de jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Bron, video en gesprek →Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →De heer Ceder (ChristenUnie): Ook ik wil zeggen dat uit het betoog van mevrouw Synhaeve betrokkenheid op dit onderwerp spreekt; zo ken ik haar ook. Ik vermoed dat als mevrouw Synhaeve in de oppositie zou hebben gezeten, de conclusies van het rapport-Van Ark misschien wat logischer zouden zijn. Daarmee bedoel ik niet dat er per se meer geld bij zou moeten. Ook wij vinden dat meer geld de jongeren niet helpt. Maar wij vinden wel, wat mevrouw Dobbe ook aangaf, dat dat nu wel nodig is terwijl je die hervormingen aan het doen bent.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Mijn vraag daarbij is of mevrouw Synhaeve het met mij eens is dat we de komende maanden wel duidelijkheid over die hervormingen moeten hebben en dat voor de augustusbesluitvorming voor D66 wel een toetssteen is of de begroting zoals die in de plaat is gezet afdoende is. Ik vermoed dat we anders gewoon grote ongelukken krijgen. Deelt u die zorg?
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Ik ben er namelijk een beetje bang voor — dat is mijn vrees — dat we niet op tijd klaar zijn met die duidelijke keuzes, ondanks alle goede bedoelingen. In augustus moet de coalitie wel gewoon klaarstaan met de financiële plaat. Ik vrees dat alsnog gaat gebeuren wat, denk ik, al heel lang gebeurt, namelijk dat de financiële plaat wel degelijk leidend is, ondanks wat mevrouw Synhaeve nu ook aangeeft. Kan mevrouw Synhaeve aangeven dat dat scenario voorkomen gaat worden, juist ook vanuit het belang om voor de kinderen te kiezen, zoals mevrouw Synhaeve uitvoerig in haar betoog heeft aangegeven?
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Tot slot, voorzitter. Ik zou mevrouw Synhaeve dan ook willen uitdagen om de komende maanden — ik weet hoe het is om in een coalitie te zitten — daar echt wel voor te knokken, omdat we anders rond de begrotingsbehandelingen een debat met elkaar hebben waarin mevrouw Synhaeve de plaat moet gaan verdedigen en we misschien wel een scenario hebben waarin er onvoldoende duidelijke keuzes zijn gemaakt, terwijl we hier allemaal aanvoelen dat dat debat de kinderen echt niet gaat helpen. Die aanmoediging en die steun voor de komende zomer wil ik hier dus openlijk uitspreken.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Ik deel dat die verschrikkingen nooit hadden mogen plaatsvinden en dat we te maken hebben met een falend systeem. Sterker nog, ik denk dat de Staat gewoon niet kan garanderen dat iemand er beter van wordt als die uit huis wordt geplaatst. Dat is een ernstige situatie. Ik heb wel moeite met het debat dat we hier vaak voeren als we het hebben over organisaties waar mensen werken die juist voor dit vak hebben gekozen omdat ze kinderen willen helpen. Ik verwerp de misstanden, ik verwerp ook de pleegouders en alle betrokkenen. Die moeten ook aangepakt worden, strafrechtelijk en op alle mogelijke wijzen.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Mijn vraag is of de heer El Abassi wel, met mij, van mening is dat door het zo benoemen van een hele organisatie, we ook medewerkers — van wie er sommigen zitten te kijken — die met passie voor dit vak hebben gekozen, delegitimeren en we het werk misschien zelfs minder aantrekkelijk maken in een sector waar we al schrijnende tekorten hebben.