Geachte voorzitter, Elke dag werken ruim 100.000 werkzame professionals[voetnoot 1] in de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Samen zorgen zij ervoor dat meer dan 1,5 miljoen burgers[voetnoot 2] goede, veilige en toegankelijke zorg ontvangen voor uiteenlopende hulpvragen. Graag spreek ik mijn waardering uit voor deze professionals die zich dagelijks hiervoor inzetten. Binnen deze sector vervullen de verschillende beroepsgroepen ieder een eigen rol, waaronder mbo- en hbo-geschoolde medewerkers, wo-opgeleide psychologen, kind- en jeugdpsychologen, psychiaters, verpleegkundig specialisten GGZ en orthopedagoog-generalisten. Een belangrijke en omvangrijke beroepsgroep in de ggz is de gezondheidszorgpsycholoog (gz-psycholoog). Van de 100.000 werkzame professionals zijn 21.552 BIG-geregistreerd als gezondheidszorgpsycholoog[voetnoot 3]. De gz-psycholoog is een generalistische psycholoog die behandelingen aanbiedt aan mensen met psychische stoornissen en leer-, gedrags- en ontwikkelingsproblemen. De gz-psycholoog is daarmee breed inzetbaar. De opleiding tot gz-psycholoog is een tweejarige postacademische opleiding die toegang geeft tot inschrijving in het BIG-register. De opleiding kan worden gevolgd na een masteropleiding psychologie, pedagogiek of geestelijke gezondheidskunde. De opleiding kent een landelijk vastgesteld curriculum en de opleidings- en beroepsvereisten zijn vastgelegd in een wettelijk besluit. De wettelijke regulering draagt bij aan de kwaliteit en patiëntveiligheid, doordat de opleiding aan landelijk vastgestelde opleidings- en beroepsvereisten moet voldoen. De opleiding tot gz-psycholoog wordt momenteel bekostigd via de beschikbaarheidbijdrage, op basis van de door het Capaciteitsorgaan geraamde aantallen. Op 22 mei jl.[voetnoot 4] is uw Kamer geïnformeerd over het meest recente advies van het Capaciteitsorgaan en het besluit om voor 2027 691 opleidingsplaatsen beschikbaar te stellen. Dit kabinet vindt het belangrijk dat er gespecialiseerde ggz beschikbaar is voor eenieder die dit nodig heeft.[voetnoot 5] Daarom is een toekomstbestendig stelsel voor het opleiden en inzetten van ggz-professionals, onder andere voor het beroep en de opleiding tot gz-psycholoog, van belang. Het is goed dat we hier samen met de sector aan werken. Afgelopen zomer zijn twee moties aangenomen die hierop betrekking hebben. Dit gaat om: de motie van Vliegenthart c.s.[voetnoot 6] waarin de regering verzocht wordt om het aantal op te leiden gz-psychologen te verhogen ten opzichte van de aantallen die door het kabinet bij brief van 22 mei jl. beschikbaar zijn gesteld en de motie van Dijk c.s.[voetnoot 7] waarin de regering verzocht wordt om voor een afgebakende groep van circa 1.000 K&J-psychologen een passende overgangsregeling naar gz-psycholoog te treffen, die recht doet aan de gewekte verwachtingen, de gevolgde opleiding en de opgebouwde praktijkervaring. Ik vind het belangrijk om de moties in samenhang te bezien; zij hebben immers allebei effect op de toekomst van het beroep en de opleiding tot gz-psycholoog. Patiëntveiligheid, kwaliteit en toegankelijkheid van de ggz staan bij de uitvoering van beide moties centraal. Deze brief gaat allereerst in op hoe ik uitvoering geef aan de motie van Vliegenthart c.s. In het verlengde hiervan licht ik toe hoe ik de afgelopen periode de toekomstige bekostiging van de opleiding tot gz-psycholoog heb verkend met de Nederlandse GGZ (NL ggz), het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP), het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Zorgverzekeraars Nederland (ZN). Deze verkenning is aangekondigd in de Capaciteitsbrief van 22 mei jl. Ook het vervolgproces voor wat betreft deze verkenning komt aan de orde. Daarna ga ik in op de uitvoering van de motie van Dijk c.s., mede op basis van de gesprekken die hierover zijn gevoerd met het NIP en de vertegenwoordigers van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-Collectief). Hiernaast is gesproken met vLOGO, de vereniging van opleidingsinstellingen, en de hoofdopleiders. De hoofdopleiders zijn verantwoordelijk voor de toelating van kandidaten tot de opleiding en voor de inhoud en de kwaliteit van de opleiding tot gz-psycholoog. De motie van Vliegenthart c.s. De motie Vliegenthart c.s. vroeg om 1240 instroomplekken voor gz-psychologen voor 2027. Ik begrijp de zorgen achter deze motie. De combinatie van beperkte budgettaire ruimte en het feit dat ik voor de bekostigingssystematiek aansluiting wil blijven zoeken bij het demografisch scenario maken dat ik daar niet helemaal in mee kan gaan. Tegelijkertijd heb ik de wens vanuit de sector en de Kamer voor meer opleidingsplekken, mede met het oog op problematiek rondom de opleidingsinfrastructuur, goed gehoord en in de motie teruggezien. Daarom heb ik na goed overleg met de sector[voetnoot 8] besloten om het aantal instroomplekken voor 2027 tot en met 2029 op te hogen