KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

8c36e324-e0bf-40a7-9cbe-8c10bbcfe74d

92debatten
2.983bijdragen
62interrupties
366.341woorden in uitspraken

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
25 jun 2024 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 584Wijziging van de Handelsregisterwet 2007 en deImplementatiewet registratie uiteindelijkbelanghebbenden van trusts en soortgelijkejuridische constructies ter beperking van detoegang tot informatie over uiteindelijkbelanghebbenden van vennootschappen enandere juridische entiteiten alsmede van detoegang tot informatie over uiteindelijkbelanghebbenden van trusts en soortgelijkejuridische constructies (Wijzigingswet beperkingtoegang UBO-registers)Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADERRAPPORT1 Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State d.d. 6 maart 2024 en het nader rapport d.d. 21 juni 2024,aangeboden aan de Koning door de Minister van Financiën, medenamens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister vanEconomische Zaken en Klimaat. Het advies van de Afdeling adviseringvan de Raad van State is cursief afgedrukt.Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 4 december2023, nr. 2023002839, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling adviseringvan de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel vanwet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 6 maart2024, nr. W06.23.00369/III, bied ik U hierbij aan.De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.Bij Kabinetsmissive van 4 december 2023, no. 2023002839, heeft UweMajesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens deMinister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Economische Zakenen Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State teroverweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van deHandelsregisterwet 2007 en de Implementatiewet registratie uiteindelijkbelanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies terbeperking van de toegang tot informatie over uiteindelijk belangheb-benden van vennootschappen en andere juridische entiteiten alsmede vande toegang tot informatie over uiteindelijk belanghebbenden van trusts en1De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoalsvoorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij hetCentraal Informatiepunt Tweede Kamer kst-36584-4ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 584, nr. 41 soortgelijke juridische constructies (Wijzigingswet beperking toegangUBO-registers), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel strekt tot aanpassing van de regels over de toegang totgeregistreerde informatie over de uiteindelijk belanghebbenden (ultimatebeneficial owners, afgekort: UBO’s) van zowel vennootschappen enandere juridische entiteiten als trusts en soortgelijke juridischeconstructies. Aanleiding hiervoor is een arrest van het Hof van Justitie vande Europese Unie (Hof van Justitie), waarin een onderdeel van deanti-witwasrichtlijn ongeldig is verklaard.2De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert om in detoelichting in te gaan op de recente Europese ontwikkelingen en deconsequenties daarvan voor de aangekondigde algemene maatregel vanbestuur. De Afdeling adviseert daarnaast om te motiveren waarom kanworden aangenomen dat Nederland niet gehouden is om artikel 31, vierdelid, van de anti-witwasrichtlijn volledig te implementeren.In verband hiermee is aanpassing van de toelichting wenselijk.1. Aanleiding en inhoud wetsvoorstel De Nederlandse regelgeving ter voorkoming van het gebruik van hetfinanciële stelsel voor het witwassen van geld en het financieren vanterrorisme vloeit grotendeels voort uit richtlijnen van de Europese Unie enstandaarden van de internationale Financial Action Task Force (FATF). InEuropees verband speelt de vierde anti-witwasrichtlijn (Anti-MoneyLaundering Directive, hierna: AMLD4),3 zoals gewijzigd door de AMLD5,4een belangrijke rol. Beide richtlijnen zijn geïmplementeerd in Nederlandsewet- en regelgeving.5De