd nodig. In het eerste CPB-deelonderzoek naar de effectiviteit van deregeling is daarom nog geen significant effect van de subsidie opleerprestaties zichtbaar. Dit is volgens het CPB niet verwonderlijk: het is teverwachten dat er in het eerste of het tweede jaar na de toekenning vande subsidie nog geen systematische en betrouwbare effecten zichtbaarzijn in de analyses.13Welk deel van deze middelen is besteed in het Caribisch deel van hetKoninkrijk?In de eerste ronde van de subsidie «Verbetering Basisvaardigheden»(schooljaar 2022–2023) hebben 15 scholen (12 po en 3 vo) op CaribischNederland in totaal ruim € 5,2 miljoen ontvangen. Dit is circa 2.5% van hettotale subsidiebedrag van de eerste ronde.14Hoe wordt gemeten of de culturele sector daadwerkelijk bijdraagt aan hetverdienvermogen van Nederland?Bij het CBS wordt door het Ministerie van OCW op regelmatige basis deSatellietrekening Cultuur en Media uitgevoerd. Hierin staan meerdereeconomische gegevens en macrocijfers over onder andere het aandeelvan cultuur en media in het bbp en de totale Nederlandse werkgele-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 75 genheid. Zo was het aandeel van cultuur en media in het bbp in 20223,3%. Daarmee wordt het mogelijk de bijdrage aan het verdienvermogenvan Nederland te benaderen.Daarnaast draagt cultuur bij aan het maatschappelijk verdienvermogen,onder andere door creatieven die in andere sectoren werkzaam zijn. In demeeste recente editie van de Monitor Creatieve Industrie zijn hierovercijfers opgenomen die de toename in van de «embedded creatives» latenzien. Daarbij wordt opgemerkt dat de mate van inbedding van decreatieve professionals in de economie beschouwd kan worden als eenindicator voor de mate van belang van creativiteit in de economie.15Welke concrete resultaten zijn in 2025 bereikt met het versterken van hetcultureel en creatief klimaat?OCW draagt bij aan het versterken van het culturele en creatieve klimaatdoor invulling te geven aan de verantwoordelijkheid voor de Wet op hetspecifiek cultuurbeleid, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen,de Erfgoedwet, de Archiefwet en de Wet op de vaste boekenprijs. OCWdraagt bij aan het cultureel klimaat met de basisinfrastructuur (bis) en derijkscultuurfondsen, stimuleert verbeteringen in het culturele en creatieveklimaat en regisseert op processen waar landelijk inzet op nodig is. In2025 is specifiek inzet gepleegd op de thema’s genoemd in het beleids-verslag, zoals het realiseren van een toekomstgerichte bibliotheek,opzetten van een meerjarig implementatieprogramma voor de Archiefweten ophoging van de subsidie instandhouding monumenten (sim). Ook ismet de nieuwe bis-periode in 2025 meer geld vrijgekomen voor fair pay, iser meer regionale spreiding binnen de bis en zijn de eerste stappen gezetom de subsidietermijn van vier naar acht jaar te verlengen om meerstabiliteit in de sector te realiseren.De mate waarin deze inspanningen bijdragen aan de versterking van deculturele en creatieve sector is niet altijd direct zichtbaar. Beleidsmaatre-gelen vragen om implementatietijd en evaluatie zodat resultaten zichtbaarkunnen worden gemaakt. Zo zullen de extra middelen voor fair pay en debijbehorende verplichting in 2027 worden geëvalueerd.16Hoe wordt de bibliotheekvoorziening in Caribisch Nederland betrokken bijdeze zorgplicht?De zorgplicht voor de bibliotheekvoorzieningen zal, nadat het parlementheeft ingestemd met de aangepaste Wet stelsel openbare bibliotheken,ook gelden voor de openbare lichamen in Caribisch Nederland. Hiervoorontvangen zij een structureel zorgplichtbudget. Van de openbare lichamenwordt verwacht dat zij na overleg met de lokale bibliotheek, in eenmeerjarenplan beschrijven op welke manier zij invulling geven aan dezorgplicht. Het meerjarenplan houdt rekening met de lokale omstandig-heden, de behoeften en de mogelijkheden. In het meerjarenplan onder-bouwen de openbare lichamen hoe rekening is gehouden met de bijdragedie de bibliotheek levert aan lokale maatschappelijke opgaven die tot hetdomein van de bibliotheek horen. Het meerjarenplan beschrijft tevens hoede bibliotheek zich verhoudt tot andere sociaal-culturele voorzieningen enonderwijs. Het meerjarenplan licht toe hoe de lokale bibliotheek isbetrokken bij de totstandkoming van het meerjarenplan.17Welke organisaties nemen deel aan het implementatieprogramma van deArchiefwet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 76 Het Programma Implementatie Archiefwet (IPA) loopt van 1 januari 2026tot 31 december 2030. Binnen het programma werkt het Ministerie vanOCW samen met o.a. het Nationaal Archief, het Ministerie van BZK, deInspectie overheidsinformatie en Erfgoed, het Interprovinciaal overleg, deVereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen, deKoninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en diverseonderwijsinstellingen, zoals de Universiteit van Amsterdam, dehogeschool van Amsterdam en de Reinwardt academie.Het implementatieprogramma voor de nieuwe Archiefwet richt zich op 4doelgroepen: 1) alle overheidsorganisaties (voorover ze documentenmaken of ontvangen in het kader van hun publieke taak), 2) toezicht-houders, 3) archiefdiensten, en 4) de partijen die onderwijs geven aanarchief- en informatieprofessionals.18Hoeveel middelen zijn structureel geïnvesteerd in het selectieregister?Voor de bouw en het beheer van het selectieregister is jaarlijks € 1miljoen gereserveerd.19Welke maatregelen worden genomen om digitaal informatiebeheer bijoverheidsorganisaties te verbeteren?Met de modernisering van begrippen en procedures in de vernieuwdeArchiefwet is beoogd deze wet makkelijker toepasbaar te maken in dedigitale wereld en daarmee is deze wet op zichzelf al een antwoord op deopgave rondom digitale archivering en informatiebeheer. De nieuweArchiefwet zal op 1 januari 2027 in werking treden. Overheidsorganisatiesworden via het implementatieprogramma ondersteund bij het verbeterenvan hun beheerstaken door middel van kennis (zoals kennisproducten opgebied van beheer en selectie) en de versterking van het toezicht. Daarbijwordt in dit programma vooral ingezet op het toepassen van beheers-regels, informatieoverzicht, en selectiebesluiten. Gezien de achterstandenbij veel archiefvormers zal duurzame versterking van hun informatie-beheer een ingrijpende en langjarige exercitie worden. De nieuwe wethoudt daar rekening mee, en archiefvormers krijgen tijd om te voldoenaan de aangepaste normen. Voor de opbouw van het toezicht en hetgeven van voorlichting over het aangescherpte toezichtskader, wordt detijd genomen tot aan de tussentijdse beoordeling van de wet in 2029. Ookwordt er een onderzoek uitgevoerd naar de stand van het decentraletoezicht.20Hoe wordt gecontroleerd of instellingen zich houden aan collectievetariefafspraken?In de bis-regeling 2025–2028 is opgenomen dat instellingen verplicht zijnom zich aan te sluiten bij een cao of andere tariefafspraken. Bij desubsidieaanvraag hebben instellingen een «verklaring getrouwheid» overde collectieve afspraken over eerlijke beloning aangeleverd. Hier staattegenover dat door OCW vanaf 2025 structureel € 38,4 miljoenbeschikbaar is gesteld voor de bis-instellingen, de Rijkscultuurfondsen ende Erfgoedwet-musea. Via de jaarlijkse monitorgesprekken kan de fair payverplichting ook aan de orde komen. Uw Kamer is toegezegd om in2026/2027 een evaluatie uit te voeren naar de fair practice code die zichmet name zal richten op het fair pay-beleid. Hierin zal (de naleving van)deze regeling worden meegenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 77 21Welke gevolgen heeft fair pay voor kleinere culturele instellingen?Uit het onderzoek «fair pay dichterbij» blijkt dat de relatief grootsteuitdaging richting fair pay ligt bij kleinere culturele instellingen. Hierinwordt gesteld dat fair pay in de eerste plaats een goede bedrijfsvoeringmet een realistische balans tussen activiteiten en beschikbare middelenvereist. In de tweede plaats is het gewenst dat culturele organisatiesbeschikken over uitgewerkte