Initiatiefnota van het lid Dobbe over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Mirjam Sterk
Partijen door de tijd: CDA (2008-07-29–2012-09-19) · CDA (2005-07-27–2008-04-07) ·
Bijdragen bij de geselecteerde bron
Open de volledige bron →Minister Sterk: Dank u wel, voorzitter. Allereerst ook dank aan het lid Dobbe … Nee, mijn ambtenaar zegt "mevrouw Dobbe", maar wij zeggen hier "lid Dobbe". Zeker als je in een kleine fractie zit, is het als Kamerlid al heel hard werken. Als je het dan ook nog voor elkaar krijgt om een initiatiefnota op te stellen, waarvoor volgens mij ook heel veel gespreken zijn gevoerd met mensen buiten deze Kamer, dan verdient dat een groot compliment. Tegelijkertijd deel ik met iedereen hier aan deze kant, maar naar ik vermoed ook met de mensen op de publieke tribune en de kijkers, de urgentie van deze problematiek. Dit onderwerp gaat, denk ik, best wel snel onder je huid zitten, en zeker als er dan ook nog mensen zijn die hier een heel persoonlijk verhaal bij hebben, komt dat nog dichterbij. We weten — dat is al door meerderen hier gezegd — dat er elk jaar zo'n 100.000 mensen in ons land slachtoffer worden van seksueel geweld. Het gaat natuurlijk niet om de getallen, maar vooral om de levens die daarachter schuilgaan en vooral ook de levens die daar weer door geraakt worden. Soms zijn slachtoffers namelijk geïsoleerd, maar heel vaak zijn ze natuurlijk onderdeel van een gezin of van een relatie, en het kan gewoon ontzettend veel impact hebben, lichamelijk, mentaal en sociaal. De slachtoffers die hulp zoeken, lopen dan soms ook nog tegen drempels aan: schuldgevoelens, wachttijden of simpelweg niet weten waar je terechtkunt. Dat is volgens mij waar het vandaag over gaat: hoe kunnen we met elkaar zorgen dat dat beter gaat? De initiatiefnota die vandaag voorligt, legt deze drempels op tafel en doet concrete voorstellen over het eigen risico, de financiering van het Centrum Seksueel Geweld, laagdrempelige mentale ondersteuning, de capaciteit in de strafrechtketen en meer aandacht voor dit onderwerp in zorgopleidingen. Ik onderschrijf van harte het uitgangspunt van deze nota, namelijk dat slachtoffers van seksueel geweld het verdienen dat ze de best mogelijke zorg en ondersteuning krijgen, en dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is van overheid, maatschappelijke organisaties en zorgverleners om hun die ook te bieden. Met de kabinetsreactie heb ik schriftelijk gereageerd op de initiatiefnota, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister en staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie. Ik zit hier vandaag wel als enige aan deze kant, dus ik vraag alvast wat compassie voor de momenten dat ik vragen ga beantwoorden die niet direct over mijn eigen beleidsterrein gaan. Ik zal daar mijn best voor doen. Wie na seksueel geweld de moed vindt om hulp te zoeken, moet kunnen rekenen op een overheid die naast het slachtoffer staat. Snelle, deskundige en toegankelijke hulp beperkt de blijvende schade en vergroot het vertrouwen dat nodig is om te melden en aangifte te doen. Dat raakt de kern van een veilige samenleving. We werken hier langs meerdere lijnen aan. Met het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld werken we tot het eind van dit jaar aan preventie, signalering en hulp, en de lessen daaruit nemen we ook mee in het vervolg van de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Daarnaast verankeren we de ondersteuningsdienst bij seksueel geweld in de Wmo 2015; in de praktijk is dat het Centrum Seksueel Geweld. Zo kunnen slachtoffers regionaal terecht voor forensisch onderzoek, medische zorg en psychosociale ondersteuning. Ook heb ik samen met de minister van Justitie en Veiligheid besloten om de versterking van de landelijke stichting van het Centrum Seksueel Geweld duurzaam voort te zetten, waardoor slachtoffers ook op lange termijn laagdrempelig toegang hebben tot ondersteuning en zo nodig doorverwezen kunnen worden naar passende vervolghulp. Aanvullend is er voor 2027 tot en met 2029 2 miljoen per jaar extra beschikbaar gesteld voor het Centrum Seksueel Geweld. Voor de vrouwenopvang is dit jaar structureel 12 miljoen extra beschikbaar gesteld. Dan gaat het natuurlijk over euro's. Met de VNG en Valente heb ik afgesproken dat dit geld ook daadwerkelijk naar extra opvangplekken gaat. Voorzitter. Op sommige onderdelen maakt het kabinet ook andere keuzes dan in de voorstellen van de initiatiefnemer, maar over het doel bestaat geen verschil van inzicht. Slachtoffers van seksueel geweld verdienen zorg en ondersteuning die er is op het moment dat zij die nodig hebben. Voorzitter. Dan wilt u vast weten in welke blokjes ik de vragen ga beantwoorden.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ik ga eerst de vragen rond de CSG's beantwoorden. Mijn tweede blokje gaat dan over de ondersteuning van slachtoffers, financiën en het eigen risico. Het derde blokje is eigenlijk het blokje van mijn collega van Justitie en Veiligheid. Ten slotte heb ik dan nog een blokje met andere vragen die overblijven.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Dan begin ik met het blokje over de CSG's. Daar was een vraag van de VVD, PRO en de PVV rondom de financiering van de CSG's, namelijk hoe wij aankijken tegen de oproep vanuit het Fonds Slachtofferhulp en het CSG voor een eenduidige financiering, ook naar de toekomst toe. Er werd ook gevraagd of ik bereid ben om de financiering van het landelijke en regionale CSG-netwerk structureel te borgen en te laten meegroeien. Daar ben ik zeker toe bereid. Vanuit de Europese Richtlijn bestrijding van geweld tegen vrouwen zal ingezet worden op een uniforme werkwijze van de CSG's. Daarin kunnen afspraken gemaakt worden tussen gemeentes en CSG's over uniform financieren, zoals bijvoorbeeld een meerjarige begroting. Daarmee borgen we de financiering van de regionale CSG's via de gemeente. Voor het landelijke CSG heb ik structureel 1,8 miljoen beschikbaar gesteld om de basis van het LCSG op orde te krijgen. Volgens mij bent u daar vandaag per Kamerbrief over