Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202626 991VoedselveiligheidNr. 597 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 22 juni 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brief van 23 januari 2026 over o.a.voedselveiligheid (Kamerstuk 26 991, nr. 563).De vragen en opmerkingen zijn op 13 mei 2026 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 22 juni 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Sjerp kst-26991-597ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5971 InhoudsopgaveVragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoonI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2D66-fractie2VVD-fractie2PRO-fractie3PVV-fractie5CDA-fractie6BBB-fractie7PvdD-fractie9SP-fractie11Groep Markuszower11II.Reactie van de Minister13 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie danken de Minister voor de brief overVoedselveiligheid en problematiek rondom stikstof en PFAS. Daartoehebben deze leden enkele vragen.PFAS kent grote risico’s voor de volksgezondheid. Daarom achten deleden van de D66-fractie het belangrijk om het gebruik hiervan zoveelmogelijk terug te dringen en te voorkomen dat het resterende verblijfhiervan onacceptabele risico’s met zich meebrengt. In het coalitieakkoordis afgesproken dat Nederland kartrekker gaat worden voor een Europeesverbod op PFAS. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie wat hierinmomenteel de stand van zaken is: welke acties zijn tot dusver al onder-nomen en welke acties worden er de komende tijd nog verwacht?Daarnaast achten de leden van de D66-fractie het belangrijk omPFAS-houdende producten bij consumenten terug te dringen. Daartoevragen deze leden of de genoemde verkenning al gestart is en wanneer deresultaten verwacht worden.De leden van de D66-fractie lezen dat het momenteel nog niet mogelijk isom hobbykippenhouders een advies te geven hoe de PFAS in hun eierente verminderen. Consumenten kunnen hun eieren kunnen laten testen bijeen laboratorium om te weten hoeveel PFAS erin zit; daartoe vragen deleden van de D66-fractie of de mogelijkheid verkend wordt om dit gratis temaken?Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie nog een vraag over deNutri-Score. Zo stelt de Gezondheidsraad dat het van belang is dat deNutri-Score beter aansluit op de huidige geldende voedingsadviezen. Kande Minister aangeven of er acties ondernomen worden om het advies vande Gezondheidsraad over Nutri-Scores op te volgen?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendestukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.De leden van de VVD-fractie zijn groot voorstander van de Nederlandseambities op het gebied van biotechnologie. In het rapport van PeterWennink wordt de sector nadrukkelijk benoemd als een belangrijke pijlerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5972 onder het toekomstige Nederlandse verdienvermogen. Ook op het gebiedvan kweekvlees en precisiefermentatie hebben genoemde leden vanuit decommissie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) reedsmeerdere moties ingediend. In een recent breed aangenomen motiehebben deze leden bovendien opgeroepen tot het opstellen van eeninnovatieagenda voor de biotechnologie. De leden van de VVD-fractievinden het daarbij van groot belang dat de Ministeries van VWS en LVVNnauw samenwerken. Vanuit dat kader hebben zij de volgende vragen aande Minister. Zijn de Ministers van VWS en LVVN voornemens gezamenlijkinvulling te geven aan de innovatieagenda voor biotechnologie? Zo ja, opwelke wijze wordt deze samenwerking vormgegeven? Kan de Ministeraangeven hoe het bedrijfsleven en de kennisinstellingen bij deze agendaworden betrokken?De leden van de VVD-fractie ontvangen vanuit de biotechsector signalendat de huidige eisen rondom regelgeving, toezicht, handhaving enmarkttoelating in de praktijk innovatie kunnen vertragen. Daarbij wordtonder meer gewezen op langdurige procedures voor Europese markttoe-lating van Novel Foods, die in de praktijk vaak langer duren dan debeoogde termijn van één tot twee jaar. Herkent de Minister deze signalen?Welke mogelijkheden ziet de Minister, zowel nationaal als in Europeesverband, om toelatingsprocedures efficiënter en voorspelbaarder temaken, zodat innovatieve producten sneller toegang krijgen tot de marktzonder afbreuk te doen aan voedselveiligheid? Kan de Minister daarbijtevens reflecteren op de gevolgen die langdurige en complexe procedureskunnen hebben voor het Europese investeringsklimaat, het aantrekkenvan durfkapitaal en het behoud van innovatieve biotechbedrijven binnenNederland en Europa?De Europese Commissie stelt, in het Omnibuspakket voedsel- endiervoederveiligheid voor, dat met name de aanwezigheid van levendecellen relevant is vanuit het oogpunt van voedselveiligheid enhandhaving. In het BNC-fiche lezen de leden van de VVD-fractie echter datNederland eventuele DNA-residuen tot een minimum beperkt wil houden.Kan de Minister toelichten waarom Nederland op dit punt een anderebenadering kiest dan de Europese Commissie en op welke inzichten dezeinzet is gebaseerd?De leden van de VVD-fractie hebben signalen ontvangen dat de EuropeseCommissie mede op initiatief van Nederland aanstuurt op het onder-brengen van microbiële culturen binnen de additievenregelgeving. Dit zoubetekenen dat voor dergelijke toepassingen dezelfde toelatingsroute gaatgelden als voor chemische stoffen in voedingsmiddelen. Kan de Ministertoelichten waarom voor deze route wordt gekozen en hoe deze keuze zichverhoudt tot het streven om innovatie binnen de biotechsector testimuleren?Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendestukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.Naar aanleiding van het thema/brief inzake Voedselveiligheid. De ledenvan de PRO-fractie vragen de Minister een zienswijze te delen over deEuropese Omnibus Food & Feed en de mogelijke aanpassing van deregels voor toelating en (her)beoordeling van pesticiden en de werkzamestoffen daarin. Hoe kijkt de Minister vanuit haar beleidsverantwoorde-lijkheid voor volksgezondheid naar de mogelijke impact van dezeOmnibus op de voedselveiligheid? Zal de Minister de expertise van haardepartement verlenen aan haar collega van LVVN zodat gezondheid sterkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5973 wordt meegewogen in het definitieve kabinetsstandpunt over de OmnibusFood & Feed? Zal de Minister ervoor zorgen dat overwegingen aangaandevolksgezondheid prioriteit krijgen boven particuliere of publieke financiëlebelangen? Verder vragen deze leden of de Minister al eigen analyses heeftlaten maken over het Omnibusvoorstel. Zo ja, kan de Minister die met deKamer delen? Zo nee, bent u voornemens alsnog dergelijke analyses telaten uitvoeren?Naar aanleiding van het thema/brief inzake NVWA handhaving peutermelkvervolg 2020. De leden van de PRO-fractie lezen in de brieven van juni2020 (Kamerstuk 31 532, nr. 250) en van maart 2022 (Kamerstuk 26 991, nr.581) dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) destijds isverzocht om bij peutermelk niet te handhaven op aspecten die welvoldoen aan de oude regels voor producten voor bijzondere voeding(Richtlijn 2009/39/EG), maar vanaf 20 juli 2016 niet aan de Europese (ennationale) regels die gelden voor gewone levensmiddelen. Kan deMinister toelichten wat de huidige stand van dit dossier is? Zijn allecontroles volledig hernomen of zijn er op heden nog aspecten die nietworden gehandhaafd? Zo nee, hadden dergelijke controles kunnen helpenom eventuele besmettingen met cereulide te kunnen voorkomen, zoalsmogelijks in februari jl. gebeurde op basis van babyvoeding van Nestlé enDanone?De leden van de PRO-fractie vragen verder wat de stand is van hetonderzoek van de NVWA en de Stichting Controle Orgaan KwaliteitsZaken (COKZ) naar de bron van besmetting van babyvoeding metcereulide, alsook het onderzoek naar de vraag of meldingen van bedrijventijdig en volledig zijn gedaan. Kan de Minister hierover een update geven?Voorts is er sinds 2 februari 2026 een nieuwe Europese grenswaarde van0,014 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht geldig. In welkemate wordt hierop reeds gecontroleerd in Nederland? Welke aandeel vande in Nederland verkochte babyvoedingsproducten voldoen metzekerheid aan die nieuwe norm?De leden van de PRO-fractie merken op dat recente incidenten rondtoxische stoffen niet tot voedsel waren beperkt, maar ook op anderewaren betrekking hadden, zoals asbest in speelzand en kinderspeelgoed.Welke concrete stappen zijn er sinds februari jl. al door Nederland gezetom in Europees verband de grenswaarde voor asbest in speelgoed aan tescherpen? Welke stappen zal de Minister dit jaar nog zetten in die zin? Zalde Minister op basis van de verschillende recente incidenten rondtoxische stoffen in voeding en andere waren nieuw beleid voorstellen ompreventie te versterken? Zo ja, welke opties onderzoekt de Ministermomenteel? Zo nee, waarom niet?Naar aanleiding van het thema/brief inzake Aanpak veiligheid voedings-supplementen. De leden van de PRO-fractie stellen vast dat in 2020 detoezichtscapaciteit voor deze omvangrijke voedingssupplementenbrancheklein was, hoewel destijds bleek dat een aanzienlijk aantal bedrijven zichonvoldoende aan de wettelijke eisen voor voedselveiligheid hielden. Kande Minister aangeven hoeveel bedrijven uit deze sector de afgelopen 3jaar zijn geïnspecteerd? Welk percentage van het totaal aantal bedrijvenuit de voedingssupplementenbranche zijn geïnspecteerd? In welke mate issinds 2020 de toezichtscapaciteit toegenomen of juist gekrompen?Naar aanleiding van het thema/brief inzake Ontwikkelingen voedselveilig-heidsbeleid. De leden van de PRO-fractie lezen dat de VWS-middelen voorde NVWA onvoldoende meestijgen met de grote kostenstijging van deNVWA en dat mede daardoor minder toezichttaken door de NVWA kunnenworden opgenomen. Kan de Minister toelichten welke impact deze lagereTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5974 toezicht heeft op het risico op voedselveiligheidsincidenten? Hoeveelbijkomende middelen zou de NVWA op jaarlijkse basis nodig hebben omalle toezichtstaken naar behoren uit te voeren, inclusief het opnieuwuitvoeren van taken waarmee de NVWA gestopt is naar aanleiding van definanciële kaders?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendestukken over Voedselveiligheid en hebben daarover nog enkele vragen enopmerkingen.Deze leden onderschrijven dat goed toezicht, stevige handhaving enduidelijke normstelling noodzakelijk zijn waar het gaat om voedselvei-ligheid. De overheid heeft de taak om consumenten te beschermen tegenvervuiling en risico’s in voedsel. Tegelijkertijd mag die inzet er niet toeleiden dat de vrijheid van burgers om zelf in voedsel te voorzien steedsverder wordt teruggedrongen. Voor deze leden is dat een principieel punt.Het uitgangspunt moet zijn dat mensen in vrijheid zelf voedsel moetenkunnen produceren, houden en consumeren, en dat de overheidvervolgens de taak heeft om de leefomgeving schoon en veilig te maken.De leden constateren dat uit de stukken een duidelijke rode draad naarvoren komt. Sinds het fipronil-incident is sterk ingezet op versterking vanketenborging, private kwaliteitssystemen, vroegsignalering en betertoezicht. Dat is begrijpelijk. Maar juist de PFAS-problematiek laat zien datde grootste bedreiging voor voedselveiligheid in toenemende mate nietalleen in de keten zelf zit, maar in een vervuilde leefomgeving, waardoorook lokaal geproduceerd voedsel en eieren van eigen kippen besmetkunnen raken. Deze leden vragen de Minister daarom te bevestigen dat inzulke gevallen niet het zelf produceren van voedsel het eigenlijkeprobleem is, maar de aanwezigheid van schadelijke stoffen in bodem,water en voedselketen.De leden van de PVV-fractie lezen dat voor eieren van hobbykippen hetadvies luidt dat men er beter voor kan kiezen deze niet te eten, terwijleieren uit de supermarkt, markt of speciaalzaak als veilig wordenaangemerkt omdat zij onder Europese wetgeving vallen en wordengecontroleerd. Deze leden vragen of de Minister het wenselijk acht dat defeitelijke beleidsuitkomst voor burgers steeds vaker neerkomt op: koophet liever in de winkel dan het zelf te produceren.Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat inmiddels beter bekend iswaar de PFAS in hobbykipeieren vandaan komt, namelijk vooral uitregenwormen en mogelijk andere kleine bodemdieren, maar dat dit noggeen praktisch handelingsperspectief oplevert voor houders vanhobbykippen. Deze leden vragen de Minister waarom de kennis over debron wel is toegenomen, maar dit nog niet heeft geleid tot concretehandelingsopties voor burgers om hun eieren veilig te kunnen blijvenconsumeren. Zij vragen de Minister welke maatregelen op dit momentworden onderzocht om de vervuilingsroute via de leefomgeving daadwer-kelijk terug te dringen, in plaats van zich te beperken tot een consumptie-advies. Daarbij benadrukken de leden van de PVV-fractie dat zij willenvoorkomen dat de terechte aandacht voor PFAS-vervuiling wordtmisbruikt om opnieuw generieke druk te zetten op woningbouw,economische ontwikkeling of de agrarische sector, terwijl de kernopgavejuist moet zijn om concrete vervuilingsbronnen doelgericht aan te pakkenen burgers hun vrijheid terug te geven om veilig zelf voedsel te produ-ceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5975 Deze leden vragen de Minister ook hoe zij voorkomt dat de overheid bij ditsoort dossiers ongemerkt opschuift van voedselveiligheidsbeleid naargedragssturing van burgers. De leden van de PVV-fractie vragen waarvoor de Minister de grens ligt tussen waarschuwen voor een reëel risicoen het feitelijk ontmoedigen van kleinschalige, particuliere voedselpro-ductie. Ook vragen zij of de Minister bereid is als uitgangspunt te hanterendat niet de vrijheid om zelf voedsel te produceren moet worden ingeperkt,maar dat de overheid ervoor moet zorgen dat de omgeving waarin datgebeurt schoner en veiliger wordt gemaakt. De leden van de PVV-fractieonderstrepen dat de vervuilde leefomgeving geen nieuw excuus magworden om Nederland verder op slot te zetten.Tot slot vragen genoemde leden hoe deze lijn zich verhoudt tot de bredereontwikkeling in het voedselveiligheidsbeleid. Hoe wordt door de Ministergeborgd dat zelfvoorziening, kleinschaligheid en de vrijheid van burgersom zelf dierlijke producten te houden en te consumeren niet stelselmatigin de verdrukking raken, als de overheid steeds meer nadruk legt opcontrole, toezicht en gereguleerde ketens? De leden van de PVV-fractievragen de Minister uiteen te zetten welke plaats zij toekent aan dezevrijheid binnen het voedselveiligheidsbeleid van de komende jaren.