KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

bce35750-157a-41a3-8c19-2da11ac8ffae

6debatten
139bijdragen
0interrupties
20.842woorden in uitspraken

Commissies

Geen huidige commissielidmaatschappen beschikbaar in de Kamerdata.

Contact

Contactgegevens worden alleen getoond voor zittende Kamerleden.

Loopbaan

Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.

Opleiding

Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.

Nevenfuncties

Geen nevenfuncties beschikbaar in de Kamerdata.

Geschenken en reizen

Geen geregistreerde geschenken beschikbaar in de Kamerdata.

Geen geregistreerde reizen beschikbaar in de Kamerdata.

Stemgedrag

Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.

Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
8 apr 2024 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202435 968Intrekking van de Archiefwet 1995 envervanging door een nieuwe Archiefwet(Archiefwet 20..)Nr. 10 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAGOntvangen 10 april 2024 De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur enWetenschap voor de nadere schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel totintrekking van de Archiefwet 1995 en vervanging door een nieuweArchiefwet (hierna: het wetsvoorstel). De regering heeft met veelbelangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van deleden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de VVD, het CDA, deChristenUnie en de SGP. Hierna volgt het antwoord van de regering,waarbij zoveel mogelijk de volgorde van het verslag is aangehouden.Deze nota naar aanleiding van het nader verslag wordt gegeven medenamens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties.In aanvulling op de onderstaande beantwoording van de gestelde vragenen opmerkingen door de fracties hecht ik eraan om bij wijze van inleiding– net als in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel – tebenadrukken waarom de modernisering van de Archiefwet 1995belangrijk is.De Archiefwet – die door alle overheidsorganen moet worden toegepast –geeft het algemene kader voor het informatiebeheer van de overheid metals belangrijkste doel dat overheidsinformatie behouden, vindbaar entoegankelijk blijft voor huidige en toekomstige generaties. De regels uit deArchiefwet 1995 zijn niet altijd goed toe te passen of te begrijpen in dehuidige context van digitaal informatiebeheer. Daarbij is met name doorde digitalisering de hoeveelheid informatie die overheidsorganen onderzich hebben exponentieel gegroeid, waardoor het op orde brengen enhouden van de informatiehuishouding een uitdaging is. Goed informatie-beheer door overheidsorganen is een basisvoorwaarde voor zorgvuldigebeleids- en besluitvorming, voor de verantwoording aan de volksverte-genwoordiging en voor democratische controle, op verzoek en uit eigenbeweging. kst-35968-10ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 101 Het doel van de modernisering van de Archiefwet is een beter begrijpe-lijke, en vooral ook beter toepasbare wet, zodat informatie van deoverheid duurzaam toegankelijk is. Duurzame toegankelijkheid gaatdaarbij niet alleen over de staat van documenten, maar ook over de wijzewaarop documenten worden geordend, hoe wordt geborgd datdocumenten (of het nu om papieren documenten gaat, of om digitaleinformatie)1 binnen een redelijke termijn beschikbaar en raadpleegbaarzijn, en over de wijze waarop de authenticiteit van documenten wordtgeborgd. Het wetsvoorstel is een belangrijke stap in het realiseren vaneen goede digitale informatiehuishouding van de overheid. Hetwetsvoorstel draagt hieraan bij door een helder juridisch kader te biedenvoor het beheer van documenten door overheidsorganen, voor hetvastleggen van bewaartermijnen, en voor de openbaarheid vandocumenten na overbrenging naar een archiefdienst. Met dit wetsvoorstelwordt ook de aansluiting tussen de Archiefwet en andere wetgeving ophet gebied van de informatiehuishouding, zoals de Wet open overheid(hierna: de Woo), beter geregeld.In de nota naar aanleiding van het verslag en in eerdere bekendmakingenover het wetsvoorstel is 1 januari 2025 als mogelijke inwerkingtredings-datum genoemd.2 Op dit moment wordt hard gewerkt aan het concept-Archiefbesluit en de concept-Archiefregeling, waarvan de internetconsul-tatie kortgeleden is afgerond. Er lopen momenteel nog verschillendeadviesaanvragen en uitvoeringstoetsen. Vanwege de tijd die zal zijngemoeid met een zorgvuldige verwerking van de reacties die zijnontvangen, de adviezen en de resultaten van de uitvoeringstoetsen,alsmede vanwege de tijd die naar verwachting nodig is voor de Kamerbe-handeling van dit wetsvoorstel, wordt 1 januari 2025 als mogelijkeinwerkingtredingsdatum meer en meer onzeker. Tegelijkertijd is zekerheidover de inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel van groot belangvoor de Regionale Historische Centra (hierna: RHC’s), vanwege mijnvoornemen om met ingang van de inwerkingtredingsdatum uit te tredenuit de gemeenschappelijke regelingen van de RHC’s. Gelet op dezeomstandigheden vind ik het onverstandig om vast te houden aan 1 januari2025 als na te streven inwerkingtredingsdatum voor het wetsvoorstel. Ikwil mij daarom richten op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel metingang van 1 januari 2026.Ik kijk ernaar uit om met uw Kamer in debat te gaan over het wetsvoorstelzodra u daartoe besluit.1. Inleiding De leden van de PvdA-fractie en GroenLinks-fractie onderkennen nogaltijd de noodzaak om de informatiehuishouding van de Rijksoverheid teverbeteren en begrijpen dat de huidige praktijk van digitaal informatie-beheer de Rijksoverheid dwingt om de Archiefwet 1995 te actualiseren.Deze leden begrijpen de noodzaak om de Archiefwet te moderniseren.Toch heeft de regering hun zorgen over het ontbreken van waarborgen inhet wetsvoorstel dat het handelen van de overheid wordt vastgelegd,opdat archieven worden gevormd waarmee de overheid zich kanverantwoorden niet helemaal kunnen wegnemen. Zij vrezen dat er met denieuwe Archiefwet in zijn huidige vorm nog altijd feitelijk meer geheim1In de nota van wijziging bij dit wetsvoorstel is een aparte toelichting gegeven op het brede,techniekneutrale documentbegrip dat het wetsvoorstel hanteert. Vgl. Kamerstukken II 2022/23,35 968, nr. 8, p. 6.2Vgl. Kamerstukken II 2022/23, 35 968, nr. 7, p. 15 en https://kia.pleio.nl/blog/view/d0acccfa-319a-4750-82fe-4579d1e22555/antwoorden-op-kamervragen-naar-de-tweede-kamer-gestuurd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 102 kan blijven dan onder de Archiefwet 1995. Kan de regering de zorgen, dienog leven bij deze leden, wegnemen met een ondubbelzinnige reactie?De vrees dat onder de nieuwe Archiefwet meer geheim kan blijven danonder de huidige Archiefwet is ongegrond. Door de verkorting van deoverbrengingstermijn van twintig naar tien jaar worden documenteneerder overgebracht naar een archiefdienst en daarmee eerder openbaar.De mogelijkheid om bij overbrenging de openbaarheid te beperken blijftbestaan. Een openbaarheidsbeperking bij overbrenging is echter deuitzondering op de regel, en daaraan verbindt de wet duidelijke en strikteeisen.Voor een openbaarheidsbeperking is bij overbrenging een apart besluitnodig. Dit vraagt om een beoordeling voorafgaand aan de overbrenging,waarvoor advies moet worden gevraagd aan de archivaris. Met ditwetsvoorstel wordt ten opzichte van de huidige wet toegevoegd dat ditbeperkingsbesluit moet worden gemotiveerd aan de hand van debeperkingsgronden die zich ondanks het tijdsverloop nog tegen openbaar-making verzetten.3 Deze motivering wordt gepubliceerd als toelichting bijhet beperkingsbesluit. Op basis van het wetsvoorstel moet een overheids-orgaan dus uitgebreider en preciezer uitleggen voor welke documenteneen openbaarheidsbeperking moet gelden, en waarom. Dat de beper-kingsgronden gedetailleerder zijn, helpt hierbij. Vanwege de publicatie kaneen overheidsorgaan ook op de motivering worden aangesproken.Door het tijdsverloop kunnen alleen zwaarwegende redenen grond vooreen beperking zijn. Het beschermen van de persoonlijke levenssfeer vannatuurlijke personen is daarbij veruit de meestvoorkomende beperkings-grond. Zelfs als het noodzakelijk is om een openbaarheidsbeperking in testellen, wordt in het wetsvoorstel maximaal ingezet op het ondervoorwaarden bieden van toegang tot beperkt openbare documenten.Daardoor is het vaak mogelijk om toegang te krijgen tot het beperktopenbare archief (bijvoorbeeld voor verzoekers die wetenschappelijkonderzoek doen).4 Het feit dat bij overbrenging publiek toegankelijkeinventarissen worden opgesteld draagt ook bij aan de toegankelijkheid.Voor die gevallen waarin een beperkingsgrond een beletsel is, voegt hetwetsvoorstel de mogelijkheid toe om informatie in andere vorm uit hetbeperkt openbare archief te verstrekken.5 Zelfs als een openbaarheidsbe-perking is gesteld, betekent dat in veel gevallen dus niet dat het archief«geheim» is.Een openbaarheidsbeperking is bovendien altijd tijdelijk, omdat deArchiefwet maximumtermijnen bevat waarna de gestelde openbaarheids-beperkingen vervallen. In dit wetsvoorstel wordt de maximale beperkings-termijn voor veel gronden ten opzichte van de Archiefwet 1995 sterkingekort, namelijk naar maximaal 20 jaar voor de meeste beperkings-gronden.6 Het startmoment voor de maximale beperkingsduur is in ditwetsvoorstel bovendien expliciet gekoppeld aan het moment van creatieof ontvangst van het document. De termijn start dus niet pas naoverbrenging, of na sluiting van een dossier, zoals nu vaak gebruikelijk.Ook dat komt de openbaarheid ten goede.3Vgl. het voorgestelde artikel 7.3, tweede lid, van het wetsvoorstel.4Zij het dat in zo’n geval, ter bescherming van de belangen waarvoor de beperking is gesteld,normaliter geen kopieën van de documenten mogen worden gemaakt.5Artikel 8.4 van het wetsvoorstel.6Zie nader artikel 7.4 van het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 103 De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (hierna: de Inspectie) houdttoezicht op de naleving van de Archiefwet. Dit toezicht kan op grond vanhet wetsvoorstel ook betrekking hebben op het stellen van openbaar-heidsbeperkingen. Met de uitbreiding in dit wetsvoorstel van toezicht naarovergebracht archief7 kan de Inspectie ook toezicht gaan houden op dewijze waarop archiefdiensten omgaan met verzoeken om toegang. Hettoezicht op grond van het