28325 Bouwregelgeving Nr. 336 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT Vastgesteld 21 september 2026 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 1 juli 2026 overleg gevoerd met mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, over: - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 12 juni 2026 inzake monitoringsrapportage Wet kwaliteitsborging voor het bouwen 2025 (Kamerstuk 34453, nr. 33); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 22 mei 2026 inzake nadere uitwerking van de beleidsagenda bouwregelgeving (Kamerstuk 28325, nr. 308); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 24 april 2026 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van 6 maart 2026 van de Stichting Meldpunt PURslachtoffers met betrekking tot gezondheidsrisico's van gespoten purschuim en noodzakelijke aanscherping van beleid en toezicht (Kamerstuk 28325, nr. 307); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 6 februari 2026 inzake toezegging gedaan tijdens het vragenuur van 2 december 2025 over modernisering van de brandveiligheidseisen (Kamerstuk 28325, nr. 302); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 17 december 2025 inzake reactie op rapport Instorting hellingbanen parkeergarage Nieuwegein (Kamerstuk 28325, nr. 300); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 4 juli 2025 inzake afschrift brief aan de Eerste Kamer over de monitoringsrapportage voor de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen 2024 (2025Z14325); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 3 juli 2025 inzake evaluatie CO-stelsel - nadere informatie opvolging aanbevelingen (Kamerstuk 32757, nr. 191). Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. De voorzitter van de commissie, Bromet De griffier van de commissie, Meedendorp Voorzitter: Van Asten Griffier: Beekmans Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van Asten, Beckerman, Clemminck, De Hoop, Mooiman, Nobel en Steen, en mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Aanvang 13.00 uur. De voorzitter: Goedemiddag. Welkom allemaal bij de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor het debat over bouwregelgeving. Allereerst natuurlijk welkom aan de minister, welkom aan de mensen op de tribune en uiteraard thuis en welkom aan de commissieleden. We gaan zo beginnen met het debat. Iedereen heeft een spreektijd van vier minuten. Ik stel voor de interrupties kort te houden, maximaal vier op elkaar van maximaal 30 seconden. Het staat u vrij om langer dan 30 seconden te praten, maar dan zetten gewoon twee streepjes neer en dan heeft u er al twee gehad. We kijken hoe we daarmee uitkomen. Ik wil gelijk beginnen en geef het woord aan mevrouw Beckerman. Mevrouw Beckerman (SP): Dank u wel, voorzitter. Allereerst mijn excuses. Dit is een van mijn favoriete debatten, altijd geweest, maar ik moet straks naar het plenaire debat over stikstof. Daarom ben ik maar heel even bij dit debat. Dat is niet uit desinteresse, maar vanwege totale chaos deze week qua hoeveelheid debatten. Ik wil het vandaag in ieder geval hebben over drie punten: hitte, brandveiligheid en schimmel. Wat een hitte vorige week en als we de berichten moeten geloven, komt er misschien weer een nieuwe hittegolf aan. Hitte is echter ongelijk verdeeld. Arme wijken zijn vaak warme wijken en in een stad kunnen de hitteverschillen soms wel 20 graden zijn. Waar de een in een gekoeld kantoor werkt en 's avonds in een koel huis in een koele buurt terugkomt, werkt de ander buiten of in de hitte en komt in een kokende wijk thuis. Deze ongelijkheid moeten we aanpakken. Helaas werd vorige week een motie van mij over een afdwingbare groennorm verworpen. We maken ons ook zorgen over de plannen van de minister om de isolatiestandaard voor bestaande bouw verder te verlagen, dus niet te verhogen, maar te verlagen. Dat vinden we problematisch nu we zien dat hitte een steeds groter probleem gaat worden. Is de minister het met ons eens dat we veel beter moeten zorgen dat onze wijken en huizen leefbaar blijven met hittegolven? Wat wil zij hieraan doen? Wil de minister hierbij ook focussen op de armste en warmste wijken? Waarom verlaagt het kabinet de isolatiestandaard voor bestaande bouw terwijl dat slecht is voor het wooncomfort en de druk op het elektriciteitsnet vergroot? Hoe wil deze minister niet alleen zorgen voor betere huizen, maar ook betere wijken met meer groen? Dan brandveiligheid. Dat is een punt waar ik vaak aandacht voor heb gevraagd in deze debatten. Als we naar alle stukken voor dit debat kijken, zien we dat er eigenlijk één rode draad doorheen loopt: bouwregels sluiten niet meer aan op de werkelijkheid. Het duidelijkste voorbeeld of misschien het pijnlijkste voorbeeld is de brandveiligheid in woonzorgvormen. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid laat zien dat steeds meer mensen met een zware zorgvraag zelfstandig in reguliere woningen wonen, zonder de brandmeldinstallatie, het toezicht en het ontruimingsplan die in een instelling vanzelfsprekend zijn, en dat is gevaarlijk. Dit is geen toeval. Dit is het directe gevolg van opeenvolgende neoliberale kabinetten. De verantwoordelijkheid voor brandveiligheid is daarmee stilletjes verschoven van het collectief naar het individu. De brandweer waarschuwt dat er brandscenario's kunnen ontstaan die nauwelijks beheersbaar zijn. Dan de aanpak van het kabinet. De inzet is vooral schrappen, alsof elke regel een blokkade is. Dit is echt een zwart-witbenadering. Luisteren we naar wat de brandweer echt zegt? Zij pleiten niet voor minder regels, maar voor betere regels. Vereenvoudiging mag volgens de brandweer nadrukkelijk geen zelfstandig doel zijn. Het moet juist gaan om het vervangen van regels door duidelijkere, effectievere en beter uitvoerbare regels die sturen op een veiligheidsresultaat. Dan de modernisering. De VNG, het IPO en de brandweer leggen op basis van het TNO-rapport, een goed rapport, een fundamentele conclusie op tafel: de basis van het stelsel dat we nu hebben, stamt uit de jaren tachtig en negentig en zou je eigenlijk integraal moeten herzien. De brandweer vraagt expliciet om een integrale verkenning van de uitgangspunten in het Bbl, aanvullend op de lopende deelonderzoeken. Lector Brandveiligheidskunde De Witte van het NIPV voegt daaraan toe dat het naïef is om te denken dat een ramp met veel slachtoffers, zoals Grenfell, hier niet kan gebeuren. Dit is eigenlijk het cruciale punt voor vandaag: neemt de minister deze waarschuwingen serieus, welke prioriteiten stelt zij bij de modernisering en sluit zij zich aan bij de vier prioriteiten van de brandweer? Ik zie dat ik nog één seconde heb. Ik hoop dat ik nog één zin mag zeggen. Onze motie voor een Nederlandse variant op Awaab's Law is aangenomen, dus de antischimmelwetgeving. Kan de minister al iets zeggen over de voortgang? Dank u wel. De voorzitter: Dank voor uw inbreng. Mevrouw Steen. Mevrouw Steen (CDA): Voorzitter, dank u wel. Iedereen heeft wel een guilty pleasure en die van mij is onder andere Extreme Home Makeover. U kent het wel: zo'n huis dat onherkenbaar wordt verbouwd met spectaculaire voor-en-nafoto's. Blije mensen, happy end. Onlangs kreeg ik ook foto's opgestuurd van een andere home makeover, maar dat waren foto's van een verzorgingstehuis in Noord-Holland. Op de eerste foto zag je precies wat je hoopt te zien, namelijk bewoners die samen koffiedrinken, schilderijtjes aan de muur en bloemetjes op tafel. Op de tweede foto was de ruimte te zien na de aanpassing vanwege de brandveiligheidseisen: stoelen weg, aankleding weg. Het gezellige verzorgingstehuis leek wel een arrestantencentrum geworden en er waren helemaal geen blije mensen. Iedereen begrijpt wel dat brandveiligheid geen bijzaak is. We hebben het net gehoord en we hebben het vanmiddag gezien: die enorme dramatische flatbrand in Antwerpen, waar ook weer slachtoffers bij zijn gevallen. Het is belangrijk, zeker in gebouwen waar ouderen wonen en waar mensen afhankelijk zijn van zorg. Vluchtroutes moeten vrij zijn, je moet nadenken over materialen. Risico's moeten serieus genomen worden met vooral slimme regels. Maar willen we nou een samenleving waarin elk risico volledig is weggemasseerd, maar niemand zich meer thuis voelt? Het gaat om verantwoorde veiligheid, niet om de reflex dat alles weg moet omdat niemand later aansprakelijk wil zijn, niet om regels die telkens strenger worden geïnterpreteerd tot niemand meer precies wat de wet precies vraagt en wat uit voorzorg is toegevoegd. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Herkent de minister dat regels, toezicht en ook lokale interpretaties elkaar soms zo versterken dat zorginstellingen of ouderencomplexen verder gaan dan de wet eigenlijk vraagt? Kan de minister in een brief aan de Kamer op een rij zetten wat nou echt wettelijk verplicht is, waar de ruimte zit voor maatwerk en hoe wordt voorkomen dat instellingen uit angst voor aansprakelijkheid automatisch kiezen voor kaalslag? Is de minister bereid om samen met de brandweer, de veiligheidsregio's, gemeenten, zorgorganisaties en bewoners te kijken hoe brandveiligheid en leven zoals thuis beter met elkaar verbonden kunnen worden en wil de minister daarbij toezeggen dat daarbij het uitgangspunt wordt "brandveiligheid waar het moet, menselijk waar het kan en altijd gericht op het bieden van een gemeenschappelijk thuis"? Voorzitter. Dan wil graag door naar de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, want die veroorzaakt disproportionele kosten bij kleinere bouwprojecten. Het vertraagt en het leidt tot bureaucratie en onduidelijkheid. Deelt de minister dat we die versneld moeten evalueren en misschien wel aanpassen? Dan kom ik bij bezwaarmakers die projectontwikkelaars chanteren. Ze maken bezwaar puur en alleen om een afkoopsom op te strijken. Minister, wat gaan we doen aan die afkoopsommen? Hoe gaan we dat aanpakken? Welke mogelijkheden ziet zij om dit verdienmodel te doorbreken? Deelt de minister dat we de kring van mensen die bezwaar en beroep kunnen instellen fors moeten beperken en komt ze, zoals de recent aangenomen motie hierover vraagt, in de taskforcebrief van september met beperkingen? Voorzitter. De vorige minister had het programma STOER. Nu komt het in mijn ogen niet alleen aan op regels schrappen, maar vooral op versimpelen en verbeteren. Maar toch, ik heb nog niet zo heel erg veel concreets gezien op dit gebied. Welke ambitieuze plannen kunnen we verwachten in september? De minister is aan de slag met de jaarlijkse vereenvoudigingswet, maar moeten we daar niet een regeltrechter in bouwen, vraag ik de minister, zodat je juist de bouwregels alleen nog in vaste tranches invoert en bedrijven niet voortdurend hun ontwerpen moeten aanpassen. Zou de minister op al deze ideeën eens willen ingaan? Mijn motie over de fast lane en typegoedkeuring voor flexwoningen is nu alweer een paar maanden geleden aangenomen. Ik vraag de minister: moeten we met de taskforcebrief niet gewoon typegoedkeuringen plus fast lane doen voor alle typen flexwoningen, geen uitgezonderd? En tot slot, hoe gaan we voorkomen dat de typegoedkeuring blijft steken in de grondgebonden woningen in de eerste risicoklasse? Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Ik heb voor u een interruptie van de heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): Voorzitter, dank. Ik heb een vraag aan het CDA over de verblijfsvoorziening voor beschermde diersoorten. De minister komt nu met een voorstel om de verplichte nestkastjes bij utiliteitsgebouwen een plek te geven, terwijl de Kamer eerder zei: we willen dat er voor alle gebouwen zo'n plicht komt. De bouwers vinden dat namelijk veel prettiger, omdat ze dan weten waar ze aan toe zijn. Het CDA steunde dat voorstel dat wij toen als Progressief Nederland indienden ook. Minister Keijzer wilde dat per se niet. Vindt het CDA dat we nu, met de nieuwe minister, toch moeten kijken of je dat niet gewoon breed bij alle woningen zou moeten doen, zodat iedereen weet waar hij aan toe is? De voorzitter: Voordat ik u het woord geef: een kleine coulance, want u ging net over die halve minuut heen. Graag de vraag om het zo kort mogelijk te houden, want anders zijn het de volgende keer wel twee interrupties. Mevrouw Steen. Mevrouw Steen (CDA): U bent heel coulant, voorzitter. Wat het CDA belangrijk vindt, is dat we toegaan naar voorspelbaarheid in regelgeving. Dus ja, we willen duurzaam bouwen, maar we moeten er vooral voor zorgen dat die bouwers weten waar ze aan toe zijn. Dat is het allerbelangrijkste en daar waar we dat duurzaam kunnen doen, is het CDA daar altijd voor. Maar zwabberbeleid, dat is waar het CDA tegen is en daar zal het CDA ook altijd tegen zijn. De voorzitter: Een vervolginterruptie van de heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): Helder. Om dat zwabberbeleid te voorkomen, wil je denk ik dat er één uniforme regel is en dat niet lokaal gemeenten elke keer een andere regel opleggen. Dat is heel vervelend voor bouwers. Is het CDA het dan niet met Progressief Nederland eens dat we dan toch uniforme regels moeten hebben voor niet alleen de utiliteitsbouw, maar ook breed voor de woningbouw, ook voor huizen? Mevrouw Steen (CDA): Volgens mij heeft u het CDA daar ook altijd voor horen pleiten: generiek waar het kan, met name om ervoor te zorgen dat gemeenten niet per se koppen op nationale regels maken. De voorzitter: Dank. Dan geef ik het woord aan de heer Mooiman. De heer Mooiman (PVV): Dank u wel, voorzitter. Het is goed dat we het vandaag hebben over bouwregelgeving, want om de bouw van nieuwe woningen zo goed mogelijk te kunnen borgen, is het van groot belang dat er