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Dank aan mijn collega voor het plaatsen van een nuancering. Ik krijg uit werkbezoeken of in gesprekken vaak terug dat mensen voor het werken in de jeugdzorg hebben gekozen, met passie voor het vak. Zij vinden het ingewikkeld dat bij een incident — of incidenten, het zijn er veel te veel — vervolgens de hele sector of een hele organisatie aangesproken lijkt te worden. Dat maakt het ook minder aantrekkelijk om daar überhaupt langer aan de slag te gaan. Los van het stelsel en het geld, weten we dat een van de problemen het tekort aan mensen is. Dat is een factor. Ik wil meegeven dat het dan niet helpt als we in het debat over organisaties spreken alsof eenieder die daar met liefde voor kinderen staat te werken in het verdachtenbankje wordt geplaatst. Dat wilde ik nog even meegeven.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Ik denk dat ik met mevrouw Coenradie de urgentie deel dat elk onveilig kind onderzocht moet worden. Ik probeer uw motie te begrijpen, omdat ik die ook goed wil appreciëren. Mevrouw Coenradie geeft aan dat er een doorlichting met komen van pleegouders, maar dat dit niet door de inspectie zou moeten gebeuren, die deze taak in principe heeft, maar door een andere instantie. Wie zou dat dan moeten zijn en welke mensen worden daar dan op gezet? We hebben namelijk overal een tekort. Ik ben dus even benieuwd hoe dit volgens u praktisch zou moeten werken en wie het zou moeten doen.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Dit insinueert dat dit momenteel eigenlijk niet of onvoldoende gedaan wordt door de bevoegde instanties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en andere organisaties. Ik denk dat er inderdaad meer boven water zou moeten komen. Maar alles en iedereen doorlichten zou misschien wel een verkapte motie van wantrouwen zijn tegen alle protocollen en mensen die hun best proberen te doen in een stelsel dat niet goed gaat. Er is ook een schrijnend tekort aan pleegouders. Laten we dat ook vooropstellen.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Waarom vindt mevrouw Coenradie het niet veel beter om de instanties die nu al bevoegd en verantwoordelijk zijn, te vragen om opnieuw die check te doen, in plaats van een andere partij, waarvan we niet weten welke dat is? We weten niet of die de expertise heeft om daarbovenop te zitten.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Ik ga de motie lezen.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Voorzitter. Het gaat niet goed in de jeugdzorg, echt niet. Sterker nog, inmiddels kan de Nederlandse Staat na een uithuisplaatsing niet garanderen dat een kind er beter van wordt. Het rapport over de ZIKOS-afdelingen bevestigt dit helaas. Het rapport laat zien hoe jongeren die al kwetsbaar waren in een systeem terechtkwamen dat hen had moeten beschermen, maar dat hen soms juist verder beschadigde. De cijfers zijn onthutsend. In de twee jaar sinds de onderzoeken naar de misstanden in de gesloten jeugdzorg hebben 38 van de 51 deelnemers een poging gedaan om uit het leven te stappen. Vijf van hen zijn inmiddels overleden. Voorzitter. Laten we dat even tot ons laten doordringen. Dit zijn geen statistieken. Dit zijn kinderen, kinderen die ons ooit zijn toevertrouwd, die zijn toevertrouwd aan de zorg van de overheid. Zo zijn er nog veel meer verhalen van kinderen die helemaal niet verder geholpen worden, maar klem zijn komen te zitten in een stelsel dat niet meer functioneert. Voorzitter. Juist daarom heeft de ChristenUnie vorig jaar gepleit voor een staatscommissie jeugdzorg. Ik ben ook blij dat de staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen op 1 april jongstleden is gestart. Ik hoop dat deze commissie ons niet alleen een analyse geeft van wat er misgaat, want daar hebben we al genoeg rapporten over, maar vooral ook bouwstenen aanreikt voor een stelsel dat gezinnen en kinderen daadwerkelijk helpt. Ik ben blij met de nota van de heer Stoffer, want ook wij vinden dat gezinszorg daarin voorop zou moeten staan. Voorzitter. De problemen zijn niet