KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

2ea292c2-2c31-497c-bb55-b691a20e33dc

0debatten
120bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
26 sep 2025 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800Nota over de toestand van ’s Rijks FinanciënNr. 94 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 26 september 2025 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegdaan de Minister van Financiën over het Bijlagenboek bij de Nota over detoestand van ’s Rijks Financiën (Kamerstuk 36 800, nr. 2).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 26 september2025. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,Nijhof-LeeuwAdjunct-griffier van de commissie,Van der Steur kst-36800-94ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 941 VRAAG 1Wat is het totale saldo aan tegenvallers? Kunt u een overzicht geven vanalle tegenvallers boven de 100 miljoen euro?Antwoord op vraag 1Voor ieder begrotingshoofdstuk wordt in de bijlage verticale toelichtingvan Miljoenennota 2026 de budgettaire veranderingen in de uitgaven enniet-belastingontvangsten ten opzichte van Voorjaarsnota 2025 toegelicht.In de overzichten wordt onder andere het onderscheid gemaakt tussenmeevallers en tegenvallers. Daarnaast worden in de samenvattendekadertoets in H2 de belangrijkste budgettaire gevolgen voor de uitga-venkant van de besluitvorming inzichtelijk gemaakt.VRAAG 2Wat is het totale saldo aan meevallers? Kunt u een overzicht geven vanalle meevallers boven de 100 miljoen euro?Antwoord op vraag 2Zie het antwoord op vraag 1.VRAAG 3Het blijkt dat de verhoging van de kansspelbelasting niet de beoogdemeeropbrengst van 100 miljoen euro oplevert, maar ruim eenkwart miljard euro minder dan begroot. Hoe reflecteert u op de gehan-teerde raming van vorig jaar, mede in het licht van kanttekeningen dieonderzoeksrapporten en diverse stakeholders daar destijds al bijplaatsten?Antwoord op vraag 3De raming voor de verhoging van de kansspelbelasting (KSB) is opgesteldop basis van de meest actuele data m.b.t. de belastinginkomsten enmarktontwikkelingen. Bij deze raming is er uitgegaan van een gedrags-effect van 20%. Dat is het standaard gedragseffect wat in afstemming methet Centraal Planbureau (CPB) wordt gehanteerd voor KSB tariefsaanpas-singen. Deze raming is ook gecertificeerd door het CPB.Deze KSB verhoging is vervolgens opgenomen in het Belastingplan 2025.Het klopt dat er rondom de behandeling van dit wetsvoorstel kantteke-ningen zijn geplaatst bij de raming en de gevolgen van de verhoging, metname door de kansspelsector. Hier staat tegenover dat er ook rapportenzijn gepubliceerd die o.a. de verwachting dat de inkomsten zoudentoenemen onderstreepten1.VRAAG 4Blijkens de naar beneden bijgestelde raming valt de opbrengst van deverhoging van de kansspelbelasting zelfs nog lager uit dan de tegenvaller(140 miljoen euro) die de Kansspelautoriteit vorige maand al becijferde.Hoe verklaart u dit verschil?Antwoord op vraag 4De raming van de kansspelbelasting is opgesteld op basis van derealisaties tot en met juli 2025, de endogene ontwikkeling, beleidsmaatre-gelen en extra beleidsrelevante informatie zoals bijvoorbeeld hetonderzoek van de kansspelautoriteit. Deze combinatie heeft geleid tot eenverlaging van de inkomsten van de kansspelbelasting met 263 miljoen tenopzichte van de PM. Deze verlaging wordt vooral gedreven door lageremaandrealisaties dit jaar. Overigens is de opbrengst van de kansspelbe-1Halbersma, R., Poort, J., & Burema, F. (2024). Raise of fold? Verhoging van de kansspelbelastingen de impact op de publieke belangen. Atlas Research (bijlage bij Kamerstuk, 24557, nr. 242).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 942 lasting de afgelopen jaren fors toegenomen (van 572 miljoen in 2019 naar1 miljard in 2025), mede door de legalisering van de online gokmarkt. Eendeel van deze stijging blijkt nu niet structureel.VRAAG 5De geraamde opbrengst van de verhoging van de kansspelbelasting isniet alleen voor het lopende jaar, maar nu ook al voor 2026 handmatignaar beneden bijgesteld. In hoeverre (en om welke redenen) bestaat ereen reëel risico dat – ondanks de bijstelling – ook de realisatie volgendjaar zal tegenvallen ten opzichte van de nu gehanteerde raming?Antwoord op vraag 5De raming van de kansspelbelasting wordt opgesteld op basis van derealisaties tot en met juli 2025, de endogene ontwikkeling, beleidsmaatre-gelen en extra beleidsrelevante informatie zoals bijvoorbeeld hetonderzoek van de kansspelautoriteit. Het is altijd onzeker hoe deeconomie en bepaalde sectoren zich ontwikkelen, maar op dit moment iser geen aanleiding om uit te gaan van verdere (neerwaartse of opwaartse)bijstellingen.VRAAG 6Is geraamd hoeveel de kansspelbelasting volgend jaar zou opleveren bijbevriezing van het huidige tarief in 2026 en kan een dergelijke berekeninggedeeld worden?Antwoord op vraag 6Indien het tarief voor de kansspelbelasting bevroren wordt op 34,2% in2026, zal dit structureel 84 miljoen minder kansspelbelasting opleveren(prijspeil 2025).VRAAG 7Verwacht u meer sluitingen van speelhallen als de kansspelbelasting per1 januari 2026 inderdaad nogmaals wordt verhoogd?Antwoord op vraag 7In 2024 heeft het kabinet onderzoek laten doen door Atlas research naarde gevolgen van de verhoging van de kansspelbelasting op de publiekebelangen2. Ten aanzien van speelhallen en horeca-automaten heeft AtlasResearch aangegeven dat zij met een tariefverhoging naar 37,8% (zoalsdeze gaat gelden per 1 januari 2026) geen realistische scenario zien,waarin sectorbreed een nulresultaat wordt bereikt. Zij geven verder aandat sanering in de sector daarbij onafwendbaar lijkt, waarbij (bepaalde)speelhallen de markt verlaten en de bezettingsgraad van het resterendeaanbod kan toenemen tot een nieuw evenwicht bereikt is.VRAAG 8Hoe kwalificeert u de doeltreffendheid en de doelmatigheid van demaatregelen om de kansspelbelasting te verhogen?Antwoord op vraag 8De verhoging van de kansspelbelasting heeft als doel om in 2025102 miljoen euro en vanaf 2026 202 miljoen euro extra belastingin-komsten te genereren. De maatregel is doeltreffend indien de geraamdeextra belastinginkomsten wordt opgehaald. De maatregel is doelmatigindien de extra belastinginkomsten worden opgehaald tegen lage kosten.2Halbersma, R., Poort, J., & Burema, F. (2024). Raise of fold? Verhoging van de kansspelbelastingen de impact op de publieke belangen. Atlas Research (bijlage bij Kamerstuk 24557, nr. 242).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 943 Het is op basis van de beschikbare informatie over de gerealiseerdekasontvangsten niet mogelijk om te beoordelen of de tariefverhoging opzichzelf in 2025 doeltreffend en/of doelmatig is geweest. Dit komt omdatper oktober 2024 ook andere maatregelen zijn genomen op de kansspel-markt (Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag en Beleidsregelverantwoord spelen), die invloed hebben op de opbrengsten van dekansspelbelasting. De effecten van deze maatregelen op de belastin-komsten zijn lastig te onderscheiden. Wel concludeerde de Kansspelauto-riteit (Ksa) in hun rapportage:«Per 1 januari 2025 is de kansspelbelasting (KSB) verhoogd van30,5 procent naar 34,2 procent. Deze verhoging was bedoeld om debelastinginkomsten met 100 miljoen euro te verhogen in 2025. (...) Debelastinginkomsten zullen in 2025 waarschijnlijk 40 miljoen euro (5procent) lager zijn dan in 2024. Dat komt door de nieuwe regels voorspelersbescherming die voor een sterke daling in het BSR van onlineaanbieders hebben gezorgd.»3VRAAG 9Bent u bekend met het feit dat inmiddels tientallen landgebonden casino’s(vooral speelautomatenhallen) de deuren hebben gesloten sinds de(aankondiging van) de verhoging van de kansspelbelasting per 1 januari2025? Draagt deze ontwikkeling bij aan de tegenvallende opbrengst vande kansspelbelasting? Zo ja, waarom is dit niet benoemd in de toelichtingop het naar bedeneden bijstellen van de raming? Zo nee, waarom niet?Antwoord op vraag 9De raming van de kansspelbelasting wordt opgesteld op basis van derealisaties tot en met juli 2025, de endogene ontwikkeling, beleidsmaatre-gelen en extra beleidsrelevante informatie zoals bijvoorbeeld hetonderzoek van de Kansspelautoriteit naar het effect van de verhoging vande kansspelbelasting op de kansspelmarkt. Als casino’s sluiten werkt datdoor op de maandelijkse realisaties van de kansspelbelasting en wordt ditdaarmee meegenomen in de (bijstelling van de) raming. In de bijlage vande miljoenennota is een korte toelichting gegeven op de bijstelling van dekansspelbelasting. Uit dit onderzoek blijkt onder andere dat onderliggendvooral de ontwikkeling van de opbrengst in de onlinesector achterblijft.VRAAG 10Neemt het risico op een toename van bezwaarprocedures en juridischeprocessen (met bijbehorende kosten en belasting van het ambtelijkapparaat) als gevolg van de verhoging van de kansspelbelasting toe bijeen volgende verhoging en gegeven het feit dat het beoogde effect van demaatregel niet wordt gerealiseerd? Hoe duidt u in algemene zin dejuridische houdbaarheid van de maatregel, alle nu bekende effecten (zoalshieraan toegeschreven sluitingen) overziende?Antwoord op vraag 10Ten opzichte van het huidige aantal bezwaar- en beroepschriften verwachthet kabinet geen verdere toename als gevolg van de verdere verhogingvan het kansspelbelastingtarief per 1 januari 2026. Het kabinet acht deverhoging van de kansspelbelasting ook juridisch