plannen voor de invoering van fair pay. In dederde plaats is het van belang dat (kleinere) organisaties hun kennis overde fair practice code, de arbeidsvoorwaarden, en de sociale en fiscalewetgeving vergroten. Platform ACCT (gesubsidieerd binnen de bis2025–2028) vervult de rol als bovensectorale ondersteunende instellingom handvatten te bieden aan de sector inzake arbeidsmarktvraagstukken.22Hoe wordt cultuuronderwijs in Caribisch Nederland versterkt?Het cultuuronderwijs wordt op verschillende manieren versterkt. OCWverstrekt middelen aan het Fonds voor Cultuurparticipatie voor hetprogramma cultuureducatie met kwaliteit (CMK). Met een specifiekeprojectenregeling gericht op Caribisch Nederland van het FCP wordt ditprogramma op de drie eilanden uitgevoerd. Dit is gestart in 2021. Hetheeft dezelfde penvoerderstructuur als in Europees Nederland, metvoorwaarden gericht op de praktijk in Caribisch Nederland. Ook verstrekthet Ministerie van OCW sinds 2023 middelen aan de openbare lichamenvoor cultuurcoaches die verbinding leggen tussen cultuur en anderesectoren, waaronder het onderwijs. De Cultuurkaart uitgevoerd door hetCJP is ook beschikbaar in Caribisch Nederland.23Hoeveel culturele instellingen in Caribisch Nederland ontvangenBIS-subsidie?De Wet op het specifiek cultuurbeleid is expliciet van toepassing voorCaribisch Nederland. Echter zijn voor de lopende subsidieperiode(2025–2028) geen subsidieaanvragen gedaan voor de basisinfrastructuurdoor instellingen gevestigd in Caribisch Nederland. Volgens opgave vande Rijkscultuurfondsen wordt één instelling meerjarig gesubsidieerd diegevestigd is in Caribisch Nederland. Meer detailinformatie over deaanvragen en de toekenningen is te vinden in de bijlage bij de KamerbriefCulturele basisinfrastructuur 2025–2028. Via de fondsen wordt op grondvan deze subsidieregelingen (project)subsidies verstrekt aan makers enorganisaties op Caribisch Nederland.In de opdracht aan de zes Rijkscultuurfondsen is opgenomen dat zij hunregelingen, voor zover van toepassing en mogelijk, open blijven stellenvoor het gehele Koninkrijk. Aanvullend is aan de fondsen gevraagdaandacht te hebben voor de zichtbaarheid en toegankelijkheid van hunregelingen. De fondsen hebben hiervoor o.a. de website https://rijkscultuurfondsen.org/ gelanceerd om aanvragers te helpen hetpassende fonds en bijbehorende subsidieregelingen te vinden.24Welke concrete en meetbare doelen hanteert u momenteel voor basis-vaardigheden, passend onderwijs, kansengelijkheid en onderwijskwa-liteit?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 78 De doelen voor het Masterplan basisvaardigheden zijn in 2023 met uwKamer gedeeld. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over demeest recente resultaten.Voor Passend Onderwijs zijn bij de invoering 7 doelen gesteld, waaronderdat de ondersteuningsbehoefte leidend is, leerlingen en ouders wordengehoord, en leraren worden ondersteund. Deze doelen zijn uitgewerkt in25 maatregelen. Op 20 mei heeft uw Kamer de meest recente resultatenontvangen.Voor kansengelijkheid zijn doelen en beleidsindicatoren vastgesteld engekoppeld aan de begrotingscyclus van 2025.25Bij welke van de doelen basisvaardigheden, passend onderwijs, kansen-gelijkheid en onderwijskwaliteit constateert u zelf dat deze momenteelonvoldoende meetbaar of eenduidig zijn geformuleerd?Voor het Masterplan basisvaardigheden geldt dat er concreet meetbareindicatoren zijn verbonden aan de doelstellingen. Uitzondering daarop isdat er aan het einde van het vo geen toets is die direct het referentie-niveau meet dat leerlingen behalen. De leerlingvolgsysteemtoetsenbrengen wel in beeld welke referentieniveaus leerlingen in leerjaar 1 toten met 3 halen voor Nederlands en rekenen-wiskunde. Op dit momentwordt met experts verkend in hoeverre aan de hand van deze bron –eventueel in combinatie met andere bronnen – betrouwbare uitsprakenkunnen worden gedaan over het referentieniveau dat leerlingen aan heteinde van het vo behalen.Op thuiszitters had het kabinet binnen Passend Onderwijs nog nietafdoende zicht. Recent is het wetsvoorstel Terugdringen Schoolverzuimaangenomen door uw Kamer. Hiermee wordt het aantal thuiszitters beterinzichtelijk. Zoals verder aangekondigd in de brief Van passend naarinclusief onderwijs wordt er naar inclusief onderwijs in 2035 toegewerkt.In het voorjaar van 2027 komt daarvoor een transitieplan. Hierin komenook voor inclusief onderwijs doelen die eenduidig en meetbaar moetenzijn.Voor kansengelijkheid is een aantal sectoroverstijgende kernindicatorenvastgelegd die de ontwikkelingen omtrent kansengelijkheid voor langeretijd volgen. Deze kernindicatoren staan in het Dashboard kansengelijkheiden segregatie en geven een beeld of er structurele verschillen in onder-wijsloopbanen zijn tussen groepen leerlingen en studenten. Dit dashboardis openbaar en biedt inzichten op landelijk en regionaal niveau. Naastdeze kernindicatoren worden de maatregelen omtrent kansengelijkheidook geëvalueerd bijvoorbeeld via de monitor school en omgeving.26Hoe voorkomt u dat scholen en besturen worden afgerekend op ambitiesdie onvoldoende concreet of consistent zijn uitgewerkt?Allereerst: de ambities en doelen bij vraag 24 en 25 zijn beleidsdoelen enhebben betrekking op het stelsel als geheel. Individuele scholen wordenniet afgerekend op deze ambities. Dit is bij de totstandkoming van hetMasterplan ook met het onderwijs en uw Kamer zo gedeeld. De beleids-doelen helpen uw Kamer en het kabinet om het goede gesprek te voerenover beleidsmaatregelen en het effect hiervan. Het vraagt om eencollectieve inspanning van OCW, scholen, leraren en andere partijen in hetonderwijs om deze doelen te behalen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 79 Voor de beoordeling van individuele scholen en besturen gelden deonderwijswetten en het daarop gebaseerde onderzoekskader van deinspectie. In onze onderwijswetgeving is vastgelegd waar deugdelijkonderwijs op een school aan moet voldoen. De onderzoekskaders van deinspectie zijn een nadere uitwerking daarvan. De minimumeisen die aanscholen en besturen worden gesteld zijn daarmee concreet en consistentvastgelegd, en deze eisen worden via het nalevingstoezicht van deinspectie beoordeeld. Daarbovenop worden scholen en besturengestimuleerd om te werken aan eigen wensen en ambities, onder meervia het stimulerend toezicht van de inspectie.27Hoe wordt bij nieuwe beleidsprogramma’s vooraf vastgesteld welkeresultaten worden verwacht, binnen welke termijn en hoe deze resultatenmeetbaar worden gemaakt?Voor nieuwe beleidsprogramma’s vormt het beleidskompas hetuitgangspunt. Een beleidstheorie wordt benut om op voorhand inzichtelijkte maken op welke wijze het programma beoogt bij te dragen aanbeleidsdoelstellingen en de oplossing van maatschappelijke problemen.Er wordt toegewerkt naar een beschrijving vooraf, over hoe het beleid tothet gewenste resultaat kan/moet leiden, inclusief welke aannames daarbijzijn gedaan en welke externe factoren ook invloed kunnen hebben op hetresultaat. Daarbij kan de beleidstheorie ook uitgangspunt zijn voor deopzet van beleidsevaluatie en -monitoring, waarmee voortgang op enresultaat van doelstelling inzichtelijk kan worden gemaakt. Overigenskunnen niet bij elk beleidsprogramma de effecten op het niveau van debeleidsdoelstelling eenvoudig inzichtelijk worden gemaakt of wordengemeten. In zulke gevallen kan er vaak wel inzicht worden gegeven in debeleidsinzet en het directe resultaat daarvan. Bijvoorbeeld hoe veel isuitgegeven om een doelstelling te halen en wat er met deze uitgavebeleidsmatig gerealiseerd is. Daarnaast wordt bij nieuwe beleidspro-gramma’s de Strategische Evaluatie Agenda benut om evaluaties enonderzoeken in te plannen. Daarmee kan op langere termijn inzichtworden gegeven in de effecten van het gevoerde beleid.28Welke verantwoordelijkheden liggen volgens u expliciet bij het Rijk, welkebij samenwerkingsverbanden, welke bij schoolbesturen en welke bijscholen zelf?De Grondwet regelt enerzijds dat het onderwijs een «voorwerp vanaanhoudende zorg der