Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 IVaststelling van de begrotingsstaat van deKoning (I) voor het jaar 2026Nr. 7 BRIEF VAN DE MINISTER-PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENEZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 4 december 2025Tijdens de behandeling van begroting I De Koning op 9 oktober 2024 hebik de Kamer naar aanleiding van verschillende vragen, met name van hetlid Aartsen, toegezegd de betekenis van de ministeriële verantwoorde-lijkheid voor nevenfuncties van leden van het koninklijk huis en dewerking hiervan te beschrijven, ook met oog op de toekomst, en de Kamerhierover te informeren. Hierbij heb ik, zoals toegezegd, de motie-Sjoerdsma/Van Ojik (Kamerstuk 32 735, nr. 253) betrokken alsmede devraag wie (beoogde) functies bij wie meldt. Tot slot heb ik het lid VanRooijen van de Eerste Kamer op 11 februari jl. toegezegd de Eerste Kamerte informeren.De (grond)wettelijke regelingenSinds 1972 bepaalt de Grondwet: De wet regelt, wie lid is van hetkoninklijk huis (thans artikel 39). In 1985 kwam de Wet lidmaatschapkoninklijk huis tot stand. Na de laatste aanpassing in 2002 behoren, naastde Koning en diens echtgenote, tot het koninklijk huis de mogelijketroonopvolgers die aan de Koning niet verder dan de tweede graadbloedverwant zijn, de Koning die van het koningschap afstand heeftgedaan, de echtgenoten van deze personen en de weduwen of weduw-naars van de overleden leden van het koninklijk huis. Op dit moment zijn,naast de Koning en zijn echtgenote, lid van het koninklijk huis: prinsesBeatrix, prinses Amalia, prinses Alexia, prinses Ariane, prins Constantijn,prinses Laurentien, prinses Margriet en mr. P. van Vollenhoven. De Wetfinancieel statuut Koninklijk Huis (1972) bepaalt welke leden van hetkoninklijk huis van staatswege een grondwettelijke uitkering ontvangen.Dat zijn, naast de Koning en zijn echtgenote, de vermoedelijke opvolgervan de Koning, de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan,alsmede hun echtgenoten en weduwen of weduwnaars. Op dit momentzijn dit, naast de Koning en zijn echtgenote, prinses Amalia en prinses kst-36800-I-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 I, nr. 71 Beatrix. De overige leden van het koninklijk huis ontvangen geengrondwettelijke uitkering en moeten dus zelf in hun onderhoud voorzien.Artikel 42 van de Grondwet bepaalt: 1. De regering wordt gevormd doorde Koning en de Ministers 2. De Koning is onschendbaar; de Ministers zijnverantwoordelijk. Van die ministeriële verantwoordelijkheid voor deKoning wordt de ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van hetkoninklijk huis afgeleid.Over de inhoud van de ministeriële verantwoordelijkheid en de reikwijdtedaarvan heeft de Raad van State in 2010 een voorlichting uitgebracht(Kamerstuk 32 791, nr. 1) die door de regering is overgenomen. Dezevoorlichting is, met de (grond)wettelijke regelingen en hun betekenis, hetuitgangspunt geweest bij deze reflecties.Ministeriële verantwoordelijkheid voor de Koning en andere leden van hetkoninklijk huisDe ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van het koninklijk huisheeft verschillende aspecten. De inhoud en vervulling van koningschapheeft een bijzondere betekenis in de democratische rechtstaat, met namede representatie van de eenheid van het staatsbestel en de bijzonderefunctie van symbool van de nationale gemeenschap. Voor deonschendbare Koning geldt grondwettelijk de ministeriële verantwoorde-lijkheid onverkort, altijd en volledig. Dit betekent niet dat de Koning geenrecht heeft op een persoonlijke levenssfeer. Waar het gaat om privégedra-gingen van de Koning zijn, met inachtneming van de artikelen 10 en 41van de Grondwet, de Ministers aanspreekbaar op de vragen of het gaatom privégedragingen en het openbaar belang in acht is genomen.Bij de overige leden van het koninklijk huis is de constitutionele positie