geïnformeerd. Verder blijf ik natuurlijk ook in gesprek met het ministerie van JenV, de VNG en het LCSG zelf over alle ontwikkelingen die er zijn, zoals ook de stijgende meldingen. Dan was er een vraag van mevrouw Beckerman. Zij vroeg waarom wij de regionale centra niet rechtstreeks vanuit het Rijk willen gaan financieren. Dat heeft te maken met de manier waarop wij dit stelsel hebben georganiseerd. De regionale Centra Seksueel Geweld werken vaak ook samen met de vrouwenopvang en met organisaties van Veilig Thuis. Die zijn allemaal decentraal georganiseerd. De politie is overigens natuurlijk ook vaak regionaal. Als je wilt dat die samenwerking goed blijft, is het denk ik ook wijs om die in ieder geval vanuit de decentrale gedachte te laten plaatsen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je niet kunt kijken naar wat meer eenduidigheid in de manier waarop het aanbod wordt georganiseerd. Dat is volgens mij ook het gesprek dat we met Valente en met de VNG voeren, maar dat is iets anders dan dat je het landelijk wilt gaan afspreken. Dat past ook gewoon niet bij de manier waarop we dat hebben georganiseerd. Het past overigens ook niet bij de Financiële-verhoudingswet.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Het beeld dat mevrouw Vliegenthart schetst, dat het slechter gaat als het via de Wmo is geregeld, herkennen wij niet. Als die signalen er zijn, hoor ik ze graag, want dan wil ik ze ook graag bekijken. Dat het niet overal goed loopt en dat er grote verschillen zijn, herken ik wel. Ik denk dat ik daar net ook antwoord op heb gegeven.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ja, dat wil ik en daar zijn we ook al mee bezig. We zijn bezig met een Wmo 2.0. Daarin werken we uit wat het houdbaarheidsonderzoek heeft opgebracht en daar is dit een onderdeel van.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Daar kom ik graag in tweede termijn even op terug.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Sorry, ik had de microfoon weer niet uitgezet.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Dat is nooit zo goed, denk ik, met mijn gezicht.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ik zal mijn best gaan doen, voorzitter. Ik kom even terug op wat ik net aangaf. Ik ben het er inderdaad mee eens dat je natuurlijk vanuit het slachtoffer moet redeneren. Het slachtoffer is erbij gebaat dat er een zo goed mogelijke samenwerking is rondom het slachtoffer, waar het slachtoffer ook meldt. Dat is volgens mij juist decentraal: vaak in de gemeente of in een van de centrumgemeenten, waar zo'n vrouw of man zich meldt. Daar heb je een aantal instanties, zoals Veilig Thuis, Filomena en vrouwenopvang, en is er samenwerking met de politie. Je moet kijken hoe je dat op een goede manier organiseert. Ik ben het eens met iedereen die in eerste termijn zei: je moet proberen het zo eenduidig mogelijk met elkaar af te spreken, zodat het niet enorm uitmaakt waar je je meldt, of dat nou in Groningen, Zeeland of Rotterdam is. Ik denk dat het goed is dat dat gesprek gevoerd gaat worden. In de opvolging van het houdbaarheidsonderzoek kijken we hoe we dat goed kunnen borgen. Ik denk dat we daarmee echt wel vanuit het oogpunt van het slachtoffer redeneren.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: We zitten nog steeds in het eerste blokje; althans, ik ben in de beantwoording nog steeds bij het eerste blokje. Mevrouw Coenradie had een vraag over het inloophuis van het CSG Amsterdam-Amstelland. Zij zei dat dat een goed voorbeeld is van laagdrempelige ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld. Dat herken ik. Ik vind het echt indrukwekkend om te zien wat er daar is gebeurd en hoe ze het daar hebben georganiseerd. Als blijkt dat die vorm echt effectief is, is het belangrijk dat andere CSG's hiervan leren. Ik wil me daar ook wel voor inzetten. Dat is iets anders dan dat ik het landelijk wil uitrollen, want nogmaals, wat daar gebeurt, is een decentrale verantwoordelijkheid, zoals ik net heb aangegeven. Mevrouw Van Meetelen had de vraag of in iedere CSG-regio 24 uur per dag dezelfde essentiële hulp bereikbaar is en of er aantoonbare regionale verschillen zijn. Het CSG is momenteel inderdaad 24 uur per dag bereikbaar. In het geval van acute zorg wordt het slachtoffer altijd gelijk doorverwezen naar het regionale CSG, dat de verdere ondersteuning begeleidt. De regionale CSG's zijn de verantwoordelijkheid van de centrumgemeente vrouwenopvang. Er is geen overzicht van hoe ieder CSG in de regio is ingericht en wordt gefinancierd. Het is eigen aan het decentrale stelsel dat hier variantie in zit tussen gemeenten, ook om lokaal maatwerk te kunnen leveren. Nogmaals, in het vervolg op het houdbaarheidsonderzoek kijken we of we daar toch niet meer uniformiteit in zouden kunnen aanbrengen.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ik ben het zeer eens met mevrouw Van Meetelen, want ik denk dat het inderdaad belangrijk is om eerst de zaken op orde te brengen. Dat het nu zo ingewikkeld is, is overigens ook omdat steeds meer vrouwen en mannen het CSG weten te vinden, en trouwens ook Veilig Thuis. Dat is op zich dus een hele positieve beweging, maar we zien wel dat we in die snelheid het stelsel eigenlijk nog niet goed hebben aangepast. Ik vind nog steeds belangrijk dat het bekend is dat vrouwen daarnaartoe kunnen, maar ik ben bang dat als we een campagne opzetten om nog meer bekendheid te genereren, vrouwen vervolgens op een wachtlijst terechtkomen. Dat is natuurlijk ook geen goede zaak.