meer stappen worden gezet op het slimmer en efficiënter maken van regelgeving, maar ook om meer samenhang te creëren. Om de doelstelling van de 100.000 woningen per jaar te halen, is het belangrijk dat we doorlopend kijken naar de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn, ook waar het gaat om het forse aantal wetten en regels die met goede intenties zijn opgezet, maar verouderd zijn, niet passen bij de huidige opgave of waarvan het ontbreken versnelling en verbetering in de weg zit. Het programma STOER, dat onder het vorige kabinet is opgezet, heeft daaromtrent veel waardevolle inzichten geboden. Het is ook goed om te lezen dat het kabinet en deze minister daar verder mee aan de slag gaan. Tegelijkertijd zijn we er daarmee nog niet. Het gesprek over het Bbl zou ook moeten gaan over herziening van het stelsel en het toekomstbestendig maken daarvan en over hoe dit aansluit op andere eisen die worden gesteld. Er komt immers een groot aantal andere herzieningen aan, bijvoorbeeld waar het gaat om Europese regelgeving, normen, verduurzaming en ga zo maar door. Het grote aantal regels waartoe bouwers, leveranciers en ontwikkelaars zich toe hebben te verhouden, zorgt voor uitdagingen waar het gaat om de uitvoerbaarheid. We willen de minister dan ook vragen hoe zij juist die uniformiteit en de uitvoerbaarheid van het stelsel van bouwregelgeving en verwante zaken wil gaan borgen. Wat ons betreft is het van belang dat beleid goed met elkaar samenhangt en dat de inzet op STOER, maar ook het Bbl en de andere wijzigingen integraal worden bezien. Hoe is de minister daarbij bijvoorbeeld van plan om dubbele regelgeving waar het gaat om nationale regels die worden opgelegd en regels die vanuit de Europese Unie voortkomen goed te combineren met elkaar? Een ander punt dat we mee willen geven, is de situatie omtrent de bestaande voorraad. Veel van de wijzigingen in de regelgeving richten zich nu met name op nieuwbouw. Dat is natuurlijk belangrijk, maar ook in de bestaande voorraad liggen er veel kansen om de renovatie van woningen te versnellen. Daarmee kunnen ook zaken als slecht geventileerde woningen beter worden aangepakt. Er zijn helaas, zoals ook collega Beckerman al veelvuldig en ook nu heeft aangegeven, nog steeds ontzettend veel woningen die met vocht- en schimmelproblematiek kampen en waarvan de situatie zonder ingrijpen niet verbetert. Dan heeft ook een boete of een compensatie vaak geen zin en is een bewustwordingscampagne alleen niet voldoende. Hoe kijkt de minister hiernaar, gelet op de dynamiek omtrent het schrappen van regelgeving? Ook steunen we de ambitie van de minister om veel meer in te gaan zetten op industrieel bouwen en standaardisatie. Het voornemen om in 2030 50% van de nieuwbouw zo te realiseren is weliswaar ambitieus, maar biedt onzes inziens wel kansen om de woningbouw echt te kunnen versnellen. Voorzitter, tot slot nog. Het is van groot belang dat we de woningbouwdoelstellingen gaan halen. De urgentie die we daar denk ik allemaal bij voelen, zou ook terecht moeten komen in de bouwregelgeving, zodat die daarbij aansluit. We hopen dat de minister aan de slag gaat met een herziening van het stelsel waarin de uniformiteit en de samenhang geborgd kunnen worden, maar waar ook uiteindelijk alle relevante partners mee aan de slag kunnen. Tot zover. De voorzitter: Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Nobel. De heer Nobel (VVD): Dank u wel, voorzitter. De bouw van 2.750 woningen in Weesp ligt stil door 98 rechtszaken, aangespannen door één echtpaar ter bescherming van de rugstreeppad, de heikikker en de platte schijfhorenslak. In Nieuwkerkerland wordt de bouw van een wijk vertraagd door diezelfde pad, ondanks twee eerdere controles waarbij geen padden zijn aangetroffen. In Zierikzee ligt de bouw van 25 appartementen stil zonder dat er maar één is waargenomen. Een vermeend nest van een steenuil legde vorig jaar een woningbouwproject een maand stil terwijl er geen enkel nest was. In Elburg lopen 225 woningen vertraging op doordat er aan de randen van het plangebied een steenuil zou zijn aangetroffen. In Houten wachtte de gemeenten jaren tot de steenuilen uiteindelijk zouden sterven voor er überhaupt aan de bouw van een wijk kon worden begonnen. In Hei- en Boeicop wacht men jaar op een provinciale ontheffing voor een ringslang en in Driel loopt de nieuwbouw twee jaar vertraging op door vleermuizen in een pand, net als overigens in Bergambacht, Doetinchem en Purmerend. En 80% van de isolatiebedrijven geeft aan dat vleermuizen de voornaamste reden zijn waardoor woningen niet worden geïsoleerd. Voorzitter. Ik haal al deze voorbeelden aan om aan te tonen dat dit niet ergens in Nederland gebeurt, maar eigenlijk iedere wethouder of bouwer hiermee wordt geconfronteerd. Ik wil benadrukken dat de VVD echt geen tegenstander is van flora- en faunabescherming, maar op dit moment worden er zo veel bouwprojecten stilgelegd en dat terwijl het wooninfarct alleen maar groter wordt. Het probleem ligt natuurlijk niet alleen bij de kikker of vleermuis zelf. Het zit 'm in de bureaucratie van de overheden. Woningbezitters en bouwers zijn nu namelijk overgeleverd aan tijdrovende natuuronderzoeken, terwijl het echt veel eenvoudiger kan, bijvoorbeeld door het vaststellen van een soortenmanagementplan. Dat is een plan voor vastgestelde beschermde diersoorten dat ervoor zorgt dat een gemeente uiteindelijk meer voorspelbaarheid bij bouwprojecten kan aantonen. Op dit moment heeft nog niet iedere gemeente een plan opgesteld en weigeren provincies ook om plannen van gemeenten goed te keuren. Hierover heb ik eerder schriftelijke vragen gesteld. Door een soortenmanagementplan kunnen we er uiteindelijk voor zorgen dat bouwers een voorspelbaarheid krijgen die ervoor zorgt dat ze niet voor ieder apart dier een onderzoek hoeven uit te voeren. Deelt de minister de opvatting van de VVD dat deze soortenmanagementplannen ervoor kunnen zorgen dat bouwprojecten voorspelbaarder worden? Aan vastgestelde soortenmanagementplannen kunnen uiteindelijk toch weer extra dieren worden toegevoegd. Hoe kijkt de minister daartegen aan als je met name de voorspelbaarheid van die soortenmanagementplannen als uitgangspunt wilt nemen? Welke termijn van geldigheid acht de minister bijvoorbeeld wenselijk als je kijkt naar zo'n soortenmanagementplan? Als je ieder jaar met een nieuw plan moet komen, kun je je afvragen of dat soortenmanagementplan wel effectief is. Daarnaast vindt de VVD dat als een beschermde diersoort toch bouwplannen stillegt, er ook een mogelijkheid moet zijn om deze dieren naar een betere plek te verplaatsen. Is de minister bijvoorbeeld bereid om alternatieve methoden te bekijken om dieren te verplaatsen of bijvoorbeeld te detecteren en hierover in overleg te treden met de staatssecretaris van LVVN? Voorzitter. Het zijn niet enkel dieren die bouwprojecten stilleggen, maar ook mensen. Bezwaar van telkens dezelfde klagers zorgt voor maanden aan vertraging, bezorgt gemeenten onnodig veel werk en kan zelfs een verdienmodel zijn als wordt overgegaan tot uitkoop. Bezwaar maken moet natuurlijk kunnen, maar misbruik of financieel gewin moeten we voorkomen. De VVD wil dat dit verdienmodel zo snel mogelijk stopt. Ik vraag me af of de minister dat ook zo ziet. Ook de regels in de bouw zelf zorgen voor vertraging, niet vanwege de regels, maar vanwege de verschillende eisen die de 342 gemeenten kunnen stellen. Ik heb er in een eerder debat al toe opgeroepen om flink te snijden in het aantal regels. Kan de minister aangeven wat de status is van de Crisis- en herstelwet? Dan het programma STOER. Wanneer verwacht de minister het volgende rapport met daarin het aantal te schrappen regels en wanneer verwacht zij de aanbevelingen uit het vorige rapport te hebben verwerkt? De afgelopen maanden heeft het kabinet meerdere pakketten duurzaamheidsregels aangekondigd, maar hoe garandeert de minister voorspelbaarheid van deze regels en kan de minister garanderen dat deze regels uiteindelijk niet voor een nettotoename aan bouwregelgeving zorgen? Tot slot … De voorzitter: Dan heeft u nog één zin, want u bent goed over de tijd heen. De heer Nobel (VVD): Ik wilde zeggen: tot slot. We moeten ook kijken naar de kansen die er op dit moment zijn voor splitsen, optoppen en transformeren. Kan de minister alvast een tipje van de sluier oplichten, want ze zou de Kamer hier voor de zomer over informeren. Dank u wel. De voorzitter: Dat was precies één zin. Dan is het jammer dat dat u minder spreektijd hebt, want anders hadden we alle verhalen over alle dieren in heel Nederland willen horen die naar een betere plek moeten gaan. Dat klonk ook veelbelovend. De heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): Voorzitter. Ik neem vandaag het debat over van collega Zalinyan. Voorzitter. Bouwregels lijken vaak een bureaucratische bijzaak, maar ze raken het dagelijks leven van mensen. Ze bepalen of een woning veilig is bij brand, of die toegankelijk is voor mensen met een rolstoel en of iedereen eerlijk en goed kan wonen. Goede, moderne bouwregels zijn ook onmisbaar voor de opgaven van deze tijd: CO2-reductie, en energieneutraal en circulair bouwen. De huidige regels helpen onvoldoende en staan vernieuwing soms zelfs in de weg. Daarom is er behoefte aan een nieuw, modern, uniform stelsel van bouwregels. Gemeenten, TNO en bouwbedrijven vragen hier ook om. Zo bouwen we aan een toekomst waarin iedereen mee kan komen. In de beleidsagenda van het kabinet ontbreekt nog echt een duidelijke visie. Neem bijvoorbeeld klimaatadaptief bouwen. De minister schrijft dat dit vooral lokaal moet worden geregeld, maar de afgelopen dagen laten zien dat dit ook echt vraagt om een duidelijke nationale visie. Door klimaatverandering krijgen we vaker te maken met extreem weer. Dat raakt niet iedereen gelijk, zoal ook collega Beckerman van de SP al zei. Of het nu in Eindhoven, Apeldoorn of Utrecht was: de rijkste wijken waren tijdens deze hittegolf het koelst, terwijl in andere buurten de temperaturen opliepen tot wel 50 graden. Onderzoek van EenVandaag laat bovendien zien dat huurders twee keer zo vaak moeite hebben om hun woning koel te houden als kopers. Klimaatverandering vergroot die ongelijkheid. Daarom vraag ik het kabinet wat zijn visie is op bouwen voor de toekomst. Hoe zorgen we dat bescherming tegen hitte niet alleen is weggelegd voor mensen met een koopwoning in een groene wijk, maar voor iedereen? Naast extreme hitte zagen we ook zware neerslag en onweer. Dat vraagt om een landelijke norm voor wateroverlast. Anders lopen we echt het risico dat nieuwe woningen niet bestand zijn tegen de buien van morgen. Deze minister legt de nadruk op lokale invulling, terwijl de minister van Infrastructuur en Waterstaat toewerkt naar een landelijke norm in 2030. Is de minister met de minister van Infrastructuur en Waterstaat eens dat zo'n landelijke norm echt op korte termijn nodig is? Voorzitter. Als er één onderwerp is waarop goede bouwregels cruciaal zijn, dan is het wel veiligheid. Iedereen wil gerust kunnen slapen in een veilige woning. Ik heb met deze minister bijvoorbeeld ook vaak gesproken over de situatie in Zeist, waar instortingen dreigen en flats met palen worden gestut. Weet zij of er meer galerijflats uit de jaren zestig en zeventig zijn waar instorting van balkons en galerijen dreigt? Veiligheid betekent ook brandveiligheid. De brandweer en experts concluderen dat de huidige regelgeving tekortschiet. Vorig jaar stelde ik hierover al vragen nadat de brandweer eerder ook al de noodklok luidde. Toen heb ik gevraagd om de brandveiligheidseisen voor hoge gebouwen ook te laten gelden voor lagere gebouwen. De toenmalige minister gaf aan dat hiervoor aanvullend onderzoek liep. Hoe staat het daarmee? Is de minister bereid om de aanbevelingen van TNO, de commissie Haskoning en de brandweer mee te nemen in het onderzoek en de te vormen nieuwe regelgeving? Tot slot. Gebouwen staan niet op zichzelf. Regels gaan ook over de omgeving. De minister geeft in haar brief toch maar half uitvoering aan het verzoek om te komen tot één landelijke regel voor nestkasten voor beschermde diersoorten. Die wordt nu alleen ingevoerd voor utiliteitsgebouwen. Waarom niet voor alle gebouwen? Het lijkt alsof de vorige minister hier echt zelf een persoonlijke voorkeur voor had. Ik hoop dat de minister hier toch ook open naar kijkt, want dat is duidelijker voor bouwers. Daarom vragen bouwbedrijven hier zelf ook om en heeft een meerderheid van de Kamer hier een duidelijke uitspraak over gedaan. Dan over de beschermde diersoorten. Mensen die willen bouwen of verbouwen moeten op grond van de Omgevingswet rekening houden met beschermde dieren. Daarvoor is vaak ecologisch onderzoek nodig. Mijn fractie vindt het onwenselijk dat corporaties of huiseigenaren daar zelf hele hoge kosten voor moeten maken. Daarom vraag ik de minister of het Rijk gemeenten kan ondersteunen bij het opstellen van één soortenmanagementplan voor de hele gemeente, net als mijn collega van de VVD ook al zei. Daar was eerder geld voor beschikbaar. Wordt die ondersteuning voortgezet of kan dit via provincies worden georganiseerd? Dat zou bouwen en verbouwen eenvoudiger maken en voorkomt dat gewone mensen op kosten worden gejaagd. Dank u wel. De voorzitter: U heeft nog een volle seconde over. Er is een interruptie van de heer Nobel. De heer Nobel (VVD): Ik ben blij dat PRO met de VVD deelt dat het eigenlijk veel eenvoudiger kan met al die ecologische onderzoeken, maar ik hoop dat ik PRO aan de zijde van de VVD ga vinden als we in de toekomst meer dieren op beschermde lijsten gaan zetten terwijl dat niet hoeft vanuit Europa. Kan ik dan