KamerkringInloggen
Tjebbe van Oostenbruggen

Officieel Kamerprofiel

Tjebbe van Oostenbruggen

74debatten
1.921bijdragen
809interrupties
207.057woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: Nieuw Sociaal Contract (2023-12-06–2024-11-14) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
2 jul 2025 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 735Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Fiscale verzamelwet 2026)Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGINGOntvangen 2 juli 2025 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:AArtikel III wordt als volgt gewijzigd:1. Voor onderdeel A worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:aAIn artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, vervalt «die de leeftijd van25 jaar nog niet hebben bereikt».bAArtikel 18a, derde lid, vierde zin, vervalt.cAAan artikel 18c wordt een lid toegevoegd, luidende:5. Een wezenpensioen eindigt niet later dan op de laatste dag van dekalendermaand waarin de wees de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt.2. Onderdeel B komt te luiden:BAan artikel 18g, tweede lid, worden, onder vervanging van de punt aanhet slot van onderdeel c door een puntkomma, twee onderdelen toege-voegd, luidende:d. de situatie waarin de werknemer in een dienstbetrekking in deeltijdwerkt, anders dan bedoeld in onderdeel e;e. de situatie waarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan zijnarbeidsduur vermindert. kst-36735-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 735, nr. 71 BIn artikel XI, onderdeel D, wordt aan het voorgestelde artikel 34a een lidtoegevoegd, luidende:3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekkingtot de toepassing van het eerste lid.CIn artikel XII, onderdeel A, wordt na het eerste subonderdeel eensubonderdeel ingevoegd, luidende:1a. Onderdeel D vervalt.DIn artikel XV wordt «onder 1» vervangen door «onder 2°».ENa artikel XVI worden twee artikelen ingevoegd, luidende:Artikel XVIAIn de Pensioenwet wordt in artikel 16, eerste lid, onderdeel d, «hetwezenpensioen wordt uitgekeerd tot het kind 25 jaar wordt» vervangendoor «het kind aanspraak maakt op wezenpensioen tot het kind 25 jaarwordt en dat het wezenpensioen wordt uitgekeerd tot en met de kalender-maand waarin het kind 25 jaar wordt».Artikel XVIBIn de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt in artikel 32, eerstelid, onderdeel d, «het wezenpensioen wordt uitgekeerd tot het kind 25 jaarwordt» vervangen door «het kind aanspraak maakt op wezenpensioen tothet kind 25 jaar wordt en dat het wezenpensioen wordt uitgekeerd tot enmet de kalendermaand waarin het kind 25 jaar wordt».FIn artikel XVII wordt «onderdeel d» vervangen door «onderdelen den e».GIn artikel XVIII, eerste lid, onderdeel b, wordt «onderdeel A» vervangendoor «onderdelen aA, cA en A».TOELICHTING Met deze nota van wijziging wordt een aantal vooral technischewijzigingen met betrekking tot pensioenen aangebracht die hierna wordentoegelicht. Ook wordt een omissie hersteld met betrekking tot eenvoorgestelde aanpassing van de Invorderingswet 1990 (IW 1990).Abusievelijk is bij deze voorgestelde wijziging van de IW 1990 ter zake dezogenoemde vereenvoudigde aansprakelijkstelling niet voorzien in eendelegatiebepaling. Dit wordt met deze nota van wijziging hersteld. Metdeze nota van wijziging worden tevens twee zuiver technische wijzigingendoorgevoerd. Een inmiddels overbodige wijzigingsbepaling in Overigefiscale maatregelen 2018 (OFM 2018) wordt geschrapt. Ook wordt eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 735, nr. 72 foutieve verwijzing in OFM 2018 hersteld waarmee wordt geborgd dat,zoals beoogd, de tariefkorting voor emissievrije personenauto’s in deprovinciale opcenten met ingang van 1 januari 2030 komt te vervallen.Deze nota van wijziging is beoordeeld op uitvoeringsgevolgen. Tenzijhierna anders is vermeld, zijn de dienaangaande eerder vastgesteldeuitvoeringstoetsen1 onverkort van kracht.Eindleeftijd wezenpensioenMet de Wet toekomst pensioenen (Wtp) is met