wetsvoorstel biedt daarmee een extra waarborgdat er op verantwoorde wijze met openbaarheidsbeperkingen wordtomgegaan.De regering heeft eerder begrip geuit voor de zorgen van de verschillendefracties dat de Archiefwet geen waarborgen zou bieden dat het handelenvan de overheid wordt vastgelegd. Dit valt echter buiten de reikwijdte vandit wetsvoorstel. Welke informatie uit het oogpunt van bedrijfsvoering ofverantwoording precies moet worden vastgelegd en bewaard (en voorhoe lang) is afhankelijk van de context waarin deze informatie wordtgevormd, en de werkprocessen waarin de informatie een rol speelt.Omdat overheidsorganen onderling sterk verschillen in karakter, is dearchiefwetgeving bewust kaderstellend en niet gericht op de vorming vandocumenten in specifieke werkprocessen. Dit laat onverlet dat bijvoor-beeld in specifieke wetgeving wel eisen gesteld kunnen worden aan hetvastleggen van bepaalde informatie of het opmaken van specifiekedocumenten. De regering meent dat bijzondere wetgeving – en niet dearchiefwetgeving – hiervoor de juiste plek is.8 De Archiefwet is bewustingericht als wet die voor alle overheidsorganen – van zowel de centraleals de decentrale overheid – van toepassing moet kunnen zijn. Hierinverschilt dit wetsvoorstel niet van de huidige Archiefwet.2. De rol van de Minister van BZK bij de Archiefwetgeving De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister van BZK de wetmedeondertekent. Deze leden zijn van mening dat dit een goede stap is,maar vragen nog wel wat dit in de praktijk betekent. Komt de verantwoor-delijkheid voor bepaalde onderdelen van de wet daarmee bij hetMinisterie van BZK te liggen? Blijft het toezicht op de wet bij het Ministerievan OCW? Wat betekent deze wijziging voor de samenhang tussen deArchiefwet en bijvoorbeeld de Woo, zo vragen deze leden.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering een nauwesamenwerking tussen de Ministers van OCW en BZK nodig acht. Hoe gaatdeze samenwerking worden vormgegeven?Op het terrein van de Archiefwetgeving en de informatiehuishouding is alsinds lange tijd sprake van nauwe samenwerking tussen de ministeriesvan OCW en BZK. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag istoegelicht, werken beide ministeries voor de informatiehuishouding vanhet Rijk samen in het programma Open Overheid, dat tot doel heeft om deopenheid van de Rijksoverheid te vergroten en haar informatiehuis-houding te verbeteren. Het Meerjarenplan Openbaarmaking en Informa-7Deze uitbreiding is gerealiseerd via de (ten opzichte van de Archiefwet 1995) breder geformu-leerde toezichtsopdracht voor de Inspectie. Vgl. artikel 10.1, eerste lid, van het wetsvoorstelKamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 42 en 98–99.8In dit kader kan bijvoorbeeld worden gewezen op de voorschriften in het Wetboek vanStrafvordering, op basis waarvan het verplicht is om in tal van situaties proces-verbaal op temaken; op de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, op basis waarvanregisters zijn ingesteld; op de Wet op het notarisambt, waarin eisen aan notariële akten zijnopgenomen; op Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, waarin in verschillende gevallen eennotariële akte verplicht is gesteld (althans: waarin is bepaald dat zonder notariële akte geenrechtsgevolg intreedt); of op artikel 454 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, op basiswaarvan een medisch hulpverlener verplicht is om een behandeldossier aan te leggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 104 tiehuishouding Rijksoverheid dat de aanpak voor de komende jarenschetst, is eind vorig jaar aan de Tweede en Eerste Kamer aangeboden.9Met de medeondertekening van de wet door de Minister van BZK wordtsterker benadrukt dat er sprake is van een sterke relatie tussen dearchiefwetgeving en de informatiehuishouding van de overheid enderhalve van een door beide Ministers hiervoor gedeelde verantwoorde-lijkheid. Hierbij is het niet de bedoeling om de bestaande verdeling vanverantwoordelijkheden te wijzigen.De Minister van OCW blijft stelselverantwoordelijk voor de Archiefwet ende onderliggende regelgeving, het archiefbeleid en het functioneren vanhet archiefstelsel. Tot die verantwoordelijkheid behoort ook het archief-wettelijk toezicht op de verantwoordelijke overheidsorganen die tot decentrale overheid behoren. Dit toezicht wordt uitgeoefend door deInspectie, die als Rijksinspectie ressorteert onder de Minister van OCW. DeMinister van BZK draagt zorg voor het stelsel van de Wet open overheid(hierna: de Woo), waarin is voorzien in het meerjarenplan Openbaar-making en Informatiehuishouding Rijksoverheid van de Minister van BZKen de Minister van OCW. Daarnaast heeft de Minister van BZK eenverantwoordelijkheid voor de Bedrijfsvoering van het Rijk. De Staatssecre-taris van BZK heeft een coördinerende verantwoordelijkheid voor dedigitalisering van de Rijksdienst.10 Het Ministerie van BZK vervultvanwege deze verantwoordelijkheden een voortrekkersrol bij het tot standkomen van de verschillende verbeterprogramma’s voor de informatiehuis-houding, bijvoorbeeld in het kader van het programma Open Overheid.Wat betreft de samenhang met de Woo kan worden opgemerkt dat in hetwetsvoorstel de Woo en de Archiefwet op verschillende onderdelen zijngeharmoniseerd. Beide wetten hanteren dezelfde documentdefinitie.Daarnaast zijn de verschillende beperkingsgronden in dit wetsvoorstel inlijn gebracht met de uitzonderingsgronden uit de Woo. Met de medeon-dertekening van de Archiefwet door de Minister van BZK wordt dezeharmonisatie nog meer benadrukt.De verplichting om documenten duurzaam toegankelijk te maken enhouden, die zowel in de Woo als de Archiefwet gesteld wordt, wordtverder uitgewerkt in nadere eisen in het Archiefbesluit en de Archiefre-geling.11 De vertaling van deze algemene eisen uit het Archiefbesluit ende Archiefregeling naar praktische toepassing voor de omgang metbijvoorbeeld e-mail, metadata of digitale vernietiging vindt plaats innormen. Deze worden momenteel veelal door de algemene rijksarchivarisopgesteld op basis van het ministeriële besluit Statuut agentschapNationaal Archief (hierna: het Statuut), of door de Minister van BZK opbasis van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informa-tiesystemen rijksdienst (hierna: het Coördinatiebesluit).Met voortschrijdend inzicht en mede naar aanleiding van deze vragen vande leden van de VVD-fractie en de ChristenUnie-fractie, vindt de regeringhet wenselijk om voor de vaststelling van deze normen een aanvulling in9Het Meerjarenplan Openbaarmaking en Informatiehuishouding Rijksoverheid is op 8 decembergoedgekeurd door de ministerraad en op 11 december aan de Kamers gezonden. Zie:https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/12/11/meerjarenplan-openbaarheid-en-informatiehuishouding-rijksoverheid.10In de praktijk is de portefeuilleverdeling tussen de Minister en de Staatssecretaris van BZKtijdelijk aangepast nadat in september 2023 het Ministerie van BZK van drie naar tweebewindspersonen is gegaan; formeel is deze hetzelfde gebleven.11De internetconsultatie voor het nieuwe Archiefbesluit en de nieuwe Archiefregeling is op9 februari 2024 afgerond. Zie: https://www.internetconsultatie.nl/archiefregeling/reacties enhttps://www.internetconsultatie.nl/archiefbesluit/reacties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 105 het wetsvoorstel op te nemen. De regering wil de bestaande taken naareen hoger en zichtbaarder niveau tillen door een grondslag in de wet opte nemen voor het vaststellen van bindende normen ten aanzien van deduurzame toegankelijkheid van documenten. De regering geeft daarmeeook gehoor aan het eerdere advies van de algemene rijksarchivaris om tevoorzien in een mogelijkheid haar producten en adviezen een meerkaderstellend karakter te geven.12 Door wettelijk vast te leggen dat dezenormen in overeenstemming met de Minister van BZK moeten wordenvastgesteld, wordt de onderlinge samenwerking tussen OCW en BZKbevestigd en versterkt, en kan de samenhang worden geborgd.Op basis van deze grondslag kunnen normen worden vastgesteld door deMinister van OCW, in overeenstemming met de Minister van BZK. Daarbijis het voornemen om deze bevoegdheid aan de rijksarchivaris temandateren.13 Deze normen richten zich op de bevordering van deeenheid, de kwaliteit of de doelmatigheid van de duurzame toeganke-lijkheid van documenten. Het karakter van deze normen is comply orexplain, hetgeen verdergaat dan de niet-bindende normen die dealgemene rijksarchivaris op basis van het huidige Statuut opstelt. Naastdat deze bevoegdheid duidelijker en zichtbaarder is dan de huidigebevoegdheden op basis van het Statuut agentschap Nationaal Archief enhet Coördinatiebesluit is ook de verhouding tot de regels in het Archiefbe-sluit en de Archiefregeling duidelijker. Bij het opstellen van deze normenzal gebruik gemaakt worden van kennis en inzicht van de Inspectie.De leden van de CDA-fractie onderkennen de gezamenlijke verantwoorde-lijkheid van de ministeries van OCW en BZK voor de archiefwetgeving insamenhang met de informatiehuishouding van de overheid. Deze ledenlezen in de beslisnota, dat één van de vragen in het overleg tussen OCWen BZK is, hoe de Archiefwet kan bijdragen aan het beter vat krijgen ophet informatiebeheer en «op wat BZK ervaart als een volumeprobleem».Deze leden ontvangen op dit punt graag een nadere toelichting.In algemene zin is bij het digitale informatiebeheer sprake van eenimmense toename in de hoeveelheid vastgelegde informatie. Als dezeinformatie niet goed wordt beheerd, kan de overheid haar wettelijke takenniet uitvoeren. Denk hierbij aan het uitkeren van subsidies, maar ook aanhet openbaar maken van informatie. Het zeer grote volume van vastge-legde informatie is één van de belangrijkste redenen dat het op ordebrengen van de digitale informatiehuishouding zo’n grote uitdaging is. DeArchiefwet biedt een deel van de oplossing voor dit probleem door eenhelder juridisch kader te bieden voor het beheer van documenten dooroverheidsorganen, het vastleggen van bewaartermijnen, en voor deopenbaarheid van documenten na overbrenging naar een archiefdienst.Om het volumeprobleem het hoofd te kunnen bieden, is belangrijk datdocumenten duurzaam toegankelijk zijn, zo lang als nodig is. Tegelijkertijdis het van belang dat documenten tijdig worden gewaardeerd en op tijdworden vernietigd als dat moet, op basis van het geldende selectiebesluit.Hier dragen de eerder genoemde normen van de algemene rijksarchivarisen de Minister van BZK, bijvoorbeeld voor digitale vernietiging, aan bij.12Vgl. het advies van de algemene rijksarchivaris van 8 december 2022, te raadplegen viahttps://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2023D31267.13Met de tweede nota van wijziging wordt aan artikel 4.1 een lid toegevoegd, dat luidt: «OnzeMinister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties in aanvulling op hetgeen bij of krachtens de in het derde lid bedoelde algemenemaatregel van bestuur wordt bepaald, ten behoeve van de verantwoordelijke overheidsor-ganen, bedoeld in artikel 2.1, 2.4 en 2.5, normen vaststellen ter bevordering van de eenheid,de kwaliteit of de doelmatigheid van de duurzame toegankelijkheid van documenten. Van dezenormen kan uitsluitend gemotiveerd door een verantwoordelijk overheidsorgaan wordenafgeweken.