Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 839JeugdzorgNr. 1181 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 3 juli 2026Jeugdhulp moet kinderen en jongeren veiligheid en nabijheid geven. Eenplek waar zij zich kunnen ontwikkelen tot gezonde volwassenen, ook alsdat thuis (tijdelijk) niet lukt. De afgelopen jaren is pijnlijk duidelijkgeworden dat dat in de gesloten jeugdhulp vaak niet het geval was.De gesloten jeugdhulp werd in 2008 ingevoerd, vanuit de wens een eindete maken aan de plaatsing van jongeren met een civielrechtelijkemaatregel in een justitiële jeugdinrichting samen met jongeren die opgrond van het strafrecht waren geplaatst. De gesloten jeugdhulp zou dezejongeren een veiligere en beter passende omgeving moeten bieden.Uit onderzoeken en rapportages, waaronder het eerdere rapport van deCommissie De Winter «Onvoldoende beschermd, geweld in de Neder-landse jeugdhulp van 1945 tot heden», inspectierapporten en de recenterapporten van Jason Bhugwandass over de ZIKOS-afdelingen, «Eenzaamgesloten, 2024» en «Eenzaam gestorven, 2026», blijkt echter dat degesloten jeugdhulp voor veel jongeren zeer ingrijpend is geweest. Juistwanneer zij een veilige omgeving, verbinding en nabijheid nodig haddenom zich te kunnen ontwikkelen, kregen zij het tegenovergestelde. Demisstanden waarmee zij te maken kregen waren onder andere verre-gaande inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen en een repressiefleefklimaat, en daarnaast hadden jongeren ook te maken met (fysiek,psychisch en seksueel) geweld. Deze ervaringen hebben diepe sporennagelaten en hebben blijvende gevolgen.De gesprekken die ik heb gevoerd met jongeren die misstanden hebbenmeegemaakt, hebben diepe indruk op mij gemaakt. Het was verdrietig omte horen welke impact het heeft op hun leven en de trauma’s die zijproberen te verwerken. De verhalen over schuldgevoel raakten me vooral.Zo vertelden jongeren altijd te hebben gehoord dat zij zelf schuldig warenaan wat hen overkwam en dat zij dat daardoor ook zelf zijn gaan geloven.Het is daarom van belang dat zij erkenning krijgen voor het leed dat hen is kst-31839-1181ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11811 aangedaan en dat wordt benadrukt dat zij geen schuld hadden aan degenoemde misstanden waarmee zij daar werden geconfronteerd. Met delandelijke partijen die betrokken zijn bij de gesloten jeugdhulp werken wijvanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid aan een excuus- enhersteltraject. Dit wordt samen met ervaringsdeskundige jongerenontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd.Met deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van JenV,over de invulling van het excuus- en hersteltraject gesloten jeugdhulp(incl. ZIKOS) of verblijf in een justitiële jeugdinstelling met een civielrech-telijke maatregel, langs drie sporen: excuses en erkenning, herstelactivi-teiten en transformatie van de gesloten jeugdhulp. Daarnaast leest u eenreflectie op het rapport «Eenzaam gestorven» van Jason Bhugwandass eninformeren we u over een aantal moties.ExcusesVWS, JenV, VNG en Jeugdzorg Nederland, de landelijke partijen, gaanexcuses maken aan jongeren en oud-cliënten die hebben geleden doorhun verblijf binnen de gesloten jeugdhulp, inclusief de voormaligeZIKOS-afdelingen, of door verblijf in een justitiële jeugdinstelling op basisvan een civielrechtelijke maatregel.1 In overleg met jongeren is gekozenom 29 augustus 2026 deze excuses tijdens een bijeenkomst te maken,vanwege het eind van de vakantie en de start van het schooljaar en/ofwerk in september. Samen met jongeren en ervaringsdeskundigen ga ikde excuusbijeenkomst vormgeven.Erkenning- en herstelactiviteitenErkenning en excuses zijn een begin, geen eindpunt. Vanuit hier gaan we,samen met jongeren, ervaringsdeskundigen, professionals enbestuurders, verder om bij te dragen aan het herstel van jongeren. In deKamerbrief van 15 april 20262 is uw Kamer gemeld dat voor de periode2026–2030 incidenteel budget van in totaal € 12 miljoen beschikbaar isvoor herstelactiviteiten.Bij het vormgeven van het meerjarige hersteltraject, zijn onder andere degeleerde lessen van zes pilotprojecten de basis. Deze pilotprojecten zijnopgezet vanuit de behoeften van jongeren en gefinancierd met demiddelen uit het amendement Westerveld.3Het gaat om:1.Opstellen van een visie op erkenning en herstel «Oprecht doorleefd»;2.Organiseren van erkenningsdagen op locatie (van gesloten jeugd-hulp): momenten waar jongeren konden terugkeren, om te verwerkenwat daar is gebeurd;3.Lotgenotencontact op neutraal terrein: ontmoetingen waar jongerenmet vergelijkbare ervaringen elkaar kunnen steunen en ontmoeten;4.Meerdaagse bijeenkomsten: intensievere trajecten waarin tijd enruimte is voor verwerking en herstel;5.Vastleggen van beeldmateriaal van instellingen: foto’s of anderemiddelen die kunnen helpen bij het verwerken van ervaringen of bijhet zichtbaar maken van het verleden;6.Traumasensitief communiceren: jongeren hebben meegedacht overhoe de overheid en instellingen op een begrijpelijke en zorgvuldigemanier kunnen communiceren.1Kamerstukken II 2023/2024 31 839, nr. 10142Kamerstukken II, 2025/2026, 31 839, nr. 11493Amendement Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 113Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11812 Deze pilots zijn inmiddels afgerond en hiermee is ervaring opgedaan vooractiviteiten