KamerkringInloggen
Mirjam Sterk

Officieel Kamerprofiel

Mirjam Sterk

40debatten
1.788bijdragen
12interrupties
227.921woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: CDA (2008-07-29–2012-09-19) · CDA (2005-07-27–2008-04-07) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
5 okt 2026 · Kamerstuk

25424 Geestelijke gezondheidszorg 32761 Verwerking en bescherming persoonsgegevens Nr. 819 Brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 5 oktober 2026 Hierbij bied ik u aan het ontwerpbesluit, houdende wijziging van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten in verband met het verstrekken van persoonsgegevens voor het vinden van een passende plaats in een instelling. Voor de inhoud van het ontwerpbesluit verwijs ik u naar de ontwerp-nota van toelichting. De voorlegging geschiedt in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure (artikel 28a, zevende lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten) en biedt uw Kamer de mogelijkheid zich uit te spreken over het ontwerpbesluit voordat het aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden voorgelegd en vervolgens zal worden vastgesteld. Op grond van de aangehaalde bepaling geschiedt de voordracht aan de Koning ter verkrijging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het ontwerpbesluit niet eerder dan vier weken nadat het ontwerpbesluit aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Er wordt gestreefd naar inwerkingtreding van het ontwerpbesluit met ingang van 1 juli 2027. Dit is gelijktijdig met de beoogde inwerkingtreding van het genoemde artikel 28a, zevende lid, van de wet. Een gelijkluidende brief heb ik gezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk Ontvangen ter Griffie op 5 oktober 2026. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur is aan de Kamer overgelegd tot 2 november 2026 De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan niet eerder worden gedaan dan op 3 november 2026. Nota van toelichting Algemeen deel Aanleiding De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd) is gericht op personen met een psychogeriatrische aandoening, verstandelijke beperking[voetnoot 1] of een daaraan gelijkgestelde ziekte of aandoening voor wie onvrijwillige zorg of opname wordt overwogen of nodig is. De Wzd geeft onder meer de civiele rechter de mogelijkheid om een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname in een zorginstelling af te geven. Voorts kent de Wzd een verband met de Wet forensische zorg (Wfz) door middel van artikel 2.3 van de Wfz, waarin in het tweede lid is bepaald dat de strafrechter een rechterlijke machtiging als bedoeld in de Wzd kan afgeven. De tenuitvoerlegging van deze machtigingen is vastgelegd in de artikelen 28a tot en met 28c van de Wzd. In de Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b is voorgesteld aan artikel 28a Wzd een zesde en zevende lid toe te voegen. Het zesde lid regelt dat de partijen die zijn betrokken bij de voorbereiding of de tenuitvoerlegging van een machtiging voor onvrijwillige opname via artikel 2.3 van de Wfz elkaar persoonsgegevens over een cliënt verstrekken. Het gaat daarbij ook om gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, voor zover dat noodzakelijk is voor de voorbereiding of tenuitvoerlegging van een rechterlijke machtiging met toepassing van artikel 2.3, tweede lid, van de Wfz. Het zevende lid bevat een grondslag om nadere regels te stellen over de verstrekking van de persoonsgegevens, bedoeld in het zesde lid, waarbij in ieder geval wordt bepaald welke persoonsgegevens worden verstrekt. Met dit wijzigingsbesluit wordt in het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Bzd) geregeld welke persoonsgegevens de officier van justitie, de Wlz-uitvoerder, de zorgaanbieder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de cliënt ingezetene is, de zorgverzekeraar, het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), de zorgaanbieder, bedoeld in de Wfz en de minister van Justitie en Veiligheid vanaf het moment van voorbereiding van een rechterlijke machtiging elkaar verstrekken. Die gegevens zijn nodig om de rechterlijke machtiging voor te bereiden en ten uitvoer te kunnen leggen. Hoofdlijnen van het voorstel  Op grond van artikel 2.3, tweede lid, van de Wfz kan de strafrechter - indien