incidenteel, maar structureel. Uithuisplaatsingen duren namelijk langer dan nodig omdat dossiers te laat worden opgepakt, er zijn ernstige personeelstekorten en er is een ernstig tekort aan pleegouders. Commissie-De Winter concludeerde al in 2019 dat een op de tien kinderen in de jeugdzorg vaak tot zeer vaak geweld meemaakte. Het Vergeten Kind constateerde dat kinderen gemiddeld zes keer worden doorgeplaatst. Daarom wil ik de minister iets nadrukkelijk vragen. Ik weet dat er hard wordt gewerkt aan hervormingen. Ten aanzien van de discussie over de reikwijdte van de jeugdzorg die we binnenkort gaan voeren hier in de Kamer, adviseerde de adviescommissie voor de Hervormingsagenda Jeugd om nadrukkelijk eerst vanuit de inhoud te redeneren, en niet vanuit het budget. Kan de minister dus toezeggen dat deze hervormingen niet primair gestuurd zullen worden door financiële overwegingen, en dat de discussie binnen het kabinet op die wijze en in die volgorde gevoerd zal worden? Voorzitter. We moeten ook eerlijker zijn over wat jeugdzorg wel en niet is. Voor de ChristenUnie is jeugdzorg gezinszorg en is gezinszorg jeugdzorg, want de meeste problemen van kinderen staan simpelweg niet los van hun omgeving. We weten dat 64% van de ouders met psychische problematiek deze in meer of mindere mate overdraagt aan hun kinderen, dat 73% van de ouders van uit huis geplaatste kinderen zelf kampt met problemen zoals verslaving, psychische klachten of armoede, en dat in ongeveer een derde van de gevallen kinderen weer naar huis kunnen wanneer niet de kinderen, maar de ouders de juiste ondersteuning krijgen. Voorzitter. Dit zijn geen randzaken. Dit is de kern van het probleem, maar ook de sleutel tot verbetering. Daarom pleit de ChristenUnie al jaren voor een gezinsgerichte aanpak. Maak daarom vaart met passende, hoogwaardige gezinshulp, zodat problemen binnen het gezin worden aangepakt in plaats van dat we een kind uit huis en uit zijn omgeving plaatsen. Pak de regie en harmoniseer wet- en regelgeving die deze hulp mogelijk maakt. Voorkom dat discussies over schotten in regelgeving tussen ministeries, privacyregels, financiering en discussies over verantwoordelijkheden uiteindelijk effectieve hulp de nek omdraaien voor een gezin dat gewoon hulp nodig heeft. Dat is nu de facto helaas elke dag te vaak het geval. Kan de minister toezeggen dat deze benadering leidend wordt in de verdere uitwerking van de hervormingen, en dat ze voor de begroting met een plan van aanpak komt om deze gezinszorg primair te stellen? Ziet de minister momenteel voldoende ruimte voor gemeenten om over domeinen heen te kunnen werken? Is ze bereid toe te zeggen dat lokale experimenten die deze ontschotting bij gemeenten mogelijk maken maximaal ondersteund worden, als die dat wensen? Voorzitter, tot slot. Gezinszorg betekent ook aandacht voor vaderschap. De gevolgen van afwezig vaderschap zien we terug in de jeugdzorg, het onderwijs en soms ook in veiligheidsvraagstukken. Dat is ook de reden dat ik een paar maanden geleden een manifest heb geschreven: Betrokken vaders, bloeiende samenleving. Internationaal gezien is er steeds meer onderzoek dat bevestigt dat je effectieve beleidsinterventies niet los kunt zien van investeren in positief vaderschap. Toch is er in Nederland nog relatief weinig kennis of onderzoek en beleid ontwikkeld rondom de rol van vaders in de opvoeding. Daarom is mijn laatste vraag of de minister bereid is om meer structureel onderzoek naar een interventie rond vaderschap toe te zeggen en te investeren in positieve mannelijke rolmodellen, ook bijvoorbeeld in de jeugdzorghulpverlening. Dank u wel, voorzitter.