en, gelijk aan de periode van de Capaciteitsraming, gemiddeld 965 opleidingsplaatsen per jaar beschikbaar te stellen. Dat sluit aan op het aantal plekken dat afgelopen jaren beschikbaar was voor de sector. Ik zie het als een gezamenlijke stap vooruit om samen met de sector het aantal opleidingsplaatsen voor de komende jaren op deze manier te kunnen verhogen. Helaas is het ophogen van opleidingsplaatsen per 2027 uitvoeringstechnisch niet mogelijk, omdat dit besluit te laat komt voor het verdeelproces dat bij het beschikbaar stellen van de plekken hoort. Dit betekent dat voor het jaar 2027 het aantal opleidingsplaatsen 691 blijft. Om gemiddeld op 965 plaatsen per jaar uit te komen, wordt het aantal opleidingsplaatsen in 2028 en 2029 verhoogd tot 1102 opleidingsplaatsen per jaar. Hiermee geef ik binnen het beschikbare budgettaire kader invulling aan de motie Vliegenthart c.s. 1.1 Van bekostigingsproblematiek naar toekomstperspectief De opleiding tot gz-psycholoog wordt op dit moment centraal bekostigd met een beschikbaarheidbijdrage[voetnoot 9]. SiRM heeft de beschikbaarheidsbijdrage[voetnoot 10] geëvalueerd en VWS geadviseerd om de keuze voor het instrument te bezien. De door SiRM gesignaleerde risico’s van de beschikbaarheidbijdrage zijn evident voor de opleiding tot gz-psychologen. Bij de opleiding tot gz-psycholoog geven veldpartijen aan dat stoppen met onbeschikt opleiden[voetnoot 11] niet haalbaar is, waardoor er een niet aanvaardbaar oneerlijk speelveld ontstaat. Ook de door SiRM gesignaleerde risico’s van inefficiëntie zijn evident bij de opleiding tot gz-psycholoog. Tot slot lopen de lange verdeelprocessen bij de opleiding tot gz-psycholoog tegen de grenzen aan. Tekenend is dat het niet lukt om de opleidingsplekken voor 2027 nog op te hogen door deze processen. Ik constateer op basis hiervan dat de huidige bekostigingssystematiek voor de gz-opleiding knelpunten kent en zal daarom zal daarom alternatieven voor de huidige bekostigingssystematiek verkennen. Deze verkenning heeft tot doel om onderbouwd een keuze te kunnen maken over de wijze waarop zowel de inhoud als de bekostiging van de opleiding zo toekomstbestendig mogelijk in kan worden gericht. De afgelopen maanden ben ik met de sector in gesprek gegaan over de houdbaarheid van de huidige wijze van bekostiging, in het kader van de in de Capaciteitsbrief van 22 mei jl. genoemde verkenning, mede ingegeven door de hierboven genoemde evaluatie van de beschikbaarheidbijdrage. Ik heb met de sector gesproken over een toekomstperspectief waarbij de afweging voor opleiden dichterbij de lokale en actuele situatie op de werkvloer wordt gemaakt. Maar ook de afweging tussen kosten en kwaliteit meer integraal zal worden genomen zodat taakdifferentiatie als vanzelfsprekend een rol krijgt. Uit deze gesprekken is voorts naar voren gekomen dat de sector belang hecht aan een kwalitatieve geïntegreerde verbinding van de master-opleiding naar de opleiding tot gz-psycholoog. Dit specifieke aandachtspunt is één van de speerpunten van Programma Adaptieve Psychologische Vervolgopleidingen (APV)[voetnoot 12]. Deze gesprekken met de sector zijn voor mij aanleiding geweest om gezamenlijk nieuwe toekomstperspectieven te verkennen voor zowel de inhoud als de bekostiging van de opleiding. Dit om ervoor te zorgen dat ook op de langere termijn voldoende psychologen zijn van goede kwaliteit. Het gaat zowel om een alternatieve bekostiging als om mogelijkheden voor een betere aansluiting tussen de initiële opleiding en de vervolgopleiding tot gz-psycholoog. De komende tijd werken we gezamenlijk de probleemanalyse nader uit, waarbij we in ieder geval de volgende toekomstperspectieven gaan verkennen; de optie om de middelen weer terug het kader in te brengen met een logistieke aansluiting van de opleidingen[voetnoot 13] en een verkenning van de mogelijkheid voor een doorlopende universitaire route[voetnoot 14]. Voor deze en mogelijke andere routes geldt dat deze nog nadere analyse en concretisering vergen en uiteraard ook weer nieuwe vraagstukken met zich meebrengen. Ik realiseer mij dat dit een zorgvuldig proces vraagt. Op deze vragen zal ik samen met de sector en de minister van OCW nog antwoorden moeten formuleren voordat er een keuze kan worden gemaakt voor een toekomstperspectief. Op deze manier wil ik toewerken naar een houdbare bekostiging van de opleiding tot gz-psycholoog, die de sector op een passende manier zelf in staat stelt om de juiste afwegingen te maken om voldoende mensen op te leiden, maar ze ook dáár inzetbaar te maken, waar de maatschappelijke nood het hoogst is. Ik verwacht uw Kamer einde van het eerste kwartaal van 2027 te kunnen informeren over de vorderingen van deze verkenning. 