hij van oordeel is dat aan de criteria van artikel 24 van de Wzd is voldaan - een rechterlijke machtiging voor een onvrijwillige opname in een zorginstelling (die de Wzd uitvoert) afgeven. Deze criteria zijn kort gezegd dat er sprake moet zijn van ernstig nadeel, dat de opname noodzakelijk is en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel af te wenden. De tenuitvoerlegging is in de artikelen 28a tot en met 28c van de Wzd vastgelegd. Het zorgkantoor moet samen met partijen, het CIZ en zorgaanbieders, binnen een termijn van vier weken na dagtekening van de rechterlijke machtiging een passende plek in een zorginstelling voor de betreffende cliënt vinden. Echter, sinds de inwerkingtreding van de Wzd is gebleken dat het betrokken partijen niet altijd lukt om binnen de termijn van vier weken een passende plek te vinden, waardoor in enkele gevallen de cliënt letterlijk op straat werd gezet. Hier liggen verschillende oorzaken aan ten grondslag.[voetnoot 2] Een van deze oorzaken is het ontbreken van een grondslag voor gegevensuitwisseling: de benodigde gegevens van de cliënt zijn pas bekend vanaf het moment dat de machtiging wordt verleend. Gelet op de achtergrond van deze groep cliënten is niet elke zorginstelling (die de Wzd uitvoert) geschikt waardoor er meer tijd nodig is om een passende plek voor een cliënt te vinden dan gebruikelijk. Om kwalitatief goede zorg te kunnen verlenen dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de samenstelling van de al aanwezige groep cliënten, de benodigde zorg van de cliënt en het benodigde beveiligingsniveau. Het is dan ook essentieel dat betrokken partijen vanaf het moment van voorbereiding van een rechterlijke machtiging de volgende gegevens verstrekken: geboortedatum; geslacht; diagnose en beschrijving van het actuele ziektebeeld; risicotaxaties in verband met het gedrag van de cliënt; inschatting van het benodigde beveiligingsniveau; afschrift van het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, voor zover aanwezig; beschrijving van de benodigde zorg. Geboortedatum, geslacht, diagnose en beschrijving van het actuele ziektebeeld Voor de beoordeling of een plek passend is, is de samenstelling van de al in een zorginstelling aanwezige groep cliënten van belang. Aspecten zoals geslacht, waaronder iemands genderidentiteit, en diagnose spelen daarbij een belangrijke rol. Zo zal een jongvolwassen cliënt die een verstandelijke beperking heeft, in het algemeen geen passende zorg ontvangen in een verpleeghuis met mensen met dementie. Voor een andere cliënt kan het van belang zijn dat hij in een prikkelarme omgeving wordt geplaatst. Risicotaxaties in verband met het gedrag van de cliënt en inschatting van het benodigde beveiligingsniveau Bij cliënten voor wie een rechterlijke machtiging via artikel 2.3 van de Wfz wordt verleend is een inschatting van de risico’s voor de veiligheid in de zorginstelling in samenhang met het gedrag van de cliënt van groot belang. De uitkomsten van deze risicotaxaties leveren input voor onder meer het nemen van beslissingen over de duur en intensiteit van de behandeling, de inhoud van de behandeling en het eventuele benodigd beveiligingsniveau. Als een cliënt bijvoorbeeld gewelddadig gedrag vertoont, kan beveiliging noodzakelijk zijn. Te denken valt aan cameratoezicht op de afdeling of een gesloten setting met beperkte bewegingsvrijheid. Ook het benodigd beveiligingsniveau is afhankelijk van het gedrag van de cliënt. In enkele instellingen die de Wzd uitvoeren worden forensische beveiligingsniveaus gehanteerd, te weten vanaf licht (niveau 1) tot zeer hoog (niveau 4). Niet alle zorginstellingen (die de Wzd uitvoeren) kennen deze (hoge) beveiligingsniveaus en er zijn ook instellingen die geen enkele beveiliging hebben. Afschrift Wlz-indicatie en beschrijving van de benodigde zorg Het CIZ handelt onder meer de afhandeling van de aanvragen voor de Wet langdurige zorg (Wlz) af. Het CIZ beoordeelt of en in welke omvang een cliënt in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz. Als het CIZ de cliënt zorg op grond van de Wlz toekent, wordt een Wlz-indicatiebesluit verstrekt. Het indicatiebesluit geeft ook aan wat voor soort zorg er nodig is. Het is in het belang van de cliënt dat het CIZ een afschrift van de Wlz-indicatie verstrekt aan betrokken partijen. Daarmee verkrijgen de betrokken partijen meer inzicht in de te verlenen zorg. Met de beschrijving van de benodigde zorg wordt gedoeld op een beschrijving van de benodigde medische zorg, medicatie, eventuele gedwongen zorg en de benodigde begeleiding.   