KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

Pieter Heerma

28debatten
687bijdragen
8interrupties
160.555woorden in uitspraken

Uitspraken in het geselecteerde debat

Open het volledige debat en de tijdlijn →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Dank u, voorzitter. Er zijn flink veel moties en ik heb nog een vraag van de VVD-fractie. Ik ga de moties in de volgorde waarop ze zijn ingediend, van een beoordeling voorzien. Ik begin bij de eerste motie van D66, de motie-Bamenga c.s. op stuk nr. 548, over de discriminatietoets. Daarin wordt verzocht te streven naar een zo breed mogelijke toepassing. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven, ook indachtig het commissiedebat dat we twee weken geleden met elkaar gehouden hebben.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Mevrouw Keijzer, we hebben hier in het debat uitgebreid met elkaar over gesproken. Dit betreft de discriminatietoets die we gaan uitvoeren, zoals ik al heb aangegeven. Dat doen we dus niet conform een eerder advies van de staatscommissie om die direct verplicht te stellen. Op het rapport dat deze week is verschenen komen we nog met een uitgebreide kabinetsreactie. Dat heb ik ook aangegeven. In de Kamer is ook besloten dat daar een apart debat over wordt gehouden. Deze discriminatietoets is geen reactie op het rapport van afgelopen maandag, maar iets wat al loopt. De link die mevrouw Keijzer hier legt, zie ik dus niet.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Het staat elke fractie vrij om te stemmen, maar de discussie over de discriminatietoets loopt al langer en deze motie verwijst volgens mij ook naar vragen die in dat debat gesteld zijn. Ik kan haar dus oordeel Kamer geven.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Dan de motie op stuk nr. 549 van de heren Bamenga, Ceder en Van Baarle. Die verzoekt naar de vlaginstructie te kijken. Voor veel Nederlanders is de herdenking van het slavernijverleden en de viering van Ketikoti een belangrijk moment. Met de excuses uitgesproken in 2022 en in 2023 op 1 juli door de koning tijdens zijn speech is dit moment gemarkeerd. Het staat iedere rijksorganisatie vrij om de vlag te hijsen. Voor rijksgebouwen geldt een vlaginstructie uit 2013. Daar refereerde de heer Bamenga aan. Het kabinet zal onderzoeken of een herziening van de vlaginstructie wenselijk is en de Kamer hierover informeren. In dat kader kan ik deze motie oordeel Kamer geven.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Daar kan ik vrij makkelijk over zijn. Wat ik heb aangegeven, is dat de vlaginstructie wordt herzien. En de vlag die wij doorgaans hijsen, is de Nederlandse vlag. Maar de vlaginstructie wordt nu dus herzien. Daar zullen we de Kamer over informeren en daarom laat ik deze motie aan het oordeel van de Kamer.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Dan de moties, volgens mij zes, van de heer Van Baarle. Dit was toch een Guinness-Book-of-Recordspoging in twee minuten! Altijd respect voor de snelheid waarmee dat kan. Dat betekent niet dat ik alle moties oordeel Kamer kan geven; eerder het omgekeerde. De eerste motie van de heer Van Baarle, die op stuk nr. 550, heeft betrekking op het intrekken van de wet op gezichtsbedekkende kleding. Deze motie moet ik ontraden. Het regeerakkoord gaat uit van een versterkte handhaving op dit punt. Dan de motie rondom het antidiscriminatiebeleid en dit uitzonderen van eventuele bezuinigingen, de motie op stuk nr. 551. Daar heeft de heer Van Baarle mij volgens mij in het commissiedebat ook naar gevraagd. U zult begrijpen dat ik in dit debat geen beleidsterreinen kan gaan uitzonderen van een rijksbrede taakstelling. Als ik dat wel zou gaan doen, en andere bewindslieden ook, zouden we bij elk beleidsterrein dit soort moties krijgen. Dus ik moet deze motie ontraden.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Ook in verwijzing naar het debat: ik snap dat de heer Van Baarle een bepaalde formulering heeft, maar ik moet deze motie ontraden, ook indachtig wat ik in het debat gezegd heb.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: De heer Van Baarle dient ook een motie in over Ketikoti, met het verzoek om in overleg met sociale partners een concreet voorstel te doen om daarvan een nationale feestdag te maken. Deze motie moet ik het oordeel "ontijdig" geven. Tijdens het commissiedebat Slavernijverleden op 11 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd dit vraagstuk te onderzoeken. Het Herdenkingscomité Slavernijverleden is met deze opdracht aan de slag gegaan. Richting het einde van het jaar, in Q4 van 2026, levert het herdenkingscomité haar advies op. Ik zal de Kamer daarover begin 2027 informeren, maar ik moet deze motie op stuk nr. 552 nu als ontijdig beoordelen. De volgende motie van de heer Van Baarle verzoekt de regering om een gericht nationaal programma tegen …

