KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

66e9e92b-43e6-4eab-828d-4b300e0d2b25

21debatten
949bijdragen
6interrupties
79.411woorden in uitspraken

Commissies

Geen huidige commissielidmaatschappen beschikbaar in de Kamerdata.

Contact

Contactgegevens worden alleen getoond voor zittende Kamerleden.

Loopbaan

Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.

Opleiding

Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.

Nevenfuncties

Geen nevenfuncties beschikbaar in de Kamerdata.

Geschenken en reizen

Geen geregistreerde geschenken beschikbaar in de Kamerdata.

Geen geregistreerde reizen beschikbaar in de Kamerdata.

Stemgedrag

Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.

Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
9 sep 2026 · Kamerstuk

33 576 Natuurbeleid 27 625 Waterbeleid Nr. 545 Brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 9 september 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft mij op 1 juli 2026 schriftelijk (ref.: 2026Z14208/2026D34346) verzocht een reactie te geven op een door de commissie ontvangen brief van R. B. te W. d.d. 18 juni 2026 met als titel “Reactie, namens communicatiegroep Wierdense Veld en CATB Wierden, m.b.t. Wierdense Veld”. Met deze brief geef ik graag gehoor aan dit verzoek. Omdat R. B. te W. spreekt namens een grotere groep, zal ik hierna refereren aan de ‘schrijvers’ van de brief. Ik loop de onderdelen van de brief langs en geef daarop per onderdeel mijn reactie. Afweging tussen natuur- en economische belangen De schrijvers hebben het natuurdebat van 4 juni 2026 gevolgd en zijn verontrust omdat in dat debat de uitspraak is gedaan dat economische activiteiten weliswaar moeten worden meegenomen, maar dat natuurdoelen belangrijker zijn, terwijl de natuurdoelen die gelden voor het Wierdense Veld naar hun mening niet haalbaar zijn. De schrijvers refereren aan mijn antwoord op de vraag van het lid Wiersma over de uitgangspunten ‘haalbaar en betaalbaar’ bij het vaststellen van natuurdoelen. Ik heb toen gezegd dat bij het bepalen van gebiedsdoelen altijd rekening moet worden gehouden met de feitelijke technische haalbaarheid, omdat niemand aan het onmogelijke gehouden is. Bij het bepalen van de maatregelen om die doelen te halen, is er enige ruimte om rekening te houden met de maatschappelijk-economische impact van de maatregelen, zolang verslechtering wordt voorkomen. Het doel moet ook voldoende bijdragen aan het behalen van de landelijke gunstige staat. In mijn reactie heb ik dus onderscheid gemaakt tussen de feitelijke technische haalbaarheid en de maatschappelijk-economische haalbaarheid. In het geval van het Wierdense Veld is door de provincie aangetoond dat de instandhoudingsdoelstellingen technisch haalbaar zijn. Tegelijk is duidelijk dat de meningen uiteenlopen over de wenselijkheid van die doelen en de daarvoor noodzakelijke maatregelen. Ik begrijp heel goed dat de maatregelen ingrijpend kunnen zijn voor individuele ondernemers. De doelen staan echter in rechte vast sinds de beroepsgronden tegen het aanwijzingsbesluit ongegrond zijn verklaard door de Raad van State. Voor wat betreft de maatregelen doorloopt de provincie een zorgvuldig proces om te komen tot besluitvorming. Daarbij gaat de provincie terecht uit van de door mij in het debat genoemde juridische kaders. Ook zorgt de provincie ervoor dat de gevolgen voor omwonenden niet groter zijn dan nodig is. Afweging tussen waterwinning en natuur De schrijvers zijn van mening dat bij de aanwijzing in 2016 de twee maatschappelijke doelen waterwinning of natuur tegen elkaar hadden moeten worden afgewogen. Dit onderwerp is in de beroepsprocedure uitgebreid aan de orde geweest. In de uitspraak van de Raad van State (11.7.2018) over de beroepen die waren ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit voor dit gebied staat: “Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de selectie en begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping, ECLI:EU:C:2000:600, punten 16 en 25).” Ook het specifieke punt van de drinkwaterwinning is als beroepsgrond ingebracht. Daarover staat in de uitspraak: “De Afdeling ziet [...] geen reden om te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat de instandhoudingsdoel-stellingen voor de in het gebied aanwezige habitattypen kunnen worden behaald.” Afspraak met de Europese Commissie De schrijvers zijn voorts van mening dat de afspraak die in 2021 in Brussel is gemaakt over hoe Nederland om wil gaan met het Wierdense Veld tot op heden niet zijn uitgevoerd. Verwezen wordt naar een bijlage met de notulen van het gesprek op ambtelijk niveau op 23.6.2021. Ik verwijs hierbij naar de originele Engelstalige notulen van deze vergadering, die eerder n.a.v. een Wob-verzoek openbaar zijn gemaakt. Onder het kopje ‘2) Proportionality of measures’ staat de vraag die is besproken, namelijk (citaat van de originele tekst): “Does the Commission see objections to an application ‘by analogy of 6(4)’ in a situation where preventative measures under article 6(2) may be seen as not appropriate or proportional?” Het antwoord[voetnoot 1] was dat de EC bij noodzakelijke passende maatregelen (art. 6, tweede lid HR) - anders dan Nederland - geen mogelijkheid ziet om een afweging te maken naar analogie van de mogelijkheid tot compensatie bij vergunningverlening (art. 6, vierde lid). In tegendeel: in de casus-Wierdense Veld (met een voortgaande, reeds vergunde grondwateronttrekking) zou het juist kunnen zijn dat de verleende vergunning herzien zou moeten worden. En dat zou dan weer kunnen leiden tot de conclusie dat het project voldoet aan de ADC-criteria, waarbij compensatie noodzakelijk is. Uit de notulen blijkt dus dat er een gedachtewisseling heeft plaatsgevonden, dat het Nederlandse idee door de EC werd verworpen en dat er geen afspraak is gemaakt. Dat laatste was ook niet nodig, omdat de EC verwees naar de gangbare ADC-procedure van art. 6, derde en vierde lid HR. Van het niet uitvoeren van een gemaakte afspraak kan dus ook geen sprake zijn. Vermindering van de waterwinning De schrijvers wijzen erop dat in alle ecologische onderbouwingen voor dit gebied staat dat de waterwinning vermindert of geheel verdwijnt, terwijl het stoppen met waterwinning in deze tijd van dringende waterbehoefte niet mogelijk is. In de Natuurdoelanalyse die de schrijvers hebben bijgevoegd ter onderbouwing van hun stelling (bijlage 2), staat niet dat de waterwinning zal verminderen of verdwijnen. In par. 7.2 staat “De drinkwaterwinning naast het Wierdense veld blijft voorlopig een sterk ontwaterend effect hebben op het veen, evenals ontwatering voor de landbouw. Door ontwatering en een veranderend klimaat blijft de hydrologische situatie zorgwekkend als er niet snel en voldoende wordt ingegrepen.” In hoofdstuk 8 staat vervolgens dat extensivering van de drinkwaterwinning een sterke bijdrage kán leveren aan het versterken van de waterhuishouding. Daaraan wordt echter toegevoegd: “In 2021 is besloten 180 hectare extra te betrekken bij de bufferzone om de situatie te verbeteren en drinkwaterwinning mogelijk te houden. Uit verder onderzoek (M14) en het lopende gebiedsproces dient duidelijk te worden welke maatregelen er nog extra moeten worden genomen om de hydrologie te verbeteren.” Kortom: dat de waterwinning vermindert of geheel verdwijnt, staat niet in de ecologische onderbouwingen. Dekkende aanwezigheid actief hoogveen en haalbaarheid doelen De schrijvers zijn voorts van mening dat het areaal actief hoogveen niet dekkend aanwezig is en dat de doelen voor actief en herstellend hoogveen nooit gehaald kunnen worden, omdat hoogveen onder gunstige omstandigheden slechts 1 mm per jaar kan groeien. Dat het habitattype Actieve hoogvenen in kwalificerende mate voorkomt, is meerdere keren vastgesteld en onafhankelijk getoetst. Dat de doelen voor Actieve en Herstellende