devolgende. Zij zijn geen dragers van het koningschap en evenminonschendbaar. Wel zijn zij met het koningschap verbonden door hunplaats in de erfopvolging en/of beschikbaarheid voor bijstand bij devervulling van het koningschap. De Koning kan niet overal tegelijk zijn.Aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Koning wordt op prijsgesteld en ligt dan voor de hand. Bij hun optreden – namens de Koning –moet het openbaar belang niet worden geschaad. Daarom geldt voor heneen, wat wel genoemd wordt, «afgeleide ministeriële verantwoorde-lijkheid». Op de vraag of het openbaar belang mogelijk geschaad kanworden of geschaad is, is de Minister-President aanspreekbaar.De wettelijke regeling van het lidmaatschap van het koninklijk huis isgerelateerd aan de beschikbaarheid van de leden voor verlening vanbijstand bij de vervulling van het koningschap en maakt duidelijk welkeverwanten van de Koning hiervoor beschikbaar zijn en voor wie dus deafgeleide ministeriële verantwoordelijkheid geldt. De Koning heeft alshoofd van het huis een centrale rol ten aanzien van de onderlingeafstemming van de bijstand en de beoordeling van gedragingen waardoorhet koningschap in het geding kan komen. De beschikbaarheid voorbijstand brengt voor de leden van het huis met zich mee dat zij zich ook bijhun overige activiteiten in hun gedragingen dienen te onthouden vanhandelen of nalaten waardoor het openbaar belang kan worden geschaad.Ook voor hun gedragingen in de persoonlijke levenssfeer kan deministeriële verantwoordelijkheid geactiveerd worden als hierdoor hetopenbaar belang wordt geraakt. Een precieze afbakening hiervan is inabstracto niet aan te geven, mede daarom is het voor alle betrokkenenvan belang zorgvuldig om te gaan met de bepaling van dit grensgebied.Hierbij zijn er verschillende ijkpunten, evenals bij publieke ambtsdragers,waaronder het niet vermengen van functionele mogelijkheden enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 I, nr. 72 (privé)belangen, het voldoen aan (inter)nationale wet- en regelgeving ende handhaving van de eenheid van de Kroon en van het regeringsbeleid.Een hoofdpunt in de voorlichting van de Raad van State uit 2010 is hetonderscheid tussen, enerzijds, de leden van het koninklijk huis die doorhun plaats in de erfopvolging en/of hun directe betrokkenheid bij devervulling van het koningschap en tevens een grondwettelijke uitkeringontvangen op basis van de Wet financieel statuut Koninklijk Huis en,anderzijds, de overige leden die minder direct en regelmatig betrokkenzijn bij de uitoefening van de koninklijke functie en geen grondwettelijkeuitkering ontvangen. Voor de eerstgenoemde leden wordt aangenomendat de ministeriële verantwoordelijkheid in beginsel geldt voor hungedragingen («ja, tenzij») terwijl voor de laatstgenoemde leden geldt voorhun gedragingen in beginsel geen ministeriële verantwoordelijkheid geldttenzij het openbaar belang wordt geraakt («nee, tenzij»).De Minister-President draagt de algemene ministeriële verantwoorde-lijkheid voor de handhaving en werking van het omschreven stelsel vanhet koninklijk huis, met inbegrip van de relatie tussen gedragingen in depersoonlijke levenssfeer en het openbaar belang. Hiernaast is er despecifieke ministeriële verantwoordelijkheid voor de aanvaarding en deuitoefening van een functie door een lid van het koninklijk huis. Dieverantwoordelijkheid ligt bij de vakminister die tegenover het parlementverantwoordelijk is voor het beleidsterrein waarop de functie betrekkingheeft. Die verantwoordelijkheid van de vakminister gaat, ook naar hetoordeel van de Raad van State in zijn voorlichting, niet zover dat devakminister aanspreekbaar is op alles wat het lid in die functie doet ofzegt. De voorgaande samenvatting van het bestaande kader wordt hierna,ook met het oog op de toekomst, nader uitgewerkt en aangevuld.Ministeriële verantwoordelijkheid voor aanvaarding en