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendestukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.Naar aanleiding van het thema/brief inzake Private borging voedselketens.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de ontwikke-lingen rondom private borging van voedselketens en zijn van mening datde rol die private partijen nemen goed aansluit bij het benutten van dekracht van de agrarische sector. Deze leden hebben aanvullende vragen.De leden van de CDA-fractie onderschrijven de zorgen rondom hetprobleem van free rider gedrag bij private certificering. Deze leden vragende Minister om mogelijkheden uit te werken om dit free riders gedragtegen te kunnen gaan en deze te delen met de Kamer.De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan inzet op hetversterken van nationale voedselketens waar mogelijk. Deze leden hebbenkennisgenomen van de constatering dat verwerkende en retailbedrijvende website ketenborging.nl weinig gebruiken om zich aan Nederlandseinitiatieven te binden. Deze leden vragende Minister te inventariseren hoedit gestimuleerd kan worden, zodat de website ketenborging.nl benutwordt.Naar aanleiding van het thema/brief inzake Zesde voortgangsrapportageKansrijke Start. De leden van de CDA-fractie maken graag van degelegenheid gebruik om aanvullende en verduidelijkende vragen testellen over de aanpak Kansrijke Start.De leden van de CDA-fractie vinden het Actieprogramma Kansrijke Starteen zeer goed initiatief en vinden het dan ook goed dat er in het coalitieak-koord is afgesproken dat er geïnvesteerd gaat worden in het Actiepro-gramma Kansrijke Start. Deze leden zouden graag van de Minister horenop welke wijze het kabinet het programma gaat versterken en waar hetkabinet voornemens is de investeringen concreet te laten landen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5976 De leden van de CDA-fractie horen graag van de Minister hoe het staatmet de voortgang van de opvolging van de motie ingediend door het lidPoortman c.s. over voorstellen voor uitbreiding van het programmaKansrijke Start (Kamerstuk 32 279, nr. 286).Naar aanleiding van het thema/brief inzake Beantwoording openstaandevragen over import van rundvlees uit Brazilië met oestradiol. De leden vande CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op de import vanrundvlees uit Brazilië met oestradiol. Deze leden hechten belang aan eengelijk speelveld voor Europese ondernemers die vaak aan hogere eisenvoldoen dan producten die geïmporteerd worden wat de Europesevoedselmarkt niet ten goede komt. Deze leden vragen de Minister wat deinzet is van Nederland in Europees verband om enerzijds normen dievoedselveiligheid garanderen te waarborgen en tegelijkertijd te pleitenvoor een gelijk speelveld.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven enoverige stukken over Voedselveiligheid. Deze leden willen vooropstellendat voedselveiligheid van het hoogste belang is. Tegelijkertijd constaterenzij dat Nederland in toenemende mate afhankelijk is van import vanvoedselproducten uit landen buiten de EU, terwijl juist herhaaldelijk blijktdat daar significante voedselveiligheidsrisico’s en structurele tekortko-mingen in toezicht en handhaving bestaan. Dat roept fundamentelevragen op.De leden van de BBB-fractie benadrukken dat Nederland en de EUbeschikken over een van de strengste voedselveiligheidsstelsels terwereld. In meerdere brieven wordt bevestigd dat het vertrouwen inNederlands voedsel hoog is en dat de voedselveiligheid hier structureelop orde is. Tegelijkertijd zien deze leden dat incidenten met besmetvoedsel in de praktijk vaak voortkomen uit importstromen, zoalsethyleenoxide in sesamzaad uit India, Hepatitis A via blauwe bessen uitPolen, en recente meldingen rondom vleesimporten en controles in derdelanden zoals China en Brazilië. Dit bevestigt in de ogen van deze leden eenstructureel patroon: waar we in Nederland en de EU streng reguleren,ontstaan risico’s vooral daar waar we afhankelijk zijn van import uitsystemen met lagere of aantoonbaar onvoldoende borging.De leden van de BBB-fractie vinden daarom dat het uitgangspunt scherpermoet worden: wat hier niet geproduceerd mag worden, mag ook nietgeïmporteerd worden. Gelijke eisen aan importproducten zijn daarbijessentieel, maar deze leden vragen of dat in de praktijk wel voldoendewordt gehandhaafd en of de huidige controlecapaciteit van NVWA enEuropese systemen (zoals Rapid Alert System for Food and Feed – RASFF)wel toereikend is om risico’s vroegtijdig uit te sluiten in plaats vanachteraf te moeten ingrijpen.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast specifiek naar voorbeeldenvan voedselveiligheidsincidenten met geïmporteerde producten in deafgelopen vijf jaar. Kan de Minister een overzicht geven van de incidentenwaarbij verboden stoffen of ziekteverwekkers zijn aangetroffen inimportproducten, de herkomstlanden van deze producten en de uiteinde-lijke volksgezondheidsimpact (aantal zieken, ziekenhuisopnames, etc.)?Deze leden wijzen in dit verband ook op recente EU-audits waaruit blijktdat controlesystemen in derde landen, zoals China bij pluimveevleesonvoldoende garanties bieden voor naleving van EU-standaarden. Hoebeoordeelt de Minister deze bevindingen in relatie tot de huidigeimportafhankelijkheid van Nederland en de EU? En welke concreteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5977 consequenties worden hieraan verbonden, bijvoorbeeld in de vorm vanstrengere importrestricties of herziening van handelsstromen?De leden van de BBB-fractie zijn ook geschrokken van het meest recenteEfsa-rapport1 over gewasbeschermingsmiddel-residuen op voedsel,waaruit bleek dat voedsel geïmporteerd van buiten de EU drie keer zovaak niet voldeed aan de veiligheidseisen als voedsel van binnen de EU.Genoemde leden zien hierin een enorm risico voor niet alleen devoedselveiligheid, maar ook de volksgezondheid en de veiligheid vanonze gewassen en dieren, omdat bij overmatig gebruik van bepaaldemiddelen in het buitenland uiteraard resistente bacteriën, schimmels enandere plagen kunnen ontstaan, die bij import van goederen mee kunnenkomen naar Nederland.Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister de balans ziettussen handelsbelangen en voedselveiligheid. Is de Minister bereid omhet principe te onderschrijven dat producten die in de EU niet zijntoegestaan om te produceren vanwege gezondheids- of milieurisico’s, ookniet via import op de Europese markt terecht zouden moeten kunnenkomen? Zo nee, waarom niet? Hoe beziet de Minister in dat licht deafspraken in het Mercosur-verdrag? Hoe groot acht zij de kans dat doormeer import van buitenlands voedsel, ook (multi)resistente bacteriën,schimmels, virussen en andere ziekteverwekkers geïmporteerd worden?Kan de Minister hierin meenemen dat op geen enkele manier getest wordtvoor resistentie van ziekteverwekkers die mogelijk mee geïmporteerdworden en dat uit het rapport «zoönosen in het vizier’2 expliciet gewaar-schuwd is dat Nederland door de grote hoeveelheid handel en doorvoervan goederen al juist heel kwetsbaar is voor uitbraken die in hetbuitenland ontstaan. Deelt de Minister de mening dat duidelijk is datproductie van voldoende voedsel in Nederland een veiligere basis is dande inzet op verlagen van de productie en daarnaast inzet op import vanuithet buitenland, omdat toezicht en handhaving op voedselveiligheiddaardoor veel moeilijker wordt en we onze volksgezondheid daardoormogelijk in gevaar brengen?De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor proportiona-liteit in voedselveiligheidsbeleid. Deze leden constateren dat kleinschaligeNederlandse producenten, zoals boeren met een melktap, steeds verderworden belast met aanvullende eisen en controles, terwijl uit eerderebeantwoording van Kamervragen blijkt dat de noodzaak van sommigemaatregelen moeilijk hard te maken is met concrete uitbraakgegevens.Kan de Minister aangeven hoeveel bewezen ziektegevallen in deafgelopen jaren daadwerkelijk direct herleidbaar waren tot rauwe melkafkomstig van Nederlandse melktappunten, specifiek voor salmonella,campylobacter en STEC? Acht de Minister het proportioneel om maande-lijkse testverplichtingen op te leggen aan kleinschalige Nederlandseproducenten wanneer de omvang van het aantoonbare risico beperkt lijkt,terwijl tegelijkertijd herhaaldelijk ernstige voedselveiligheidsincidentenoptreden bij geïmporteerde producten uit derde landen?Hoe voorkomt de Minister dat voedselveiligheidsbeleid doorslaat inadministratieve lasten voor Nederlandse boeren en streekproducenten,terwijl consumenten tegelijkertijd via importproducten bewezen wordenblootgesteld aan risico’s uit landen waar toezicht en handhavingaantoonbaar minder betrouwbaar zijn?1Pesticide residues in food: latest data released | EFSA2https://open.overheid.nl/documenten/ronl-5d9e7238-d6ab-4070-88c7-b8be8abfe037/pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5978 Daarnaast hebben deze leden zorgen over de toenemende meldings- enterugroepcultuur. In de beleidsregel rond het binnen vier uur melden vanmogelijke voedselveiligheidsrisico’s zien zij een spanning ontstaan tussensnelheid en proportionaliteit. Snelheid is belangrijk, maar deze ledensignaleren ook dat meldingen regelmatig leiden tot grote maatschappe-lijke onrust terwijl achteraf blijkt dat er geen daadwerkelijk voedselveilig-heidsrisico was. Dit roept de vraag op of het systeem niet te gevoelig isingericht, waardoor het «vals alarm»-effect optreedt. Erkent de Ministerdat een te lage drempel voor melding kan leiden tot onnodige onrust bijconsumenten en verminderde effectiviteit van het systeem?De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarom inzichtelijk temaken hoe vaak in de afgelopen vijf jaar een melding op grond van devier-uursmeldplicht is gedaan waarbij achteraf is vastgesteld dat er geensprake was van een reëel voedselveiligheidsrisico. Graag uitgesplitst perjaar en waar mogelijk per sector of productgroep. Hoe vaak heeft ditgeleid tot terugroepacties, publieke waarschuwingen of RASFF-meldingendie achteraf gezien niet noodzakelijk bleken? Welke kosten, maatschappe-lijke impact en reputatieschade zijn hiermee gemoeid geweest voorbedrijven en sectoren? Acht de Minister het wenselijk om het huidigesysteem van voedselveiligheidsmeldingen en snelle waarschuwingen teevalueren op proportionaliteit, zodat beter onderscheid wordt gemaakttussen daadwerkelijke risico’s en vermoedens die achteraf ongegrondblijken? Zo nee, waarom niet?Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoekvan het Voedingscentrum, waaruit blijkt dat 65% van de consumentenchemische voedselrisico’s, zoals per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS),bestrijdingsmiddelen en microplastics, hoog inschat. Genoemde ledenconstateren tegelijkertijd dat consumenten vanwege deze zorgen door hetVoedingscentrum worden geadviseerd om gevarieerd te eten om de kanste verkleinen dat mensen te veel schadelijke stoffen binnenkrijgen, terwijldeze leden ondertussen weinig bereidheid zien van het kabinet om tevoorkomen dat er überhaupt schadelijke stoffen in voedsel terechtkomen.De leden van de PvdD-fractie vragen aan de Minister waarom hetvoorkomen van gezondheidsrisico’s hiermee vooral bij consumentenwordt gelegd, terwijl dit primair bij de producenten en bij de overheid zoumoeten liggen. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf en het kabinet inbescherming van gezondheid van burgers en welke extra stappen bent ubereid te zetten om die gezondheid te beschermen als het gaat omschadelijke stoffen in voedsel? Kan de Minister dit zo concreet mogelijkmaken?De leden van de PvdD-fractie constateren bovendien dat niet alleen devraag beantwoord moet worden of voedsel veilig is om te consumeren,maar ook de vraag hoe de productie van voedsel via de leefomgeving devolksgezondheid schaadt, bijvoorbeeld door de grote hoeveelhedenbestrijdingsmiddelen die daarbij gebruikt worden waardoor aantoonbaarPFAS in het drinkwater en in de grond terechtkomen. Via voedsel endrinkwater samen ligt de hoeveelheid PFAS die Nederlanders binnen-krijgen volgens het RIVM nu al boven de gezondheidskundige grens-waarde, wat schadelijk is voor de gezondheid. Genoemde leden hebbenook kennisgenomen van het meest recente onderzoek van het RIVM over«PFAS in lokaal voedsel», waaruit blijkt dat lokaal voedsel (kortom voedseldat lokaal in Nederland geproduceerd wordt) meer PFAS kan bevatten danvoedsel uit de winkel en dat het eten ervan kan leiden tot een hogereinname van PFAS. Zij vragen daarom of het kabinet al kan aangeven watze extra gaat doen om Nederlanders beter te beschermen tegen PFAS inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 5979 de herziene Wet gewasbeschermingsmiddelen die na de zomer naar deKamer zal komen.De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de Minister kijkt naar deuitspraken van de voorzitter van het College voor de toelating vangewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) in de LeeuwarderCourant van december 2025, waarin hij noemt dat als het Ctgb een middeltoelaat, het niet betekent dat er geen risico’s zijn. Deze leden vragen of deMinister kan toelichten of hiermee Nederlanders niet onnodig wordenblootgesteld aan middelen die mogelijk schadelijke stoffen bevatten.Verder benadrukte de voorzitter van het Ctgb ook dat er een verschil zittussen de normen waarmee men toetst of een waterlichaam aan deKaderrichtlijn Water (KRW) voldoet en de toelatingsnormen voorbestrijdingsmiddelen, en