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: De heer Van Baarle heeft een motie waarin hij verzoekt om een gericht nationaal plan tegen moslimdiscriminatie. Ook deze moet ik het oordeel "ontijdig" geven. In december vorig jaar is de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie verzonden. Hierin worden maatregelen aangekondigd die moslimdiscriminatie bestrijden. Dit kabinet blijft deze maatregelen ook uitvoeren. Ook heeft de NCDR begin dit jaar aangekondigd met een plan te komen voor een aanpak van moslimdiscriminatie in samenwerking met gemeenschappen. Ik verwacht dat dit advies ons bouwstenen zal bieden die de aanpak van moslimdiscriminatie ten goede komen.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Die motie van de heer Van Baarle verzoekt om de aanpak van discriminatie wettelijk te verankeren en lokaal antidiscriminatiebeleid verplicht te stellen. Deze motie moet ik ontraden. Ik begrijp de wens van de heer Van Baarle, maar ik heb tijdens het commissiedebat ook aangegeven dat er op dit moment geen financiële middelen zijn om een nieuwe taak effectief uit te kunnen voeren. Daarnaast wil ik nogmaals benadrukken dat gemeentes in het licht van artikel 1 van de Grondwet een eigen verantwoordelijkheid hebben in het voorkomen en aanpakken van discriminatie en racisme in de gemeentes en dat veel gemeentes dit ook al doen. Ik moet deze motie dus ontraden.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Nee, dat is niet wat ik zeg. Wat ik aangeef, is het eerlijke antwoord. Er zijn hier op dit moment geen middelen voor. In het licht van artikel 1 van de Grondwet hebben gemeentes al een verantwoordelijkheid en heel veel gemeentes vullen die ook al in. Deze motie komt ook op naar aanleiding van de herziening van de antidiscriminatievoorzieningen. In algemene zin geldt ook dat we met gemeentes een discussie hebben over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Ook in dat kader moet ik deze motie ontraden.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: De motie op stuk nr. 555 is ook van de heer Van Baarle. Die verzoekt om de discriminatietoets verplicht te stellen. Ik heb de motie van de heer Bamenga oordeel Kamer gegeven. Ik moet deze motie ontraden. Ik heb in het commissiedebat drie redenen gegeven waarom ik de toets nu niet verplicht wil stellen en, verwijzend naar dat debat en de redenen die ik gegeven heb, moet ik deze motie ontraden. Dan de motie van mevrouw Beckerman op stuk nr. 556. Die verzoekt, onder verwijzing naar de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, uitvoering te geven aan de principes van het rapport Principes voor profilering. Deze motie moet ik het oordeel "ontijdig" geven. Het kabinet neemt de waarschuwingen over de risico's van risicoprofilering die de staatscommissie in het rapport schetst uiterst serieus. We ondernemen al acties om deze risico's tegen te gaan en werken continu aan het verbeteren van transparantie en de verantwoording van de werkwijze. Het kabinet hecht groot belang aan het rapport van de staatscommissie en zal in een kabinetsreactie op het eindrapport uitgebreid ingaan op de aanbevelingen, maar het is nu te vroeg om te zeggen dat we die allemaal gaan overnemen. Er komt een kabinetsreactie. Er is ook al steun in uw Kamer om er een apart debat over te hebben, dus deze motie moet ik nu als "ontijdig" bestempelen.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Op een aantal rapporten die de staatscommissie heeft gemaakt, is nog geen kabinetsreactie gegeven, waaronder dit rapport. Daarom hebben we aangegeven dat we bij de reactie op het eindrapport de brede kabinetsreactie meenemen. Dat geldt hier ook voor, dus ik zal toch mijn oordeel "ontijdig" moeten handhaven.