anti-witwasrichtlijn kent twee regimes voor het registreren vaninformatie over UBO’s: een regime voor UBO’s van vennootschappen enandere juridische entiteiten (hierna: vennootschappen) die op hetgrondgebied van de lidstaat zijn opgericht en een regime voor UBO’s vantrusts en soortgelijke constructies (hierna: trusts). Sinds de AMLD5 gold– onder andere – dat een deel van de informatie in het UBO-register vanvennootschappen voor elk lid van de bevolking toegankelijk dient te zijn.6Nederland heeft er destijds voor gekozen om het UBO-register voor trusts,in lijn met het UBO-register van vennootschappen, ook deels toegankelijkte maken voor elk lid van de bevolking.72HvJEU 22 november 2022, Luxembourg Business Registers, C-37/20, ECLI:EU:C:2022:912.3Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake devoorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld ofterrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het EuropeesParlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement ende Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141/73).4Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijzigingvan Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelselvoor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen2009/138/EG en 2013/36/EU (PbEU 2018, L 156/43).5Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn (Stb. 2018, 239) en Implementatiewet wijzigingvierde anti-witwasrichtlijn (Stb. 2020, 146).6Zie artikel 30, vijfde lid, onderdeel c, van de anti-witwasrichtlijn.7Artikel 31, vierde lid, van de anti-witwasrichtlijn staat lidstaten toe overeenkomstig hunnationale recht een ruimere toegang toe te staan tot de informatie in het UBO-register vantrusts. Dit is geregeld in artikel 7 van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belangheb-benden van trusts en soortgelijke juridische constructies (Stb. 2021, 610). Zie ook Kamer-stukken II 2020/21, 35 819, nr. 3, paragraaf 3.5 en de memorie van toelichting, paragraaf 2.2.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 584, nr. 42 Op 22 november 2022 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat depublieke toegang tot het UBO-register voor vennootschappen eeninmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privéleven en hetrecht op bescherming van persoonsgegevens.8 Ook stelde het Hof vanJustitie vast dat deze inmenging niet beperkt is tot wat strikt noodzakelijkis en niet evenredig is aan het nagestreefde doel.9 Dit arrest heeft totgevolg gehad dat de oorspronkelijke bepaling van de AMLD4 is herleefd.10Op grond daarvan is het kunnen aantonen van een legitiem belang voorpersonen of organisaties een vereiste voor toegang tot dat UBO-register.11Het wetsvoorstel wijzigt vanwege dit arrest in de onderscheiden wettenwelke partijen toegang hebben tot de Nederlandse UBO-registers.12 Ditzijn enerzijds de partijen waarvoor het vanwege op hen rustendeverplichtingen wenselijk en noodzakelijk is dat zij volledige of gedeeltelijketoegang hebben tot de UBO-informatie.13 Daarnaast wordt de toegang totde registers, in lijn met de richtlijn en het arrest van het Hof van Justitie,beperkt tot natuurlijke personen en rechtspersonen met een legitiembelang. Bij algemene maatregel van bestuur zal worden aangewezenwelke categorieën natuurlijke personen of rechtspersonen eenaantoonbaar legitiem belang hebben.142. Europese context De Afdeling merkt op dat de toelichting geen melding maakt van relevanteontwikkelingen op het niveau van de Europese Unie. Dit is begrijpelijkvoor zover deze ontwikkelingen zich hebben voorgedaan nadat hetwetsvoorstel ter advisering is voorgelegd aan de Afdeling.In 2021 heeft de Europese Commissie een voorstel gepresenteerd vooreen nieuwe anti-witwasrichtlijn, AMLD6.15 In april 2023 hebben debetrokken commissies van het Europees Parlement in hun verslagvoorstellen gedaan om dit voorstel in lijn te brengen met het arrest vanhet Hof van Justitie van 22 november 2022.16 In de herfst van 2023hebben de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Raad vande Europese Unie hierover