dat het Ctgb aan het Ministerie van LVVN heeftgevraagd om ook middelen te kunnen toetsen op KRW-normen, maardaar nog niet de volledige ruimte voor heeft gekregen. Genoemde ledenvragen of de Minister hier een reactie op kan geven en kan uitleggenwaarom het Ctgb nog niet voldoende ruimte heeft gekregen om detoelatingsnormen voor bestrijdingsmiddelen in lijn te brengen met deKRW-normen.De leden van de PvdD-fractie hebben ook met bezorgdheid het recentePFAS-advies van het Ctgb van 19 januari 2026 gelezen en met verbazingkennisgenomen van het feit dat het Ctgb pas uiterlijk 30 april 2028 eenbesluit neemt, terwijl Denemarken een direct verbod instelt. Volgens hetCtgb zijn de besluiten van Denemarken mede gebaseerd op nationalewetgeving omtrent persistentie en beschikt Nederland niet over ditnationale kader, waardoor Nederland het Europese artikel 44-proces moetdoorlopen. Kan de Minister ook in Nederland voor een dergelijk nationaalkader zorgen zoals in Denemarken? Wat is in theorie, nog los van depolitieke wenselijkheid, de snelste manier om zoiets in Nederland teregelen en wat is daarvoor nodig?De leden van de PvdD-fractie constateren voorts dat hetPFAS-onderzoeksprogramma, uitgevoerd door het RIVM in opdracht vande Ministeries van IenW, LVVN en VWS, afloopt in 2026. Het doel van hetprogramma is om goed in beeld te krijgen hoe de blootstelling van deNederlandse bevolking aan PFAS vermindert kan worden. Deze ledenvragen welke signalen de Minister van het RIVM verwacht en of er alconcrete acties staan gepland om opvolging te geven aan de conclusiesvan het onderzoeksprogramma, gezien de urgentie van hetPFAS-probleem?De leden van de PvdD-fractie hebben ook kennisgenomen van het berichtdat de Minister convenanten wil sluiten met onder andere boeren,tuinders en natuurorganisaties om het gebruik van giftige bestrijdings-middelen te verminderen. Deze leden vragen waarom gekozen is voor devorm van convenanten, terwijl bekend is dat convenanten lastig contro-leerbaar en handhaafbaar zijn en er volgens het Kenniscentrum voorBeleid en Regelgeving het risico bestaat dat een convenant toch tevrijblijvend is. Waarom kiest de Minister in plaats van convenanten nietvoor scherpere wetgeving, met daarnaast hulp aan boeren? Genoemdeleden vragen ook waarom deze convenanten pas vanaf 2027 in werkingtreden en of dit niet eerder kan. Hoe gaat de Minister precies de afsprakenin het convenant monitoren en handhaven? Wordt de monitoringonafhankelijk gedaan en zo ja, door wie? Hoe ziet de handhaving eruit enwelke gevolgen zijn er als er niet aan de afspraken wordt voldaan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59710 Tot slot hebben de leden van de PvdD-fractie kennisgenomen van demeest recente brief (van 8 juli 2025) over de ontwikkelingen van hetvoedselveiligheidsbeleid. Genoemde leden constateren dat het vorigekabinet de aandachtspunten van het rapport «Verkenning van potentiëleeffecten klimaatverandering op voedselveiligheid in Nederland» inoverweging zou nemen voor toekomstig voedselveiligheidsbeleid. Hetrapport noemt een aantal voorbeelden van mogelijke effecten vanklimaatverandering op de voedselveiligheid, zoals de toename vantoxinen in voedsel, hogere besmettingsniveaus van pathogene micro-organismen in voedsel en verminderde houdbaarheid van voedsel. Hetrapport wijst daarnaast op «de mogelijke kennisleemtes in de borging vande voedselveiligheid», zoals het voorbereid zijn op de combinatie vanweersextremen als hitte, droogte en nattigheid om risico’s voor devoedselveiligheid te beperken. De leden vragen hoe het nieuwe kabinetmet de conclusies uit dit rapport verder gaat en wat zij eraan gaat doenom deze effecten zo veel mogelijk te beperken.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerdestukken over Voedselveiligheid. Zij hebben nog een aantal vragen enopmerkingen hierover.De leden van de SP-fractie constateren dat de huidige regelgevingrondom gewasbestrijdingsmiddelen nog een aantal kwetsbaarheden kent.Zo is het nog altijd mogelijk om een combinatie van verschillendepesticiden te gebruiken, waardoor de totale hoeveelheid residu een stukhoger ligt dan het maximum van een enkel middel. Is de Minister bereidom te onderzoeken of dit moet worden aangescherpt?Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van debeleidstukken aangaande Voedselveiligheid en hebben voor dit momentgeen vragen en/of opmerkingen.Bijlage I: brieven regering/Minister/Staatssecretaris inzakeVoedselveiligheid.1.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins –23 januari 2020 Omzetgerelateerde boete Warenwet – Kamerstuk26 991, nr. 563.2.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, M.J. van Rijn – 26 juni2020 NVWA handhaving peutermelk vervolg 2020 – Kamerstuk31 532, nr. 2503.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark –16 oktober 2020 Incident ethyleenoxide in sesamzaad – Kamerstuk26 991, nr. 5724.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark –14 december 2020 Aanpak veiligheid voedingssupplementen –Kamerstuk 31 532, nr. 2585.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark –17 december 2020 Stand van zaken toezeggingen voedsel- enproductveiligheid – Kamerstuk 26 991, nr. 5756.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark –21 december 2020 Derde voortgangsrapportage actieplan voedsel-veiligheid – Kamerstuk 26 991, nr. 5767.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark – 6 april2021 RIVM risicobeoordeling kruidenpreparaten met sint-janskruid –Kamerstuk 31 532, nr. 262Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59711 8.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark – 6 april2021 Private borging voedselketens – Kamerstuk 26 991, nr. 5779.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, P. Blokhuis – 11 maart 2021 Reactie op het advies van deGezondheidsraad over de voedingsnormen voor eiwitinname –Kamerstuk 31 532, nr. 6010.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, P. Blokhuis – 12 november 2021 Onderzoek voedselveilig-heidsincident Listeria 2019 – Kamerstuk 26 991, nr. 57911.Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.J. Kuipers – 22 maart 2022 Evaluatie actieplan voedselveiligheiden actuele ontwikkelingen binnen het voedselveiligheidsbeleid –Kamerstuk 26 991, nr. 58112.Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.J. Kuipers – 14 december 2022 Contaminatie in het vlees van«grote grazers» in uiterwaarden – Kamerstuk 26 991, nr. 58313.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, M. van Ooijen – 11 april 2023 Zesde voortgangsrapportageKansrijke Start – Kamerstuk 32 279, nr. 23814.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, M. van Ooijen – 25 april 2023 Invoering Nutri-Score alsvrijwillig voedselkeuzelogo in Nederland – Kamerstuk 32 793, nr. 69115.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, M. van Ooijen – 17 april 2023 Rapport Marketing voorvoedingsproducten, Monitor kindermarketing en de procesevaluatiecentrale zorgverlener – Kamerstuk 31 532, nr. 27916.Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.J. Kuipers – 5 juli 2023 Ontwikkelingen voedselveiligheidsbeleid –Kamerstuk 26 991, nr. 58417.Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,C. Helder – 29 januari 2024 Reactie op Brandbrief «Neem deonafhankelijke wetenschap serieus bij het besluit over glyfosaat vanNatuur en Milieu namens 159 onafhankelijke wetenschappers» –Kamerstuk 27 858, nr. 64618.Brief regering – Minister voor Medische Zorg, P.A. Dijkstra –13 maart 2024 Buro advies PFAS in hobbykip eieren en onderzoeknaar PFAS in bepaalde vissoorten – Kamerstuk 26 991, nr. 58719.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, V.P.G. Karremans – 20 september 2024 PFAS-onderzoeksprogramma en enkele PFAS-actualiteiten – Kamerstuk35 334, nr. 30320.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, V.P.G. Karremans – 15 januari 2025 Besmetting Hepatitis Avirus na consumptie blauwe bessen – Kamerstuk 26 991, nr. 59021.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, V.P.G. Karremans – 3 maart 2025 Appreciatie motie Flach c.s.over de accreditatie van private laboratoria die voldoen aan dekwaliteitsstandaarden (Kamerstuk 33 835, nr. 236) – Kamerstuk33 835, nr. 24722.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, V.P.G. Karremans – 15 april 2025 PFAS in particulierekippeneieren – Kamerstuk 35 334, nr. 36123.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, J.Z.C.M. Tielen – 8 juli 2025 Ontwikkelingen voedselveilig-heidsbeleid – Kamerstuk 26 991, nr. 59124.Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport, J.Z.C.M. Tielen – 11 februari 2026 Beantwoording open-staande vragen over import van rundvlees uit Brazilië met oestra-diol – Kamerstuk 26 991, nr. 592Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59712 25.Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,S.T.M. Hermans – 16 maart 2026 Twee RIVM-producten over PFAS inlokaal voedsel – Kamerstuk 26 991, nr. 593II. Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie danken de Minister voor de brief overVoedselveiligheid en problematiek rondom stikstof en PFAS. Daartoehebben deze leden enkele vragen.PFAS kent grote risico’s voor de volksgezondheid. Daarom achten deleden van de D66-fractie het belangrijk om het gebruik hiervan zoveelmogelijk terug te dringen en te voorkomen dat het resterende verblijfhiervan onacceptabele risico’s met zich meebrengt. In het coalitieakkoordis afgesproken dat Nederland kartrekker gaat worden voor een Europeesverbod op PFAS. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie wat hierinmomenteel de stand van zaken is: welke acties zijn tot dusver al onder-nomen en welke acties worden er de komende tijd nog verwacht?Nederland heeft samen met Duitsland, Denemarken, Noorwegen enZweden een restrictievoorstel voor PFAS ingediend bij het EU-agentschapvoor chemische stoffen (ECHA). Het betreft een initiatief om de productieen het gebruik van de volledige groep van ruim 10.000 PFAS-chemicaliënin de EU drastisch aan banden te leggen.Het ECHA heeft de wetenschappelijke beoordeling van het restrictie-voorstel bijna afgerond. De opinie over de risico’s is eerder dit jaarvastgesteld. De concept-opinie over de sociaaleconomische aspecten isinmiddels afgerond en heeft daarna voorgelegen in openbareraadpleging. Deze raadpleging is inmiddels gesloten, waardoor ook dezeopinie naar verwachting vóór het einde van dit jaar definitief kan wordenvastgesteld. Vervolgens zal de Europese Commissie, naar verwachtingmedio volgend jaar, een definitief voorstel ter discussie en vaststellingaan de lidstaten voorleggen. Nederland heeft zowel het agentschap als deCommissie waar mogelijk ondersteund. Na ontvangst zal het kabinet eenstandpunt innemen en de Kamer hierover informeren.Daarnaast achten de leden van de D66-fractie het belangrijk omPFAS-houdende producten bij consumenten terug te dringen. Daartoevragen deze leden of de genoemde verkenning al gestart is en wanneer deresultaten verwacht worden.Op dit moment wordt gewerkt aan de opdrachtverlening voor eenonderzoek of en voor welke producten een PFAS-label behulpzaam kanzijn voor consumenten. De Kamer zal voor eind dit jaar worden geïnfor-meerd over de resultaten van dit onderzoek.De leden van de D66-fractie lezen dat het momenteel nog niet mogelijk isom hobbykippenhouders een advies te geven hoe de PFAS in hun eierente verminderen. Consumenten kunnen hun eieren kunnen laten testen bijeen laboratorium om te weten hoeveel PFAS erin zit; daartoe vragen deleden van de D66-fractie of de mogelijkheid verkend wordt om dit gratis temaken?Het houden van hobbykippen en de veiligheid van de eieren afkomstigvan hobbykippen vallen niet onder de verantwoordelijkheid van deoverheid. Dit betekent dat het laten testen van eieren van hobbykippen opPFAS ook niet onder de verantwoordelijkheid van de overheid valt.Daarom zal dit niet gesubsidieerd worden door de overheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59713 Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie nog een vraag over deNutri-Score. Zo stelt de Gezondheidsraad dat het van belang is dat deNutri-Score beter aansluit op de huidige geldende voedingsadviezen. Kande Minister aangeven of er acties ondernomen worden om het advies vande Gezondheidsraad over Nutri-Scores op te volgen?Ja. Nederland is lid van de Internationale Stuurgroep en het InternationaalWetenschappelijk Comité (IWC) van Nutri-Score. Het IWC blijft dekomende jaren wetenschappelijk onderzoeken hoe verdere verbeteringenvan het Nutri-Score algoritme er uit kunnen zien en betrekt hierin deaanbevelingen uit het Gezondheidsraadsadvies3. Het IWC richt zichmomenteel op het optimaliseren van het algoritme voor het groente-,fruit- en peulvruchtenaandeel, zoetstoffen in vaste voedingsmiddelen enhet vetgehalte van kaas.