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ik had nog een vraag van mevrouw Coenradie, die vroeg in hoeverre de beantwoording van de Kamervraag door de minister voldoet aan het dictum van de motie over een gezamenlijke aanpak van triage en regie. Ik snap dat het heel goed klinkt om één toegangspoort te organiseren voor slachtoffers van seksueel geweld, want dat is eigenlijk het dictum van de motie, maar in de praktijk zie je natuurlijk dat slachtoffers uiteindelijk via verschillende wegen ergens terechtkomen. Sommigen komen via de politie, anderen komen via Veilig Thuis, weer anderen komen via het CSG of soms uiteindelijk via Slachtofferhulp of andere plekken. Volgens mij is het veel belangrijker dat we ervoor zorgen dat als ze zich ergens melden, er op dezelfde manier triage plaatsvindt, dus dat de vragen op dezelfde manier worden gesteld en dat dat ook door alle organisaties op dezelfde manier wordt opgepakt en er één aanspreekpunt komt. Dat zijn we aan het organiseren. Dat is iets anders dan dat je zegt dat er maar één toegangspoort zou moeten zijn, want dat zou betekenen dat als iemand bij Veilig Thuis komt, je zou moeten zeggen: u moet naar politie, want we hebben één toegangspoort afgesproken. Dat is niet wat we gaan doen. Ten slotte had mevrouw Van Meetelen nog de vraag of ik kan toezeggen dat de beschikbare middelen in de eerste plaats worden ingezet voor concrete hulp. Daar heb ik eigenlijk net al iets over gezegd. Inderdaad, ik vind het belangrijk om eerst te zorgen dat de boel op orde komt voordat we een nieuwe campagne gaan starten. Dan ga ik door naar het volgende blokje. Dat is het blokje ondersteuning slachtoffers, financiën en eigen risico. Mevrouw Vliegenthart vroeg of ik het met haar eens ben dat we zo veel mogelijk barrières moeten wegnemen. Zij wil graag onderzocht hebben hoeveel slachtoffers vanwege de kosten geen of later hulp krijgen. We weten dat het inderdaad zo is dat het aantal slachtoffers die zich ergens melden, vaak het topje van de ijsberg is van alle slachtoffers van seksueel geweld. Daarom is het belangrijk om drempels zo veel mogelijk weg te nemen. We hebben eerder een pilot uitgevoerd met aanvullend onderzoek. Daarin is ook gekeken naar de ervaren barrières door slachtoffers bij het zoeken van hulp. Daaruit blijkt dat vooral angst, schaamte en schuldgevoelens de grootste barrière zijn; daar is door verscheidenen van u ook al aan gerefereerd. Om die te verlagen is het belangrijk dat het taboe wordt verminderd en dat het bespreken hiervan wordt bevorderd. Dat was natuurlijk ook de inzet van het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. We willen de opbrengsten daaruit ook meenemen in het actieprogramma dat nu gestart gaat worden met de Nationaal Coördinator. Het blijft ontzettend belangrijk dat als er iets gebeurt, zoals het voorbeeld van wat er in Delft is gebeurd, we elke keer weer normeren dat het uiteindelijk natuurlijk niet aan het slachtoffer is om te komen met een oplossing, maar aan ons als overheid, en overigens ook aan de hele samenleving. Ik zou het namelijk eerlijk gezegd ook wat willen verbreden. Wij moeten het nooit normaal gaan vinden dat er aan vrouwen wordt gevraagd om maar samen door een bos te fietsen omdat je anders het risico loopt dat er iets gebeurt. Zolang we dat met elkaar blijven veroordelen, doen we denk ik ook iets aan het weghalen van het taboe voor vrouwen die daar slachtoffer van kunnen zijn, omdat ze dan in ieder geval het gevoel krijgen dat dit gewoon niet normaal is en dat je dit nooit normaal hoeft te gaan vinden. Dan vroeg mevrouw Coenradie of ik kan reageren …
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Het ingewikkelde van vrouwen die zich niet melden is dat je dus ook niet kunt onderzoeken welke vrouwen dat zijn en wat daar dan de reden voor is, behalve wat we al hebben proberen te onderzoeken in die aanvullende pilot. We kunnen namelijk met elkaar constateren dat de drempel om je te melden hoog is. Dat is denk ik niet alleen zo voor het Centrum Seksueel Geweld, maar ook voor een heleboel andere plekken. Je bent namelijk bang dat je wordt afgewezen en dat er gezegd wordt "je hebt er misschien toch zelf aan bijgedragen" of "we hebben eigenlijk geen tijd om je aangifte op te nemen". We weten met elkaar dat het zo werkt, dus volgens mij kunnen we gaan zoeken naar de aantallen. Het is veel belangrijker dat we gaan inzetten op het wegnemen van die taboes, het wegnemen van die drempels en het wegwerken van die wachtlijsten die er op dit moment zijn.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Aan de beantwoording van die vragen was ik nog niet toegekomen, dus wellicht kunnen we die discussie dadelijk even voeren. Mevrouw Coenradie vroeg of ik kan reageren op het idee van een digitaal hulp- en buddysysteem en of ik de genoemde pilots overweeg. Natuurlijk waardeer ik de gedachte achter dit voorstel dat het belangrijk is dat ondersteuning aansluit bij wat slachtoffers echt nodig hebben, bijvoorbeeld lotgenotencontact. U gaf dat net ook al aan: het inbrengen van ervaringsdeskundigheid is gewoon heel erg wezenlijk, want alleen zij weten wat zij hebben meegemaakt. Momenteel bieden de casemanagers van het CSG al laagdrempelige psycho-educatie aan slachtoffers die zich melden. Ook heeft het CSG een online zelfhulpomgeving, waarin slachtoffers informatie en praktische tips kunnen krijgen, zoals modules over schuld en schaamte. Dat is een van die drempels waar we het net over hadden. Daarnaast kunnen slachtoffers terecht bij laagdrempelige steunpunten die landelijk worden uitgerold. Ervaringsdeskundigen en ervaringswerkers hebben er de regie. Ondersteuning krijgt vorm vanuit de behoefte van de mensen en herstel gaat op eigen tempo. Die steunpunten zijn onderdeel van de AZWA-afspraken. Omdat ik denk dat er al zo veel voorhanden is en dat we er beter op kunnen inzetten om dat zo veel mogelijk overal door te ontwikkelen, zie ik eigenlijk geen toegevoegde waarde om nou weer een apart, aanvullend, specifiek aanbod voor slachtoffers te gaan ontwikkelen. Ik denk namelijk dat er al veel is voor specifieke slachtoffers. Bovendien zou dat alleen nog maar meer versnippering in de hand werken, omdat je dan weer nieuwe initiatieven kunt krijgen naast het al bestaande aanbod. Volgens mij is het dan voor de slachtoffers alleen maar lastiger om te ontdekken waar ze terechtkunnen als ze echt hulp willen hebben. Dan had mevrouw Vliegenthart nog een vraag die eigenlijk over hetzelfde onderwerp ging als de vraag die ik net al heb beantwoord, denk ik. Er is gewoon al heel veel. Het aanbod is al ruim en geborgd. Ik denk dat het vooral