Verhouding tot hoger recht  Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) In de voorgestelde bepaling worden bijzondere categorieën van persoonsgegevens verwerkt. Artikel 6, eerste lid, onder c, van de AVG vormt de rechtsgrond in het kader van artikel 28a, zesde en zevende lid, van de Wzd; de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan de wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijkheden rust. Indien een strafrechter op grond van artikel 2.3, tweede lid, van de Wfz een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname afgeeft, dan moet deze machtiging binnen een termijn van vier weken ten uitvoer worden gelegd. Om daaraan te kunnen voldoen is een tijdige gegevensuitwisseling noodzakelijk.[voetnoot 3] Op grond van artikel 9 van de AVG is het verwerken van bijzondere categorieën van bijzondere persoonsgegevens niet toegestaan. Echter, artikel 9, tweede lid, van de AVG bepaalt dat van een dergelijk verbod geen sprake is indien de verwerking noodzakelijk is met het oog op redenen van een zwaarwegend algemeen belang (onderdeel g) of voor de noodzakelijke verwerking van gegevens voor het verstrekken van gezondheidszorg of sociale diensten (onderdeel h) voor zover zulks is toegestaan bij lidstatelijk recht. Deze twee uitzonderingen zijn van toepassing. Zoals hierboven al vermeld, moet een rechterlijke machtiging, indien een strafrechter deze op grond van artikel 2.3, tweede lid, van de Wfz voor onvrijwillige opname in een zorginstelling (die de Wzd uitvoert) afgeeft, binnen een termijn van vier weken ten uitvoer worden gelegd. Het zwaarwegend belang betreft het risico dat een cliënt letterlijk op straat komt te staan als de rechterlijke machtiging niet binnen voorgenoemde termijn ten uitvoer wordt gelegd met mogelijke ernstige gevolgen voor de gezondheid of veiligheid van de cliënt of zijn omgeving. Om tijdig een passende plek voor een cliënt te vinden, is het dan ook essentieel dat betrokken partijen vanaf het moment van voorbereiding van een rechterlijke machtiging persoonsgegevens kunnen verwerken. Zoals in paragraaf 2 is toegelicht, geldt dat geen passende zorg van goede kwaliteit aan de cliënt kan worden verleend zonder gegevensverwerking. Op grond van artikel 30, derde lid, onderdeel a, van de UAVG geldt dat het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing is indien de verwerking geschiedt door hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening, voor zover de verwerking noodzakelijk is met het oog op een goede behandeling of verzorging van de cliënt. Gevolgen (met uitzondering van financiële gevolgen) Onderhavige wijziging, te weten het verwerken van de persoonsgegevens die in dit besluit zijn opgenomen, heeft vrijwel geen effect op de regeldruk. De regeldruk neemt enigszins af omdat de wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling in verband met het vinden van een passende plaats in een instelling de uitvoering van rechterlijke machtigingen op grond van artikel 28a van de Wzd vereenvoudigt. Tegelijkertijd hebben de rechterlijke machtigingen via artikel 2.3 van de Wfz op slechts een beperkt aantal cliënten betrekking. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft. De doenvermogentoets is niet uitgevoerd omdat de voorgestelde bepaling geen gevolgen heeft voor burgers. Er is geen uitgebreide MKB-toets uitgevoerd omdat de wijziging daarvoor te klein is. Onder paragraaf 7 wordt ingegaan op de consultatiereacties, adviezen en toetsen. Financiële gevolgen Met deze bepaling wordt beoogd de te verwerken persoonsgegevens uit te breiden in verband met het vinden van een passende plaats in een zorginstelling. Alleen het CIZ heeft inzichtelijk gemaakt welke financiële gevolgen de bepaling heeft voor zijn bedrijfsvoering. Toezicht en handhaving    Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (inspectie) De inspectie houdt toezicht op de naleving van de Wzd en daarop berustende bepalingen. Dit houdt in dat de inspectie ook toezicht houdt op de naleving van de bepalingen in dit besluit. De uitbreiding