regering» is. Dit betekent dat de (rijks)overheid opstelselniveau verantwoordelijk is voor het waarborgen van de (minimum-)kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs endaarmee ook de bekostiging van het onderwijs. Anderzijds regelt deGrondwet dat er vrijheid van onderwijs is. Ten behoeve van voornoemdeaanhoudende zorg mag de onderwijsvrijheid bij wet worden ingeperkt. Dewetgever bepaalt dus in beginsel welke verantwoordelijkheid waar isbelegd. Daarbij zijn besturen verantwoordelijk voor onder meer deaansturing van de organisatie, de kwaliteit van het onderwijs en decontinuïteit van het onderwijs op de scholen die onder het bestuur vallen.Besturen dienen daarbij schoolleiders en leraren goed in positie te zettenzodat zij in gezamenlijkheid het onderwijskundig beleid op de school goedvorm kunnen geven, onder andere door passende afspraken over taken enverantwoordelijkheden vast te leggen in het management statuut enprofessioneel statuut. Samenwerkingsverbanden zijn samen met deschoolbesturen verantwoordelijk voor het realiseren van een dekkendnetwerk van ondersteuningsvoorzieningen voor leerlingen met een extraondersteuningsbehoefte. Om dit te kunnen realiseren hebben zij iederTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 710 aparte taken en verantwoordelijkheden die in elkaars verlengde liggen enbeschreven zijn in het Programma van Eisen.29Op welke onderdelen constateert u dat verantwoordelijkheden tussen hetRijk, samenwerkingsverbanden, schoolbesturen en scholen zelfmomenteel onvoldoende scherp zijn afgebakend?Bij afbakening van overlappende taken en verantwoordelijkheden is metenige regelmaat sprake van onscherpte. Die onscherpte is dan ookinherent aan het systeem en kan nooit helemaal worden voorkomen. Eengoede samenwerking tussen partijen is dan cruciaal voor de goedeuitvoering van de taken. Een voorbeeld van zo’n vraagstuk is de vraag ofer sprake is van basisondersteuning voor een leerling, die wordt geleverden betaald vanuit de school, of dat er sprake is van extra ondersteuning,waar ook het samenwerkingsverband passend onderwijs een rol in heeft.Met de ontwikkeling van de landelijke norm basisondersteuning, die opdit moment wordt gedaan door de AOb en Ouders&Onderwijs, proberenwe dit verder te verhelderen.30Hoe voorkomt u dat scholen tegelijkertijd op uiteenlopende en somsconflicterende beleidsprioriteiten worden aangesproken?Het is belangrijk om te zorgen voor langjarige doelen op de prioritairethema’s. Zo wordt gezorgd voor commitment en focus. Er is gekozen vooreen focus op taal en andere basisvaardigheden (rekenen, digitalevaardigheden en burgerschap). Daarnaast wil dit kabinet zorgen voorgoed en voldoende onderwijspersoneel en werkt het kabinet aan socialeveiligheid en gelijke behandeling.31Op welke wijze bewaakt u dat toezicht bij passend onderwijs proporti-oneel blijft en niet leidt tot vermindering van handelingsruimte voorscholen en besturen?De inspectie houdt toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriftenten aanzien van passend onderwijs. De inspectie doet dit binnen de kadersvan de Wet op het onderwijstoezicht die onder meer voorschrijft dat deinspectie haar taken op zodanige wijze verricht dat instellingen niet meerworden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezichtnoodzakelijk is. De Wet op het onderwijstoezicht schrijft daarbij voor datde intensiteit van de taakuitoefening van de inspectie afhankelijk is van dekwaliteit van het onderwijs, van de wijze waarop de professionaliteit vande instelling en het bestuur is gewaarborgd, van de mate van nalevingvan wettelijke voorschriften en van de financiële situatie van de instelling.De inspectie treedt niet in de handelingsruimte van scholen en besturen,maar ziet toe op de naleving van wettelijke voorschriften die dezehandelingsruimte bepalen en begrenzen.32Welke mogelijkheden ziet u om schoolbesturen meer meerjarigefinanciële zekerheid te bieden?Zie het antwoord op vraag 5.33Welke afrekenbare doelen staan u voor ogen bij het gemeentelijkonderwijsachterstandenbeleid in termen van verbetering van de basis-vaardigheden bij kinderen in Nederland?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 711 Vanuit het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid zijn gemeentenverplicht binnen hun gemeente voldoende voorzieningen metvoorschoolse educatie aan te bieden, zowel in aantal als in spreiding, voorkinderen met het risico op een onderwijsachterstand. Daarnaast mogengemeenten de middelen ook besteden aan activiteiten gericht op hetbevorderen van de Nederlandse taal bij leerlingen met een taalachter-stand en aan afspraken rond voor- en vroegschoolse educatie. Deafrekenbare doelen beperken zich tot deze inspanningsverplichtingen.Daarbij heeft een gemeente zich altijd aan de eigen gemeenteraad teverantwoorden.34Erkent u dat stabiele en voorspelbare bekostiging een randvoorwaarde isvoor kwaliteitsverbetering op lange termijn en welke consequentiesverbindt u dan daaraan?Het is belangrijk dat scholen kunnen rekenen op structurele bekostigingvoor structurele taken. In het antwoord op vraag 5 is uiteengezet welkestappen het kabinet daarvoor neemt.35Hoe groot is de budgettaire impact van de ruim 23.000 leerlingen in hetinternationaal schakelonderwijs (ISK) op het voortgezet onderwijsbudget?In 2025 bedroeg de totale aanvullende bekostiging voor nieuwkomers inhet voortgezet onderwijs ongeveer € 262,9 miljoen. De bekostiging voornieuwkomers is overigens niet direct gerelateerd aan een ISK (interna-tionale schakelklas). De nieuwkomersbekostiging richt zich op leerlingenmet een niet-Nederlandse nationaliteit die korter dan twee jaar staaningeschreven op een school in Nederland. Dit is ongeacht of de leerling isingeschreven op een ISK. Nieuwkomers in het vo kunnen namelijk – naastde ISK’s – ook naar een reguliere school gaan.36Welke ontwikkeling valt te verwachten bij brede brugklassen in Nederlandnu de Nationaal Programma Onderwijs Regeling Brede Brugklassen werdstopgezet?Scholen konden in de periode 2021–2023 eenmalig € 100.000 subsidieontvangen voor brede brugklassen. Scholen die ervoor kiezen om bredebrugklassen in te richten, doen dat in de regel omdat dit past bij hunonderwijsvisie en leerlingenpopulatie. In die zin is niet te verwachten datscholen door het wegvallen van de (eenmalige) subsidie daar ineens meestoppen. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om vanaf2027 structureel € 58 miljoen beschikbaar te stellen om scholen teondersteunen en daarmee te stimuleren om een voldoende dekkendaanbod van een goede regionale mix aan brede brugklassen en onderwijsin één richting te realiseren.37Wat zijn de gevolgen van het niet uitvoeren van de aangenomen motieErgin c.s. uit 2024 over de herinvoering van de Ministersplaatsen voorCaribische kandidaten op de beschikbaarheid van (toekomstig) zorgper-soneel op Caribisch Nederland?1Zoals uw Kamer op 16 december jl. is geïnformeerd wordt de motie Erginc.s. (2024) samen met VWS uitgevoerd in de vorm van een bredereintegrale aanpak om de aansluiting te verbeteren tussen zorgopleidingen1Kamerstuk 31 288, nr. 1118Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 712 met selectie in Europees Nederland en het Caribisch zorgveld. Overigezorgopleidingen zijn vrij toegankelijk voor Caribische studenten. Hiermeezetten we in op het terugdringen van de tekorten aan zorgprofessionalsdaar, door verbetering van de instroom, doorstroom én uitstroom vanCaribische studenten. Het kabinet is pas recent met deze aanpak gestart,waardoor de impact daarvan nog niet direct zichtbaar is. De instroom vanCaribische studenten en de integrale programmatische aanpak zaltussentijds gemonitord worden en over drie jaar vindt er een evaluatieplaats.38Wat zijn de gevolgen voor de toegankelijkheid van het selectieve hogeronderwijs van het niet uitvoeren van de aanbevelingen uit het NRO2Consortiumonderzoek «Onbedoelde effecten van selectie op de diversiteitvan de geneeskundestudenten-populatie en de kandidatenpool: Watkunnen we eraan doen?»