ingang van 1 juli 2023 inde Pensioenwet (Pw) en in de Wet verplichte beroepspensioenregeling(Wvb) geregeld dat een wezenpensioen wordt uitgekeerd tot het kind deleeftijd van 25 jaar heeft bereikt. Daarbij is met ingang van 1 juli 2023 in deWet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) geregeld dat een wezenpen-sioen uitsluitend kan worden uitgekeerd aan een kind dat nog niet deleeftijd van 25 jaar heeft bereikt. De uitkering van het wezenpensioen totuiterlijk de dag waarop het kind de leeftijd van 25 jaar bereikt blijkt voorpensioenuitvoerders echter moeilijk uitvoerbaar te zijn. Pensioenuit-voerders hebben aangegeven voor de kalendermaand dat het kind deleeftijd van 25 jaar bereikt niet eenvoudig een pro-rata-uitkering te kunnendoen zonder verzwaring van de uitvoeringskosten. Onder het oudepensioenstelsel was een pro-rata-uitkering niet gebruikelijk. De adminis-tratiesystemen zijn daarom zo ingericht dat ook voor de hoogte van deuitkering in de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 25 jaarbereikt altijd de gehele kalendermaand wordt meegenomen.Het kabinet stelt daarom voor dat de aanspraak op wezenpensioendekking biedt tot het kind de leeftijd van 25 jaar bereikt maar dat hetwezenpensioen over de betreffende kalendermaand wordt uitgekeerd opbasis van de gehele kalendermaand. Voor kinderen is de maatregeluiteraard ook gunstig: het bedrag van de uitkering wordt in de laatstekalendermaand niet meer verlaagd.In lijn met de bovengenoemde wijzigingen van de Pw en de Wvb wordtook voorgesteld in de Wet LB 1964 de fiscale begrenzing zodanig aan tepassen dat een wezenpensioen kan worden uitgekeerd uiterlijk tot en metde kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt.Gelet op de lopende aanpassingen van pensioenregelingen aan de Wtpis het voor de uitvoeringspraktijk gewenst dat deze maatregel op kortetermijn wordt doorgevoerd. Gelet daarop en aangezien het technischemaatregelen betreft wordt voorgesteld deze toe te voegen aan hetwetsvoorstel. Voorgesteld wordt aan de fiscale bepaling in de Wet LB 1964terugwerkende kracht te geven tot en met 1 juli 2023. Daarmee wordt defiscale begrenzing met terugwerkende kracht verruimd zodat voorwezenpensioenen van kinderen die reeds voor 1 januari 2026, de beoogdeinwerkingtredingsdatum van de wet, de leeftijd van 25 jaar hebben bereikthiervan ook gebruik kunnen maken. Aan de maatregelen in de Pw en Wvbwordt geen terugwerkende kracht gegeven. Dat zou namelijk leiden toteen verplichte aanpassing met terugwerkende kracht van de pensioenre-glementen en uitkeringen van wezenpensioen. De toelichting op dewijzigingen van de Pw en Wvb wordt gegeven mede namens de Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe voorgestelde maatregel is vooral technisch van aard zoals in detoelichting is aangegeven. Er is niet voorzien in een evaluatie gelet op detechnische aard van deze maatregel.1Bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 36 735, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 735, nr. 73 BudgettairDe voorgestelde maatregel heeft geen of verwaarloosbare budgettairegevolgen. Het gaat om een vooral technische maatregel.DoenvermogenDe impact op het doenvermogen van de voorgestelde maatregel isbeperkt. De voorgestelde maatregel is vooral technisch van aard.UitvoeringsgevolgenDe maatregel is door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoe-ringstoets. Voor de maatregel geldt dat de Belastingdienst die uitvoerbaaracht per de voorgestelde datum van inwerkingtreding. De gevolgen voorde uitvoering zijn beschreven in de uitvoeringstoets die als bijlage isbijgevoegd.AOW-franchise en pensioengevend loon bij deeltijddienstverbandenMet deze nota van wijziging wordt daarnaast voorgesteld in de Wet LB1964 een inconsistentie weg te nemen met betrekking tot het vaststellenvan de aan de Algemene Ouderdomswet gekoppelde franchise(AOW-franchise) bij dienstbetrekkingen in deeltijd. Daarnaast wordtvoorgesteld in de Wet LB 1964 delegatiegrondslagen op te nemen omregels te kunnen stellen met betrekking tot het pensioengevend loon in desituatie dat de werknemer in deeltijd werkzaam is en voor de situatiewaarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan zijn arbeidsduurvermindert.In de onderdeelsgewijze toelichting van deze nota van wijziging wordtdit nader toegelicht.