uitoefening vanfunctiesIn het kader van mijn toezegging aan de Kamer informeer ik u nader overde algemene betekenis en de feitelijke werking van het stelsel in relatie totde ministeriële verantwoordelijkheid voor functies van leden van hetkoninklijk huis, vergezeld van aanpassingen en overwegingen met het oogop de toekomst. Bij het begrip functie kan onderscheid worden gemaakttussen erefuncties, (grond)wettelijke nevenfuncties, publieke functies enprivate functies of activiteiten. De beide eerstgenoemde categorieën zijnonbezoldigd en kunnen hier door hun specifieke karakter buitenbeschouwing blijven. Bij publieke functies gaat het om inhoudelijkefuncties en concrete werkzaamheden in het publiek domein die, al danniet bezoldigd, gedurende een bepaalde periode en met een reguliertijdsbeslag uitgeoefend worden in een organisatie of binnen een formeelkader. Private functies of activiteiten worden niet uitgeoefend in hetpubliek domein. De keuze van een lid van het koninklijk huis voor eenfunctie kan constitutioneel gerekend worden tot de persoonlijke levens-sfeer omdat er een relatie bestaat met persoonlijke interesses, talenten,opleiding en wensen tot ontplooiing. Bepalend is evenwel dat een functieen de uitoefening daarvan naar hun aard primair gericht zijn op activi-teiten die buiten de persoonlijke levenssfeer liggen en verricht worden in– en ten behoeve van – de samenleving. Daarom is de aanvaarding vaneen functie door een lid van het koninklijk huis een even eigensoortige alsrelevante stap in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid.Hierdoor ontstaat, naast de algemene ministeriële verantwoordelijkheidzoals hiervoor omschreven, bij publieke functies een specifieke minis-teriële verantwoordelijkheid voor een lid, inclusief bijbehorende (rechts-positionele) en andere (formele) bevoegdheden en verplichtingen opbasis van algemene en bijzondere wet- en regelgeving. De vakministerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 I, nr. 73 wordt ministerieel verantwoordelijk voor het lid bij aanstelling in eenfunctie op het terrein waarvoor de Minister op enigerlei wijze tegenoverhet parlement verantwoordelijk is, bijvoorbeeld door beschikbaarstellingvan (budgettaire) middelen of personele ondersteuning voor activiteitenof werkzaamheden die verband houden met de functie.Aan de aanvaarding van een functie gaat altijd een instemmingspro-cedure vooraf. Deze houdt in dat het lid instemming met het voornementot aanvaarding van een functie vraagt aan de vakminister die het aangaaten vervolgens aan de Minister-President. Bij zijn beoordeling betrekt devakminister algemene aandachtspunten zoals het karakter van de functie,aard, tijdsbeslag en locatie van de werkzaamheden, (eventuele) bezol-diging, bekostiging, rechtspositionele aspecten, compliance, coaching,ondersteuning, communicatie, de verhouding met andere functies enevaluatie. Waar nodig worden hierover afspraken gemaakt. Het oordeelvan de vakminister en de gemaakte afspraken, worden voorgelegd aan deMinister-President ten behoeve van zijn instemming met aanvaarding vande functie door het lid. Nadat het lid in de aanvaarde functie is getredenkan de geldende ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van hetkoninklijk huis worden geactiveerd door nader contact tussen devakminister en het lid als (beleids-)ontwikkelingen of omstandighedenhiertoe concreet aanleiding geven, met name indien dit van belang is voorde uitvoering van het beleid en een goede uitoefening van de functie.Deze activering zal naar zijn aard alleen plaatsvinden indien hiertoeaanleiding bestaat met de aantekening dat dit eerder aan de orde kankomen naarmate de functie en de hieraan verbonden werkzaamhedenmeer inhoud of betekenis hebben, het lid dichter bij de Koning staat ofeen combinatie van deze elementen.De geschetste werkwijze geldt in beginsel voor alle leden van hetkoninklijk huis.Bij de