belangrijk is dat we daaraan blijven werken in plaats van energie te steken in een groter aanbod of het meer clusteren daarvan. Mevrouw Vliegenthart had nog een vraag. Eigenlijk is dat een beetje dezelfde vraag, denk ik, namelijk of ik succesvolle steungroepen en laagdrempelige check-ins gedurende de wachttijd structureel wil financieren. Dat gaat volgens mij ook over de vraag hoe je, als je op de wachtlijst staat, toch niet uit het oog wordt verloren. Je zit daar natuurlijk wel met wat je hebt meegemaakt en je wilt natuurlijk graag — het is niet alleen dat je het graag wilt, het is ook belangrijk — dat daarvoor zorg is. Ten eerste zijn er de laagdrempelige steunpunten. Daar is ook structurele financiering voor geregeld. Op verschillende plekken wordt ook gewerkt aan het versterken van de wachttijdondersteuning. De regionale CSG's maken nu ook afspraken met lokale ggz-aanbieders om voorrang te krijgen op de wachtlijst als er sprake is van watchful waiting. In die zin wordt deze groep er wel snel uitgelicht als er ruimte ontstaat op de wachtlijsten. Er wordt vanuit de Versterkingsagenda Mentale gezondheid & ggz ook gewerkt aan een handreiking voor wachttijdondersteuning om de bekendheid en vindbaarheid van wachttijdondersteuning te vergroten. De wachttijdondersteuning is dus wel een soort tijdelijk middel voordat er echt specialistische zorg geboden kan gaan worden. Dan kom ik op de vraag, of de discussie, over het eigen risico en waarom ik zei dat ik daar nog geen antwoord op gegeven heb. Ik denk dat wij allemaal vinden dat er een soort gerechtigheid moet zijn voor wat iemand is aangedaan en dat dat soms ook een financiële gerechtigheid kan zijn. Alleen, het inzetten van het eigen risico brengt gewoon een heleboel neveneffecten met zich mee die ik in ieder geval niet wenselijk vind, ook niet wat betreft de manier waarop je met eigen risico omgaat. Een aantal partijen hebben daarover ook gezegd dat dit misschien niet het geschikte middel is als je daar een andere visie op hebt. Maar er zijn natuurlijk best wel wegen waarop een slachtoffer een financiële compensatie kan krijgen, eventueel ook voor het eigen risico als dat wenselijk zou zijn. Ten eerste kan de vraag spelen of je het kunt verhalen op de daders. Dat gaat over de richting die mevrouw Armut natuurlijk ook aan het verkennen is. Ik denk dat het ontzettend belangrijk is dat we heel goed kijken wat we kunnen doen om die dader in eerste instantie ook verantwoordelijk te maken voor wat er is gebeurd. In het strafproces zijn daar ook mogelijkheden toe wanneer de rechter een schadevergoedingsmaatregel oplegt. Dat noemde u volgens mij ook al. Het CJIB draagt vervolgens zorg voor het innen bij de dader. Als dat na acht maanden nog niet is gebeurd en de maatregel onherroepelijk wordt, dan keert de overheid de volledige schade uit aan het slachtoffer via de voorschotregeling, zodat het slachtoffer zijn schade vergoed heeft gekregen. Dan is het uit handen van het slachtoffer. Het CJIB gaat vervolgens bij de dader dat geld terughalen. Naast de schadevergoeding kan de strafrechter ook als bijzondere voorwaarde opleggen dat de dader een geldbedrag moet storten in het Schadefonds Geweldsmisdrijven of een andere instelling. Dat zou ook het CSG kunnen zijn. Het slachtoffer van seksuele misdrijven kan een aanvraag doen voor een financiële tegemoetkoming bij zo'n schadefonds. Die financiële tegemoetkoming kan vanuit de overheid gelden als erkenning van het leed en als steuntje in de rug. Het slachtoffer mag dat bedrag zelf inzetten en zou het dus ook kunnen inzetten ter compensatie van de eventuele kosten, die overigens via tranchering misschien ook wel minder hoog zullen gaan worden, maar ook ter compensatie van het eigen risico voor hulp. Dat is nou juist ook waar het schadefonds voor bedoeld is: als vangnet voor slachtoffers van seksuele misdrijven. Voorzitter. Dan de laatste vraag in dit blokje. Dat is de vraag van mevrouw Beckerman over de bekostiging van een passende professionele tolk. Zij vroeg of ik ervoor kan zorgen dat er altijd zo'n tolk kan worden ingezet. Het is natuurlijk belangrijk dat als je je verhaal wil doen als slachtoffer van seksueel geweld, daar ook mensen zijn die je, als je de taal niet goed machtig bent, daarbij kunnen ondersteunen. Daarvoor is soms zo'n professionele tolk nodig. De richtlijn Omgaan met taalbarrières in de zorg en het sociaal domein biedt ook een handvat en ik werk op dit moment aan de uitvoering van meerdere moties over de inzet en bekostiging van tolken in de Zorgverzekeringswet. Eind 2024 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over het advies van de NZa over de bekostiging van tolken. In lijn met dit advies van de NZa worden kansrijke sectoroverstijgende bekostigingsopties nu nader uitgewerkt door VWS, ZN, de NZa en het Zorginstituut. Dat doen we in nauw overleg met de zorgaanbieders en de Patiëntenfederatie. Zodra daar meer over te melden is, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Nou, per se moeten betalen … Ik denk dat het belangrijk is dat je als overheid eenduidig bent in wat je doet voor burgers. Volgens mij moeten we niet een soort competitie maken tussen de verschillen die er zijn in geweld. Seksueel geweld is gruwelijk, maar huiselijk of psychisch geweld is ook gruwelijk. Waarom zouden we een uitzondering maken voor het een en niet voor het ander? Er zit bovendien een financiële vraag bij. Er zit ook een vraag bij over de definiëring van de doelgroep en over de proportionaliteit van de maatregel, en er zit een hele belangrijke vraag bij over de uitvoerbaarheid. We hebben als overheid natuurlijk al eerder onze neus gestoten. Er zijn een heleboel praktische en meer principiële vragen, en er is ook een financiële vraag waarom we dit niet wenselijk vinden.