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: De motie op stuk nr. 557 is de lange motie van de heer Ceder. Ik kan niet anders zeggen dan dat die ook zeer breed ondertekend is in de Kamer. Het was het hoofdonderwerp van de inbreng van de heer Ceder tijdens het commissiedebat. Ik wil deze motie oordeel Kamer geven. Het kabinet vindt het van belang om op een waardige manier stil te staan bij 75 jaar Molukkers in Nederland. Dit is een geschiedenis die erkenning verdient. Hiervoor dient een zorgvuldig proces te worden ingericht om te bezien hoe, in aanvulling op wat er al gebeurt, tegemoetgekomen kan worden aan de Molukse gemeenschap. Ik laat deze motie dus oordeel Kamer, indien ik de motie zo mag interpreteren dat de nationale agenda volgt uit de uitkomsten van het onafhankelijk onderzoek en het consultatietraject, en dat hierbij de primaire focus ligt op de periode rond de Tweede Wereldoorlog tot nu, mede gelet op de uitkomsten van een onderzoek, die binnen een jaar dienen te worden gepresenteerd. Dan de motie op stuk nr. 558 van de heer Schenk van Forum voor Democratie. Ik ga zeggen dat het oordeel op deze motie "overbodig" is. Binnen het Rijk wordt geen voorkeursbeleid bij aanname toegepast. Het beleid binnen het Rijk is toegespitst op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie op basis van functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie. Deze motie is dus "overbodig". Dan de eerste motie van de heer Clemminck, op stuk nr. 559, met betrekking tot het opheffen van het bureau van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. Deze motie moet ik ontraden. Uit de evaluatie van de NCDR, die uw Kamer in het najaar van 2024 heeft gekregen, volgt dat de NCDR een waardevolle aanvulling is op het stelsel voor de aanpak van discriminatie. Ik zie geen reden om dat instituut op te heffen. Het regeerakkoord zegt ook dat we de Nationaal Coördinator wettelijk gaan verankeren. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden". Dan de motie op stuk nr. 560 van de heer Clemminck, over onderzoek laten doen naar religieuze en culturele achtergronden ten aanzien van haat richting Joden en lhbtiq+-personen. We hebben het hier in het commissiedebat ook over gehad. Ik wil deze motie ontraden. Discriminatie moet aangepakt worden, ongeacht de culturele achtergrond van mensen die zich hier schuldig aan maken. Ik ben dus geen voorstander van een apart onderzoek hiernaar. Dat was ook mijn antwoord in het commissiedebat. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden". Dat zal de heer Clemminck niet verrassen. Dan de lange motie van de heer Clemminck, en inmiddels ook van het lid Keijzer, op stuk nr. 561, over het aanhouden van de aanpak. Ook deze motie moet ik ontraden. Het bestaan van moslimdiscriminatie is voldoende aangetoond in allerlei onderzoeken. In de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie is al vermeld dat er waar nodig zowel generieke als specifieke inzet wordt gedaan. De NCDR heeft op grond van signalen en onderzoeken aangegeven aan de slag te gaan. Daarnaast is er grond om specifiek met een plan te komen. Het plan wordt aangeboden aan het kabinet. Daarna zal het kabinet gaan kiezen wat we gaan doen. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden". Dan de motie op stuk nr. 562 van het lid Tseggai van de fractie van PRO. Ik geloof dat ik nu de eerste ben die de fractie officieel zo mag noemen; ik heb het stiekem al een paar keer smokkelend gedaan, gisteren tijdens het vorige tweeminutendebat. Deze motie verzoekt om — het is een onderwerp waar mevrouw Tseggai zich volgens mij al meerdere malen over geuit heeft — in lijn met de staatscommissie de coördinatie neer te leggen bij, in dit geval, de minister-president. Dat is niet wat de staatscommissie zegt. De coördinerende rol ligt bij het ministerie van BZK. Ik zal me onverminderd blijven inzetten op deze rol. Bij de invulling van deze rol neem ik de adviezen van de staatscommissie ter harte. Daar komt dus ook nog een uitgebreide kabinetsreactie op. Daarnaast geldt dat elk departement ook verantwoordelijk is voor de eigen portefeuille, zoals ook staat in artikel 44 van de Grondwet. Het verandert niets als je de coördinerende rol bij de minister-president neerlegt. Ik wil deze motie dus ontraden. Dan de motie …