2. De motie van Dijk c.s. De motie van Dijk c.s. verzoekt de regering om voor een afgebakende groep van circa 1.000 K&J-psychologen een passende overgangsregeling naar gz-psycholoog te treffen, die recht doet aan de gewekte verwachtingen, de gevolgde opleiding en de opgebouwde praktijkervaring. Voordat ik verder inga op de uitvoering van de motie, vind ik het belangrijk om mijn waardering uit te spreken voor de inzet van K&J-psychologen. Zij leveren dagelijks waardevolle zorg en zijn door hun opleiding en ervaring breed inzetbaar. De K&J-psychologen op wie deze motie betrekking heeft, hebben bovendien bewust geïnvesteerd in hun scholing, opleiding en professionele ontwikkeling. Dit draagt bij aan de beschikbaarheid van kwalitatief goede zorg. De afgelopen periode heb ik over de uitvoering van de motie gesproken met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de beroepsvereniging van psychologen, en vertegenwoordigers van het K&J-Collectief. Hiernaast is uitgebreid overleg geweest met vLOGO, de vereniging van opleidingsinstellingen en de hoofdopleiders. De hoofdopleiders zijn verantwoordelijk voor de toelating van kandidaten tot de opleiding en voor de inhoud en de kwaliteit van de opleiding tot gz-psycholoog. Op basis van deze waardevolle gesprekken heb ik mij ingespannen voor een passende oplossing. Om de groep K&J-psychologen toekomstperspectief te bieden, rekening houdend met aanvullende opleiding en werkervaring, ben ik tot de oplossing gekomen om de bestaande mogelijkheid tot verkort opleiden per 2028 praktisch uitvoerbaar te maken. Concreet zal ik het Besluit gezondheidszorgpsycholoog aanpassen, zodat vanaf 2028 de mogelijkheid van verkort opleiden expliciet wordt gemaakt. Daarmee kunnen K&J-psychologen, maar ook andere masterpsychologen, in een eenjarig opleidingstraject alsnog worden opgeleid tot gz-psycholoog en als zodanig worden ingeschreven in het BIG-register. In deze afweging heb ik rekening gehouden met het systeem van kwaliteit en patiëntveiligheid, met het gelijkheidsbeginsel, risico’s op precedent en de financiële gevolgen. Om de uitvoering van de motie toe te lichten ga ik in op: de context en uitgangspunten; de oplossingsrichtingen; de conclusie en een reflectie op de overige constateringen in de motie. 2.1 Context en uitgangspunten Het gaat om circa 1.000 psychologen die vooruitlopend op het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de beroepenstructuur een opleiding of bijscholing tot K&J-psycholoog bij het NIP zijn gaan volgen, in de verwachting dat dit zou leiden tot een BIG-registratie. Dit conceptwetsvoorstel voorzag er onder meer in dat K&J-psychologen, onder voorwaarden en op termijn, samengevoegd zouden worden met het beroep gz-psycholoog. Dit zou leiden tot het nieuwe beroep gz-psycholoog-generalist met bijhorende inschrijving in het BIG-register. Op 12 november 2024[voetnoot 15] is besloten het conceptwetsvoorstel niet verder te brengen. Uit de analyse van ongeveer 2.300, voornamelijk negatieve, reacties op de internetconsultatie bleek dat het voorstel onvoldoende bijdroeg aan de beoogde doelstellingen[voetnoot 16]. Ook bestond onvoldoende draagvlak onder BIG-geregistreerde en niet-BIG-geregistreerde beroepsgroepen. Ik begrijp dat het niet voortzetten van het voorstel voor de betrokken K&J-psychologen teleurstellend is. Zeker voor diegene die in opleiding en ontwikkeling hebben geïnvesteerd in de veronderstelling dat de voorgestelde beroepenstructuur definitief zou worden. Ik heb begrip voor het feit dat voor deze groep een oplossing verzocht wordt. Tegelijkertijd zal ik bij de invulling van de motie rekening houden met het feit dat dit niet op gespannen voet mag staan met het systeem zoals dit rondom kwaliteit en patiëntveiligheid is ingericht. De route naar het BIG-register moet inhoudelijk navolgbaar en transparant zijn en kan niet zonder meer een politieke beslissing zijn. Bovendien is het ministerie van VWS systeemverantwoordelijk. Het ministerie van VWS stelt de beroeps- en opleidingsvereisten vast en bepaalt aan welke voorwaarden opleidingsinstellingen moeten voldoen. Ook stelt het ministerie van VWS de kaders voor de aanwijzing van hoofdopleiders. Een directe volledige of gedeeltelijke vrijstelling kan het ministerie van VWS niet zelf verlenen. Binnen de huidige kaders zijn de hoofdopleiders verantwoordelijk voor de beoordeling of iemand aan de eindtermen van de gz-opleiding voldoet en voor het verlenen van vrijstellingen. Ik zie deze scheiding van taken als essentieel onderdeel van het systeem en wil hier niet aan tornen. 2.2 Oplossingsrichtingen Ik ben de veldpartijen erkentelijk dat zij bereid waren om de afgelopen periode meerdere keren met mij in gesprek te gaan. Ook is waardevolle aanvullende informatie aangeleverd. Ik heb dit zorgvuldig en serieus meegewogen in de besluitvorming. In de gesprekken met het veld zijn twee oplossingsrichtingen aan de orde gekomen voor wat betreft een ‘passende overgangsregeling’: (1) een directe volledige vrijstelling voor de gehele groep en (2) een individuele beoordeling van de eerder verworven competenties (EVC). Het is goed om vooraf te vermelden dat vLOGO en de hoofdopleiders al in een eerdere fase hebben aangegeven dat de mogelijkheden voor een passende oplossing zorgvuldig hebben bekeken. Zij hebben gezamenlijk geconcludeerd dat zij geen ruimte zien om voor deze groep een collectieve vrijstelling te treffen dan wel een individueel beoordelingstraject in te richten. Het NIP heeft zijn leden hierover op 25 juni 2025 geïnformeerd[voetnoot 17]. 