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ik gaf al bij het begin aan dat wij over bepaalde zaken principieel anders denken. Het eigen risico heeft wat ons betreft een plek in een stelsel van solidariteit. Daarom denk ik ook niet dat dit de geschikte weg is om te helpen. Er zijn mogelijkheden voor eventuele financiële compensatie, als dat voor iemand een drempel zou zijn. Uit onderzoek is gebleken dat het voor heel veel vrouwen en mannen niet de eerste drempel is, maar dat het veel meer gaat over schaamte en schuldgevoel. Dus nee, ik ben niet bereid om dat aan te passen.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ik heb ook niet de illusie dat ik u kan overtuigen om het niet te doen. Ik heb aangegeven om welke redenen wij dit geen goede zaak vinden, en daar blijf ik bij.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Nu overvraagt u mijn kennis een beetje, want dat ligt echt bij mijn buurman. Ik kan kijken wat ik daar in tweede termijn over kan zeggen en of dat toevallig nog in mijn mapje justitie zit, waar ik nu eigenlijk aan wil beginnen.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Hierover zijn best wel veel vragen gesteld, dus ik ga mijn best doen. Ik begin bij de vragen van mevrouw Becker over het toenemende onlinegeweld en de vragen van mevrouw Paulusma die een beetje over hetzelfde gingen. Hoe kijken wij daartegen aan? Wat je op het internet ziet gebeuren, is natuurlijk afschuwelijk. De zaak in Frankrijk van vorig jaar was daar een vreselijk voorbeeld van. Dit kabinet geeft dan ook prioriteit aan de aanpak van online seksueel geweld. De afgelopen jaren is al ingezet op een integrale aanpak. Die lijn gaan wij nu doorzetten en versterken. We geven daar een impuls aan door daarvoor geld in te gaan zetten. We hebben 15 miljoen euro gereserveerd voor de aanpak van online seksuele misdrijven. Daarbij wordt ook ingezet op het ontwikkelen van een multidisciplinaire aanpak met verschillende specialismen, op meer datagedreven en intelgestuurd werken en op werken met behulp van analysetools. Specifiek online seksueel geweld tegen kinderen is een van de geprioriteerde thema's in de Veiligheidsagenda en zal ook deel uitmaken van de Veiligheidsagenda voor 2027 tot 2030. In die Veiligheidsagenda worden de landelijke beleidsdoelstellingen voor de taakuitvoering van de politie eens per vier jaar vastgesteld. Dit heeft dus echt prioriteit en daar zijn extra middelen voor. Wij proberen er alles aan te doen. Mevrouw Becker vroeg hoe wij ervoor zorgen dat slachtoffers ook straks bij Offlimits terechtkunnen. Ik deel met haar dat Offlimits werk verricht dat heel belangrijk is en waar ook een sterke maatschappelijke behoefte aan is. De subsidie aan Offlimits wordt verminderd. De basis daarvan ligt bij het kabinet-Schoof. Die taakstelling is door dit kabinet gehandhaafd, maar de minister van Justitie en Veiligheid heeft deze vermindering van de subsidie voor de jaren 2025 en 2026 gecompenseerd. Het aantal meldingen en hulpvragen van slachtoffers aan Offlimits groeit al enige jaren. De voorgenomen bezuinigingen op de subsidie aan Offlimits staat op gespannen voet met deze groei. Ik zou dus tegen mevrouw Becker willen zeggen dat Offlimits blijft bestaan, want het is een organisatie die belangrijk werk doet. Ik zie geen risico dat Offlimits niet meer beschikbaar zou zijn voor het uitvoeren van de taken die zij hebben. Ik hoorde trouwens ook iets over een amendement op de begroting dat volgens mij is ingediend door mevrouw Paulusma, maar dat is dan voor die begrotingsbehandeling. Mevrouw Armut vroeg hoe wij die aanpak een impuls willen geven. Daar heb ik net al iets over gezegd. Vanaf 2030 is structureel 15 miljoen gereserveerd voor de genoemde multidisciplinaire aanpak. Mevrouw Armut vroeg naar aanleiding van de Motherless-website welke stappen inmiddels zijn ondernomen om te voorkomen dat überhaupt video's van seksueel misbruik worden gemaakt, online worden gezet en blijven circuleren. De impact is natuurlijk enorm als dat soort beelden van jou circuleren. Een veilige onlineomgeving is gewoon cruciaal. Het is ook diep verontrustend dat er onlinegroepen zijn — we hebben dat pas weer in een bericht in de media gezien — die elkaar aanmoedigen om anderen te drogeren en te misbruiken, en die zelfs tips delen om daarmee weg te komen. Die moeten zo snel mogelijk worden opgespoord en aangepakt. Dat gebeurt in de praktijk ook, zoals blijkt uit de recente berichtgeving over het offline halen van de betreffende website. De minister van Justitie en Veiligheid gaat in overleg met de ketenpartners om te bezien wat er nog nodig is om dit soort schadelijke netwerken tegen te gaan en ontoegankelijk te maken. Daarbij wordt zowel gekeken naar de strafrechtelijke aanpak als naar mogelijkheden om dit soort content sneller te signaleren en te verwijderen. Ook zet het kabinet in op een bredere integrale aanpak, gericht op preventie, signalering en het ondersteunen van slachtoffers. In de volgende voortgangsbrief over de aanpak van seksuele misdrijven zal de minister van Justitie en Veiligheid hier verder op ingaan naar aanleiding van de toezeggingen die hij in juni heeft gedaan. Die brief wordt verwacht voor het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen, dat op 9 december op de planning staat. Mevrouw Armut vroeg ook nog of de lat bij het OM voor het offline laten halen van een website niet te hoog ligt. Het OM kan een website offline laten halen op basis van de bevoegdheden neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. Dan moet er wel een concrete verdenking zijn van het strafbaar feit, want het verspreiden van beelden van seksuele handelingen is op zichzelf niet strafbaar. Het maken of verspreiden van beeldmateriaal zonder instemming van de afgebeelde persoon is dat wel. Daarom hebben de politie en het OM stappen ondernomen op het moment dat er een concrete verdenking was dat op de bedoelde website non-consensueel, dus zonder toestemming, beeldmateriaal circuleerde. Onlinenetwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en verspreid, zijn misselijkmakend. Het Wetboek van Strafvordering biedt de mogelijkheid tot inzet van soms vrij ingrijpende opsporingsbevoegdheden, maar het is ook belangrijk dat de inzet daarvan met juridische waarborgen is omkleed. Dan had u nog een vraag hierover, namelijk of we ook bereid zijn om te