ook op uw steun rekenen? De heer De Hoop (PRO): Volgens mij formuleerde u uw vraag anders dan u 'm bedoelde. Ik heb de vraag nu zo geïnterpreteerd dat u zei: er zouden niet nog meer dieren op moeten komen. Dat is uw vraag toch? De heer Nobel (VVD): Ja. De heer De Hoop (PRO): Dat hangt natuurlijk volledig van de situatie af. Als duidelijk is dat het vanuit bescherming van bepaalde diersoorten echt nodig is dat zij toegevoegd worden aan lijsten van beschermde diersoorten, vind ik dat je daar open voor moet staan. Ik vind dat je dat niet per definitie dicht moet regelen. Ik denk dat het allerbelangrijkste is dat vanuit de landelijke politiek aangestuurd wordt op één soortenmanagement voor lokale overheden. Daarmee zorgen we ervoor dat als deze situaties zich voordoen, dat goed voor die dieren is en dat tegelijkertijd de bouw niet te veel op slot zit. Daar zit de zorg van de heer Nobel en die deel ik wel, maar nu zeggen dat we dat soort lijsten dicht moeten zetten vind ik heel onverstandig, ook met alle problemen rondom de natuur in Nederland. De heer Nobel (VVD): De reden dat ik ernaar vraag -- wellicht is uw partij iets eerder geneigd om er meer dieren aan toe te voegen -- is ook dat ik ben bang dat het soortenmanagementplan straks in de praktijk niet gaat werken omdat we tussentijds telkens nieuwe dieren toevoegen. Met name bij industriële bouw zou dat, denk ik, funest zijn, want dan moet je bijvoorbeeld telkens weer het vogelkastje aanpassen en allerlei andere dingen doen. Hoe kijkt u daarnaar, dus hoe kijkt u, nog even los van het aantal dieren, naar de mate waarin en de snelheid waarmee we dit zouden doen? Die vraag heb ik ook aan de minister gesteld, maar ik ben ook benieuwd hoe u daarnaar kijkt. De heer De Hoop (PRO): De reden dat ik voor één soortenmanagement ben, is dat ik duidelijkheid wil hebben. Ik begrijp dus heel goed dat je terughoudend moet zijn met lukraak dieren toevoegen, maar ik vind wel dat je om de zoveel tijd moet kijken of het nog wel past en of je misschien toch niet een aantal dieren moet toevoegen. Dat moet je niet om de dag doen, bij wijze van spreken. Je moet daar een aantal momenten voor inbouwen, waarbij je heel goed evalueert of het wel voldoet aan de huidige tijd. Dat moet je zorgvuldig doen, maar daar moet je wel de ruimte voor behouden, want uiteindelijk is dat soortenmanagement er niet voor niets. De voorzitter: Dank. Dan geef ik het woord aan de heer Clemminck voor zijn bijdrage in eerste termijn. De heer Clemminck (JA21): Dank u wel, voorzitter. Dit is mijn eerste debat over bouwregelgeving. Dat is wel even je weg zoeken in een complex dossier. Enerzijds moeten bouwregels vertrouwen geven aan gebruikers over de veiligheid; anderzijds doet het soms ook iets met de sociale cohesie, zoals mevrouw Steen net zei. Bouwregels moeten ook zekerheid geven aan investeerders in de bouw, zoals bouwmaterialenproducenten en projectontwikkelaars. Ook moeten ze duidelijkheid geven aan bouwers om snelheid te maken en de betaalbaarheid mogelijk te maken. Voorzitter. De minister zei eerder: een zesje is soms goed genoeg, zeker in tijden van crisis. Oftewel, in mijn woorden: liever 100 woningen met een zesje, dan misschien 10 woningen met een 9. Minister, hoe gaan we dat principe, dat uitgangspunt, terugzien in de aanpassing van het Bbl? Als de collega's van LVVN in de Uitvoeringswet Natuurherstelverordening zelf nieuwe duurzaamheidsmaatregelen voor gemeenten in omgevingsplannen gaan stellen, valt dit dan wel te rijmen met dat uitgangspunt? Voorzitter. Voor JA21 zijn voorspelbaarheid en uniformiteit voor bedrijven cruciaal: voor bouwmateriaalproducenten, projectontwikkelaars en bouwbedrijven. Geen lokale koppen dus. De minister is daar ook geen voorstander van, lezen wij, en gaat uitgebreid in op de werking van het Bbl, waardoor gemeenten geen bovenwettelijke eisen kunnen stellen. Maar gemeenten kunnen natuurlijk wel via een anterieure overeenkomst lokale eisen stellen, bijvoorbeeld strengere duurzaamheidsnormen dan de BENG-norm of normen voor grotere oppervlakten van woningen. Ook voor het gebruik van of de activiteit in gebouwen kunnen gemeenten eisen stellen, zoals het verplichten van groene daken of voorzieningen voor biodiversiteit. Erkent de minister dat dit lokale eisen zijn die beperkingen opleggen aan de snelheid en betaalbaarheid van de woningbouw? Wil de minister de regie pakken om deze vormen van lokale koppen bij gemeenten te verbieden? Voorzitter. De minister werkt aan de wijziging van het Bbl voor de uitfasering van de energielabels E, F en G per 2029, maar moeten we niet soms een pas op de plaats maken? Het drijft de prijs op en maakt de woning niet altijd betaalbaarder. Tegelijkertijd trekt het investerings- en uitvoeringscapaciteit weg bij bouwbedrijven. Kan de minister aangeven wat de effecten zijn van het uitfaseren van deze labels voor de betaalbaarheid, de bouwcapaciteit en de snelheid van de nieuwbouw? De voorzitter: Daarover heeft u een interruptie van de heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): Ja, op dit punt, want woningen met een E-, F- of G-label zijn echt vaak tochtige woningen, woningen waar soms de schimmel op de muren staat. Het is echt niet prettig voor mensen om daarin te wonen. Daarom denk ik dat die uitfasering verstandig is. Weet collega Clemminck van JA21 dat je met een hoger label ook vaak meer huur kunt vragen en dat er dus al een tegemoetkoming is voor verhuurders als ze de woning verduurzamen? De heer Clemminck (JA21): Goede vraag van de collega. Allereerst, de uitfasering op zichzelf is inderdaad een goede richting. De vraag die ik stelde, was: is dat nu, in een tijd van schaarste, ook van investeringsschaarste, wel de juiste keuze? Moeten we daarin niet een pas op de plaats maken? Op zichzelf is het wat mij betreft wel de juiste richting. Het tweede is dat de rendementen voor middelhuur al onder druk staan en dat er maar heel beperkt verhoging mogelijk is. Vaak hebben ze al een negatieve cashflow en zijn het investeringen die ze niet altijd kunnen terugverdienen. Dat levert dus uitponding op. Bij de woningbouwcorporaties geldt natuurlijk ook dat ze het niet altijd kunnen doorberekenen in hun huurprijzen en dat ze eigenlijk al verlies lijden en dan misschien wel meer verlies gaan lijden per verhuurde woning. Dat kan dan weer de investeringscapaciteit die zij nodig hebben voor nieuwbouw beperken. Daar zit mijn zorg. De voorzitter: De laatste interruptie van de heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): We hebben als overheid ook een zorgplicht voor mensen: dat ze in een fijne woning wonen, dat er geen schimmel op de muren staat. Vindt u niet, los van de discussie over de investeringscapaciteit, dat het eigenlijk onverantwoord is dat mensen na 2029 nog in een huurwoning met label E, F of G zitten? Dat zouden we toch helemaal niet moeten willen? Is dat, los van al het andere, niet een fundamentele bescherming van huurders, waar we voor zouden moeten staan met elkaar? De heer Clemminck (JA21): Er is niet één verband met de labels en bijvoorbeeld de kwaliteit als het gaat om de schimmelproblematiek. We hebben gezien dat, wanneer de energieprijzen in Nederland ontzettend hoog zijn, ook door de accijnzen en de belasting die we erop heffen overigens, mensen minder gaan stoken. Ja, dan krijg je bijvoorbeeld meer schimmel. Ik zou dan eerlijk gezegd kiezen voor het verlagen van de energiebelasting, waardoor de energieprijzen omlaaggaan. Dat levert weer kwaliteitsvoordelen voor de bewoners op. Ik vraag de minister of het nog wel realistisch is om die uitfasering in 2029 door te voeren. Nogmaals, ik twijfel niet aan de richting -- dat heb ik heel duidelijk gemarkeerd -- maar ik vraag me af of het nog wel realistisch is, want we staan voor een enorme opgave, zowel voor de beschikbaarheid als voor de betaalbaarheid van woningen. Dat is mijn vraag aan de minister. Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. In de Kamerbrief van 25 februari staat dat in het Bbl op korte termijn ook regels voor nestvoorziening voor dieren opgenomen worden. Ik heb een verhelderende vraag: is dit nou een nationale kop of komt dit uit een EU-verordening? Voorzitter. Dan iets over bouwen in de Nederlandse traditie. Ik heb het over bakstenen. Nederland bouwt al eeuwen met bakstenen en dakpannen. Dat is niet voor niets, want deze materialen gaan in de praktijk 120 jaar mee. Toch worden ze door de nieuwe rekenmethodiek teruggerekend naar een levensduur van 56 jaar. Dat is een administratieve fictie en geen realiteit. Dat terwijl we voor een enorme bouw- en renovatieopgave staan. We kunnen ons niet veroorloven om bewezen materialen administratief weg te schrijven. Daarom heb ik nog twee vragen aan de minister, voordat ik afrond. Hoe kijkt de minister aan tegen de rekenmethode die de levensduur van keramische bouwmaterialen onterecht beperkt tot 50 jaar, terwijl de praktijk aantoont dat die 120 jaar is? Is zij bereid deze methodieken te herzien en in overleg te treden met de sector hierover? Ten slotte, voorzitter. Een materiaalneutrale aanpak maakt ontwerpen bruikbaar in verschillende regio's en versnelt daarmee de realisatie van de bouwopgave. Hoe borgt de minister de materiaalneutraliteit, zodat een evenwichtige mix van materialen, inclusief bakstenen, structureel mogelijk blijft? Tot zover, voorzitter. Dank u wel. De voorzitter: Dank voor uw bijdrage. Dan geef ik nu het voorzitterschap aan mevrouw Steen, zodat ik ook zelf een bijdrage kan doen. Voorzitter: Steen De voorzitter: In dat geval geef ik het woord aan de heer Van Asten van D66. U heeft vier minuten spreektijd. De heer Van Asten (D66): En geen seconde langer! Dank. Voorzitter. Iedereen heeft het vanochtend kunnen lezen: volgend jaar is de bouw van 100.000 woningen binnen handbereik. Het is aan ons om dit ook daadwerkelijk waar te maken en vooral om dat tempo ook in de jaren daarna vast te houden. Er liggen in heel Nederland ontzettend veel creatieve oplossingen klaar om de wooncrisis aan te pakken. De voorzitter: Mooi. De heer Nobel wil daar graag iets over vragen. De heer Nobel (VVD): Ik bewonder altijd het optimisme van de heer Van Asten, maar ik heb twee vragen. Eén: wat is "binnen handbereik"? Twee: wat gebeurt er eigenlijk het jaar daarna? Ik vind het fijn dat we de 100.000 woningen halen, maar in de jaren daarop drogen de vergunningen op en dan stopt bij mij in ieder geval het optimisme. Graag een reactie daarop. De voorzitter: How deep is your optimism, meneer Van Asten? De heer Van Asten (D66): Dat is diep en duurt lang, voorzitter. De eerste vraag was: wat is "binnen handbereik"? Ik geloof dat er nu 97.000 woningen klaarstaan om in aanbouw genomen te worden. Er kan natuurlijk altijd iets gebeuren waardoor sommige dingen toch niet starten in een jaar, maar als we nog een beetje ons best doen, kunnen we misschien ook wel eerder starten met sommige bouwprojecten. Twee punten. In het jaar daarna vlakt het weer af: er zijn te weinig vergunningen afgegeven. Zo zie je maar dat dit een proces is waarvoor je op een lange termijn zeer consistent beleid moet gaan voeren om ervoor te zorgen dat er vertrouwen in de markt blijft, waardoor men wil gaan bouwen. Dat betreft onder andere het onderwerp waarover we het vandaag hebben: de bouwregelgeving. Zijn het nou heldere eisen en voorwaarden, waarmee investeerders en ontwikkelaars aan de slag kunnen? De heer Clemminck (JA21): Het is op zich inderdaad goed nieuws als die cijfers gehaald worden. Overigens betekent dat dat die woningen een aantal jaren geleden in proces zijn gegaan, dus misschien moeten we eerder de ambtsvoorganger van deze minister daarmee complimenteren. Kan de heer Van Asten bevestigen dat van de 100.000 woningen die we per jaar nodig hebben, ongeveer de helft nodig is om de migratie op te vangen? De heer Van Asten (D66): Ik dacht al: ik zit hier in een debat over volkshuisvesting, dus wanneer gaan we het weer over asiel hebben? Ik moet zeggen dat ik daar eerlijk gezegd een beetje klaar mee ben. Volgens mij hebben we woningen nodig voor heel Nederland, voor mensen die nu simpelweg op een zolderkamertje bij hun ouders zitten en graag willen starten, maar ook voor mensen die hier een vluchtelingenstatus hebben gekregen. In de volle breedte hebben we nieuwe huizen, meer huizen, nodig. We zullen dus volle vaart vooruit moeten. Ik ga geen onderscheid maken in voor wie de woning precies is. De woning is nodig voor degene die een woning zoekt. De heer Clemminck (JA21): Ik had het ook over migratie in het algemeen en natuurlijk niet alleen over asielmigratie. Ik heb geen antwoord gekregen op de simpele vraag die ik stelde: onderkent de heer Van Asten dat ongeveer 50% van de nieuw te bouwen woningen nodig is om de migratie in brede vorm te kunnen opvangen? De voorzitter: Tot slot de heer Van Asten. De heer Van Asten (D66): Nee, volgens mij is dat niet de volle 50%. Er zit namelijk een heel groot verschil in de wijze waarop we migratie opvangen. Iets ten zuiden van ons, in het Westland, zal dat vaak in complexen zijn. Daar is dan geen standaardwoningbouw, maar is het speciaal voor de seizoenarbeid. Dat is dus een deel waarin je migratie moet opvangen. Daar hebben we er een heleboel van in Nederland, of dat nou de glastuinbouw van het Westland is, of die van het Oostland, in Venlo of waar dan ook in Nederland. Je hebt ook de grote vervoerscomplexen, de overslagcomplexen, waarbij we voor migratie op een heel andere manier bouwen, omdat we daar eigenlijk de ouderwetse Vinex-woningen nog eens uitrollen. En in het westen van Nederland zijn we in het gebied van de Verstedelijkingsalliantie ook woningen aan het bouwen. De voorzitter: Een vervolgvraag van de heer Clemminck. De heer Clemminck (JA21): Kort, hoor. Dan zou ik collega Van Asten toch willen adviseren om de antwoorden van de minister en haar ambtsvoorgangers eens goed te lezen, want dan vindt hij het percentage waar ik het over heb. De heer Van Asten (D66): Dan is de vraag: als de heer Clemminck het antwoord zo goed weet, waarom besteedt hij er dan drie interrupties aan om dat aan mij te vragen? Voorzitter. Ik ga door met mijn vergaande optimisme. Er zitten genoeg vragen bij die laten zien dat ik me ook zorgen maak. Zoals de heer Nobel al zei: we moeten wel hard aan de slag om ervoor te zorgen dat er de komende jaren flink doorgebouwd kan worden. We moeten innovatie ruim baan geven. We zien dat de bouwregels nu nog vaak een rem vormen voor innovaties. De vraag die vandaag voorligt, is: gaan we nieuwe wijken en steden bouwen voor het verleden of voor de toekomst? Onze Nederlandse bouwers, ondernemers en uitvinders hebben ongelofelijk mooie en slimme ideeën bedacht om de wooncrisis op te lossen. We kunnen hele drijvende wijken bouwen, maar een woning op water wordt onterecht anders behandeld dan dezelfde woning op vaste grond, omdat die eerste nooit vastgoed kan zijn volgens onze regels. We kunnen woningen zo van de fabrieksband laten rollen. Alle grote bouwers zetten fabrieken op om massaal woningen te kunnen bouwen, maar een woning uit een fabriek mag in de ene gemeente wel gelijk staan, terwijl dat net aan de andere kant van de gemeentegrens niet mag. We kunnen torens van hout bouwen. In Eindhoven zijn plannen voor de hoogste houten toren van de wereld, maar brandveiligheidseisen gaan in de basis nog steeds te veel uit van bouwen met beton, staal en steen. Voorzitter. Waar gaat het dan precies mis met al die innovaties? We zitten opgescheept met verouderde bouwregels, allemaal met de beste intenties bedacht en niet voor niets in wet- en regelgeving gezet. We hebben onze bouwregelgeving steeds bijgeschaafd, met een regel meer of minder. Zo bouwen we wel de wijken en steden van het verleden, maar niet die van de toekomst. Dat kan natuurlijk ambitieuzer. Meerdere experts, zoals onderzoekers van TNO, dagen ons uit om onze bouwregelgeving grondig te herzien. Ze dagen ons uit om naar de basis van het hele stelsel te kijken. Zo kunnen we de steden van de toekomst bouwen, met de beste Nederlandse innovaties en een stuk sneller. Voorzitter. Mijn fractie weet dat het wél kan. De echte versnelling zit in de aanpak van de basis van onze bouwregelgeving. Onze regels kunnen slimmer, flexibeler en moderner, want een systeem van bouwregelgeving dat al bijna 35 jaar op dezelfde basis gebouwd is, past niet meer bij de innovaties van nu. Daarom heb ik een aantal vragen aan de minister. Is de minister het met mijn fractie eens dat we ook aan de slag moeten met het aanpakken van het systeem als geheel, naast de bestaande opzet voor het aanpassen of schrappen van losse regels? Hoe kijkt de minister daarnaast naar de mogelijkheden om snel te handelen bij nieuwe innovaties? Ziet zij ruimte om in de bouwregelgeving te anticiperen op innovaties die nu in de maak zijn, maar nog niet in een bestaand hokje passen, en eigenlijk ook op innovaties die we nog niet kennen? Hoe gaan we daarmee om wanneer je een kader aanpast of opnieuw opbouwt? Hoe zorgen we ervoor dat dat zo flexibel mogelijk is? Kan de minister aangeven of zij ook schriftelijk met een officiële reactie kan komen op het TNO-rapport Visie op een toekomstbestendige bouwregelgeving? Voorzitter. Laten we elke kans grijpen om de versnelling in de woningbouw in te zetten. We kunnen onze bouwregelgeving een versneller van de woningbouw maken. We zien vandaag dat de 100.000 woningen in zicht zijn. We moeten samen alles op alles zetten om dat te halen, volgend jaar en de jaren daarop. Al die woningzoekenden die nu nog wachten op een huis om hun leven uit de pauzestand te halen, verdienen dat. Dank. De voorzitter: Dank u wel voor uw bijdrage. Ik geef u hierbij het voorzitterschap weer terug om ons de volgende fase van dit debat in te leiden. Voorzitter: Van Asten De voorzitter: Dank, mevrouw Steen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de commissie. Ik kijk even naar de minister om te zien hoeveel tijd zij nodig denkt te hebben voordat ze ons van de antwoorden kan voorzien. Ze heeft 20, hooguit 25 minuten nodig. Dat betekent dat we elkaar hier om 14.00 uur weer zien. Daarna gaan we door met dit debat. We zijn voor nu geschorst. De vergadering wordt van 13.40 uur tot 14.02 uur geschorst. De voorzitter: Welkom terug voor de beantwoording in eerste termijn van de kant van de minister. Mag ik de minister eerst vragen hoe de beantwoording precies gaat plaatsvinden? Als die in blokjes gaat, horen we daar graag een voorstel bij. Minister Boekholt-O'Sullivan: Het eerste blokje is modernisering en vereenvoudiging, dan brandveiligheid, dan hitte en groen, dan overig. De voorzitter: Dat lijken mij mooie blokjes. Ik wil graag voorstellen om aan het einde van zo'n blokje even te kijken of er interrupties zijn. Ik stel daar geen limiet aan, maar mocht het uit de hand lopen, dan zal ik alsnog ingrijpen. Ik wil nu graag het woord geven aan de minister voor de beantwoording. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dank je wel. Vandaag spreek ik voor het eerst met u over bouwregelgeving. Ik constateer dat dit een onderwerp is dat leeft. Ik heb diverse positionpapers en rapporten van verschillende stakeholders voor de rondetafelconferentie gezien en gelezen, met veel denkrichtingen en suggesties om thema's aan te pakken. U verwees daar al naar. Ik zie daarin relatief veel overlap met de beleidsagenda bouwregelgeving, die ik op uw verzoek heb gedeeld met de Kamer. Dat geeft mij het beeld dat we in Nederland op het goede spoor zitten. De technische eisen waaraan bouwwerken in Nederland moeten voldoen, zijn sinds 1992 landelijk vastgelegd, eerst in het Bouwbesluit en sinds 2024 in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Bbl. Sinds 1992 is er ook al veel gewijzigd. Zo is de nieuwbouw aardgasvrij geworden, wordt er veel minder energie verbruikt, is de milieudruk van gebouwen relevant geworden, zijn regels voor de brandveiligheid van woongebouwen aangescherpt, zijn vluchtroutes verduidelijkt en is de nieuwbouw veel toegankelijker. Maar er is nog veel meer natuurlijk. Landelijke uniforme regels zorgen voor een gelijk speelveld dat de bouw vooraf zekerheid geeft over de kwaliteit die minimaal vereist is, of het nu in Noord-Holland of in Zeeland is. Vooral daarom heb ik gemeenten er recent nog toe opgeroepen om te stoppen met het stellen van eisen die boven op de landelijke regels komen, niet alleen omdat dit wettelijk niet is toegestaan, maar vooral omdat het contraproductief is en het de woningbouwopgave, waar we gezamenlijk voor staan, niet helpt. Om de vele woningzoekenden te helpen, zetten we vol in op industrialisering. Daarbij zijn uniformering en standaardisatie een noodzaak. Tegelijkertijd roepen diverse stakeholders ertoe op om de minimumeisen in het Bbl te verhogen om toekomstbestendige gebouwen te realiseren. Die wil ik zorgvuldig beoordelen. De wensen begrijp ik goed, maar het effect daarvan moet gewogen worden tegen de grootste opgave in het woningbouwbeleid en dat is het toevoegen van woningen. Ook zie ik een roep van met name de medeoverheden en de brandweer om de grondslagen van het Bbl te ijken, vooral op het punt van brandveiligheid, om te bezien in hoeverre ze nog passen bij de maatschappelijke ontwikkelingen de bouwtechniek. Met beide ga ik aan de slag, zoals in de beleidsagenda bouwregelgeving is opgenomen. Onze landelijke regels zorgen voor een veilige, gezonde, duurzame en bruikbare gebouwenvoorraad. Dat wil niet zeggen dat de regels in beton gegoten zijn. Nieuwe Europese regels, de nieuwe toepassing van biobased materialen, de verduurzamingsopgave, de vergrijzing en langer thuiswonende ouderen: al deze maatschappelijke veranderingen maken dat mijn ministerie continu werkt aan het aanpassen en moderniseren van de bouwregels. In de ijking van de grondslagen, met name als het gaat om brandveiligheid, laat ik hier uitdrukkelijk naar kijken. Samen met de implementatie van de EPBD IV zijn dit de komende tijd de belangrijkste aandachtspunten, waarvoor we gezamenlijk aan de lat staan. Kortom, alleen met duidelijke en voorspelbare regels kunnen we tempo maken in de woningbouw. Iedere extra lokale technische eis, iedere afwijkende norm en iedere onnodige stapeling vertraagt uiteindelijk de bouw van woningen en verhoogt de kosten. Daarom hou ik vast aan landelijke uniformiteit waar dat moet en modernisering waar dat nodig is. De effecten van deze moderniseringsslag op de woningbouwopgave zal ik uiteindelijk samen met uw Kamer wegen. Toekomstige aanpassingen van het Bbl moeten primair daaraan bijdragen. Ik begin met het mapje moderniseren en vereenvoudigen. Ik begin met de vraag van de heer Van Asten, die vroeg of ik het ermee eens ben dat we aan de slag moeten met het aanpakken van het systeem als geheel. In de beleidsagenda bouwregelgeving, die ik uw Kamer recent heb toegezonden, beschrijf ik mijn inzet op onder andere deze modernisering en vereenvoudiging. Ik heb aangegeven dat ik ook naar het Bbl zal kijken en dat waar nodig zal actualiseren. Ik bespreek met het IPO en de VNG hoe we dit gezamenlijk kunnen oppakken om ervoor te zorgen dat het draagvlak heeft als we het hebben opgeschreven. Voor een fundamentele stelselherziening met een nieuw besluitvormingsproces zie ik op dit moment nog geen aanleiding. Dan de vraag van de heer Van Asten over nieuwe innovaties. Ik ben altijd voor nieuwe innovaties, zeker als ze voldoen aan dezelfde kwaliteit die we nu met elkaar hebben afgesproken en als ze passen bij gelijkwaardigheid. Dat komt er kortweg op neer dat een bepaalde oplossing kan worden toegestaan ook al voorzien de bestaande normen en regels daar nog niet in. Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen dat met die oplossing de kwaliteit wordt bereikt die de bouwregelgeving beoogt. In aanvulling daarop kan met de zogenoemde Erkende Kwaliteitsverklaringen worden ingespeeld op innovaties. Dan de vraag van de heer Van Asten of ik met een schriftelijke reactie wil komen op het TNO-rapport. Ja, dat heb ik op 28 mei toegezegd en dat ga ik ook doen. Ik ben daarover in gesprek met de VNG en het IPO, omdat het rapport op hun verzoek is opgesteld. Ik wil vooral kijken waar er overlap is met de beleidsagenda bouwregelgeving. Ook kijk ik naar de uitgangspunten en de ijking van de uitgangspunten van het Bbl. Maar kort: ja, u krijgt een schriftelijke reactie. Dan de vraag van mevrouw Steen over de vereenvoudigingswet. Zij zei dat het geen jaarlijkse schraplijst moet worden. Ik zie zelf ook het voordeel van werken in tranches, omdat je daarmee een bepaalde stabiliteit organiseert voor degene die het moet gaan uitvoeren. Bij de jaarlijkse vereenvoudigingswet gaat het dus niet enkel om schrappen, maar gaat het voornamelijk om vereenvoudiging en het verlagen van de lastendruk in brede zin. Hierbij is uitdrukkelijk oog voor de maatschappelijke impact en de lastendruk voor bedrijven, burgers en uitvoerders. Uw Kamer wordt na de zomer over de vereenvoudigingswet geïnformeerd. Dan de vraag van de heer Mooiman over de EU-regels. Zowel bij Europese regels als bij onze eigen regels zal ik te allen tijde de afweging maken tussen het doel van de regel, zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid, en de kosten en lasten die deze nieuwe regel met zich meebrengt. Uitgangspunt daarbij is dat waar Europa ons verplicht regels te stellen, deze zonder nationale kop moeten worden geïmplementeerd. Hiermee wordt nadrukkelijk voorkomen dat er sprake is van dubbele regelgeving. Dan de vraag van mevrouw Steen over hoe we voorkomen dat typegoedkeuring blijft steken bij grondgebonden woningen in de eerste gevolgklasse. Typegoedkeuring van grondgebonden conceptwoningen wordt al toegepast met de Erkende Kwaliteitsverklaringen. Dit is binnen het EKV-stelsel ook mogelijk met gestapelde woningbouw. Op dit moment werken enkele bouwers, fabrikanten, eraan om geïndustrialiseerde gestapelde woningbouw te laten certificeren, zodat deze met een EKV gerealiseerd kunnen worden. Dit stimuleren we natuurlijk van harte. Ik ben onlangs ook op bezoek geweest om te zien hoe dat gaat en wat ons dat straks oplevert. Wat mij betreft is dit een initiatief dat nu even tijd kost, maar ons straks heel veel tijdwinst kan gaan opleveren. Dan de vraag van mevrouw Steen over de fast lane. Typegoedkeuring van conceptwoningen alsook van flexwoningen is nu al mogelijk met de Erkende Kwaliteitsverklaringen. Er worden nu al ervaringen opgedaan met typegoedkeuring in de industriële fast lane van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen. We stimuleren de markt om bij industriële bouw te werken met deze EKV's. Ten slotte wil ik de melding en vergunning voor de technische bouwactiviteit schrappen voor woningen met een volledig dekkende EKV. Ook dat moet weer leiden tot de gewenste versnelling en versimpeling. Dan de vraag van de heer Nobel over STOER. Hij zei dat dat niet moet leiden tot een nettotoename van bouwregels. Op korte termijn wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van STOER en de vereenvoudigingsaanpak. Ik heb in eerdere debatten al aangegeven dat ik daar gewoon mee doorga, met name met de dingen die ons gaan helpen bij onze opgave. In die aanpak zal ik ingaan op hoe ik de vereenvoudiging verder wil vormgeven. Vereenvoudiging gaat over het schrappen van regels en het verminderen van regeldruk, maar vereenvoudiging gaat ook over