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Dat is een belangrijke vraag. Ik heb inderdaad een paar maanden geleden een interview gegeven. Dat kan ik iedereen aanbevelen. Dat ging over opgroeien in de Amsterdamse Bijlmer. Positieve mannelijke of vaderlijke rolmodellen waren gewoon spaarzaam. Die waren moeilijk te vinden. De dynamiek die ik zag en bevestigd zag worden door heel veel mensen en hulpverleners die ik spreek is dat kinderen op zoek zijn naar rolmodellen. Als je die niet thuis vindt, dan vind je die op andere plekken, bijvoorbeeld op straat. Daarin zit een dynamiek. Ik pleit voor positieve mannelijke rolmodellen, vooral voor jongens. Ik heb al eerder een voorschot gedaan. In het onderwijs zie je dat het aantal mannelijke leraren aan het dalen is. Je ziet dat dat impact heeft. Ik pleit ervoor om daar ook in de jeugdzorg wat aan te doen. Ik sprak laatst in een podcast een jeugdzorghulpverlener die werkt met jongens. Hij zei, ook met het oog op die hele discussie over de manosfeer, dat het wel degelijk uitmaakt als iemand die nooit een positief rolmodel heeft gehad er wel een ontmoet. Ik kan daar zelf over meepraten. Dat kunt u in het interview lezen. Daar waar het niet thuis kan — er zijn situaties waarin het thuis gewoon niet mogelijk is — is het goed als er in de omgeving steunfiguren of in de professionele zorg mensen zijn. Er ontstaan heel veel vaderschapsgroepen in het land, omdat mensen vaak niet weten hoe je een positieve vader kunt zijn. Zij hebben dat zelf ook niet geleerd. Je merkt dat er steeds meer gesprekken plaatsvinden. Mannen gaan praten. Ik juich dat van harte toe. Ik zou de minister willen aanmoedigen om daar een gesprek mee te voeren. Dat heb ik gedaan. Van Rotterdam tot Amsterdam zijn er allemaal lokale initiatieven. Het is prachtig wat daaruit voortkomt. Ik denk dat we daarmee op een creatieve manier iets kunnen bijdragen voor jongeren die dreigen te ontsporen.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Volgens mij hebben we deze discussie een paar maanden geleden gehad en waren er ook een paar moties. Ik denk dat het naïef is om te veronderstellen dat het, wanneer je bij een uithuisplaatsing geen rekening houdt met waar iemand vandaan komt en iemand in een andere omgeving plaatst, geen effect zal hebben. Dat geloof ik niet. We zijn mensen. We zijn ook deels product van onze omgeving. Religie is een belangrijke component van het zijn. Voor ik Kamerlid was, was ik advocaat. Ik heb veel familiezaken gedaan. Het is ingewikkeld. Soms wordt iemand die bijvoorbeeld uit een christelijk gezin komt uit huis geplaatst en geplaatst in een gezin waarin dat helemaal geen rol speelt. Voor de ouders die nog wel aan de zijlijn betrokken zijn en ook voor het kind is het soms zoeken hoe je dat dan doet. Ik ben het ermee eens dat het een factor is. Ik denk niet dat het de doorslaggevende factor is, maar je zou er in ieder geval wel met elkaar het gesprek over moeten voeren.
Bron, video en gesprek →De heer Ceder (ChristenUnie): Ik zei net al dat wij een paar maanden geleden deze discussie hebben gevoerd. U had daar inderdaad een motie over ingediend. U hoort dat ik zeg dat dat volgens mij een factor is die al meegenomen wordt. Wat mij betreft kan dat wat strakker. Ik moet opnieuw naar de motie en de overwegingen kijken om na te gaan waarom we in dit geval tegen de motie hebben gestemd. Maar u hoort wat ik zeg. Ik vind al jaren, al voordat ik in de Kamer zat, dat een religieuze component onderdeel is van alle relevante factoren. Ook met de geografische ligging moet rekening worden gehouden. Soms worden kinderen aan de andere kant van het land geplaatst. Ik zeg ook net dat het niet doorslaggevend is. Ik moet even naar de tekst kijken. Misschien heeft u dat doorslaggevend willen laten zijn, maar u heeft mij gehoord. Dat is wat ik vind.
Bron, video en gesprek →