?Het Ministerie van OCW betrekt inzichten uit wetenschappelijk onderzoekbij beleidsvorming, maar neemt niet elke aanbeveling uit beschikbaaronderzoek integraal over. Zo kiest het kabinet er niet voor om voorkeurs-beleid op basis van achtergrondkenmerken in selectie mogelijk te maken,maar voor een andere aanpak. Het kabinet is voornemens om kansenge-lijkheid te vergroten door opleidingen te verplichten om in de onder-bouwing van hun selectieprocedure meer rekening te houden meteventuele kansenongelijkheid (internetconsultatie). Ook dienen instel-lingen de onderbouwing te publiceren op hun website, dat maakt deselectieprocedure transparanter voor aspirant-studenten. Deze voorge-stelde wetswijziging sluit goed aan bij andere aanbevelingen uit hetgenoemde onderzoek. De onderzoekers bevelen namelijk ook aan om oogte houden voor kansengelijkheid bij het ontwerpen van selectieproceduresen de transparantie richting aspirant-studenten te verbeteren.39Wat zijn de gevolgen voor de toekomstige beschikbaarheid van zorgver-leners in krimpregio’s, van het uitblijven van een reactie van uw zijde ophet rapport «Selecteren voor de Toekomst: Iedereen een Huisarts», datwerd uitgevoerd in opdracht van VWS?De Minister van VWS heeft als opdrachtgever van het onderzoek eenschriftelijke reactie gegeven op het genoemde rapport, deze reactie isafgestemd met de Minister van OCW (Kamerstuk 33 578, nr. 167). HetMinisterie van VWS voert in samenwerking met het Ministerie van OCWen het veld een verkenning uit naar kansrijke interventies om de spreidingvan huisartsen over het land te verbeteren. De inzichten uit het rapport ende onderzoeker van het genoemde rapport zijn hier ook actief bijbetrokken. De uitkomsten van de verkenning worden in het derde kwartaalvan 2026 met uw Kamer gedeeld. Op basis hiervan zal het kabinet eenvervolgaanpak aan uw Kamer voorleggen.40Wat zijn de gevolgen van het niet uitvoeren van de aanbevelingen uit hetrapport «Selecteren voor de Toekomst: Iedereen een Huisarts», dat isuitgevoerd in opdracht van VWS, voor de toegankelijkheid van de zorg inkrimpregio’s zoals Zeeland en Noord-Nederland?Zoals aangegeven in vraag 39 voert het Ministerie van VWS in samen-werking met het veld en met het Ministerie van OCW een verkenning uitnaar kansrijke interventies om de spreiding van huisartsen over het land2Nationaal Regieorgaan OnderwijsonderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 713 te verbeteren. Het genoemde rapport wordt hierbij betrokken. Hethuisartsentekort in krimpregio’s is een complex probleem dat een meerintegrale blik vergt en niet enkel kan worden opgelost met maatregelenrondom de instroom in de initiële geneeskundeopleiding. Het kabinetpresenteert op basis van de verkenning een vervolgaanpak in het derdekwartaal van 2026.41Waarom zijn sinds 2023 geen middelen meer opgenomen voor incidentelesubsidies voor cultuuruitwisseling?Het ging hier om incidentele subsidies in het kader van Homogene GroepInternationale Samenwerking (HGIS) voor cultuuruitwisseling. Demiddelen zijn ingezet o.a. als dekking voor een taakstelling op HGIS ODAmiddelen waardoor er geen ruimte meer was voor incidentele subsidiesvoor cultuuruitwisseling.42Op welke wijze ondersteunt OCW momenteel internationale cultuuruitwis-seling?Binnen artikel 8 wordt internationale cultuuruitwisseling niet meer directgesubsidieerd door middel van een incidentele subsidie. Wel zijn erbinnen artikel 8 middelen bestemd voor Vlaams-Nederlands Huis deBuren(zie het instrument Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken).43Welke internationale culturele samenwerkingen zijn in 2025 ondersteund?Zie het antwoord op vraag 42.44Welk deel van de middelen voor internationale culturele samenwerkingkomt ten goede aan Caribisch Nederland?Binnen artikel 8 zijn onder het (hoofd)budget Overige incidentelesubsidies voor een projectsubsidie middelen opgenomen voor eengedeelde leerstoel doorwerking slavernijverleden voor Aruba, Curaçao enSint Maarten van 2025 t/m 2027 ad € 0,3 miljoen, en een programma voorlokaal onderzoek naar het slavernijverleden in Caribisch Nederland van2027 t/m 2028 ad € 0,06 miljoen.45Waarom zijn incidentele subsidies voor cultuuruitwisseling sinds 2023volledig weggevallen, terwijl andere internationale samenwerkingsinstru-menten juist groeien?De incidentele subsidies voor cultuuruitwisseling zijn onder andereingezet als dekking voor een taakstelling op HGIS ODA middelen en vallendaarom sinds 2023 weg. Zie ook het antwoord op vraag 41. De andereinternationale samenwerkingsinstrumenten groeien door o.a herlabelingvan andere (incidentele) subsidies voor internationale samenwerkingsin-strumenten en wijzigingen van doelen.46Waarom nemen de middelen voor cultuur binnen de HGIS3 af na 2023terwijl cultuur als beleidsprioriteit wordt benoemd?3Homogene Groep Internationale SamenwerkingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 714 De HGIS-middelen voor cultuur nemen vanaf 2025 af als gevolg van detaakstelling van kabinet Schoof op het HGIS-budget. Deze taakstelling isdeels ingevuld door een verlaging van de bijdrage van BuitenlandseZaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aanculturele instellingen in het kader van het Internationaal Cultuurbeleid2025–2028. Vanaf 2029 wordt ook het HGIS-budget van OCW verlaagd alsgevolg van deze taakstelling. In het beleidskader Internationaal Cultuur-beleid vanaf 2029 wordt deze verlaging nader ingevuld.47Hoe verhouden de ambities rond fair pay zich tot de ontwikkeling van hetcultuurbudget?In de bis-periode 2025–2028 worden belangrijke stappen gezet naareerlijkere betalingen binnen de culturele en creatieve sector. Per 1 januari2025 is € 38,4 miljoen extra beschikbaar gesteld om de stap naar «fairpay» te kunnen maken. Dit wordt jaarlijks geïndexeerd. Deze middelen zijnverdeeld over de bis-instellingen, de rijkscultuurfondsen en deErfgoedwet-musea. Vanuit het rijk is een eerste stap gezet, maar er ligtook een verantwoordelijkheid bij andere financiers. Daarom heeft OCWmet de andere overheden voor de periode 2025–2028 cultuurconvenantengesloten waarin ook het onderwerp fair pay is opgenomen.48In hoeverre sluiten de begrote middelen voor archieven aan bij degroeiende opgave rondom digitale archivering en informatiebeheer?Voor de implementatie van de Archiefwet heeft het Ministerie van OCWtijdelijke middelen vrijgemaakt. Tussen 2025 en 2030 is voor de implemen-tatie circa € 40 miljoen gereserveerd. Daarnaast zijn er structurelemiddelen gereserveerd voor de uitbreiding van wettelijke taken, vooronderwijs en voor toezicht. Hiervoor is vanaf 2030 € 3,9 miljoen struc-tureel per jaar gereserveerd. Een goede implementatie van de vernieuwdeArchiefwet vraagt om inspanning aan de voorkant. Daartoe wordt samenmet de (decentrale) overheden gewerkt aan het implementatiepro-gramma. Maar het op orde hebben van de informatiehuishouding betrefteen reguliere taak van overheidsorganisaties en is geen nieuweverplichting. De kosten voor het op orde houden van hun informatiehuis-houding moeten overheden zelf uit bestaande middelen financieren. Demate waarin overheden ingrijpende maatregelen moeten nemen om hundigitale informatie duurzaam toegankelijk te maken en houden wisselt, enis grotendeels afhankelijk van de achterstanden in hun informatiebeheer.49Welke maatregelen worden genomen om administratieve lasten voorleraren te verminderen?Het kabinet verlaagt de ervaren directie administratieve last voor scholendoor subsidieregelingen onderdeel te maken van de structurele bekos-tiging of deze samen te voegen. Zie ook het antwoord op vraag 4.Aanvullend investeert het kabinet structureel in werkdrukverlichting in hetonderwijs. Deze middelen worden deels ingezet voor de verlichting vanadministratieve lasten voor leraren. In 2026 gaat dat om € 545 miljoen inhet po en € 354 miljoen in het vo.Het verlagen van de administratieve last specifiek voor leraren isingewikkeld doordat de ervaren administratieve last sterk verschilt perleraar en per school. Dat maakt dat er niet één uniforme oplossing is omde administratieve