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 106 Deze leden vragen voorts wat de stand van zaken is met betrekking tot devoorgenomen onderzoeken naar oplossingen voor het beheer van grotevolumes door het Nationaal Archief (in samenwerking met verschillendepartijen)?In de toelichting bij de nota van wijziging is een onderzoek aangekondigddat zich specifiek richt op de omgang met concepten.14 Het onderzoekheeft tot doel om in beeld te brengen welke categorieën of typenconcepten in de praktijk bestaan. De regering wil de resultaten van ditonderzoek gebruiken om te komen tot mogelijke waarderingen vanconcepten en de toepassing daarvan in een selectiebesluit. Het beheervan concepten in de praktijk van de digitale informatiehuishouding isnamelijk een uitdaging, met name door het grote volume aan conceptendat een overheidsorgaan onder zich heeft. Tegelijkertijd kunnen conceptenniet over één kam worden geschoren: het is sterk afhankelijk van deinhoud, de betrokken actoren en de context waarin het concept tot standis gekomen, welk belang aan een concept moet worden toegekend.Daardoor is het op dit moment niet mogelijk om generieke uitspraken tedoen over welke concepten hoe lang bewaard moeten worden.Op dit moment wordt het onderzoek voorbereid en wordt de onderzoeks-vraag gepreciseerd. Het onderzoek zal naar verwachting in het begin van2024 van start gaan, en wordt naar verwachting voor het eind van 2024afgerond.De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de aanbeveling van dealgemene rijksarchivaris om te komen tot een overkoepelende visieoverneemt of terzijde legt. Bestaat de overkoepelende visie al? Zo ja, waaris die neergelegd? Wat is de taak en verantwoordelijkheid van deregeringscommissaris Informatiehuishouding in dit verband, zo vragendeze leden.De algemene rijksarchivaris heeft terecht aandacht gevraagd voor hetcomplexe verband tussen overheidshandelen en het documenteren,opslaan, vernietigen, bewaren en overbrengen van de neerslag hiervan.Deze complexiteit het hoofd bieden is een grote uitdaging waar deoverheid voor staat. Dit advies van de algemene rijksarchivaris wordtdaarom volledig door de regering onderschreven. De regering ziet hetadvies van de algemene rijksarchivaris daarbij als een aansporing om dekoers die zij met de huidige, en in de toekomst nog te nemen, maatre-gelen inslaat voortdurend te toetsen aan de nieuwste inzichten enontwikkelingen.Dit wetsvoorstel is een belangrijke eerste stap om deze complexiteit hethoofd te bieden, omdat het een helder juridisch kader biedt voor hetbeheer van documenten door overheidsorganen, waarbij ten opzichte vande Archiefwet 1995 ook uitgebreid aandacht is voor het digitale informa-tiebeheer. Het wetsvoorstel gaat uit van een visie waarin de belangen diemet overheidsinformatie zijn gediend, centraal staan. Vanuit die centralevisie verplicht het wetsvoorstel overheidsorganen om informatie vanafcreatie goed te beheren. Daarbij hoort bijvoorbeeld zorgvuldige entransparante selectie via selectiebesluiten, maar ook de verkorting van deoverbrengingstermijn van 20 naar 10 jaar.Dit wetsvoorstel is maar één van de maatregelen die de regering neemtom de duurzame toegankelijkheid van overheidsinformatie te verbeteren.Het Meerjarenplan Openbaarheid en Informatiehuishouding Rijksoverheidbevat langetermijndoelen voor de verbetering van de manier waarop14Kamerstukken II 2022/23, 35 968, nr. 8, p. 13–14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 107 digitale documenten worden vervaardigd, geordend, bewaard, vernietigden ontsloten, en omschrijft de stappen die daarvoor op korte en langetermijn worden gezet.15 Ook moet worden gewezen op het generiekeactieplan Open op Orde van de Rijksoverheid, dat middels de departe-mentale actieplannen jaarlijks wordt geactualiseerd.16 Het wetsvoorstel iszo een belangrijk onderdeel van de overkoepelende visie, in samenhangmet de Woo en het voornoemde Meerjarenplan. De regering is vanmening dat haar visie op deze wijze voldoende is vastgelegd, wat onverletlaat dat de visie continu wordt getoetst aan nieuwe inzichten, en zonodigwordt bijgesteld.De regering heeft naar aanleiding van de Parlementaire Ondervragings-commissie Kinderopvangtoeslag (POK) in het begin van 2022 tijdelijk eenregeringscommissaris Informatiehuishouding aangesteld. In het kader vanhet actieplan Open op Orde heeft de regeringscommissaris extra werkgemaakt van het verbeteren van de informatiehuishouding van deRijksoverheid. Het is zijn opdracht om voor politiek en bestuurlijkdraagvlak te zorgen bij het verbeteren van de informatiehuishouding enom de voortgang van Open op Orde te bespoedigen. Hij stimuleert datoverheden, vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, de informatiehuis-houding verbeteren en draagt daarmee bij aan een goede uitvoering vande Archiefwet. Samen met de ministeries benoemt hij de knelpunten endraagt hij oplossingen aan. Daarbij brengt hij gevraagd en ongevraagdadvies uit aan de regering over de geplande aanpak en de bereikteresultaten ten aanzien van het op orde brengen en verduurzamen van deinformatiehuishouding van de Rijksoverheid. Ook jaagt hij het maatschap-pelijk gesprek aan en fungeert hij als boegbeeld van de gewensteverandering. De aanstelling van de regeringscommissaris liep initieel tot1 januari 2024, maar is recent met zes maanden verlengd tot 1 juli 2024.De regeringscommissaris benadrukt in zijn opdracht het belang van deverbinding van verschillende i-disciplines zoals archivering, techniek,privacy en beveiliging, gericht op de transformatie van de overheid.Volgens de regeringscommissaris kunnen de huidige problemen nietopgelost worden door een benadering vanuit één van deze perspectieven,maar vereist dit een integrale aanpak. De verschillende waarden vanuitdie disciplines moeten aan de voorkant, by design, worden betrokken bijde opgaven en de oplossingen.17 De regeringscommissaris ondersteuntdit wetsvoorstel voor een nieuwe Archiefwet als een significante stap inde goede richting die op korte termijn gezet kan worden.3. Archiefvorming De leden van de VVD-fractie lezen dat de vastgestelde beheerregelsopenbaar moeten worden gemaakt. Zij vragen op welke plek overheidsor-ganen dit moeten doen en hoe ervoor wordt gezorgd dat dit eenvoudiginzichtelijk is voor burgers?15Te raadplegen via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/12/11/meerjarenplan-openbaarheid-en-informatiehuishouding-rijksoverheid.16Vgl. https://www.open-overheid.nl/actueel/nieuws/2023/8/31/actieplan-open-overheid-2023-2027-van-start.17Zie voor een uitgebreidere reflectie van de regeringscommissaris op de informatiehuis-houding zijn brief van 8 februari 2024, te raadplegen via: https://www.rcihh.nl/documenten/brieven/2024/02/08/reflectie-van-de-regeringscommissaris-informatiehuishouding---de-transformatie-is-ingezetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 108 De verplichting om vastgestelde beheerregels openbaar te maken is metde nota van wijziging aan artikel 4.2 van het wetsvoorstel toegevoegd.18 Inde wet is niet voorgeschreven op welke plek deze publicatie moetplaatsvinden. Hiervoor is bewust gekozen, omdat het wetsvoorstel vooralle verantwoordelijke overheidsorganen van toepassing moet kunnenzijn, en uitvoerbaar moet kunnen zijn. Het artikel biedt overheidsorganendus de mogelijkheid om een wijze van bekendmaking te kiezen die past bijde desbetreffende overheidsorganisatie.De publicatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden door de beheerregels op dewebsite van het overheidsorgaan te plaatsen. Het is echter ook mogelijkom deze beheerregels te publiceren in de Staatscourant (voor overheids-organen van de centrale overheid) of in het provinciaal blad, gemeen-teblad of het waterschapsblad (voor overheidsorganen van onderschei-denlijk een provincie, gemeente of waterschap).Deze leden wijzen er voorts op dat het advies van algemene rijksarchivarisom een periodieke audit te doen niet wordt overgenomen. Wat waren deargumenten hiervoor van de algemene rijksarchivaris en hoe duidt deregering die argumenten, zo vragen deze leden.In artikel 4.2, tweede lid, onderdeel c, van het wetsvoorstel (zoals dit metde eerste nota van wijziging is komen te luiden) is opgenomen dat in debeheerregels moet worden vastgelegd «op welke wijze het beheerperiodiek wordt onderzocht, geëvalueerd en indien nodig bijgesteld, in hetbijzonder wat betreft de maatregelen ten behoeve van de duurzametoegankelijkheid van documenten». De algemene rijksarchivaris heefthierbij geadviseerd om de toevoeging «onderzocht, geëvalueerd» tewijzigen in een audit. Naar de opvatting van de algemene rijksarchivarisdoet een audit meer recht aan hetgeen dit artikel beoogt, omdat hetminder vrijblijvend is dan onderzoeken en evalueren. Daarnaast zou eenauditrapport een duidelijk aangrijpingspunt voor controle en toezichtkunnen bieden.Zoals in de toelichting bij de nota van wijziging is toegelicht, is dit adviesniet overgenomen.19 In lijn met de systematiek van de wet – en gelet ophet feit dat van een nieuwe wettelijke verplichting sprake is – vindt deregering het wenselijk dat verantwoordelijke overheidsorganen voor dezeverplichting de ruimte wordt geboden om de manier waarop het beheerperiodiek wordt onderzocht, naar eigen inzicht nader vorm te geven. Deregering zal dit onderwerp ook betrekken in de evaluatie van de wet, zodat– indien bij de uitvoering van de wet zou blijken dat deze ruimereverplichting