Mbo
Bron, video en gesprek →Partijen door de tijd: PVV (2024-07-04–2025-11-11) ·
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →De heer Uppelschoten (PVV): Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik zal geen poging doen om het binnen de tijd te doen of om meer seconden te sparen dan mijn voorganger. Voorzitter. Mijn verhaal over het mbo. Ik heb zelf inderdaad lang in het mbo gewerkt. Het mbo is een onderwijssoort die opleidt voor vele beroepen in Nederland. De vakmensen van het mbo zijn hard nodig om Nederland draaiende te houden. Als er één groep is die dat in Nederland doet, dan is het wel deze groep. Je merkt het onmiddellijk als daar iets mis mee is. Ik reis veel met de trein. Ik heb het genoegen gehad mee te maken dat treinen niet reden omdat er geen machinisten waren. Wat zijn volgens ons de vijf belangrijke functies van het mbo? De entreeopleiding vinden wij heel belangrijk. De mensen op deze opleiding behalen wel een algemene competentie en vakcertificaten omdat ze een bepaalde vakvaardigheid hebben ontwikkeld, maar helaas geen volledig diploma. De mensen die na de startopleiding op mbo 2-niveau een diploma halen, zijn beginnend vakbeoefenaar. De beroepskwalificerende opleiding is er voor alle beroepen; dat zijn de normale mbo 3- of mbo 4-niveaus. Verder noem ik de omscholings- en bijscholingstrajecten in het kader van Leven Lang Ontwikkelen en de contractactiviteiten. Dat is ook een ontzettend belangrijke poot van het mbo. En dan zijn er de doorstroomtrajecten naar het hbo. Het mbo is echter niet alleen een instituut dat vakmensen opleidt, maar ook een instituut waar een groot percentage van de 16-jarigen onderwijs volgt. De PVV vindt dat deze onderwijsvorm meer waardering verdient. Op het mbo zitten studenten die leren door te doen en leren van de praktijk. Als je deze methode goed beheerst, kun je je hele leven blijven leren en de vaardigheid ontwikkelen die nodig is om in een snel veranderende beroepspraktijk en maatschappij te blijven meedoen. Dit zijn geen studenten die uitgevallen zijn omdat ze niet goed zijn in theoretische vakken, maar studenten die leren door te doen. In de context zelf leren zij van echte voorbeelden, gegeven en uitgelegd door vakdocenten. Het aantal studenten in het mbo neemt helaas af, door de demografische ontwikkeling, maar ook omdat er veel vacatures zijn en zij onmiddellijk werk kunnen vinden. Een goede vakman vindt immers altijd werk. De afname van het aantal studenten en in het bijzonder van het aantal voltijdsstudenten en bol-studenten is groter dan op basis van cijfers van het ministerie wordt verwacht. De overheid kan meehelpen de route naar het beroepsonderwijs aantrekkelijk te maken, en wel door leerlingen al op de basisschool in staat te stellen om te kiezen voor leren door te doen, in plaats van leerlingen in het beroepsonderwijs terecht te laten komen als gevolg van een negatieve selectie omdat zij niet geschikt worden geacht voor theoretisch onderwijs. Na de basisschool zou in het vmbo zo snel mogelijk een keuze moeten worden gemaakt tussen een theoretische en een praktische leerweg. Dat zijn gewoon twee verschillende leerwegen die allebei heel belangrijk zijn. Laat de oude beroepskolommen met een eigen herkenbare beroepscultuur herleven. Denk aan de technische sector, de zorg, de horeca en het onderwijs. Ooit waren dit pijlers met een sterke identiteit. Zou het niet waardevol zijn om deze opnieuw te benadrukken? De ambachtsschool bood destijds niet alleen degelijk beroepsonderwijs, maar ook een omgeving waarin leerlingen zich konden verbinden met hun vak en de bijbehorende gemeenschap van vakmensen. Ik vraag de minister hoe een dergelijke cultuur in het huidige mbo gestimuleerd kan worden, opdat studenten zich niet alleen vakinhoudelijk, maar ook als mens verbonden voelen met hun beroep. Wat zijn de stappen die nodig zijn om dit te realiseren, vraag ik aan de