hoogvenen gehaald kunnen worden, is eveneens meerdere keren beoordeeld. De aanwezigheid van deze habitattypen en de doelen ervoor zijn reeds in 2018 besproken in de genoemde beroepszaak en bevestigd door de Raad van State. Beheerplan en zichtbaarheid resultaten De schrijvers wijzen erop dat er nog geen beheerplan is, terwijl dit 3 jaar na de aanwijzing klaar had moeten zijn, dus in 2019. Intussen zijn de lekken gedicht in het Wierdense Veld en de resultaten zijn nog niet meetbaar. In de Natuurdoelanalyse (bijlage 2 van de brief) staat hierover: “Hierna heeft GS op 1 oktober 2019 het besluit genomen om het externe gebiedsproces Wierdense Veld tijdelijk stil te leggen en ruimte te nemen om een verkenning te doen naar hoe de maatschappelijke opgaven drinkwaterwinning en natuur ten opzichte van elkaar gewogen moeten wanneer deze strijdig met elkaar blijken te zijn. In dat kader is de provincie een traject gestart om te verkennen of eventueel het aanwijzingsbesluit kan vervallen dan wel worden aangepast. De reactie vanuit de EU was helder. Er is geen mogelijkheid tot aanpassingen en er moet gewerkt worden aan de maatregelen om de natuurdoelen te halen, waarbij er wel kan worden gekeken naar de fasering van de maatregelen. [...] Nadat het duidelijk was dat het aanwijzingsbesluit niet gewijzigd wordt, heeft de provincie in 2021 het uitwerkingsgebied vergroot en extra financiële middelen beschikbaar gesteld.” Hieruit blijkt dus wat de reden is dat er in 2019 nog geen beheerplan was. Om niet twee keer met een vergelijkbaar proces te komen en om geen verschil te hebben tussen beheerplan en inrichtingsplan/projectbesluit laat de provincie beide planvormen samen oplopen. Ik ben overigens wel van mening dat het belangrijk is dat er zo snel mogelijk een beheerplan wordt vastgesteld, niet alleen omdat dat volgens de Omgevingswet noodzakelijk is, maar ook omdat dat duidelijkheid geeft over de noodzakelijke maatregelen in relatie tot de te bereiken doelen. Dat er nog onvoldoende resultaten zijn van genomen maatregelen, is niet verwonderlijk, omdat interne maatregelen onvoldoende zijn. Dat blijkt ook uit het feit dat de provincie het uitwerkingsgebied voor de maatregelen in 2021 heeft vergroot. Damwand De schrijvers zien ten slotte als oplossing de aanleg van een damwand rondom het gebied. Over dit onderwerp heeft de provincie deskundig advies ingewonnen en daarover een standpunt bepaald, namelijk dat de vernattingsvariant ecologisch, technisch en juridisch een betere oplossing is. Daar komt bij dat al een groot deel van de benodigde gronden in eigendom is van provincies of partners. Ik ben het met deze keuze eens. Afsluitend In aanvulling op de inhoudelijke punten die hierboven zijn behandeld, wil ik graag van deze gelegenheid gebruikmaken om mijn zorgen te uiten over de wijze waarop in de meegezonden bijlagen 4, 5 en 6 gesproken wordt over het natuurbeleid en over personen die daarbij betrokken zijn. Ze bevatten insinuaties over hun inzet en intenties die in mijn ogen ongepast zijn. Omdat uw commissie deze stukken nu aan mij voorlegt, wil ik daar hierbij graag afstand nemen. Als minister draag ik de volle verantwoordelijkheid voor het beleid van mijn departement. In die hoedanigheid ben ikzelf graag aanspreekbaar in het politieke en maatschappelijke debat over natuurherstel en een duurzame toekomst voor onze landbouw. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen Letterlijke weergave: “COM stated that in cases such as the one described in Annex 3B Art 6(3) and 6(4) should be applied and not 6(2). Even in the case of an ongoing drinking water abstraction, the procedure under Article 6(3) could be triggered by the review of the relevant permit. So if the activity of drinking water abstraction leads to negative impact, but IROPI and no alternatives can be demonstrated, measures to compensate for the deterioration can be applied, under Article 6(4).”.

Bron, video en gesprek →