van de te verwerken persoonsgegevens heeft geen consequenties voor de wijze waarop het toezicht op de naleving en de handhaving is ingericht. Functionarissen gegevensbescherming en Autoriteit Persoonsgegevens (AP) De functionarissen gegevensbescherming en AP houden toezicht op de verwerking van persoonsgegevens. Als gegevens worden verwerkt in strijd met de privacyregels en de verwerkingsverantwoordelijke een klacht hierover niet oplost kan de cliënt de functionaris gegevensbescherming betrekken. Als dit niet tot een oplossing leidt, dan kan de cliënt een klacht indienen bij de AP, waarna de AP een onderzoek kan verrichten. Adviezen en consultatie Internetconsultatie De internetconsultatie van dit wijzigingsbesluit heeft plaatsgevonden van 24 juli 2025 tot en met 15 september 2025. In totaal zijn er vier consultatiereacties ontvangen, te weten van LOC Waardevolle zorg, Zorgverzekeraars Nederland en twee anonieme reacties. De consultatiereacties lopen uiteen. Zo is in een anonieme reactie naar voren gebracht dat de voorgestelde wijziging noodzakelijk en essentieel is voor een goed en veilig verloop van procedures en behandelingen, terwijl LOC Waardevolle zorg van mening is dat de voorgestelde wijziging een forse inbreuk is op de privacy van burgers en dat deze geen oplossing biedt voor het onderliggende probleem, te weten onvoldoende passend zorgaanbod. De benodigde gegevens voor de plaatsing van een cliënt worden op grond van de huidige regelgeving door betrokken partijen verstrekt wanneer de rechterlijke machtiging is afgegeven. Met dit voorstel wordt geregeld dat de gegevens worden verstrekt vanaf het moment van voorbereiding van een rechterlijke machtiging. Partijen verstrekken elkaar dus eerder in het proces gegevens over de cliënt. Dit voorstel zorgt daarmee niet voor een extra inbreuk op de privacy van de cliënt. Daarnaast heeft het voorstel niet als doel om het onvoldoende zorgaanbod op te lossen, wel om het zoeken van een geschikte plek voor een cliënt te vergemakkelijken. Verder is verzocht om meer persoonsgegevens aan het ontwerpbesluit toe te voegen. Besloten is om dit verzoek niet te honoreren vanwege dataminimalisatie: in het kader van de AVG mogen zo min mogelijk persoonsgegevens worden verzameld en verwerkt en moeten deze beperkt zijn tot wat strikt noodzakelijk is voor het vooraf bepaalde doel. Zorgverzekeraars Nederland verzoekt om in de wijziging concreet vast te leggen vanaf welk moment de betrokken partijen in de nieuwe situatie de gegevens mogen delen. Dit heeft ertoe geleid dat paragraaf 1 is aangepast. Daarnaast heeft Zorgverzekeraars Nederland verzocht om de Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b en het ontwerpbesluit gelijktijdig in werking te laten treden. In deze toelichting is opgenomen dat dit inderdaad het streven is. Ten slotte is naar aanleiding van de reacties het onderdeel ‘beschrijving van benodigde zorg’ paragraaf 2 aangevuld. Adviezen en toetsen Op verzoek hebben het College van procureurs-generaal (het College), de Raad voor de rechtspraak (de Raad), de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en de AP een advies uitgebracht. Het Openbaar Ministerie (OM), de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en CIZ hebben een uitvoeringstoets uitgebracht. De genoemde organisaties staan positief tegenover het ontwerpbesluit. Het College, de Raad, het OM en DJI geven daarnaast aan dat de uitvoeringsconsequenties zeer gering zullen zijn. De RSJ stelt dat niet alle persoonsgegevens van een cliënt voor iedere betrokken partij noodzakelijk en relevant zijn. De RSJ geeft dan ook in overweging om het voorgestelde artikel 4.2 Bzd te herformuleren om tot uitdrukking te brengen dat alleen die persoonsgegevens kunnen worden verstrekt die noodzakelijk zijn. Echter, zoals toegelicht in paragraaf 2.6 van de memorie van toelichting van de Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b vormen deze gegevens de essentiële elementen voor het vinden van de juiste plek en het beoordelen van de benodigde zorg. Met minder persoonsgegevens is dit niet mogelijk.