versimpeling en verduidelijking om de realisatie van de opgave te versnellen. Het is niet ondenkbaar dat dat tot een regel zou kunnen leiden, maar alleen als dat nodig is om de versnelling te kunnen accommoderen. Ik zou liever tegen u zeggen dat er nooit meer regels bij komen, maar de helft van de week word ik gebeld door mensen die vragen of een bepaalde regel weg mag, en de andere helft van de week word ik gebeld door mensen die vragen of ik wil kijken naar een bepaalde regel die erbij zou moeten komen. Dan ga ik door naar het mapje brandveiligheid. De voorzitter: Voordat we daarnaartoe gaan, kijk ik even of er nog interrupties zijn over het eerste blokje. Ik zie dat de heer Nobel een vraag heeft. De heer Nobel (VVD): Ik heb een paar vragen. Zal ik er gewoon eentje stellen en dan kijken naar de collega's, of wilt u dat … De voorzitter: Laten we ze stuk voor stuk doen. De heer Nobel (VVD): Laat ik dan beginnen bij STOER. Ik begrijp goed wat de minister zegt. Dank ook voor het antwoord, maar ik ben benieuwd of het per saldo niet tot meer regels gaat leiden. Dat er een keer een regel bij komt, is heel logisch, maar ik wil niet dat er over het geheel ineens regels bij komen, want daar was STOER nou net niet voor bedacht. Ik hoop dat u die geruststelling kunt geven, al snap ik dat het ertoe kan leiden dat er een keer een regel bij komt. Minister Boekholt-O'Sullivan: Die geruststelling kan ik geven. De voorzitter: De heer Nobel had nog meer vragen, begreep ik. De heer Nobel (VVD): Ja. Ik ben blij dat de minister de oproep doet aan gemeenten om niet met allerlei extra duurzaamheidseisen te komen. Dat heeft ze eerder in debatten met de Kamer ook gedeeld. Ik ben ook bekend met het gegeven dat de sector de minimumeisen voor duurzaamheid eigenlijk wel wil verhogen. Daarom hebben we als Kamer ook een motie ingediend, die breed is aangenomen, met de strekking: ga kijken hoe je dat niveau omhoog kunt krijgen, maar zorg er tegelijkertijd voor dat de gemeenten dan niet met bovenwettelijke eisen komen. Een oproep is helaas onvoldoende, denk ik, dus dat zeg ik maar even voordat de minister straks met een hogere duurzaamheidseis komt die dan wel ingaat, maar waarbij zij nog niet de garantie kan geven dat gemeenten niet met extra regels komen. Kan de minister daar toch nog iets langer bij stilstaan? Alleen een oproep is volgens mij namelijk niet voldoende; die kunnen gemeenten ook naast zich neerleggen. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dat een oproep niet altijd wordt opgevolgd, is niet anders dan thuis, zou ik bijna zeggen. Dat geldt overigens ook voor mij. Ik zou willen dat het leven zo eenvoudig was dat, als ik zeg "dit gaan we niet meer doen; sterker nog, we hebben geregeld dat het niet mag", iedereen dan zegt: o, het mag niet, dus we doen het niet. Helaas is dat niet het geval. Dat is ook wat de heer Nobel zegt. Ik heb laten uitzoeken welke instrumenten ik heb om daarop te kunnen acteren. Dat zijn er gewoon niet heel erg veel. In mijn instrumentenkist zit dat ik kan gaan praten en nog een keer kan gaan praten. Eerder hebben we in de sector met elkaar afgesproken dat bouwers gebruik zouden maken van het meldpunt. Als er bovenwettelijke eisen worden gesteld, zouden zij dat daar aangeven. Zij zouden dat melden en wij zouden dan op basis van die meldingen het gesprek daarover kunnen voeren. In de praktijk zien we echter dat er niet zo veel gemeld wordt. Dat is niet omdat het niet gebeurt, maar omdat vanuit de bouwwereld terugkomt dat het een negatieve impact heeft op wie welke opgave uiteindelijk krijgt toebedeeld. Het is dus gewoon een businessmodelafweging die een bouwer maakt: ga ik hier wel of geen melding van maken? Ik kan vanuit het Rijk tegen de gemeentes en provincies zeggen: wilt u zich houden aan wat we wettelijk met elkaar hebben afgesproken, dus wilt u geen bovenwettelijke eisen stellen? We kunnen tegen de bouwers zeggen: wilt u alstublieft niet gaan bouwen als het bovenwettelijk is en wilt u bovenwettelijke eisen melden, zodat wij er iets mee kunnen? Maar als dat allemaal niet gebeurt, zitten we met de situatie dat er ergens gebouwd wordt met bovenwettelijke eisen, waarbij vervolgens later wordt opgeleverd en het duurder is. Ik denk dat we daar de streep zouden moeten trekken. Er kunnen straks situaties ontstaan waarin een gemeente zegt: ik lever het nog steeds in hetzelfde jaar af en het is ook niet duurder geworden, want wij werken met een bouwer die dat al helemaal geïndustrialiseerd heeft of die daar een versnelling op heeft, waardoor hij of zij een hogere kwaliteit kan leveren. Het effect daarvan -- ik ga afronden -- is dat bouwbedrijven die dat nog niet in portefeuille hebben, niet meer mee kunnen doen. Er gebeurt dus ook nog eens iets met het speelveld. Dan kun je zeggen "dat is jammer voor die bedrijven", maar dat zijn vaak de kleinere bedrijven en we hebben iedereen in de bouw nodig, niet alleen voor het bouwen van huizen, maar ook voor de infrastructuur en al die andere bouwopgaves die er zijn. Het zit nu dus zo. Eén: we hebben iets met elkaar afgesproken. Twee: het is wettelijk verankerd, dus "u zult niet". Drie: we kunnen de bouwers vragen om het te melden als ze zien dat daar toch iets gebeurt. Als dat allemaal niet werkt, is de vraag wat ik dan nog kan doen anders dan voortdurend het gesprek blijven voeren met de oproep om dit echt niet te doen, omdat het ten koste gaat van de hoeveelheid woningen die we in een jaar kunnen produceren. De voorzitter: Het nadeel van lange antwoorden is altijd dat die vaak weer nieuwe vragen opleveren. Ik zag in ieder geval de heer Nobel die hier nog een vraag over wilde stellen. Ook de heer Clemminck wilde hier nog een vraag over stellen, geloof ik. De heer Nobel (VVD): Ik kan voor een heel deel echt meekomen in het antwoord dat de minister geeft. Ik heb twee korte vragen. Eén. Is de minister bereid om dan te kijken hoe zij de gereedschapskist verder kan uitbreiden, zodat we toch, als gemeenten dit maar naast zich blijven leggen, hier meer aan kunnen doen? De tweede vraag is de volgende. We hebben met elkaar afgesproken dat we in 2030 meer naar die industriële bouw toe willen werken. Dat betekent ook iets voor die kleine bouwer, want 80% à 90% van de industriële bouw ligt gewoon bij een aantal grote bouwers. Als we dat met elkaar belangrijk vinden, omdat dat de snelheid bevordert, de prijs van de woningen doet dalen en dus hopelijk ook de woningcrisis tegengaat, dan moeten we ook, denk ik, met elkaar meer naar de voorkant toe en ervoor zorgen dat als die woning van de band af komt rollen, er niet nog allerlei eisen bij komen. Dan gaat het slechts over wat je in een gebied wilt, maar niet meer over het bouwwerk zelf. Is de minister dat met mij eens? Ziet ze daar nog mogelijkheden om er wettelijk voor te zorgen dat bijvoorbeeld de vergunningverlening veel sneller kan, zodat het met die nieuwe omgevingsplannen eigenlijk gewoon direct kan en je de hele vergunningsprocedure over kan slaan? Dan stimuleer je gemeenten namelijk om industriële bouw aan te moedigen en dan komen ze niet met allerlei extra eisen, omdat ze die woning meteen vanuit de fabriek snel neer kunnen zetten. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik zal dan een kort antwoord op een korte vraag geven. Ik kan toezeggen dat ik zal onderzoeken wat er verder nog in die gereedschapskist zit. Ik vind het zelf ook frustrerend als ik alleen maar brieven mag schrijven. Als het gaat over het industrieel bouwen, dan is dat precies wat we aan het doen zijn: we zijn aan het kijken of we die certificering naar voren kunnen brengen. We kijken ook wat dat betekent voor die vergunningverlening en of daar de versnelling zit die we met elkaar zoeken. Dus tweemaal ja. De heer Clemminck (JA21): Ik zit nog een beetje te worstelen met het antwoord van de minister. Die zegt: wettelijk heb ik het geregeld, maar als gemeenten dan toch bovenwettelijke eisen stellen, dan heb ik heel weinig houvast. Dat is een beetje in lijn met het antwoord van zojuist. Kan de minister bijvoorbeeld ook gewoon met de VNG bij het overhedenoverleg afspreken wat er nog moet gebeuren? De VNG sluit altijd een bestuursakkoord bij een nieuw kabinet; dat is volgens mij in september of oktober. Is de minister bereid om dit onderdeel daarin mee te nemen en dan gewoon een interbestuurlijke afspraak te maken dat het gewoon niet gebeurt? Minister Boekholt-O'Sullivan: Wat ik zeker wil doen, als reactie op de vraag van de heer Clemminck, is het meenemen naar dat overleg en me daar ook voor inzetten, want ik vind het ook echt. Als u gefrustreerd bent over dat ik geen instrumenten heb, dan moet u eens beredeneren hoe ik daarin zit. Dus ja, ik neem dat mee. De heer De Hoop (PRO): Ik heb toch een vraag naar aanleiding van de inleiding en de beantwoording van de minister. Ik snap heel goed dat ze zegt: ik wil geen extra regels erbij. Eigenlijk wil niemand natuurlijk extra onnodige regels erbij. Tegelijkertijd dreigt wel het gevaar dat het een soort simpele campagneslogan wordt die iedereen hier met elkaar herhaalt in de commissie, maar het nog niet echt een oplossing is. Als ik bijvoorbeeld de brieven van Heijmans lees, een groot bouwbedrijf, dan zie ik dat die zeggen: we hebben niet minder regels nodig, maar vooral samenhangendere regels. Brandweerkrachten zeggen ook: vereenvoudiging van regelgeving is geen doel op zich; betere, duidelijkere en effectievere oplossingen moeten centraal staan. Ik zou de minister wel willen oproepen om niet te snel mee te gaan in alleen maar minder regels, maar om ook te kijken: hoe kunnen we nou kiezen voor goede regels die samenhangend zijn, zodat er ook minder ruimte is om daar lokaal van af te wijken, omdat het niet eens meer nodig is. Van die zoektocht proef ik tot nu toe nog wat te weinig in de beantwoording van de minister. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dat begrijp ik. Ik denk dat het allebei nodig is. Ik denk dat we nu echt wel moeten gaan sturen op vereenvoudiging van regelgeving waar het kan en we niet onder het ijs zakken. Tegelijkertijd wil je graag dat gemeentes dit willen, dus dat je helemaal geen instrumenten nodig hebt, omdat je de gesprekken voert waar u naar verwijst. Die oproep heb ik dus gehoord. Volgens mij is dat ook precies wat we aan het doen zijn in onze gesprekken met de verschillende partijen, om te kijken hoe we er nou voor kunnen zorgen dat dat Bbl voor iedereen werkt, waarbij iedereen waarschijnlijk wel een beetje moet bewegen in zijn of haar standpunt, omdat we anders straks niks hebben. Over die samenhang ben ik het dus met u eens. Dat is ook onze inzet. De heer Nobel (VVD): Toch wil ik even terug naar de gereedschapskist. Ik zat er nog even op te kauwen. De minister gaf aan: ik heb te weinig instrumenten in die gereedschapskist. Ik ben blij dat ze de toezegging heeft gedaan dat ze gaat kijken naar meer instrumenten. Tegelijkertijd hebben we de WBI-gelden, de expertise vanuit het ministerie, die gemeenten nodig hebben, en andere stimulatiemaatregelen om de woningbouw te bevorderen. Daarvan kan de minister wel zeggen: op het moment dat ik erachter kom dat gemeenten bovenwettelijke eisen stellen, dan krijgt u die gewoon niet meer; dan gaan de luiken dicht bij het ministerie. Bent u daar ook toe bereid? Minister Boekholt-O'Sullivan: Ja. Deze vraag heb ik mijzelf ook gesteld: kunnen we er een negatieve financiële incentive op zetten, zodat als dit wel gebeurt, je dus niet meer bijdraagt vanuit het Rijk? We zijn intern aan het bespreken in hoeverre dat kan. Dus op uw vraag of ik bereid ben daarnaar te kijken, zeg ik: ja, ik ben bereid daarnaar te kijken, maar ik wil wel de omvang van wat ik dan zeg heel goed begrijpen. Uiteindelijk hebben we namelijk wel die woningen nodig, want die ten minste 100.000 woningen hebben we wel gewoon nodig. Ik wil dus niet te makkelijk hier een slogan gebruiken en zeggen dat ik overal wel naar wil kijken en er een financiële prikkel op zetten. Ik wil hier wel goed naar kijken, maar wel zo dat ik ook goed begrijp wat daar dan potentieel de consequenties van zijn. De voorzitter: Nog een hele korte, meneer Nobel. Dit is uw vijfde. De heer Nobel (VVD): Wanneer kunt u de Kamer hierover informeren? Minister Boekholt-O'Sullivan: Eind september. De voorzitter: Hoort dit nog bij de taskforcebrief? Minister Boekholt-O'Sullivan: Er net na. De voorzitter: Net na de taskforcebrief. Minister Boekholt-O'Sullivan: Of erin, een beetje afhankelijk van. Maar laten we eind september aanhouden. In een brief vindt u hier iets over terug. De voorzitter: We gaan de brievenbus in de gaten houden. Dan gaat u naar het volgende kopje, brandveiligheid. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ja, en veiligheid. Eerst maar de vraag van de heer De Hoop of ik de concrete aanbevelingen ga overnemen van TNO, Haskoning en de brandweer. Er is een overlap met de aanbevelingen voor de brandveiligheidsregelgeving uit de beleidsagenda van 22 mei, dus veel is al in gang gezet. De overige aanbevelingen van TNO en de brandweer bezie ik nader bij de moderniseringsslag die we gaan doen. De aanbeveling van Haskoning neem ik over, zoals gemeld in de beleidsagenda. Dus ook hierop had het antwoord "ja" kunnen zijn. Dan de vraag van mevrouw Beckerman of ik van plan ben de prioritering van de brandweer over te nemen. Ik ben het eens met de brandweer dat de brandregelgeving modernisering behoeft om aan te sluiten bij de ontwikkelingen in de bouw van de maatschappij. Ik ben ook volop bezig met deze modernisering, zoals blijkt uit de beleidsagenda. Er is een overlap, dus we moeten even goed kijken dat we ervoor zorgen dat er geen overlap in zit en dat we in ieder geval hetzelfde bedoelen. We zullen de brandweer betrekken bij de analyse die ik wil laten uitvoeren door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid, het NIPV, naar de grondslagen en uitgangspunten van de bouwregelgeving voor brandveiligheid. Daarbij worden ook de incidentenbestrijdingsmogelijkheden van de brandweer bij brand beschouwd. Dan de vraag van mevrouw Beckerman over brandveiligheid in woonzorgvormen. Ik herken de signalen van de brandweer. De brandveiligheidsregels voor woonvormen met minder zelfredzame bewoners sluiten in het Bbl niet meer aan bij de praktijk van langer zelfstandig thuis wonen en gespikkeld wonen. Ik ben hiermee al bezig bij de modernisering van de brandveiligheidsregelgeving. Dan de vraag van de heer De Hoop. Hoe staat het met het onderzoek naar hoge gebouwen? Het NIPV heeft dit onderzoek uitgevoerd in opdracht van de veiligheidsregio's, de Taskforce Veilige Hoogbouw. Dat rapport is 8 juni gepubliceerd door het NIPV. Hierin worden door NIPV oplossingsrichtingen gegeven voor verbetering van de eisen van deze hoogbouw. Ik ga eerst in overleg met de brandweer en het NIPV in het kader van verdere modernisering. Die wordt dan dus nog vervolgd. Dan de vraag van mevrouw Steen of ik kan toezeggen dat ik met de brandweer, zorg en bewoners ga kijken naar de regels van de brandveiligheid. In het kader van korte antwoorden zou ik hier gewoon "ja" op kunnen zeggen, maar daar wil ik graag bij aanvullen dat ik u recent het rapport van het NIPV over de brandveiligheid in wonen en zorg heb toegestuurd. We zien inderdaad dat mensen ervoor kiezen langer thuis te wonen, ook als ze minder zelfredzaam zijn. Als vervolg op dat rapport ben ik met de zorgverlener, de zorghuisvester, de brandweer en bewoners in overleg of en, zo ja, hoe brandveiligheidsregels kunnen worden aangepast. Daarin zoeken we een evenwicht tussen enerzijds de brandveiligheid en anderzijds de wens en het recht om langer thuis te kunnen blijven wonen. Zoals ik eerder heb aangegeven, zal ik u eind dit jaar hierover verder informeren. Dan de vraag van de heer Nobel of ik kan garanderen dat STOER niet tot nettotoename van bouwregels leidt. Daar hebben we het zojuist over gehad. Het is geen doel op zich. Ik kan het niet garanderen, maar doe het onder de voorwaarden die we zojuist hebben besproken. Ik geef u nu dus geen ander antwoord. Ik zie u al zorgelijk kijken. Nee, mijn antwoord blijft: ik kan niet garanderen dat er nooit een regel bij komt, maar het is geen doel op zich en ik streef het ook niet na, en doe het in samenhang. Die komt zo nog even terug, ja. Dan tot slot in dit mapje de vraag van mevrouw Steen of ik herken dat regels, toezicht en lokale interpretaties elkaar zo versterken dat dit verdergaat dan een zorginstelling vraagt. Dit gaat altijd over een goede afweging tussen veiligheid, woongenot en de wensen van de zorginstelling, dus we gaan een zorgvuldige analyse en afweging doen voordat ik de wijzigingen in het Bbl doorvoer. De voorzitter: Dat was het blokje brand en brandveiligheid. Mevrouw Steen (CDA): Dank aan de minister voor de antwoorden in dit blokje. Ik wil het nog heel even terugbrengen naar het dilemma, niet alleen tussen brandveiligheid en langer thuis wonen, maar vooral tussen brandveiligheid en je thuis voelen in een instelling waar je woont. Juist de galerij of het ontmoetingsplekje waar je met elkaar koffie drinkt, is de plek waar je je thuis voelt, ook al woon je niet meer in je eigen huis. Ik vind het zo belangrijk dat we ook oog hebben voor dat dilemma. Mijn vraag aan de minister is: hoe gaat zij ervoor zorgen dat we bij de afwegingen die ze gaat maken rondom die regels dat altijd in het oog houden en dat het thuis voelen van mensen een belangrijk uitgangspunt wordt bij het herijken en het actualiseren van die regels? Minister Boekholt-O'Sullivan: Als ik mevrouw Steen hoor praten, dan kan ik niet anders dan aan mijn oma denken -- ze leeft niet meer -- die al haar breiwerk en al haar knutselwerk het liefste in de gang als een soort tentoonstelling voor de rest van de gang tentoonspreidde. Als ik op de gang kwam, wist ik altijd al dat ik op de goede gang zat, want het was mijn oma die alles deelde. Ik heb hierover gisteren ook nog binnen het departement gevraagd: hoe zit dat nou? We hebben allemaal wel een oma, een opa of iemand die we kennen. Dan lopen we door die gangen en die zijn inmiddels zo kaal. Mensen zouden daar graag wat meer ophangen. Ik heb dus in aanloop naar dit debat ook een hoop berichten gekregen via social media: wilt u eens een keer bij ons komen kijken, want dan ziet u wat wij allemaal niet meer mogen? Mijn inzet is dat het veilig moet zijn voor deze mensen, want ik heb het liefst dat mijn oma -- die leeft nu niet meer, maar toen ze nog wel leefde -- door die gang naar de nooduitgang kon op het moment dat dat zou moeten. Ik ben er echt wel van overtuigd dat dat prioriteit behoeft. Tegelijkertijd kan het ook niet zo zijn dat je dan helemaal niks meer mag op zo'n gang. Ik weet niet of u nog ergens een plekje in uw agenda heeft om met mij een werkbezoek af te leggen, en dan met de brandweer en met de zorginstelling, zodat we gewoon eens even gaan kijken of we daar met een beetje common sense wat kennis over kunnen opdoen en dat ik daar dan op een later moment weer bij u op terug kan komen. De voorzitter: Ik zie mevrouw Steen knikken voor die afspraak. Mevrouw Steen (CDA): Ik knik voor de afspraak. Ik vind het heel goed om dat te doen. Tegelijkertijd was mijn tweede vraag -- misschien heb ik het antwoord erop even gemist; dat zou best kunnen -- dat mijn indruk ook bestaat dat die regels lang niet altijd zo streng zijn, maar dat het gevoel is dat we die regels heel streng moeten interpreteren, omdat we anders misschien wel een heel groot risico lopen op of bang zijn voor aansprakelijkheid voor de gevolgen op een later moment. Is het dus ook niet zo dat het systeem ons dwingt heel strak te zijn, en eigenlijk strakker dan hoeft? Dat was mijn vraag: kan de minister dat eens onder elkaar zetten in een brief? Minister Boekholt-O'Sullivan: Op verzoek van de brandweer hebben we onlangs de regels verduidelijkt. Die zijn inderdaad zo strikt, dus ik zou die strikte regels dan graag bij ons bezoek onder de arm meenemen om te kijken wat er van mijn oma's breiwerkje in de huidige tijd nog zou mogen hangen in de gang. De voorzitter: Mag ik dan namens de commissie vragen of er nog wel iets van een verslag of een uitkomst van die gesprekken van komt? Want we zijn behalve naar de foto's natuurlijk ook benieuwd naar de inhoud van het bezoek. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik ga daarvan uit, dat jullie meer geïnteresseerd zijn in de inhoud dan in de foto's ervan, dus laten we zeggen dat als we tot een datum zijn gekomen van dat … Het zal in ieder geval na de zomer zijn dat wij dat bezoek doen. Dan kan er een maand later een brief liggen. Dus wat zullen we zeggen? Dat die brief er uiterlijk eind oktober ligt? Ja. De voorzitter: Dank voor die toezegging. Ik ga even verder met de heer Nobel. De heer Nobel (VVD): Geen zorgen, voorzitter, ik zal het niet over brandveilig knutselen hebben. Even terug naar de regels. Volgens mij verstonden we elkaar goed: er kan natuurlijk altijd een keer een regel bij komen, alleen moet STOER er per saldo wel voor zorgen dat er netto regels afgaan. Minister Boekholt-O'Sullivan: Zeker. De heer Nobel (VVD): Oké. Dan heb ik nog één vraag over de brandveiligheid. Ik ben best wel onder de indruk geraakt van de grote bouwbedrijven die met die industriële bouw aan de slag willen. Zij geven aan: op dit moment zouden we technisch gezien veel meer kunnen qua aantal verdiepingen, maar vanuit de brandveiligheid is het -- dat weet ik niet helemaal zeker -- getopt op vijf verdiepingen. Dat is eigenlijk best jammer, omdat ze technisch gezien veel meer zouden kunnen. Is de minister bereid om samen met de industriële bouwers -- dat zijn eigenlijk maar vijf, zes grote partijen, volgens mij -- te bekijken hoe we het nu toch mogelijk kunnen gaan maken om technisch meer te kunnen doen? Dat zou zeker binnenstedelijk heel veel kunnen betekenen, als die brandveiligheid er niet voor zorgt dat er maar tot vijfhoog gebouwd kan worden. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik ben altijd bereid om te kijken waar er meer kan, maar wel bijna hand in hand met de brandweer, om te voorkomen dat wij straks hebben ingezet op het verhogen van bepaalde gebouwen en dat we later tot de conclusie moeten komen dat wij op 1 juli 2026, is het nog, hier afspraken hebben gemaakt over dat dat dan zou moeten kunnen. Dus ja, ik wil ernaar kijken. Ik wil ook met de bouwers hierover in gesprek gaan, om goed te begrijpen wat ze vragen en wat ze nodig hebben, maar we hebben ook nodig dat de brandweer hierbij meekijkt, om er zeker van te zijn dat we als we dit gaan doen -- ook de brandweer moet dan de mind stretchen om te kijken of daar nog mogelijkheden zijn -- onder welke voorwaarden dit wel kan. Ik denk dat dat het uitgangspunt van het gesprek moet zijn. Maar dat doe ik wel graag met de brandweer, want anders zit ik eerst bij de een en dan bij de ander, en dan komen die verhalen nooit bij elkaar. De heer Nobel (VVD): Dank. Dat lijkt me een leuk werkbezoek. De voorzitter: U krijgt een vol balboekje, minister. Volgens mij gaan we nu van de brand naar de hitte in het volgende blokje. Minister Boekholt-O'Sullivan: Die brand is ook heet, hè? We gaan inderdaad van de brand naar de hitte. Dan begin ik met de vraag van de heer De Hoop over klimaatadaptief bouwen. Wat is de visie op bouwen voor de toekomst? De bescherming tegen hitte is niet alleen weggelegd voor mensen met een koopwoning in een groene wijk, zei hij. De oproep die u doet is uit mijn hart gegrepen, hoor. Want in de afgelopen weken met die extreme hitte waren er plekken in Nederland waar je echt niet moest zijn, omdat het daar gewoon echt veel te heet was en er ook geen ontkomen was aan die hitte. In die wijken was het ook echt niet fijn om te zijn. Groene wijken zijn dus echt heel belangrijk, zowel voor huurders als kopers. In het algemeen stimuleren we medeoverheden om bij gebiedsontwikkeling de Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en de handreiking Groen in en om de stad te gebruiken. Om oververhitting te voorkomen, hebben we voor nieuwbouwwoningen een norm, de TOjuli-eis, die we aan het herzien zijn. Voor de bestaande bouw werken we aan een bepalingsmethode om vast te kunnen stellen of er sprake is van oververhitting. Een onvoldoende hittebestendige woning geldt als een gebrek onder het huurrecht. Huurders kunnen hiervoor de verhuurder aanspreken of naar de Huurcommissie stappen. De Huurcommissie hanteert in afwachting van de vaststelling van de bepalingsmethode een tijdelijk beoordelingskader. Tot slot is er bij verduurzaming steeds meer aandacht voor zonwering en ventilatie, om ook in de zomer een goed binnenklimaat te waarborgen. Ik ben dus momenteel aan het onderzoeken of we zonwering kunnen opnemen in de bestaande subsidieregels voor de aanpak van hitte in de gebouwde omgeving. Zodra ik dat weet, zal ik de Kamer daarover informeren. We zien dus dat het in de nieuwbouw eigenlijk allemaal al wordt meegenomen. Voor die mensen is het een gunstige ontwikkeling dat dat gebeurt. De gebouwde omgeving blijft daar in sommige wijken in Nederland echt op achter. Waarschijnlijk is zonwering voor hen ook niet voldoende om de hele problematiek aan te kunnen, maar het zou wel een eerste begin zijn. Dan de vraag van de heer De Hoop of ik het ermee eens ben dat er een landelijke norm voor wateroverlast nodig is. Daarop is het antwoord: ja, daar ben ik het mee eens. Tijdens de Woontop van 2024 is afgesproken om daarnaast aan de slag te gaan met uniforme kaders voor wateroverlast. Dat doe ik samen met de collega van IenW en de medeoverheden. We kijken naar de juridische uitwerking daarvan. De landelijke maatlat is het startpunt. Ik hoop uw Kamer begin volgend jaar te kunnen informeren over de voortgang hiervan. Dat was dit mapje. De voorzitter: Ik kijk nog even naar de leden. Er zijn geen vragen hierover. Dan gaan we door naar "overig". Minister Boekholt-O'Sullivan: Dan begin ik met de vraag van mevrouw Beckerman: hoe staat het met de plannen rondom schimmel en vocht? Zoals eerder besproken kennen schimmel en vocht meerdere oorzaken: bouwtechniek, grondwaterstanden en een gebrek aan ventilatie. Er is geen nationale blauwdruk die alle oorzaken in één keer wegneemt, zoals eerder gezegd. De verhuurder is verantwoordelijk. In de Nationale Prestatieafspraken hebben corporaties zich gecommitteerd aan de belofte om vocht- en schimmelproblematiek serieus aan te pakken. Dit wordt geholpen door de Wet goed verhuurderschap. Tijdens een debat nog niet heel lang geleden heb ik toegezegd dat ik zou kijken of de Awaab's Law uit Engeland toegevoegde waarde zou kunnen hebben in Nederland. Ik heb beloofd de Kamer daarover aan het eind van het jaar te informeren. Dan de vraag van de heer De Hoop over nestgelegenheden. Hij vroeg: waarom gebeurt dit bij de utiliteitsbouw niet gelijk bij alle woningen? Het is niet voor woningen ingediend, omdat dat extra bouwkosten met zich meebrengt. Gemeenten mogen dus geen neststenen in woningen eisen. Het voorstel om nestgelegenheid in utiliteitsbouw te verplichten in het Bbl is naar de Raad van State gestuurd. De internetconsultatie over de voorgestelde wijzigingen wordt nu verwerkt. Afhankelijk van de reactie op de Bbl-wijziging van de Afdeling advisering van de Raad van State verwacht ik dat de regels per 1 juli 2027 in werking kunnen treden. Dat is een deel van het antwoord. Het