last van leraren te verlagen. In het verminderen vanadministratieve lasten heeft daarom iedereen een rol: ministerie,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 715 inspectie, besturen, scholen en schoolleiders. Voor OCW is er een rol omduidelijk te maken wat er verwacht wordt en kritisch te kijken naar deimpact op de werkvloer. De daadwerkelijke vermindering van administra-tieve lasten vindt uiteindelijk op scholen plaats, in gesprekken tussen hetonderwijspersoneel. Daar moeten keuzes gemaakt worden over deprioritering, nut en noodzaak van de administratie die gedaan wordt. Omdat proces te ondersteunen trekt het kabinet samen met de inspectie opom te kijken hoe het kabinet scholen meer duidelijkheid kan bieden enhandvatten kan geven over hoe de administratie efficiënt en eenvoudigingericht kan worden. Zo is er op 1 juni een bijeenkomst georganiseerdom met de Inspectie van het Onderwijs, de Vlaamse Onderwijsinspectieen de Algemene Rekenkamer om kennis te nemen van de ervaringen inVlaanderen en de planlastcalculater. Ook heeft de inspectie het afgelopenjaar de leidraad Ruimte in Regels al herzien en kijkt OCW samen met deinspectie wat er aanvullend nodig is om scholen te ondersteunen. UwKamer wordt met de voortgangsbrief lerarenstrategie voor de zomergeïnformeerd over de aanvullende maatregelen die worden genomen omwerkdruk als gevolg van administratieve lasten voor leraren verder teverminderen. Zie ook het antwoord op vraag 11.50Wat zou een volledige afschaffing van de vrijwillige ouderbijdragebetekenen voor de bekostiging van het funderend onderwijs?De bekostiging wordt in beginsel niet beïnvloed door afschaffing van devrijwillige ouderbijdrage. In eerder onderzoek is bekeken wat hetafschaffen voor de scholen en leerlingen betekent. Uit het onderzoek volgtdat het ophogen van de bekostiging dan wel wenselijk is, anders kan ditverschraling van het onderwijs betekenen. Het meest recent gemetengemiddelde van de gevraagde vrijwillige ouderbijdrage (Schoolkostenmo-nitor 2024/2025) ligt in het primair onderwijs op € 56 en in het voortgezetonderwijs op € 270. Afgezet tegen het aantal leerlingen in het po en vokomt een jaarlijkse ophoging van de bekostiging – indien gekozen wordtvoor volledige compensatie van het afschaffen van de vrijwilligeouderbijdrage – in het po uit op een bedrag van circa € 79 miljoen en inhet vo circa € 249 miljoen. Hiervoor is geen dekking beschikbaar op debegroting.51Wat is de (juridische) status van de brief aan het BPRC4 inzake Besluitaankondiging oormerk voor proefdiervrij onderzoek van 6 januari 2026?De brief is een besluit.52Welke oormerking van het subsidiebedrag aan het BPRC voor proefdiervrijonderzoek is voorzien voor de komende vijf jaren?In de brief van 6 januari 2026 aan het BPRC, inzake Besluit aankondigingoormerk voor proefdiervrij onderzoek, staat dat per ingang van hetkalenderjaar 2027 een jaarlijks oplopend deel van de instellingssubsidiewordt geoormerkt voor proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en deontwikkeling van alternatieven voor dierproeven. Het oormerk loopt optotdat in 2030 100% van de instellingssubsidie moet worden besteed aanproefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling vanalternatieven voor dierproeven.5 Op 24 maart 2026 is het amendementRajkowski aangenomen, waarmee wordt beoogd het oormerken van4Biomedical Primate Research Centre5Bijlage bij Kamerstuk 2025Z20174Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 716 middelen aan het BPRC voor uitsluitend proefdiervrije onderzoeksme-thoden los te laten.6 Over de gevolgen van het aannemen van hetamendement Kostic´ c.s en het amendement Rajkowski en daarmee detoekomst van het onderzoek met apen in Nederland ontvangt uw Kamervoor de zomer een brief.53Hoe wordt uitvoering gegeven aan de breed gedeelde wens om het aantalapenproeven in Nederland zo snel mogelijk af te bouwen en wat zijn deplannen van deze regering?Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de toekomst van hetonderzoek met apen in Nederland.54Kunt u de verschillende toekomstscenario’s die zijn opgesteld in relatie tothet BPRC en NHP’s7, zoals genoemd in de bijlage van Kamerstuk 32 336,nr. 172 naar de Kamer sturen?In de vraag wordt gedoeld op een email over het «Inplannen van eenafspraak met de Ministeries van VWS, LVVN, EZK en IenW over deverschillende toekomstscenario’s, ook met het oog op de «kabinetsbredevisie» over het onderzoek met NHP in de brief van april jl. (en of dieherijking behoeft).» De afspraak heeft uiteindelijk op 11 december 2025plaatsgevonden en hiervoor zijn, naast de vier beleidsscenario’s zoalsuitgewerkt door de Commissie onderzoek niet-humane primaten, geennieuwe scenario’s gedeeld met de overige ministeries.55Kan een overzicht worden verschaft, uitgesplitst over een periode van driejaar, van het aantal apen dat in het BPRC wordt gehouden, het aantal apendat is ingezet voor een dierproef, het aantal apen dat is ingeslapengedurende een proef, het aantal apen dat is ingeslapen na afloop van eenproef en het aantal apen dat is overleden gedurende een proef?202320242025Aantal apen in het BPRC968933984Aantal keren dat een aap is ingezet voor een dierproef144134139Aantal apen ingeslapen tijdens of in het kader van eendierproef249324Aantal apen ingeslapen na gebruik in een dierproef231810Aantal apen overleden gedurende een proef,1 niet zijnde hetaantal ingeslapen1101 Dood aangetroffen, oorzaak onbekend 56Hoeveel ruimte heeft een aap in het BPRC op het moment dat die wordtingezet voor een dierproef?In de Wet op de dierproeven (Wod) is vastgelegd dat de dieren behoorlijkworden verzorgd, behandeld en gehuisvest, met in achtneming van bij ofkrachtens algemene maatregel van bestuur te dien aanzien te stellenregelen.8 De afmeting en constructie van de onderkomens waarin dedieren worden gehuisvest is daar onderdeel van en volgt de Europees6Kamerstukken II, 2025/2026, 36800-VIII-837Niet-humane primaten8Zie ook het Dierproevenbesluit 2014Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 717 vastgestelde huisvestingsbepalingen die zijn opgenomen in Appendix Avan de European Convention for the Protection of Vertebrate Animalsused for Experimental and other Scientific Purposes (ETS123). Voorspecifieke soorten zijn tevens specifieke afmetingen met betrekking tot dehuisvesting van toepassing.9 De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteithoudt hier toezicht op.In het BPRC heeft een aap die wordt ingezet voor een proef 3,9 tot 4kubieke meter per twee dieren. De dieren zijn sociaal gehuisvest.57Hoeveel dagen/maanden wordt een aap in het BPRC gemiddeld gebruiktvoor een dierproef, wanneer wordt gekeken naar dierproeven die deafgelopen drie jaar zijn uitgevoerd?De duur van het gebruik varieert al naar gelang de onderzoeksvraag. Hetkan zijn dat de vergunning voor de dierproef is aangevraagd om alleen afen toe bloed af te nemen, zoals bijvoorbeeld nodig is voor het in vitromalariaonderzoek. Het kan ook zijn dat een dierproef langer duurt,bijvoorbeeld voor het volgen van de symptomen na een SARS-CoV-2infectie ten behoeve van het long covid onderzoek. Dat betekent dat ééngemiddelde geen goed voorspellend gemiddelde is. Dat gezegd hebbendewordt een aap in het BPRC gemiddeld 164,7 dagen gebruikt voor eendierproef.58Kunt u de communicatie tussen het Ministerie van OCW en het BPRCrondom de indiening en behandeling van en de stemming over hetamendement Rajkowski10 aan de Kamer doen toekomen?Uw Kamer wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk geïnformeerd over deinhoud van de communicatie tussen het Ministerie van OCW en het BPRC,in de vorm van een tijdlijn en samenvatting.59Zijn er systematic reviews of andere onderzoeken gedaan naar deconcrete resultaten die het BPRC middels apenproeven heeft bereikt en zoja, kunnen die naar de Kamer worden gestuurd? Zo nee, waarom niet?Er zijn geen systematic reviews gedaan naar de concrete resultaten diehet BPRC middels apenproeven heeft bereikt. Een dergelijke systematicreview zou kwaliteitsproblemen en