tot problemen leidt – in de toekomst eventueel in eenaanscherping kan worden voorzien.De leden van de CDA-fractie vragen of de algemene rijksarchivaris nu alde mogelijkheid heeft om voor specifieke groepen verantwoordelijkeoverheidsorganen niet-bindende modelselectiebesluiten vast te stellen enzo ja, wat een expliciete bevoegdheid in het Archiefbesluit daaraantoevoegt.Het klopt dat de algemene rijksarchivaris momenteel al de mogelijkheidheeft om niet-bindende modelselectiebesluiten vast te stellen. In dit kaderkan bijvoorbeeld worden gewezen op het Generieke waarderingsmodelRijksoverheid, een modelselectiebesluit dat binnen de Rijksoverheid breed18Zie over de inhoud van de beheerregels en de openbaarmakingsverplichting nader detoelichting op de nota van wijziging bij het wetsvoorstel, Kamerstukken II 2022/23, 35 968,nr. 8, p. 11 e.v.19Kamerstukken II 2022/23, 35 968, nr. 8, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 109 wordt toegepast. Een dergelijk modelselectiebesluit vervult daardoor in depraktijk een kaderstellende rol voor de bevordering van eenheid in hetselectiebeleid, bijvoorbeeld omdat in een modelselectiebesluit algemeneuitgangspunten kunnen worden geformuleerd over welke categorieëndocumenten in algemene zin blijvend te bewaren zijn, en welkedocumenten te vernietigen zijn en na welke termijn. De expliciete basisvan deze bevoegdheid in het Archiefbesluit bevestigt de rol van dealgemene rijksarchivaris om als adviseur van de Minister te waken overde eenheid van selectiebeleid, en bevordert naar verwachting het gebruikvan deze modellen. De modellen kunnen richting geven door eenalgemeen vertrekpunt te bieden en de eenheid van selectiebeleid zoaanzienlijk te bevorderen. In een modelselectiebesluit kan de algemenerijksarchivaris algemene uitgangspunten formuleren over de categorieëndocumenten die in algemene zin blijvend te bewaren zijn, en de catego-rieën documenten die te vernietigen zijn en na welke termijn. Daarnaastwordt het opstellen van selectiebesluiten voor verantwoordelijkeoverheidsorganen op deze manier ook eenvoudiger omdat er al een basiste vinden is in het model. Een voorbeeld waaraan momenteel gewerktwordt is een modelselectiebesluit voor chatberichtenarchivering naaraanleiding van de verschillende adviezen over chatberichtenarchivering in2022 en 2023 en de kabinetsreactie daarop van 6 april 2023.20Deze leden vragen voorts of de regering de problematiek onderkent vanlanglopende discussies en noodzakelijke verbetering van de eenheid vanhet selectiebeleid over alle overheidslagen. Zo ja, welke maatregelenneemt de regering om de gesignaleerde problemen op te lossen?Allereerst wil de regering zoals hiervoor genoemd de mogelijkheid om tewerken met modelselectiebesluiten een expliciete basis geven in hetArchiefbesluit. Het gebruik van modellen bevordert de eenheid vanselectiebeleid tussen verschillende verantwoordelijke overheidsorganenen kan hen ook ontlasten.21 Daarmee bespaart een modelselectiebesluitoverheidsorganen tijd bij het opstellen van een selectiebesluit enbevordert het uniformiteit en kwaliteit van de selectiebesluiten en indirectde informatiehuishouding. Ten tweede zijn in het concept-Archiefbesluitbewaarcriteria opgenomen die door alle verantwoordelijke overheidsor-ganen moeten worden gehanteerd bij het vaststellen van welke catego-rieën documenten in ieder geval blijvend bewaard moeten worden.22 Dezebewaarcriteria kunnen worden gezien als een uitwerking van de belangengenoemd in artikel 1.3 van het wetsvoorstel, waarmee bij de toepassingen uitvoering van de wet en onderliggende regelgeving rekening moetworden gehouden. In de praktijk werden deze bewaarcriteria in de laatstejaren al voor elke selectielijst gehanteerd. Door opname van dezebewaarcriteria in het Archiefbesluit kunnen verantwoordelijke overheids-organen al in een vroeg stadium bij de voorbereiding van selectiebe-sluiten rekening houden met deze bewaarcriteria. Het verplichte gebruikvan deze bewaarcriteria zal de eenheid van selectiebeleid ten goedekomen.Voor de decentrale overheden geldt overigens dat de eenheid vanselectiebeleid feitelijk al is gerealiseerd. De gemeenten, provincies enwaterschappen hebben ieder gezamenlijk onder leiding van de Verenigingvan Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG), het Interprovinciaal Overleg(hierna: IPO) en de Unie van Waterschappen (hierna: UvW) selectielijsten20Kamerstukken II 2022/23, 32 802, nr. 67.21Artikel 3.2 van het concept-Archiefbesluit 20xx, te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/archiefbesluit20xx/b1.22Artikel 3.4, derde lid, van het concept-Archiefbesluit 20xx, te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/archiefbesluit20xx/b1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1010 laten vaststellen voor hun overheidslaag, waaraan door het overgrotedeel van de gemeenten, provincies en waterschappen wordt deelge-nomen. Hierbij moet worden aangetekend dat de onderlinge verschillentussen de verschillende overheidsorganisaties op rijksniveau aanzienlijkgroter zijn dan die tussen bijvoorbeeld de verschillende provincies.Desalniettemin onderschrijft de regering het streven naar eenheid vooralle overheidslagen en onderkent de regering dat voornamelijk deoverheidsorganisaties op rijksniveau hierin stappen te zetten hebben. Ditwetsvoorstel en onderliggende regelgeving dragen daar aan bij.De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering voornemens is om inhet Archiefbesluit bewaarcriteria op te nemen. Deze leden vragen vanwelke grondslag in het wetsvoorstel deze criteria de uitwerking vormen.Het opnemen van de bewaarcriteria in het Archiefbesluit berust op degrondslag in artikel 5.1, vijfde lid, onderdeel b, van het wetsvoorstel. Inhet wetsvoorstel zoals dat op 17 november 2021 aan uw Kamer isaangeboden, bestond deze grondslag23 er nog uit dat er bij algemenemaatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over «de inhoud ende procedure van het ontwerpen van selectiebesluiten». Bij nota vanwijziging is deze delegatiegrondslag technisch aangescherpt. Hierbij is degrondslag voor het stellen van nadere regels met betrekking tot deprocedure voor het ontwerpen van selectiebesluiten apart gezet van degrondslag voor nadere regels over de inhoud van selectiebesluiten. Het isdeze laatste grondslag die gebruikt zal worden om criteria aan te wijzenwaarmee moet worden bepaald welke categorieën documenten in iedergeval blijvend worden bewaard. Deze criteria hebben immers betrekkingop de inhoud van het selectiebesluit. Deze grondslag zal overigens ookworden toegepast voor het artikel in het Archiefbesluit dat de rijksarchi-varis de expliciete bevoegdheid geeft om voor specifieke groepenverantwoordelijke overheidsorganen niet-bindende modelselectiebe-sluiten vast te stellen.Voorts vragen zij of de regering de mening deelt dat de keuze ombewaarcriteria te formuleren een hoofdelement is in de voorgestelderegeling en dat de Archiefwet een verplichting tot het formuleren vancriteria zou moeten bevatten.De regering deelt de opvatting dat de opname van bewaarcriteria in hetArchiefbesluit belangrijk is. Zij is echter niet van mening dat het noodza-kelijk is om in de wettelijke delegatiegrondslag specifiek tot de opnamevan bewaarcriteria te verplichten. Door de formulering van de grondslagin artikel 5.1, vijfde lid, onderdeel b, verplicht het wetsvoorstel ertoe om inhet Archiefbesluit nadere regels op te nemen over de inhoud vanselectiebesluiten. De regering vindt het wenselijk om op basis van dezegrondslag bewaarcriteria in het Archiefbesluit uit te werken, maar vindthet als gezegd niet noodzakelijk om de delegatiegrondslag daarvoor aante passen. Juist deze ruimere formulering laat ruimte om in de toekomsteventueel op een andere, of aanvullende, manier invulling te geven aande inhoud van selectiebesluiten, hetgeen de toekomstbestendigheid vanhet wetsvoorstel ten goede komt.4. Verbetering van de informatiehuishouding en duurzametoegankelijkheid De leden van de VVD-fractie vernemen uit verschillende bronnen dat bijverschillende (decentrale) overheidsorganen de informatiehuishoudingnog niet op orde is. Zo zijn er nu al grote achterstanden in de archivering,23Toen nog opgenomen in artikel 5.1, vierde lid, onderdeel a, van het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1011 die door het verkorten van de termijn naar 10 jaar mogelijk zullenoplopen. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een stand vanzaken kan geven met betrekking tot de huidige achterstanden in dearchivering?Uit de uitvoeringstoets van het wetsvoorstel kwamen achterstanden metoverbrenging niet als knelpunt naar voren. Het voorstel tot verkorting vande overbrengingstermijn wordt gelijktijdig ondervangen doordat deverplichting, anders dan bij de verkorting van de overbrengingstermijnvan 50 jaar naar 20 jaar bij de invoering van de Archiefwet 1995,24 nietmet terugwerkende kracht geldt. Verkort overbrengen zal voor het eerstpas in 2036 zal plaatsvinden, indien het wetsvoorstel met ingang van1 januari 2026 in werking zou treden. De achterstanden uit het verledendie deels nog voortkwamen uit die vorige wetswijziging zijn flinkafgenomen, maar de regering wil met dit wetsvoorstel geen nieuweachterstanden creëren. Leidend is dat de informatiehuishouding op ordemoet worden gebracht. Het wetsvoorstel helpt hierbij met een helderderkader. De overgangstermijn van 10 jaar biedt overheidsorganenvoldoende tijd om zich op de verkorte overbrengingstermijn voor tebereiden,25 en zou dus niet tot nieuwe achterstanden moeten leiden.Tegelijkertijd is een kortere overbrengingstermijn voor de archivering vandigitale informatie van groot belang. Voor het behoud van digitaleinformatie is namelijk essentieel dat – veel meer van bij papierendocumenten – tijdig beheersmaatregelen worden getroffen. Een kortereoverbrengingstermijn werkt hierbij als stok achter de deur, en voorkomtdat digitale informatie door laat of nalatig beheer verloren gaat, of dat (bijoverbrenging na langere termijn) verhoudingsgewijs nog veel grotereinvesteringen in tijd en geld moeten worden gedaan om de digitaleinformatie duurzaam toegankelijk te kunnen houden.26Wat betreft de bestaande achterstanden met de overbrenging van archiefkan het volgende worden opgemerkt. De huidige achterstanden bij hetRijk betreffen voornamelijk papieren archiefmateriaal dat nog overge-bracht dient