toepassing bestaan evenwel verschillen tussen de leden dieverband houden met de grondwettelijk geregelde erfopvolging enuitkeringen en de Wet financieel statuut Koninklijk Huis. De Wet financieelstatuut Koninklijk Huis behoudt de grondwettelijke uitkeringen voor aande volgende leden van het koninklijk huis: de Koning, diens vermoedelijkeopvolger en ambtsvoorganger en hun echtgenoten. De overige leden vanhet koninklijk huis ontvangen geen grondwettelijke uitkering. Dit(grond)wettelijke onderscheid tussen leden van het koninklijk huis heeftfeitelijk belangrijke gevolgen voor het karakter van de functies van ledenvan het koninklijk huis.Bij de aanvaarding en uitoefening van een functie gaat het, de Koningbuiten beschouwing gelaten, bij de (huidige drie) uitkeringsgerechtigdeleden in wezen om nevenfuncties naast hun hoofdfunctie in de bijzonderehoedanigheid van echtgenote, opvolgster of voorgangster van de Koningen de maatschappelijke activiteiten die inhoudelijk bijdragen aan hunpositie in de samenleving. Dit ligt anders bij de (huidige zes) niet-uitkeringsgerechtigde leden. In hun geval gaat het, bij afwezigheid vaneen grondwettelijke uitkering, bij de aanvaarding en uitoefening van eenfunctie feitelijk om hoofdfuncties waarmee zij in hun onderhoud voorziennaast hun bijstand als lid van het koninklijk huis bij de vervulling van hetkoningschap. Uit dit bepalende verschil volgt naar zijn aard dat bij deuitoefening van functies door uitkeringsgerechtigde leden de ministeriëleverantwoordelijkheid in beginsel geldt («ja, tenzij») en geactiveerd kanworden, intern onder meer door nadere afspraken en ondersteuning enextern door het geven van informatie en toelichting. Verder volgt uit ditverschil dat ten aanzien van niet-uitkeringsgerechtigde leden de minis-teriële verantwoordelijkheid voor een functie na aanvaarding daarvan inbeginsel niet wordt geactiveerd door de verantwoordelijke vakministerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 I, nr. 74 («nee, tenzij») zolang hiertoe binnen het kader van de uitvoering vanbeleid en de uitoefening van de functie geen gerede aanleiding bestaat.ToekomstBij het voorgaande horen, mede in het kader van mijn toezegginghierover, enkele verduidelijkingen en aanpassingen van algemene aarddie voor de toekomstige bestendigheid van het stelsel van belang zijn. Inhet algemeen geldt bij de functies van leden van het koninklijk huis dat ersprake is van meerdere spanningsvelden zoals de verhouding tussengrondrechten en openbaar belang, de verschillen tussen leden die volgenuit de grondwettelijke regeling van erfopvolging en uitkeringen en derelatie tussen de algemene en specifieke ministeriële verantwoorde-lijkheid. Hierdoor is, mede door de brede bekendheid van de leden en debelangstelling voor hun doen en laten, in veel gevallen bij hun functieseen specifieke benadering of maatwerk nodig. Dit vraagt, om een goedevervulling van de functie mogelijk te maken, ook begrip, respect en eenzorgvuldige omgang door alle betrokkenen met het complexe enkwetsbare samenstel van de verschillende verplichtingen en de verschil-lende verantwoordelijkheden waaraan gelijktijdig moet worden voldaan.Een aanpassing betreft het belang van evaluaties. Nadat de instemmings-procedure tot aanvaarding en uitoefening van een functie heeft geleid,kunnen door ontwikkelingen van uiteenlopende aard wijzigingen optredenin de beoordeling van de (neven)functie die nopen tot aanpassingen in de(neven)functie, de hierbij gehanteerde afspraken of, in voorkomendegevallen, tot beëindiging van de (neven)functie. Daarom is het van belangdat er ook, na aanvaarding van een (neven)functie, niet alleen incidenteelen bij verlenging of aanpassing van de functie, contact met de verant-woordelijke vakminister is, maar ook periodiek, bijvoorbeeld eens per jaar,een evaluatie plaatsvindt, bijvoorbeeld in de vorm van een gesprek tussenhet lid en de