zorgen voor een duidelijke, laagdrempelige meldroute voor vrouwen die vermoeden dat ze zijn gedrogeerd of misbruikt. Er bestaan al duidelijke meldingsmogelijkheden voor slachtoffers. Als mensen vermoeden dat ze slachtoffer zijn van misdrijven, kunnen ze zich te allen tijde bij de politie melden. Slachtoffers kunnen ook terecht bij het Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis of Slachtofferhulp Nederland. Daarnaast kunnen ze terecht bij Offlimits. Daar hadden we het net over. Ze kunnen daar terecht bij de hulplijn en kunnen daar meldingen maken. Ze kunnen ook zelf melding doen bij een platform wanneer er sprake is van illegale content. Offlimits helpt bij het verwijderen van strafbaar materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik aan slachtoffers en aan ouders, bijvoorbeeld bij online seksueel kindermisbruik. Mevrouw Armut had nog de vraag hoe vaak de rechter als bijzondere voorwaarde oplegt dat de dader geld moet storten, maar daar kom ik in tweede termijn even op terug. Mevrouw Becker vroeg of het kabinet ervoor kan zorgen dat in de opleiding van medewerkers in de zorg en bij de politie aandacht wordt besteed aan het herkennen van en opvolging bij seksueel geweld. In de opleiding en de werkinstructies van de politie is daar aandacht voor. Voor de basisteams is de interne werkinstructie gebiedsgebonden politie bij seksuele delicten opgesteld, waarin de politie onder meer aandacht besteedt aan slachtofferbejegening. Daarnaast heeft de politie in de afgelopen jaren gewerkt aan het verbeteren van de wijze waarop zedenrechercheurs en andere politiemedewerkers omgaan met slachtoffers. Een belangrijke ontwikkeling is de komst van het frontoffice van het Team Seksuele Misdrijven. Deze medewerkers zijn gespecialiseerd in het in gesprek gaan met slachtoffers van seksueel misbruik en in op een sensitieve manier in kaart brengen wat hen is overkomen. In bepaalde situaties kan een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk of wenselijk zijn. In andere situaties kan een wijkagent bijvoorbeeld sneller en effectiever handelen. Dat is een professionele afweging die de politie zelf maakt. Mevrouw Becker vroeg of het kabinet bereid is om te kijken naar en in overleg te gaan met het slachtoffer over een pilot met een uniforme digitale intake voor slachtoffers van seksueel geweld. Uiteraard is de minister van JenV bereid om met de initiatiefneemster in gesprek te gaan over haar ideeën. Tegelijkertijd benadrukt de politie dat zij waar het slachtoffers van seksueel geweld betreft veel waarde hecht aan een slachtoffersensitieve bejegening, met ruimte voor een gepersonaliseerde aanpak, het passend en volledig informeren van slachtoffers en het bieden van bij de behoefte van het slachtoffer aansluitende hulp en ondersteuning. Maar ik begrijp dat er al contact is geweest tussen de initiatiefneemster en de regeringscommissaris en dat haar voorstel is doorgestuurd naar de ambtenaren die op dit moment werken aan het traject voor een gezamenlijke aanpak voor slachtoffers van seksueel geweld. Mevrouw Coenradie vroeg of wij kunnen zorgen dat er door hulpverleners geen uitspraken meer worden gedaan dat aangifte doen geen zin heeft, omdat aangifte doen altijd zin heeft. Dat lijkt mij eerlijk gezegd een vrij retorische vraag. Ik denk dat elk slachtoffer van een zedendelict erop moet kunnen rekenen dat als diegene bij de politie terechtkomt, er een aangifte wordt opgenomen. Ik kan niet namens de hulpverleners spreken, maar van de minister van Justitie en Veiligheid begrijp ik dat de politie de afgelopen jaren heeft gewerkt aan het verbeteren van de wijze waarop zedenrechercheurs en andere politiemedewerkers die betrokken zijn bij een melding omgaan met slachtoffers. Het doel hiervan is de werkwijze meer te laten aansluiten bij de behoefte van de individuele melder en te voorkomen dat slachtoffers zich gestuurd voelen door de politie om geen aangifte te doen. Een belangrijke ontwikkeling is de komst van de frontoffice van het Team Seksuele Misdrijven, omdat die veel meer gevoeligheid hebben voor de omgang met deze slachtoffers; daar vertelde ik u net al over. De Inspectie JenV concludeerde in ieder geval in 2024 — dat is weliswaar twee jaar geleden, maar toch — dat de politie haar werkwijze aantoonbaar heeft verbeterd en veel meer oog heeft voor het slachtofferbelang. Lid Becker vroeg of we bereid zijn serieus werk te maken van het beter opvolgen van meldingen en aangiftes. Ja, daartoe zijn we bereid. Lange doorlooptijden in zedenzaken kunnen grote impact hebben. Binnen de politie zijn de afgelopen jaren dan ook verschillende investeringen gedaan voor het uitbreiden van de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven om de werkvoorraden op het gebied van zedenzaken terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal meldingen en aangiftes als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven te kunnen opvangen. Dit kabinet zal daarnaast, conform ambities in het coalitieakkoord, een impuls geven aan de aanpak door de politie van online seksueel misbruik. Mevrouw Becker vroeg ook nog of wij inzicht kunnen geven in het aantal meldingen en aangiftes. De Kamer wordt halfjaarlijks geïnformeerd over het aantal meldingen en aangiftes en werkvoorraden bij de politie op het terrein van zedenzaken. Zoals opgenomen in het halfjaarbericht van juni 2026 waren er bij de politie in het eerste halfjaar 6.228 incidenten van seksueel geweld geregistreerd, waarvan in bijna 1.700 gevallen het slachtoffer ook aangifte bij de politie deed. Mevrouw Van Meetelen vroeg wanneer de afgesproken doorlooptijden wel structureel worden gehaald, waar nou de grootste vertragingen zitten en wat het kabinet gaat doen. De stijging van het aantal meldingen van seksueel geweld legt druk op de strafrechtketen. Het waarborgen van voldoende capaciteit binnen de keten verdient dan ook blijvende aandacht. Tegelijkertijd kan niet zonder meer worden gesteld dat een verdere uitbreiding van de capaciteit op dit moment zal leiden tot snellere doorlooptijden in zedenzaken. Er moet ook