AH 354 2026Z18088 Antwoord van minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen 12 oktober 2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2026-2027, nr. 138 Bent u bekend met het artikel 'Rechter; gevarenlicht bij snel iets ophalen is geen gratis parkeerkaart' als ook met de bijbehorende gerechtelijke uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2026:8066)?[1] Ja. Kunt u aangeven welke wettelijke kaders van toepassing zijn op dit soort casussen en op welke manier daarop gehandhaafd wordt? Het toepasselijke wettelijke kader is het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990). Hierin zijn de verkeersregels en verkeerstekens (zoals strepen op het wegdek en verkeerborden) opgenomen. Tevens is hierin bepaald wat wordt verstaan onder ‘parkeren’, ‘stilstaan’ en ‘laden en lossen’. In de begripsbepalingen van het RVV 1990 is het begrip parkeren gedefinieerd. Deze definitie luidt: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen; Anders dan weleens wordt gedacht, is het al dan niet hebben ingeschakeld van alarmlichten niet bepalend voor de vraag of sprake is van ‘onmiddellijk laden en lossen van goederen’ of het ‘onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers’. Dat wil zeggen dat het gebruik van alarmlichten voor deze handelingen niet verplicht is. Tegelijkertijd betekenen alarmlichten niet dat (daarmee) sprake is van laden en lossen. Ook geeft het gebruik van alarmlichten geen recht om (al dan niet heel kort) te parkeren zonder te betalen, bijvoorbeeld om een pakketje op te halen. Daarnaast is de Gemeentewet, artikel 225, van toepassing. Dit artikel regelt dat in het kader van parkeerregulering parkeerbelasting kan worden geheven op geparkeerde voertuigen die binnen de gemeente op voor het openbaar verkeer openstaande wegen of terreinen zijn geparkeerd. De definitie van de handeling ‘parkeren’ uit de Gemeentewet is overigens gelijk aan die van het RVV 1990. Indien geen parkeerbelasting wordt betaald in gevallen waarin dat wel verplicht is, kan de gemeente een ‘naheffingsaanslag parkeerbelasting’ opleggen. Tegen deze naheffing is bezwaar mogelijk. De wijze van beoordelen van bezwaren is aan de betreffende gemeente. Als het bezwaar wordt afgewezen, kan een burger in beroep gaan. Het is dan aan de rechter om te oordelen. In de aangehaalde zaak is het oordeel van de rechter dat sprake was van een stilstaand voertuig wat niet valt onder ‘onmiddellijk laden en lossen van goederen’. In lijn met de definitie uit het RVV 1990 en de Gemeentewet was volgens de rechter dus sprake van parkeren. De rechter oordeelde daarbij dat het gebruik van alarmlichten die constatering niet anders maakt. Deelt u de mening dat dit soort vormen van handhaving onwenselijk en onmenselijk zijn en bovendien compleet voorbijgaan aan het oorspronkelijke doel van verkeer- en parkeerhandhaving? Zo nee, waarom niet? Het is aan de gemeenten om binnen de kaders van de Gemeentewet artikel 225 het beleid met betrekking tot parkeren vorm te geven. Op grond van de Gemeentewet artikel 225 lid 8 kunnen gemeenten het tarief afhankelijk stellen van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten. Zoals bij vraag 2 aangegeven: Indien geen parkeerbelasting wordt betaald in gevallen waarin dat wel verplicht is, kan de gemeente een ‘naheffingsaanslag parkeerbelasting’ opleggen. Tegen deze naheffing is bezwaar mogelijk. De wijze van beoordelen van bezwaren is aan de betreffende gemeente. Als het bezwaar wordt afgewezen, kan een burger in beroep gaan. Het is dan aan de rechter om te oordelen. Deelt u de mening dat dit soort stringente handhaving van parkeerregels niet alleen impact heeft op de leefbaarheid van een stad/dorp en haar bewoners, maar ook de lokale economie schaadt door snelle aankopen (en dergelijken) te bemoeilijken? Zo nee, waarom niet? Nee, die mening deel ik niet. Zoals bij vraag 3 aangegeven is het aan gemeenten om binnen de kaders van de Gemeentewet artikel 225 het beleid met betrekking tot parkeren vorm te geven. Op grond van de Gemeentewet artikel 225 lid 8 kunnen gemeenten het tarief afhankelijk stellen van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten. Acht u het wenselijk dat bepaalde gemeentes de aan hun gegeven wettelijke ruimte zo stringent en meedogenloos interpreteren? Zo nee, waarom niet? Zoals bij vraag 2 aangegeven, is tegen een naheffingsaanslag bezwaar mogelijk. Als het bezwaar wordt afgewezen dan kan een burger in beroep gaan. Het is dan aan de rechter om te oordelen. In de aangehaalde zaak is het oordeel van de rechter dat sprake was van een stilstaand voertuig wat niet valt onder ‘onmiddellijk laden en lossen van goederen’. Welke delen van het juridisch kader zouden aangepast kunnen en moeten worden om dit soort communistische uitwassen te voorkomen, zodat steden/dorpen en hun lokale economieën niet onnodig gefrustreerd worden? Vanuit het RVV zijn ten aanzien van het begrip parkeren geen aanpassingen nodig en ook niet voorzien. Zoals bij vraag 2 aangegeven is er rechtsbescherming mocht een burger het oneens zijn met de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Ook op dit vlak is dus geen aanpassing van wet- en regelgeving nodig en ook niet voorzien. Zoals bij vraag 4 aangegeven hebben gemeenten op grond van de Gemeentewet artikel 225 lid 8 reeds de mogelijkheid om het tarief afhankelijk te stellen van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten. Ook op dit vlak is dus geen aanpassing nodig. [1] RTL.nl, d.d. 3 september 2026, Rechter: gevarenlicht bij snel iets ophalen is geen gratis parkeerkaart (https://www.rtl.nl/nieuws/economie/artikel/5647439/rechter-snelle-ophaal-met-knipperlichten-aan-neen-gewoon-betalen)
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
d99bc4ea-1eac-4bdd-b73c-ec1c5ae4ccfb
39debatten
2.007bijdragen
14interrupties
186.632woorden in uitspraken