te worden. Hoewel papier bij de overheid grotendeels wordtuitgefaseerd, zal het wegwerken van deze achterstanden nog enige tijdvergen. Het wegwerken van de papieren archiefachterstanden over deperiode van 1975 tot en met 2005 wordt naar verwachting volgend jaardoor Doc-Direkt afgerond. Eventuele archiefachterstanden van na 2005worden door de rijksoverheidsorganisaties separaat weggewerkt. Dit doenzij in eigen beheer of via een opdracht aan Doc-Direkt. De Inspectie heeftdit onderwerp opgenomen in haar werkprogramma voor 2023–2024.De regering beschikt niet over een overkoepelend beeld van achter-standen bij gemeenten omdat dit decentraal georganiseerd is. Navraag bijde VNG, IPO en UvW leert dat achterstanden in overbrenging decentraalgeen groot probleem vormen. Bij de waterschappen zijn zelfs geenachterstanden bekend. De VNG gaf eerder in reactie op het toenmaligeconceptwetsvoorstel voor de nieuwe Archiefwet aan dat de verkorting vande overbrengingstermijn juist kan bijdragen aan vergroting van deurgentie bij gemeenten om archiefdiensten te moderniseren. Dekoppeling van overbrenging aan openbaarmaking betekent dat over te24Vgl. artikel 45 van de Archiefwet 1995.25Zie over de voorgenomen verkorting van de overbrengingstermijn bijvoorbeeld het rapportImpact verkorting overbrengingstermijn. Onderzoek naar de impact van een substantiëleverkorting van de overbrengingstermijn (Archiefwet 1995) (Rapport Panteia, Kwink en Rebel,2017), bijlage bij de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van18 augustus 2017, Kamerstukken II 2016/17, 34 362, nr. 29.26Zie over de verkorting van de overbrengingstermijn nader de memorie van toelichting bij hetwetsvoorstel, Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 27–28.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1012 brengen archieven ook eerder openbaar en raadpleegbaar wordengemaakt. De VNG wijst er daarnaast op dat digitale informatie vluchtig is,en het risico groot is dat deze verloren gaat na een periode van 20 jaar. DeVNG verwacht dus eerder een positief effect dan een negatief effect bijeen verkorting van overbrengingstermijn.In dit kader vragen deze leden tevens, welke stappen de regering reedsheeft gezet om een soepele overgang mogelijk te maken en welke stappende regering nog gaat zetten. Zij vragen voorts, op welke manieren deregering decentrale overheden voorbereidt op deze overgang. Ten slottevragen deze leden, of er reeds signalen zijn dat snelle inwerkingtreding nabehandeling in beide Kamers ingewikkeld is?Om te voorkomen dat de verkorting van de overbrengingstermijn zouleiden tot nieuwe achterstanden, is in het wetsvoorstel geregeld dat deverkorting van de overbrengingstermijn niet met terugwerkende kracht inwerking zal treden. De kortere overbrengingstermijn van tien jaar gaatuitsluitend gelden voor de documenten die worden opgemaakt ofontvangen vanaf het moment van inwerkingtreding van de nieuweArchiefwet.27 Dit betekent dat overheidsorganisaties na de inwerking-treding van dit wetsvoorstel tien jaar de tijd hebben om zich op deverkorte overbrengingstermijn voor te bereiden. Voor de documenten diereeds opgemaakt of ontvangen waren, vóór de inwerkingtreding van denieuwe Archiefwet, blijft de oude overbrengingstermijn van twintig jaargelden. De regering verwacht hiermee voldoende ruimte te hebbengecreëerd voor een goede implementatie. De regering herkent designalen, dat snelle inwerkingtreding tot problemen zou leiden, daaromniet. Zoals bovenaan deze paragraaf in antwoord op de eerdere vraag vande leden van de VVD-fractie is geantwoord, is de regering van mening datde verkorting van de overbrengingstermijn juist erg belangrijk is om deuitvoerbaarheid van de wet ook voor digitale informatie te kunnenborgen. Bij het Nationaal Archief wordt de komende jaren extra capaciteitingezet voor kennisontwikkeling en advisering omtrent overbrengingonder de nieuwe Archiefwet.Met de inwerkingtreding van de Archiefwet 1995 werd de overbrengings-termijn teruggebracht van vijftig naar twintig jaar. Dit zorgde toen directvoor achterstanden in de overbrenging omdat deze verkorting metterugwerkende kracht inging (ook voor de al bestaande archiefbe-scheiden). Dit betekende toen feitelijk dat met de inwerkingtreding vandeze wet, direct een achterstand van dertig jaar ontstond. Hierbij merkt deregering op dat de verkorting nu weliswaar een halvering is van deoverbrengingstermijn, maar dat deze met tien jaar in vergelijking met devorige verkorting beperkter is. In combinatie met de tijd die overheidsor-ganisaties bovendien krijgen om zich hier op voor te bereiden heeft deregering er vertrouwen in dat dit leidt tot een soepele overgang.Wat betreft de begeleiding van een goede implementatie van de nieuweArchiefwet kan de regering melden dat er reeds gewerkt wordt aan eenoverheidsbreed implementatieplan. Daarnaast werkt het Nationaal Archiefal enkele jaren aan de voorbereiding op de komst van de nieuweArchiefwet. Vanuit de overheidsbrede rol van het Nationaal Archief alsexpertisecentrum voor archivering en duurzame toegankelijkheid vanoverheidsinformatie zal zij ook decentrale overheden adviseren en vragenvan decentrale overheden ten aanzien van de nieuwe wet beantwoorden.Tot slot voorziet de wet in enkele overgangsbepalingen die een soepeleimplementatie zullen vereenvoudigen.27Vgl. artikel 12.3, eerste lid, van het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1013 De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre de inhoud van het rapport«Openbaarmaking van overheidsinformatie. Een rechtsvergelijkendonderzoek naar de wetgeving in Zweden, het Verenigd Koninkrijk,Duitsland, Frankrijk, Slovenië en Estland van Drahmann, Honee en al Katib(september 2022)» aanleiding geeft om het wetsvoorstel op onderdelenanders te wegen, bijvoorbeeld als het gaat om het gelijkschakelen van debeperkingsgronden in de Woo.Het rapport is voor de regering geen aanleiding geweest om hetwetsvoorstel op onderdelen anders te wegen. De regering heeft grotewaardering voor het rapport en de wijze waarop de verschillen tussen deNederlandse wetgeving en de wetgeving van Zweden, het VerenigdKoninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Slovenië en Estland in beeld zijn gebracht.Tegelijkertijd laat het rapport ook zien dat tussen landen grote verschillenbestaan in de wijze waarop de nationale openbaarheidswetgeving alsgeheel is vormgegeven, bijvoorbeeld wat betreft de documenten waaropde wetgeving van toepassing is, de kring aan overheidsorganen of andereorganen waar de wetgeving op van toepassing is, en de keuze voor eeninformatie- of een documentenstelsel.Een heroverweging aan de hand van het rapport zou daarom al snel dewijziging van tal van andere wetgeving met zich mee brengen, hetgeen dereikwijdte van dit wetsvoorstel te buiten gaat. Met dit wetsvoorstel isbeoogd te komen tot een juridische duidelijke Archiefwet die betertoepasbaar is in het digitale tijdperk. De verbetering van de aansluitingtussen de wet en andere wetgeving op het gebied van de informatiehuis-houding, zoals de Woo, was daarbij een belangrijk aandachtspunt. Met hetoog op een goede aansluiting tussen de Woo en de Archiefwet, zijn debeperkingsgronden in dit wetsvoorstel met de beperkingsgronden in deWoo in lijn gebracht. De regering is ervan overtuigd dat dit voorstel,waarbij de beperkingsgronden in de Archiefwet nader zijn gespecificeerd,de uitvoerbaarheid van de Archiefwet en de openbaarheid uiteindelijk tengoede komt.28 De regering ziet daarom geen aanleiding om dit teheroverwegen.5. Overbrenging De leden van de VVD-fractie constateren dat voor het vierde lid van artikel5.5 geen noodzaak meer is. Zij vragen of er geen gevallen meer denkbaarzijn waarin het wenselijk is dat aan een machtiging extra voorwaardenworden verbonden? Kan de regering verder toelichten hoe de uitwerkingvan het Archiefbesluit en de Archiefregeling tot deze conclusie hebbengeleid, zo vragen deze leden.Het vierde lid van artikel 5.5 bood de mogelijkheid om naderevoorwaarden te verbinden aan een machtiging tot opschorting van deoverbrenging. In het concept-Archiefbesluit zijn algemene regelsopgenomen die bij elke opschorting van toepassing zijn.29 Het vijfde liddat daar in het oorspronkelijke wetsvoorstel een grondslag voor bood, isbij nota van wijziging vernummerd tot het nieuwe vierde lid. Hierbij is demogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuurvoorwaarden vast te stellen, gewijzigd in een verplichting. De regeringhecht aan uniform gebruik van de machtiging tot opschorting en wilvoorkomen dat in de praktijk verschillende voorwaarden zouden worden28Zie ook het antwoord dat in de nota naar aanleiding van het verslag werd gegeven inantwoord op vragen van de fractieleden van het CDA, de PvdA en de SGP, Kamerstukken II2022/23, 35 968, nr. 7, p. 20 e.v.29Artikel 5.4 van het concept-Archiefbesluit 20xx, te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/archiefbesluit20xx/b1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1014 gesteld. Vanuit de praktijk bestaat er ook een behoefte aan een generiekeinvulling van de voorwaarden die aan een machtiging tot opschortingworden verbonden. Daarin wordt voorzien door de voorwaarden die opbasis van het nieuwe artikel 5.5, vierde lid, van het wetsvoorstel in hetconcept-Archiefbesluit zijn opgenomen. Gelet daarop meent de regeringdat het niet nodig is om nog te voorzien in de mogelijkheid om aan eenmachtiging bijzondere voorwaarden te verbinden.De leden van de VVD-fractie lezen dat een verleende ontheffing kanworden ingetrokken door gedeputeerde staten of de Minister. Voor deleden is vanuit de wettekst en memorie van toelichting nog niet duidelijkof de Minister ook een ontheffing kan intrekken die door gedeputeerdestaten worden verleend en andersom.Voor het intrekken van een ontheffing wordt dezelfde systematiekgehanteerd die geldt voor het verlenen van een ontheffing. Hierbij is hetbestuursorgaan dat de ontheffing heeft verleend, bevoegd om deontheffing in voorkomend geval in te trekken.30 Een door de Ministerverleende ontheffing (voor documenten die kortgezegd naar het NationaalArchief of de archiefdienst van een provincie worden overgebracht) kanuitsluitend door de Minister worden ingetrokken. Een door de provincieverleende ontheffing (voor documenten die naar een archiefdienst vaneen gemeente of waterschap worden overgebracht) kan uitsluitend doordie provincie worden ingetrokken.31Van belang is echter dat op grond van het generiek interbestuurlijktoezicht wel de mogelijkheid kan bestaan om een door gedeputeerdestaten verleende ontheffing bij koninklijk besluit – op voordracht van deMinister van BZK – te vernietigen, indien de ontheffing kortgezegd in strijdzou zijn met het recht of met het algemeen belang.32De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om in te gaan opde kritiek van de KVAN, die stelt dat de mogelijkheid van «ontheffing vanoverbrenging» overheden in de gelegenheid stelt om zonder al te veelbelemmeringen ervoor te kiezen om overheidsarchieven niet of nooit overte brengen naar een archiefinstelling. Hoe kijkt de regering naar dezekritiek? Zij vragen voorts of de regering hier ook een risico ziet, ondanksde voorwaarden die worden gesteld in artikel 5.6, tweede lid? Zo ja, hoewil de regering voorkomen dat er onnodig veel van de ontheffing gebruikgaat worden gemaakt?De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen op de bezorgdheid die doorde KVAN is geuit over de mogelijkheid van ontheffing van overbrenging.De regering begrijpt die geuite zorg omdat het hier een nieuwevoorziening in de wet betreft, maar ziet dit risico niet. Het wetsvoorstel iszo opgesteld dat alleen in uitzonderlijke gevallen een ontheffing kanworden verleend.30Zulks vanzelfsprekend uitsluitend indien één van de in artikel 5.6, derde lid, genoemdeomstandigheden zich voordoet.31De mogelijkheid om een ontheffing in te trekken, is bij nota van wijziging aan het wetsvoorsteltoegevoegd. Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 5.6, derde lid, van het wetsvoorstel.De aanhef van dit lid luidt: «Een verleende ontheffing kan door gedeputeerde staten,onderscheidenlijk Onze Minister worden ingetrokken, indien [...]». Het woord «onderschei-denlijk» – in relatie tot het eerste lid van artikel 5.6 – brengt hierbij tot uitdrukking dat hetintrekken van een ontheffing is voorbehouden aan ofwel de Minister, indien de ontheffingbetrekking heeft op documenten die naar het Nationaal Archief of een daartoe door gedepu-teerde staten aangewezen decentrale archiefdienst worden overgebracht, ofwel gedeputeerdestaten, indien het andere documenten betreft.32Vgl. artikel 132, vierde lid, van de Grondwet en artikel 261 e.v. van de Provinciewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1015 Er zijn in het wetsvoorstel strikte voorwaarden opgenomen waaraan moetworden voldaan, voordat een ontheffing kan worden verleend.Documenten moeten hiervoor deel uitmaken van een omvangrijke,samenhangende verzameling, waarbij overbrenging ernstig afbreuk zoudoen aan de integriteit van de verzameling dan wel aan de uitvoering vande wettelijke taak van het betreffende overheidsorgaan. Overheidsor-ganen kunnen niet zelf bepalen of zij aan die voorwaarden voldoen. Het iskortgezegd uitsluitend de Minister van OCW (voor documenten van hetRijk en provincies) of gedeputeerde staten (voor documenten vangemeenten of waterschappen) die een ontheffing kan geven.Bij dit alles geldt de voorwaarde dat het overheidsorgaan dat deontheffing vraagt, adequate voorzieningen moet hebben getroffen voor deblijvende bewaring en beschikbaarstelling van de documenten. Dit isbedoeld om te voorkomen dat de openbaarheid van documenten doorontheffing in het gedrang zou komen, en dat de informatiepositie van deburger er door een verleende ontheffing op achteruit zou gaan. Dezevoorwaarden zijn verder uitgewerkt in het concept-Archiefbesluit.33Bij nota van wijziging is aan het wetsvoorstel toegevoegd dat deontheffing kan worden ingetrokken indien niet meer aan de voornoemdevoorwaarden wordt voldaan. De ontheffing zal tot slot ook een apartonderwerp zijn bij de evaluatie van de wet die voor het eerst vijf jaar nainwerkingtreding gehouden zal worden, en zal ook nadrukkelijk aandachtkrijgen bij de implementatie van de wet.6. Openbaarheid De leden van de PvdA-fractie en GroenLinks-fractie vragen of de regeringper beperkingsgrond nader kan toelichten op grond van welke overwe-gingen de dertien nieuwe beperkingsgronden, die de regering opvat alsspecificatie van «onevenredige benadeling», elk naar haar oordeel leidt totbeperkingen in de openbaarheid die gerechtvaardigd zijn.Zoals is toegelicht in de nota naar aanleiding van het verslag bij hetwetsvoorstel, zijn de specifieke beperkingsgronden in het wetsvoorstelopgenomen om een betere aansluiting tussen de Archiefwet en de Woo terealiseren. Deze gespecificeerde beperkingsgronden leiden ertoe dat eenbesluit tot het vaststellen van beperkingen beter gespecificeerd engemotiveerd kan en moet worden, en de specificering van de beperkings-gronden komt daarmee de openbaarheid uiteindelijk ten goede.34De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om een toelichtingof elke beperkingsgrond wel leidt tot beperkingen in de openbaarheid diegerechtvaardigd zijn. Zo’n abstracte afweging is moeilijk te maken, omdatde vraag of een te stellen beperking al dan niet gerechtvaardigd is, perdefinitie afhankelijk is van de concrete informatie waarvoor de beperkingzou worden gesteld. In het wetsvoorstel is dat onderkend, want debeperkingsgronden in het wetsvoorstel zijn (behoudens een beperktaantal absolute beperkingsgronden, opgenomen in artikel 7.2, eerste lid)als relatieve beperkingsgronden geformuleerd. Deze beperkingsgrondenkunnen uitsluitend worden toegepast, indien een door een beperkings-grond te beschermen belang zwaarder weegt dan het belang van deopenbaarheid van de in de documenten opgenomen informatie. Het is33Artikel 5.6 van het concept-Archiefbesluit 20xx, te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/archiefbesluit20xx/b1.34Zie ook het antwoord dat in de nota naar aanleiding van het verslag werd gegeven inantwoord op vragen van de fractieleden van het CDA, de PvdA en de SGP, Kamerstukken II2022/23, 35 968, nr. 7, p. 20 e.v.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1016 kortom inherent aan het wettelijke systeem, dat een beperkingsgrondalleen kan worden toegepast, als die toepassing gerechtvaardigd is.Het valt de leden van de ChristenUnie-fractie op dat in de periode tussen2013 en 2021 slechts in zestien gevallen beperkingen aan de openbaarheidal dan niet gedeeltelijk zijn opgeheven. De leden vinden dit een laagaantal. Hoe reflecteert de regering hierop? Zorgt de voorgesteldewerkwijze niet voor onnodige belemmeringen in de openbaarmaking?De regering heeft naar aanleiding van deze vraag uitgebreider onderzoekgedaan naar het aantal opheffingen van openbaarheidsbeperkingen in deperiode 2013–2021. Het eerder in het nader rapport genoemde aantal van16 opheffingen berustte op een vergissing. In de genoemde periode zijnalleen bij het Nationaal Archief al 31 besluiten tot het opheffen vanopenbaarheidsbeperkingen genomen. Veelal betreft het besluit dan deopheffing van de openbaarheidsbeperking die berust op meerdereinventarisnummers (met daarin meerdere documenten) binnen eenarchief. Vijfmaal is in de genoemde periode met een dergelijk besluit eenvolledig archief vervroegd vrijgegeven. In totaal gaat het dan in degenoemde periode om vele duizenden, zo niet tienduizenden, inventaris-nummers waarvan de beperking vervroegd is opgeheven.Een openbaarheidsbeperking ziet daarbij in de meeste gevallen opbescherming van de persoonlijke levenssfeer. De termijn van deopenbaarheidsbeperking is dan zodanig bepaald, dat er bij het vervallenvan die termijn geen sprake meer kan zijn van een schending van depersoonlijke levenssfeer. Veelal gebeurt dit aan de hand van de levensver-wachting van de in de archieven voorkomende personen, waarbij men erna een termijn van 110 jaar vanuit gaat dat alle personen die in het archiefvoorkomen, zijn overleden. Van een inbreuk op de persoonlijke levens-sfeer is dan in beginsel geen sprake meer. Het eerder actief opheffen vaneen dergelijke openbaarheidsbeperking vergt van een archiefdienst datmoet worden nagegaan of er voor de in een archief voorkomendepersonen nog sprake zou kunnen zijn van een schending van de persoon-lijke levenssfeer. Met andere woorden: de archiefdienst zou moetenonderzoeken of alle personen die in het archief voorkomen, inmiddels zijnoverleden. Dit vergt een dermate grote inspanning van archiefdienstendat slechts in incidentele gevallen tot opheffing van de beperking kanworden besloten.Het lage aantal vervroegd opgeheven beperkingen valt ook te verklarendoordat het veelal mogelijk is om onder voorwaarden toegang te krijgentot beperkt openbaar archief, bijvoorbeeld voor wetenschappelijkonderzoek of omdat het een dossier betreft dat over de verzoeker zelfgaat. In die gevallen wordt wel toegang verleend, maar bestaat geenaanleiding om de openbaarheidsbeperking in zijn geheel op te heffen.Indien de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ziet op «gewonepersoonsgegevens» geeft het Nationaal Archief in beginsel toegang aande verzoeker. Het is daarbij echter niet toegestaan is om kopieën te makenen de verzoeker wordt gewezen op de plicht de privacy te beschermen.De regering heeft in het wetsvoorstel voor negen beperkingsgronden demaximale beperkingstermijnen significant teruggebracht van 75 jaar naar20 jaar, tellend vanaf het moment van creatie of ontvangst. Dit zorgtervoor dat een beperkingsgrond niet langer van toepassing is dan nodigen voorkomt dat deze onnodig doorlopen.De leden van de SGP-fractie vragen een nadere duiding op de opmerkingdat het Verdrag van Aarhus zou nopen tot een beperkingsgrond metbetrekking tot het milieu. Deze leden wijzen erop dat dit Verdrag juist hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1017 recht op informatie, inspraak en toegang tot de rechter beschermt en datartikel 4, vierde lid, onderdeel h, slechts de mogelijkheid bevat om eenverzoek te weigeren indien het nadelige invloed heeft op het milieuwaarop de informatie betrekking heeft, zoals de voortplantingsgebiedenvan zeldzame soorten. Deze leden vragen of de bescherming vooral zietop diersoorten. Kan de regering aangeven of het in het verdrag genoemdevoorbeeld daadwerkelijk in de archiefsector hier of elders wordttoegepast? Kan zij eveneens aangeven dat het meer dan fictief is datinformatie over het milieu van meer dan tien jaar geleden nog steedsnadelig kan uitpakken? Welke voorbeelden kent de regering hiervan, zovragen deze leden.Uit artikel 7.2, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van