onderhandeld.178Artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.9HvJEU 22 november 2022, Luxembourg Business Registers, C-37/20, ECLI:EU:C:2022:912. HetHof heeft artikel 1, punt 15, onder c, van de AMLD5 ongeldig verklaard. Dit onderdeel wijzigdeartikel 30, vijfde lid, onderdeel c, van de AMLD4.10Zie de «review» van het Hof van Justitie van 5 december 2023 (bijlage bij Kamerstukken II2022/23, 31 477, nr. 85).11Artikel 30, vijfde lid, onderdeel c, van de AMLD4.12Memorie van toelichting, paragraaf 4. Het betreft de Handelsregisterwet 2007 en de Implemen-tatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridischeconstructies.13Zie de memorie van toelichting, paragraaf 4.14Zie artikel I, onderdeel C (voorgesteld artikel 22a, tweede lid), en artikel II, onderdeel B(voorgesteld artikel 7, derde lid), van het wetsvoorstel.15Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de mecha-nismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voorwitwassen of terrorismefinanciering te voorkomen en tot intrekking van Richtlijn (EU)2015/849, COM(2021) 423 final.16REPORT A9–0150/2023 on the proposal for a directive of the European Parliament and of theCouncil on the mechanisms to be put in place by the Member States for the prevention of theuse of the financial system for the purposes of money laundering or terrorist financing andrepealing Directive (EU) 2015/849, 14 april 2023, Europarl.Europa.eu. Zie in het bijzonder devoorgestelde aanpassingen van artikel 12.17Zie bijvoorbeeld Elodie Lamer, «EU Institutions seek to redefine access to UBO registers», TaxNotes International, 13 november 2023, p. 995.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 584, nr. 43 Inmiddels is bekend geworden dat in januari 2024 een voorlopig akkoordis bereikt over onder meer de toegang tot UBO-registers.18 Uit eenKamerbrief van 13 februari 2024 blijkt dat de richtlijn in dit verband eenaantal categorieën zal identificeren die geacht worden een legitiem belangte hebben.19 Genoemd worden journalisten en maatschappelijkeorganisaties die zich bezig houden met het voorkomen en bestrijden vanwitwassen, terrorismefinanciering en delicten die daarmee samenhangen.Ook worden natuurlijke of rechtspersonen genoemd die voornemens zijneen zakelijke transactie aan te gaan met een wederpartij.De Afdeling adviseert om in de toelichting in te gaan op deze ontwikke-lingen in de Europese Unie. Dit geldt in het bijzonder voor de invulling diede nieuwe richtlijn zal geven aan het begrip «legitiem belang» alsvoorwaarde voor toegang tot UBO-registers. De Afdeling adviseert daarbijin te gaan op de gevolgen hiervan voor de aankondigde algemenemaatregel van bestuur op grond van dit wetsvoorstel, waaronder deuitvoerbaarheid en de financiële gevolgen. Zij onderschrijft in dit verbandhet voornemen van de Minister, aangekondigd in de brief van 13 februari2024, om bij de uitwerking van het begrip legitiem belang rekening tehouden met de inhoud van de nieuwe richtlijn.20De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de recente Europeseontwikkelingen en de consequenties daarvan voor de aangekondigdealgemene maatregel van bestuur.2. In januari 2024 is, zoals de Afdeling opmerkt, een voorlopig akkoordbereikt op de AML-verordening en de AML-richtlijn. De Afdeling consta-teert terecht dat in het voorstel voor de nieuwe anti-witwasrichtlijn eennader kader wordt gegeven voor de uitwerking van het begrip legitiembelang. Het wetsvoorstel kent een delegatiebepaling om bij algemenemaatregel van bestuur categorieën van natuurlijke personen en rechtsper-sonen met een legitiem belang aan te wijzen. Voorts kan bij algemenemaatregel van bestuur een nadere uitwerking worden gegeven van dewijze waarop een verzoekende partij die tot de categorie aangewezenpersonen en rechtspersonen behoort het legitiem belang aan kan tonenen de voorschriften die bij het inzien dan wel de verstrekking vaninformatie uit de UBO-registers van de gegevens gesteld kunnen worden.Bij de uitwerking hiervan in de algemene maatregel van bestuur zalrekening worden gehouden met de