verschillende methodologischeaandachtspunten opleveren, omdat een systematische review in hetalgemeen bedoeld is om alle beschikbare literatuur over een onderzoeks-vraag samen te brengen, ongeacht welk onderzoekscentrum de studiesheeft uitgevoerd. Wanneer alleen de publicaties en studies van éénonderzoekscentrum (bijvoorbeeld het BPRC) worden geïncludeerd in eensystematic review, bestaat de kans op bias en over- of onderschatting vaneffecten.Concrete resultaten uit het onderzoek bij het BPRC worden gepubliceerden zijn daarmee per definitie peer-reviewed. De publicatielijst wordtbijgehouden. Het aantal publicaties fluctueert tussen 27 per jaar (in 2006)en 61 per jaar (in 2021), met een impact factor tussen 4,2 en 10.9Bijlage III, paragraaf 6, Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijkedoeleinden worden gebruikt.10Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 83Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 718 In 2024 is de Commissie onderzoek niet-humane primaten gevraagdonderzoek te doen naar de mogelijkheid om het aantal proeven met apenverder te verlagen zonder dat dit gevolgen heeft voor het onderzoek datstrikt noodzakelijk is voor de bestrijding van levensbedreigende ziekten enuitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen. DeCommissie heeft hiervoor de stand van de wetenschap in kaart gebrachten op systematische manier de bestaande wetenschappelijke literatuur(waaronder systematic reviews) doorgenomen en beoordeeld, en daarophaar conclusies gebaseerd. De Commissie heeft aanvullend daarop onderandere twee consultaties gehouden; de eerste met onderzoekers van newapproach methodologies (NAM’s) en de tweede met vertegenwoordigersvan maatschappelijke belangenorganisaties. Bij de interpretatie van deliteratuur en de gesprekken met deskundigen heeft in eerste instantie deeigen expertise van de Commissieleden een belangrijke rol gespeeld.De Commissie constateert dat onderzoek met apen nog steeds veel wordttoegepast waar de complexiteit van de menselijke biologie en ziektepro-cessen moeilijk in andere modellen te reproduceren zijn en waar ethischeen praktische overwegingen direct menselijk onderzoek beperken.De Commissie concludeert ook dat NAM’s op dit moment nog niet instaatzijn om alle onderzoeksvragen te beantwoorden waarvoor experimentenmet apen nodig worden geacht. Proefdiervrije onderzoeksmodellenvolstaan nog niet voor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor debestrijding van levensbedreigende en anderszins ernstige ziekten, eninfectieziekten die de volksgezondheid bedreigen.60Kunt u aangeven hoeveel belastinggeld er vanaf 2016 tot heden in totaalnaar het BPRC is gegaan?JaarBijdrage aan BPRC2016€ 8.359.000,002017€ 9.608.000,002018€ 9.608.000,002019€ 9.608.000,002020€ 11.406.000,002021€ 10.923.000,002022€ 11.350.000,002023€ 11.989.000,002024€ 12.565.000,002025€ 13.104.000,002026€ 13.513.000,00 61Hoe beoordeelt u het zinsdeel «dat alternatieve onderzoeksmethoden opdit moment nog niet in alle gevallen toereikend zijn om dierproevenvolledig te vervangen» in de toelichting van het amendement Rajkowski11en van welke apenproeven die nu nog worden uitgevoerd door het BPRCen noodzakelijk zouden zijn voor de volksgezondheid bent u van meningdat op dit moment nog geen toereikende alternatieve onderzoeksme-thoden zijn en welke wetenschappelijke onderbouwing heeft u daarvoor?Het zinsdeel uit het amendement Rajkowski komt overeen met deconclusie uit het rapport van de Commissie onderzoek niet-humaneprimaten, waarin wordt gesteld dat op dit moment NAM’s nog niet in staatzijn om alle onderzoeksvragen te beantwoorden waarvoor experimentenmet apen nodig worden geacht. En dat ondanks dat er in de nabije11Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 83Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 719 toekomst significante NAM-ontwikkelingen te verwachten zijn, het deverwachting is dat onderzoek met apen voorlopig nog noodzakelijk zullenblijven. Juist vanwege de complexiteit van het type onderzoek, met namein de virologie, de immunologie en voor vaccinontwikkeling ten behoevevan pandemische weerbaarheid, waarvoor onderzoek met apendoorgaans wordt ingezet.In de Wod staat dat een dierproef alleen mag worden gedaan wanneer hetbeoogde resultaat niet kan worden bereikt door middel van een weten-schappelijk verantwoorde methode of onderzoeksstrategie waarbij geenlevende dieren worden gebruikt. Het wettelijke kader voor het onderzoekmet apen schrijft vervolgens voor dat het onderzoek gericht moet zijn opgezondheidsondermijnende of mogelijk levensbedreigende aandoe-ningen. Tevens is het onderzoek alleen toegestaan als het onderzoek nietmet een andere diersoort kan worden uitgevoerd.12 Het onderzoek wordtvervolgens zorgvuldig en onafhankelijk getoetst door een Dierexperimen-tencommissies (DEC) en de Centrale Commissie Dierproeven (CCD).Gezien het wettelijk kader zoals hiervoor uitgelegd, zijn alle door het BPRCuitgevoerde apenproeven noodzakelijk voor de volksgezondheid en zijndaar vooralsnog geen toereikende alternatieve onderzoeksmethoden voor.62Klopt het dat het BPRC zelf nauwelijks of geen veiligheids- of effectiviteits-studies uitvoert, maar vrijwel uitsluitend fundamenteel onderzoek?Volgens de definities van een dierproef zoals geformuleerd onder de Woden gehanteerd door de CCD, en vanwege het academisch wetenschappe-lijke karakter en financiering van het werk, is het onderzoek voornamelijkomzettingsgericht (translationeel) en toegepast van aard. Effectiviteits-studies in de zin van immunogeniciteit/werkzaamheid van een genees-middel horen daar ook bij. Veiligheids- en effectiviteitsstudies, die vallenonder wettelijk verplicht onderzoek en routineproductie zoals die vereistworden door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen en deEuropean Medicines Agency, worden niet uitgevoerd bij BPRC.63Klopt het dat het BPRC pas coronavaccins ging testen toen die al inmensen werden getest en zo nee, kan daar bewijs voor worden geleverd?Het onderzoek naar SARS-CoV-2-vaccins is in opdracht van en insamenwerking met een groot aantal andere organisaties en de EUuitgevoerd. De CCD heeft de vergunningen verstrekt. Die worden alleenverstrekt als er geen alternatieve methode is om de onderzoeksvraag tebeantwoorden. Onder andere het BPRC heeft een rol gespeeld in hettesten van verschillende SARS-CoV-2-vaccins en heeft hiermee bijge-dragen aan de internationale inspanningen voor veilige en effectievevaccins tegen SARS-CoV-2. Toen het BPRC verschillende SARS-CoV-2-vaccins heeft getest, werden die gelijktijdig in de mens getest. Dit heeft totwetenschappelijke discussie geleid over de noodzaak van het gebruik vanapen voor het ontwikkelen van SARS-CoV-2-vaccins. Hierbij is het vanbelang de volgende passage uit het rapport van de Commissie onderzoekniet-humane primaten in ogenschouw te nemen.