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Ik had de motie ook het oordeel "ontijdig" kunnen geven. Die gaat net als sommige andere moties in op de adviezen van de staatscommissie, waar een uitgebreide kabinetsreactie op en een apart debat over zal komen. Ik kan me voorstellen dat mevrouw Tseggai wil dat we er in dat debat uitgebreid op terugkomen. Maar indachtig het commissiedebat, waarin ik ook al duidelijk heb aangegeven dat hier enerzijds coördinatie is en dat er anderzijds simpelweg sprake is van de werking van onze Grondwet en de ministeriële verantwoordelijkheid, wil ik toch handhaven dat ik de motie ontraad. Tegelijkertijd heb ik er alle begrip voor dat mevrouw Tseggai dit debat opnieuw en uitgebreider wil voeren na de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie. Dan zullen we ook uitgebreid ingaan op dit punt, wat volgens mij haar aanvullende vraag was.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Ja. De motie van de heer Flach gaat deels over een gesprek dat wij in het commissiedebat hadden. Ik wil deze motie ontraden. De motie kent twee elementen. Ik heb over het tweede element al aangegeven dat, los van het feit dat ik niet kan garanderen dat de term nooit gebruikt wordt, het kabinet in beginsel de term "moslimdiscriminatie" hanteert en niet de term "islamofobie". Tegelijkertijd is het zo dat de VN deze dag heeft uitgeroepen. Dat is een feitelijkheid die we niet kunnen ontwijken of stilzwijgen. Ik ben ook niet bij machte om hier te zeggen dat overheidsinstanties of departementen daar nooit naar zouden mogen verwijzen. Dat zou ik dus ook niet verstandig vinden. Er kan aan gerefereerd worden, net zoals dat ook kan gebeuren met andere dagen die de VN heeft uitgeroepen.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Ik zie dat toch echt niet zo. Wij hebben dit debat ook in commissieverband gevoerd. Ik heb daarin ook uitgelegd welke positie Nederland daarin heeft en welke positie de EU daarin heeft, maar ik heb ook uitgelegd dat wanneer de VN dan toch een dag uitroept, we daar niet opnieuw specifiek bezwaar tegen gaan maken. Het is een feit dat het is gebeurd. Het verzoek is om ons afzijdig te houden van vermelding van die internationale dag. Dat is wat de motie vraagt. De dag is er feitelijk en dat kan vermeld worden. Wat betreft het tweede heb ik ook uitgelegd dat wij uitgaan van de term "moslimdiscriminatie" en dat de term "islamofobie" vanuit het kabinet dus niet gebruikt wordt.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Het staat de heer Flach vrij om deze oordelen te hebben. Dit is onderwerp geweest van het debat dat wij in commissieverband al hadden. Door het uitroepen van een "dag van" door de VN verandert niet een heel juridisch kader. Deze dag wijzigt niet de interpretatie van de Grondwet of van het EVRM. Ik kan dus niet delen wat de heer Flach hierover zegt. Ik ontraad de motie.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Mevrouw Keijzer verwijst nu naar een debat dat ik al met de heer Flach heb gevoerd in het commissiedebat. Ik heb uitgelegd dat wij de term "islamofobie" in beginsel niet gebruiken, omdat die over angst gaat. Wij gaan uit van de term "moslimdiscriminatie". Als wij als overheid communiceren, spreken wij over moslimdiscriminatie.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Over de term "islamofobie" is al discussie geweest sinds die vijftien à twintig jaar geleden opkwam. Die discussie kan ook afleiden van het feit dat het fenomeen "moslimdiscriminatie" echt bestaat en echt een probleem is. Ik geef dus aan dat wij als kabinet uitgaan van de term "moslimdiscriminatie" en de term "moslimfobie" niet gebruiken, omdat die tot verwarring leidt in het debat.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Ik heb in het commissiedebat bij herhaling uitgelegd dat dit de reden is waarom wij de term "moslimdiscriminatie" hanteren en niet "islamofobie". Die leidt tot verwarring over wat het betekent. De heer Flach koppelt het in zijn motie aan de dag die de VN heeft uitgeroepen. Daar hebben wij als EU en als Nederland een andere positie in gehad, maar in de motie wordt ook gevraagd om er niet naar te verwijzen en dat moet ik echt ontraden.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Ik heb eigenlijk geen behoefte om een brief toe te zeggen over een term die we niet gebruiken. Ik was hier tijdens het commissiedebat heel helder over: wij gebruiken deze term niet; wij gebruiken de term "moslimdiscriminatie". Ik heb er geen behoefte aan om een aparte brief te sturen om uit te leggen dat we een term niet gebruiken en waarom we hem niet gebruiken.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Wat ik aangeef, is dat wij in onze communicatie deze term niet gebruiken. Dat doen we niet, omdat de term juist tot verwarring en dat debat leidt. Daarom heb ik in het commissiedebat gezegd dat wij uitgaan van de term "moslimdiscriminatie". Dat was in het commissiedebat een duidelijk antwoord. Dat is het nu nog steeds. Ik wil nu ook geen brief sturen waarin we een soort omgekeerde taalgids maken. Er worden nu dingen gezegd, maar het is het beste om het via de microfoon te doen. De motie vraagt meerdere dingen. De motie vraagt om iets dat ik al heb aangegeven in het debat: wij gebruiken die term niet. Er wordt ook iets gezegd over die dag van de VN en dat daar niet naar verwezen mag worden. Die dag is er feitelijk. Daar kan naar verwezen worden. Ik ontraad deze motie.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Discriminatie is strafbaar en moet worden bestreden. De vraag van de heer Van Baarle raakt precies aan de reden waarom deze term ook tot verwarring leidt. Je mag ergens angst voor hebben. Als we angst en discriminatie te veel met elkaar vermengen, krijgen we ook deels het debat dat we hier nu voeren. Wij gebruiken de term moslimdiscriminatie en dat willen wij bestrijden. Dat wil de heer Van Baarle ook, want daar heeft hij veel moties over ingediend. Ik ontraad deze motie vanwege de overwegingen die samenhangen met het eerste deel ervan.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: De heer Verkuijlen heeft geen motie ingediend, maar heeft natuurlijk wel recht op een antwoord. Dit is niet de eerste keer dat een motie wordt ingediend om te stoppen met beleid gericht op diversiteit en inclusie, het zogenoemde DEI-beleid. Volgens mij heeft mevrouw Keijzer deze motie, toen zij nog tot de BBB-fractie behoorde, eerder ook ingediend. Ik moet deze motie ontraden. Het beleid binnen het Rijk dat is toegespitst op het creëren en waarborgen van gelijke kansen en het voorkomen van racisme en discriminatie is in lijn met artikel 1 van de Grondwet. De overheid moet in verbinding staan met de samenleving en deze zo goed mogelijk vertegenwoordigen en bedienen. Hiervoor is een representatief medewerkersbestand, dat aansluit bij de samenleving in haar verscheidenheid, noodzakelijk. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft dit ook aanbevolen in het rapport Deskundige overheid uit 2025. Ook de staatscommissie beveelt dit aan in haar eindrapport, waarop wij nog met een aparte kabinetsreactie zullen komen. Dit betekent dat de overheid een goede mix van perspectieven, achtergronden, oriëntaties en kennis in huis moet hebben. Op dit moment is dat nog niet het geval. Medewerkers en potentiële medewerkers geven dat ook aan. Het is en blijft daarom nodig om effectief diversiteits- en inclusiebeleid te voeren.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: Ik deel niet alles wat mevrouw Keijzer hier zegt. Dat is ook de reden waarom ik de motie ontraad. Ik denk wel degelijk dat het van belang is om het beleid voort te zetten dat, onder meer door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, wordt aanbevolen en dat gericht is op diversiteit. Daarom moet ik deze motie ontraden.