inhoud van de nieuwe richtlijn,evenals de uitspraak van het Hof van Justitie. Tevens zal in alle gevallenrichting de aanvragende partij duidelijk aangegeven worden dat sprakemoet zijn van doelbinding met het voorkomen van fraude, witwassen enterrorismefinanciering en dat de Algemene Verordening Gegevensbe-scherming strikt moet worden nageleefd. Er wordt op dit moment nognagedacht over de specifieke uitwerking van de algemene maatregel vanbestuur. Een van de onderdelen die nog uitgewerkt moet worden isbijvoorbeeld hoe partijen toegang zullen gaan krijgen. Dit zal deels viaautorisaties plaatsvinden, maar ook deels door middel van het indienenvan een verzoek. De uitvoerbaarheid en financiële gevolgen zullen eenbelangrijk aandachtspunt bij de verdere uitwerking zijn, maar kunnen pasmeer gedetailleerd in kaart worden gebracht op het moment dat dealgemene maatregel van bestuur nader is uitgewerkt.Naar aanleiding van deze opmerking van de Afdeling is de memorie vantoelichting op dit punt aangevuld in paragraaf 4.1.3.18«Witwasbestrijding: Raad en Parlement akkoord over strengere regels», 18 januari 2024,consilium.Europa.eu/nl.19Kamerstukken II 2023/24, 31 477, nr. 95.20Idem.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 584, nr. 44 3. Implementatie van artikel 31, vierde lid, anti-witwasrichtlijn Bij de implementatie van artikel 31 van de anti-witwasrichtlijn was ervoorgekozen om het UBO-register van trusts ook deels voor eeniedertoegankelijk te maken. 21 Nu wordt voorgesteld de implementatie op ditpunt aan te passen en aan te sluiten bij de toegang tot het UBO-registervan vennootschappen, zoals die na het arrest van het Hof van Justitievolgt uit artikel 30, vijfde lid, van de anti-witwasrichtlijn.Ten opzichte van artikel 30, vijfde lid, bevat artikel 31, vierde lid, eenaanvullende toegangsgrond onder d. Dit betreft, kort gezegd, degene dieeen schriftelijk verzoek indient met betrekking tot een trust die eenzeggenschapsdeelneming heeft in een buiten de Europese Unieopgerichte vennootschap of andere juridische entiteit. Vanwege deoorspronkelijke keuze voor gedeeltelijk publieke toegang tot hetUBO-register van trusts was dit onderdeel eerder niet specifiek geïmple-menteerd.22Het wetsvoorstel bevat geen bepaling die voorziet in de implementatievan dit onderdeel van de richtlijn. De toelichting meldt dat hierin wel wasvoorzien in een eerdere versie van het voorstel, die ter consultatie isvoorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP adviseerdedat nadere onderbouwing van de proportionaliteit van deze bepalingnoodzakelijk was en dat de mogelijkheid bestaat dat het Hof van Justitiedit onderdeel van de richtlijn ook buiten toepassing zal laten.23 Naaraanleiding daarvan is de bepaling geschrapt.24De Afdeling merkt op dat de ongeldigverklaring van het Hof van Justitie inzijn arrest van 22 november 2022 vanwege de daarin beantwoordeprejudiciële vraag alleen ziet op het onderdeel van de AMLD5 datartikel 30, vijfde lid, onderdeel c, van de AMLD4 heeft gewijzigd. Het zietniet op de wijzigingen in artikel 31, vierde lid, van de AMLD4.Volgens het beginsel van Unietrouw en vaste jurisprudentie van het Hofvan Justitie is een lidstaat verplicht tot volledige implementatie van eenrichtlijn in de nationale wetgeving.25 Dat is alleen anders indien het Hofvan Justitie de richtlijn op dit punt onverbindend verklaart of als deEuropese wetgever de richtlijn wijzigt of intrekt.In dit kader wijst de Afdeling erop dat de toelichting nog geen zelfstandigemotivering geeft waarom Nederland niet is gehouden om deze bepalingte implementeren.De Afdeling adviseert de toelichting in het licht van het voorgaande aan tepassen.3. De Afdeling wijst er terecht op dat de uitspraak van het Hof van Justitieenkel betrekking heeft op de verplichte toegang tot informatie overuiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten. Kort samengevatheeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de publieke toegang totUBO-informatie die met artikel 30, vijfde lid, onderdeel c, AMLD5 is21Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.2. Zie ook Kamerstukken II 2020/21, 35 819, nr. 3,paragraaf 3.5.22Zie Kamerstukken II 2020/21, 35 819, nr. 3, paragraaf 10.23Zie ook Autoriteit Persoonsgegevens, «Advies over het concept voor de Wijzigingswetbeperking toegang UBO-register», 10 augustus 2023.24Memorie van toelichting, paragraaf 6.4.25Artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zie HvJEU 6 oktober 2015,Schrems, C-362/14, ECLI:EU:C:2015:650, punt 52 met verwijzing naar HvJEU 5 oktober 2004,Commissie/Griekenland, C-475/01, ECLI:EU:C:2004:585, punt 18.