«Maar NHP’s hebben desondanks een belangrijke rol gespeeld in deversnelde ontwikkeling van de SARS-CoV-2 vaccins. Zo zijn er belangrijkeNHP-experimenten gedaan naar dosis-optimalisatie en de boost-strategie,naar veiligheidscontroles zoals bijvoorbeeld het in kaart brengen van hetrisico dat T-helper cellen een vaccin-geassocieerde versterkte luchtweg-12Wet op de dierproeven, artikel 10e 2de lidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 720 ziekte zouden kunnen veroorzaken, en experimenten om de effectiviteittegen verschillende virusvarianten te kunnen voorspellen.13 Het isachteraf lastig in te schatten hoe de ontwikkelingen van de vaccins zoudenzijn verlopen zonder enig NHP onderzoek, maar het lijkt redelijk om aan tenemen dat dit significant langer had geduurd en dat er grotereveiligheids- en effectiviteitsrisico’s waren geweest in een groter aantalklinische trials met meer mensen.»64Kunt u aangeven welke samenwerkingen het BPRC de afgelopen vijf jaar,uitgesplitst naar jaar, is aangegaan met andere Nederlandse onderzoeks-instellingen en universiteiten?Deze vraag is niet te beantwoorden binnen de gestelde termijn. Hierkomen we in een aparte brief bij uw Kamer op terug.65Welke volksgezondheidsrisico’s loopt Nederland concreet wanneer ergeen apenproeven meer worden uitgevoerd en welke wetenschappelijkebewijzen zijn hiervoor?Het afbouwen van NHP-onderzoek in Nederland heeft wetenschappelijkeimplicaties die moeilijk precies te voorspellen zijn, omdat er geenwetenschappelijke consensus is over wat de implicaties zijn van hetstoppen met NHP-onderzoek zijn voor de ontwikkeling van kennis.14 Deconcrete volksgezondheidrisico’s die Nederland loopt zijn niet weten-schappelijk te bewijzen. Het is wel aannemelijk dat er risico’s zijn voor devolksgezondheid, want zo stelt de Commissie onderzoek met niet-humaneprimaten over de ontwikkeling van de SARS-CoV-2 vaccins «het lijktredelijk om aan te nemen dat dit significant langer had geduurden dat er grotere veiligheids- en effectiviteitsrisico’s warengeweest in een groter aantal klinische trials met meer mensen.»Daarnaast is er een veelheid aan ziekteverwekkers op de «Prioritypathogens list» van de WHO waarvoor nog geen diagnostiek of medischetegenmaatregelen op de markt zijn, die nog niet direct in mensen getestkunnen worden, en waarvan we op voorhand kunnen zeggen dat dekennis onvoldoende is. De recente problematiek met de snel groterwordende ebola-uitbraak in Congo geeft de problematiek duidelijk weer.Voor de Bundibugyo-variant biedt het bestaande ebolavaccin geenbescherming, de gangbare ebolatests detecteren deze variant niet ofonvoldoende. Voor dergelijke ernstige ziekteverwekkers van de groep vande filovirussen vereisen de autoriteiten (WHO, NIH, EMA, FDA) onderzoekmet NHP, dat vooralsnog als gouden standaard wordt gezien.1566Kunt u een lijst verschaffen van alle alternatieven voor apenproeven diehet BPRC in de afgelopen twintig jaar zelf heeft ontwikkeld?13Corbett e.a., «mRNA-1273 Protects against SARS-CoV-2 Beta Infection in NonhumanPrimates». Corbett, Kizzmekia S. et al., «Immune Correlates of Protection by mRNA-1273Vaccine against SARS-CoV-2 in Nonhuman Primates». Dai en Gao, «Viral Targets for Vaccinesagainst COVID-19». Ravindran e.a., «Dynamics of temporal immune responses in nonhumanprimates and humans immunized with COVID-19 vaccines»14Uit het rapport van de Commissie onderzoek met niet-humane primaten: vier beleidsscena-rio’s voor Nederland.15Expert Opin Drug Discov. 2024 Aug 18;19(10):1185–1211. doi: 10.1080/17460441.2024.2386100An update on nonhuman primate usage for drug and vaccine evaluation against filoviruses,Marc-Antoine de La Vega, Ara XIII, Christopher S Massey 1, Jessica R Spengler, Gary PKobinger, Courtney WoolseyTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 721 Deze vraag is niet te beantwoorden binnen de gestelde termijn. Hierkomen we in een aparte brief bij uw Kamer op terug.67Kunt u aangeven hoeveel geld het BPRC de afgelopen vijf jaar, uitgesplitstnaar jaar, heeft gebruikt voor het ontwikkelen van alternatieven voor deapenproeven die ze doen en welk percentage dit is van de totale begrotingvan het BPRC?Deze vraag is niet te beantwoorden binnen de gestelde termijn. Hierkomen we in een aparte brief bij uw Kamer op terug.68Klopt het dat het BPRC decennialang hiv-vaccins heeft onderzocht (opapen), maar dat dit tot geen enkel goed werkend hiv-vaccin heeft geleiden zo nee, welk goed werkend hiv-vaccin is tot stand gekomen dooronderzoek op apen in het BPRC?Het BPRC heeft HIV-onderzoek verricht gedurende een lange periode,gesubsidieerd door met name de EU en de Bill and Melinda GatesFoundation (BMGF). Wereldwijd heeft de wetenschappelijke wereldgezocht naar een vaccin tegen HIV. Dat is er nog niet gekomen. Allestudies in apen hebben veel informatie opgeleverd over het ziekteverloopen voor de ontwikkelingen van medicijnen. Doordat deze medicijnen opde markt zijn gekomen, hebben apen een belangrijke bijdrage geleverdaan het beter behandelen van HIV en wordt een infectie met HIVinmiddels beschouwd als een chronische ziekte.69Hoe onderbouwt u dat het afbouwen van belastinggeld voor apenproevenzou leiden tot volksgezondheidsrisico’s, terwijl het investeren van ditbedrag in proefdiervrij onderzoek en proefdiervrije innovaties ook kanleiden tot nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen en concrete resultaten?De vraag werpt een tegenstelling op die er niet is, omdat het allebeiaannemelijk is zonder dat daar wetenschappelijke consensus over is. Wathierbij wel goed is om te benadrukken is dat een dierproef en een NAMnooit precies hetzelfde meten, waardoor dierproeven niet zomaar één opéén door NAM’s vervangen kunnen worden.16 De onderzoeksvraag moethierbij leidend zijn, en vaak is een combinatie van NAM’s en dierproevennodig.70Wat was de positie van het BPRC toen in 2003 het gebruik van mensapenzoals chimpansees, orang-oetans en gorilla’s als proefdier werd verbodenen steunden zij de totstandkoming van dit verbod of waren zij hier kritischop?Het vraagt veel uitzoekwerk om de positie van het BPRC destijdsprecieste achterhalen. Wat in elk geval duidelijk is, is dat toen in hetnajaar van 2003 er een wettelijk verbod op dierproeven met mensapenvan kracht werd, het BPRC gebruik heeft gemaakt van een tijdelijkewettelijke uitzondering om een lopend hepatitis C-onderzoek met zeschimpansees af te ronden en gelijktijdig heeft samengewerkt metverschillende departementen en Stichting AAP om een goed onderkomente realiseren voor de kolonie «gepensioneerde» chimpansees. Het is – inhet gesprek dat nu in Nederland gevoerd wordt over de toekomst van16Uit het rapport van de Commissie onderzoek met niet-humane primaten: vier beleidsscena-rio’s voor Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 722 onderzoek met NHP – nodig om vooral naar het eindrapport van deCommissie onderzoek niet-humane primaten te kijken.71Wat is de minimale kolonie (grootte en soort apen) dat nodig is voorpandemische paraatheid en wat zou dat de overheid per jaar kosten?Dat is niet eenduidig te zeggen. De huidige fokkolonie is relatief klein-schalig en kan volgens de Commissie onderzoek niet-humane primatenniet veel verder worden teruggebracht. De kolonie is op dit moment grootgenoeg om een genetisch voldoende diverse groep van apen beschikbaarte houden. Deze genetische diversiteit is essentieel om inteelt tevoorkomen. Inteelt zou de gezondheid van de dieren in gevaar brengen ende validiteit van het onderzoeksmodel ondermijnen. In vergelijking met deperiode tijdens de Covid-19 pandemie heeft het BPRC nu een veel kleinerekolonie, waardoor er minder dieren beschikbaar zijn voor onderzoek.De Minister van OCW heeft toegezegd om in Europa in gesprek te gaanover betere samenwerking waaronder het delen van onderzoeksdata uitonderzoek met apen, specialisatie/profilering van de verschillendeprimatencentra en het stimuleren van de wisselwerking tussen proefdier-vrije onderzoeksmodellen en proefdieronderzoek. Samenwerking is ookwenselijk, zodat een gecoördineerde inzet mogelijk is ten tijde van eenpandemie. Het kabinet is gestart met een verkenning in hoeverre hetmogelijk is om tot verdere samenwerking te komen van Europeseprimatencentra. Eind 2026 delen wij de uitkomsten van de verkenning metuw Kamer.72Welke factoren hebben geleid tot de geconstateerde onrechtmatigheidvan € 36,1 miljoen binnen het kerndepartement?De belangrijkste factoren zijn geïmporteerde fouten. Doordat deoverbruggings- en tussenovereenkomsten voor inhuur vanICT-professionals en interim-management en organisatieadvies (IMOA)onrechtmatig zijn, is alle inhuur binnen deze categorie onrechtmatig(totaal van € 26,7 miljoen). Het betreft een geïmporteerde onrechtma-tigheid. OCW heeft geen actie kunnen ondernemen om deze tevoorkomen, aangezien de verantwoordelijkheid voor de aanbesteding bijandere departementen ligt. Zonder deze geïmporteerde onrechtmatigheidwaren de grenzen niet overschreden.73Hoe verklaart u de onrechtmatigheid van € 100,5 miljoen bij de agent-schappen, waaronder DUO, als gevolg van het niet naleven van inkoop-regels bij externe ICT-inhuur?De belangrijkste oorzaak van de onrechtmatigheid betreft geïmporteerdeonrechtmatigheden. Door