houdbaar. Hoewelbelastingheffing in beginsel een inbreuk maakt op het eigendomsrecht, isinmenging in dit recht voorzienbaar op grond van de wettelijk grondslagen voor belastingdoeleinden in het algemeen gerechtvaardigd.Daarbij geeft de rechter doorgaans een ruime beoordelingsvrijheid aan dewetgever om het belastingstelsel in te richten in lijn met de door de3Effectmeting naar gevolgen van de verhoging van de kansspelbelastingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 944 wetgever nagestreefde legitieme doelen. Dat de geraamde opbrengsten(nu) niet gehaald worden, maakt niet dat er geen legitiem doel was. Ofeen maatregel in een individueel geval een inbreuk maakt op heteigendomsrecht is afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Dewetgever moet ervoor zorgen dat er sprake is van een «fair balance»tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang.Het kabinet is van mening dat gelet op deze criteria bij de voorgesteldemaatregel geen sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op heteigendomsrecht.VRAAG 11Wat is de budgettaire opbrengst van het maximeren van de expatregelingop 100.000 euro voor nieuwe gevallen?Antwoord op vraag 11Als de maatregel in 2026 ingaat is de budgettaire opbrengst als volgt:Tabel 1 Budgettaire opbrengst maximeren expatregeling op 100.000 euro nieuwe gevallenJaar202620272028202920302031StructureelBudgettaire opbrengst in miljoen euro33100167234301334334 De structurele opbrengst is dus 334 miljoen euro per jaar. Als demaatregel in 2026 ingaat, is de opbrengst vanaf 2031 structureel.VRAAG 12Kunt u per inkomensdeciel aangeven wie er precies profiteert van dehypotheekrenteaftrek?Antwoord op vraag 12De onderstaande grafiek laat het budgettaire belang van de hypotheekren-teaftrek in 2022 zien verdeeld naar inkomensdecielen. Deze decielen zijnopgebouwd op basis van de inkomstenbelasting (IB) en wijken af van deinkomensverdeling zoals gerapporteerd door het CBS. Dit komt doordatalleen huishoudens die IB-aangifte doen, zijn meegenomen in dezeverdeling terwijl er veel huishoudens zijn die geen aangifte doen. In degrafiek hieronder is onderscheid gemaakt tussen personen enhuishoudens. In box 1 wordt de belasting per persoon berekend waardoorhet voordeel aan individuen toegeschreven kan worden. Echter, een grootdeel van de personen heeft een fiscaal partner die ook een (deel van de)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 945 hypotheekrente aftrekt, daarom moet er ook gekeken worden naar deverdeling op huishoudensniveau.De onderstaande grafiek laat vervolgens zien wat het gemiddeldevoordeel van de hypotheekrenteaftrek is per woningbezitter voorpersonen en huishoudens in een bepaald inkomensdeciel. Het gemid-delde voordeel in euro’s per woningbezitter lijkt groter te zijn voorhuishoudens in de laagste inkomensdecielen dan in de grafiek met hetbudgettaire belang, dit komt doordat het eigenwoningbezit ook toeneemtals het inkomen toeneemt.VRAAG 13Kunt u sinds 1970 aangeven welk deel van het vermogen in Nederland inbezit is van de rijkste 1%?Antwoord op vraag 13Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) levert met de Vermogenssta-tistiek 2006 een betrouwbare tijdreeks over het vermogen van Neder-landse huishoudens vanaf 2006. In 2021 heeft het CBS een herziening opalle onderdelen van deze statistiek doorgevoerd voor de jaren 2011–2019.Onderstaande tabel toont het vermogen in bezit van het rijkste 1%huishouden in Nederland vanaf 2011 tot en met 2023. Het jaar 2023 betreftvoorlopige cijfers. In het najaar volgt de actualisering van deze statistiekmet een definitief cijfers voor 2023 en voorlopige cijfers voor 2024.Figuur 1 Budgettaire belang hypotheekrenteaftrek in miljoenen euro’s naar inkomens-decielen, op basis van de inkomstenbelastingFiguur 2 Gemiddelde voordeel hypotheekrenteaftrek in euro’s per woningbezitterTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 946 Tabel 2 Vermogen in bezit rijkste 1% Nederlandse huishoudens 2011–2023201120122013201420152016201720182019202020212022202325,6%27,2%31,8%31,9%31,8%30,8%30,4%29,3%27,8%27,6%24,5%23,6%23,7% VRAAG 14Hoeveel stijgen de beleidsmatige lasten in 2026 in totaal?Antwoord op vraag 14De beleidsmatige lasten stijgen in 2026 in totaal met 1.659 miljoen euro.VRAAG 15Hoeveel stijgen de beleidsmatige lasten in totaal (inclusief basispad) in deperiode 2025–2028?Antwoord op vraag 15De beleidsmatige lasten stijgen in de periode 2025–2028 in totaal met13.405 miljoen euro.VRAAG 16Hoeveel stijgen de beleidsmatige lasten op arbeid (inclusief basispad) inde periode 2025–2028?Antwoord op vraag 16Het kabinet beschikt op dit moment niet over een uitsplitsing van debeleidsmatige lasten naar de lasten op arbeid. Momenteel wordt, samenmet het CPB, onderzocht hoe deze uitsplitsing in de toekomst wel temaken is.VRAAG 17Klopt het dat de bijdrage van de vennootschapsbelasting afneemt inperiode 2023–2030? Kunt u dit in een grafiek weergeven ten opzichte vantotale belastinginkomsten, ten opzichte van het bbp en ten opzichte vande totale winsten?Antwoord op vraag 17In onderstaande grafieken is de vennootschapsbelasting tussen 2020 en2030 weergegeven ten opzichte van de totale belastingen en van het BBP.Het is niet mogelijk om deze ten opzichte van de totale winsten te tonen,omdat er geen specifieke raming beschikbaar is voor de relevantewinsten. De omvang van de VPB was afgelopen jaren historisch hoog,mede doordat bedrijven hun winsten te laag hadden ingeschat en dezebedrijven daarom achteraf meer VPB moesten betalen. De verwachting isdat dit de komende jaren licht terug zal lopen, maar dat het niveaustructureel hoger blijft dan historisch gebruikelijk was, in de jaren voorcorona was de VPB ongeveer 8% van de totale belastingen en rond de 3%van het BBP.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 947 VRAAG 18Hoe hoog waren de bedrijfswinsten per jaar in de afgelopen dertig jaar?Antwoord op vraag 18Om een goed beeld te geven van de omvang van de bedrijfswinsten,zonder dat inflatie dit vertekent, presenteren we de bedrijfswinsten alsaandeel van het BBP, de zogenoemde winstquote. Waar deze dertig jaargeleden nog 36,7% bedroeg, was het afgelopen jaar naar schatting 42,4%(CBS).Figuur 3Figuur 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 948 VRAAG 19Klopt het dat de belastingdruk op arbeid de afgelopen decennia isgestegen en de belastingdruk op vermogen/ kapitaal is afgenomen? Kuntu dit cijfermatig onderbouwen voor de periode vanaf 2000 tot nu?Antwoord op vraag 19Het splitsen van belastinginkomsten gebeurt in drie soorten grondslagen;consumptie, arbeid en kapitaal. Onder staande tabel toont de indeling opbasis van de methodiek van de Europese Commissie. Deze berekening isvanaf 2011 beschikbaar tot aan 2023, latere jaren zijn nu nog nietbeschikbaar. Zoals te zien is in onderstaande tabel, waren de belastingenop de grondslag arbeid in de totale belastingmix 56% en de belastingenop kapitaalgrondslag 13%. In de jaren daarna zijn de belastingen op eenkapitaalgrondslag gaan stijgen tot aan 25% in 2023, de belastingen op eenarbeidsgrondslag zijn gedaald naar 46%.4VRAAG 20Klopt het dat Nederland jaarlijks meer dan 40 miljard euro ontvangt vanIsraëlische investeringen? Zo niet, wat is dan het juiste bedrag?Antwoord op vraag 20Bedrijven in Nederland ontvingen in 2023 en 2024 respectievelijk42,4 miljard euro en 44,9 miljard euro aan investeringen vanuit Israël. Vandit bedrag ging ongeveer 30% naar Special Purpose Entities en 2% naaroverige doorstroomvennootschappen. Dit geld blijft dus niet inNederland. Ongeveer 68% ging naar niet-financiële vennootschappen inNederland, waarbij bijna 100% onderdeel is van een buitenlandsemultinational.VRAAG 214https://taxation-customs.ec.europa.eu/taxation/economic-analysis/data-taxation-trends_enFiguur 5Figuur 6Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 949 Klopt het dat Nederland jaarlijks 50 miljard euro investeert in Israël? Zoniet, wat is dan het juiste bedrag?Antwoord op vraag 21De Nederlandse investeringen in Israël eind 2023 (zogenaamde directi-onele cijfers, waarbij investeringen tussen moeder- en dochteronder-neming binnen hetzelfde concern met elkaar zijn verrekend) wordengeraamd op 31,2 miljard euro door de Nederlandsche Bank. De ramingvoor eind 2024 is 27,3 miljard euro. Van deze investeringen komt meerdan 20% vanuit Special Purpose Entities, ongeveer 5% vanuit overigedoorstroom-vennootschappen en circa 70% vanuit niet-financiëlevennootschappen (bedrijven met economische substantie in Nederland inde vorm van productie en werknemers). Van deze niet-financiële vennoot-schappen is ruim 95% onderdeel van een buitenlandse multinational. Erlopen dus vooral buitenlandse kapitaalstromen via Nederland naar Israël.VRAAG 22Klopt het dat CEO’s er in Nederland 30% op vooruit zijn gegaan qua reëlebeloning en werknemers slechts 1,4% in de periode 2019–2024? Zo niet,wat zijn dan de juiste percentages?Antwoord op vraag 22Uit onderzoek van OxfamNovib in 2024 blijkt dat bij 41 van de 62 onder-zochte bedrijven in Nederland de reële stijging voor CEO-beloningengemiddeld 30% bedroeg ten opzichte van 2019. Uit onderzoek van deVolkskrant blijkt dat in de afgelopen twee jaar de inkomens vanwerknemers harder zijn gegroeid dan die van bestuurders.Volgens de International Labour Organization (ILO) zijn de reële lonen inNederland tussen 2019 en 2024 met 1,4% gestegen. Bij de ontwikkelingvan de reële lonen worden doorgaans de cao-lonen