minister. De uitval in het mbo heeft ook te maken met de sociaal-economische achtergrond van studenten. Het maakt veel uit in welke wijk je geboren wordt en of je ouders je flink stimuleren om een vakman of vakvrouw te worden. Deze verschillen kunnen niet geheel worden weggewerkt, maar het mbo zou een omgeving kunnen zijn waarin deze verschillen minder bepalend worden voor een succesvolle onderwijsloopbaan. Docenten zouden met name oog moeten hebben voor de handicaps die deze studenten met zich dragen. Docenten zijn degenen die deze studenten kunnen verheffen door het scheppen van een heel positieve leeromgeving. Is de minister dat met ons eens? En zo ja, wat zijn de ideeën voor het creëren van een dergelijke stimulerende omgeving? De PVV denkt daarbij ook aan veiligheid, rust en orde. Het mbo staat voor grote uitdagingen. De vraag is niet alleen hoe om te gaan met de krimp, maar ook hoe kleine, specialistische opleidingen in stand gehouden kunnen worden en hoe snel kan worden ingespeeld op de vraag naar vaklieden in nieuwe beroepen. De weg naar een registratie in het Crebo is lang en omslachtig. Bij de discussie over de krimp komt het grote aantal uitvallers in het mbo — 33.000 studenten in 2023 — in een ander daglicht te staan. Het is niet alleen een verdrietige zaak voor de betrokken studenten, maar het is ook een grote aderlating voor het mbo. Er is dus een dubbele reden om dit probleem aan te pakken. Graag hoor ik een reflectie van de minister. Stages zijn een onderdeel van de beroepsopleiding en vallen onder de verantwoordelijkheid van het mbo-instituut. Dit betekent dat stagebedrijven drie keer per jaar bezocht moeten worden. De beide vormgevers van het opleidingstraject, het mbo-instituut en natuurlijk de bedrijven waar de stage wordt gelopen, hebben dan ook een inspanningsverplichting. Wij vragen de minister alert te zijn op de kwaliteit van de stagebegeleiding vanuit de opleidingen, aangezien we signalen krijgen dat die niet altijd goed verloopt. De stagebedrijven zouden drie keer per jaar bezocht moeten worden door stagebegeleiders. Een belangrijke vraag is hoe het mbo-instituut en de overheid zo kunnen sturen dat er meer studenten in de opleidingstrajecten voor vitale beroepen komen.
Bron, video en gesprek →De heer Uppelschoten (PVV): Ik heb nog een klein stukje.
Bron, video en gesprek →De heer Uppelschoten (PVV): De vrijheid van onderwijs is een hoog goed. Dat spreekt veel mensen hier aan, denk ik. Maar het is onvermijdelijk dat bij een krimpend aantal studenten en een duidelijke vraag vanuit de arbeidsmarkt naar werknemers in onderwijs, zorg, techniek en horeca keuzes moeten worden gemaakt. In het onderwijspact dat gesloten gaat worden tussen bedrijven, het mbo en de overheid, zou gekozen moeten worden voor beroepen waar maatschappelijk de grootste behoefte aan is, en dus ook voor de bijbehorende opleiding. Dat was het. Dank u wel voor de coulance, meneer de voorzitter.
Bron, video en gesprek →De heer Uppelschoten (PVV): Ik wil graag nog even terugkomen op de 30.000 voortijdige schoolverlaters. Het is goed dat er onderzoek gedaan wordt naar waarom er zo veel studenten uitvallen in het mbo en welke specifieke redenen er voor die 30.000 zijn. Maar een andere benadering zou ook de volgende kunnen zijn. Er zijn ook studenten die handicaps hebben — dat kan van alles zijn, bijvoorbeeld een bepaalde sociaal-economische achtergrond — maar die het toch heel goed doen. Ik zou eigenlijk meer, of ook, geïnteresseerd zijn in hoe het kan dat deze studenten, die handicaps hebben, het toch heel goed doen. Ik zou iets willen opsteken van de positieve insteek, in plaats van dat we alleen maar kijken naar studenten die uitgevallen zijn, al is het heel goed om daar ook naar te kijken. Wat zijn nou de typische dingen waardoor je het, ondanks dat je allerlei handicaps hebt, toch goed doet? Ik zou willen dat we dat meer zouden promoten in het mbo.