andere deel van het antwoord betreft natuurlijk de kosten die hiermee gemoeid zijn. Wegen die op tegen de vraag of je de nestkasten ook in andere bouw kunt doen? Er zijn best een hoop extra eisen. Zo'n nestkast mag niet bij deuren, niet bij ramen en niet bij bewegende delen. We zijn dus tot de conclusie gekomen dat we het niet moeten verplichten. Dat wil niet zeggen dat een bouwer dit niet gewoon kan meenemen in zijn of haar plannen. Dan de vraag van de heer De Hoop of ik weet dat er, naast in Zeist, meer galerijflats uit de jaren zestig en zeventig zijn waar instorting van balkons en galerijen dreigt. Die informatie heb ik niet. Eind 2015 is een onderzoeksplicht ingesteld door de toenmalige bewindspersoon Blok. Deze onderzoeken dienden voor 1 juli 2017 te zijn afgerond. Het toezicht daarop is als taak belegd bij de gemeenten. Dan de vraag van de heer Mooiman over de bestaande voorraad en de slechte kwaliteit. Ook hiervoor geldt dat dit vooral speelt tussen huurders en verhuurders. We hopen echt -- en moedigen mensen daartoe aan -- om hiermee naar de Huurcommissie te gaan. Ik begrijp dat dit uiteindelijk leidt tot een aanpak die leidt tot een lagere huur. Daarmee is de problematiek niet opgelost, maar uiteindelijk moet de problematiek wel opgelost worden. Het helpt ook als mensen hierover durven te klagen, want niet de huurder hoeft zich te schamen voor het wonen in een vocht- en schimmelwoning. De verhuurder zou dat moeten doen indien het te maken heeft met hoe het huis wordt onderhouden. Ik blijf hen dus aanmoedigen om dit te doen. Ik kan alle hulp hierbij gebruiken, want met heel veel meldingen bij de Huurcommissie wordt het een patroon, waarop ook weer geacteerd kan worden. Dan de vraag van de heer Nobel of ik al een tipje van de sluier kan oplichten over Beter Benutten. Het eerste tipje had ik al opgelicht op 20 april. Dat was de landelijke aanpak Beter Benutten die ik u heb toegestuurd. Daarin zeggen we dat er 15.000 woningen moeten worden gerealiseerd door de bestaande voorraad beter te benutten. Ik maak splitsen en optoppen makkelijker. Een dezer dagen krijgt u van mij een brief over hoe ik dat precies ga doen. Ik ben nog de laatste pen-and-ink changes aan het doorvoeren. Ook het wetsvoorstel Hospitaverhuur, dat een beoogde inwerkingtreding heeft van 1 januari 2027, gaat ervoor zorgen dat woningdelen via hospitaverhuur makkelijker en ook aantrekkelijker wordt. Beter Benutten wordt onderdeel van het volkshuisvestingsprogramma dat wordt opgeleverd in 2027. We hebben al tien koplopergemeentes, die sinds 1 januari 2026 aan de slag zijn en die daarin ook echt succesvol zijn. De rest leest u in de brief die u een dezer dagen krijgt. Dan de vraag van mevrouw Steen en de heer Nobel over wat ik ga doen tegen mensen die eindeloos procederen en dat soms ook wel doen om er geld mee te verdienen. Ik deel deze zorg. Ik ken niet alle voorbeelden die u gaf, maar ik geloof ze wel allemaal. Er zijn er ongetwijfeld nog veel meer waarin dit gebeurt. De vraag is wat nu de beste methode is om daar iets te tegen te doen. Een van de dingen die sowieso moet gebeuren, is een snellere afhandeling van de bezwaar- en beroepsprocedures. In de Wet regie, die vandaag ingaat, is die versnelling voorzien, met één gang naar de rechter en een versnelde behandeling. Daarnaast zien we dat op gemeenteniveau de termijnen niet worden gehaald. Het gaat ruim over de wettelijke termijnen heen. In het programma Uitvoeringskracht Woningbouw nemen we een aanpak op voor versnelling van bezwaarprocedures. Ik moet ook met de gemeentes in gesprek over hoe belangrijk het is dat ze de termijnen halen, waardoor we met elkaar de versnelling beter kunnen behouden. Daarnaast helpt het als de bouwende partijen vaker starten met bouwen tijdens de bezwaarprocedure, na een quickscan van de risico's. Dat gebeurt in de praktijk steeds vaker. Wij hopen ook dat de bedrijven die dat durven en toch doorbouwen, dat ook delen met andere bouwbedrijven zodat die dat na het wegen van de risico's ook aandurven. Dan de vraag van mevrouw Beckerman over de isolatiestandaard. Die valt niet onder de bouwregelgeving, maar is wel belangrijk. We zetten met de isolatiestandaard in op betere isolatie en ventilatie van woningen. De isolatiestandaard wordt aangepast zodat die beter toepasbaar is. Daarbij wordt voorkomen dat maatregelen nodig zijn die relatief duur zijn maar weinig besparing of comfortverbetering opleveren. Ik doe dit om het isoleren van woningen te stimuleren door te richten op haalbare en betaalbare maatregelen. Dan de vraag van de heer De Hoop over natuurvriendelijk isoleren met het soortenmanagementplan. Voor het opstellen van het soortenmanagementplan kunnen gemeenten gebruikmaken van de SPUK natuurvriendelijk isoleren en de SPUK Lokale Aanpak Isolatie. We zijn samen met de medeoverheden aan het verkennen op welke manier we het SMP kunnen optimaliseren zodat er sneller meer SMP's kunnen worden opgesteld. Dan de vragen van de heer Nobel over ditzelfde onderwerp. Op welke termijn komt het? Als het elk jaar is, is dat dan effectief? Ben ik bereid om dieren te verplaatsen? Ik erken dat gebiedsgerichte omgevingsvergunningen een robuuste manier zijn om om te gaan met soortenbescherming en isolatie. Heel veel gemeentes zijn daar ook al mee aan de slag, maar het kost wel veel tijd om ze op te stellen. Provincies zijn het bevoegd gezag en gaan over het verlenen van vergunningen en het beoordelen van SMP's. We zijn samen met de medeoverheden aan het verkennen op welke manier we het SMP kunnen optimaliseren zodat er sneller meer SMP's kunnen worden opgesteld. Onderdeel van de SMP's is dat er alternatieve verblijfsplaatsen voor deze diersoorten komen. Dat is dus het antwoord. Zijn we bereid om dieren te verplaatsen? Dat zou onderdeel moeten zijn van een SMP. Dan de vraag van mevrouw Steen over versneld evalueren van de Wkb. De monitor is in 2025 aan uw Kamer toegezonden. Daarin heb ik aangegeven dat we na de tussenevaluatie in 2026 een wetsevaluatie gaan uitvoeren. Alle partijen -- dat zijn de VNG, de Vereniging Bouw- & Woningtoezicht en de bouwende partijen -- hebben daarbij bevestigd dat we pas conclusies zullen trekken nadat de wetsevaluatie is uitgevoerd. Daar wil ik graag aan vasthouden. Dan de vraag van de heer Clemminck over het uitfaseren van EFG-labels. De conceptwijzigingsregeling voor het uitfaseren van EFG is eind 2025 in consultatie gebracht. De reacties zijn verwerkt. De aangepaste versie zal rond de zomer naar uw Kamer worden gestuurd. Daarin wordt uitgebreid ingegaan op de effecten en de haalbaarheid van deze opgave. Dan de vraag van de heer Clemminck over de WLC-GWP-weegfactor en de levensduur van 120 jaar. De rekenperiode van 50 jaar is voorgeschreven door de Europese Unie. Ik mag hier niet van afwijken. Tegelijkertijd herken ik het probleem dat bouwproducten met een lange levensduur hierdoor worden benadeeld. Deze rekenmethode is onderdeel van de zogeheten routekaart WLC-GWP. Dat is de Whole Life Cycle Global Warming Potential, de opwarming van de aarde. Ik ben nu nog bezig met de uitwerking van deze routekaart. Bij de voorbereiding betrek ik alle partijen uit de bouw die deze zorg hebben. Bij de uitwerking van de routekaart zoek ik een balans tussen de volgende beleidsdoelen: klimaatneutraliteit van nieuwbouw in 2050, CO2-reductie op korte termijn en circulariteit op lange termijn. Circulariteit op lange termijn wordt bijvoorbeeld gerealiseerd door producten met een lange levensduur. Ik heb toegezegd dat ik de routekaart aan uw Kamer zal aanbieden voordat deze uiterlijk 1 januari 2027 wordt aangeboden aan de Europese Commissie. Verder is de bouwregelgeving in haar aard materieelneutraal. Ik kijk naar de milieu-impact van materialen en niet naar de materialen zelf. Dan ben ik er, denk ik. De voorzitter: Dat was met recht een blokje varia. Er zijn diverse leden met een interruptie, allereerst de heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): Ik wil toch nog even terug naar de nestkastjes. De minister zei in haar beantwoording dat een algemene verplichting niet zou kunnen. Kan zij iets breder toelichten waarom dat niet zou kunnen? Minister Boekholt-O'Sullivan: Het kan wel. Het kan nu alleen niet meer worden meegenomen in de procedure van de utiliteitsbouw, want die is al een heel eind op streek. De internetconsultatie is geweest et cetera. Daarbij is geen opmerking binnengekomen om woningbouw toe te voegen, dus ik kan dit niet toevoegen aan dit proces. Daarnaast denk ik dat we ergens wel met elkaar een streep moeten zetten tussen wat ik opleg en wat ik verbied, want dat is iets anders. Als er bouwbedrijven zijn die dit willen meenemen, heb ik geen instrumenten om daar iets van te vinden. Maar het is geen onderdeel van dit proces. De voorzitter: Er is een vervolgvraag van de heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): Ik zou de minister toch willen vragen om er nog een keer parallel naar te kijken. Dit is een van de voorbeelden waarin een regel is geschrapt door het programma STOER, waarvan eigenlijk iedereen zei: waarom heeft u dat nou gedaan? Het grappige was dat niet zozeer de natuurorganisaties, maar juist de bouwbedrijven hier ontzettend boos over zijn geworden, omdat zij zelf heel graag deze regel wilden omdat ze dan weten waar ze aan toe zijn. Zij zouden het algemeen in hun pakketten meenemen. Het kost relatief weinig geld en het biedt duidelijkheid. Is de minister, dat gezien hebbende, toch niet bereid om hier nog eens naar te kijken? Juist de bouwers zelf zeggen: dit helpt ons in de duidelijkheid die we nodig hebben. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik heb echt sympathie voor de oproep voor iets wat klein lijkt, maar groot zou kunnen zijn als het overal gebeurt. Tegelijkertijd geldt dat als ik extra eisen toevoeg, ik eigenlijk precies datgene doe waar dit debat over gaat, namelijk de noodzaak van het ervoor zorgen dat het duidelijk en transparant is voor iedereen, zodat ze ermee kunnen werken. De duidelijkheid om het wel te doen die de bouwers zouden vragen, is dezelfde duidelijkheid die je hebt als je de bouwers vraagt om het niet te doen. Daar zit nu het antwoord. Het is niet meegenomen. Het is wel meegenomen voor de utiliteitsbouw. Als uw vraag aan mij is of ik ernaar wil kijken, zeg ik: ik wil er wel naar kijken, maar dit is precies het dilemma waarvoor we elke keer met elkaar staan. Ik kan ernaar kijken, maar dan leidt het anderzijds wel tot meer werk. Het gaat tot meer kosten leiden. Die kosten moeten wel door iemand worden gedragen. Dat wordt de koper of de huurder, want waaruit moet het businessmodel anders rondkomen? We hebben het nu dus niet gedaan. Het is ook niet opgebracht tijdens de internetconsultatie. In beginsel denk ik dus dat we het niet moeten doen. Dat is dan de duidelijkheid die we de sector geven: we doen het niet. Dat is dezelfde duidelijkheid als zeggen: we doen het wel. De voorzitter: De laatste keer op dit punt, de heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): Ja, tot slot. Ik geef maar even een opsomming: Heijmans, Bouwend Nederland, BAM. Dat zijn allemaal partijen die de afgelopen jaren, toen minister Keijzer zei dat we het niet gingen doen, vroegen waarom we dit links laten liggen. We zitten nu met een nieuwe minister, iemand die naast oog voor de natuur te hebben ook echt de woningbouw op gang wil brengen. Als al deze partijen daar toen bezwaren tegen hadden, is het dan niet goed om er nog een keer naar te kijken en later in een brief terug te komen op hoe de bouwende partijen er nu tegen aankijken? Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik begrijp de oproep van de heer De Hoop. Ik begrijp mijn antwoord ook, maar ik denk dat jullie mij de afgelopen vier maanden wel hebben leren kennen als iemand die altijd probeert om naar iedereen te luisteren en te kijken of ze iets kan doen met jullie vragen. Mijn beeld is dat Bouwend Nederland het geen goed idee vond om dat te doen. We hebben nu verschillende beelden over wie wat gezegd zou hebben. Daar ben ik niet dol op, dus wat ik u wel kan toezeggen, is dat ik bouwbedrijven en Bouwend Nederland nog even de vraag ga stellen of ik iets over het hoofd heb gezien in wat we nu aan het doen zijn. Dat zal ik aan u terugkoppelen. Die stap kan ik zetten. De voorzitter: Dank. Dan ga ik naar de volgende op mijn lijst. Dat is de heer Clemminck. De heer Clemminck (JA21): Ik heb, als ik goed heb opgelet, twee vragen gesteld waar ik nog geen antwoord op gekregen heb. Dat wil ik dus even controleren, en ik had nog een vraag naar aanleiding van het antwoord op de bakstenen, als u het me toestaat. Tenzij ik het antwoord gemist heb: ik had een vraag gesteld over de anterieure overeenkomsten dan wel de activiteit bouwen die gemeenten kunnen instellen, waarmee ze eigenlijk ook een soort van lokale kop op verdergaande ambities op duurzaamheid kunnen doen. Klopt dat? Is dat een lokale kop? In hoeverre heeft de minister regie om daar iets tegen te doen? Dat was de eerste. Minister Boekholt-O'Sullivan: Mijn excuses aan de heer Clemminck, want het antwoord is er wel. Het Bbl is landelijk, uitputtend en uniform als het gaat om gebouwen en de veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en duurzaamheid. Gemeenten mogen wel eisen stellen vanuit andere oogmerken, zoals de omgeving en de leefbaarheid van wijken. De discussie over wettelijke eisen gaat met name om de regels van het Bbl. Bovenwettelijke eisen zijn, als die privaatrechtelijk worden gesteld, nietig op grond van de Omgevingswet en het Burgerlijk Wetboek. Als die eisen bestuursrechtelijk worden gesteld, zijn ze onverbindend. In rechte is het contract daarmee niet tot stand gekomen. Ik heb gemeenten een brief gestuurd waarin ik nogmaals heb benadrukt dat dergelijke eisen niet zijn toegestaan. De heer Clemminck (JA21): Dat klopt. Dat ziet inderdaad op dat Bbl-gedeelte. Mijn vraag gaat er eigenlijk over dat gemeenten, los van dat Bbl-gedeelte, ook nog via anterieure overeenkomsten en de activiteit bouwen lokale eisen kunnen stellen die de duurzaamheidsambitie raken. Dat valt natuurlijk buiten het Bbl. Wat vindt de minister daar dan van? Ziet de minister ook nog mogelijkheden om daar wat tegen lokale koppen te doen? Minister Boekholt-O'Sullivan: Die anterieure overeenkomsten zijn de bovenwettelijke eisen die als privaatrechtelijk worden gesteld, dus op uw vraag -- via de voorzitter uiteraard -- wat ik daaraan kan doen, is het antwoord hetzelfde: door daar met hen over te spreken. Eigenlijk moet ook degene die het anders moet gaan uitvoeren, zijn of haar stem gebruiken om te laten weten dat dat gebeurt. Ik heb een toezegging gedaan dat ik ga uitzoeken wat er nog meer in de gereedschapskist zou kunnen zitten. Daar zal ik deze dan in meenemen. De heer Clemminck (JA21): Dan had ik inderdaad nog een vervolgvraag op een vraag waar wel een antwoord op is gekomen. Dat ging over de bakstenen en de rekenmethodiek voor 50 jaar en 120 jaar. Ik begreep van de minister dat dat Europees geregeld is en dat we daar geen nationale keuze in hebben. Dat vinden wij bij JA21 natuurlijk altijd vervelend en jammer, maar het zij zo. Maar we zijn natuurlijk niet de enige in Europa die met bakstenen bouwt, dus ik ben benieuwd of er dan nog een mogelijkheid zit om wellicht met andere partners in Europa daar toch wat aan te gaan doen. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik kan de heer Clemminck toezeggen dat ik eens ga rondvragen. Ik ben binnenkort in Brussel, heb ik gehoord, dus dan zal ik eens rondvragen wat daar de beelden op dit onderwerp zijn. Uiteraard koppel ik dat dan keurig met een brief aan u terug. Dat zal na de zomer zijn. Mevrouw Steen (CDA): Nog even over de Wkb, de Wet kwaliteitsborging. U zegt: ik wil graag vasthouden aan een wetsevaluatie. Er komt ook een tussenevaluatie aan. Kan die tussenevaluatie dan nog aanleiding geven om alvast wel wat aanpassingen te doen en te optimaliseren? Ik kan me best voorstellen dat we niet helemaal op die wetsevaluatie hoeven te wachten, terwijl we evident weten dat een aantal zaken eigenlijk nu al aangepakt zouden kunnen worden. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik ben het helemaal eens met mevrouw Steen. Als je een tussenevaluatie doet en daar iets uit komt waar je nu iets mee moet doen, dan ga ik natuurlijk niet, zoals ik dat vaker zeg, met mijn handen in mijn zakken en een blinddoek voor wachten totdat het moment van de evaluatie daar is. De heer Mooiman (PVV): Ik wil terugkomen op het punt dat zojuist ook even is behandeld door de heer De Hoop en de minister. Vanuit onze fractie wil ik eigenlijk steun uitspreken voor de lijn die de minister hierin hanteert. Ik wil de minister vragen om, op het moment dat zij in gesprek zou gaan met organisaties over wat ze ervan zouden vinden, daar dan ook bij mee te nemen wat de nadelen zijn ten aanzien van de extra kosten en de locaties waar dat dan moet komen. Er werd net al gesproken over deurposten. De minister noemde een aantal zaken op. Kan dat worden meegenomen in een brief die daarover eventueel naar de Kamer gaat? Minister Boekholt-O'Sullivan: Even om precies te maken wat ik heb toegezegd. Ik heb toegezegd dat ik aan factfinding ga doen, om te weten: wat hebben die bouwers destijds gezegd? Ik zie namelijk dat de heer De Hoop en ik daar een ander beeld van hebben. Ik wil graag dat de heer De Hoop en ik hetzelfde beeld hebben. Dat ga ik dus doen. Uw vraag gaat dus eigenlijk een stap te ver, want die gaat over wat de nadelen zijn als we het dan wel gaan doen, terwijl mijn toezegging alleen was om uit te gaan zoeken wat er destijds gezegd is door Bouwend Nederland en de bedrijven die de heer De Hoop noemde. Ik wil voorkomen dat ik een verdere toezegging aan het doen ben dan ik net heb gedaan. De heer Mooiman (PVV): Dank u wel. Dat is helder. Dat stelt ons ook gerust, want, nogmaals, wij kunnen ons juist heel goed vinden in de lijn van de minister en de manier waarop zij dit doet. Dan kunnen we ons verzoek laten vallen. De voorzitter: Dank. Dan heeft tot slot de heer Nobel nog een vraag. De heer Nobel (VVD): De VVD juicht ook toe dat we naar één bezwaar- en beroepsprocedure gaan, om dat eindeloze vertragen tegen te gaan. Daar zit wel ook iets aan vast. In de Crisis- en herstelwet hebben we met elkaar afgesproken dat bouwprojecten sneller bij de Raad van State behandeld kunnen worden. Nu zag ik recent -- ik geloof dat het in het FD was -- dat de Afdeling bestuursrechtspraak het deed voorkomen alsof dat inmiddels wel redelijk is opgelost bij de Raad van State, maar vanuit de bouwsector krijg ik hele andere geluiden te horen, namelijk dat het toch nog heel vaak heel lang duurt voordat de Raad van State tot een uitspraak komt en dat het voor bouwpartijen vooral heel ondoorzichtig is waarom dat zo lang duurt. Is de minister in algemene zin bereid om eens met de Raad van State te kijken hoe we dat transparanter zouden kunnen maken? We hebben namelijk met elkaar volgens mij de suggestie gewekt dat we dit snel gaan oplossen en het voorrang gaan geven, maar mijn partij verneemt uit de praktijk toch andere geluiden. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dit zijn dan weer wisselende geluiden. Ik weet niet precies wat ik over mezelf afroep door nu te zeggen: ja, laten we bij wisselende geluiden gaan uitzoeken wat daarin zit. Mijn beeld is dat de termijnen worden gehaald en dat er prioriteit aan wordt gegeven, maar ik hoor uw oproep en ik ben altijd bereid om te kijken hoe we dat transparanter kunnen maken, omdat we dan ook inzicht hebben in of dat wel of niet zo is. De voorzitter: Dat was de beantwoording door de minister van de vragen van de commissie. We gaan door naar de tweede termijn van de zijde van de commissie. Ik begin bij mevrouw Steen. Mevrouw Steen (CDA): Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor haar heldere antwoorden. Daar kunnen we volgens mij mee verder. In mijn eerste termijn kwam ik er niet aan toe, dus ik ga nu nog een vraag stellen. Ik heb namelijk nog één vraag over de Omgevingswet. Het is al mogelijk om bouwprojecten door te laten gaan zonder aparte omgevingsvergunning als het plan past binnen het omgevingsplan. Dat scheelt namelijk tijd en administratie. Ik ben benieuwd of we dat al de standaardaanpak kunnen gaan maken of dat daar nog barrières voor liggen. Ik denk dat dat voor vandaag mijn laatste vraag is over het versnellen van de woningbouw. De voorzitter: Dank. De heer Mooiman. De heer Mooiman (PVV): Dank u wel, voorzitter. Ik wil de minister vooral bedanken voor de beantwoording in haar termijn. Wij zullen ons nog verder beraden over voorstellen die wij eventueel naar voren willen brengen voor verbetering van de bouwregels. De voorzitter: Dank. Dan de heer Nobel. De heer Nobel (VVD): Voorzitter. Ik heb gisteren een vooraankondiging gedaan en bij dezen wil ik dan graag een tweeminutendebat aanvragen. Ik heb volgens mij voldoende vragen gesteld. Dank voor de antwoorden van de minister, maar ik zou namens mijn partij graag een aantal moties indienen. De voorzitter: De heer De Hoop. De heer De Hoop (PRO): Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Het is heel duidelijk dat in alle keuzes die zij maakt, heel helder vooropstaat: we willen de woningbouw verder op gang brengen. Ik denk dat de hele commissie dat met haar deelt. Het belangrijkste is natuurlijk wel dat als je een woning hebt, die ook veilig is. Daarover zijn er vanuit verschillende organisaties belangrijke signalen gegeven, die een goede plek hebben gekregen in het debat, denk ik, maar die nog wel voldoende waarborg verdienen. Ten slotte over de nestkastjes. Ik kan mij de debatten met minister Keijzer in 2024 goed herinneren. In mijn herinnering hebben de bouworganisaties met de natuurclubs en het ministerie zelf gewerkt aan een wettelijke eis, heeft minister Keijzer daar toen van afgezien en waren de bouwers daar toen in december 2024 teleurgesteld over. Dat is mijn herinnering. Fijn dat de minister de toezegging heeft gedaan om uitvraag te doen bij de bouworganisaties. Ik denk dat dat een eerste stap is. Mocht het signaal inderdaad zijn zoals ik het heb geïnterpreteerd, dan is het misschien goed om er toch nog een keer naar te kijken, maar die discussie zullen we hier vandaag verder niet starten. We gaan nog een tweeminutendebat voeren, hoorde ik. Helemaal goed. De voorzitter: Of we de discussie vandaag niet gaan starten, is volgens mij water under the bridge. We gaan sowieso nog even horen wat precies de toezegging is van de minister op dit punt. Meneer Clemminck, heeft u nog een tweede termijn? De heer Clemminck (JA21): Voorzitter. Allereerst uiteraard dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen. Ik denk dat de minister het juiste perspectief heeft als het gaat om het bevorderen van de woningbouw, met terughoudendheid als het gaat om regels. Ja, er kan er altijd eentje bij, maar volgens mij moeten het er netto minder kunnen worden. Dat gaan we zien. Ik maak me nog wel een beetje zorgen, maar dat komt wellicht nog aan de orde in het vervolgdebat dat we met de minister gaan hebben, over het stapelen van ambities, niet alleen vanuit haar eigen ministerie, maar ook vanuit andere ministeries. Ik noem bijvoorbeeld LVVN als het gaat om de Natuurherstelverordening en de eisen die aan omgevingsplannen worden gesteld in Europa. Dat wachten we af. Er waren een aantal toezeggingen. Dank daarvoor. Tot zover, voorzitter. De voorzitter: Dank. Namens D66 ook dank aan de minister. Ik heb verder geen vragen. Ik kijk even of de minister gelijk de beantwoording kan doen in tweede termijn. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik zou daar graag een uur de tijd voor krijgen! Nee hoor, het kan gelijk. Je kunt inderdaad bouwen op basis van het omgevingsplan. Enkele gemeentes doen dat ook al. Je zou willen dat dat een soort van besmettelijk zou zijn en dat al die andere gemeentes dit ook gaan doen. Ik juich dat dus toe. Ik zal kijken of ik het gejuich bij meerdere gemeenten onder de aandacht kan brengen, vanuit de positieve boodschap dat dit kan, dat dit hen gaat helpen en dat dit leidt tot snelheid, het tempo dat we zoeken. De voorzitter: Ik doe bijna aan uitlokking, want ik wil toch nog even kijken wat nu precies de toezegging is als het gaat om de nestkastjes. Minister Boekholt-O'Sullivan: Zoals ik zojuist zei, vind ik dat ik het, op het moment dat een van de Kamerleden, in dit geval de heer De Hoop, een andere herinnering heeft aan hoe iets is gegaan dan ik, aan de Kamer verplicht ben om uit te zoeken wat er destijds is gebeurd. Dat ga ik dus gewoon uitzoeken. Dat is de factfinding van wat er heeft plaatsgevonden. Dat meld ik aan de Kamer. Op basis daarvan hebben we wel of niet een vervolggesprek. Dat is aan u. De voorzitter: Dank u wel. Dan ga ik naar de toezeggingen die zijn gedaan. - De minister informeert de Kamer eind september over mogelijke instrumenten om gemeenten te sanctioneren bij bovenwettelijke regels. Dat is een toezegging aan de heer Nobel van de VVD. - De minister gaat met mevrouw Steen van het CDA op werkbezoek om te kijken naar de verhouding tussen brandveiligheid en je thuis voelen, en informeert de Kamer uiterlijk in oktober over die inzichten. - De minister komt binnen enkele dagen met een brief over splitsen en optoppen. Ik weet niet zozeer of dat een toezegging of een aankondiging is. - De minister gaat in het kader van factfinding in gesprek met de bouwbedrijven en Bouwend Nederland over nestkastjes en komt terug met een terugkoppeling. Ik kijk even of daar een termijn aan te hangen is. Minister Boekholt-O'Sullivan: Met de factfinding kijk ik dus terug naar wat er in 2024 precies is gezegd hierover door de verschillende partijen. Dat gaat vast niet nu binnen twee weken lukken, maar wel echt kort na de zomer. Als u weer terug bent van reces, kunt u vrij vlot een brief van mij verwachten hierover. De voorzitter: Na de zomer horen we alles over de nestkastjes. Ik heb ook staan dat het lid Nobel van de VVD een tweeminutendebat heeft aangevraagd. Dat is ook al ingepland voor morgenavond. Ik zou daarbij zeggen: hou de agenda in de gaten, want het kan nog weleens wijzigen op de laatste dag. Ik dank de mensen op de publieke … O, er zijn nog meer toezeggingen. Ik ga even kijken welke toezeggingen niet zijn genoteerd. De heer Nobel (VVD): Ik miste de toezegging dat de minister samen met de bouwbedrijven gaat kijken naar de bouwhoogte en of het aantal etages omhoog kan, ook in het kader van de brandveiligheid. De voorzitter: Dat klopt. Die zetten we erbij. De heer Clemminck (JA21): Ik ben het even kwijt, dus ik vraag ook voor mezelf even om een herhaling. Het gaat om de toezegging over de Europese partners en de bakstenen. De voorzitter: Ik hoor: het rondje wordt gemaakt. Wij zouden graag willen weten wat in alle Europese talen het woord voor "baksteen" is! Hebben we verder niets laten liggen? Nee. Dan sluit ik af. Ik dank de minister en het gevolg voor de beantwoording. Ik dank de mensen op de publieke tribune en thuis voor hun aandacht en de leden voor hun bijdragen. Dank. Sluiting 15.05 uur.
Bron, video en gesprek →509debatten
9.371bijdragen
6.177interrupties
586.929woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: PRO (2026-06-10–heden) · GroenLinks-PvdA (2023-10-27–2026-06-09) · GL (2018-06-07–2023-10-26) ·