KamerkringInloggen
Mirjam Sterk

Officieel Kamerprofiel

Mirjam Sterk

41debatten
1.793bijdragen
12interrupties
229.859woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: CDA (2008-07-29–2012-09-19) · CDA (2005-07-27–2008-04-07) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
17 aug 2026 · Kamerstuk

29214 Subsidiebeleid VWS Nr. 115 Brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 17 augustus 2026 Hierbij bied ik u het ontwerpbesluit houdende de wijziging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan (hierna: de subsidieregeling) aan, in verband met de verlenging van de werkingsduur en de aanpassing van (de berekening van) de bedragen in de regeling. De huidige subsidieregeling kent een vervaldatum van 01-01-2027. De onderhavige wijzigingsregeling ziet op de verlenging van de werkingsduur van de subsidieregeling van 01-01-2027 tot 01-01-2032 (de maximaal toegestane periode van vijf jaar, conform artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016). De voorlegging geschiedt in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure (artikel 4.10, zesde lid) van de Comptabiliteitswet 2016 en biedt uw Kamer de mogelijkheid zich uit te spreken over het ontwerpbesluit voordat ik deze zal ondertekenen en ter publicatie aan de Staatscourant zend. Uw Kamer heeft hiertoe de gelegenheid tot 1 oktober 2026. In februari 2026 is de huidige subsidieregeling geëvalueerd door Improven[voetnoot 1]. Op hoofdlijnen concludeert Improven dat de subsidieregeling doeltreffend en doelmatig is. Volgens Improven draagt de huidige internaatvorm bij aan het realiseren van de doelstellingen van de regeling, waardoor de noodzaak voor verlenging van de subsidieregeling blijft bestaan. Wel adviseert Improven om de financieringsvormgeving in de huidige regeling te herzien in het kader van de geconstateerde krimp van het aantal kinderen op de internaten, dat naar verwachting de komende jaren zal doorzetten. Vanuit de evaluatie van de huidige subsidieregeling en gesprekken met de internaten is een aantal verbeterpunten aan de orde gekomen die zijn verwerkt in de regeling. Uitgangspunt daarbij is dat de inhoud van de regeling de internaten in staat stelt om efficiënt, doelmatig en toekomstbestendig de internaten te runnen, ook als het aantal kinderen in de toekomst daalt. Tegelijkertijd maken deze wijzigingen het wenselijk een duidelijke norm te stellen om ondoelmatige inzet van middelen te voorkomen. Daarnaast wordt met de aanpassingen beoogd de verdeling van de subsidie relatief gelijk te houden ten opzichte van de huidige regeling, met het oog op de continuïteit van de internaten. De eerste wijziging betreft de introductie van een hybride financieringsmodel, waar invulling aan wordt gegeven door de formule waarlangs de subsidie wordt berekend aan te passen. Deze berekening bestaat in het ontwerpbesluit uit een vast basisbedrag voor de vaste kosten van locaties en een variabele bijdrage per kind. Het vaste basisbedrag van 11% van de totale subsidie maakt dat internaten minder kwetsbaar zijn bij een dalende instroom van het aantal kinderen, doordat financiering niet volledig kindgebonden is. Bij de verdeling van dit bedrag worden de kleine internaatlocaties extra weging gegeven. Dit sluit beter aan op de praktijk, aangezien de vaste kosten van kleine locaties relatief hoog zijn. De resterende 89% van de huidige subsidie wordt, vergelijkbaar met de huidige situatie, variabel toegekend op basis van het aantal ingeschreven kinderen per internaat. Voor het variabele bedrag per kind worden momenteel vier normbedragen gehanteerd op basis van de juridische grondslag van het gebruik van het vastgoed. In de nieuwe regeling wordt gewerkt met één normbedrag waardoor het bedrag voor huurkosten gelijkgetrokken wordt met dat van kosten van panden in eigendom. Hiermee wordt invulling gegeven aan de aanbeveling uit de evaluatie om de huurcomponent expliciet te erkennen en wordt de regeling versimpeld. Om doelmatigheid van de regeling en de toekenning van het bedrag voor huisvesting te garanderen kunnen internaten met minimaal zes kinderen aanspraak maken op de subsidieregeling, waarbij geen subsidie wordt verstrekt voor een locatie indien de bezetting van een locatie onder de zes kinderen zakt. Gedurende een (overgangs-) periode van maximaal twee aansluitende subsidiejaren, kan subsidie worden verstrekt voor een locatie met ten minste drie en ten hoogste zes kinderen. Hiermee wordt beoogd om te voorkomen dat een internaat op korte termijn moet sluiten en om ouders de gelegenheid te geven tijdig een andere oplossing te vinden. Tot slot blijft de doelgroep van de regeling gehandhaafd, waarbij – naast schipperskinderen – kermis- en circuskinderen in staat blijven zich in te schrijven op een internaat. In de evaluatie is de aanbeveling gedaan deze subdoelgroepen van de regeling uit te sluiten, omdat er zeer beperkt gebruik wordt gemaakt van deze regeling. Zoals eerder aangegeven in de antwoorden op de schriftelijke vragen van de Kamer vind ik het onwenselijk om de doelgroep van de regeling te wijzigen, aangezien er wel een beperkt aantal kinderen is dat onder deze doelgroep valt en op dit moment op één van de internaten verblijft[voetnoot 2]. Ik wil voorkomen dat de ouders van deze kinderen met de ingang van de nieuwe regeling op zoek moeten naar een alternatief voor hun kind. De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk Ter griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 17 augustus 2026. De wens om over de voorgenomen voordracht voor de vast te stellen ministeriële regeling nadere inlichtingen te ontvangen kan door ten minste dertig leden van de Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 30 september 2026. De voordracht voor de vast te stellen ministeriële regeling kan niet eerder worden gedaan dan op 1 oktober 2026 dan wel binnen veertien dagen na het verstrekken van de in de vorige volzin bedoelde inlichtingen. Bij de termijnen is rekening gehouden met de recesperiode van de Tweede Kamer. Kamerstukken II, 2025-2026, 29 214, nr. 112. Kamerstukken II, 2025-2026, 29 214, nr. 114.

Bron, video en gesprek →