die een bijdrage kunnen leveren aan herstel. In «Oprechtdoorleefd» (bijlage 1) hebben jongeren hun visie op erkenning en herstelna verblijf in de gesloten jeugdhulp gedeeld. Ik vind het bijzonder hoe zijwoorden hebben kunnen geven aan dit beladen onderwerp en concreetonder woorden hebben gebracht wat zij belangrijk vinden bij excuses,erkenning en herstel. Dit helpt ons bij het vormgeven van excuses en hetvervolg.Op dit moment ben ik met jongeren en ervaringsdeskundigen, de VNG,Jeugdzorg Nederland en Ondersteuningsteam Zorg voor Jeugd (OZJ) ingesprek over de invulling van de meerjarige herstelactiviteiten. Eersteideeën zijn een collectief aanbod voor jongeren, naasten ennabestaanden, gericht op lotgenotencontact, erkenningsdagen bij(oud-)gesloten jeugdhulpinstellingen en herstelweken. Een eersteuitwerking van een plan zal tijdens de excuusbijeenkomst gepresenteerdworden. Daarnaast geven jongeren aan behoefte te hebben aan herstel inde vorm van ondersteuning bij hun ontwikkeling en inrichten van hundagelijks leven. Ik verken een centraal punt dat met jongeren meedenkten, als dat nodig is, voor hen bemiddelt bij zaken waar zij tegenaan lopen,bijvoorbeeld bij het krijgen van hulp.Bij de invulling van excuses en erkenning en de inrichting van herstelacti-viteiten, wordt ook uitvoering gegeven aan de motie van het lidWesterveld over het meenemen van de lessen naar aanleiding van hetrapport van Commissie de Winter in het plan voor erkenning en herstel.4Zo zijn jongeren en ervaringsdeskundigen intensief betrokken bij deinvulling van de excuses en zijn de behoeften van deze jongeren hetuitgangspunt voor de invulling van de herstelmaatregelen. Ook is eraandacht voor goede nazorg en wordt het belang van brede communi-catie over de excuses en herstelmaatregelen meegenomen om zo veelmogelijk jongeren te bereiken. Daarnaast zijn de pilots zodanig vormge-geven dat ze – ook in de nadere herstelactiviteiten – bijdragen aan eendoorlopend proces van erkenning en herstel: dit is mag geen eenmaligegebeurtenis zijn, maar vraagt om doorlopende zichtbaarheid, erkenningen maatschappelijke waardering. Hiermee heb ik deze motie afgedaan.Transformatie gesloten jeugdhulpExcuses en erkenning en herstelactiviteiten kunnen niet losgezien wordenvan de transformatie gesloten jeugdhulp. Er is een gezamenlijke wens enopdracht om de gesloten jeugdhulp af te bouwen. Om deze transformatiete ondersteunen zijn in 2024 bestuurlijke afspraken gemaakt tussen deMinisteries van VWS, JenV, OCW en de VNG en Jeugdzorg Nederland enis er door het Rijk € 176 miljoen ter beschikking gesteld aan gemeenten.In de afgelopen jaren zijn al grote stappen in gezet. Het doel is om in 2030zo dichtbij nul gesloten plaatsingen als mogelijk te zijn. We werken toenaar het helemaal stoppen met het plaatsen van jongeren in geslotenjeugdhulpinstellingen. We weten immers inmiddels dat de geslotenjeugdhulp jongeren op langere termijn vaak niet helpt of zelfs schadelijkis. Stoppen betekent ook een wijziging van de Jeugdwet, waarbij gekekenwordt naar de huidige wettelijke grondslag voor gesloten jeugdhulp bijernstige opvoed- en opgroeiproblemen. Het komen tot deze wijzigingvereist een omvangrijk en zorgvuldig traject.Ik wil benadrukken dat een betere samenwerking in de keten en hetrealiseren van voldoende passende alternatieven voor jongeren voorwaar-delijk is om te kunnen stoppen met de huidige gesloten jeugdhulp. Ik zie4Kamerstukken II, 2023/2024, 31 839, nr. 1001Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11813 dat op dit moment de ontwikkeling van deze alternatieven nog onvol-doende tot stand komt. Hierdoor zien verwijzers zich te vaak genoodzaakteen oplossing te zoeken buiten bestaande contracten. Dit gaat onderandere om één-op-één plaatsingen (bijvoorbeeld op vakantieparken) en/ofplaatsingen op een plek ver van huis, die vaak niet aansluiten bij watjongeren nodig hebben, zonder onderwijs en/of dagbesteding, die ooknog eens zeer kostbaar kunnen zijn. Dat vind ik onwenselijk. Om eenimpuls te geven aan de opbouw van alternatieven en het realiseren vanpassende zorg voor deze jongeren, is besloten om de bestuurlijkeafspraken van 2024 te herijken, onder meer op de thema’s vakmanschap,vrijheidsbeperkende maatregelen, verwijsproces, monitoring en meerintegrale samenwerking tussen specialistische jeugdhulp, GGZ, versla-vingszorg, gehandicaptenzorg. Ik ben op dit moment samen metbetrokken partijen bezig met herijken hiervan en ik verwacht dit in hetnajaar af te ronden. We kijken daarbij naar samenwerkingsafspraken, hetstimuleren van opleidingen en intervisie en aanpassingen in wet- enregelgeving. Ook de verbinding met onderwijs is hierin een belangrijkecomponent. Door de bestuurlijke afspraken verder te concretiseren enverantwoordelijkheden duidelijker te beleggen, moet de transformatie eensterke impuls geven.Reactie op rapport «Eenzaam gestorven»Op dinsdag 9 juni presenteerde Jason Bhugwandass zijn tweede rapportover de ZIKOS-afdelingen, «Eenzaam gestorven». In het rapport zijnjongeren die verbleven in ZIKOS geinterviewd en hieruit blijkt dat hetwelzijn van deze geïnterviewde jongeren ernstig verstoord is, dat bijnaalle jongeren kampen met psychische en/of fysieke klachten en dat nazorgen passende ondersteuning ontbreekt. Zoals toegezegd tijdens het debatop 11 juni jl. reageer ik op de aanbevelingen uit het rapport. Daarnaast zalik de Kamer via