vertragingen en procedurele fouten bij deaanbesteding van de raamovereenkomsten (ROK) ICT-Professionals DUOGroningen en ICT-Professionals OCW Overig, die door een anderdepartement zijn aanbesteed, moest gebruik worden gemaakt vanoverbruggingsovereenkomsten. Omdat deze overbruggingsovereen-komsten als onrechtmatig zijn aangemerkt, is ook de daarop gebaseerdeinhuur onrechtmatig. DUO heeft deze situatie niet kunnen voorkomen,aangezien het niet verantwoordelijk was voor de betreffende aanbeste-dingsprocedures. Zonder deze geïmporteerde onrechtmatigheden zoudende rechtmatigheidsgrenzen niet zijn overschreden.74Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 723 Acht u het wenselijk dat bij toelaatbaarheidsverklaringen (tlv’s) verschillentussen regio’s kunnen ontstaan zonder dat helder is welke verschillenvoortkomen uit maatwerk en welke uit gebrek aan eenduidigheid?Grote verschillen tussen regio’s die leiden tot minder ondersteuningsmo-gelijkheden voor kinderen alleen op basis waarvan ze wonen, zijnonwenselijk. Daarom kijken de sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs, hetOverkoepelend Netwerk Samenwerkingsverbanden en OCW naar demogelijkheden voor uniformering van procedures bij samenwerkingsver-banden en scholen, zodat het niet afhankelijk is van de woonplaats ofkinderen de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben.75Heeft u onderzocht of de wijze van verevening van invloed is (geweest) opde tlv-afgifte en zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waaromniet?Ja, dat is onderzocht. Aanvankelijk had de verevening het effect dat detlv-afgifte licht afnam in regio’s die minder financiële middelen kregen danvoorheen en bij regio’s met meer middelen licht toenam. Later onderzoekliet zien dat er sprake leek te zijn van een schokreactie en dat de deelnameaan het gespecialiseerd onderwijs weer gelijk is aan de aantallen van vóórde vereveningsopdracht. De verevening heeft daarmee geen blijvendeinvloed gehad op tlv-afgiftes, Inmiddels ziet het kabinet dat er wel sprakeis van een groei van met name het speciaal onderwijs. Naar de redenenhiervan laat het kabinet op dit moment onderzoek doen.76Welke stappen zet u om de rolverdeling tussen Rijk, samenwerkingsver-banden en schoolbesturen te verduidelijken waarbij ruimte voor professi-onele afwegingen behouden blijft?In de Kamerbrief Herijking sturing funderend Onderwijs zijn vijf uitgangs-puntengenoemd die – ongeacht de precieze keuze voor een sturingswijze– wenselijk lijken voor de komende jaren. Zie hiervoor ook het antwoordop vraag 5.Daarnaast is met de Evaluatie passend onderwijs een zogenaamdprogramma van eisen opgesteld om de verantwoordelijkheden vansamenwerkingsverbanden en schoolbesturen te verduidelijken. Ditprogramma van eisen is in 2024 samen met samenwerkingsverbanden enschoolbesturen herzien.77Hoe voorkomt u dat aanvullende controles op tlv’s17 leiden tot verderebureaucratisering van passend onderwijs?De afgifte en registratie van tlv’s gaat op dit moment op te veel plekkennog niet goed. Bij maatregelen voor beter toezicht en controle optlv-procedures zal goed gelet worden op het voorkomen van extraadministratieve lasten.78Wat zijn de oorzaken van de structurele overschrijding van deRoemernorm voor externe inhuur binnen OCW (16,4 procent) en DUO(24,2 procent)?17ToelaatbaarheidsverklaringenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 724 De belangrijkste oorzaken van de overschrijding van de norm zijn moeilijkvervulbare vacatures, tijdelijke programma’s en tijdelijke budgetten,specialistische kennis en expertise, piekbelasting en politieke urgentie enontwikkelingen bij DUO. De toename van het aantal externen bij DUO in2025 is met name het gevolg van het (tijdelijk) opschalen in deICT-portfolio vanwege tijdelijke middelen voor LifeCycleManagement.79Welk afbouwpad hanteert het ministerie om het percentage externeinhuur terug te brengen naar de norm van maximaal 10 procent?Mede in het kader van de taakstelling zijn binnen OCW afspraken gemaaktover de afbouw van de Roemernorm naar 10% in 2030 en de bijdragevanuit ieder dienstonderdeel aan deze afbouw.De streefnorm voor DUO voor 2026 bedraagt 22%, aflopend naar 16% in2030 zodat het OCW-concern dan de Roemernorm van 10% haalt. Deoverige organisatieonderdelen zoals het kerndepartement van OCW heefteen streefnorm van 3,3%. DUO heeft een taskforce geformeerd om deopschaling van capaciteit in het kader van de extra middelen LifeCycleMa-nagement (LCM) aan de ene kant en de afbouw van externen (LCM- enniet-LCM) aan de andere kant te regisseren. DUO zet in op omzetting vanexternen naar internen en afbouw van externen.Binnen het kerndepartement van OCW is ook een aantal maatregelengenomen: strakkere toetsing vooraf, minder nieuwe externe inhuur, hetwaar mogelijk verambtelijking van externe inzet, beëindiging vanbestaande inhuur waar dat verantwoord kan en monitoring via dereguliere planning- en controlcyclus.80Hoe verklaart u dat ondanks € 605 miljoen aan uitgaven in 2025 geensignificante effecten op leerlingprestaties zijn vastgesteld?Structurele verbetering van leerprestaties heeft tijd nodig. In het eersteCPB-deelonderzoek naar de effectiviteit van de regeling ziet het kabinetnog geen significant effect van de subsidie op leerprestaties. Dit isvolgens het CPB niet verwonderlijk: het is te verwachten dat er in heteerste of het tweede jaar na toekenning van de subsidie nog geensystematische en betrouwbare effecten zichtbaar zijn. Ook door experts isbij het opstellen van de doelen benadrukt dat een periode van één à tweejaar te kort is om een significant effect op de leerprestaties te zien. Er isdestijds besloten om ambitieuze doelen te formuleren: de urgentie omeen verbetering van de leerprestaties teweeg te brengen is groot, net alsde wens hier spoedig resultaat van te zien. De resultaten van vragenlijst-onderzoek stemmen hoopvol: schoolleiders zijn uitgesproken positief overde gevolgen van de subsidie en de extra aandacht voor basisvaardig-heden bij hen op school.81Welke conclusies verbindt u aan het feit dat het CPB18 geen aantoonbaretrendbreuk ziet bij de subsidieregeling basisvaardigheden?Er worden nog geen conclusies verbonden aan dit eerste CPB-onderzoek.Het CPB geeft zelf ook aan dat in deze korte tijd geen significante effectente verwachten waren. Immers, structurele verandering van leerprestatiesheeft tijd nodig. Wel is het belangrijk te blijven volgen hoe de prestatiesvan leerlingen zich ontwikkelen. Het CPB zal dit ook de komende periode18Centraal PlanbureauTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 725 doen. Daarnaast volgt het kabinet landelijk de ontwikkeling van deleerprestaties van leerlingen aan de hand van verschillende bronnen in dejaarlijkse Monitor basisvaardigheden en laat het kabinet meer kwalitatiefonderzoek doen in de vorm van vragenlijsten en case studies.82In hoeverre en op welke wijze waarborgt u dat scholen voldoende ruimtebehouden om op basis van hun eigen context en professionele expertisekeuzes te maken in de verbetering van basisvaardigheden?Met de subsidie «Verbetering basisvaardigheden» en de structurelebekostiging voor basisvaardigheden die vanaf 2027 ingaat, wordtevidence-informed inzet van deze middelen gestimuleerd. Daarmee wordtbedoeld dat de school kennis uit onderzoek en de onderwijspraktijk benut,maar ook goed kijkt naar de context van de school om tot een aanpak tekomen die past bij de school en zijn leerlingen. Een school kan erbijvoorbeeld voor kiezen om individuele leerlingen extra te begeleiden, dedeskundigheid van het schoolteam te bevorderen of een taal-of rekencoör-dinator aan te stellen.Vanaf 2027 wordt de subsidie omgezet in structurele bekostiging voor hetverbeteren van de basisvaardigheden. Hiermee krijgen alle scholenfinanciële zekerheid voor de lange termijn, zodat zij nu al toekomstbe-stendige keuzes kunnen maken om blijvende verbetering van de basis-vaardigheden te bewerkstelligen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 945 VIII, nr. 726

Bron, video en gesprek →