gekeken worden naar andere en creatieve oplossingen. De organisaties in de strafrechtketen hebben daarom ingezet op andere maatregelen, die op termijn kunnen bijdragen aan het op structurele wijze verkorten van de doorlooptijden, en aan het versterken van de strafrechtketen. Denk daarbij aan het optimaliseren en aanpassen van de werkprocessen, het prioriteren van zedenzaken bij het plannen van zittingen, het verbeteren van de sturing op capaciteit en prioriteit, meer maatwerk en een passende en betekenisvolle afdoening voor het slachtoffer. De cijfers — ik noemde er net al een van — over 2024 en 2025 laten de eerste positieve resultaten zien. We zijn er dus nog niet, maar we werken er hard aan en zijn op weg. Mevrouw Armut vroeg of het niet wenselijk zou zijn om geld te storten in dat fonds. Ik heb u net eigenlijk al verteld hoe het werkt met het bestaande fonds. Een nieuw fonds lijkt mij dus niet wenselijk. Het als onvoorwaardelijke straf of maatregel kunnen opleggen van artikel 14 van het Wetboek van Strafrecht is niet wenselijk, omdat dit extra sancties creëert in het huidige palet. De vraag is ook hoe dat zich precies verhoudt tot de reeds bestaande geldboete. Het is wel mogelijk om bij deze maatregel een bijdrage aan bijvoorbeeld het Centrum Seksueel Geweld op te leggen; dat heb ik net ook al benoemd. Mevrouw Armut hoort ook graag hoe het staat met de uitvoering van de motie van eind 2024 over de traumatische ervaringen van seksueel misbruik achter gesloten deuren. Naar aanleiding van die motie loopt er een WODC-onderzoek naar de externe openbaarheid van strafzittingen. In dit onderzoek komen de mogelijkheden aan bod om de privacy van slachtoffers te beschermen en de belangenafweging die plaatsvindt met het grondwettelijke beginsel van openbaarheid. Het onderzoek zit op dit moment in de afrondende fase en wordt naar verwachting in het laatste kwartaal van dit jaar openbaar. Daarnaast zal de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid met een beleidsreactie komen. Voorzitter. Ten slotte een vraag van mevrouw Van Meetelen, die ook is gesteld door mevrouw Coenradie. Die vraag gaat over het huidige tekort aan forensisch artsen. Wanneer verwachten wij dat dat weer op orde is? Ik heb helaas geen antwoord op deze vraag. In het capaciteitsplan van de komende drie jaar geeft het Capaciteitsorgaan aan dat er veel onzekerheid is rondom de vraag naar forensische geneeskunde in de komende jaren. Een aantal ontwikkelingen die een substantiële impact kunnen hebben, lopen parallel. Dat gaat bijvoorbeeld om de overgang van medische arrestantenzorg naar andere professionals, over de bestaande onvervulde vraag — je weet natuurlijk nooit precies waar het over gaat qua aantallen — en de substitutie van taken naar forensische verpleegkundigen en andere artsen. Ik ben wel met mijn collega's van JenV en BZK bezig om te werken aan die toekomstbestendige forensische geneeskunde, onder andere via een gezamenlijk programma gericht op de versterking hiervan. Daar wordt u jaarlijks over geïnformeerd door de minister van JenV.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ik zal de vragen die u heeft, doorgeleiden naar de minister van JenV, want ik kan die op dit moment niet beantwoorden.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ook dat verzoek zal ik doorgeleiden. Daar kan ik natuurlijk geen toezegging op doen.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ook hier hoor ik de urgentie die u uitspreekt. Ook deze vraag zal ik doorgeleiden naar mijn collega.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Dat klopt helemaal. Ik begin weer bij een vraag van het lid Becker en mevrouw … Wacht even, dit is het verkeerde mapje. Deze heb ik net al gedaan. Ik ben bij het mapje overig. Dan begin ik toch bij een vraag van mevrouw Becker. Zij vroeg namelijk of ik ook vind dat de overheid zou moeten zorgen voor meer cameratoezicht en genoeg boa's en zo. Daar heb ik net eigenlijk ook wel iets over gezegd. Enerzijds heeft de overheid absoluut een taak, maar ik denk dat we hier allemaal een taak in hebben. Mevrouw Paulusma vroeg hoe ik kijk naar het uitgangspunt van de kind-eerst-wet. Ik heb al eerder aangegeven dat ik daar heel sympathiek tegenover sta en ook met grote belangstelling afwacht wanneer die wet naar de Kamer komt. Mevrouw Becker vroeg of ik bereid ben om met spoed het actieplan stop geweld tegen vrouwen uit te voeren. Ik ben ook heel erg voor snel dingen uitvoeren, maar we weten allemaal dat de Nationaal Coördinator vorige week is gestart. Ze is wel direct aan de slag gegaan met het overzicht en de samenhang met betrekking tot alle inzet rondom geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. We zullen dus ook zo snel mogelijk komen met een totaaloverzicht en planning. Tussentijds zal de Kamer uiteraard wel worden geïnformeerd over de voortgang op de verschillende trajecten, wetsvoorstellen en acties uit het coalitieakkoord. Daar werd terecht van gezegd dat die al een tijdje lopen. Over de gelden zullen we in de VWS-begroting verder spreken. Op verschillende posten zijn er middelen vrijgemaakt rondom Filomena, vrouwenopvang en andere plekken. Ik stel voor dat we het gesprek daarover bij de begroting voeren. Dan ben ik eigenlijk zo drie vragen verder. Wat is de stand van zaken rondom de motie over afkoelhuizen voor daders? De uitwerking van deze motie wordt door de minister van Justitie en Veiligheid meegenomen in de pilots ter verbetering van het tijdelijke huisverbod. In dat traject wordt onder meer gekeken naar de mogelijkheden voor de inzet van hulpverlening voor plegers en toezicht op plegers. Op dit moment zijn die pilots nog in uitvoering. We verwachten in het eerste kwartaal van 2027 de bevindingen en opvolging van de pilots met u te kunnen delen. Dan was er de vraag van mevrouw Vliegenthart of ik bereid ben in kaart te brengen wat organisatorisch en financieel nodig is om minimaal één gespecialiseerd nazorgspreekuur per regio te realiseren. Gemeentes zijn verantwoordelijk voor het organiseren en financieren van deze laagdrempelige