de reguliere voortgangsbrieven Jeugd op de hoogte-houden van de opvolging van de aanbevelingen.Aanbeveling 1: Maak excuses voor de misstanden op de ZIKOS-afdelingenOp 29 augustus 2026 zullen de stelselpartijen (VWS, JenV, VNG enJeugdzorg Nederland) excuses maken aan de jongeren en oud-cliëntendie misstanden zoals eerder genoemd hebben meegemaakt binnen degesloten jeugdhulp, waaronder de voormalig ZIKOS-afdelingen, of doorverblijf in een justitiële jeugdinstelling op basis van een civielrechtelijkemaatregel. In «Eenzaam gestorven» wordt aanbevolen specifiek aan dejongeren van de ZIKOS-afdelingen excuses te maken. Ik vind hetbelangrijk om te erkennen dat jongeren die te maken hebben gehad metverregaande inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen, een repressiefleefklimaat en (fysiek, psychisch en seksueel) geweld hierdoor schadehebben opgelopen; de zorg heeft ernstig tekort geschoten. Tegelijk wil ikook recht doen aan het leed van jongeren in andere delen van de geslotenjeugdhulp. Daarom is in lijn met motie Dobbe (Kamerstuk 31 839, nr.1014)5 besloten excuses te maken aan alle jongeren en oud-cliënten diemisstanden te maken hebben gehad in de gehele gesloten jeugdhulp.Aanbeveling 2: Ondersteun de behoeften van jongerenZoals de aanbeveling stelt, moeten excuses gepaard gaan met herstel. Ikvind het belangrijk dat de behoeften van jongeren serieus wordengewogen bij de invulling van de herstelactiviteiten. Voor de herstelactivi-teiten heb ik € 12 miljoen beschikbaar gesteld tussen 2026–2030.5https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2024Z05516&did=2024D12771Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11814 Aanbeveling 3: Aandacht en nazorg voor nabestaandenBij het opzetten van de herstelactiviteiten zullen we ook aandacht hebbenvoor nabestaanden. Dit wordt nog nader ingevuld.Aanbeveling 4: Onderzoek oorzaken die hebben geleid tot overlijden vanjongerenHet is onbeschrijfelijk verdrietig dat jongeren overleden zijn. Ik begrijp devraag om via psychosociale autopsies vast te stellen wat de aanleidingenvoor het overlijden waren. Bij 113 bestaan de mogelijkheden ompsychosociale autopsies uit te voeren als er een vraag ligt bijnabestaanden. Ik ga hierover met 113 in gesprek. Daarbij zal ik verkennenwat de systematiek van de psychosociale autopsie voor deze groep kanbetekenen.Aanbeveling 5: Reflecteer op de passiviteit na het ZIKOS-rapportNa het uitkomen van het eerste rapport «Eenzaam gesloten», heeft denadruk vanuit partijen en vanuit het ministerie vooral gelegen op hetzorgen voor andere plekken voor de jongeren die op ZIKOS-afdelingenverbleven ten tijde van de sluiting. Daarnaast lag de nadruk op het af- enombouwen van de gesloten jeugdhulp naar kleinschalige en beterealternatieven. Dit tweede rapport «Eenzaam gestorven» laat mij zien dat eronvoldoende aandacht is geweest voor hoe het met de jongeren ging dieeerder in ZIKOS zaten. Het is voor mij nu een prioriteit om aan hun leedrecht te doen met excuses en herstelactiviteiten, samen met de betrokkenpartijen.Aanbeveling 6: Laat niet-adequaat handelen gepaard gaan metconsequentiesEr zijn verschillende mogelijkheden om in te grijpen als zorgaanbiedersniet goed functioneren.1.Zo kunnen jeugdigen een klacht indienen bij de jeugdhulpaanbieder.Het is belangrijk dat deze klachten serieus worden genomen enzorgvuldig worden opgevolgd. Het verbeteren van het klachtrechtvind ik belangrijk. VWS heeft ook onderzoek laten doen naar deuitvoering en de verbeterpunten van klachtbehandeling in het bredejeugdzorgdomein. Ook de Kinderombudsman heeft een onderzoekuitgebracht over het klachtrecht in de jeugdzorg.6 Deze inzichten zal ikbetrekken bij verbeteringen.2.Ook is er een rol voor de interne toezichthouder als een jeugdhulp-aanbieder niet goed functioneert.3.De IGJ kan op basis van signalen toezicht uitvoeren en indien nodigheeft zij een breed instrumentarium om de kwaliteit van de zorg tebevorderen. Dit kan gaan om maatregelen zoals:•een verbeterplan vragen;•een aanwijzing geven (zorgaanbieder is verplicht om bepaaldemaatregelen te nemen);•onder verscherpt toezicht plaatsen;•een bestuurlijke boete geven•in ernstige gevallen kan een bevel worden gegeven (onderdelenvan de zorg of specifieke behandelingen worden dan stil gelegd);•ook kan de IGJ een tuchtklacht indienen tegen een individuelezorgverlener.4.Gemeenten hebben ook een rol. Zij zijn verantwoordelijk voor dekwaliteit van jeugdhulp die zij inkopen én kunnen vanuit deze6Je bent maar een kind, je durft gewoon niet», 12 februari 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11815 inkopende rol ook eisen stellen aan de kwaliteit van zorg. En daareventueel consequenties aan verbinden.Aanbeveling 7: Onderzoek het functioneren van voormalig ZIKOS-medewerkers en directieledenAls er aanwijzingen zijn dat het handelen van medewerkers of leidingge-venden de veiligheid van jongeren in gevaar heeft gebracht of dat sprakeis geweest van de eerder genoemde misstanden, moeten dergelijkesignalen vanzelfsprekend serieus worden genomen en onderzocht.Allereerst kan een klacht worden ingediend bij de jeugdhulpaanbiederzelf. Ook kunnen bestaande procedures worden ingezet, zoals (tucht-)klachten bij het Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), of het doen vanaangifte.Ik werk aan betere randvoorwaarden voor kwalitatief goede jeugdhulp. Zowil ik een meld-, vergewis- en