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 584, nr. 45 gecreëerd een inmenging op het grondrecht op eerbiediging van hetprivéleven en het familie- en gezinsleven en het grondrecht opbescherming van persoonsgegevens vormt die noch beperkt is tot watnoodzakelijk is noch evenredig is met het nagestreefde doel. Vanwegedeze strijdigheid verklaart het Hof van Justitie artikel 30, vijfde lid,onderdeel c, van AMLD5 ongeldig.26 Dit heeft tot gevolg dat publieketoegang tot het register niet langer is toegestaan, maar in beginsel enkelspecifiek in de richtlijn aangewezen partijen en partijen met een legitiembelang dat verband dient te houden met de doelstellingen van deanti-witwasrichtlijn toegang mogen hebben.Hoewel de uitspraak van het Hof van Justitie enkel zag op de verplichtepublieke toegang tot informatie over uiteindelijk belanghebbenden vanjuridische entiteiten (het «artikel 30-register»), is de strekking van deuitspraak volgens het kabinet zodanig dat deze ook gevolgen heeft voorde publieke toegang tot informatie over uiteindelijk belanghebbenden vantrusts en soortgelijke juridische constructies (het «artikel 31-register»). Ditgeldt des te meer nu deze publieke toegang bij het artikel 31-register eenlidstaatoptie is waarvoor bij gebruikmaking daarvan dezelfde redeneringis gehanteerd als voor de publieke toegang tot informatie over uiteindelijkbelanghebbenden van juridische entiteiten. In het wetsvoorstel is daaromook de toegang tot het register met informatie over uiteindelijk belang-hebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies (het«artikel 31-register») in lijn gebracht met de uitspraak.Het artikel 31-register kent, in tegenstelling tot het artikel 30-register, eenaanvullende toegangsgrond, die is opgenomen in artikel 31, vierde lid,onder d. Op basis van deze grond is toegang mogelijk voor personen ofrechtspersonen die een schriftelijk verzoek indienen met betrekking toteen trust die een zeggenschapsdeelneming heeft in een buiten deEuropese Unie opgerichte vennootschap of andere juridische entiteit.Feitelijk betekent dit dat deze categorie toegang krijgt tot het artikel 31-register zonder dat dit een direct verband hoeft te houden met dedoelstellingen van de richtlijn.Het advies van de Autoriteit persoonsgegevens vormde voor het kabinetaanleiding om het onderdeel van het wetsvoorstel waarin deze toegangs-grond werd geïmplementeerd te schrappen. De AP benoemt in haaradvies dat toegang voor partijen als bedoeld in artikel 31, vierde lid,onder d, AMLD5 zonder een nadere onderbouwing niet voldoet aan hetcriterium van proportionaliteit. Dit houdt in dat de inmenging nietevenredig is aan het doel, het gaat hier met name om een afwegingtussen het belang van het doel en de ernst van de inmenging. Het AP steltin dit kader dat de doelstelling van het register is het voorkomen vanwitwassen en terrorisme. Op basis van de toegangsgrond uit artikel 31,vierde lid, onder d, worden er echter nog steeds personen in staat gesteldom informatie over uiteindelijk begunstigden te verkrijgen om redenendie geen verband houden met de doelstellingen van de richtlijn. Op basisvan deze grond kan immers ieder die een schriftelijk verzoek indient metbetrekking tot een trust die een zeggenschapsdeelneming heeft in eenbuiten de Europese Unie opgerichte vennootschap of andere juridischeentiteit toegang krijgen tot het UBO-register voor trusts («artikel 31-register»). De AP is dan ook van oordeel dat deze grond voor toegang,overeenkomstig aan het regime wat nu van toepassing is op deUBO-registers naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie,zonder nadere onderbouwing buiten toepassing moet worden gelaten. Dit26HvJ EU 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:912, r.o. 88 en 92.