Bron, video en gesprek →De heer Uppelschoten (PVV): Hierbij aansluitend. Uit onderzoek waarmee je probeert te achterhalen waarom er zo veel mbo-studenten uitvallen, krijg je natuurlijk een aantal argumenten of aandachtspunten. Maar ik denk dat er misschien ook typische dingen zijn waardoor je het, ondanks het feit dat je handicaps hebt, toch redt. Wat zijn die typische dingen? Misschien kunnen we die stimuleren. Ik wil niet zeggen dat het in de persoon zit; ik neem aan dat het ook in de omstandigheden kan zitten. Toevallig pakt het bij die studenten goed uit en zijn ze ondanks alle handicaps toch succesvol. Die dingen zou ik eigenlijk ook op een rijtje willen hebben. Het gaat dus niet om de negatieve dingen, waardoor ze uitgevallen zijn, maar om de dingen waardoor studenten toch succesvol zijn.
Bron, video en gesprek →De heer Uppelschoten (PVV): Mijn interruptie sluit aan bij de opmerking over voorzichtig de regie nemen om te bepalen welke beroepen en opleidingen maatschappelijk relevant zijn. Als ik het goed begrijp uit uw woorden, zegt u: de numerus fixus gaat een instrument worden. Ik neem aan dat dat een instrument wordt om populaire opleidingen te beperken, maar waarbij u niet zegt welke opleidingen maatschappelijke relevant zijn. Heb ik dat goed begrepen? Is dit een verspreking? Hoe wilt u dat doen?
Bron, video en gesprek →De heer Uppelschoten (PVV): Ik zal mijn uiterste best doen om daarbinnen te blijven. Ik heb eigenlijk twee opmerkingen. Ik wil de minister alvast sterkte toewensen bij de discussie van de zomer, over het Onderwijspact. Het is heel bijzonder dat de minister nu een regierol neemt. Het zal, denk ik, niet niks zijn om te zeggen welke opleidingen van maatschappelijk belang zijn en welke opleidingen dan ook extra aandacht moeten krijgen. Sterkte dus, met die rol. Ten tweede hoop ik dat de minister tijd heeft om nog heel veel krabbels te zetten, want de vraag of iets simpeler kan en of gelden in de lumpsum terechtkomen, lijkt mij een hele terechte vraag. Dat zijn alleen maar opmerkingen, maar die wilde ik meegeven, want dat zijn volgens mij twee ontzettend belangrijke dingen voor de toekomst van het onderwijs.
Bron, video en gesprek →De heer Uppelschoten (PVV): Mijn interruptie heeft te maken met het offensief voor de bbl. Ik zal proberen om daar wat wijze dingen over te zeggen. Ik heb namelijk het idee dat de politiek soms denkt dat ze alles kan sturen. U geeft aan dat er geen causaliteit is tussen de arbeidsmarkt en de bbl. Causaliteit is ook een heel groot woord, maar volgens mij is er wel een hele grote correlatie. Het percentage studenten dat in de bbl terechtkomt, wordt toch heel erg bepaald door de arbeidsmarkt. Als er een groot aantal vacatures is, is dat veel sturender dan wat wij hier met de politiek of het beleid van de roc's kunnen doen. Ik vind het dus heel goed om te zeggen dat er meer bbl'ers moeten komen, maar tegelijkertijd denk ik: hebben we daar wel invloed op en rekenen we onszelf niet rijk, ook als het percentage toeneemt? Ik zou dus graag een relativering van zo'n toezegging willen horen. Maar ik begrijp dat het uit een goed hart komt. U draagt het mbo een warm hart toe. Dus het is mooi om dat te proberen, maar laten we alsjeblieft ook met de beide benen op de grond blijven staan.
Bron, video en gesprek →