in de marktsectorvergeleken met de cpi-inflatie. Volgens data van het CPB stegen decao-lonen in de periode 2019–2024 3,1% harder dan de inflatie.VRAAG 23Klopt het dat het vermogen van de allerrijksten ter wereld (rijkste0,00001%) in de afgelopen decennia is toegenomen van 3% van het bbpnaar 13% van het bbp? Zo niet, wat zijn dan de juiste cijfers?Antwoord op vraag 23Voor zover ons bekend, is er geen openbare bron die dit aangeeft. Erworden wel cijfers gepubliceerd over de rijkste 0,00001% van deVerenigde Staten (VS). De econoom Gabriel Zucman heeft dit jaargeanalyseerd dat het aandeel van het vermogen van de top 0,00001%rijkste Amerikanen in het totale vermogen van Amerikaanse huishoudenstussen 1980 en 2025 is gegroeid van circa 0,2% naar circa 2%. Dat wilzeggen dat het aandeel van het vermogen van de rijkste 0,00001%Amerikanen 10 keer groter is geworden in deze periode. De rijkste0,0001% Amerikanen behoren tevens tot de rijkste personen in de wereld.VRAAG 24Klopt het dat de effectieve belastingdruk van de rijkste 1% in Nederlandveel lager ligt dan bij middeninkomens? Wat zijn de meest actuele cijfers?Kunt u dit weergeven in een grafiek?Antwoord op vraag 24Het Centraal Planbureau (CPB) heeft geanalyseerd dat de belastingdruk opde hoogste 1% inkomens in de periode 2011–2019 lager is dan die op demidden- en hoge inkomens. Zie het CPB-rapport «Inkomens en belas-tingen aan de top» uit 2024, waarin ook grafieken zijn opgenomen. Dit zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9410 de meest actuele cijfers over de effectieve belastingdruk op inkomens. HetCPB rekent in de analyse de ingehouden winsten van vennootschappenook toe aan het inkomen van aanmerkelijkbelanghouders.De top 1% inkomens bestaan voor een groot deel uit winsten vanvennootschappen waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden diegrotendeels niet uitgekeerd worden. Dat verklaart de lagere belastingdrukvan de top 1%, omdat ingehouden winsten (nog) niet zijn belast in box 2en de belastingdruk van topinkomens dan vooral wordt bepaald door devennootschapsbelasting. Als alle winsten jaarlijks zouden wordenuitgekeerd valt de effectieve belastingdruk op inkomen wel progressief uiten is de effectieve belastingdruk op de top 1% hoger dan die op midden-en hoge inkomens. Er zijn volgens het CPB weinig aanwijzingen dat eengroot deel van deze ingehouden winsten uiteindelijk toch uitgekeerdwordt en zo onderhevig wordt aan box 2-belasting.VRAAG 25Hoeveel dividend is er de afgelopen twintig jaar uitgekeerd in NL?Antwoord op vraag 25Het is mogelijk om over de periode 2010–2023 terug te kijken naarhoeveelheid dividend is uitgekeerd op basis van de aangiftes dividendbe-lasting. In totaal gaat het om circa 1.250 miljard euro over 2010–2023 zoalsaangegeven in de onderstaande tabel.Dit biedt echter geen volledig beeld van alle uitgekeerde dividenden. Dewerkelijke bedragen zullen hoger liggen. Dit is niet af te leiden uit deaangiften dividendbelasting. Een aangifte wordt in principe alleen gedaanwanneer dividendbelasting moet worden afgedragen. Voor dividenduitke-ringen die vrijgesteld zijn wordt geen aangifte gedaan. Dit kan onderandere het geval zijn wanneer sprake is van een dividenduitkering binnenfiscale eenheid of bij deelnemingsdividenden. Het CBS rapporteert ookwinstuitdelingen van alle ondernemingen in Nederland, maar als gevolgvan consolidatie zullen ook die cijfers geen volledig beeld geven.Tabel 3 Uitgekeerd dividend per jaar in miljarden euro’s2010201120122013201420152016201720182019202020212022202360,957,967,876,075,079,080,8120,5134,8150,377,284,991,693,6 VRAAG 26Hoeveel eigen aandelen zijn er ingekocht de afgelopen twintig jaar?Antwoord op vraag 26De omvang van de inkoop van eigen aandelen wordt niet jaarlijksbijgehouden. In het FD is recent een overzicht gepubliceerd van de inkoopeigen aandelen door Nederlandse beursgenoteerde bedrijven tussen 2013en 20235.VRAAG 27Wat waren de gevolgen van het vertrek van Shell en Unilever voor debelastingopbrengsten in Nederland? Klopt het dat er de komende jarenmeer dividendbelasting wordt opgehaald dan de jaren voor het vertrekvan Shell en Unilever?Antwoord op vraag 27Op grond van artikel 67 van de Algemene wet op de rijksbelastingen kaner niet ingegaan worden op de bijdrage van specifieke bedrijven aan de5Bedrijven kopen steeds vaker eigen aandelen inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9411 belastingopbrengsten. Het is wel mogelijk de ontwikkeling van deopbrengsten van de dividendbelasting over de jaren tonen. In onder-staand figuur worden tot en met 2023 de realisatie van de bruto- en nettoopbrengst dividendbelasting getoond. Na 2023 betreft het ramingendaarvan. De netto-opbrengst van de dividendbelasting is de bruto-opbrengst minus de verrekening voor de inkomstenbelasting envennootschapsbelasting.De ontwikkeling van de dividendbelastingopbrengsten is afhankelijk vanmeerdere factoren, zoals de mate waarin bedrijven dividenduitkeringenbesluiten te doen. Dit hangt onder andere af van de investeringsmogelijk-heden die bedrijven hebben. In termen van het BBP is de bruto-opbrengstvan de dividendbelasting licht stijgend over tijd van circa 0,52% van BBPin 2014 naar 0,62% van BBP in 2024, voor de netto-opbrengsten is ditrespectievelijk 0,14% en 0,29%. Daarnaast is in de grafiek op tweemomenten een anticipatie-effect zichtbaar als gevolg van tariefswijzi-gingen in box 2. De raming is dat de opbrengst van de dividendbelastingals percentage van het BBP de komende jaren ongeveer gelijk blijft.VRAAG 28Hoeveel kost het om de dividendbelasting af te schaffen?Antwoord op vraag 28Het afschaffen van de dividendbelasting kost per jaar 3,474 miljard euro6.Dit is minder dan de opbrengst van de dividendbelasting zoals vermeld inde miljoenennota. Dit komt doordat de dividendbelasting een voorheffingis op de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Een gedeelte van dehuidige opbrengst van de dividendbelasting wordt bij afschaffing ininkomsten- en vennootschapsbelasting geheven. Afschaffing van dedividendbelasting is daarom een lastenverlichting die neerslaat bij degenedie geen mogelijkheid tot verrekening van dividendbelasting hebben.VRAAG 29Wat was het gemiddeld vermogen van huurders en van huizenbezitters inde afgelopen tien jaar? Kunt u dit naast elkaar zetten in een grafiek?Antwoord op vraag 29Zie de figuur hieronder. Data is afkomstig van het CBS.76Bedrag is in prijzen 2025 met afschaffing per 1 januari 2026.7StatLine – Vermogen van huishoudens; huishoudenskenmerken, vermogensbestanddelenFiguur 7Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9412 VRAAG 30Wat is het aantal miljonairs in Nederland in de afgelopen tien jaar(inclusief eigen huis)?Antwoord op vraag 30Onderstaande tabel toont het aantal miljonair-huishoudens in Nederlandin de jaren 2014 tot en met 2023 op basis van de Vermogensstatistiek vanhet CBS. Het jaar 2023 betreft een voorlopig cijfer. Het aantal miljonair-huishoudens in 2023 is met 427.000 meer dan 2,5 keer zo groot als hetaantal van 168.100 in 2014.Tabel 4 Aantal huishoudens met 1 miljoen euro of meer (x 1.000)2014201520162017201820192020202120222023168,1179,5188,1206,9231,3253,4285,2316,2409,5427,0 VRAAG 31Wat is het aantal miljonairs in Nederland in de afgelopen tien jaar(exclusief eigen huis)?Antwoord op vraag 31Het CBS publiceert geen cijfers over het aantal miljonairs in Nederlandzonder daarbij de waarde van de eigen woning mee te nemen. De eigenwoning behoort immers tot het vermogen van huishoudens. Welpubliceert het CBS cijfers over de samenstelling van het vermogen vanmiljonair-huishoudens. Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van hetgemiddelde vermogen van miljonair-huishoudens inclusief en exclusief deeigen woning van miljonair-huishoudens in NL in de periode 2014–2023.De cijfers over 2023 zijn voorlopige cijfers.De tabel laat zien dat het gemiddelde vermogen van miljonair-huis-houdens door de tijd is afgenomen. Het gemiddelde zonder de eigenwoning is nog meer afgenomen. Dat het gemiddelde vermogen vanmiljonair-huishoudens is afgenomen komt door de sterke toename vanhet aantal miljonair-huishoudens in de periode 2014–2023, zie hetantwoord op vraag 30. De spreiding van het totale vermogen binnen degroep miljonair-huishoudens is groot. De cijfers laten zien dat bij demiljonair-huishoudens het relatieve belang van de eigen woning sterk istoegenomen in de periode 2014–2023. De forse stijging van de woning-prijzen heeft er mede aan bijgedragen dat het aantal miljonairs zo sterk istoegenomen in de periode 2014–2013.Figuur 8Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9413 Tabel 5 Gemiddelde verhogen van huishoudens met 1 miljoen meer (x 1.000)2014201520162017201820192020202120222023Gemiddelde totalevermogen2.865,22.917,72.870,32.915,72.891,02.843,12.883,62.693,72.698,82.695,0Gemiddelde totalevermogen (exclusiefeigen woning)2.578,42.617,72.547,02.555,22.482,72.390,72.395,22.145,92.030,72.038,7 VRAAG 32Hoeveel is het gemiddeld vermogen toegenomen in de laatste acht jaarvan de rijkste 0,1%?Antwoord op vraag 32Het CBS publiceert niet standaard over het gemiddelde vermogen van detop 1%. Het CPB heeft in het rapport «De lange weg naar de top: vermo-gensmobiliteit in Nederland» uit 2024 wel gepubliceerd over de ontwik-keling van het gemiddelde vermogen van de top 0,1% en de top 0,01%tussen 2006 en 2022. Deze cijfers zijn gebaseerd op CBS-data. In 2006bedroeg het gemiddelde vermogen