2.2.1 Directe volledige vrijstelling Met een directe volledige vrijstelling wordt bedoeld dat circa 1.000 K&J-psychologen direct een diploma als gz-psycholoog ontvangen, op basis van hun diploma als K&J-psycholoog-NIP, en daarmee ingeschreven kunnen worden in het BIG-register. Het NIP en het K&J-Collectief hebben in de gevoerde gesprekken aangegeven dat zij graag een coulanceregeling zouden willen. Zij hebben de voorkeur uitgesproken voor een directe volledige vrijstelling voor de gehele afgebakende groep. Zij geven hierbij aan dat de opleidingen tot K&J-psycholoog en de opleiding tot gz-psycholoog gelijkwaardig aan elkaar zijn en daarmee ook een omzetting naar gz-psycholoog legitimeert. Hierbij verwijzen het NIP en het K&J-Collectief onder andere naar de eerdere eenmalige handeling in 2024 van een groep K&J-psychologen en het onderliggende rapport van het programma Adaptieve Psychologische Vervolgopleidingen. Allereerst ga ik in op de gelijkwaardigheid van de opleidingen. Het NIP en het K&J-Collectief betogen dat de opleiding tot K&J-psycholoog en de gz-psycholoog gelijkwaardig zijn. vLOGO, hoofdopleiders en het Zorginstituut onderschrijven dit standpunt niet. De opleiding tot K&J-psycholoog en de opleiding tot gz-psycholoog zijn post-masteropleidingen. Allebei de opleidingen bestaan uit zowel cursorisch als praktijkonderwijs. K&J-psychologen kunnen daarnaast, net als gz-psychologen, met verschillende doelgroepen werken en zijn daarom ook breed inzetbaar. Dat K&J-psychologen ook een postmasteropleiding hebben gevolgd en op dit niveau in de zorg worden ingezet, betekent echter niet dat de opleidingen volledig aan elkaar gelijk kunnen worden gesteld. Een belangrijk verschil tussen de opleiding tot K&J-psycholoog en de opleiding tot gz-psycholoog, is de wettelijke normering. Voor de gz-opleiding zijn de opleidingseisen vastgelegd in het Besluit Gezondheidszorgpsycholoog[voetnoot 18] (hierna: Besluit). Daarnaast zijn minimumvereisten aan een opleidingsinstelling opgenomen. In dit kader is het relevant dat op 9 juli 2025 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: RvS)[voetnoot 19] in hoger beroep heeft geoordeeld dat de minister de in het Besluit opgenomen eisen nader moet concretiseren om de kwaliteit van de opleiding voldoende te kunnen bewaken. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn de normen, bijvoorbeeld voor supervisie en werkbegeleiding, door het ministerie van VWS nader geconcretiseerd in beleidsregels die op 12 december 2025 in de Staatscourant zijn gepubliceerd[voetnoot 20]. Voor de K&J-opleiding bestaan geen wettelijke vereisten. Er zijn verschillende opleidingen met verschillende eindtermen, zonder landelijk vastgesteld curriculum. Dit constateerde ook het Zorginstituut in 2022[voetnoot 21]. Daar komt bij dat het onderwijs grotendeels modulair is opgezet: deelnemers stellen hun cursorisch onderwijs, werkplek, werkbegeleiding en supervisie in belangrijke mate zelf samen. Ook de praktijkopleiding is niet eenduidig geborgd. Met verschillende opleidingsroutes ligt het niet voor de hand om alle K&J-psychologen directe vrijstelling te verlenen tot het beroep gz-psycholoog. vLOGO en de hoofdopleiders hebben desondanks gekeken of de groep K&J-psychologen op basis van minimale criteria[voetnoot 22] ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding kon worden afgebakend. Uitgaande van deze minimumcriteria is de inschatting dat 8% uit de groep van circa 1.000 psychologen zonder nadere beoordeling eventueel in aanmerking zou kunnen komen voor een volledige vrijstelling[voetnoot 23]. Daaruit concludeer ik dat een directe omzetting van de gehele groep zonder individuele beoordeling disproportioneel is en ook niet verenigbaar is met een zorgvuldige borging van kwaliteit en patiëntveiligheid. Het NIP en het K&J-Collectief verwijzen als het gaat om de gelijkwaardigheid van de opleiding naar de eerdere eenmalige handeling in 2024. Ik begrijp dat deze eenmalige handeling bepaalde verwachtingen wekt. Over deze eenmalige handeling heb ik uitvoerig gesproken met vLOGO en de hoofdopleiders. Uit deze gesprekken wordt duidelijk dat deze eenmalige handeling geen precedent schept voor de groep van 1.000 K&J-psychologen die hier nu om vraagt. Ik zal nader toelichten hoe ik tot deze conclusie kom. Daarbij wil ik vooraleerst duidelijk maken dat het ministerie van VWS geen regeling, opdracht of aanwijzing heeft gegeven om deze groep vrij te stellen. De eenmalige handeling betrof scenario 1 van het advies