het wetsvoorstelvolgt dat de openbaarheid van documenten kan worden beperkt, indienhet belang van de openbaarheid van de in die documenten opgenomeninformatie niet opweegt tegen het belang van de bescherming van hetmilieu waarop deze informatie betrekking heeft. Deze beperkingsgrond isin het wetsvoorstel opgenomen in het kader van de afstemming van hetwetsvoorstel op het openbaarheidsregime van de Wet open overheid, datin artikel 5.1, tweede lid, onderdeel g, dezelfde beperkingsgrond kent. Inde memorie van toelichting bij de Wet open overheid is deze beperkings-grond als volgt toegelicht:«Volgens het Verdrag van Aarhus en de daaruit voortvloeiende Europeserichtlijnen kunnen de verdragsluitende partijen dan wel lidstaten ookweigeren informatie te verstrekken als dat nadelige gevolgen kan hebbenvoor de bescherming van het milieu waarop die informatie betrekkingheeft. Als voorbeelden worden gegeven de voortplantingsgebieden enhabitat van zeldzame soorten. Alhoewel naar verwachting deze uitzonde-ringsgrond maar zelden toepassing zal vinden, is toch noodzakelijk dezehier op te nemen, omdat de bescherming van het milieu niet meer ondereen algemene restgrond kan vallen.»35De leden van de SGP-fractie merken terecht op dat het verdrag in artikel 4,vierde lid, onderdeel h, een mogelijkheid en niet een verplichting bevatom informatieverstrekking te weigeren, indien de openbaarmaking vandie informatie nadelige invloed heeft op het milieu waarop die informatiebetrekking heeft. In het verdrag wordt mogelijke schade voor de voort-plantingsgebieden van zeldzame soorten als concreet voorbeeld genoemdvan een geval waarin een verzoek om milieu-informatie kan wordengeweigerd. De term «voortplantingsgebieden» suggereert dat hierbij opdiersoorten is gedoeld, maar omdat dit nadrukkelijk een voorbeeld is, isniet uitgesloten dat de beperkingsgrond ook in andere gevallentoepassing vindt.De regering is niet bekend met gevallen waarin deze beperkingsgrondreeds in de archiefsector wordt toegepast. Om dezelfde redenen als diedoor de indieners van de Woo in de memorie van toelichting bij datwetsvoorstel zijn opgenomen, meent de regering dat het toch noodza-kelijk is om deze beperkingsgrond in het wetsvoorstel op te nemen (ooknu deze beperkingsgrond in de praktijk naar verwachting na tien jaarslechts hoogstzelden toepassing zal vinden).35Kamerstukken II 2011/12, 33 328, nr. 3, p. 47.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1018 7. Toezicht De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Staatssecretaris vanOCW in gesprek is met de Inspectie om te bezien of het bestaandetoezichtsinstrumentarium effectiever in te zetten is. Wil de regering verderreflecteren op welke mogelijkheden ze hiertoe ziet?Bij nota naar aanleiding van het verslag heb ik uw Kamer laten weten datik in gesprek was met de Inspectie om te bezien of het bestaandeinstrumentarium effectiever is in te zetten, waar dit nu nog praktischongebruikt blijft. Het wetsvoorstel kent twee sancties, namelijk het gevenvan een aanwijzing en het opleggen van een last onder bestuursdwang,wanneer de aanwijzing niet wordt opgevolgd. Deze laatste sanctiemoge-lijkheid omvat ook de bevoegdheid om in plaats daarvan een last onderdwangsom op te leggen.36 Uitkomst van dit overleg is dat bij inwerking-treding van de wet aan de hoofdinspecteur overheidsinformatie onder-mandaat zal worden gegeven voor het nemen van handhavingsbesluiten.De hoofdinspecteur heeft via artikel 10.1 van het wetsvoorstel al eenformele positie waar deze mandatering van de sanctiebevoegdheid goedbij aansluit. Mijn overweging hierbij is verder dat de reeds ingezetteversterking van de Inspectie de hoofdinspecteur in staat stelt omzelfstandig deze sancties op te leggen indien nodig. De capaciteit van deInspectie wordt stapsgewijs substantieel vergroot en dit stelt de Inspectiein staat om meer en ook intensiever te inspecteren. Nu de Inspectie instaat wordt gesteld om op bepaalde aspecten en thema’s dieper in te gaanis de ondermandatering van de sanctiemogelijkheden aan de hoofdin-specteur gepast. Dit wetsvoorstel zal met de introductie van eenmeldplicht bij incidenten voor de centrale overheid nog een extra impulsgeven aan de reeds ingezette versterking, waarbij de sanctiemogelijk-heden ook tot betere naleving van de meldplicht kan leiden. Dit geeft dehoofdinspecteur en de Inspectie meer ruimte om het toezicht onafhanke-lijker vorm te geven.De Inspectie werkt momenteel aan beleid om te bepalen wanneer het dezesancties zal toepassen. De verwachting is dat dit beleidskader dit jaar zalzijn uitgewerkt en daarmee voor de beoogde inwerkingtreding van hetwetsvoorstel te gebruiken zal zijn.Deze leden van de ChristenUnie-fractie zien de toegevoegde waarde vande aanstelling van een archivaris voor decentrale overheden, maarmerken op dat een archivaris enkel kan rapporteren aan zijn eigenbestuur. Deze leden geven aan dat daarom van extern toezicht geensprake is, en dat hoogstens extern kan worden getoetst. Ziet de regeringhierbij risico’s die goed informatie- en archiefbeheer alsnog in de wegstaan? Hoe zorgt de regering ervoor dat elke overheidsorganisatiedaadwerkelijk aangezet wordt tot het verbeteren van het informatie- enarchiefbeheer, zo vragen deze leden.Het archieftoezicht is bij de decentrale overheden (net als onder deArchiefwet 1995) anders ingericht dan bij het Rijk. De oorzaak hiervan isdat het bestuur van decentrale overheden ook na overbrenging verant-woordelijk blijft voor zijn archieven. De archivaris heeft daardoor bijdecentrale overheden een dubbelrol, enerzijds als beheerder van deovergebrachte documenten die bij de archiefdienst berusten en anderzijdsals intern toezichthouder op het beheer van de niet-overgebrachtedocumenten. De archivaris van de provincie, de gemeente of hetwaterschap heeft er als beheerder van het overgebrachte archief belang36Zie artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1019 bij dat de documenten duurzaam toegankelijk zijn. Dat kan alleen door ookinvloed te kunnen uitoefenen op het begin van de keten en het beheer vannog over te brengen documenten.Naast dit horizontale toezicht is er extern toezicht door de provincies opde naleving van de archiefregelgeving door gemeenten, gemeenschappe-lijke regelingen en waterschappen. Dit interbestuurlijke toezicht is sindshet van kracht worden van de Wet revitalisering generiek toezicht in 2013niet meer geregeld in de Archiefwet 1995, maar vindt plaats met gebruik-making van de generieke instrumenten van de Provinciewet, Gemeen-tewet, en Waterschapswet. Gemeenten hebben sinds die tijd onder meereen systeem van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) ontwikkeld.37Daarbij is ook een interventieladder opgenomen die uiteindelijk kan leidentot schorsing en vernietiging van een besluit van de gemeente ofwelindeplaatsstelling in geval van taakverwaarlozing bij de gemeente.Daarnaast dragen provinciale beleidskaders bij aan structuur en eendui-digheid van dit interbestuurlijk toezicht.8. Opleiding archivaris De leden van de PvdA-fractie en GroenLinks-fractie vragen of het wellichtniet meer voor de hand zou liggen om de diploma-eis nog altijd tehandhaven als een minimumeis? Deze leden vragen of dit niet een extrawaarborg zou bieden tegen lagere overheden die het belang van goedearchivering onvoldoende onderkennen.De onderbouwing voor het loslaten van de diploma-eis ligt in deveranderende omstandigheden van het beroep van archivaris en deverbreding van het vakgebied. Digitalisering en technologische ontwikke-lingen hebben het vakgebied sterk veranderd, waardoor een flexibeler enbreder opleidingsaanbod nodig is, zowel voor starters binnen hetvakgebied als voor professionals die zich verder willen ontwikkelen ofomscholen gedurende hun loopbaan. Daarnaast wordt de archivarisomringd door diverse andere functionarissen binnen een organisatie diezich bezighouden met informatiebeheer en informatieverwerking, watinterdisciplinaire samenwerking vereist. De regering zoekt daarom eenbalans tussen het stimuleren van het waarborgen van deskundigheid enflexibiliteit en aanpassing aan veranderende omstandigheden. Deregering kiest er daarom met dit wetsvoorstel voor om de diploma-eis telaten vervallen ten gunste van een bredere beoordeling van professionelekwaliteiten, waar een diploma Archivistiek onderdeel van kan blijven. Hetvoordeel hiervan is dat dit het mogelijk maakt om professionals aan testellen die relevante ervaring en expertise hebben, maar die niet over hetspecifieke diploma beschikken. Door die professionals uit te sluiten, looptde overheid een hoop talent mis dat hard nodig is om de informatiehuis-houding duurzaam toegankelijk te maken en te houden.De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen of het handhaven van dediploma-eis als minimumeis niet beter zou zijn als een extra waarborg. Dewaarborg dat lagere overheden het belang van goede archiveringvoldoende onderkennen, zit in de met dit wetsvoorstel verplichteaanstelling van een archivaris. Decentrale overheden hebben daarmeeniet langer de ruimte om de archivaristaak bij de secretaris onder tebrengen en vervolgens te mandateren aan een medewerker. Men moetiemand aanstellen die de verantwoordelijkheid voor de archiveringdraagt, en die over de daarvoor vereiste vaardigheden, kennis en37VNG Handreiking – Horizontale verantwoording Archiefwet 1995 via Kritische PrestatieIndicatoren (KPI’s) (derde geactualiseerde versie april 2020). Zie: https://vng.nl/sites/default/files/2020-05/horizontale-verantwoording_20200430.