verantwoordelijke vakminister. Daarnaast kan in eenperiodiek gesprek van een lid met de Minister-President ook het geheelvan werkzaamheden en functies aan de orde komen. In deze gesprekkenkunnen onder meer de aandachtspunten aan de orde komen die bijinstemming met de functie een rol hebben gespeeld, evenals wensen enverwachtingen die bestonden bij aanvaarding van de functie en debeoordeling van nieuwe omstandigheden of ontwikkelingen.Voorts kan, zoals genoemd in de voorlichting van de Raad van State, opgezette tijden ook tussen de leden onderling beraad plaatsvinden, medemet het oog op de komende generatie. Functies van leden van hetkoninklijk huis kunnen verder aan de orde komen in het periodiekegesprek tussen de Koning en de Minister-President.Een andere aanpassing betreft het karakter van de functie. De (neven-)functies behoren nu in de regel tot het publieke domein, met name datvan de rijksoverheid of internationale organisaties met een brede taak.Deze functies stroken daarmee naar hun aard met het algemene enbovenpartijdige karakter van het koningschap zodat verlening van bijstandbij de vervulling hiervan zonder bezwaar kan plaatsvinden. Bij eenvoornemen van een lid tot aanvaarding van een functie met eenoverwegend of uitsluitend privaat karakter, is het van belang dat, ondermeer met het oog op aspecten van marktoriëntatie, concurrentie offinanciële belangen die buiten het publieke domein aan de orde kunnenzijn, hierover intern tijdig informatievoorziening en overleg plaatsvindt en,zo nodig, specifieke afspraken worden gemaakt. Hierbij gaat het erom ditzodanig vorm te geven dat, zoals genoemd in de voorlichting, geenongewenste vermenging van verschillende sferen en belangen ontstaatdie schade kan toebrengen aan het openbaar belang in relatie tot debeschikbaarheid van bijstand bij de vervulling van het koningschap. In ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 I, nr. 75 verband geldt voor niet-uitkeringsgerechtigde leden, zoals hiervoortoegelicht, het algemene uitgangspunt «nee, tenzij» ten aanzien vanactivering van de ministeriële verantwoordelijkheid. Bij de keuze van dezeleden voor een private functie en verkregen instemming ligt het, gelet ophet eigen, dynamische en flexibele karakter van private functies, in derede dat de ministeriële verantwoordelijkheid na aanvaarding van defunctie niet meer wordt geactiveerd, behoudens uitzonderlijke omstandig-heden als een (onvoorziene) wijziging in de erfopvolgingTot slot is van belang dat periodiek een overzicht van (neven)functies vanleden van het koninklijk huis wordt opgesteld door de directeur van hetKabinet van de Koning waarvan de Minister-President een afschriftontvangt. Dit overzicht is tevens de basis voor vermelding van dezefuncties op de website van het koninklijk huis.SlotTegen de achtergrond van het algemene stelsel van ministeriële verant-woordelijkheid voor het lidmaatschap van het koninklijk huis, blijft despecifieke ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van deaanvaarding en uitoefening van een functie door een lid van het koninklijkhuis naar zijn aard maatwerk vragen. Met de toegelichte betekenis van hetstelsel, de uitgangspunten die gelden, de instemmingprocedure die wordtgevolgd en de mogelijkheid van evaluaties, is een goede balans tussenministeriële verantwoordelijkheid enerzijds en grondrechten van ledenvan het koninklijk huis anderzijds op adequate wijze gewaarborgd.Het geschetste stelsel is, met inachtneming van het voorgaande en deruimte die het biedt voor nieuwe ontwikkelingen, naar mijn opvattingtoekomstbestendig, ook voor de komende generatie.De Minister-President,Minister van Algemene Zaken,H.W.M. SchoofTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 I, nr. 76
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
49b617db-cf37-4a99-91b9-210b4394fd81
33debatten
2.020bijdragen
5interrupties
266.963woorden in uitspraken