van Stichting Eerder Verworven Competenties (EVC) uit het programma APV[voetnoot 24]. Deze regeling stond open voor psychologen die op peildatum 1 maart 2023 als K&J-psycholoog NIP stonden geregistreerd en vóór die datum hun belangstelling kenbaar hadden gemaakt. Het ging hierbij om een groep K&J-psychologen die de opleiding hadden afgerond en stonden ingeschreven in het register van het NIP. Zowel Stichting EVC als het NIP hebben deze regeling destijds uitdrukkelijk als eenmalig aangemerkt. Stichting EVC vermeldt bovendien dat scenario 1 geen deel uitmaakte van de werkzaamheden van Stichting EVC waarbij twee varianten van verkort opleiden werden beproefd. Deze eenmalige handeling stond daarnaast los van het conceptwetsvoorstel, want bij het conceptwetsvoorstel ging het om het nieuwe beroep gz-psycholoog-generalist. Tijdens het gesprek tussen het ministerie van VWS met vLOGO en de hoofdopleiders is door hen aangegeven dat in retrospectief deze eenmalige vrijstelling onvoldoende in een inhoudelijke beoordeling voorzag. Registratie als K&J-psycholoog NIP volstond, terwijl de onderliggende individuele opleidingstrajecten sterk verschilden. De eerder door de hoofdopleiders benoemde minimale voorwaarden[voetnoot 25] zijn destijds onvoldoende getoetst. Voor toegang tot het BIG-register is het noodzakelijk dat aantoonbaar wordt vastgesteld dat een beroepsbeoefenaar beschikt over de competenties die nodig zijn voor de zelfstandige beroepsuitoefening als gz-psycholoog. Een directe omzetting van een gehele groep, zonder een voldoende onderbouwde en toetsbare individuele beoordeling van opleiding en competenties, biedt daarvoor onvoldoende waarborgen. Gelet op het eenmalige karakter, de vaste peildatum en het ontbreken van een volledige inhoudelijke toetsing kan de omzetting in 2024 niet als precedent dienen voor een omzetting voor K&J-psychologen naar gz-psycholoog die na 1 maart 2023 zijn geregistreerd. Deze werkwijze kan daarom niet zonder meer als basis dienen voor een omzetting van een groep K&J-psychologen naar het in de Wet BIG gereglementeerde beroep gz-psycholoog. Dit geldt temeer ook tegen de achtergrond van de recente situatie over de aanpak van zorgfraude waarover uw Kamer door het Kabinet op 13 februari 2026 is geïnformeerd.[voetnoot 26] Het gaat hierbij onder andere om de procedure tot erkenning van Eerder Verworven Competenties (EVC) waarbij in het verleden onvoldoende kwaliteit, transparantie en patiëntveiligheid werd geborgd. Hierbij zijn eerder verworven competenties gebruikt om toegang te verkrijgen tot een zorgdomein of functie of beroep om vervolgens hiermee aan de slag te kunnen. Op basis van de actuele gesprekken met het veld en de kennis van vandaag is een systeem waarbij zonder beoordeling competenties worden toegeschreven schadelijk voor het systeem dat wij samen hebben ingericht en daarmee voor de kwaliteit en patiëntveiligheid. Juist omdat inmiddels meer inzicht bestaat in de risico’s van onvoldoende toetsbare EVC-procedures, vind ik het van belang dat transparantie en zorgvuldigheid voorop staan. Voor wat betreft gereglementeerde beroepen is bovendien van belang dat zowel de kwaliteit en patiëntveiligheid als de betrouwbaarheid van de toegang tot het BIG-register zijn geborgd. 2.2.2 Individuele beoordeling Met een individuele beoordeling wordt bedoeld dat de betrokken 1.000 K&J-psychologen individueel worden beoordeeld op basis van opleiding, werkervaring en eerder verworven competenties. Ik realiseer mij dat een individuele beoordeling een aanzienlijke inspanning zou vragen en geen eenvoudige route is. Dit is een route die ook door vLOGO en de hoofdopleiders is verkend. Een afzonderlijke, voorafgaande beoordeling zou in dit geval neerkomen op een inhoudelijke vergelijking van een volledige vooropleiding met de eindtermen en opbouw van de gz-opleiding, terwijl deze opleidingen, zoals reeds uitgebreid aan de orde kwam, van elkaar verschillen. Een dergelijke vergelijking vergt per deelnemer een beoordeling van zowel het cursorisch onderwijs als de praktijkopleiding. Door het modulaire karakter van het K&J-traject is dit alleen individueel en per onderdeel mogelijk. Een beoordeling vooraf komt daarmee neer op een arbeidsintensieve reconstructie van de gehele vooropleiding. Een dergelijke uitgebreide en gedetailleerde individuele inhoudelijke vergelijkingsanalyse vergt een aanzienlijke capaciteit en expertise. Ook brengt dit kosten met zich mee. Daarnaast zie ik dat een individuele beoordeling ongewenste precedentwerking met zich meebrengt en raakt aan het gelijkheidsbeginsel. Dit roept de vraag op waarom deze mogelijkheid uitsluitend voor K&J-psychologen zou gelden. Ook andere ervaren masterpsychologen met relevante opleiding, aanvullende scholing en werkervaring zouden zich op deze beoordeling kunnen gaan beroepen. De potentiële doelgroep is daarmee aanzienlijk groter als we ervan uitgaan dat er zeker 7.000 masterpsychologen zijn met veel werkervaring en aanvullende scholing. 