een vergunningsplicht voor jeugdhulpaan-bieders. Daarmee worden signalen over mogelijk onveilig handelensneller opgepakt. Ook helpt dit om ervoor te zorgen dat bestuurders enprofessionals aan de juiste kwaliteitseisen voldoen.Aanbeveling 8: Ontwerp een (online) gedragscode voor medewerkers inde jeugdhulpIn «Eenzaam gestorven» wordt aangegeven dat jongeren opnieuwworden beschadigd door online reacties van medewerkers opmisstanden. Allereerst wil ik de oproep doen om vooral het gesprek aan tegaan in plaats van online je mening te verkondigen. Ik vind het belangrijkdat betrokkenen respectvol met elkaar om kunnen gaan, offline én online.Ik ga hier met Jeugdzorg Nederland over in gesprek en zal ook onder-zoeken hoe dit in andere sectoren geregeld is.AfsluitendSamen met jongeren en betrokken partijen werk ik aan de excuusbijeen-komst op 29 augustus aanstaande. Dat is de eerste stap om jongeren,ouders en naasten de oprechte erkenning en excuses te geven die zeverdienen. Deze bijeenkomst moet recht doen aan het leed dat zij hebbenmeegemaakt in de gesloten jeugdhulp, inclusief ZIKOS of door het verblijfin een justitiële jeugdinstelling op basis van een civielrechtelijkemaatregel. Dat is de eerste stap voor herstel. Ook geven we dan eennadere invulling van de herstelactiviteiten. Dit alles kan niet los wordengezien van het toewerken naar een einde aan de gesloten jeugdhulp. Ikblijf me, samen met mijn collega’s van JenV en OCW, VNG en JeugdzorgNederland, met hoge prioriteit inzetten voor de verdere af- en ombouwvan de gesloten jeugdhulp. We doen dit door in te zetten op een beteresamenwerking in de keten, het voorkomen van gesloten plaatsingen enhet realiseren van passende alternatieven.De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,W.R.C. SterkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11816 Afdoen – motiesIn het kader van het excuus- en hersteltraject zijn in deze brief devolgende moties afgedaan:–Motie van het lid Westerveld (PRO) over een onafhankelijk onderzoeknaar ZIKOS-afdelingen en juridische instrumenten om de benodigdeinformatie boven water te krijgen.–Motie van het lid Westerveld (PRO) over het meenemen van de lessenuit het traject naar aanleiding van het rapport-De Winter in het planvoor erkenning en herstel (zie pagina 3).–Motie van het lid Bruyning (NSC) over onderzoeken welke ruimte deAVG biedt voor het geven van toegang tot hun dossiers aanbetrokkenen.Reactie op Motie van het lid Westerveld over een onafhankelijkonderzoek naar ZIKOS-afdelingen en juridische instrumenten omde benodigde informatie boven water te krijgenEen van de aanbevelingen uit het rapport «Eenzaam gesloten, 2024» vanJason Bhugwandass was om onafhankelijk onderzoek te doen naar deZIKOS-afdelingen. Deze aanbeveling is overgenomen, waarbij deresultaten van de reflectie van de IGJ deel uit zouden maken van hetonderzoek.7 De reflectie van de IGJ is bij de voortgangsbrief jeugd vannovember 2024 aan uw Kamer toegestuurd.8 Zoals ook toegelicht in devoortgangsbrief jeugd van december 20259 bleek onafhankelijk onderzoeknaar de ZIKOS-afdelingen naast het onderzoek van de inspectie en hetzelfonderzoek dat de voormalig ZIKOS-instellingen hebben gedaan, echterniet mogelijk. In reactie hierop vraagt de motie10 van het lid Westerveld teonderzoeken welke juridische instrumenten er zijn om informatie teverkrijgen uit dossiers van jongeren in ZIKOS-afdelingen. Het lidWesterveld overweegt daarbij dat onafhankelijk onderzoek naar deZIKOS-afdelingen niet mogelijk is omdat instellingen geen toegang tot dedossiers van jeugdigen zouden willen geven.Voor zover de motie doelt op een wettelijke grondslag voor de bewinds-personen van VWS en JenV om de betreffende jeugdhulpaanbieders tedwingen deze informatie te verschaffen, geldt dat een dergelijkegrondslag ontbreekt. Dit laat onverlet dat de inspecties11 in het kader vanhun wettelijke toezichttaak de nodige bevoegdheden kunnen uitoefenenen in dat verband ook (inzage in) dossiers kunnen vorderen.12 Zo kunnende inspecties gebruik maken van deze bevoegdheid als dat noodzakelijk isvoor bijvoorbeeld het onderzoek naar (de toedracht van) calamiteiten ofonregelmatigheden. Voor wat betreft de ZIKOS-afdelingen geldt dat dezeonderzoeken door de inspecties inmiddels zijn afgesloten en daarmee isaan de taakuitoefening van de inspecties in dit verband een eindegekomen.Voor zover de motie doelt op mogelijkheden voor de jeugdhulpaanbiedersom gegevens uit de dossiers13 te delen met onderzoekers, is daarvoorhieronder een juridisch kader gegeven. Dit kader wordt gevormd door de7Kamerstukken II 2023/2024 31 839, nr. 1024.8Kamerstukken II 2024/2025 31 839, nr. 1031.9Kamerstukken II 2025/2026 31 839, nr. 1145.10Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XVI, nr. 37.11Belast met dit toezicht zijn de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheiden Justitie (artikel 1 Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren Jeugdwet en Wmo2015).12Artikel 9.2 Jeugdwet juncto 5:17 Algemene wet bestuursrecht.13Het onderzoek zou daarnaast de verwerking van persoonsgegevens van derden, zoalsbijvoorbeeld personeel van instellingen, tot gevolg kunnen hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11817 AVG, de Uitvoeringswet AVG (hierna: UAVG) en onderdelen van deJeugdwet.De verantwoordelijkheid om hier een afweging in te maken ligt bij debetreffende jeugdhulpaanbieders. De