ondersteuning voor potentiële slachtoffers. Op dit moment zijn er in twaalf regio's al gespecialiseerde nazorgspreekuren beschikbaar, met een landelijke spreiding. Daarom ben ik eigenlijk niet voornemens om nog een onderzoek te doen naar of een inventarisatie te doen van die landelijke dekking. Wel kan ik de VNG en de GGD vragen om de lessen uit Den Haag, waar het loopt, met elkaar te bespreken en daarvan te leren. Mevrouw Vliegenthart had ook een aantal vragen over de aanbevelingen van GREVIO. Ze vroeg wat wij hebben gedaan met de aanbevelingen op terreinen als preventie, opvang, gespecialiseerde hulp, familierecht en strafrecht. Vorig jaar, op 27 november 2025, is daarop gereageerd. De opvolging van deze aanbeveling is ook onderdeel van lopend beleid. Binnen drie jaar wordt aan de Raad van Europa gerapporteerd over de voortgang. Deze rapportage zal ook met de Tweede Kamer worden gedeeld. Als het gaat om de stappen die voor juni volgend jaar zijn gezet, ligt er sinds 2026 ter advies bij de Raad van State een wetsvoorstel dat de richtlijn implementeert. Het advies wordt naar verwachting vandaag gepubliceerd. Na verwerking hiervan volgen dan het nadere rapport, de bespreking in de ministerraad en de indiening bij de Tweede Kamer, zoals u vast weet. Ten slotte is er uw vraag of de beschikbare middelen voldoende zijn. Of de huidige financiering via de Wmo toereikend is, wordt nu onderzocht in de uitvoeringstoets van VNG Realisatie. Die toets moet inzicht geven in de benodigde middelen en in de vraag of de bestaande financiering via de algemene uitkering en de Decentralisatie-uitkering Vrouwenopvang volstaat. De resultaten hiervan zullen dan ook bepalen of er aanvullende middelen nodig zijn. Mevrouw Becker vroeg naar de uitvoering van de motie-Becker over het in kaart brengen van de privacyregels en gegevensdeling. Dat onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd. De Kamer wordt over de uitkomsten geïnformeerd in de voortgangsbrief huiselijk geweld en kindermishandeling. Die verwachten we in december. Mevrouw Vliegenthart had nog een vraag over de deskundigheidsbevordering, namelijk wanneer de Tweede Kamer een plan daarvoor ontvangt. We hebben het onderzoeksrapport over het verbeteren van de deskundigheidsbevordering op 3 juli met de Kamer gedeeld. Omdat de aanbevelingen zowel landelijk als regionaal het organisatieniveau beslaan, worden de aanbevelingen uit dit rapport op dit moment besproken met JenV en de VNG. We zullen u over de voortgang updaten in de brief in december van dit jaar. Ten slotte is er de vraag van mevrouw Becker of ik kan toezeggen dat de geleerde lessen van de regeringscommissaris en uit het NAP worden bestendigd in de aanpak van — nu staan er wel heel veel afkortingen — in ieder geval huiselijk geweld en kindermishandeling en de aanpak daarvan. Dat gaan we inderdaad doen. Het wordt ook meegegeven aan de Nationaal Coördinator om dit verder uit te werken in het actieprogramma.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Ik kom daar in de tweede termijn op terug.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Voorzitter, dank u wel. De motie op stuk nr. 4 ontraad ik met verwijzing naar het debat dat we daarover hebben gevoerd. De motie op stuk nr. 5: oordeel Kamer. Ik lees 'm als het in kaart brengen van de bestedingsdoelen van die 2 miljoen uit de Miljoenennota. Ik zal vóór de begrotingsbehandeling een brief naar de Kamer sturen. In die brief zal ik ook ingaan op welke financieringsroutes er in de toekomst zijn. De motie op stuk nr. 6 wil ik ontraden, ook met verwijzing naar het debat. De motie is gewoon te breed; we kijken wel naar de Zorgverzekeringswet, maar deze motie wil dat we dat breder doen. De motie op stuk nr. 7: ook ontraden, want die loopt vooruit op de motie op stuk nr. 5. Ik ben er niet per se tegen, maar ik zou eerst de uitkomst van de motie op stuk nr. 5 willen afwachten. De motie op stuk nr. 8: ook oordeel Kamer. Als ik dan het onderscheid mag maken naar toekomstige en huidige professionals, kan ik de motie oordeel Kamer geven voor de professionals in de praktijk. Dan de motie op stuk nr. 9: ook oordeel Kamer. Het is al onderdeel van de aanpassingen die we op dit moment aan het doen zijn, en daar zijn ervaringsdeskundigen ook bij betrokken. De motie op stuk nr. 10: oordeel Kamer. Er is op dit moment al een onderzoeksrapport opgeleverd en we zijn met de aanbevelingen daaruit aan de slag. De Nationaal Coördinator moet dit ook echt mee gaan nemen in het actieplan. Als ik de datum die u noemt, mag zien als een streefdatum, kan ik 'm oordeel Kamer geven. De motie op stuk nr. 11 is overbodig. Dat zeg ik ook met verwijzing naar het debat dat we daar net over hadden. De motie …
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Dan neem ik gelijk het antwoord op de vraag mee, want dat had ik hier inderdaad ook liggen. In meerdere regio's worden expertises gebundeld in de werkwijze voor het spreekuur, zoals medische expertise, tolken en de cultuursensitieve aanpak. Zoals ik in mijn eerdere antwoord benoemde, zal ik de VNG en de GGD vragen om de lessen van het spreekuur in Den Haag te delen met andere regio's.
Bron, video en gesprek →Minister Sterk: Nou twijfel ik of ik de motie op stuk nr. 12 al had geapprecieerd. Nee? Die wil ik ook oordeel Kamer geven. De VNG is op dit moment bezig met een uitvoeringstoets vanuit de Wmo. De motie op stuk nr. 13: ook oordeel Kamer. We zullen dat oppakken vanuit het AZWA. Dan tot slot de motie op stuk nr. 14: oordeel Kamer. De minister van JenV is bereid om in overleg te gaan, en zoals ik eerder al zei, is er ook al contact geweest met de initiatiefnemer over deze werkwijze. Ik had nog één laatste vraag te beantwoorden en dan ben ik klaar. Ik zou er nog even op terugkomen of ik vóór behandeling van de Implementatiewet EU-richtlijn geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld inzicht kan geven in financiële knelpunten wat betreft regionale CSG's. Ik zeg toe hier vóór de behandeling van de implementatiewet door de Tweede Kamer op terug te komen.
Bron, video en gesprek →