2.3 Uitvoering van de motie Ik vind het belangrijk om nogmaals te benadrukken dat ik de K&J-psycholoog en hun inzet in de zorg op waarde schat. Ik heb mij daarom ingespannen voor een passende oplossing, die recht doet aan opleiding en werkervaring enerzijds, als ook aan het systeem van kwaliteit en patiëntveiligheid. Ik ben na een zorgvuldige afweging van alle argumenten en informatie tot de conclusie gekomen dat de twee geschetste oplossingsrichtingen niet passend zijn bij het systeem van kwaliteit en patiëntveiligheid. Ook heb ik rekening gehouden met het gelijkheidsbeginsel, risico’s op precedent en de financiële gevolgen. Om de groep K&J-psychologen toekomstperspectief te bieden ben ik daarom tot de oplossing gekomen om de bestaande mogelijkheid tot verkort opleiden per 2028 praktisch uitvoerbaar te maken. Op deze manier kunnen K&J-psychologen, maar ook andere masterpsychologen, mede op basis van opleiding en werkervaring, vrijgesteld worden van een deel van de gz-opleiding. Na afronding van een verkort opleidingstraject kan inschrijving als gz-psycholoog in het BIG-register volgen. Bij het inrichten van een vaststaande verkorte opleidingsroute kan gebruik worden gemaakt van de uitkomsten van de Stichting EVC. Uit de eindrapportage blijkt dat het scenario waarin masterpsychologen binnen één jaar duaal worden opgeleid, met een koppeling tussen cursorisch en praktijkonderwijs, voldoende positief en generiek is om verkort op te leiden tot gz-psycholoog. Door Stichting EVC zijn onder meer de werving, selectie, het cursorisch onderwijs en het praktijkdeel in twee scenario’s beproefd[voetnoot 27]. Ik neem de verantwoordelijkheid om de randvoorwaarden voor deze verkorte route goed en concreet in te richten. Daarbij staan kwaliteit, patiëntveiligheid en een transparante en toetsbare toegang tot het BIG-register voorop. Concreet zal ik het Besluit gezondheidszorgpsycholoog aanpassen, zodat de mogelijkheid van verkort opleiden expliciet wordt gemaakt. Tot slot reflecteer ik op een aantal constateringen uit de motie. 2.4 Overige constateringen in de motie 2.4.1 Inzetbaarheid en regiebehandelaarschap In de motie wordt gewezen op het tekort aan regiebehandelaren en op de gevolgen daarvan voor de inzetbaarheid van K&J-psychologen. Ik betreur dat de inzetbaarheid van K&J-psychologen op dit moment als beperkend wordt ervaren. Zoals in de brieven op 12 februari 2026[voetnoot 28], 18 maart 2026[voetnoot 29] en 3 juni 2026[voetnoot 30] aan Uw Kamer gemeld, kunnen K&J-psychologen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext. Ze kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn. Voor de inzet van K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. De knelpunten rond regiebehandelaarschap en inzetbaarheid vloeien voort uit de afspraken in het Landelijk Kwaliteitsstatuut (LKS), en niet uit de Wet BIG. Het LKS is een veldnorm die door het veld zelf wordt vastgesteld en aangepast. Voor zover deze eis uit het LKS als beperkend wordt ervaren, ligt het in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen. Op 4 februari 2026 hebben partijen onder voorzitterschap van VWS in een rondetafelgesprek afgesproken gezamenlijk te onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid raakt en welke aanpassingen kunnen helpen. Ik moedig het veld aan om hier gezamenlijk op in te blijven zetten en ik zal mij beraden op hoe ik het veld hierin kan ondersteunen. 2.4.2 Aangenomen effecten van een overgangsregeling In de motie wordt verondersteld dat een overgangsregeling bijdraagt aan betere zorg en kortere wachtlijsten, en dat het ontbreken daarvan onevenredige gevolgen heeft voor werkgevers, cliënten en professionals. Ik kan deze analyse niet onderschrijven. De beschikbare onderbouwing geeft mij ook onvoldoende aanleiding om te concluderen dat een overgangsregeling als zodanig leidt tot betere zorg of kortere wachtlijsten. Zoals in mijn brief aan uw Kamer op 22 mei jl.[voetnoot 31] gemeld zie ik dat meer gz-psychologen in algemene zin niet bijdragen aan meer capaciteit in de gespecialiseerde ggz omdat – zoals ook in diverse rapporten[voetnoot 32] geconstateerd – de uitstroom van gz-psychologen uit de ggz-instellingen naar de vrijgevestigde praktijken hoog is. In de Toekomstbrief mentale gezondheid en ggz van 2 oktober 2026[voetnoot 33] schets ik de maatregelen die ik neem om de lange wachtlijsten terug te brengen, waarbij vooral ook de nadruk wordt gelegd op het doelmatig inzetten en behoud van de beschikbare capaciteit aan ggz-personeel. Dit gaat mijns inziens ook om het juist inzetten van de huidige capaciteit aan K&J-psychologen, zodat hun kennis en expertise optimaal wordt benut. Hiernaast bleek uit de reacties op de internetconsultatie van het conceptwetsvoorstel juist dat er veel bezorgdheid is dat het doorzetten van het conceptwetsvoorstel de wachttijden in de