jeugdhulpaanbieders zijn er niet vanovertuigd dat zij de verantwoordelijkheid kunnen dragen om onderzoekerstoegang te verlenen tot inzage in de dossiers, zonder de uitdrukkelijketoestemming van de jeugdigen die het aangaat. De onderzoekers kondenop hun plaats niet instaan voor de integriteit van het onderzoek wanneerdit zich alleen zou uitstrekken over personen die toestemming zoudengeven voor de verwerking van hun gegevens.Met dit voorgaande is uitvoering gegeven aan de motie.Juridisch kader onderzoek ZIKOS-afdelingenGegevensverwerking door de aanbiedersJeugdhulpaanbieders zijn op grond van artikel 7.3.8 van de Jeugdwetverantwoordelijk voor de inrichting van dossiers over jeugdigen en voorde daarbij behorende verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens. Zijzijn daarmee verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG. Daarbijis van belang dat het bij de dossiers van jeugdigen die jeugdhulpontvangen gaat om bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Dedossiergegevens bevatten bijvoorbeeld persoonsgegevens overgezondheid. Op grond van artikel 9, eerste lid, AVG geldt daarvoor inbeginsel een verwerkingsverbod. Op dit verwerkingsverbod bestaanuitzonderingen. Zo mogen jeugdhulpaanbieders gegevens overgezondheid verwerken als dat noodzakelijk is met het oog op een goedebehandeling of verzorging van de jeugdige (artikel 30, derde lid,onderdeel a, Uavg).Verder hebben jeugdhulpverleners op grond van artikel 7.3.11 Jeugdweteen geheimhoudingsplicht. Ingevolge deze geheimhoudingsplicht mag dejeugdhulpverlener alleen inlichtingen over de jeugdige verstrekken alsdaartoe een wettelijke verplichting bestaat, degene aan wie gegevensworden verstrekt rechtsreeks bij de jeugdhulpverlening is betrokken ofwanneer de jeugdige (en/of zijn ouders) daar toestemming voor heeftgegeven.Verstrekking gegevens ten behoeve van extern onderzoek ZIKOSUit artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de AVG volgt dat gegevensmoeten worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschrevenen gerechtvaardigde doeleinden en vervolgens niet op een met diedoeleinden onverenigbare wijze verder mogen worden verwerkt. Het doorde aanbieders verstrekken van gegevens uit dossiers ten behoeve vanonderzoek is een verdere verwerking.Een dergelijke verdere verwerking kan onder meer zijn toegestaan als degegevensverwerking plaatsvindt op grond van (uitdrukkelijke)toestemming van de betrokkene. Daarnaast geldt dat toestemming vanbetrokkene een grond voor de doorbreking van de geheimhoudingsplichtvan de jeugdhulpverlener kan zijn.Ook kan verdere verwerking op grond van de AVG zijn toegestaan als debetreffende verwerking plaatsvindt ten behoeve van wetenschappelijkonderzoek. Er moet dan worden voldaan aan de in artikel 89, eerste lid,AVG genoemde waarborgen waaronder technische en organisatorischemaatregelen om het beginsel van minimale gegevensverwerking tegaranderen zoals bijvoorbeeld pseudonimisering. De AVG definieert nietwat onder wetenschappelijk onderzoek moet worden verstaan. WelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11818 worden er eisen gesteld aan de publicatie/het openbaar zijn van deresultaten van het onderzoek, geldt dat wetenschappelijk onderzoek zichmoet richten op het verwerven van nieuwe kennis en dat wetenschap-pelijk ruim moet worden opgevat.14Ook de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 7.3.11 Jeugdwet, kanworden doorbroken voor onderzoeksdoeleinden. Ook zondertoestemming. Artikel 7.3.12 Jeugdwet bevat hiervoor een grondslag enbepaalt onder meer dat het vragen van toestemming in redelijkheid nietmogelijk is en er bij de uitvoering van het onderzoek is voorzien inzodanige waarborgen, dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkeneniet onevenredig wordt geschaad, of het vragen van toestemming, geletop de aard en het doel van het onderzoek, in redelijkheid niet kan wordenverlangd en de gegevens in zodanige vorm worden verstrekt datherleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordtvoorkomen. Verder wordt in de UAVG en de Jeugdwet de eis gesteld dathet onderzoek plaatsvindt in het algemeen belang. Dat vereiste kan zoworden uitgelegd dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid moetzijn dat een groep van enige omvang bij het onderzoek een aanzienlijkvoordeel kan hebben.15 Uitgangspunt is zo dat de resultaten publiekbeschikbaar zijn en dat het onderzoek een bijdrage moet leveren aannieuwe wetenschappelijke inzichten.Motie van het lid Bruyning om te onderzoeken welke ruimte deAVG biedt om ouders, kinderen en andere direct betrokkenen inde jeugdzorg en -bescherming toegang te geven tot hun volledigedossiers, ook in het kader van waarheidsvinding bij letselschade-procedures of bij de afsluiting van een traject, en de Kamer teinformeren over voorstellen van eventuele aanpassing van wet- ofregelgeving.16Deze motie gaat over het inzagerecht in dossiers in de jeugdzorg17. Zowelde AVG als de Jeugdwet bevatten een recht op inzage. Op grond daarvanmogen jeugdigen en ouders zien welke gegevens organisaties over henbewaren. Het inzagerecht is onder meer bedoeld om de betrokkene instaat te stellen om te controleren welke persoonsgegevens wordenverwerkt, of deze correct zijn en op rechtmatige wijze zijn verwerkt. Hetverzoek tot inzage hoeft niet te worden onderbouwd. Het is dus nietrelevant of een inzageverzoek wordt