van de top 0,1% (exclusief hetvermogen van de top 0,01%) 14,6 miljoen euro (prijspeil 2022) en in 202218,3 miljoen euro. Het gemiddelde vermogen van de top 0,01% bedroeg in2006 78,7 miljoen euro (prijspeil 2022) en in 2022 90,4 miljoen euro.VRAAG 33Hoeveel is het gemiddeld vermogen toegenomen in de laatste acht jaarvan de rijkste 1%?Antwoord op vraag 33Onderstaande tabel met cijfers van het CPB laten zien dat het gemiddeldevermogen in de periode 2016 tot en met 2023 met bijna 50% is toege-nomen. Het jaar 2023 betreft het meest actuele cijfer over het vermogenvan huishoudens in Nederland en betreft een voorlopig cijfer.Tabel 6 Gemiddelde vermogen van de top 1% (x 1.000 euro)201620172018201920202021202220235.130,45.543,45.852,16.027,06.597,46.363,37.561,67.653,4 VRAAG 34Kunt u in een grafiek weergeven wat de ontwikkeling was van hetmediaan vermogen per percentiel van de bevolking in de afgelopentwintig jaar?Antwoord op vraag 34Onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van het mediaan vermogennaar vermogenspercentiel van de huishoudens in Nederland in de periode2006–2020 zoals dat is gepubliceerd in het IBO Vermogensverdeling. Dezegrafiek is gebaseerd op de CBS Vermogensstatistiek 2006. Er is geenconsistente tijdreeks van vermogen van huishoudens over de afgelopen20 jaar beschikbaar. De cijfers over 2020 waren op het moment vanpubliceren van het IBO Vermogensverdeling in 2022 nog voorlopig enkunnen iets zijn gewijzigd. Het CBS publiceert niet standaard over hetvermogen van alle vermogensdecielen van huishoudens in Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9414 VRAAG 35Kunt u in een grafiek weergeven wat het totaal netto vermogen is perpercentiel van de bevolking?Antwoord op vraag 35Onderstaande toont het netto vermogen per percentiel van de bevolkingin 2020 zoals dat is gepubliceerd in het rapport IBO Vermogensverdelingin 2022 en gebaseerd op de Vermogensstatistiek van het CBS. In 2022waren de cijfers over 2020 nog voorlopig. De definitieve cijfers over 2020kunnen wat zijn gewijzigd. Het CBS publiceert niet standaard over hetvermogen van huishoudens naar percentiel van de bevolking.VRAAG 36Kunt in een grafiek weergeven wat het vermogensaandeel is per decielvan de bevolking? Zowel met als zonder pensioenvermogen?Antwoord op vraag 36Onderstaande tabel toont het vermogensaandeel per vermogensdeciel(10% vermogensgroep) van de huishoudens in Nederland. Deze tabel is inFiguur 9 Ontwikkeling mediaan vermogen in euro’s (x 1.000), 2006–2020Figuur 10 Netto vermogen per percentiel bevolking in 2020Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9415 2023 gepubliceerd op de website van het CBS. Het CBS publiceert dezetabel niet standaard elk jaar.VRAAG 37Wanneer wordt het nieuwe Blauwe Boekje naar de Kamer gestuurd?Antwoord op vraag 37Het Blauwe Boekje is dit jaar alleen digitaal beschikbaar in verband met debudgettaire taakstelling van 22% bij de Rijksoverheid op het gebied vanonder andere externe inhuur, administratieve processen. U kunt hetBlauwe Boekje hier vinden: Rijksfinancien.nlVRAAG 38Staat Nederland nog steeds onderaan het Europese lijstje als het gaat ombelasting op inkomen uit vermogen? Kunt u de volledige grafiek delen?Antwoord op vraag 38De Europese Commissie berekent in het rapport Taxation trends in theEuropean Union, Iceland and Norway de impliciete belastingdruk opkapitaalinkomen (implicit tax rate on capital income). Het meest recenterapport komt uit 2022. De onderstaande figuur bevat een vergelijkingtussen de EU-landen. Volgens de figuur is de impliciete belastingdruk opkapitaalinkomen in Nederland lager dan de meeste andere EU-landen,maar niet de laagste.88Europese Commissie (2022) Taxation trends in the European Union, Iceland and Norway.Figuur 11 Vermogensaandeel huishoudens per 10%-vermogensgroep, 2021*Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9416 VRAAG 39Wanneer was de laatste keer in Nederland dat de uitgaven aan onderwijsonder de 5% van het bbp kwamen? En wanneer is de eerstvolgende keer(bij ongewijzigd beleid)?Antwoord op vraag 39De Nederlandse onderwijsuitgaven kwamen in 2001 voor het laatst onderde 5% van het bbp. Bij ongewijzigd beleid zal dit naar verwachting deeerstvolgende keer gebeuren in 2026. Dit is op basis van prognoses vanhet CPB. Onderstaande tabel geeft de onderwijsuitgaven als percentagevan het bbp weer.Tabel 7 Onderwijsuitgaven als percentage van het bbpJaarOnderwijsuitgaven als % bbp20014,820025,020035,320045,320055,220065,320075,220085,420095,720105,620115,520125,620135,520145,520155,420165,420175,220185,220195,120205,320215,220225,120235,220245,120255,120264,9Bron: CPB VRAAG 40Kunt u aangeven hoe ver Nederland nog afzit van de Lissabon-doelstellingvoor innovatie en onderzoek?Antwoord op vraag 40Figuur 12Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9417 In 2025 wordt in Nederland 2,2% van het bruto binnenlands product (bbp)geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling (R&D).9 Dit is de som vanpublieke en private R&D-investeringen. Conform de Lissabondoelstel-lingen streeft het Ministerie van Economische Zaken naar publieke enprivate R&D-investeringen van in totaal 3% van het bbp. Op 11 juli heeftde Minister van Economische Zaken het 3%-R&D-actieplan naar de Kamergestuurd met daarin onder andere een overzichtstabel met beleidsinter-venties. Daarbij heeft de Minister van Economische Zaken de heer PeterWennink verzocht om een advies op te stellen over het versterken van hetNederlandse investeringsklimaat en toekomstig verdienvermogen. Ditrapport zal uiterlijk voor het einde van het jaar aan het kabinet aange-boden worden en naar de Kamers worden verstuurd. Daarmee wordt ookvoldaan aan de motie van de leden Inge van Dijk en Vijlbrief.10VRAAG 41Kunt u in een grafiek weergeven wat de gemiddelde woonquote is voorprivate huurders in de laatste veertig jaar?Antwoord op vraag 41Er is geen eenduidig gedefinieerde woonquote beschikbaar over deafgelopen 40 jaar. De figuur hieronder geeft voor de afgelopen 20 jaar degemiddelde huur en woonquote van alle huurders weer (corporatie enprivate verhuur samen). Voor de afgelopen 10 jaar is een uitsplitsingtussen private huurders en corporatie huurders mogelijk. In die periodezijn de huur- en woonquotes van private huurders gestegen en die vancorporatiehuurders gedaald. De netto huurquote is de verhouding tussende netto huur en het netto besteedbaar inkomen (inclusief huurtoeslag).De netto woonquote bevat ook uitgaven aan energie, water en afval-stoffen en rioolheffing en is daardoor altijd hoger dan de netto huurquote.Data is afkomstig van het CBS.11VRAAG 42Kunt u in een grafiek weergeven wat de geïndexeerde inkomensontwik-keling is in de afgelopen acht jaar voor de rijkste 0,01%, rijkste 0,1%, 1%,10%, bovenste 50% en onderste 50%?Antwoord op vraag 42Het is niet mogelijk om een exacte uitsplitsing te geven van degeïndexeerde inkomensontwikkeling voor alle genoemde inkomens-9Kamerstuk 33 009, nr. 165.10Kamerstuk 36 725, nr. 1011Database woononderzoek Nederland en Woononderzoek Nederland 2012Figuur 13Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9418 groepen. Tabel PM hieronder laat de inkomensontwikkeling zien voor alleinkomensdecielen.Het betreft de ontwikkeling in het gestandaardiseerd besteedbaarinkomen, de gegevens zijn afkomstig van het CBS.Tabel 8 Inkomensontwikkeling per inkomensdecielen20162017201820192020202120222023Inkomen: 1e 10%-groep8%4%2%6%3%7%11%6%Inkomen: 2e 10%-groep3%3%2%4%4%3%9%8%Inkomen: 3e 10%-groep3%3%2%5%4%4%6%9%Inkomen: 4e 10%-groep4%2%2%5%4%4%6%8%Inkomen: 5e 10%-groep4%3%2%5%4%4%6%8%Inkomen: 6e 10%-groep4%2%2%5%4%5%6%7%Inkomen: 7e 10%-groep4%2%2%5%4%4%5%7%Inkomen: 8e 10%-groep4%2%1%5%4%4%5%7%Inkomen: 9e 10%-groep4%2%1%5%4%5%5%6%Inkomen: 10e 10%-groep4%7%– 1%15%– 5%5%6%8%Bron: CBS statline VRAAG 43Kunt u in een grafiek de AIQ weergeven voor de laatste 30 jaar?Antwoord op vraag 43Het CBS berekent meerdere varianten van de AIQ: de AIQ voor devolledige economie, de AIQ voor de marktsector en de AIQ voor derelevante markt. De laatste is de meest gebruikte variant. De AIQ voor derelevante markt laat de publieke sector, de delfstoffenwinning, de verhuuren handel in onroerend goed en de financiële dienstverlening achterwege.De publieke sector wordt niet meegenomen omdat de productie in desector geen marktwaarde heeft. Productie in de sector verhuur en handelvan onroerend goed en de financiële dienstverlening hangt sterk samenmet activaprijzen, waardoor deze een vertekend beeld geven van de AIQ.De onderstaande figuur bevat de AIQ voor de relevante markt.12VRAAG 44Kunt u voor de afgelopen dertig jaar weergeven hoeveel jaarsalarisseneen gemiddeld koophuis waard was?Antwoord op vraag 44Zie de tabel hieronder. Data is afkomstig van het CBS13 en CPB.1412CBS (2025), Arbeidsinkomensquote; bedrijfstak, nationale rekeningen13Raming september 2025 (MEV 2026) | CPB Website14StatLine – Koopwoningen; nieuwe en bestaande, prijsindex 2020=100)Figuur 14Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9419 VRAAG 45Hoeveel Nederlands vermogen is er naar verwachting gestald in buiten-landse belastingparadijzen?Antwoord op vraag 45Dankzij de Common Reporting Standard (CRS) is enig zicht op hetvermogen van Nederlanders in de laagbelastende jurisdicties benoemd inde Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebiedenvoor belastingdoeleinden. CRS is de internationaal afgesprokenuitwisseling van gegevens van rekeninghouders