ggz mogelijk zou kunnen verlengen. Uw Kamer is op 16 december 2024[voetnoot 34] geïnformeerd dat zorgmedewerkers in de internetconsultatie aangaven dat de veranderingen in de doorstroom, evenals de benodigde tijd voor omscholing en overgangsregelingen, zouden kunnen leiden tot een verminderde beschikbaarheid van personeel. In de motie wordt daarnaast verondersteld dat de omzetting geen kosten met zich meebrengt. Ook deze constatering onderschrijf ik niet. Een regeling om circa 1.000 K&J-psychologen naar gz-psycholoog om te zetten brengt zowel uitvoeringskosten als structurele maatschappelijke kosten met zich mee. Zo zijn aan de beoordeling van deze circa 1.000 K&J-psychologen aan de geldende eisen uit de wet BIG voor de opleiding, de deskundigheid en de bekwaamheid wel degelijk kosten verbonden. Hierbij komt dat er kosten zijn verbonden aan mogelijke aanvullende opleidingstrajecten en/of bijscholing om te voldoen aan de vereisten uit de wet BIG. Omdat nog niet alle 1.000 K&J-psychologen op niveau van gz-psycholoog zijn ingeschaald en deels ook nog in opleiding zijn, brengt dit extra salariskosten en een stijging van de zorgkosten in de geestelijke gezondheidszorg en de jeugdzorg met zich mee. In het kader van het conceptwetsvoorstel is dit laatste ook door onderzoeksbureau SiRM bevestigd[voetnoot 35]. 2.4.3 Gewekte verwachtingen Het conceptwetsvoorstel voorzag onder meer in dat K&J-psychologen onder voorwaarden en op termijn samengevoegd zouden worden met het beroep gz-psycholoog tot het nieuwe beroep gz-psycholoog-generalist. Ik stel vast dat de communicatie over dit conceptwetsvoorstel verwachtingen heeft gewekt. Ik vind het hierbij belangrijk om aan te geven dat het in de communicatie over het conceptwetsvoorstel niet is gegaan over de omzetting van K&J-psycholoog naar gz-psycholoog in het BIG-register. Dit geldt ook voor het persbericht van het ministerie van VWS van 7 november 2022[voetnoot 36]. Verder kunnen in een wetgevingsproces verschillende vormen van communicatie onderscheiden worden. Een nieuwsbericht communiceert doorgaans op hoofdlijnen. Een Kamerbrief informeert de Tweede Kamer over beleidsvoornemens. En een internetconsultatie bevat het concrete conceptvoorstel en de voorwaarden voor consultatie. Tijdens een wetgevingsproces kunnen voorstellen worden gewijzigd of ingetrokken. Het enkele feit dat een conceptwetsvoorstel publiekelijk is aangekondigd en ter consultatie is voorgelegd, betekent dan ook niet dat de daarin opgenomen voornemens definitief zijn. Dit is een algemeen uitgangspunt van het wetgevingsproces. Ter illustratie kan worden gewezen op het eerdere wetsvoorstel BIG II. Dat voorstel voorzag onder meer in een nieuwe positionering van de hbo-opgeleide verpleegkundige als regieverpleegkundige. Ook in dat geval was het denkbaar dat beroepsbeoefenaren, zoals bijvoorbeeld de mbo-verpleegkundige, vooruitlopend op de voorgenomen wijziging investeringen in opleiding of loopbaan zouden hebben gedaan. Ook hierover is destijds voorafgaand in een nieuwsbericht vanuit het ministerie van VWS gecommuniceerd. Nadat dit onderdeel van het wetsvoorstel niet werd doorgezet en uw Kamer hierover op 8 oktober 2019 is geïnformeerd[voetnoot 37], is voor deze groep geen afzonderlijke overgangsregeling getroffen. Het enkele feit dat iemand vooruitlopend op een voorgenomen wetswijziging keuzes heeft gemaakt, vormt dus op zichzelf geen grond voor een bijzondere wettelijke voorziening. Slotconclusie Met deze brief heb ik Uw Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de moties Vliegenthart c.s. en van Dijk c.s., alsmede over de verkenning naar een toekomstbestendige bekostiging van de gz-opleiding. Ik ben verheugd u te kunnen melden dat ik na goed overleg met de sector heb kunnen besluiten om het aantal instroomplekken voor 2027 tot en met 2029 op te hogen en gemiddeld 965 opleidingsplaatsen beschikbaar te stellen. Dat sluit aan op het aantal plekken dat afgelopen jaren beschikbaar was voor de sector. Hieraan gekoppeld waardeer ik het feit dat de afgelopen periode constructief met veldpartijen is verkend hoe tot nieuwe toekomstperspectieven gekomen kan worden, waar het gaat om zowel de inhoud als de bekostiging van de opleiding tot gz-psycholoog. Over de vorderingen wordt Uw Kamer aan het einde van het eerste kwartaal van 2027 geïnformeerd. Tot slot zal ik het Besluit gezondheidszorgpsycholoog aanpassen, zodat vanaf 2028 de mogelijkheid van verkort opleiden expliciet wordt gemaakt. Dit biedt de K&J-psychologen maar ook masterpsychologen een passend toekomstperspectief, rekening houdend met aanvullende opleiding en werkervaring. In deze afweging heb ik rekening gehouden met het systeem van kwaliteit en patiëntveiligheid, met het gelijkheidsbeginsel, risico’s op precedent en de financiële gevolgen. Ik kijk ernaar uit om in de komende periode gezamenlijk met de sector te werken aan een toekomstbestendig