gedaan in het kader van eenletselschadeprocedure, bij het afsluiten van een traject of anderszins.Jongeren of ouders die inzage willen, kunnen (meestal schriftelijk) eenverzoek doen bij de organisatie.Als uitgangspunt geldt dat een ieder recht heeft op inzage in de eigenpersoonsgegevens, maar daarbij kunnen de privacybelangen van derdenook een rol spelen. Dat betekent dat inzage bijvoorbeeld kan wordengeweigerd als dit noodzakelijk is om de persoonlijke levenssfeer van eenander te bewaken. Wie inzage krijgt hangt ook af van de leeftijd van dejongere. Welke gegevens precies onder het inzagerecht vallen en of inzagein het volledige dossier mogelijk is, kan daarom niet op voorhand wordenvastgesteld en verschilt per situatie. Daarom is ervoor gekozen om hetinzagerecht op grond van de AVG en de Jeugdwet op hoofdlijnen uit tewerken. De uiteenzetting over het inzagerecht is hieronder opgenomen.Op deze wijze beogen we bij te dragen aan het informeren van jeugdigen,14Zie overweging 157 en 159 bij de AVG.15Vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21561, nr. vindplaats (totstandkoming 7:458 BW).16Kamerstukken II 2024/2025, 31 839, nr. 1101.17Jeugdzorg wordt hier gebruikt als verzamelterm voor jeugdhulp en (het onderzoek naar/deuitvoering van) kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering door respectievelijkjeugdhulpaanbieders, de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 11819 ouders, professionals en andere betrokkenen over het inzagerecht. Zodatzij het inzagerecht effectief kunnen uitoefenen en ook organisaties zichbewust zijn van de geldende regels. De uiteenzetting hebben weafgestemd met de Manifestpartners «In goed vertrouwen»18.Voor zover de motie oproept om wet- en regelgeving aan te passen, zienwe momenteel geen aanleiding om – naast de al lopende trajecten19 –wijzigingen voor te stellen rondom het inzagerecht. Hiermee beschouwenwe deze motie als afgedaan.Uiteenzetting inzagerechtIn de jeugdzorg worden (bijzondere20) persoonsgegevens van ouders,jeugdigen en andere betrokkenen verwerkt. Organisaties zoalsgemeenten, jeugdhulpaanbieders, de Raad voor de Kinderbescherming engecertificeerde instellingen verwerken deze gegevens om hun werk goedte kunnen doen en te voldoen aan de wettelijke verplichting om eendossier in te richten en persoonsgegevens te bewaren. Betrokkenen vanwie persoonsgegevens worden verwerkt, hebben verschillende rechten.Een voorbeeld daarvan is het recht om hun persoonsgegevens in te zien.Dit recht volgt o.a. uit de AVG en de Jeugdwet.21De AVG vormt het algemene kader dat geldt bij verwerking van persoons-gegevens en stelt regels over onder andere het inzien van deze gegevens.Daarnaast staan in de Jeugdwet (paragraaf 7.3) extra regels over welkeinformatie jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen in hetdossier mogen opnemen en wanneer iemand deze informatie mag inzien.Deze regels uit de Jeugdwet gelden naast de regels uit de AVG.Zowel op basis van de Jeugdwet als de AVG hoeft de verzoeker zijn ofhaar belang niet kenbaar te maken bij het uitoefenen van het inzagerecht.Het maakt dan ook niet uit of het verzoek wordt gedaan in het kader vaneen letselschadeprocedure of anderszins. Hoewel dit niet snel wordtaangenomen, geldt een uitzondering bij misbruik van recht. Bijvoorbeeldbij buitensporig veel inzageverzoeken of inzageverzoeken die kennelijkniet zijn bedoeld om de verwerking van persoonsgegevens te controleren,maar om de organisatie doelbewust te schaden.Tot slot kan van het inzagerecht ook gebruik worden gemaakt na afsluitingvan het traject.22 Pas wanneer de gegevens na het verstrijken van debewaartermijn zijn vernietigd, is inzage niet meer mogelijk.18Dit is een coalitie van ruim 20 branche- en beroepsorganisaties in de jeugdhulp en jeugdbe-scherming, waaronder VNG, Jeugdzorg Nederland, het NIP, de Nederlandse GGZ, SociaalWerk Nederland, de VOBC en VGN.19Zie bijvoorbeeld Wetsvoorstel tot wijziging van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enigeandere wetten in verband met de verbetering van de rechtsbescherming van kinderen enouders bij maatregelen van kinderbescherming (Wet versterking rechtsbescherming in dejeugdbescherming. Daarnaast zal in het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherminggegevensverwerking nader worden bekeken. Op dit moment is nog niet bekend welkeaanpassingen zullen worden voorgesteld.20Denk hierbij aan persoonsgegevens over gezondheid, geloofsovertuiging, seksuele voorkeuren persoonsgegevens van strafrechtelijke aard.21In de Jeugdwet is waar mogelijk aangesloten bij de wet op de geneeskundige behandel-overeenkomst om te voorkomen dat aanbieders die op het snijvlak van deze wetten opererenmet verschillende wettelijke regimes worden geconfronteerd. Zie ook Kamerstukken II 2012/13,33 684, nr. 3 (MvT) p.221.22Zie HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1169. Een overzicht van de verschillende bewaarter-mijnen van dossiers door de gemeente, gecertificeerde instelling en de Raad voor deKinderbescherming zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdhulp/vraag-en-antwoord/dossier-jeugdhulp-bewaartermijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 118110 Inzage op grond van de AVG en de JeugdwetJeugdhulpverleners en gecertificeerde instellingen moeten in het dossierinformatie verwerken die noodzakelijk is voor verlening van jeugdhulp ofde uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclas-sering.23 De regels over het dossier en het daarbij behorende inzagerechtzijn opgenomen in paragraaf 7.3 van de Jeugdwet. Het inzagerecht in deJeugdwet ziet specifiek op de gegevens die op grond van de Jeugdwet totdit dossier behoren. Persoonlijke werkaantekeningen die geen onderdeelzijn van het dossier, declaratiegegevens en het klachtdossier behoren niettot dit dossier en vallen daarmee niet onder het inzage recht van deJeugdwet.De AVG biedt een meer algemeen kader op grond waarvan de betrokkenehet recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel teverkrijgen over het al dan niet verwerken persoonsgegevens en, wanneerdat het geval is, om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Andersdan het inzagerecht op grond van de Jeugdwet geldt dit inzagerecht nietalleen voor persoonsgegevens in het dossier. Het inzagerecht op grondvan de AVG kan bijvoorbeeld ook zien op declaratiegegevens en hetklachtdossier. Ook is het inzagerecht van de AVG van toepassing op depersoonsgegevens die wordt verwerkt door de Raad voor de Kinderbe-scherming en de gemeente.24 Overigens wordt met het wetsvoorstel«versterken van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming25»voorgesteld om een inzagerecht te creëren in het dossier van de Raadvoor de Kinderbescherming vergelijkbaar met het inzagerecht in deJeugdwet voor diegenen ten behoeve van wie als minderjarige hetdossier is aangelegd.Wie hebben een inzagerecht?In de Jeugdwet is geregeld dat de «betrokkene» op verzoek inzage (en eenafschrift) krijgt van de gegevens uit het dossier. De betrokkene is degeneaan wie rechtstreeks jeugdhulp wordt verleend, ten aanzien van wie deverlening van jeugdhulp wordt voorgesteld of ten aanzien van wie eenkinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitgevoerd wordt ofde uitvoering daarvan wordt voorgesteld.26 De betrokkene is in de meestegevallen de jeugdige zelf. Het verzoek tot inzage in het jeugdhulpdossierkan afhankelijk van de omstandigheden door de jeugdige zelf of door zijnwettelijk vertegenwoordigers worden gedaan:•bij jeugdigen tot 12 jaar en wilsonbekwame jeugdigen tot 18 jaar zijndat de wettelijk vertegenwoordigers27•bij (wilsbekwame) jeugdigen tussen de 12 en 16 jaar zijn dat zowel dewettelijk vertegenwoordiger als de jeugdige zelf28•bij (wilsbekwame) jeugdigen van 16 jaar of ouder is dat de jeugdigezelf29•bij wilsonbekwame jeugdigen vanaf 18 jaar zijn dat de curator, mentorof gemachtigde (of als die er niet zijn een familielid)3023Artikel 7.3.8 Jeugdwet jo. 7.3.1 Jeugdwet.24Het gaat hier om de toegangstaak van de gemeente. Voor zover de gemeente zelf jeugdhulpuitvoert, is de regeling over het inzagerecht in de Jeugdwet wel van toepassing.25Wetsvoorstel tot wijziging van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten inverband met de verbetering van de rechtsbescherming van kinderen en ouders bij maatre-gelen van kinderbescherming (Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming).26Artikel 7.3.10 jo. 7.3.1 tweede lid Jeugdwet.27Artikel 7.3.15, eerste en tweede lid, Jeugdwet.28Artikel 7.3.10 en 7.3.11, tweede lid, onder b, Jeugdwet.29Artikel 7.3.10 Jeugdwet.30Artikel 7.3.15, tweede en derde lid, Jeugdwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 118111 •Is de betrokkene overleden, dan hebben nabestaanden in bepaaldeomstandigheden ook inzagerecht.31Op grond van de AVG komt het inzagerecht toe aan een persoon wienspersoonsgegevens worden verwerkt, dus bijvoorbeeld ook informatieover familieleden, zoals broers of zussen, die geen jeugdhulp ontvangenmaar wel vermeld worden in het dossier. Dit betekent concreet dat eenieder recht heeft om zijn eigen persoonsgegevens in te zien en daartoeeen verzoek bij de verwerkingsverantwoordelijke kan indienen. Alleenkinderen onder de 16 jaar of die wilsonbekwaam zijn hebben geenzelfstandig inzagerecht: dit recht wordt uitgeoefend door de wettelijkvertegenwoordiger (meestal de ouder met gezag).32Uitzonderingen op het inzagerechtDe Jeugdwet en de AVG kennen een aantal uitzonderingen op hetinzagerecht. In dat geval wordt inzage (gedeeltelijk) geweigerd omdat ereen ander, zwaarwegend belang is. Wanneer een uitzonderingsgrondwordt toegepast, moet goed worden uitgelegd waarom de inzage wordtgeweigerd.Op grond van zowel de Jeugdwet als de AVG kan inzage wordengeweigerd ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer of vrijhedenvan anderen.33 Het gaat hier om een afweging van de rechten vanverschillende personen waarvan de gegevens worden verwerkt door eenorganisatie. Een dossier kan bijvoorbeeld persoonsgegevens bevattenover meerdere personen, zoals andere gezinsleden of personen uit hetsociale netwerk. Informatie die alleen gaat over andere gezinsleden ofandere derden is in beginsel niet ter inzage, tenzij degene om wie het gaataangeeft geen bezwaren te hebben tegen het delen van de persoonsge-gevens met de verzoeker. Soms zijn de gegevens van verschillendepersonen zo nauw met elkaar verbonden dat het onderscheiden ervan nietmogelijk is. Het is dan moeilijk om de betrokkene inzage te verlenen in zijneigen gegevens zonder dat daarbij gegevens van anderen wordenprijsgegeven. De organisatie moet in zo een geval afwegen of depersoonlijke levenssfeer van de derde wordt geschaad bij het verstrekkenvan inzage, dan wel dat deze gegevens worden geacht de cliënt