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe voorgestelde maatregel is vooral technisch van aard zoals in detoelichting is aangegeven. Er is niet voorzien in een evaluatie gelet op detechnische aard van deze maatregel.BudgettairDe voorgestelde maatregel heeft geen of verwaarloosbare budgettairegevolgen. Het gaat om een vooral technische maatregel.DoenvermogenDe impact op het doenvermogen van de voorgestelde maatregel isbeperkt. De voorgestelde maatregel is vooral technisch van aard.UitvoeringsgevolgenDe maatregel is door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoe-ringstoets. Voor de maatregel geldt dat de Belastingdienst die uitvoerbaaracht per de voorgestelde datum van inwerkingtreding. De gevolgen voorde uitvoering zijn beschreven in de uitvoeringstoets die als bijlage isbijgevoegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 735, nr. 74 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Onderdeel AArtikel III, onderdelen aA en cA (artikelen 18 en 18c van de Wet op deloonbelasting 1964)Voorgesteld wordt in artikel 18c, vijfde lid, Wet LB 1964 te bepalen dateen wezenpensioen niet later eindigt dan op de laatste dag van dekalendermaand waarin de wees de 25-jarige leeftijd bereikt. Dit komt in deplaats van de huidige tekst van artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 4°,Wet LB 1964, waarin is geregeld dat een wezenpensioen kan wordenuitgekeerd tot uiterlijk de dag waarop het kind de leeftijd van 25 jaarbereikt. Met de voorgestelde aanpassing wordt de fiscale begrenzingderhalve zodanig verruimd dat ook de laatste uitkering van het wezenpen-sioen op basis van een hele kalendermaand kan worden berekendongeacht op welke dag in de kalendermaand het kind de leeftijd van 25jaar bereikt. Er hoeft dan bij een wezenpensioen ook fiscaal gezien in geengeval meer een pro-rata-uitkering plaats te vinden.2 Deze wijziging wordtvoorgesteld met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023 zoals istoegelicht in de algemene toelichting op deze nota van wijziging.Artikel III, onderdeel bA (artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964)Uit de systematiek van de Wet LB 1964 en de daarop berustendebepalingen volgt dat onder het begrip «pensioengevend loon» in beginselwordt verstaan het pensioengevende loon op voltijdbasis.3 Het in deeltijdvervullen van een dienstbetrekking leidt in de systematiek van hoofdstukIIB Wet LB 1964 slechts tot een vermindering van de dienstjaren op grondvan artikel 18g, eerste lid, Wet LB 1964, in samenhang met artikel 10a,eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting1965 (UBLB 1965). Op die wijze wordt de deeltijdfactor meegenomen in deberekening van de pensioenopbouw. De formule voor de berekening vanpensioenopbouw die uit de systematiek van de Wet LB 1964 en de daaropgebaseerde regeling volgt luidt dan ook: pensioengevend loon opvoltijdbasis minus AOW-franchise op voltijdbasis (gezamenlijk depensioengrondslag op voltijdbasis, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, WetIB 1964) vermenigvuldigd met het premiepercentage vermenigvuldigdmet de deeltijdfactor voor de op deeltijdbasis berekende dienstjaren. Alsdaarnaast bij de pensioengrondslag zou worden uitgegaan van het opdeeltijdbasis verdiende loon, zou dubbel rekening worden gehouden metde deeltijdfactor.Voor de te hanteren pensioengrondslag voor de opbouw van eenouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioen-datum als bedoeld in artikel 18a, eerste lid, Wet LB 1964 is deze syste-matiek met de Wtp ongewijzigd gebleven. Alleen is in artikel 18a, derdelid, Wet LB 1964 een zin opgenomen op basis waarvan de AOW-franchisebij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt verminderd overeenkomstig dedeeltijdfactor. Deze zin leidt – zoals uit het voorgaande volgt – tot eenonbedoeld resultaat, aangezien op grond van artikel 18g, eerste lid, WetLB 1964, in samenhang met artikel 10a, eerste lid, aanhef en onderdeel a,UBLB 1965, via de vermindering van de dienstjaren, bedoeld in artikel 18a,eerste lid, Wet LB 1964, al rekening wordt gehouden met de deeltijdfactor.Bij de huidige tekst van artikel 18a, derde lid, Wet LB 1964 zou dus bij de2Deze wijziging houdt verband met de voorgestelde wijzigingen in de artikelen 16 Pw en 32 Wvbzoals opgenomen in deze nota van wijziging.3Zie bijvoorbeeld in de nota van toelichting bij het Besluit van 19 december 2006 tot wijzigingvan enige fiscale Uitvoeringsbesluiten (Stb. 2006, 684) de artikelsgewijze toelichting opartikel II, onderdeel B, inzake artikel 10a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 735, nr. 75 franchise dubbel rekening worden gehouden met de deeltijdfactor.Daarom wordt voorgesteld de genoemde zin te laten vervallen. Met dezevoorgestelde wijziging is geen inhoudelijke wijziging beoogd in desystematiek van de Wet LB 1964, maar wordt alleen een inconsequentiegecorrigeerd.Artikel III, onderdeel B, en artikel XVII (artikel 18g van de Wet op deloonbelasting 1964)Met deze nota van wijziging wordt daarnaast artikel III, onderdeel B, vanhet wetsvoorstel aangepast om daarmee het volgende te bewerkstel-lingen:Met het voorgestelde artikel 18g, tweede lid, onderdeel d, Wet LB 1964wordt geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur regels gesteldkunnen worden met betrekking tot het pensioengevend loon bij dienstbe-trekkingen in deeltijd. Dit is noodzakelijk voor het partnerpensioen bijoverlijden voor pensioendatum en het wezenpensioen. Voor het partner-pensioen bij overlijden voor pensioendatum en het wezenpensioen is metde Wtp het begrip «laatstgenoten pensioengevend loon» opgenomenwaarbij geen koppeling meer is opgenomen aan het begrip «dienstjaren».Het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en het wezenpen-sioen zijn daardoor diensttijdonafhankelijk geworden. Het is de bedoelingom met de in het voorgestelde artikel 18g, tweede lid, aanhef enonderdeel d, Wet LB 1964 opgenomen grondslag bij algemene maatregelvan bestuur te regelen dat bij de bepaling van het laatstgenoten pensioen-gevend loon, zoals dat geldt voor de begrenzingen in de artikelen 18b,eerste lid, en 18c, eerste en tweede lid, Wet LB 1964, rekening dient teworden gehouden met de deeltijdfactor.In het voorgestelde artikel 18g, tweede lid, onderdeel e, Wet LB 1964wordt een delegatiegrondslag opgenomen op basis waarvan bij algemenemaatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met betrekking tothet pensioengevend loon in de situatie dat de werknemer aan het eindvan zijn loopbaan zijn arbeidsduur vermindert. Het is de bedoeling ommet deze delegatiegrondslag bij algemene maatregel van bestuur teregelen dat een wijziging van het laatstgenoten pensioengevend loon alsgevolg van het werken in deeltijd aan het eind van de loonbaan bij detoepassing van punt 1 buiten beschouwing blijft voor de begrenzingenvan het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en hetwezenpensioen.Aan de op grond van deze delegatiegrondslagen vast te stellenalgemene maatregel van bestuur kan op grond van de voorgesteldewijziging van artikel XVII van het wetsvoorstel terugwerkende krachtworden gegeven tot en met 1 juli 2023.Onderdeel BArtikel XI, onderdeel D (artikel 34a van de Invorderingswet 1990)De ontvanger kan op grond van artikel 34, eerste lid, IW 1990 eeninlener hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de loonbelasting, socialeverzekeringspremies en omzetbelasting die de uitlener of doorlenerverschuldigd is vanwege het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.Een inlener kan de hoofdelijke aansprakelijkheid beperken door gebruik temaken van een geblokkeerde rekening (g-rekening) van de uitlener ofdoorlener, mits bij het storten van bedragen op de g-rekening wordtvoldaan aan de administratieve vereisten. Deze administratieve vereistenzijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtge-versaansprakelijkheid 2004 (UR Ikoa 2004). Het in het wetsvoorstelvoorgestelde artikel 34a IW 1990 vult de bestaande mogelijkheid tot hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 735, nr. 76 aansprakelijk stellen van inleners aan met de zogenoemde vereenvou-digde aansprakelijkstelling. Ingevolge het voorgestelde artikel 34a IW 1990wordt de hoogte van de aansprakelijkheid van de inlener voor de door deuitlener verschuldigde loonbelasting, sociale verzekeringspremies enomzetbelasting of de door de doorlener verschuldigde omzetbelastingvermoed 35 percent te bedragen van het bedrag van de factuur die deuitlener, onderscheidenlijk de doorlener, de inlener ter zake van degeleverde prestatie of prestaties heeft doen toekomen. Hierbij is hetuitgangspunt dat eventuele bedragen die de inlener op de g-rekening vande uitlener, onderscheidenlijk de doorlener, heeft gestort, op dezeaansprakelijkheidsschuld in mindering worden gebracht. Het is wenselijkdat alleen bedragen op de aansprakelijkheidsschuld in mindering wordengebracht als hierbij is voldaan aan de administratieve vereisten die zijnneergelegd in de UR Ikoa 2004. Abusievelijk is niet direct voorzien in eendelegatiebepaling in het voorgestelde artikel 34a IW 1990, waardoor ergeen grondslag is om in de UR Ikoa 2004 op te nemen dat de administra-tieve vereisten ook van toepassing zijn op het voorgestelde artikel 34a IW1990. Door het voorgestelde artikel 34a, derde lid, IW 1990 wordtbewerkstelligd dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald wanneereen storting op de g-rekening van de uitlener, onderscheidenlijk dedoorlener, in mindering wordt gebracht op de aansprakelijkheidsschuldvan de inlener. In de UR Ikoa 2004 zal worden opgenomen dat debestaande administratieve vereisten ook van toepassing zijn als hetvoorgestelde artikel 34a IW 1990 wordt toegepast.Onderdeel CArtikel XII, onderdeel A (artikel XVII van Overige fiscale maatregelen 2018)Artikel XVII, onderdeel D, OFM 2018 regelt dat in artikel 24aa van de Wetop de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994) «eigen massa» wordtvervangen door «massa rijklaar». Artikel 24aa Wet MRB 1994 komtevenwel te vervallen met ingang van 1 januari 2026. Daarom wordt metdit onderdeel artikel XVII, onderdeel D, OFM 2018 geschrapt.Onderdeel DArtikel XV (artikel XLVIII van het Belastingplan 2025)In het Belastingplan 2025 (BP 2025) is een maatregel opgenomen opgrond waarvan de tariefkorting voor emissievrije personenauto’s binnende provinciale opcenten vanaf 1 januari 2026 wordt afgebouwd naar 25%en met ingang van 1 januari 2030 vervalt. De wijzigingen van artikel 222van de Provinciewet bij artikel XIX OFM 2018 na te zijn gewijzigd bijartikel XII, onderdeel B, van het wetsvoorstel nopen ertoe dat ookartikel XLVIII BP 2025 moet worden aangepast om te borgen dat demaatregel met ingang van 1 januari 2030 correct kan worden doorge-voerd. Abusievelijk is bij de hiervoor in het wetsvoorstel opgenomenaanpassing verwezen naar artikel 222, derde lid, onderdeel a, onder 1, vande Provinciewet waar dit artikel 222, derde lid, onderdeel a, onder 2°, vandie wet had moeten zijn. Dat wordt met dit onderdeel hersteld.Onderdeel EArtikelen XVIA en XVIB (artikel 16 van de Pensioenwet en artikel 32 van deWet verplichte beroepspensioenregeling)Voorgesteld wordt artikel 16 Pw en artikel 32 Wvb aan te passen, metals gevolg dat een kind weliswaar tot het moment waarop deze 25 jaarwordt aanspraak maakt op een wezenpensioen, maar dat dit wezenpen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 735, nr. 77 sioen door pensioenuitvoerders moet worden uitgekeerd op basis van degehele kalendermaand waarin een kind 25 jaar wordt. Dit is in deuitvoering gemakkelijker voor een fonds, dan uitkeren op basis van deprecieze datum waarop een kind 25 jaar wordt. Dit geldt voor allepensioenuitvoerders.De Staatssecretaris van Financiën,T. van OostenbruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 735, nr. 78

Bron, video en gesprek →