stelsel. Hoogachtend, de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, Mirjam Sterk Pagina 1 van 1 Pagina 1 van 1 https://www.oofggz.nl/artikel/cijfers-q4-over-werken-in-de-geestelijke-gezondheidszorg/ https://www.nza.nl/zorgsectoren/geestelijke-gezondheidszorg-ggz-en-forensische-zorg-fz/kerncijfers-geestelijke-gezondheidszorg-ggz Peildatum juni 2026. Ter vergelijking: er zijn op dit moment 12.626 tandartsen geregistreerd in het BIG-register. Kamerstukken II 2025-2026, 2928, nr. 630 Kamerstukken II 2024-2025, 29 282, nr. 585 Kamerstukken II 2025-2026, 424, nr. 795 Kamerstukken II 2025-2026, 29282, nr. 638 de Nederlandse GGZ (NL ggz), het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP), het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Zorgverzekeraars Nederland (ZN). Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG. Terug naar de bedoeling van het instrument: Evaluatie van het instrument beschikbaarheidbijdrage (SiRM, 2025). Dit zijn opleidingsplaatsen in de Zvw- en Wlz gefinancierde zorg die door het veld zelf gefinancierd zijn. https://progapv.nl/ De middelen worden in dat geval overgeheveld naar het budgettair kader voor de ggz en komen via de zorginkoop beschikbaar bij de opleidende zorgaanbieders. Hierbij gaat het om bekostiging via het Ministerie van Onderwijs Cultuur & Wetenschap (OCW), zoals afgelopen jaren uitgewerkt in het Programma Adaptieve Psychologische Vervolgopleidingen (APV). Deze route vraagt om aanpassingen binnen het stelsel en juridisch kader van OCW, die op haalbaarheid moeten worden onderzocht. Kamerstukken II 2024-2025, 29282, nr. 583 zoals vereenvoudiging van de beroepenstructuur en verbetering van de transparantie en meer duidelijkheid voor patiënten en verwijzers https://nip.nl/nieuws/update-nip-inzet-na-intrekken-big-wetsvoorstel/ https://wetten.overheid.nl/BWBR0009467/2024-01-01/0 https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:3107 https://wetten.overheid.nl/BWBR0051950/2025-12-13 Kamerstukken II 2022-2023, 29282, nr. 464. O.a. eisen aan werkbegeleiding en supervisie, en het feit dat cursorisch onderwijs voldoende overeenkomt met de inhoud van de gz-opleiding. In gesprekken met de hoofdopleiders en het ministerie van VWS is dit aan de orde geweest. Dit getal is niet gestaafd met concrete data. https://evcvoorpsychologen.nl/?page_id=84 https://psynip.nl/registraties/big-opleidingen/evc-kj-psychologen-scenario-1/ https://nip.nl/wp-content/uploads/pdfs/VA-EVC-Scenario-1-03052023.pdf Zoals eisen aan de werkbegeleiding en supervisie door een gz-psycholoog en het cursorisch onderwijs dat voldoende overeenkomt met de inhoud van de gz-opleiding. Kamerstukken II 2025-2026, 28828, nr. 162. https://open.overheid.nl/documenten/5f278660-a923-4a02-9677-cc3d3847d335/file Kamerstukken II 2025/26, 36 832, nr. 6 Kamerstukken II 2025/26, 36 832, nr. 6 Kamerstukken II 2025/2026, nr. 2124 Kamerstukken II 2025-2026, 29282, nr 630 ‘Uit Balans - IBO mentale gezondheid en ggz’, 2025. En J. Boumans, H. Kroon & B. van der Hoek, 'GGZ in de knel. Verkenning van mogelijkheden en valkuilen van het actuele hervormingsnarratief', 2023 Kamerstukken II 2026/27, 25 424, nr. 819 Kamerstukken II 2024/25, 29 282, nr. 585 Impactanalyse ‘een stap in de goede richting’ (2021) https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/11/07/meer-duidelijkheid-in-beroepenstructuur-psychologische-zorg Kamerstuk 29 282, nr. 381 Bezoekadres Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag www.rijksoverheid.nl Kenmerk 4541835-1105437-MEVA Bijlage(n) Kenmerk afzender Correspondentie uitsluitend richten aan het retouradres met vermelding van de datum en het kenmerk van deze brief. Bezoekadres Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag www.rijksoverheid.nl Kenmerk 4541835-1105437-MEVA Bijlage(n) Kenmerk afzender Correspondentie uitsluitend richten aan het retouradres met vermelding van de datum en het kenmerk van deze brief. Datum 12 oktober 2026 Betreft Uitvoering motie Vliegenthart en motie van Dijk Datum 12 oktober 2026 Betreft Uitvoering motie Vliegenthart en motie van Dijk De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag Kenmerk 4538239-1105282-MEVA Kenmerk 4538239-1105282-MEVA Pagina 2 van 13 Pagina 2 van 13 Datum 26 juni 2014 Betreft BETREFT Datum 26 juni 2014 Betreft BETREFT Rijnstraat 50 Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon ing. J.A. Ramlal [email protected] Ons kenmerk KENMERK Uw kenmerk UW BRIEF Rijnstraat 50 Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon ing. J.A. Ramlal [email protected] Ons kenmerk KENMERK Uw kenmerk UW BRIEF De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Pagina 1 van 5 Pagina 1 van 5 > Retouradres > Retouradres
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Mirjam Sterk
40debatten
1.788bijdragen
12interrupties
227.921woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: CDA (2008-07-29–2012-09-19) · CDA (2005-07-27–2008-04-07) ·