bij financiële instellingen.Uit een analyse van deze gegevens door het Ministerie van Financiënblijkt dat in 2024 naar schatting € 9,3 miljard van Nederlandsehuishoudens zich bevond bij financiële instellingen in laagbelastendejurisdicties, met name in Jersey, Guernsey, Isle of Man en de Kaaimanei-landen.Het is echter de verwachting dat, ondanks de CRS, nog steeds een deelvan het vermogen verhuld is. Over de specifieke omvang van hetvermogen dat niet in zicht is bij de Belastingdienst zijn, per definitie, geengegevens bekend. Het onderzoekgezelschap gelieerd aan EU TaxObservatory heeft op basis van diverse bronnen en in combinatie metdiverse noodzakelijk te maken grove aannames geschat dat het wereld-wijde verhulde vermogen van Nederlandse burgers tussen de 18 en44 miljard euro lag in 202215. Dit bedrag omvat ook vermogen in landendie niet op grond van de genoemde regeling kwalificeren als laagbelas-tende jurisdictie.VRAAG 46Hoe groot is de kans dat dit kabinet zijn eigen klimaatdoelen gaat halen?Antwoord op vraag 46Uit de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van het Planbureau voor deLeefomgeving (PBL), die op 16 september jl. is gepubliceerd, blijkt dat deCO2-reductie in Nederland naar verwachting tussen 46,8 en 54,5% in 2030zal liggen ten opzichte van 1990. Het doel van 55% reductie in 2030 ligtdus niet binnen de bandbreedte en het PBL schat de kans minder dan 5%dat het doel van 55% wordt gehaald. Het kabinet blijft daarom inzetten opuitvoering van de voorgenomen maatregelen, het op orde brengen van derandvoorwaarden en het zetten van logische vervolgstappen in desectoren. De Minister van Klimaat en Groene Groei reflecteert in deKamerbrief «Uitvoering Pakket voor Groene Groei» en in de daarbijbehorende bijlage «Klimaat- en Energienota 2025» uitgebreid op devoortgang ten aanzien van de doelstellingen.16VRAAG 4715Zie voor meer toelichting Kamerstukken II 2024/2025, 36 602, nr. 144.16Kamerstuk 33 043, nr. 119.Figuur 15Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9420 Kunt u in een grafiek weergeven wat het aantal huizen gedeeld door hetaantal huishoudens was in Nederland in de afgelopen veertig jaar?Antwoord op vraag 47Zie de figuur hieronder. Data is afkomstig van het CBS.17VRAAG 48Hoeveel huizen zijn er jaarlijks gebouwd in de afgelopen veertig jaar?Antwoord op vraag 48Zie de tabel hieronder. Data is afkomstig van het CBS.18VRAAG 49Wat zijn de totale onderwijsbezuinigingen op de OCW-begroting van ditkabinet voor de periode 2025 tot en met 2030?Antwoord op vraag 49Onderstaande tabel toont de totale extensiveringen op onderwijs enonderzoek sinds de start van het kabinet Schoof op de OCW-begrotingvoor de periode 2025 tot en met 2030. Dit overzicht betreft zowelombuigingen op specifieke zaken als het inhouden van loon- en prijsbij-stelling. Aanvullend op de ombuigingen in onderstaande tabel heeft hetkabinet bij de Voorjaarsnota 2025 en de augustusbesluitvorming beslotenom een deel van de prijsbijstelling tranche 2026 en volledig de incidenteleloonontwikkeling (ILO) tranche 2029 in te houden ter dekking van17Voorraad woningen; standen en mutaties vanaf 1921 | CBS Huishoudens nu | CBS18Voorraad woningen; standen en mutaties vanaf 1921 | CBSFiguur 16Figuur 17Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9421 structurele problematiek. Dit heeft ook gevolgen voor de OCW-begroting.De exacte hoogte van de ombuigingen op onderwijs naar aanleiding vande korting op de ILO en de prijsbijstelling is op dit moment niet bekend.Dit is onder andere afhankelijk van het aandeel van OCW in dezerijksbrede ombuigingen en daarom zijn deze ombuigingen niet inonderstaande tabel opgenomen.Tabel 9(bedragen x € 1.000)202520262027202820292030Ombuiging maatschappelijke diensttijd1– 74.735– 44.902– 67.363– 70.000– 70.000– 70.000HLA 23. Afschaffen brede brugklas en beperken S&O– 55.000– 170.000– 170.000– 170.000– 170.000– 170.000HLA 24. Alternatieve invulling bijstelling sectorplan-nen hoger onderwijs en wetenschap– 134.734– 134.734– 134.734– 134.734– 134.734– 161.330HLA 29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting(-/- niet onderwijs bezuinigingen)0– 81.241– 81.201– 81.201– 81.201– 81.201HLA 32. Beëindiging functiemix Randstad enterugdraaien bezuiniging000000HLA 34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking0– 8.511– 8.511– 8.511– 8.510– 7.188HLA 35. Verlaging non-ODA-middelen (-/- nietonderwijs bezuinigingen)– 563– 563– 563– 564– 564– 857HLA 40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed(-/- niet onderwijs bezuinigingen)– 71.830– 124.290– 206.681– 260.725– 303.216– 291.306HLA 41. Verminderen internationale studenten (viabestuurlijk akkoord)0– 17.000– 68.000– 121.000– 158.000– 156.000HLA 43. Alternatieve invulling afschaffenOV-vergoeding buitenland studerenden0– 4.000– 8.000– 14.000– 14.000– 18.000HLA 44. Verhogen collegegeld langstudeerders (vialagere bekostiging) en terugdraaien bezuiniging000000HLA 69. Fonds Onderzoek Wetenschap– 106.929– 106.929– 106.929– 107.054– 132.054– 132.054Ten behoeve van 4x 25 miljoen fonds onderzoek enwetenschap– 25.000– 25.000– 25.000– 25.00000Opheffen onderwijskansenregeling en terugdraaienbezuiniging000000Inhouden loonbijstelling externe inhuur tranche 2025(-/- niet onderwijs bezuinigingen)– 3.817– 3.833– 3.829– 3.773– 3.248– 3.539Totale onderwijsombuiging op de OCW-begroting– 472.608– 721.003– 880.811– 996.562– 1.075.527– 1.091.475Rijksbrede halvering prijsbijstelling tranche 2025(gehele OCW begroting)– 191.837– 178.364– 196.527– 173.511– 172.342– 171.5901 Deze maatregel stond in het hoofdlijnenakkoord als HLA 22. Afschaffen maatschappelijke diensttijd. Na amendement Bontenbal c.s. (Kamer-stukken II 2024/25, VIII, 141) is maatschappelijke diensttijd echter niet afgeschaft maar heeft er alleen een bezuiniging op plaatsgevonden. VRAAG 50Wat was de grondslag voor de inkomstenbelasting in de Wet op deinkomstenbelasting 1964 en welke tarieven werden daarvoor gehanteerdtussen 1964 en 2001? Kunt u dit in een tabel weergeven (inclusiefschijfgrenzen)?Antwoord op vraag 50Het belastbare inkomen in de wet IB 1964 is het in kalenderjaar genoteninkomen verminderd met de te verrekenen verliezen. Het inkomen is hetonzuivere inkomen verminderd met de in artikel 3 lid 3 van de Wet IB 1964genoemde aftrekposten. Het onzuivere inkomen bestaat uit de winst uitonderneming, zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vormvan bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen en van de winst uitaanmerkelijk belang. De belastbare som is, voor binnenlandse belasting-plichtigen, het belastbare inkomen verminderd met de belastingvrije som.De belastingvrije som is afhankelijk van de tariefgroep waarin eenbelastingplichtige valt.De gehanteerde tarieven vanaf 1964 tot 2001 zijn niet voor al die betref-fende jaren gedigitaliseerd. Het is dus niet mogelijk om hier op deze kortetermijn een tabel voor op te stellen, omdat daar uitgebreid archiefon-derzoek voor nodig is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9422 VRAAG 51Hoeveel procent van het totaal aan belastingopbrengsten komt uit lastenop arbeid en hoeveel procent uit lasten op kapitaal/winst/vermogen? Kuntu dit in een grafiek weergeven voor de afgelopen 25 jaar?Antwoord op vraag 51Het splitsen van belastinginkomsten gebeurt in drie soorten grondslagen;consumptie, arbeid en kapitaal. Onder staande grafiek toont de indelingop basis van de methodiek van de Europese Commissie, daarnaast is ookde bijbehorende tabel meegeleverd. Deze berekening is vanaf 2011beschikbaar tot aan 2023, latere jaren zijn nu nog niet beschikbaar.19VRAAG 52Hoeveel van de aanbevelingen uit het IBO Vermogensverdeling zijninmiddels ingevoerd? Hoeveel procent is dat?Antwoord op vraag 52Het IBO Vermogensverdeling bevat beleidsrichtingen en beleidsopties endoet geen aanbevelingen. De beleidsopties sluiten aan bij de analyse inhet rapport. Een van de belangrijkste conclusies van deze analyse is, datanders dan voorzien bij de Belastingherziening 2001 de belasting opinkomen uit arbeid en vermogen uit elkaar is gegroeid en dat eenonevenwichtige belastingheffing op verschillende inkomensbronnenverschillen tussen huishoudens kan vergroten. Het toenmalige kabinetheeft in reactie op het IBO Vermogensverdeling een uitgebreid pakket metmaatregelen genomen die de belastingdruk op arbeid en vermogen meerin balans hebben gebracht. De meeste van de maatregelen zijn doorge-voerd in het Belastingplanpakket 2024 respectievelijk 2025.Verder ligt het wetsvoorstel Werkelijk rendement in box 3 in de TweedeKamer. Het belasten van werkelijk rendement in box 3 wordt door het IBOVermogensverdeling omarmd als een belangrijke volgende stap in het19https://taxation-customs.ec.europa.eu/taxation/economic-analysis/data-taxation-trends_enFiguur 18Figuur 19Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9423 evenwichtiger belasten van inkomen uit arbeid en vermogen. Het kabinetheeft in mei het wetsvoorstel Werkelijk rendement in box 3 naar deTweede Kamer gestuurd. Onevenwichtigheden in het belastingstelselmaken ook belastingconstructies mogelijk. Het IBO bevat de beleidsaan-beveling om jaarlijks opmerkelijke belastingconstructies in beeld brengen,waarmee inzicht wordt geboden hoe fiscaal beleid in de praktijk kanuitpakken. Deze aanbeveling is door het toenmalige kabinet overgenomendoor de jaarlijkse publicatie van een lijst met belastingconstructies alsbijlage bij de Voorjaarsnota.Ook zijn in de