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 584, nr. 46 kan enkel anders zijn als voldoende onderbouwd wordt waarom voor dezecategorie een relevant verschil moet worden gemaakt.27De Afdeling refereert in dit kader terecht aan het beginsel van Unietrouwen vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie op basis waarvan eenlidstaat verplicht is tot een volledige implementatie van een richtlijn. DeAfdeling wijst er in dit kader op dat een zelfstandige onderbouwing voorhet niet implementeren van dit onderdeel ontbreekt. Het kabinet is naaraanleiding van het advies van de AP tot de conclusie gekomen dat eronvoldoende redenen zijn om voor deze categorie een ruimere toegangs-grond te hanteren en heeft deze grond voor toegang geschrapt uit hetwetsvoorstel. Uit de uitspraak blijkt duidelijk dat de toegang tot deUBO-registers in beginsel verband dient te houden met de doelstellingenvan de richtlijn. Voor deze specifieke toegangsgrond kan dit verbandonvoldoende worden gemaakt. Het kabinet laat bij deze afweging zwaarwegen dat met deze toegang een inmenging wordt gemaakt in deeerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven en hetgrondrecht op bescherming van persoonsgegevens. Nu er voor dezetoegangsgrond geen direct verband is met de doelstellingen van derichtlijn, prevaleert het waarborgen van deze grondrechten volgens hetkabinet boven de implementatieverplichting.Naar aanleiding van bovenstaande opmerking van de Afdeling is dememorie van toelichting op dit punt aangevuld in paragraaf 6.4.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmer-kingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordathet voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van State,Th. C. de Graaf4. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele wijzigingen in hetvoorstel en de memorie van toelichting aan te brengen. De belangrijksteaanpassing is dat de verplichting om melding te maken bij de Kamer vanKoophandel, wanneer er UBO-informatie wordt gevonden die blijkt af tewijken van de UBO-informatie die in een UBO-register is opgenomen (deterugmeldplicht) ook op te nemen voor partijen die toegang krijgen in hetbelang van de naleving van sancties en het toezicht en de handhavingdaarop en voor bestuursorganen en rechtspersonen met eenoverheidstaak waarvoor het in verband met een wettelijke taak ofbevoegdheid noodzakelijk is om UBOs te achterhalen. Het doel hiervan isom de informatie in het register zo toereikend, accuraat en actueelmogelijk te houden.Daarnaast is er een wijziging met betrekking tot de Wet Bibobopgenomen. Voorgesteld wordt om aan de Wet Bibob een uitzondering opde geheimhoudingsplicht toe te voegen, zodat aan de terugmeldplicht kanworden voldaan. Dit geldt zowel voor het Landelijk Bureau Bibob alsbevoegde autoriteit, als voor de bestuursorganen en rechtspersonen meteen overheidstaak waarvoor toegang noodzakelijk is om uitvoering tekunnen geven aan hun onderzoek op basis van de Wet Bibob. Deze laatstegroep zal in een nader uit te werken algemene maatregel van bestuurworden aangewezen en daarmee toegang tot de UBO-registers verkrijgen.Ook is het onderdeel over financieel adviseurs en gevolmachtigd agenten(paragraaf 10.2) in de consultatieparagraaf aangevuld.27Autoriteit Persoonsgegevens, «Advies over het concept voor de Wijzigingswet beperkingtoegang UBO-register», 10 augustus 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 584, nr. 47 Ik verzoek U, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en deMinister van Economische Zaken en Klimaat, het hierbij gevoegdegewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichtingaan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Financiën,S.P.R.A. van WeyenbergTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 584, nr. 48

Bron, video en gesprek →