[voetnoot 4] Daarnaast stelt de RSJ voor om in de nota van toelichting te beschrijven dat ook gegevens kunnen worden verstrekt over genderidentiteit. Naar aanleiding hiervan is een verduidelijking opgenomen in paragraaf 2 in deze nota van toelichting. Tenslotte vraagt de RSJ om een evaluatie uit te voeren op de nieuwe grondslag en de uitvoering daarvan. In de Wzd is al een evaluatiebepaling opgenomen. Bij volgende evaluaties kan de nieuwe grondslag en de uitvoering daarvan eventueel worden meegenomen. De Raad vraagt naar de noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit van de nieuwe grondslag in de Wzd en de uitwerking daarvan in het ontwerpbesluit. In paragraaf 2.6. van de memorie van toelichting van de Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b is hier op ingegaan. De Raad stelt dat de voorgestelde wettelijke grondslag de ruimte biedt om meer persoonsgegevens te verstrekken dan die zijn opgenomen in het nieuwe artikel 4.2 van het Bzd. Dat is echter niet het geval. In de grondslag is opgenomen dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonsgegevens worden verstrekt. Het nieuwe artikel 4.2 bevat dan ook een limitatieve opsomming. Het College wijst erop dat de officier van justitie uitsluitend informatie verstrekt aan betrokken partijen, maar geen taak heeft bij het zoeken naar een passende plek in een instelling. Naar aanleiding van deze opmerking is paragraaf 2 aangepast. Het CIZ geeft aan dat, voordat het ontwerpbesluit in werking treedt, werkafspraken tussen de betrokken partijen moeten worden gemaakt. Daarnaast verzoekt het CIZ de term ‘in een vroeg stadium’ te verduidelijken en de NAW-gegevens in het ontwerpbesluit op te nemen. De term ‘in een vroeg stadium’ in paragraaf 1 van deze nota van toelichting is gewijzigd in ‘vanaf het moment van voorbereiding van een rechterlijke machtiging.’ De NAW-gegevens worden, vanwege de dataminimalisatie, niet in het ontwerpbesluit opgenomen. Wel wordt het persoonsgegeven ‘leeftijd of geboortejaar’ vervangen door ‘geboortedatum’ vanwege de indicatie van de cliënt. Tot slot zal, conform het verzoek van het CIZ, bij de inwerkingtreding van de Verzamelwet gegevensverwerking II.b en het ontwerpbesluit rekening worden gehouden met een implementatietermijn zodat het CIZ voldoende tijd heeft om zijn interne procedures in te richten. De opmerking van het College en het CIZ dat met deze wijziging niet alle knelpunten ten aanzien van de uitvoering van artikel 2.3, tweede lid van de Wfz worden opgelost, worden meegenomen in de Evaluatiewet Wvggz en Wzd. Tot slot geeft de AP aan geen aanmerkingen op het ontwerpbesluit te hebben. Inwerkingtreding Het streven is om dit besluit in werking te laten treden op het tijdstip dat ook de Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b in werking treedt. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.T.M. Hermans Toelichting artikelsgewijs Artikel I Onderdeel A In onderdeel A wordt artikel 4.2 aan het Bzd toegevoegd. In het nieuwe artikel wordt opgenomen dat partijen, bedoeld in artikel 28a, zevende lid, van de Wzd de volgende gegevens verstrekken: geboortedatum, geslacht, diagnose en beschrijving van het actuele ziektebeeld, risicotaxaties in verband met het gedrag van de cliënt, inschatting van het benodigde beveiligingsniveau, afschrift van het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wlz (voor zover aanwezig) en beschrijving van de benodigde zorg. Deze gegevens zijn noodzakelijk om de persoon die het betreft te kunnen identificeren en om te kunnen beoordelen welke plek en zorg een cliënt nodig heeft. Deze gegevens mogen uitsluitend worden uitgewisseld vanaf het moment van voorbereiding van een machtiging, voor zover dat noodzakelijk is voor de voorbereiding of tenuitvoerlegging van een rechterlijke machtiging die op grond van artikel 2.3, tweede lid, van de Wfz wordt verleend. De grondslag voor dit besluit is gelegen in artikel 28a, zevende lid, van de Wzd. Artikel II Het onderhavige besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij het streven is om het besluit in werking te laten treden op het tijdstip dat ook de Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b in werking treedt. Hoewel het opschrift van de Wzd spreekt van verstandelijke handicap wordt in deze nota van toelichting de in de zorg meer gangbare term “verstandelijke beperking” gebruikt. Kamerstukken II, 2024/25, 36621, nr. 3. Zie ook Kamerstukken II 2024/25, 36621, nr. 3, p. 39. Kamerstukken II 2024/25, 36621, nr. 3, p. 30-31.

Bron, video en gesprek →