Bron, video en gesprek →
10 jun 2026 · Spreekbeurt

Minister Heerma: De heer Verkuijlen stelt een vraag die raakt aan verschillende beleidsterreinen en aan best veel inzet. Ik deel de zorg over de stijging van het aantal discriminatiefeiten tegen personen met een publieke taak. Dat geldt overigens ook voor intimidatie, bedreiging en geweld. Dat is een onderwerp waar wij veel vaker over spreken. Het is echt onacceptabel. Als het toch gebeurt, of als sprake is van een andere vorm van intimidatie of verbale agressie, is het essentieel dat medewerkers goed worden opgevangen, dat de nazorg goed is ingericht en dat de dader een passende en duidelijke reactie krijgt op het gedrag. Voor ambtenaren is dit belegd in het programma Veilige Publieke Dienstverlening. Dat werkt volgens een drietrapsraket: preventie, handelen bij incidenten en nazorg. In de zogenoemde Eenduidige Landelijke Afspraken staat dat aangiften van strafbare feiten die betrekking hebben op agressie en geweld tegen medewerkers met een publieke taak altijd worden opgenomen en met prioriteit worden opgepakt. Op dit moment worden deze Eenduidige Landelijke Afspraken herzien, zodat zij beter aansluiten bij de praktijk. Daarbij zal hier ook naar worden gekeken. Voor politieke ambtsdragers geldt het programma Weerbaar Bestuur. Het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur verzorgt bewustwordings- en trainingssessies, evenals bijbehorende hulpmiddelen en stappenplannen voor gemeenteraden en colleges. Daarnaast biedt het ondersteuningsteam advies en ondersteuning na incidenten. Daarbij wordt gebruikgemaakt van ervaringsdeskundigen en experts. Wat ik de heer Verkuijlen wil toezeggen, is dat wij in de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie, hoewel de staatscommissie hierover geen specifiek advies over geeft, ook aandacht zullen besteden aan dit onderdeel en zijn vraag zullen meenemen.

Bron, video en gesprek →