afgelopen jaren belastingconstructies aangepakt mede opbasis van taakopdrachten in de begroting. Ook met de voorstellen in hetBelastingplan 2026 en de inmiddels aangenomen Fiscale Verzamelwet2026 worden constructies aangepakt. Andere constructies wordenonderzocht op een effectieve en doelmatige aanpak. Ook heeft hettoenmalige kabinet de beleidsaanbeveling uit het IBO overgenomen omgegevens over vermogen en de verdeling ervan blijvend in beeld tebrengen zodat kennis hiervan expliciet worden meegenomen in debeleidsdiscussie en de besluitvorming, door de jaarlijkse bijlage «Vermo-gensverdeling in beeld» bij de Voorjaarsnota. TTen slotte draagt ambtelijk onderzoek en actieve inzet van Nederland opinternationale informatie-uitwisseling over verschillende vermogens-vormen bij aan de beleidsaanbeveling in het IBO om blijvend aandacht tehebben voor verbetering en borging van data over (nieuwe) vermogens-vormen en daarop gebaseerde statistieken. Een voorbeeld hiervan is hetrecente onderzoek naar vermogen in familiestichtingen. Dat vermogenwas niet eerder in kaart gebracht en werd gezien als een blinde vlek in devermogensverdeling van Nederlandse huishoudens. In het IBO Vermo-gensverdeling is daarom de aanbeveling opgenomen om naderonderzoek te doen naar de omvang van dit vermogen.In de kabinetsreactie heeft het toenmalige kabinet dit onderzoektoegezegd. Met het verschijnen van het rapport naar familiestichtingenbegin dit jaar is hieraan invulling gegeven. In reactie op dit rapport heefthet kabinet nieuwe evaluaties en onderzoek toegezegd. Al met al is enwordt volop invulling gegeven aan diverse beleidsrichtingen uit het IBOVermogensverdeling. Dit laat zich niet in percentages uitdrukken. Eenandere beleidsoptie uit het IBO Vermogensverdeling gaat over hetevenwichtiger belasten van het eigen woningbezit ten opzichte vanandere vormen van vermogen. Het is een politieke keuze om hieraangevolg te geven. Het vorige kabinet heeft daarvoor niet gekozen en ook ditdemissionaire kabinet kiest daar niet voor.VRAAG 53Hoeveel van de gemiddelde prijs van een nieuwbouwwoning is teherleiden tot de grondwaarde en hoeveel tot bouwkosten? Hoe was dieverdeling in 1985?Antwoord op vraag 53Het kabinet beschikt niet over een volledig overzicht van de prijs vangrond en de prijzen van woningen over deze periode. In 1985 haddengemeenten een groter aandeel in de grondmarkt voor woningbouw dantegenwoordig. Destijds werd vaker met een kostprijs voor grondgerekend, waar nu grondprijzen residueel worden berekend.Precieze informatie over de verhouding tussen bouwkosten en grondprijsis moeilijk aan te leveren, omdat grondprijzen en bouwkosten destijds nietin verhouding tot elkaar stonden zoals nu veelal het geval is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9424 Tegenwoordig wordt de waarde van grond voor een nieuwbouwwoning inde regel residueel bepaald. Met deze residuele methode wordt berekendwat een ontwikkelende partij bereid is om te betalen, door de verwachtteopbrengst van het te bouwen vastgoed te verminderen met alle stich-tingskosten (de totale investeringskosten die gemoeid zijn met hetoprichten of stichten van een bouwproject, waaronder de prijs die betaaldis voor het verwerven van de grond, bouwkosten, advieskosten vanarchitect en constructeur, leges en rentekosten) die moeten wordengemaakt. Er is niet één residuele grondwaarde voor woningen inNederland, omdat per locatie het resultaat van deze residuele benade-ringsmethode verschilt.Uit de Woningbouwimpuls-aanvragen blijkt dat vaak meer dan driekwartvan de kosten van een woning bestaat uit de stichtingskosten. Hetresterende deel van de kosten zijn de kosten die moeten worden gemaaktvoor het bouwrijp maken van de grond. Binnen die grondexploitatie-kosten bestaat weer bijna de helft van de kosten uit de waarde van de inte brengen gronden20.VRAAG 54Wanneer is de huursector geliberaliseerd? Werden er daarvóór minderwoningen gebouwd door de regulering van de huurprijzen?Antwoord op vraag 54Er is niet één moment waarop de huurmarkt is geliberaliseerd. Al voor deinwerkingtreding van de eerste Woningwet uit 1902 was er sprake vangeliberaliseerde huur. Met de eerste Woningwet reguleerde de overheidvoor het eerst wettelijk de huurmarkt. Na 1945 werden huurprijzen vanalle woningen gereguleerd met een huurwet ter voorkoming van hogehuurprijsstijgingen. In de periode 1967–1972 werd driekwart van dehuurwoningen geliberaliseerd. In 1979 werd de Huurwet voor woonruimteafgeschaft en werd voor alle woningen huurprijsbeschermingsstelselingevoerd met een puntenstelsel zoals het WWS. Hierna zijn op verschil-lende momenten nog aanpassingen gedaan in dit stelsel: in 1989 en 1994zijn huurcontracten geliberaliseerd boven de liberalisatiegrens innieuwbouwwoningen respectievelijk bestaande woningen. Met de Wetbetaalbare huur zijn nieuwe huurcontracten in het middensegment (bovende 135 punten tot 186 WWS-punten) gereguleerd en geldt pas daarbovende vrije sector. Deze verscheidenheid aan momenten maakt het nietmogelijk om een antwoord te geven op de bouwaantallen voor en naliberalisering.Woningcorporaties zijn daarnaast in 1992 op afstand van de Staatgeplaatst om zelfstandiger te opereren. Er is niet een eenduidig verbandtussen deze hervormingen en het aantal nieuwbouwwoningen. In 1985 en1990 werden er respectievelijk 101.116 en 100.888 nieuwbouwwoningenopgeleverd, in 1995 en 2000 is dat teruggelopen naar respectievelijk97.726 en 74.774. Dat er voor 1992 meer woningen zijn opgeleverd dandaarna is allerminst (volledig) toe te schrijven aan de liberalisatie van dewoningcorporaties. Zo is in 1992 ook het Bouwbesluit 1992 in werkinggetreden, waarmee meer eisen op het gebied van veiligheid, gezondheiden energieverbruik werden gesteld. Er zijn na 1992 per jaar dus minderwoningen gebouwd, maar deze woningen waren wel van betere kwaliteit.Andere factoren zoals macro-economische ontwikkelingen, demografie enoverheidsbeleid hebben ook een grote invloed op het aantal gebouwdewoningen.VRAAG 5520Blijkt uit Tegenwind in gebiedsontwikkeling | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9425 Voorziet het amendement-Van Kent inmiddels in voldoende financieringvan de sociaal ontwikkelbedrijven? Geldt dit ook voor de jaren 2026, 2027en 2028?Antwoord op vraag 55Er wordt voldoende financiering vrij gemaakt om medewerkers van desociaal ontwikkelbedrijven te compenseren. Dit geldt voor zowel het jaar2025 via het amendement van Kent als de jaren 2026 t/m 2028 waarin hetKabinet middelen heeft vrijgemaakt.VRAAG 56Klopt het dat in de begroting bij BZK een potje staat (10 miljoen euro)voor versterking van de Kamerondersteuning (digitaal). Waarom staat datniet op de begroting van de Kamer?Antwoord op vraag 56Het klopt dat er een reservering is voor versterking van de Kameronder-steuning op artikel 1 van de begroting van Binnenlandse Zaken (BZK). Inde Kamerbrief over de Inzet middelen enveloppe goed bestuur en sterkerechtsstaat heeft de Minister van BZK aangegeven middelen uit deenveloppe vrij te hebben gemaakt voor de versterking van de kennis- enonderzoeksfunctie van de Tweede Kamer. Het gaat om een bedrag van 10miljoen euro structureel.21 De gereserveerde middelen zien niet specifiekop het digitale domein maar op de versterking van de brede kennis- enonderzoekfunctie van de Kamer. Eerder heeft de Minister van BZKaangegeven in een overleg met de voorzitter van de Tweede Kamer tezullen bespreken hoe de additionele middelen voor de versterking van dekennis- en onderzoeksfunctie van de Tweede Kamer het beste tot hunrecht komen. Op basis hiervan komt het kabinet met een voorstel,uiteraard mede gebaseerd op de onderzoeken die de Kamer zelf heeftuitgevoerd en nog binnenkort te verschijnen onderzoeken, zoals hetParlementsonderzoek van de Universiteit Leiden.22 Ook recent verschenenonderzoeken zoals het WRR-rapport «deskundige overheid» wordenhierbij betrokken.VRAAG 57Welke initiatieven ontplooit u om ervoor te zorgen dat de SEA’s van alledepartementen zo spoedig mogelijk gaan voldoen aan de RPE-eisen?Antwoord op vraag 57De Strategische Evaluation Agenda’s (SEA’s) moeten bijdragen aanbruikbare evaluaties en Periodieke rapportages. Financiën toetst of aan deeisen wordt voldaan, werkt formats uit en zorgt voor kennisuitwisselingtussen departementen. Komend jaar vindt er een evaluatie van deRegeling Periodiek Evaluatieonderzoek plaats (waarvan de SEA onderdeelis). Aan de hand hiervan wordt bezien wat nodig is om de kwaliteit vanhet evaluatiestelsel te verbeteren.Voor specifieke vragen over de SEA’s moedig ik uw Kamer aan deze testellen aan de verantwoordelijke bewinds lieden.VRAAG 58Ziet u mogelijkheden om de evaluatie van departementoverstijgendebeleidsthema’s te verbeteren? Zo ja, welke stappen gaat u daartoe zettenen op welke termijn? Zo nee, waarom niet?Antwoord op vraag 5821Kamerstuk 33047, nr. 4122Kamerstuk 36 725 VII, nr. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9426 Er is zeker ruimte is om departementoverstijgende thema’s interdeparte-mentaal te evalueren en waar mogelijk te verbeteren. Zo zijn er afgelopenjaren interdepartementale thema’s geëvalueerd op het gebied van klimaaten corona-steun. Hierbij heeft Financiën een faciliterende rol gespeeld.Waar relevant is Financiën ook in de toekomst zeker bereid die facilite-rende rol te vervullen. Dit laat onverlet dat hier primair de beleidsverant-woordelijke departementen aan zet zijn.VRAAG 59Waarom worden in de Miljoenennota 2026 geen interdepartementalebeleidsonderzoeken aangekondigd?Antwoord op vraag 59De voorbereiding van de nieuwe ronde interdepartementale beleidsonder-zoeken was dit jaar niet tijdig afgerond. Het streven is de taakopdrachtenvoor de komende ronde dit najaar met uw Kamer te delen.VRAAG 60Kunt u erop toezien dat op alle interdepartementale beleidsonderzoekeneen kabinetsreactie volgt en dat deze uiterlijk binnen acht weken napublicatie van een IBO aan de Kamer wordt gestuurd?Antwoord op vraag 60De voorbereiding en verzending van de kabinetsreactie op een IBO is deverantwoordelijkheid van de betreffende vakministers. Conform deIBO-spelregels vraag ik de vakministers om de IBO-rapporten binnen14 dagen na afronding aan uw Kamer te sturen, en binnen acht weken eenreactie namens het kabinet te sturen.VRAAG 61Hoeveel geeft Nederland al uit aan Defensie (graag per jaar uitsplitsen enzowel in absolute als relatieve cijfers weergeven)? Hoeveel moetNederland extra uitgeven aan Defensie om de NAVO-norm te halen?Antwoord op vraag 61De totale Defensie-uitgaven (zowel inclusief als exclusief militaire steunaan Oekraïne) zijn weergegeven in tabel 1. In tabel 1 zijn ook de percen-tages bbp van de huidige Defensie-uitgaven weergegeven op basis van deCPB-raming bij de Macro-economische Verkenning 2026 (MEV 2026).De begroting is door dit kabinet in lijn gebracht met de oude NAVO-normvan 2% bbp, conform de Wet Financiële Defensieverplichtingen. Deaanvullende Defensie-uitgaven die benodigd zijn om te voldoen aan denieuwe NAVO-norm van 3,5% bbp in 2035 is afhankelijk van hetingroeipad dat wordt gekozen. Voor 2026 heeft het kabinet een eerste stapgezet, voor de overige jaren wordt de invulling en het groeipad overge-laten aan het volgende kabinet.Tabel 10 Defensie-uitgaven 2025–2030 (in miljarden €)202520262027202820292030Defensieuitgaven (excl. OEK)21,425,026,628,129,329,9Defensieuitgaven (incl. OEK)26,227,727,828,729,430,0% BBP (incl. OEK)2,2%2,2%2,2%2,2%2,1%2,1%Waarvan OEK0,4%0,2%0,1%0,0%0,0%0,0% VRAAG 62Hoe hoog is het bedrag aan studieleningen dat naar verwachting definitiefniet zal worden terugbetaald?Antwoord op vraag 62Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9427 Het bedrag aan studieleningen dat niet wordt terugbetaald is afhankelijkvan verschillende factoren, zoals leengedrag, conjunctuur, rentestandenen overheidsbeleid, die allemaal over een langere periode variëren. Eenaccurate raming van het bedrag is daarom niet te geven. Ten tijde van deinvoering van het leenstelsel heeft het CPB becijferd dat, met de toengeldende omstandigheden, 13,6% van de schulden niet wordtterugbetaald23.VRAAG 63Hoe kan het dat de beleidsmatige inkomstengroei in tabel 3.1.2 neerkomtop 3,1 miljard euro voor 2026, terwijl in tabel 7 van de Miljoenennota eenbeleidsmatige lastenontwikkeling van 2859 miljoen euro genoemd wordt?Antwoord op vraag 63De beleidsmatige lastenontwikkeling werkt op basis van transactiebasis:het relevante jaar is het jaar waarin beleid verandert. De beleidsmatigeinkomstengroei werkt op EMU-basis (meestal verschoven kasbasis): hetjaar waarin de betalingen plaatsvinden. Het verschil kan hierdoor wordenverklaard.VRAAG 64Hoe is het mogelijk dat er 1,9 miljard euro extra is opgehaald aanvennootschapsbelasting?Antwoord op vraag 64In 2025 spelen er bij de vennootschapsbelasting meerdere factoren eenrol. De hogere ontvangsten die leiden tot een opwaartse bijstellingbetreffen vooral ontvangsten over belastingjaar 2024: als bedrijven naafloop van een jaar een hogere winst hebben gerealiseerd dan voorafverwacht, betalen zij een jaar later belasting over het verschil. Dit heefteen positief effect van bijna 3 miljard euro. Daar staat een neerwaartseffect van ongeveer 800 miljoen euro tegenover van de uitspraak van deHoge Raad over de toepassing van de liquidatieverliesregeling, deze wasin de miljoenennota 2025 nog niet bekend.VRAAG 65Hoe is het mogelijk dat er 892 miljoen euro extra is opgehaald aan loon-en inkomensheffing?Antwoord op vraag 65De hogere verwachting bij de loon- en inkomensheffing heeft bijnavolledig betrekking op de loonheffing, die wordt afgedragen doorwerkgevers en uitkeringsinstanties. De hogere inkomsten laten zich metname verklaren door een gunstigere ontwikkeling van de werkgele-genheid dan eerder verwacht.VRAAG 66Wat is de verwachte ontwikkeling van ontvangsten van autobelastingen inkomende jaren? Wordt een vergelijkbare trend verwacht?Antwoord op vraag 66De autobelastingen bestaan uit de motorrijtuigenbelasting, de BPM enBZM. In onderstaande grafiek en bijbehorende tabel zijn de verwachteontwikkelingen weergegeven. Hierin is te zien dat motorrijtuigenbelastingeen stijgende trend heeft. De BZM wordt in 2026 afgeschaft dus deze looptterug naar 0. Bij de BPM is dalende trend zichtbaar met een lichte piek in2026, als gevolg van beleidsmaatregelen in het klimaatpakket.23CPB, Gemiddelde aflossing en inkomenseffecten sociaal leenstelsel, 22 mei 2014. ZieKamerstuk, 24 724, nr. 131, p. 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9428 VRAAG 67Kan de ontwikkeling van ontvangsten in overdrachtsbelasting verderworden uitgesplitst in effect van volumestijgingen, prijsstijgingen enbeleidsmaatregelen? Klopt het dat de lagere overdrachtsbelasting deelsheeft gezorgd voor een hogere opbrengst?Antwoord op vraag 67Er is geen data beschikbaar om met terugwerkende kracht dezeuitsplitsing te maken, achteraf kan geen onderscheid gemaakt wordentussen de budgettaire effecten van maatregelen en de endogeneontwikkeling. Het is daarom ook niet mogelijk om te zeggen of de lagereoverdrachtsbelasting heeft gezorgd voor hogere opbrengsten.Vooruitkijkend zien we in 2026 dat de verlaging van de overdrachtsbe-lasting naar 8% conform de raming in het Belastingplan 2026 naarverwachting leidt tot een budgettaire derving.VRAAG 68Is in de kansspelbelasting sprake van grondslagerosie?Antwoord op vraag 68Grondslagerosie betekent dat de basis van een belasting waarover wordtgeheven (de grondslag) afneemt. Dit kan gebeuren door bewust (fiscaal)beleid maar ook door innovaties of gedragswijzigingen. Dit speeltbijvoorbeeld bij de autobelastingen omdat steeds meer burgers enbedrijven een elektrische of hybride voertuig hebben.Op basis van de totale inkomsten van de kansspelbelasting (KSB) deafgelopen jaren lijkt er van deze vorm van grondslagerosie geen sprake tezijn. In de onderstaande figuur zijn de KSB inkomsten in de periode2014–2024 weergegeven. Waar de inkomsten in de periode 2015–2017 nogstagneerde (439 miljoen in 2014 en 470 miljoen in 2017) is er sindsdiensprake van een stijging. Hier moet wel de kanttekening bij wordt geplaatstdat de grote stijging van de inkomsten in 2022 (t.o.v. 2021 maar ook 2019)wordt veroorzaakt door de legalisering van de online markt.Figuur 20Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9429 VRAAG 69Wat verklaart de hogere geraamde inkomsten aan tabaksaccijns?Antwoord op vraag 69De inkomstenraming hangt af van meerdere componenten: de realisatiestot nu toe, de economische ontwikkeling, geraamde beleidsmaatregelenen andere relevante beleidsinformatie. De verwachting in 2025 is dat detabaksac cijns ten opzichte van 2024 met meer dan 400 miljoen daalt. In2026 is de verwachting dat ten opzichte van 2025 de tabaksaccijns ietsstijgt als gevolg van endogene ontwikkelingen.VRAAG 70Wat zijn de gevolgen voor de economie en voor de staatskas (inclusieftwee-orde-effecten) indien de expatregeling wordt afgeschaft?Antwoord op vraag 70In 2024 heeft SEO Economisch Onderzoek (SEO) in opdracht van hetMinisterie van Financiën de expatregeling geëvalueerd en de resultatenuitgebracht in het rapport «Kunde, kosten en keuzes». SEO verwacht datde instroom van kennismigranten met 40% daalt als de expatregelingwordt afgeschaft. Verder verwacht SEO dat versobering van de expatre-geling een negatief effect heeft op het investeringsniveau van bedrijven inNederland.Dit effect is met name in internationaal opererende bedrijven, zowel kleinebedrijven, het mkb en het grootbedrijf. Hier is geen kwantitatieveinschatting van. Volgens SEO bevordert de regeling het vestigingsklimaat,doordat sommige werkgevers verwachten hun arbeidsvraag niet in tekunnen vullen met het binnenlands arbeidsaanbod. Dit geldt met name inde regio’s Amsterdam en Eindhoven.Uit de evaluatie blijkt dat de huidige expatregeling budgettair doelmatig isen meer geld oplevert dan dat hij kost. Als de regeling wordt afgeschaft,zou dat dus geld kosten. Volgens SEO ligt de gemiddelde netto (extra)belastingopbrengst als gevolg van de regeling tussen 2016 en 2022 opongeveer 128,5 miljoen euro per jaar.VRAAG 71Wat verklaart de licht dalende trend in het budgettair belang van de vrijeruimte in de werkkostenregeling?Figuur 21 Inkomsten kansspelbelasting 2014–2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9430 Antwoord op vraag 71De schommelingen in het budgettair belang van de vrije ruimte in dewerkkostenregeling worden veroorzaakt door de wijzigingen die hebbenplaatsgevonden in het percentage waarmee de vrije ruimte wordtberekend. De hoogte van de vrije ruimte is afhankelijk van de fiscaleloonsom van de werkgever en bestaat uit twee schijven: een percentagevan de fiscale loonsom tot € 400.000 en een lager percentage voor defiscale loonsom boven dit bedrag. Het percentage voor de fiscale loonsomtot € 400.000 is de afgelopen jaren meermaals gewijzigd. OnderstaandeTabel X toont de percentages per jaar.Tabel 11 