zelf tebetreffen en niet de «derde». De belangen van de diverse personenmoeten dan tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van de jeugdigestaat daarbij voorop. Alleen indien het belang van de ander zwaarwegendis, moet inzage worden geweigerd. Een andere reden om inzage inpersoonsgegevens van anderen te krijgen kan gelegen zijn in eenzwaarwegend belang van de verzoeker, bijvoorbeeld als de verzoeker opzoek is naar informatie in het kader van identiteitsvorming34.Daarnaast gelden op grond van de AVG nog een aantal andere uitzonde-ringen. Inzage wordt geweigerd voor zover dat noodzakelijk en evenredigis ter waarborging van bijvoorbeeld de bescherming van de persoonwaarover de gegevens zijn verwerkt, een strafrechtelijk proces ofonderzoek naar fraude.35 Ook kent de Jeugdwet nog een weigerings-grond, namelijk voor zover inzage in het jeugdhulpdossier niet31Artikel 7.3.12a en 7.3.12b Jeugdwet. Let wel de AVG is alleen van toepassing op informatievan levende personen en kent daarom niet een vergelijke bepaling voor nabestaanden.32Artikel 5 lid 4 Uitvoeringswet AVG.33Artikel 7.3.10 Jeugdwet en artikel 23 sub i AVG jo. artikel 41 lid 1 sub i Uitvoeringswet AVG.34De Hoge Raad heeft erkend dat het recht op inzage in dit soort gevallen niet alleen gaat omstrikte persoonsgegevens, maar ook om informatie die iemand nodig heeft om zijn identiteit tevormen en om zijn psychisch welzijn te bevorderen. Met het wetsvoorstel «versterken van derechtsbescherming in de Jeugdbescherming» wordt voorgesteld bovenstaande te codificeren.35Artikel 23 sub d, e en i AVG en artikel 41 lid 1 sub d, e en i Uitvoeringswet AVG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 118112 verenigbaar is met de zorg van een goed jeugdhulpverlener.36 Dit gaatbijvoorbeeld om situaties waarin de veiligheid of gezondheid van dejeugdige in het gevaar zou komen als de ouder bepaalde gegevens zouinzien.Of een uitzonderingsgrond van toepassing is op een inzageverzoek, hangtnauw samen met de specifieke omstandigheden van het geval. Het isdaarom van belang dat aan de hand van een zorgvuldige afwegingbeoordeeld of een uitzonderingsgrond aan de orde is.De wijze van inzage en rechtsbeschermingInzageverzoeken op grond van de Jeugdwet en de AVG dienen binnen éénmaand – maar uiterlijk binnen drie maanden indien het een ingewikkeld ofomvangrijk verzoek betreft – te worden opgevolgd.37 Gaat het omgegevens die zijn verwerkt in het kader van de Jeugdwet, dan dient dejeugdhulpverlener of de medewerker van de gecertificeerde instelling eenkopie van de documenten uit het jeugdhulpdossier te verstrekken voorzover dit onder de reikwijdte van het recht op inzage valt.38 De AVGverplicht dit niet en bepaalt slechts dat bij een verzoek om inzage «eenkopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt» moet wordenverstrekt.39 Het is aan de organisatie om te bepalen of zij de informatieverstrekt door middel van een begrijpelijk overzicht van de persoonsge-gevens die een organisatie verwerkt, of door het verstrekken van eenkopie van de documenten uit het dossier. Bij het herhaaldelijk indienenvan inzageverzoeken kan de organisatie op enig moment ook kenbaarmaken dat de verzoeker alle persoonsgegevens heeft ontvangen waardiegene op grond van het inzagerecht recht op heeft.Indien de verzoeker van mening is dat het inzageverzoek onjuist isafgehandeld, dan bestaat de mogelijkheid om dit te laten toetsen. Voorzover het een inzageverzoek betreft op grond van de AVG of Jeugdwet bijeen jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling, dan kan binnen zesweken een verzoek worden ingediend bij de civiele rechter.40 Gaat het omeen inzageverzoek op grond van de AVG bij de gemeente of Raad voor deKinderbescherming, dan kan bezwaar worden ingediend bij de gemeente(college van burgemeester en wethouders) of de Raad voor de Kinderbe-scherming en vervolgens beroep worden ingesteld bij de bestuurs-rechter.41 Zowel de civiele als bestuursrechtelijke route kan wordendoorlopen zonder tussenkomst van een advocaat.42 Daarnaast kan deverzoeker een klacht indienen bij (de functionaris gegevensbeschermingvan) de organisatie of de Autoriteit Persoonsgegevens.43TenslotteHet is van belang dat jeugdigen, ouders en andere betrokkenen goedgeïnformeerd zijn over het inzagerecht, zodat zij weten welke rechten zijhebben en hoe zij deze kunnen uitoefenen. Daarnaast is het belangrijk datorganisaties zich bewust zijn van de regels die daarbij gelden.Met deze uiteenzetting wordt beoogd hieraan een bijdrage te leveren,zodat het inzagerecht op effectieve wijze kan worden uitgeoefend.36Artikel 7.3.11, derde lid, en artikel 7.3.15, vierde lid, Jeugdwet.37Artikel 12 lid 3 AVG.38Artikel 7.3.10 Jeugdwet.39Artikel 15 lid 3 AVG.40Artikel 7.3.17 Jeugdwet jo. 35 Uitvoeringswet AVG.41Artikel 34 Uitvoeringswet AVG jo. hoofdstuk 6 en 8 Algemene wet bestuursrecht.42Artikel 2.1 jo. 8.24 Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 lid 4 Uitvoeringswet AVG.43Zie voor meer informatie: https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/een-tip-of-klacht-indienen-bij-de-ap.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 839, nr. 118113
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Mirjam Sterk
41debatten
1.793bijdragen
12interrupties
229.859woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: CDA (2008-07-29–2012-09-19) · CDA (2005-07-27–2008-04-07) ·