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1020 expertise beschikt. Door de taken die vervolgens middels dit wetsvoorstelen onderliggende regelgeving aan de archivaris worden toebedeeld wordtdeze persoon ook stevig gepositioneerd in de organisatie.Op grond van artikel 6.3, vierde lid, van het wetsvoorstel geldt dat eenarchivaris wordt aangewezen «op grond van zijn professionele kwali-teiten, in het bijzonder zijn deskundigheid op het gebied van de wetgevingen de praktijk inzake archivistiek, alsmede zijn vermogen de taken tevervullen die voortvloeien uit het bepaalde bij of krachtens deze wet». Hetwetsvoorstel specificeert in hoofdstuk 6 in algemene zin welke taken enbevoegdheden het Nationaal Archief en een decentrale archiefdienstheeft, en dat de archivaris verantwoordelijk is voor het beheer van dedocumenten die blijvend door de dienst worden bewaard. Vervolgensworden aan de hand van de verschillende inhoudelijke taken van eenoverheidsorgaan op het gebied van archivering (in hoofdstuk 4, 5, 6, 7 en8) ook specifieke taken aan een archivaris toebedeeld. De ruimte dieartikel 6.3, vierde lid, van het wetsvoorstel decentrale overheden biedt omeigen beoordelingscriteria op te stellen, is daarbij ook een kans vooroverheden om kandidaten te selecteren die het beste passen bij hunspecifieke behoeften. Dit laat vanzelfsprekend onverlet dat dooroverheden nog steeds een archivarisdiploma kan worden geëist bij hetselecteren van een archivaris. Het is overigens ook mogelijk voordecentrale overheden, zoals kleinere gemeenten, om een archivaris tedelen.38De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering verwacht dathet vervallen van de diploma-verplichting consequenties heeft voor (hetanimo voor) de opleidingen archivistiek? Hoe reflecteert de regeringhierop, zo vragen zij. Deze leden vragen voorts of de regering het risicoziet dat het lastiger wordt om archivarissen aan te stellen met adequatekennis en kunde, mochten opleidingen archivistiek bijvoorbeeld stoppen?Hoe wil de regering waarborgen dat er voldoende deskundigheid blijft ophet gebied van archivistiek en dat de kwaliteit van archief- en informatie-beheer gewaarborgd blijft, zo vragen deze leden.Het laten vervallen van de diploma-eis biedt zoals gezegd de mogelijkheidom professionals aan te stellen die wel de relevante ervaring en expertisehebben, maar die niet over dit specifieke diploma beschikken. Vanzelf-sprekend hecht ik er veel belang aan om een passend onderwijsaanbodten behoeve van de doelstellingen van de Archiefwet zo veel mogelijk testimuleren binnen de grenzen van mijn mogelijkheden en daarmee aan tesluiten bij de behoefte en initiatieven vanuit de archiefsector. Daar wil ikmij graag voor inzetten. Op dit moment betekent dit dat ik de nu aange-wezen opleidingen Archivistiek A en Archivistiek B blijf financieren.Daarnaast subsidieer ik het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA) envia KIA ook een pilot van de Koninklijke Vereniging ArchiefsectorNederland (KVAN) rondom leven lang leren. De pilot is onder anderegericht op het in kaart brengen van kennisprofielen voor archivarissenmet verschillende specialismen. Met de KVAN en de bij de pilot betrokkenpartners ga ik op basis van de pilotuitkomsten in gesprek over eenpassend vervolg ten aanzien van de in kaart gebrachte kennisprofielen. Bijdeze kennisprofielen worden ook de wettelijke taken van de archivaris dievoortvloeien uit het wetsvoorstel Archiefwet betrokken. De verwachting isdat de door de beroepsvereniging vast te stellen kennisprofielen zorichting kunnen geven aan de kennis en kunde die van een archivarisverwacht mogen worden.38Vlg. Kamerstukken II 2022/23, 35 968, nr. 3, p. 35.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1021 Daarnaast ben ik voornemens om de komende periode ook met deonderwijsinstellingen en het Nationaal Archief in gesprek te blijven om tebezien waar en hoe een stimulerende rol vanuit het Ministerie van OCWpassend zou zijn. Daarbij wil ik de opmerking maken dat het niet alleenvan belang is dat het aanbod aan basisopleidingen aansluit bij de vraagbinnen het archiefveld, maar ook het aanbod aan opleidingen voorbijscholing en voor zij-instromers die zich (verder) willen bekwamen in dearchivistiek.De leden van de SGP-fractie vragen de regering om de beantwoordingover het vervallen van de diploma-eis te vergelijken met de situatie in hetonderwijs: zou het daar ook logisch zijn om het bevoegdhedenstelsel telaten vervallen onder verwijzing naar de snel veranderende wereld en desnelle opmars van digitale techniek? Waarom zou dit in de archiefwereldanders liggen? Geldt voor het vak van archivaris niet ook dat altijd eenstevig deel aan basisopleiding nodig zal zijn om elementaire vaardig-heden te kunnen uitoefenen en dat die basis decennia mee kan?Het primair en voortgezet onderwijs kennen inderdaad een gestructureerdbevoegdhedenstelsel, maar het beroep van archivaris laat zich betervergelijken met dat van andere functionarissen uit het informatiedomeinzoals de functionaris gegevensbescherming, de chief information officeren de chief information security officer. Voor deze functies geldt ook geendiploma-eis. De huidige ontwikkelingen binnen de archiefsector en hetbelang van voortdurende bijscholing en adaptatie aan nieuwe technolo-gieën en regelgeving vereisen een bredere blik dan alleen entree in desector via een aangewezen opleiding.De huidige opleidingen Archivistiek A en B worden daarnaast nietafgeschaft, zodat de mogelijkheid om basiskennis en vaardigheden op tedoen behouden blijft. Naast het belang van een goede basisopleiding, zouhet opleidingsaanbod er idealiter ook op gericht moeten zijn om hetuitgangspunt van een leven lang leren mogelijk te maken dat voor desector zo belangrijk is. Terwijl de diploma-eis vervalt, wordt de aanstellingvan een archivaris verplicht gesteld. Hiermee wordt de rol van dearchivaris binnen een overheid of organisatie formeel erkend en wordt hetbelang van deskundig informatiebeheer benadrukt.Voorts vinden deze leden het niet logisch om geen enkele mogelijkheid totvoortijdig bijsturen op te nemen nu de opleidingseis volledig vervalt. Zouhet niet voorzichtiger zijn om in de evaluatie te onderzoeken of eenwettelijke grondslag voor regels inzake kennis en vaardigheden vanarchivarissen nog nodig blijkt, zo vragen deze leden.De regering begrijpt de zorgen van de SGP-fractie, en zegt hierbij toe datde wenselijkheid van een wettelijke grondslag voor nadere regels inzakekennis en vaardigheden van archivarissen, een onderwerp van evaluatiezal zijn.9. Verhouding van de Archiefwet tot andere wetgeving enverdragen De leden van de PvdA-fractie en GroenLinks-fractie merken op dat degemeente Utrecht gewezen heeft op meerdere wettelijke ontwikkelingenin het informatiedomein en gesignaleerd dat het Rijk de wetten onvol-doende heeft geharmoniseerd. De regering stelt echter dat het harmoni-seren van zeer uiteenlopende wet- en regelgeving grenzen kent. Kan deregering melden of zij hiermee de bezwaren van de gemeente Utrechtheeft weten weg te nemen? Zo nee, op grond van welke overwegingenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1022 meent de regering dan dat de bezwaren die daar nog leven, maar moetenworden ingeslikt?De gemeente Utrecht heeft in het position paper voor het rondetafelge-sprek over de nieuwe Archiefwet aandacht gevraagd voor de samenhangtussen de verschillende wetten in het informatiedomein.39 Het harmoni-seren van wet- en regelgeving is zeker nodig en hier wordt met ditwetsvoorstel ook werk van gemaakt. Dit wetsvoorstel is geharmoniseerdmet de Woo en er is veel aandacht besteed aan de verhouding met enaansluiting op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ende Wet hergebruik overheidsinformatie (Who). Met dit wetsvoorstelworden kortom concrete stappen gezet voor een betere aansluiting vandeze verschillende wetten.Aan dergelijke harmonisering zitten, zoals de regering eerder heeftopgemerkt, wel grenzen. Vooral het feit dat een belangrijk deel van dewet- en regelgeving die bij de informatiehuishouding een rol speelt eenEuropese oorsprong heeft, is hierbij een uitdaging. Het beter latenaansluiten van wet- en regelgeving is ook in die context een doel enonderdeel van dit wetsvoorstel, maar mogelijkheden tot echte integratiezijn op onderdelen beperkt. De regering meent dat in het wetsvoorstel eenpassende balans is getroffen tussen de mate van harmonisering van dewetgeving, en het belang om snel te komen tot een Archiefwet die beterpast bij de digitale informatiehuishouding, en die bijdraagt aan meeropenbaarheid van overheidsinformatie.Of hiermee de bezwaren van de gemeente Utrecht voldoende zijngeadresseerd of zelfs weggenomen kan de regering niet geheelinschatten. Als gezegd ondersteunt de regering het streven om wetgevingzoveel mogelijk te harmoniseren, maar tegelijkertijd moet wordenonderkend dat harmonisering grenzen kent en voortdurend, ook los vandit wetsvoorstel, aandacht behoeft. Dit onderwerp zal daarom ook in deevaluatie van de wet worden betrokken. Wat betreft de opmerking van degemeente Utrecht dat een impactanalyse voor het nieuwe Archiefbesluiten de nieuwe Archiefregeling ontbreekt kan de regering inmiddelsmededelen dat er momenteel per overheidslaag uitvoeringstoetsenworden gestart voor deze lagere regelgeving. Specifiek voor gemeentenwordt deze uitgevoerd door VNG Realisatie. Aan de hand van debevindingen uit deze uitvoeringstoetsen worden de voorstellen voor delagere regelgeving aangescherpt en verbeterd.10. Particulier archief De leden van de SGP-fractie constateren dat de nota van wijziging geentoelichting bevat ten aanzien van onderdeel N. Zij vragen of dezetoelichting abusievelijk is weggevallen, en of de regering in lijn met debeantwoording kan bevestigen dat de zinsnede van het «in bewaring doengeven» bedoeld is om de situatie van bruikleen mogelijk te blijven maken,dat daarmee de mogelijkheid blijft bestaan om een archief of archiefstukterug te nemen en dat mogelijkheden blijven bestaan om voorwaarden testellen inzake zowel het eigen gebruik als de openbaarmaking aan derden.De leden van de SGP-fractie constateren terecht dat in de nota vanwijziging een toelichting ontbreekt bij onderdeel N van de nota vanwijziging. Deze toelichting is inderdaad abusievelijk weggevallen.Onderdeel N is er inderdaad voor bedoeld om duidelijk te maken dat ookbruikleen mogelijk blijft. Om dit te expliciteren, is de zinsnede «in39Position paper gemeente Utrecht t.b.v. rondetafelgesprek Archiefwet 2021 d.d. 23 februari2022. (2022D06797).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1023 bewaring doen nemen» toegevoegd aan de tekst van artikel 9.4, eerste lid,van het wetsvoorstel. Daarbij blijft het mogelijk om (in de overeenkomsttussen de archiefdienst en degene die het archief aan de archiefdienstoverdraagt of in bruikleen geeft) afspraken te maken over deopenbaarheid van het archief en het eigen gebruik van het archief. Watbetreft de openbaarheid van het archief is daarvoor in het tweede enderde lid van artikel 9.4 een regeling opgenomen.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,F.Q. Gräper-van KoolwijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 968, nr. 1024

Bron, video en gesprek →