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendestukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.De leden van de VVD-fractie zijn groot voorstander van de Nederlandseambities op het gebied van biotechnologie. In het rapport van PeterWennink wordt de sector nadrukkelijk benoemd als een belangrijke pijleronder het toekomstige Nederlandse verdienvermogen. Ook op het gebiedvan kweekvlees en precisiefermentatie hebben genoemde leden vanuit decommissie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) reedsmeerdere moties ingediend. In een recent breed aangenomen motiehebben deze leden bovendien opgeroepen tot het opstellen van eeninnovatieagenda voor de biotechnologie. De leden van de VVD-fractievinden het daarbij van groot belang dat de Ministeries van VWS en LVVNnauw samenwerken. Vanuit dat kader hebben zij de volgende vragen aande Minister. Zijn de Ministers van VWS en LVVN voornemens gezamenlijkinvulling te geven aan de innovatieagenda voor biotechnologie? Zo ja, opwelke wijze wordt deze samenwerking vormgegeven? Kan de Ministeraangeven hoe het bedrijfsleven en de kennisinstellingen bij deze agendaworden betrokken?De interdepartementale samenwerking op het gebied van biotechnologieloopt goed. Een zestal ministeries, waaronder de Ministeries van VWS,EZK en LVVN, hebben samen de Kabinetsvisie op Biotechnologie2025–20404 gerealiseerd en werken momenteel samen aan de uitvoerings-agenda biotechnologie.Het Ministerie van LVVN neemt verantwoordelijkheid voor het opstellenvan de innovatieagenda. Voor het zomerreces zal de Staatssecretaris vanLVVN in een Kamerbrief toelichten hoe invulling zal worden gegeven aande innovatieagenda. Waar nodig zal uiteraard de samenwerking wordenopgezocht.De leden van de VVD-fractie ontvangen vanuit de biotechsector signalendat de huidige eisen rondom regelgeving, toezicht, handhaving enmarkttoelating in de praktijk innovatie kunnen vertragen. Daarbij wordtonder meer gewezen op langdurige procedures voor Europese markttoe-lating van Novel Foods, die in de praktijk vaak langer duren dan debeoogde termijn van één tot twee jaar. Herkent de Minister deze signalen?Welke mogelijkheden ziet de Minister, zowel nationaal als in Europeesverband, om toelatingsprocedures efficiënter en voorspelbaarder te3https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/2022/11/29/advies-evaluatie-van-het-algoritme-van-nutri-score4Kabinetsvisie op Biotechnologie 2025–2040Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59714 maken, zodat innovatieve producten sneller toegang krijgen tot de marktzonder afbreuk te doen aan voedselveiligheid? Kan de Minister daarbijtevens reflecteren op de gevolgen die langdurige en complexe procedureskunnen hebben voor het Europese investeringsklimaat, het aantrekkenvan durfkapitaal en het behoud van innovatieve biotechbedrijven binnenNederland en Europa?Het kabinet herkent en erkent de potentie van biotechnologie en dekansen die dit biedt voor onze economie en maatschappij. Het kabinetondersteunt daarom vereenvoudiging, versnelling en harmonisatie vanrisicobeoordelingsprocedures, zolang deze niet leiden tot een verlagingvan het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu en bijdragen aaninnovatie, verduurzaming en een gelijk speelveld.In de Kabinetsvisie op Biotechnologie 2025–2040 is uitgesproken dat hetkabinet zich in zal zetten om onnodige regeldruk te voorkomen, doorloop-tijden waar mogelijk te reduceren en kaders te scheppen die voorspelbaar,doelmatig, uitvoerbaar en handhaafbaar zijn voor zowel de regulatoirepartijen als voor onderzoeks- en marktpartijen. Ook is in de Kabinetsvisieuitgesproken om te streven naar toekomstgerichte en veerkrachtigeregelgeving, met mogelijkheid tot maatwerk. Het kabinet heeft hierintevens toegezegd zich in te zetten voor het vergroten van de bewust-wording van het toelatingsproces van innovatieve producten zoalsprecisiefermentatie of novel foods.Sinds het verschijnen van de Kabinetsvisie op Biotechnologie in april2025, wordt gewerkt aan de uitvoering van deze visie waarover de TweedeKamer, zoals toegezegd, voor de zomer van 2026 nader wordt geïnfor-meerd. In die uitvoeringsagenda wordt concreter duidelijk welke actieszijn en worden ingezet om de doelstellingen uit de visie een stapdichterbij te brengen. De acties zien onder meer toe op verbeteringen inhet regulatoir kader als ook op het stimuleren van innovaties die bijdragenaan de gestelde maatschappelijke en economische doelstellingen.De inzet van Nederland in Europese trajecten op het gebied van biotech-nologie wordt gebaseerd op de gezamenlijk uitgesproken ambities in deKabinetsvisie: het benutten van de kansen die biotechnologie biedt, mitsveilig en verantwoord toegepast, staat hierin centraal. Specifiek op hetgebied van novel foods stelt de Europese Commissie in Biotech Act I voorom een aantal wijzigingen door te voeren in de Algemene Levensmidde-lenverordening (Vo. (EG) nr. 178/2002) met als doel om de risicobeoorde-lingsprocedures te vereenvoudigen en doorlooptijden te verkorten. Hetkabinet steunt deze voorstellen.De Europese Commissie stelt, in het Omnibuspakket voedsel- endiervoederveiligheid voor, dat met name de aanwezigheid van levendecellen relevant is vanuit het oogpunt van voedselveiligheid enhandhaving. In het BNC-fiche lezen de leden van de VVD-fractie echter datNederland eventuele DNA-residuen tot een minimum beperkt wil houden.Kan de Minister toelichten waarom Nederland op dit punt een anderebenadering kiest dan de Europese Commissie en op welke inzichten dezeinzet is gebaseerd?In het BNC fiche staat: «Het kabinet is het eens met de Commissie dateventuele DNA-residuen van genetisch gemodificeerde micro-organismentot een minimum beperkt moeten worden, geen technologisch effectmogen hebben op het eindproduct en geen levensvatbare cellen mogenbevatten.» De Europese Commissie schrijft in het Omnibus voorstel datresiduen beperkt moeten zijn tot niet levensvatbare cellen, de aanwe-zigheid ervan tot een minimum moet worden beperkt door redelijkepogingen om ze te verwijderen en dat ze geen technologisch effect mogenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59715 hebben op het uiteindelijke levensmiddel of diervoeder. Beide benade-ringen liggen dus met elkaar in lijn.De leden van de VVD-fractie hebben signalen ontvangen dat de EuropeseCommissie mede op initiatief van Nederland aanstuurt op het onder-brengen van microbiële culturen binnen de additievenregelgeving. Dit zoubetekenen dat voor dergelijke toepassingen dezelfde toelatingsroute gaatgelden als voor chemische stoffen in voedingsmiddelen. Kan de Ministertoelichten waarom voor deze route wordt gekozen en hoe deze keuze zichverhoudt tot het streven om innovatie binnen de biotechsector testimuleren?De laatste jaren is een trend waarneembaar waarbij microculturen aanlevensmiddelen worden toegevoegd die bedoeld zijn om te voorkomendat schadelijke bacteriën kunnen uitgroeien. Deze culturen hebbendaarmee als hoofdfunctie een conserverende werking en vallen daarmeeonder de definitie van een levensmiddelenadditief zoals opgenomen inverordening (EG) nr. 1333/20085. De culturen zijn echter niet als additiefgoedgekeurd en ze staan niet als zodanig op de ingrediëntenlijst vermeld.Het kabinet en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)vinden dit een onwenselijke situatie voor producenten, overheid enconsumenten. Daarom is dit onderwerp door Nederland geagendeerd inde Commissiewerkgroep Additieven in Brussel om te pleiten vooreenduidige interpretatie van de Europese regelgeving.Voor de duidelijkheid, het gaat hierbij niet om microculturen die in eenvroeg stadium van het productieproces aan een levensmiddel wordentoegevoegd en die resulteren in een gefermenteerd product, zijnde eenproduct waarvan de karakteristieke aard (de organoleptische eigen-schappen) aanzienlijk is veranderd.Voorbeelden hiervan zijn starterculturen die worden gebruikt bij deproductie van kaas, yoghurt of gedroogde worst. Dit zijn levensmiddele-ningrediënten en geen additieven.Het gaat wel om microculturen die aan een levensmiddel wordentoegevoegd vanwege de antimicrobiële werking ervan met als doel deverlenging van de houdbaarheid (conservering). Deze microculturenworden dan gebruikt als additief. Om deze toepassing toe te staan moeteen toelatingsdossier worden ingediend als voedseladditief overeen-komstig verordening (EG) nr. 1333/2008. Het indienen van een toelatings-dossier is verantwoordelijkheid van de exploitanten van levensmiddelen-bedrijven. Het gebruik van deze microculturen als voedselingrediënt isdus in strijd met de Europese additievenwetgeving. Hierover bestaatconsensus tussen de Lidstaten en de Europese Commissie.De beoordeling van een mogelijke Europese toelating voor microculturenals voedseladditief zal door de European Food Safety Authority (EFSA)worden uitgevoerd, waarbij zoals altijd rekening zal worden gehoudenmet de karakteristieke eigenschappen en het beoogde werking op hetlevensmiddel.Het kabinet is van mening dat ook innovaties aan de regels voor veiligheidmoeten voldoen.5levensmiddelenadditief: elke stof, met of zonder voedingswaarde, die op zichzelf gewoonlijkniet als voedsel wordt geconsumeerd en gewoonlijk niet als kenmerkend voedselingrediëntwordt gebruikt, en die voor technologische doeleinden bij het vervaardigen, verwerken,bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van levensmiddelen bewust aan dezelevensmiddelen wordt toegevoegd, met als gevolg of redelijkerwijs te verwachten gevolg datde stof zelf of bijproducten ervan, direct of indirect, een bestanddeel van die levensmiddelenworden (artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EG) Nr. 1333/2008 van hetEuropees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59716 Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendestukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.Naar aanleiding van het thema/brief inzake Voedselveiligheid. De ledenvan de PRO-fractie vragen de Minister een zienswijze te delen over deEuropese Omnibus Food & Feed en de mogelijke aanpassing van deregels voor toelating en (her)beoordeling van pesticiden en de werkzamestoffen daarin. Hoe kijkt de Minister vanuit haar beleidsverantwoorde-lijkheid voor volksgezondheid naar de mogelijke impact van dezeOmnibus op de voedselveiligheid? Zal de Minister de expertise van haardepartement verlenen aan haar collega van LVVN zodat gezondheid sterkwordt meegewogen in het definitieve kabinetsstandpunt over de OmnibusFood & Feed? Zal de Minister ervoor zorgen dat overwegingen aangaandevolksgezondheid prioriteit krijgen boven particuliere of publieke financiëlebelangen? Verder vragen deze leden of de Minister al eigen analyses heeftlaten maken over het Omnibusvoorstel. Zo ja, kan de Minister die met deKamer delen? Zo nee, bent u voornemens alsnog dergelijke analyses telaten uitvoeren?In het notaoverleg gewasbescherming op 11 juni jl. is gesproken over deinzet van het kabinet ten aanzien van het Omnibuspakket voor deveiligheid van voedsel en diervoeder in het Coreper (Comité vanPermanente Vertegenwoordigers) overleg. Het Ctgb, als onafhankelijketoelatingsautoriteit voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden, isgevraagd om een appreciatie te geven op het compromisvoorstel vanuithet voorzitterschap. Het kabinet heeft besloten in te stemmen met hetdoorzetten van het Omnibus voorstel voor de onderhandelingen met hetEuropees Parlement. Zoals aangegeven in de Kamerbrief6 van 11 junivindt het kabinet het zeer belangrijk dat het beschermingsniveau voormens, dier en milieu minimaal gehandhaafd blijft, maar is dat op basisvan de compromistekst die voorlag nog onzeker. Dit komt onder meeromdat een inschatting van de impact van onder andere de verlenging vande goedkeuringstermijnen ontbreekt. Er is een afweging gemaakt tussende positieve onderdelen van de compromistekst, de mate waarin hetvoorzitterschap tegemoet is gekomen aan de Nederlandse inzet en deonderdelen waar Nederland nog verbetering wil zien. Ook wil het kabinetvanuit Nederland maximaal invloed kunnen uitoefenen gedurende detriloogonderhandelingen over het voorstel en deze mogelijkheden wordenbeperkt wanneer Nederland niet instemt. In de brief van 16 juni7 is deKamer geïnformeerd over de uitkomst van het Coreper overleg en hetvervolg. Tijdens dat overleg heeft de Raad geen mandaat gekregen van delidstaten om de onderhandelingen met het Europees Parlement (triloog)te starten. Er was onvoldoende steun voor het compromisvoorstel opverschillende deelonderwerpen.Naar aanleiding van het thema/brief inzake NVWA handhaving peutermelkvervolg 2020. De leden van de PRO-fractie lezen in de brieven van juni2020 (Kamerstuk 31 532, nr. 250) en van maart 2022 (Kamerstuk 26 991, nr.581) dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) destijds isverzocht om bij peutermelk niet te handhaven op aspecten die welvoldoen aan de oude regels voor producten voor bijzondere voeding(Richtlijn 2009/39/EG), maar vanaf 20 juli 2016 niet aan de Europese (ennationale) regels die gelden voor gewone levensmiddelen. Kan deMinister toelichten wat de huidige stand van dit dossier is? Zijn allecontroles volledig hernomen of zijn er op heden nog aspecten die niet6Kamerstuk 27 858, nr. 7657Kamerstuk 2026Z13219Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59717 worden gehandhaafd? Zo nee, hadden dergelijke controles kunnen helpenom eventuele besmettingen met cereulide te kunnen voorkomen, zoalsmogelijks in februari jl. gebeurde op basis van babyvoeding van Nestlé enDanone?In de brief van maart 2022 (Kamerstuk 26 991, nr. 581) wordt de Kamergeïnformeerd over de inconsistentie in de EU-regelgeving voor peuter-drank en peutermelk waarop de Europese Commissie is gewezen dooronder meer Nederland. Deze inconsistentie heeft betrekking op het feit datvoor de regelgeving over nieuwe voedingsmiddelen en additieven,voeding voor specifieke groepen en over verrijking geldt dat productenmet aangepaste gehaltes voor peuters zijn toegestaan. De EU-wetgevingdie van toepassing is op algemene levensmiddelen biedt die ruimte echterniet.Tot op heden heeft de Europese Commissie nog geen duiding gegevenover hoe zij deze inconsistentie gaat oplossen. Zolang er op EU-niveaunog geen overstemming is gekomen over dit dossier, handhaaft deNederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ten aanzien van desamenstelling van peutermelk en peuterdank conform EU-richtlijn2009/39/EG.Het voorkomen van de aanwezigheid van cereulide had geborgd moetenworden vanuit kennis van gevaren, de kwetsbaarheden van processen encontroles daarop bij de productie van één van de ingrediënten vanzuigelingenvoeding (arachidonzuur). De zogenaamde Hazard Analysis andCritical Control Points (HACCP) systematiek, die dit moet borgen, vormtde basis voor de beheersing van gevaren binnen de voedselwetgeving enblijft onverminderd van toepassing op alle levensmiddelenproductie in deEU en op leveringen aan de EU. De grondoorzaak van de aanwezigheidvan cereulide in arachidonzuur is nog niet bekend gemaakt, maar het ishoogstwaarschijnlijk een tekortkoming geweest in het toepassen vanHACCP bij de producent van het gebruikte arachidonzuur.De leden van de PRO-fractie vragen verder wat de stand is van hetonderzoek van de NVWA en de Stichting Controle Orgaan KwaliteitsZaken (COKZ) naar de bron van besmetting van babyvoeding metcereulide, alsook het onderzoek naar de vraag of meldingen van bedrijventijdig en volledig zijn gedaan. Kan de Minister hierover een update geven?Voorts is er sinds 2 februari 2026 een nieuwe Europese grenswaarde van0,014 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht geldig. In welkemate wordt hierop reeds gecontroleerd in Nederland? Welke aandeel vande in Nederland verkochte babyvoedingsproducten voldoen metzekerheid aan die nieuwe norm?Bij de recente cereulide verontreiniging van zuigelingenvoeding is uitonderzoek door betrokken levensmiddelenbedrijven en toezicht vanbevoegde autoriteiten als Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken(COKZ) en de NVWA gebleken dat de grondoorzaak gelegen moet hebbenbij een producent van één van de ingrediënten die gebruikt worden insommige zuigelingenvoeding, namelijk arachidonzuur. Van alle productenwaar cereulide arachidonzuur is meegekomen, blijkt de arachidonzuurafkomstig van één producent buiten de EU. Het productieproces vanarachidonzuur (fermentatie) kan gevoelig zijn voor de aanwezigheid vanongewenste micro-organismen als Bacillus cereus dat het toxine cereulidekan aanmaken. Het lijkt er dan ook sterk op dat de bewuste producentdaar onvoldoende rekening mee heeft gehouden.Afnemers in de EU hebben, nadat zij ervan op de hoogte zijn dat hunproducten hierdoor als onveilig moeten worden beschouwd, deverplichting dit onverwijld te melden bij de bevoegde autoriteit. Daarnaastmoeten zij de betreffende producten uit de handel halen en de consumentTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59718 daarover informeren indien deze producten mogelijk al bij de consu-menten terecht zijn gekomen. Deze stappen zijn ondernomen door debetrokken afnemers. Tijdens het onderzoek van de NVWA en het COKZzijn verschillende producten getest op cereulide. Dit betrof zowelproducten waarin arachidonzuur was verwerkt van de in beeld zijndeproducent, als andere producten die in beeld kwamen vanuit meldingenvan ouders die vermoedden dat hun kind ziek geworden is van zuigelin-genvoeding. Het resultaat van deze testen heeft de NVWA eerder gemeldop haar website8.Gegeven het onderzoek van de bevoegde autoriteiten naar het beeldvanuit de meldingen, uitgevoerde inspecties, de tracering van (zuigelin-gen)voeding en arachidonzuur, analyseresultaten van genomen monsters,en de aandacht die cereulide in arachidonzuur gekregen heeft in dezesector, hebben de bevoegde autoriteiten geen aanleiding om tevermoeden dat er op dit moment zuigelingenvoeding in Nederland in dehandel is die niet voldoet aan de Europese grenswaarde van 0,014microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht. Het onderzoek naarde meldplicht is nog niet geheel afgerond. De NVWA zal hierover vóór hetzomerreces van de Tweede Kamer rapporteren op haar website.De leden van de PRO-fractie merken op dat recente incidenten rondtoxische stoffen niet tot voedsel waren beperkt, maar ook op anderewaren betrekking hadden, zoals asbest in speelzand en kinderspeelgoed.Welke concrete stappen zijn er sinds februari jl. al door Nederland gezetom in Europees verband de grenswaarde voor asbest in speelgoed aan tescherpen? Welke stappen zal de Minister dit jaar nog zetten in die zin? Zalde Minister op basis van de verschillende recente incidenten rondtoxische stoffen in voeding en andere waren nieuw beleid voorstellen ompreventie te versterken? Zo ja, welke opties onderzoekt de Ministermomenteel? Zo nee, waarom niet?Sinds februari jl. zijn al een aantal belangrijke stappen gezet om degrenswaarde voor asbest in speelzand aan te scherpen. Deze stappenmoeten worden gezet om later tot een goed onderbouwde norm tekunnen komen. De NVWA heeft ruim honderd monsters onderzocht,waarvan er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die ver onderde huidige grenswaarde van 0,1% blijft. Daarnaast heeft het Rijksinstituutvoor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangetoond dat het gezondheids-risico van spelen met verschillende soorten speelzand, waarin minder dan0,1% asbest is aangetroffen, verwaarloosbaar is. Bovendien heeft deNederlandse Organisatie voor Toegepast NatuurwetenschappelijkOnderzoek (TNO), in opdracht van de NVWA, advies uitgebracht over hoeasbest in speelzand het beste kan worden gemeten. Al deze rapporten enadviezen zijn nodig om wetenschappelijk onderbouwd, in samenwerkingmet andere Europese lidstaten, verder te kunnen werken aan eengrenswaarde voor asbest in speelzand.Vanuit het Ministerie van VWS is opdracht gegeven aan het RIVM omadvies te geven over een norm voor asbest in speelzand. In dat kaderneemt het RIVM deel aan de Europese werkgroep (Ad hoc subgroupChemicals on asbestos in toy sands) dat een advies moet geven over eengeschikte norm. Op 18 mei 2026 is deze Europese werkgroep bijeenge-komen, om de door Nederland aangeleverde informatie te bespreken.Naar verwachting zal deze werkgroep later dit jaar een voorstel doen vooreen norm voor asbest in speelzand.8https://www.nvwa.nl/actueel/nieuws/2026/03/24/zuigelingenvoeding-geen-nieuwe-meldingen-en-terugroepactiesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59719 Het gehele voedselveiligheidsbeleid in Nederland is vastgelegd inEuropese wetgeving. Deze Europese wetgeving wordt continuegemonitord, en waar nodig en mogelijk worden grenswaarden vanschadelijke stoffen in levensmiddelen omlaag gebracht. Nederland zetzich hiervoor in, onder andere via de verschillende Europese werkgroepenop het gebied van voedselveiligheid.Naar aanleiding van het thema/brief inzake Aanpak veiligheid voedings-supplementen. De leden van de PRO-fractie stellen vast dat in 2020 detoezichtscapaciteit voor deze omvangrijke voedingssupplementenbrancheklein was, hoewel destijds bleek dat een aanzienlijk aantal bedrijven zichonvoldoende aan de wettelijke eisen voor voedselveiligheid hielden. Kande Minister aangeven hoeveel bedrijven uit deze sector de afgelopen 3jaar zijn geïnspecteerd? Welk percentage van het totaal aantal bedrijvenuit de voedingssupplementenbranche zijn geïnspecteerd? In welke mate issinds 2020 de toezichtscapaciteit toegenomen of juist gekrompen?De afgelopen drie jaar heeft de NVWA jaarlijks tussen de 520 en 540bedrijven geïnspecteerd. Het aantal inspecties ligt hoger, omdat er somsmeerdere inspecties bij hetzelfde bedrijf plaatsvinden. Het totaal aantalbedrijven dat voedingssupplementen verkoopt wisselt sterk en verkopersvariëren van bijvoorbeeld influencers met een klein portfolio tot drogiste-rijen en supermarkten. Het is daarom niet mogelijk om aan te gevenhoeveel bedrijven voedingssupplementen verkopen, en ook niet mogelijkom het percentage van geïnspecteerde bedrijven van het totaal aantalbedrijven uit de voedingssupplementenbranche weer te geven. Detoezichtscapaciteit bij de NVWA is in 2023 en 2024 met ongeveer 27%toegenomen ten opzichte van 2022; in 2025 en 2026 ligt deze 7% lager danin 2022. Het aantal inspectie-uren over 2020 en 2021 is niet meerbeschikbaar.Naar aanleiding van het thema/brief inzake Ontwikkelingen voedselveilig-heidsbeleid. De leden van de PRO-fractie lezen dat de VWS-middelen voorde NVWA onvoldoende meestijgen met de grote kostenstijging van deNVWA en dat mede daardoor minder toezichttaken door de NVWA kunnenworden opgenomen. Kan de Minister toelichten welke impact deze lageretoezicht heeft op het risico op voedselveiligheidsincidenten? Hoeveelbijkomende middelen zou de NVWA op jaarlijkse basis nodig hebben omalle toezichtstaken naar behoren uit te voeren, inclusief het opnieuwuitvoeren van taken waarmee de NVWA gestopt is naar aanleiding van definanciële kaders?De Algemene Levensmiddelenverordening bepaalt dat levensmiddelenbe-drijven primair verantwoordelijk zijn voor het borgen van de veiligheidvan hun producten. De NVWA ziet erop toe dat de bedrijven dit volgenswet- en regelgeving doen. Het toezicht is risico gestuurd, het is immers,gegeven het grote aantal spelers in de voedselketen, niet mogelijk omaltijd en overal te controleren.De NVWA heeft te maken gehad met een stijging van de kostprijs voor hetuitvoeren van werkzaamheden als gevolg van de vorige CAO voorrijksambtenaren. Daarnaast was er een taakstelling opgelegd naaraanleiding van het hoofdlijnenakkoord van het vorige kabinet. Het tekortten aanzien van de VWS-opdracht voor 2025 en verder bedroeg voorvoedselveiligheid € 10 mln, overeenkomend met 12% van het totalebudget voor de VWS-opdracht voor voedselveiligheid in 2025. In de briefvan 7 februari 2025 is de Kamer hierover geïnformeerd9. Vervolgens heeftde NVWA een risicogerichte herprioritering aangebracht om de impact zo9Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 835, nr. 235.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59720 klein mogelijk te maken. Dit betekent dat is gekeken waar het krimpen vande voedselveiligheid taken het minste effect heeft op de bescherming vande consument tegen onveilig voedsel. Er is besloten om vanaf 2025minder werkzaamheden uit te voeren op het terrein van regulier toezicht,systeem-inspecties, steekproefsgewijze controles, reageren op meldingen,monsternames en ad hoc werkzaamheden. Om de mogelijke risico’s vanbovengenoemde herprioritering te mitigeren en met het oog op hetperspectief van het verkleinen van de disbalans tussen taken en middelenop de lange termijn, investeert de NVWA sinds 2025 juist in toekomstge-richte, vernieuwende en innovatieve projecten om inzet van mensen enmiddelen en daarmee het toezicht effectief en efficiënt te houden. Meerinspecteurs ter plaatse zijn immers niet altijd de juiste oplossing. DeNVWA investeert voor VWS dan ook onder meer in een trendmonitor vooralle online aankopen op het terrein van voedsel- en productveiligheid enin de verbetering van het meldingssysteem.In 2026 een deel van het tekort gecompenseerd met aanvullende gelden.Door risicogericht te prioriteren, te investeren in innovatieve projecten endoor de compensatie is de impact van de krimp op het risico vanvoedselveiligheidsincidenten beperkt.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendestukken over Voedselveiligheid en hebben daarover nog enkele vragen enopmerkingen.Deze leden onderschrijven dat goed toezicht, stevige handhaving enduidelijke normstelling noodzakelijk zijn waar het gaat om voedselvei-ligheid. De overheid heeft de taak om consumenten te beschermen tegenvervuiling en risico’s in voedsel. Tegelijkertijd mag die inzet er niet toeleiden dat de vrijheid van burgers om zelf in voedsel te voorzien steedsverder wordt teruggedrongen. Voor deze leden is dat een principieel punt.Het uitgangspunt moet zijn dat mensen in vrijheid zelf voedsel moetenkunnen produceren, houden en consumeren, en dat de overheidvervolgens de taak heeft om de leefomgeving schoon en veilig te maken.De leden constateren dat uit de stukken een duidelijke rode draad naarvoren komt. Sinds het fipronil-incident is sterk ingezet op versterking vanketenborging, private kwaliteitssystemen, vroegsignalering en betertoezicht. Dat is begrijpelijk. Maar juist de PFAS-problematiek laat zien datde grootste bedreiging voor voedselveiligheid in toenemende mate nietalleen in de keten zelf zit, maar in een vervuilde leefomgeving, waardoorook lokaal geproduceerd voedsel en eieren van eigen kippen besmetkunnen raken. Deze leden vragen de Minister daarom te bevestigen dat inzulke gevallen niet het zelf produceren van voedsel het eigenlijkeprobleem is, maar de aanwezigheid van schadelijke stoffen in bodem,water en voedselketen.De leden van de PVV-fractie lezen dat voor eieren van hobbykippen hetadvies luidt dat men er beter voor kan kiezen deze niet te eten, terwijleieren uit de supermarkt, markt of speciaalzaak als veilig wordenaangemerkt omdat zij onder Europese wetgeving vallen en wordengecontroleerd. Deze leden vragen of de Minister het wenselijk acht dat defeitelijke beleidsuitkomst voor burgers steeds vaker neerkomt op: koophet liever in de winkel dan het zelf te produceren.Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat inmiddels beter bekend iswaar de PFAS in hobbykipeieren vandaan komt, namelijk vooral uitregenwormen en mogelijk andere kleine bodemdieren, maar dat dit nogTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59721 geen praktisch handelingsperspectief oplevert voor houders vanhobbykippen. Deze leden vragen de Minister waarom de kennis over debron wel is toegenomen, maar dit nog niet heeft geleid tot concretehandelingsopties voor burgers om hun eieren veilig te kunnen blijvenconsumeren. Zij vragen de Minister welke maatregelen op dit momentworden onderzocht om de vervuilingsroute via de leefomgeving daadwer-kelijk terug te dringen, in plaats van zich te beperken tot een consumptie-advies. Daarbij benadrukken de leden van de PVV-fractie dat zij willenvoorkomen dat de terechte aandacht voor PFAS-vervuiling wordtmisbruikt om opnieuw generieke druk te zetten op woningbouw,economische ontwikkeling of de agrarische sector, terwijl de kernopgavejuist moet zijn om concrete vervuilingsbronnen doelgericht aan te pakkenen burgers hun vrijheid terug te geven om veilig zelf voedsel te produ-ceren.Het kabinet begrijpt de zorgen die de leden van de PVV-fractie uiten. PFASzijn schadelijke stoffen die zich ophopen in onze leefomgeving en die wedaarom zo snel mogelijk willen terugdringen. Het kabinet hanteerthiervoor een uitgebreide aanpak langs vier sporen10. Onderdeel hiervan isde aanpak van bestaande PFAS-verontreiniging in de bodem. Gemeenten,provincies, waterschappen en Rijksoverheid trekken samen op bij het inbeeld brengen van PFAS-aandachtlocaties en de aanpak vanPFAS-verontreiniging11. Tot en met 2030 wordt ingezet op het inventari-seren van de zogenoemde aandachtlocaties: locaties met onaanvaardbarerisico’s voor mens, ecologie of verspreiding naar het watersysteem.Locaties met onaanvaardbare humane risico’s worden nu al aangepakt.Tegelijkertijd geldt dat PFAS wijdverspreid in onze leefomgevingvoorkomen: deze stoffen komen voor in water en bodem, voedsel,drinkwater en in producten die we dagelijks gebruiken. Uit het onderzoekvan het RIVM volgt dat het eten van regenwormen door kippenwaarschijnlijk de belangrijkste bron is van verhoogde PFAS-concentratiesin eieren van hobbykippen. Wat hierbij opvalt is dat PFAS zich sterkophopen in de keten: de concentraties in regenwormen waren op alleonderzochte locaties hoog, ook op locaties waarbij bodems niet sterkvervuild zijn. Daarmee is een concreet handelingsperspectief voorhouders van hobbykippen beperkt, en blijft het advies om – als men hetrisico op een te hoge inname van PFAS via voedsel zoveel mogelijk wilbeperken – beter geen eieren van hobbykippen kan eten, of de eieren kanlaten testen bij een laboratorium.Deze leden vragen de Minister ook hoe zij voorkomt dat de overheid bij ditsoort dossiers ongemerkt opschuift van voedselveiligheidsbeleid naargedragssturing van burgers. De leden van de PVV-fractie vragen waarvoor de Minister de grens ligt tussen waarschuwen voor een reëel risicoen het feitelijk ontmoedigen van kleinschalige, particuliere voedselpro-ductie. Ook vragen zij of de Minister bereid is als uitgangspunt te hanterendat niet de vrijheid om zelf voedsel te produceren moet worden ingeperkt,maar dat de overheid ervoor moet zorgen dat de omgeving waarin datgebeurt schoner en veiliger wordt gemaakt. De leden van de PVV-fractieonderstrepen dat de vervuilde leefomgeving geen nieuw excuus magworden om Nederland verder op slot te zetten.Het kabinet heeft geen beleidsdoel om mensen zelf voedsel te latenproduceren of juist in de winkel te laten kopen. Het is een vrijwillige keuzevoor mensen om hun eigen voedsel te produceren. De overheid adviseertmensen wel over de eventuele risico’s daarvan. Het kabinet werkt in dit10Zie o.a. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 421.11Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 144.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59722 kader aan een Europese restrictie voor PFAS om de milieuvervuiling metPFAS te verminderen.Tot slot vragen genoemde leden hoe deze lijn zich verhoudt tot de bredereontwikkeling in het voedselveiligheidsbeleid. Hoe wordt door de Ministergeborgd dat zelfvoorziening, kleinschaligheid en de vrijheid van burgersom zelf dierlijke producten te houden en te consumeren niet stelselmatigin de verdrukking raken, als de overheid steeds meer nadruk legt opcontrole, toezicht en gereguleerde ketens? De leden van de PVV-fractievragen de Minister uiteen te zetten welke plaats zij toekent aan dezevrijheid binnen het voedselveiligheidsbeleid van de komende jaren.Het staat mensen vrij om hun eigen voedsel te produceren. De overheid isniet verantwoordelijk voor de veiligheid van zelfgeproduceerde (dierlijke)producten. Dit is aan de houders zelf. Het is wel de verantwoordelijkheidvan de overheid om advies te geven over voedselveiligheid en volksge-zondheid, vandaar het huidige advies.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendestukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.Naar aanleiding van het thema/brief inzake Private borging voedselketens.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de ontwikke-lingen rondom private borging van voedselketens en zijn van mening datde rol die private partijen nemen goed aansluit bij het benutten van dekracht van de agrarische sector. Deze leden hebben aanvullende vragen.De leden van de CDA-fractie onderschrijven de zorgen rondom hetprobleem van free rider gedrag bij private certificering. Deze leden vragende Minister om mogelijkheden uit te werken om dit free riders gedragtegen te kunnen gaan en deze te delen met de Kamer.De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan inzet op hetversterken van nationale voedselketens waar mogelijk. Deze leden hebbenkennisgenomen van de constatering dat verwerkende en retailbedrijvende website ketenborging.nl weinig gebruiken om zich aan Nederlandseinitiatieven te binden. Deze leden vragende Minister te inventariseren hoedit gestimuleerd kan worden, zodat de website ketenborging.nl benutwordt.Het kabinet is er voorstander van dat het bedrijfsleven zich inzet opverdere verbetering van private kwaliteitssystemen om hun primaireverantwoordelijkheid voor voedselveiligheid verder te versterken alsonderdeel van het voedselveiligheidsstelsel in Nederland. Het kabinetondersteunt hierbij de ruimte die de Nederlandse Voedsel- en Warenauto-riteit (NVWA) biedt voor aangepast toezicht bij bedrijven die deelnemenaan private systemen op Ketenborging.nl, die door de NVWA zijngeaccepteerd. Echter, Stichting Ketenborging.nl is een privaat initiatief dateigen regie en verantwoordelijkheid moet houden, onder andere bij hetstimuleren van het gebruik van de aangesloten private kwaliteitssystemenof het gebruik van de website zelf. Het kabinet ziet hier geen rol voor deoverheid. Wel geldt dat de reguliere overlegstructuur met het bedrijfs-leven over voedselveiligheid altijd ruimte biedt om gesprekken overKetenborging te voeren en het belang van de verbetering van dezekwaliteitssystemen te benadrukken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59723 Naar aanleiding van het thema/brief inzake Zesde voortgangsrapportageKansrijke Start. De leden van de CDA-fractie maken graag van degelegenheid gebruik om aanvullende en verduidelijkende vragen testellen over de aanpak Kansrijke Start.De leden van de CDA-fractie vinden het Actieprogramma Kansrijke Starteen zeer goed initiatief en vinden het dan ook goed dat er in het coalitieak-koord is afgesproken dat er geïnvesteerd gaat worden in het Actiepro-gramma Kansrijke Start. Deze leden zouden graag van de Minister horenop welke wijze het kabinet het programma gaat versterken en waar hetkabinet voornemens is de investeringen concreet te laten landen.De leden van de CDA-fractie horen graag van de Minister hoe het staatmet de voortgang van de opvolging van de motie ingediend door het lidPoortman c.s. over voorstellen voor uitbreiding van het programmaKansrijke Start.De afgelopen jaren heeft het actieprogramma Kansrijke Start ingezet opde missie «Meer kinderen een kansrijke start». Het actieprogramma isinmiddels omgezet in structureel beleid. Op 20 november jl. heeft deKamer de structurele aanpak Kansrijke Start en actieagenda 2026 t/m 2030«Samen zorgen we voor de eerste 1.000 dagen» ontvangen12.In het coalitieakkoord «Aan de slag» is opgenomen dat het kabinetstructureel investeert in Kansrijke Start. Daarin maakt het kabinetaanvullend middelen vrij voor deze aanpak, bovenop de structurelemiddelen die al beschikbaar zijn. Het kabinet werkt momenteel uit hoe deinzet die in het coalitieakkoord op Kansrijke Start staat beschreven eruitkan komen te zien.Naar aanleiding van het thema/brief inzake Beantwoording openstaandevragen over import van rundvlees uit Brazilië met oestradiol. De leden vande CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op de import vanrundvlees uit Brazilië met oestradiol. Deze leden hechten belang aan eengelijk speelveld voor Europese ondernemers die vaak aan hogere eisenvoldoen dan producten die geïmporteerd worden wat de Europesevoedselmarkt niet ten goede komt. Deze leden vragen de Minister wat deinzet is van Nederland in Europees verband om enerzijds normen dievoedselveiligheid garanderen te waarborgen en tegelijkertijd te pleitenvoor een gelijk speelveld.De eisen om te kunnen exporteren naar de EU zijn streng. Bedrijven inderde landen moeten garanties en bewijzen aanleveren bij de EuropeseCommissie om aan te tonen dat zij voldoen aan EU-sanitaire en fytosani-taire standaarden om te mogen exporteren naar de EU. In het geval vandierlijke producten moeten de exporterende bedrijven ook de medischegeschiedenis van vee bijhouden, en aantonen dat hun nationale veteri-naire systeem op orde is. Bedrijven die niet aan alle voorwaarden voldoenkunnen niet exporteren naar de EU. Vanaf september 2026 wordenbedrijven die naar Europa willen exporteren ook aanvullend gecontroleerdop het gebruik van antibiotica die door Europa strikt voorbehouden zijnvoor humaan gebruik. Ditzelfde geldt voor groeibevorderende stoffen. Totdie tijd worden de producten gecontroleerd op residuen van kritischeantibiotica en groeibevorderaars. In mei vond er in het Europese StandingCommittee on Plants, Animals, Food and Feed een stemming plaats overeen bijgewerkte lijst van derde landen die toegelaten zijn om voedselpro-ducerende dieren en dierlijke producten naar de EU te exporteren. Braziliëis daarbij van de lijst verwijderd. Het gevolg van dit besluit is dat Brazilië12Structurele aanpak Kansrijke Start – Samen zorgen we voor de eerste 1.000 dagen | Rapport |rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59724 per 1 september a.s. geen dierlijke producten meer mag exporteren naarde EU, tenzij het bewijs aanlevert dat het ten onrechte van de lijst isafgehaald.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven enoverige stukken over Voedselveiligheid. Deze leden willen vooropstellendat voedselveiligheid van het hoogste belang is. Tegelijkertijd constaterenzij dat Nederland in toenemende mate afhankelijk is van import vanvoedselproducten uit landen buiten de EU, terwijl juist herhaaldelijk blijktdat daar significante voedselveiligheidsrisico’s en structurele tekortko-mingen in toezicht en handhaving bestaan. Dat roept fundamentelevragen op.De leden van de BBB-fractie benadrukken dat Nederland en de EUbeschikken over een van de strengste voedselveiligheidsstelsels terwereld. In meerdere brieven wordt bevestigd dat het vertrouwen inNederlands voedsel hoog is en dat de voedselveiligheid hier structureelop orde is. Tegelijkertijd zien deze leden dat incidenten met besmetvoedsel in de praktijk vaak voortkomen uit importstromen, zoalsethyleenoxide in sesamzaad uit India, Hepatitis A via blauwe bessen uitPolen, en recente meldingen rondom vleesimporten en controles in derdelanden zoals China en Brazilië. Dit bevestigt in de ogen van deze leden eenstructureel patroon: waar we in Nederland en de EU streng reguleren,ontstaan risico’s vooral daar waar we afhankelijk zijn van import uitsystemen met lagere of aantoonbaar onvoldoende borging.De leden van de BBB-fractie vinden daarom dat het uitgangspunt scherpermoet worden: wat hier niet geproduceerd mag worden, mag ook nietgeïmporteerd worden. Gelijke eisen aan importproducten zijn daarbijessentieel, maar deze leden vragen of dat in de praktijk wel voldoendewordt gehandhaafd en of de huidige controlecapaciteit van NVWA enEuropese systemen (zoals Rapid Alert System for Food and Feed – RASFF)wel toereikend is om risico’s vroegtijdig uit te sluiten in plaats vanachteraf te moeten ingrijpen.Het Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF) is ontworpen als eenwaarschuwingssysteem dat zowel achteraf ingrijpen mogelijk maakt alsvroegtijdige uitsluiting van risico’s ondersteunt. Zodra er in een EU-landeen product wordt gevonden dat niet voldoet aan de voedselveilig-heidseisen, wordt er een melding gemaakt in het RASFF. In Nederlandheeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) toegang tot ditsysteem en zo kunnen de betreffende producten direct van de marktgehaald worden of geblokkeerd worden aan de grens. Het RASFF heeftook een preventieve werking: de data uit het systeem bepalen namelijkwelke importproducten de maanden daarna extra streng gecontroleerdworden bij de grens. Het helpt dus om risico’s in de toekomst vroegtijdiguit te sluiten. De vraag of de controlecapaciteit toereikend is, is eenconstant punt van aandacht en discussie. Het toezicht is risico gestuurd,het is niet mogelijk om alles te controleren. De NVWA moet continu deafweging maken waar ze wel/niet op handhaaft gelet op beschikbarecapaciteit en middelen. Ook groeien de importstromen en neemt decomplexiteit van de keten toe. Als er nieuwe risico’s opduiken, moet erworden geprioriteerd. Een snellere Europese data-uitwisseling is eenbelangrijke factor om het systeem nog beter te laten functioneren.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast specifiek naar voorbeeldenvan voedselveiligheidsincidenten met geïmporteerde producten in deafgelopen vijf jaar. Kan de Minister een overzicht geven van de incidentenwaarbij verboden stoffen of ziekteverwekkers zijn aangetroffen inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59725 importproducten, de herkomstlanden van deze producten en de uiteinde-lijke volksgezondheidsimpact (aantal zieken, ziekenhuisopnames, etc.)?Deze leden wijzen in dit verband ook op recente EU-audits waaruit blijktdat controlesystemen in derde landen, zoals China bij pluimveevleesonvoldoende garanties bieden voor naleving van EU-standaarden. Hoebeoordeelt de Minister deze bevindingen in relatie tot de huidigeimportafhankelijkheid van Nederland en de EU? En welke concreteconsequenties worden hieraan verbonden, bijvoorbeeld in de vorm vanstrengere importrestricties of herziening van handelsstromen?De interactieve, doorzoekbare online database, genaamd RASFF Window,biedt het publiek toegang tot samenvattende informatie over de meestrecente RASFF-meldingen en maakt het mogelijk om te zoeken naarinformatie over alle meldingen uit het verleden (momenteel beperkt tot2020 en later). Op nationaal niveau brengt het Rijkinstituut voor Volksge-zondheid en Milieu (RIVM) jaarlijks een rapport uit over de geregistreerdevoedselinfecties en brengt het de ziektelast in kaart13. Hierin wordt echtergeen onderscheid gemaakt tussen nationaal geproduceerd voedsel engeïmporteerde producten.De importafhankelijkheid van pluimveevlees uit China wordt niet alszodanig herkend. De recente EU-audits onderstrepen het belang dat derdelanden en exporterende bedrijven aan de Europese eisen moeten voldoenom naar de EU te mogen exporteren voldoen. Bedrijven in derde landenmoeten garanties en bewijzen bij de Europese Commissie aanleveren datzij voldoen aan EU sanitaire en fytosanitaire standaarden om te kunnenexporteren naar de EU. En in het geval van dierlijke producten moeten deexporterende bedrijven de medische geschiedenis van vee bijhouden, enaantonen dat hun nationale veterinaire systeem op orde is. Wanneer uitaudits tekortkomingen naar voren komen, zoals in China is geconstateerd,worden deze door de Europese Commissie met de betrokken autoriteitenbesproken en moeten corrigerende maatregelen worden genomen.Bedrijven of landen die niet aan alle voorwaarden voldoen kunnen nietexporteren naar de EU. Het kabinet acht het van belang dat geïmporteerdeproducten aan dezelfde hoge eisen voldoen als producten die binnen deEU worden geproduceerd. Hier wordt actief op gecontroleerd in produc-tielanden, waar de Europese Commissie audits uitvoert op productielo-caties, aan de Europese grens, en in de EU zelf, onder andere door deNVWA.De leden van de BBB-fractie zijn ook geschrokken van het meest recenteEfsa-rapport14 over gewasbeschermingsmiddel-residuen op voedsel,waaruit bleek dat voedsel geïmporteerd van buiten de EU drie keer zovaak niet voldeed aan de veiligheidseisen als voedsel van binnen de EU.Genoemde leden zien hierin een enorm risico voor niet alleen devoedselveiligheid, maar ook de volksgezondheid en de veiligheid vanonze gewassen en dieren, omdat bij overmatig gebruik van bepaaldemiddelen in het buitenland uiteraard resistente bacteriën, schimmels enandere plagen kunnen ontstaan, die bij import van goederen mee kunnenkomen naar Nederland.Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister de balans ziettussen handelsbelangen en voedselveiligheid. Is de Minister bereid omhet principe te onderschrijven dat producten die in de EU niet zijntoegestaan om te produceren vanwege gezondheids- of milieurisico’s, ookniet via import op de Europese markt terecht zouden moeten kunnenkomen? Zo nee, waarom niet? Hoe beziet de Minister in dat licht de13Voedselgerelateerde en overige enterale infecties in Nederland, Jaarrapportage 202414Pesticide residues in food: latest data released | EFSATweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59726 afspraken in het Mercosur-verdrag? Hoe groot acht zij de kans dat doormeer import van buitenlands voedsel, ook (multi)resistente bacteriën,schimmels, virussen en andere ziekteverwekkers geïmporteerd worden?Kan de Minister hierin meenemen dat op geen enkele manier getest wordtvoor resistentie van ziekteverwekkers die mogelijk mee geïmporteerdworden en dat uit het rapport «zoönosen in het vizier»15 explicietgewaarschuwd is dat Nederland door de grote hoeveelheid handel endoorvoer van goederen al juist heel kwetsbaar is voor uitbraken die in hetbuitenland ontstaan. Deelt de Minister de mening dat duidelijk is datproductie van voldoende voedsel in Nederland een veiligere basis is dande inzet op verlagen van de productie en daarnaast inzet op import vanuithet buitenland, omdat toezicht en handhaving op voedselveiligheiddaardoor veel moeilijker wordt en we onze volksgezondheid daardoormogelijk in gevaar brengen?Het kabinet onderschrijft het belang om gezondheids- of milieurisico’s teminimaliseren. Daarom moeten alle naar de EU geëxporteerde productenvoldoen aan Europese productstandaarden, zoals eisen op het gebied vanvoedselveiligheid, etikettering en consumentenbescherming. Dit geldt ookvoor producten uit de Mercosur-landen. Hier wordt actief op gecontro-leerd in productielanden, waar de Europese Commissie audits uitvoert opproductielocaties, aan de Europese grens, en in de EU zelf, onder anderedoor de NVWA. Het EU-Mercosur akkoord verandert hier niets aan.Het kabinet is bekend met de aanbevelingen die zijn gedaan in het rapport«Zoönosen in het vizier», voor wat betreft non-alimentaire zoönosen. Inhet Nationaal actieplan Versterken zoönosenbeleid16 is opvolging gegevenaan de aanbevelingen uit dit rapport en de Kamer wordt jaarlijksgeïnformeerd over de voortgang. Geïmporteerde levensmiddelen dienente voldoen aan de EU-regelgeving voor alimentaire zoönosen. Hiervoorworden importcontroles uitgevoerd door de verschillende bevoegdeautoriteiten van de Lidstaten (in Nederland de NVWA). In het geval vanantimicrobiële resistentie (AMR) kan het kabinet u melden dat ingevoerdvers vlees sinds 2021 wordt gecontroleerd op de aanwezigheid vanresistente bacteriën in het kader van de EU-geharmoniseerde monitoringAMR. Daarnaast voert de NVWA aanvullende monitoring op resistentebacteriën in andere import stromen zoals verse groente, verse kruiden,exotisch vlees, kweekvis en garnalen. De resultaten van de monitoringworden jaarlijks gerapporteerd in het NethMap One Health rapportage17.Zoals hierboven is uitgelegd zorgen het EU-stelsel van voedselveiligheid(waarvan Nederland actief onderdeel is) en de importcontroles vanlevensmiddelen in het bijzonder ervoor dat geproduceerd en geïmpor-teerd voedsel voldoet aan de EU-regels voor voedselveiligheid.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor proportiona-liteit in voedselveiligheidsbeleid. Deze leden constateren dat kleinschaligeNederlandse producenten, zoals boeren met een melktap, steeds verderworden belast met aanvullende eisen en controles, terwijl uit eerderebeantwoording van Kamervragen blijkt dat de noodzaak van sommigemaatregelen moeilijk hard te maken is met concrete uitbraakgegevens.Kan de Minister aangeven hoeveel bewezen ziektegevallen in deafgelopen jaren daadwerkelijk direct herleidbaar waren tot rauwe melkafkomstig van Nederlandse melktappunten, specifiek voor salmonella,campylobacter en STEC? Acht de Minister het proportioneel om maande-lijkse testverplichtingen op te leggen aan kleinschalige Nederlandse15Rapport Zoönosen in het vizier16Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 25 295, nr. 193517NethMap One Health 2025 | RIVMTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59727 producenten wanneer de omvang van het aantoonbare risico beperkt lijkt,terwijl tegelijkertijd herhaaldelijk ernstige voedselveiligheidsincidentenoptreden bij geïmporteerde producten uit derde landen?Hoe voorkomt de Minister dat voedselveiligheidsbeleid doorslaat inadministratieve lasten voor Nederlandse boeren en streekproducenten,terwijl consumenten tegelijkertijd via importproducten bewezen wordenblootgesteld aan risico’s uit landen waar toezicht en handhavingaantoonbaar minder betrouwbaar zijn?Door onderrapportage en de moeilijkheid van het traceren van de bronvan infectie is het aantal bewezen voedselgerelateerde uitbraken metbacteriële oorzaak vrij beperkt. Daarbij speelt ook mee dat de wettelijkebewaartermijn van rauwe melk maximaal 72 uur na productie bedraagt,waardoor de kans op het vinden van een verdachte bron beperkt is. Eenoverzicht van bewezen ziektegevallen die specifiek herleidbaar zijn totNederlandse melktappunten voor Salmonella, Campylobacter en STEC isdaarom niet beschikbaar.Het belangrijkste doel van de hygiëne-eisen is dat consumenten eropkunnen vertrouwen dat producten die zij kopen, waaronder rauwe melk,zo veilig mogelijk zijn voor directe consumptie18. Daarnaast geeft derecente aanpassing van de wetgeving de ondernemer juist meer ruimteom rauwe melk aan consumenten te verkopen (verschuiving vankookverplichting naar kookadvies, als ook de mogelijkheid tot verkoopbuiten de boerderij), maar bij deze aanpassing hoort ook een anderverificatieregime om de voedselveiligheid te borgen. Indien de resultatenvan het pathogenenonderzoek gedurende zes maanden achter elkaarvoldoen aan de gestelde criteria, kan de frequentie van dit onderzoekworden gehalveerd. Dit betekent dat in die gevallen nog slechts zes keerper jaar getest hoeft te worden.Het kabinet blijft daarnaast aandacht houden voor de regeldruk enadministratieve lasten voor Nederlandse boeren en streekproducenten.Tegelijkertijd staat het belang van de volksgezondheid centraal. Daarom isdoor het vorige kabinet toegezegd dat deze maatregel na twee jaar wordtgeëvalueerd, waarbij ook aandacht zal zijn voor de lasten voor (melk)vee-houders in relatie tot het te beschermen volksgezondheidsbelang. Dezeevaluatie is nog steeds voorzien en het eerste gesprek met sectorpartijenstaat al gepland.Daarnaast hebben deze leden zorgen over de toenemende meldings- enterugroepcultuur. In de beleidsregel rond het binnen vier uur melden vanmogelijke voedselveiligheidsrisico’s zien zij een spanning ontstaan tussensnelheid en proportionaliteit. Snelheid is belangrijk, maar deze ledensignaleren ook dat meldingen regelmatig leiden tot grote maatschappe-lijke onrust terwijl achteraf blijkt dat er geen daadwerkelijk voedselveilig-heidsrisico was. Dit roept de vraag op of het systeem niet te gevoelig isingericht, waardoor het «vals alarm»-effect optreedt. Erkent de Ministerdat een te lage drempel voor melding kan leiden tot onnodige onrust bijconsumenten en verminderde effectiviteit van het systeem?De beleidsregel, welke nadere invulling geeft aan Verordening (EG) nr.178/2002, geeft een concretisering van enkele algemeen geformuleerdetermen (open normen) in de Europese voedselveiligheidsvoorschriftenmet betrekking tot de traceringsinformatie en de meldplicht. Dezeconcretisering zorgt voor duidelijkheid voor het bedrijfsleven in hetnaleven van deze voorschriften. Hierdoor wordt de NVWA tijdig op de18Advies BuRO voedselveiligheidsrisico’s van rauwe consumptiemelk gedurende de bewaarfaseTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59728 hoogte gesteld van de genomen of nog te nemen corrigerende maatre-gelen om te voorkomen dat een onveilig levensmiddel in de handel blijft.Het snel en volledig melden en aanleveren van traceringsinformatie in deketen en bij de NVWA draagt bij aan het efficiënt beheersen van voedsel-veiligheidsrisico’s en daarmee aan de bescherming van de volksge-zondheid. Het kabinet is van mening dat de drempel voor het melden inde Europese Algemene levensmiddelenverordening (Verordening (EG)nr.178/2002) niet te laag ligt. Het voldoen aan de voorschriften metbetrekking tot de traceringsinformatie en de meldplicht, inclusief deinvulling daarvan in de beleidsregel, kan juist voorkomen dat een onveiliglevensmiddel de consument bereikt en daarmee maatschappelijke onrustvoorkomen.De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarom inzichtelijk temaken hoe vaak in de afgelopen vijf jaar een melding op grond van devier-uursmeldplicht is gedaan waarbij achteraf is vastgesteld dat er geensprake was van een reëel voedselveiligheidsrisico. Graag uitgesplitst perjaar en waar mogelijk per sector of productgroep. Hoe vaak heeft ditgeleid tot terugroepacties, publieke waarschuwingen of RASFF-meldingendie achteraf gezien niet noodzakelijk bleken? Welke kosten, maatschappe-lijke impact en reputatieschade zijn hiermee gemoeid geweest voorbedrijven en sectoren? Acht de Minister het wenselijk om het huidigesysteem van voedselveiligheidsmeldingen en snelle waarschuwingen teevalueren op proportionaliteit, zodat beter onderscheid wordt gemaakttussen daadwerkelijke risico’s en vermoedens die achteraf ongegrondblijken? Zo nee, waarom niet?De Beleidsregel nadere invulling Verordening (EG) nr. 178/2002 (Stcrt.2022, 16878)19 is op 1 juli 2022 in werking getreden. De verantwoorde-lijkheid voor de inschatting of sprake is van een levensmiddel dat nietvoldoet aan de voedselveiligheidsvoorschriften of mogelijk schadelijk isen dat op grond van de Europese Algemene levensmiddelenverordening(Verordening (EG) nr. 178/2002) aan de NVWA moet worden gemeld, ligtbij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf. De NVWA beoordeeltvervolgens risicogericht de binnengekomen meldingen, waarbij gekekenwordt of de exploitant voldoende maatregelen neemt om de onveiligheidweg te nemen. Uiteraard worden ingezette maatregelen ingetrokken waarnodig. Dit is bijvoorbeeld aan de orde geweest bij de casus over signalenover de mogelijke aanwezigheid van cannabis in een partij snoep vanHaribo. Op basis van de uitslag van het door het Nederlands ForensischInstituut uitgevoerde onderzoek kon de publiekwaarschuwing die op29 mei 2025 was gepubliceerd worden ingetrokken. De NVWA heefthierover op 20 juni 2025 een bericht op haar website geplaatst20.De evaluatie van voorschriften van Europese regelgeving met betrekkingtot tracering, meldplicht en RASFF valt onder de verantwoordelijkheid vande Europese Commissie. De beleidsregel is onlangs geëvalueerd inopdracht van de Ministeries van VWS en LVVN. De Kamer is hierover op8 juli 2025 geïnformeerd (Tweede Kamer 2024–2025, 26 991, nr. 591)21.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoekvan het Voedingscentrum, waaruit blijkt dat 65% van de consumentenchemische voedselrisico’s, zoals per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS),bestrijdingsmiddelen en microplastics, hoog inschat. Genoemde ledenconstateren tegelijkertijd dat consumenten vanwege deze zorgen door het19Staatscourant 2022, 16878 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen20Gezondheidswaarschuwing van snoepfabrikant HARIBO ingetrokken | NVWA21kst-26991–591.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59729 Voedingscentrum worden geadviseerd om gevarieerd te eten om de kanste verkleinen dat mensen te veel schadelijke stoffen binnenkrijgen, terwijldeze leden ondertussen weinig bereidheid zien van het kabinet om tevoorkomen dat er überhaupt schadelijke stoffen in voedsel terechtkomen.De leden van de PvdD-fractie vragen aan de Minister waarom hetvoorkomen van gezondheidsrisico’s hiermee vooral bij consumentenwordt gelegd, terwijl dit primair bij de producenten en bij de overheid zoumoeten liggen. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf en het kabinet inbescherming van gezondheid van burgers en welke extra stappen bent ubereid te zetten om die gezondheid te beschermen als het gaat omschadelijke stoffen in voedsel? Kan de Minister dit zo concreet mogelijkmaken?Het is niet correct om te stellen dat het kabinet niet bereid zou zijn om tevoorkomen dat schadelijke stoffen in voedsel terechtkomen. Het voedsel-veiligheidsbeleid is Europees breed georganiseerd gezien de velelevensmiddelen die geïmporteerd en geëxporteerd worden. Op Europeesniveau is Nederland continu bezig, waar nodig en mogelijk, de grens-waarden van schadelijke stoffen in levensmiddelen te monitoren enomlaag te brengen. Dit gebeurt voor een groot aantal schadelijke stoffen,waaronder PFAS. Hierbij is Nederland één van de meest strikte landen alshet gaat om de opvolging van deze Europese regelgeving en monitoring.Daarnaast heeft Nederland samen met Duitsland, Denemarken,Noorwegen en Zweden een restrictievoorstel voor PFAS ingediend bij hetEU-agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Het betreft een initiatiefom de productie en het gebruik van de volledige groep van ruim 10.000PFAS-chemicaliën in de EU drastisch aan banden te leggen.De leden van de PvdD-fractie constateren bovendien dat niet alleen devraag beantwoord moet worden of voedsel veilig is om te consumeren,maar ook de vraag hoe de productie van voedsel via de leefomgeving devolksgezondheid schaadt, bijvoorbeeld door de grote hoeveelhedenbestrijdingsmiddelen die daarbij gebruikt worden waardoor aantoonbaarPFAS in het drinkwater en in de grond terechtkomen. Via voedsel endrinkwater samen ligt de hoeveelheid PFAS die Nederlanders binnen-krijgen volgens het RIVM nu al boven de gezondheidskundige grens-waarde, wat schadelijk is voor de gezondheid. Genoemde leden hebbenook kennisgenomen van het meest recente onderzoek van het RIVM over«PFAS in lokaal voedsel», waaruit blijkt dat lokaal voedsel (kortom voedseldat lokaal in Nederland geproduceerd wordt) meer PFAS kan bevatten danvoedsel uit de winkel en dat het eten ervan kan leiden tot een hogereinname van PFAS. Zij vragen daarom of het kabinet al kan aangeven watze extra gaat doen om Nederlanders beter te beschermen tegen PFAS inde herziene Wet gewasbeschermingsmiddelen die na de zomer naar deKamer zal komen.De inzet is om via bindende afspraken met partijen in een convenant ophoofdlijnen het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen inde plantaardige sector fors terug te dringen. PFAS gaat onder deze termvan schadelijke gewasbeschermingsmiddelen vallen. Over het convenanttraject wordt u separaat geïnformeerd door de Staatssecretaris van LVVN.De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de Minister kijkt naar deuitspraken van de voorzitter van het College voor de toelating vangewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) in de LeeuwarderCourant van december 2025, waarin hij noemt dat als het Ctgb een middeltoelaat, het niet betekent dat er geen risico’s zijn. Deze leden vragen of deMinister kan toelichten of hiermee Nederlanders niet onnodig wordenblootgesteld aan middelen die mogelijk schadelijke stoffen bevatten.Verder benadrukte de voorzitter van het Ctgb ook dat er een verschil zitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59730 tussen de normen waarmee men toetst of een waterlichaam aan deKaderrichtlijn Water (KRW) voldoet en de toelatingsnormen voorbestrijdingsmiddelen, en dat het Ctgb aan het Ministerie van LVVN heeftgevraagd om ook middelen te kunnen toetsen op KRW-normen, maardaar nog niet de volledige ruimte voor heeft gekregen. Genoemde ledenvragen of de Minister hier een reactie op kan geven en kan uitleggenwaarom het Ctgb nog niet voldoende ruimte heeft gekregen om detoelatingsnormen voor bestrijdingsmiddelen in lijn te brengen met deKRW-normen.Zoals in het artikel in de Leeuwarder Courant wordt aangegeven gaat hetCollege voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden(Ctgb) bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen uit vantoepassing conform de door het Ctgb vastgestelde gebruiksvoorschriften.De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert telers enhandhaaft indien nodig. Voor de beoordeling van gewasbeschermings-middelen volgt het Ctgb Europese beoordelingskaders. Als nieuwewetenschappelijke inzichten daar aanleiding toe geven, worden stoffen enmiddelen tussentijds opnieuw beoordeeld. Zo staat bescherming vanmens, dier en milieu voorop.In een Kamerbrief is uiteengezet hoe de toelating van gewasbescher-mingsmiddelen in overeenstemming zal worden gebracht met denormering van de Kaderrichtlijn Water (KRW)22. Het Ctgb heeft in eerderstadium een aanpak langs meerdere opties geadviseerd, zoals demogelijkheid van een KRW toets voorafgaand aan de toelating of bijverlenging van middelen op basis van een stof met een KRW-norm. Deuiteengezette aanpak gaat uit van het gericht achteraf ingrijpen in altoegelaten middelen op basis van stoffen die de KRW-normen structureeloverschrijden. Om deze aanpak in te voeren, worden stappen gezetwaaronder aanpassing van regelgeving. Dit geeft het Ctgb ruimte om alletoegelaten middelen die KRW-stoffen bevatten die normoverschrijdendvoorkomen in oppervlaktewater, achteraf en tegelijk te herbeoordelen. Hetspreekt voor zich dat de Staatssecretaris van LVVN de effectiviteit van deaanpak met de Minister van IenW en het Ctgb voor het behalen van dedoelen van de KRW bewaakt via bijvoorbeeld monitoring en deze waarnodig aanpast.De leden van de PvdD-fractie hebben ook met bezorgdheid het recentePFAS-advies van het Ctgb van 19 januari 2026 gelezen en met verbazingkennisgenomen van het feit dat het Ctgb pas uiterlijk 30 april 2028 eenbesluit neemt, terwijl Denemarken een direct verbod instelt. Volgens hetCtgb zijn de besluiten van Denemarken mede gebaseerd op nationalewetgeving omtrent persistentie en beschikt Nederland niet over ditnationale kader, waardoor Nederland het Europese artikel 44-proces moetdoorlopen. Kan de Minister ook in Nederland voor een dergelijk nationaalkader zorgen zoals in Denemarken? Wat is in theorie, nog los van depolitieke wenselijkheid, de snelste manier om zoiets in Nederland teregelen en wat is daarvoor nodig?Denemarken heeft inderdaad in juli 2025 aangekondigd om 23 middelenin te trekken vanwege PFAS uitspoeling naar het grondwater. Dit Deensebesluit is gebaseerd op aanvullende nationale wetgeving over uitspoelingvan stoffen naar het grondwater. Nederland kent deze specifiekewetgeving niet. Het Ctgb heeft op basis van de achterliggende weten-schappelijke informatie uit Denemarken besloten om, net als Zweden enNoorwegen, 46 middelen te herbeoordelen op basis van Europeseregelgeving (Verordening (EG) 1107/2009, Artikel 44). Het kabinet heeft22Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 858, nr. 712Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59731 vertrouwen in deze procedure waarbij aanvragers de mogelijkheid hebbenom aanvullende informatie aan te leveren en het Ctgb uiterlijk 30 april2028 alle beoordelingen zal hebben afgerond.Om een dergelijke wet zoals in Denemarken ook in Nederland te introdu-ceren zou een nieuw wetstraject moeten worden gestart waarbij, bovenopEuropese regelgeving, aanvullende nationale eisen worden gesteld aan deuitspoeling van stoffen naar het grondwater. Los van de (politieke)wenselijkheid van een dergelijk traject, zal de herbeoordeling van het Ctgbaanzienlijk eerder zijn afgerond.De leden van de PvdD-fractie constateren voorts dat hetPFAS-onderzoeksprogramma, uitgevoerd door het RIVM in opdracht vande Ministeries van IenW, LVVN en VWS, afloopt in 2026. Het doel van hetprogramma is om goed in beeld te krijgen hoe de blootstelling van deNederlandse bevolking aan PFAS vermindert kan worden. Deze ledenvragen welke signalen de Minister van het RIVM verwacht en of er alconcrete acties staan gepland om opvolging te geven aan de conclusiesvan het onderzoeksprogramma, gezien de urgentie van hetPFAS-probleem?Het kabinet loopt niet vooruit op conclusies van het Rijksinstituut voorVolksgezondheid en Milieu (RIVM). Er worden nog een aantal onderzoeks-rapporten verwacht. Op basis van de resultaten beoordeelt het kabinetwelke mogelijkheden er zijn voor beleid. Het kabinet informeert de kamerdaar te zijner tijd over.De leden van de PvdD-fractie hebben ook kennisgenomen van het berichtdat de Minister convenanten wil sluiten met onder andere boeren,tuinders en natuurorganisaties om het gebruik van giftige bestrijdings-middelen te verminderen. Deze leden vragen waarom gekozen is voor devorm van convenanten, terwijl bekend is dat convenanten lastig contro-leerbaar en handhaafbaar zijn en er volgens het Kenniscentrum voorBeleid en Regelgeving het risico bestaat dat een convenant toch tevrijblijvend is. Waarom kiest de Minister in plaats van convenanten nietvoor scherpere wetgeving, met daarnaast hulp aan boeren? Genoemdeleden vragen ook waarom deze convenanten pas vanaf 2027 in werkingtreden en of dit niet eerder kan. Hoe gaat de Minister precies de afsprakenin het convenant monitoren en handhaven? Wordt de monitoringonafhankelijk gedaan en zo ja, door wie? Hoe ziet de handhaving eruit enwelke gevolgen zijn er als er niet aan de afspraken wordt voldaan?De inzet is inderdaad om via bindende afspraken met partijen in eenconvenant op hoofdlijnen het gebruik van schadelijke gewasbescher-mingsmiddelen in de plantaardige sector fors terug te dringen. Daarbij ligtde focus op schadelijke gewasbeschermingsmiddelen en verminderingvan milieubelasting, gebaseerd op milieubelastingspunten. Dit is in lijnmet het coalitieakkoord. Met de keuze voor vastlegging van afspraken ineen convenant is niet uitgesloten dat de overheid wetgeving introduceertnaast het bieden van hulp aan agrarische ondernemers. De inzet is ookhet hoofdlijnen-convenant te sluiten vóór de zomer en om dezevervolgens verder uit te werken per sector in deelconvenanten, zodat hetgeheel in 2027 in uitvoering kan komen. Omdat het convenanttrajectzojuist is gestart, kan het kabinet nu nog niet vooruitlopen op het momentvan inwerkingtreding en monitoring en handhaving hiervan. De Staatsse-cretaris van LVVN zal de Kamer voor de zomer informeren over deuitkomst.Tot slot hebben de leden van de PvdD-fractie kennisgenomen van demeest recente brief (van 8 juli 2025) over de ontwikkelingen van hetvoedselveiligheidsbeleid. Genoemde leden constateren dat het vorigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59732 kabinet de aandachtspunten van het rapport «Verkenning van potentiëleeffecten klimaatverandering op voedselveiligheid in Nederland» inoverweging zou nemen voor toekomstig voedselveiligheidsbeleid. Hetrapport noemt een aantal voorbeelden van mogelijke effecten vanklimaatverandering op de voedselveiligheid, zoals de toename vantoxinen in voedsel, hogere besmettingsniveaus van pathogene micro-organismen in voedsel en verminderde houdbaarheid van voedsel. Hetrapport wijst daarnaast op «de mogelijke kennisleemtes in de borging vande voedselveiligheid», zoals het voorbereid zijn op de combinatie vanweersextremen als hitte, droogte en nattigheid om risico’s voor devoedselveiligheid te beperken. De leden vragen hoe het nieuwe kabinetmet de conclusies uit dit rapport verder gaat en wat zij eraan gaat doenom deze effecten zo veel mogelijk te beperken.Naar aanleiding van het rapport «Verkenning van potentiële effectenklimaatverandering op voedselveiligheid in Nederland» is binnen hethuidig onderzoeks- en beleidskader bekeken in hoeverre de aanbeve-lingen al reeds worden meegenomen in bestaande wettelijke onderzoeks-taken en diverse Europese onderzoeksinitiatieven. Uit deze analyse blijktdat de in het rapport gesignaleerde aandachtspunten reeds onderdeel zijnvan lopende onderzoeksprojecten of van voorstellen binnen huidigeEuropese onderzoeksinitiatieven. Dit betreft onder meer onderzoek naartoxinen en mogelijke microbiologische risico’s. Indien in de toekomstalsnog onvoldoende belichte onderwerpen worden gesignaleerd, kunnendeze worden ingebracht in de jaarlijkse programmering van onderzoek enbeleid.Daarnaast wordt binnen het voedselveiligheidsbeleid aandacht besteedaan de weerbaarheid van voedselsystemen onder veranderende klimaat-omstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar strategieën diebijdragen aan een veilig voedselsysteem in situaties van watertekort,zoals hergebruik van water en het gebruik van alternatieve waterbronnen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerdestukken over Voedselveiligheid. Zij hebben nog een aantal vragen enopmerkingen hierover.De leden van de SP-fractie constateren dat de huidige regelgevingrondom gewasbestrijdingsmiddelen nog een aantal kwetsbaarheden kent.Zo is het nog altijd mogelijk om een combinatie van verschillendepesticiden te gebruiken, waardoor de totale hoeveelheid residu een stukhoger ligt dan het maximum van een enkel middel. Is de Minister bereidom te onderzoeken of dit moet worden aangescherpt?Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voert samen metEuropean Food Safety Authority (EFSA) sinds 2018 periodiek onderzoekuit naar het zogenoemde «cumulatieve effect» van residuen van gewasbe-schermingsmiddelen in voedingsmiddelen. Dit betekent dat de werkingvan verschillende middelen in de dagelijkse voeding die hetzelfde effectop het menselijk lichaam hebben, bij elkaar worden opgeteld. Dezeberekening is mogelijk voor effecten op schildklier, zenuwstelsel enfoetale ontwikkeling van het zenuwstelsel. Op basis van deze bereke-ningen hebben EFSA en het RIVM inmiddels verschillende resultatengepubliceerd. Hieruit blijkt vooralsnog dat cumulatie via residuen opvoedsel niet leidt tot onvoorziene gezondheidsrisico’s. EFSA en het RIVMblijven doorgaan met het periodiek uitvoeren van onderzoek. Daarnaastwordt er gewerkt aan een methode voor blootstellingsberekeningen diekan worden toegepast bij de risicobeoordeling van nieuwe stoffen enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59733 nieuwe gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen (een zgn.«prospectief scenario»). Momenteel vinden er trainingen plaats voorexperts uit de verschillende lidstaten die in de toekomst met de nieuwemethodiek zullen gaan werken. Naar verwachting wordt begin volgendjaar een publieke consultatie uitgevoerd waarna discussie en vaststellingvan de methode in Europa plaatsvindt.Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van debeleidstukken aangaande Voedselveiligheid en hebben voor dit momentgeen vragen en/of opmerkingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 991, nr. 59734
Bron, video en gesprek →0debatten
1.084bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: PRO (2026-06-10–heden) · GroenLinks-PvdA (2023-10-27–2026-06-09) · PvdA (2022-06-02–2023-10-26) · PvdA (2012-09-20–2017-03-22) ·