Percentages vrije ruimte in de werkkostenregeling202120222023202420252026Fiscale loonsom tot€ 400.0003%1,7%3%1,92%2%2%Fiscale loonsom boven€ 400.0001,18%1,18%1,18%1,18%1,18%1,18% VRAAG 72Wat verklaart de sterke groei van het budgettair belang van het verlaagdebtw-tarief op cultuur?Antwoord op vraag 72Het budgettaire belang van het verlaagde btw-tarief op cultuur istoegenomen door de jaarlijkse actualisatie van de raming en onderlig-gende gegevens. Hieruit blijkt dat de consumptie van de goederen endiensten die onder het verlaagde tarief vallen sterker is toegenomen daneerder verwacht, waardoor de raming naar boven is bijgesteld.VRAAG 73Kan een actueel overzicht gegeven worden van alle SPUKs endecentralisatie-uitkeringen, waaronder welke afgeschaft worden?Antwoord op vraag 73Een actueel overzicht van de decentralisatie-uitkeringen is te vinden in debegroting van het gemeentefonds en het provinciefonds (hoofdstuk B enC onder fondsen). Een actueel overzicht van SPUKs te vinden als bijlagebij de begrotingen per departement. In de bijlage bij de kamerbriefUitkomst overheveling specifieke uitkeringen24 staat een actueel overzichtvan de SPUKs die overgeheveld kunnen worden naar het gemeente- en/ofprovinciefonds. In deze Kamerbrief wordt ook het vervolgproces vooroverheveling naar een fondsuitkering geschetst.VRAAG 74Wat verklaart de toename van het geborgd vermogen in het kader van deachterborgstellingen tussen 2024 en 2026?Antwoord op vraag 74Bij het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) – bekend van de NationaleHypotheek Garantie (NHG) – speelt vooral de verhoging van de maximaleNHG-grens een rol. In 2023 was de NHG-grens 405.000 euro. Deze grens isper 2025 verhoogd naar 450.000 euro, waardoor meer woningen enhogere leningbedragen onder de garantie vallen. Dit, samen met stijgendewoningprijzen en de blijvende aantrekkelijkheid van NHG voor kopers enbanken, draagt bij aan de groei van het totale geborgde bedrag.Bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) groeit het geborgdekapitaal vooral door de toegenomen investeringen in woningverbetering24Bijlage – Uitkomst overheveling specifieke uitkeringenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9431 (verduurzaming) en nieuwbouw. Deze investeringen sluiten aan bij deNationale Prestatie Afspraken (NPA), waarbij woningcorporaties zichinzetten voor meer en betere woningen. De geborgde leningenportefeuillevan WSW bedroeg in 2024 circa 95 miljard euro en wordt naarverwachting 109 miljard euro aan het eind van 2026.VRAAG 75Waarom worden de studieleningen niet meegenomen in het overzichtrisicoregelingen van de Miljoenennota?Antwoord op vraag 75Rentedragende studieleningen (dus niet prestatiebeurzen) worden omtwee redenen niet opgenomen in het overzicht van risicoregelingen in deMiljoenennota. Ten eerste zijn studieleningen specifiek bedoeld voorstudenten en niet voor organisaties. Het beleidskader risicoregelingen ziettoe op risicoregelingen die tussen een organisatie van de rijksoverheid eneen organisatie buiten de sector overheid. Ten tweede geldt een leningalleen als risicoregeling wanneer er sprake is van een aannemelijketerugbetaling van de hoofdsom en een marktconforme rente. Bijstudieleningen is dit niet het geval, omdat deze onder bepaaldevoorwaarden kunnen worden kwijtgescholden. Het aandeel studiele-ningen dat niet wordt terugbetaald is afhankelijk van verschillendefactoren. Ten tijde van de invoering van het leenstelsel heeft het CPBbecijferd dat, met de toen geldende omstandigheden, 13,6% van deschulden niet wordt terugbetaald.VRAAG 76Hoe groot is het uitstaande bedrag aan studieleningen?Antwoord op vraag 76Op 1 januari 2025 betrof het uitstaande bedrag aan studieleningen€ 29,4 miljard. Dit bedrag is exclusief prestatie beurzen die nog niet zijnomgezet naar een gift of naar een lening. De omzetting naar gift vindtplaats na het behalen van een diploma. De omzetting naar lening vindtplaats wanneer tien jaar na de start van de studiefinanciering de studentnog niet aan de diploma-eis heeft voldaan.VRAAG 77Acht u een absoluut plafond wenselijk als het gaat om het totaalbedragaan risicoregelingen ten opzichte van het bbp?Antwoord op vraag 77Het is niet wenselijk om een absoluut plafond te stellen voor het totaal-bedrag aan risicoregelingen ten opzichte van het bbp. De hoogte van ditbedrag zegt vaak weinig over het werkelijke risico en de kans op schade.Sommige risicoregelingen zijn omvangrijk maar dragen een laag risico,terwijl andere juist klein zijn maar een hoog risico met zich meebrengen.Een focus op een totaalplafond als percentage van het bbp kan daaromeen vertekend beeld geven en onnodig beperkend werken.Het beleidskader voor risicoregelingen hanteert een «nee tenzij-beleid»,dat gericht is op het beperken van risico’s voor de overheid. Dit gebeurtdoor mitigerende maatregelen per risicoregeling en het opbouwen vanrisicovoorzieningen om eventuele schade op te vangen. Dit zorgt voor eengerichte en verantwoorde aanpak van risicoregelingen.VRAAG 78Kunt u nader toelichten waarom er een tegenvaller is wat NGEU betreft?Antwoord op vraag 78Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9432 In het huidig Eigenmiddelenbesluit (EMB, ingang vanaf 2021) isafgesproken dat de rentelasten van het subsidiedeel van het NextGeneration EU (NGEU) worden voldaan vanuit de EU-begroting. Daarommaken de terug- en rentebetalingen van NGEU onderdeel uit van deNederlandse raming van de afdrachten aan de EU-begroting. Ditonderdeel van de raming fluctueert op basis van ontwikkelingen in demarktrente en de werkelijke transacties die de Commissie heeft gedaan terfinanciering van NGEU. Een stijging van de marktrente leidt ertoe dat deterug- en rentebetalingen van NGEU zorgen voor een tegenvaller.VRAAG 79Hoeveel GW wind op zee verwacht de Minister te kunnen subsidiëren metde reservering voor diverse problematiek Wind op Zee?Antwoord op vraag 79Het kabinet is voornemens om in 2026 2 gigawatt aan windparken op zeemet subsidie te vergunnen.VRAAG 80Wordt het PPA-garantiefonds uit de reservering voor diverse problematiekWind op Zee gefinancierd? Hoe groot is het (beoogde) fonds? In hoeverreis de vulling van het fonds al geregeld en afgestemd met eventueleinvesteerders?Antwoord op vraag 80Het PPA-garantiefonds wordt niet gefinancierd uit reservering voor Windop Zee. Op de KGG-begroting is 1 miljoen euro gereserveerd voor deontwikkeling van dit mogelijke garantiefonds, in cofinanciering metInvest-NL (ieder 50%). Voor de daadwerkelijke inzet van deze middelenvoorzien Invest-NL en het Ministerie van KGG een aanvullend beslis-moment, om te borgen dat het plan van aanpak volledig is en aan allerandvoorwaarden voor verdere ontwikkeling wordt voldaan.VRAAG 81Wat wordt gefinancierd vanuit de reservering voor diverse problematiekWind op Zee?Antwoord op vraag 81De reservering voor diverse problematiek Wind op Zee (WoZ) is groten-deels bestemd voor subsidiering van 2 gigawatt aan windparken op zee in2026. Het kabinet treft hier momenteel alle voorbereidingen voor.Daarnaast is een klein deel van de reservering bestemd voor hogeruitgevallen inpassingskosten van de huidige routekaart Wind op Zee(noodsleepboten).VRAAG 82Welke maatregelen worden vanuit de incidentele 2,6 miljard euro voor deagrarische sector gefinancierd?Antwoord op vraag 82In de Kamerbrief Vervolgpakket Nederland van het slot (Kamerstukken II2025/26, 35334, nr. 413) staan de beoogde bestemmingen benoemd voordeze middelen. In de brief staat daarbij een tabel met de richtinggevendeverdeling. Hierin worden de volgende beleidsdoelen benoemd: beëindi-gingsregeling, natuurherstel- en monitoring, agrarisch natuurbeheer,innovatie, doelsturing, ondersteunend beleid, gebiedsgerichte aanpak enpiekbelasters industrie. Het pakket vergt verdere uitwerking en verfijning,waarmee ook beter onderbouwd tot een uiteindelijke toedeling vanmiddelen kan worden gekomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9433 VRAAG 83Wordt toegezien op de doelmatigheid en het doelbereik van de bestedingvan de incidentele 2,6 miljard euro voor de agrarische sector? Zo ja, hoe?Heeft u hier een rol in?Antwoord op vraag 83De middelen waarop u doelt moeten nog worden verdeeld naar specifiekebeleidsartikelen voor rechtmatige besteding. Daartoe worden de tefinancieren maatregelen verder uitgewerkt. Verdeling van middelen enverdere uitwerking van maatregelen vergt besluitvorming in de minis-terraad – ook omdat dit beleid raakt aan de beleidsterreinen van veelandere bewindslieden. De Minister van Financiën ziet daarbij conform deComptabiliteitswet (art. 4.11, tweede lid) toe op de bevordering vandoelmatig beheer van middelen. Vervolgens is het aan uw Kamer of uinstemt met het voorstel van het kabinet.De maatregelen waarop u doelt zullen nog verder uitgewerkt en verfijndworden. Zodra die uitwerking heeft plaatsgevonden worden de middelenondergebracht bij specifieke beleidsartikelen. Toedeling van middelen enverdere uitwerking van maatregelen gebeurt – conform het gebruik – doorbesluitvorming in de ministerraad – ook omdat dit beleid raakt aan debeleidsterreinen van veel andere bewindslieden. De Minister vanFinanciën ziet daarbij conform de Comptabiliteitswet (art. 4.11, tweede lid)toe op de bevordering van doelmatig beheer van middelen. Vervolgens ishet aan uw Kamer of u instemt met het voorstel van het kabinet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9434

Bron, video en gesprek →